﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23634-19/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>5K3002</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>23 634</nummer>
      <naam>Wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering tot onder meer
invoering van ouderinkomenonafhankelijk lenen, enkele andere vereenvoudigingen
alsmede tot verlaging van de basisbeurs (student op eigen benen)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>19</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 11 oktober 1995</datum>
      <al>De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op 28 september 1995 overleg gevoerd met minister Ritzen van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over diens brief d.d. 14 juli 1995 waarin
hij afziet van de vormgeving van een spaaroptie voor de tempobeurs (23 634,
nr. 16).</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Lansink</nadruk> (CDA) onderstreepte dat het destijds door de
Kamer aanvaarde amendement-Lansink (23 634, nr. 10) uitdrukkelijk betrekking
had op de toen in behandeling zijnde wet-Student op eigen benen (STOEB) en
niet op het (overigens niet aanvaarde) wetsontwerp betreffende de prestatiebeurs
(24 094). Weliswaar is in dit verband gekozen voor een kan-bepaling,
maar dat is gebruikelijk als het gaat over gedelegeerde regelgeving. Het leggen
van relaties met wetsontwerp 24 094 bij het ontwikkelen van een spaaroptie
vond hij dan ook onterecht. Dat ondermijnt de geloofwaardigheid van de overheid
en is niet bevorderlijk voor een consistent beleid. Daar komt nog bij dat
de minister in de Tweede en Eerste Kamer harde toezeggingen heeft gedaan over
een spaaroptie. Dan gaat het niet aan om daarvan af te zien, alleen omdat
met betrokkenen geen overeenstemming over varianten voor zo'n regeling kon
worden bereikt. In feite voelen de LSVB en het ISO wel degelijk voor een spaaroptie.</al>
      <al>Over de uitspraak van de rechter in kort geding wenste de heer Lansink
zich thans niet uit te spreken. Wellicht wil de minister hierop zijn visie
geven? Hij kon zich verenigen met de door de Kamer in dezen gekozen procedure.
Alles overziende, stemde hij niet in met de conclusie van de brief van 14
juli jl en vroeg hij de minister alsnog zo snel mogelijk een spaarregeling
te ontwikkelen, bij voorkeur volgens het communicerende-vatenmodel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">De Vries</nadruk> (VVD) bevestigde de destijds door haar fractie
gegeven steun aan het amendement-Lansink (23 634, nr. 10). Zij hechtte
aan het ontwikkelen van een spaaroptie en aan een zo breed mogelijk draagvlak
daarvoor in de Kamer. In verband met dit laatste was het haar opgevallen dat
de fractie van de PvdA in een eerdere reactie op de brief van de minister
te kennen gaf, eigenlijk geen behoefte meer te hebben aan een spaaroptie.
Om toch een zo breed mogelijk draagvlak voor een spaaroptie te verkrijgen,
zou kunnen worden overwogen om een regeling te ontwikkelen volgens het diploma-model.
In zo'n model zouden degenen die het benodigd aantal studiepunten in enig
jaar niet halen, maar die wel binnen de nominale studieduur afstuderen, hun
lening alsnog kunnen omzetten in een beurs. Materieel zou zo'n model slechts
de eerste drie studiejaren betreffen, aangezien in het vierde jaar de uiteindelijke
beslissing wordt genomen. Een aldus vormgegeven diploma-model is eenvoudig
te hanteren, voorkomt dat allerhande extra clausules moeten worden ingebouwd
en sluit goed aan bij de prestatiebeurs. Graag vernam zij van de woordvoerder
van de PvdA-fractie of deze zich zou kunnen vinden in de ontwikkeling van
zo'n model.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Stellingwerf</nadruk> (RPF) onderstreepte dat de Kamer te allen
tijde haar eigen agenda bepaalt en sprak tegen deze achtergrond zijn bevreemding
uit over de uitspraak van de rechter in kort geding. Voor hem stond vast dat
de minister in Tweede en Eerste Kamer harde toezeggingen had gedaan over het
ontwikkelen van een spaaroptie. Het door de minister in zijn brief van 14
juli jl. gehanteerde argument dat nooit is gezegd wanneer de spaaroptie er
zou komen, vond hij ronduit flauw. Ook een wijziging van de temponorm kan
geen reden zijn om de spaaroptie af te wijzen. De destijds gehanteerde 50%
geldt namelijk nog steeds. In de extra administratieve lasten zag hij eveneens
geen reden om afwijzend tegenover de spaaroptie te staan. Als de minister
dat wil aanvoeren, moet hij dat toch tenminste voor beide in het geding zijnde
modellen kwantificeren. Al met al kon hij zich niet verenigen met de brief
van 14 juli jl., die wat hem betreft de schijn wekt dat de Kamer een beetje
voor de gek is gehouden. Hij zag de spaaroptie als een bruikbaar middel ter
vergroting van de flexibiliteit. Daarbij is het uitdrukkelijk niet de bedoeling
om studenten uit te nodigen om het maar rustig aan te doen. Over de precieze
vormgeving van de spaaroptie wenste hij zich nu nog niet uit te spreken. Wel
wees hij het door mevrouw De Vries bedoelde diploma-model van de hand. Veel
meer voelde hij voor een reguliere spaarmogelijkheid die studenten de mogelijkheid
biedt om in enig jaar opgelopen achterstanden in een ander jaar in te halen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Poppe</nadruk> (SP) vond het (mede tegen de achtergrond van
gedane toezeggingen) onbegrijpelijk dat de minister in zijn brief van 14 juli
jl. het amendement-Lansink (23 634, nr. 10) gewoonweg terzijde legt.
Het uitblijven van de verhoging van de temponorm van 50% naar 70% en de vergroting
van de administratieve last voor instellingen vond hij geen redenen voor afwijzing.
De minister moet het afwijzen van de normverhoging niet proberen af te wentelen
op de studenten. Verder is het vanzelfsprekend dat een wijziging in de regelgeving
extra administratieve last oplevert. Teneinde een zo doelmatig mogelijke werkwijze
te bevorderen zou gekozen kunnen worden voor een model dat zo min mogelijk
administratieve lasten met zich meebrengt. Tegen deze achtergrond pleitte
hij ervoor om hoe dan ook een spaarmogelijkheid te ontwikkelingen, bij voorkeur
via verdere verfijning van het eerder ter sprake gebrachte diploma-model.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Ploeg</nadruk> (PvdA) concludeerde uit het rechterlijke
vonnis en uit lezing van de Handelingen dat bij de behandeling van de wet-STOEB
(waarbij hij geen woordvoerder was) een spaarregeling voor studenten door
de minister is toegezegd. Toezeggingen moeten worden nagekomen, wil men de
betrouwbaarheid van de overheid niet in het gedrang brengen. Daartoe zou kunnen
worden gekozen voor het communicerende-vatenmodel, ware het niet
dat de praktijk uitwijst dat dit te fraudegevoelig en uitvoeringstechnisch
te omslachtig is. Op grond hiervan pleitte hij voor een diploma-model, zoals
dit is neergelegd in het amendement op kamerstuk 24 094, nr. 23. Weliswaar
is dit geënt op de prestatiebeurs, maar het zou kunnen worden aangepast
aan het regime van de wet-STOEB. Dit amendement biedt studenten die in enig
jaar niet het vereiste aantal studiepunten halen, ruimte om deze achterstand
later in te halen, mits zij er zorg voor dragen binnen de nominale studieduur
(vier jaar) af te studeren. Hoewel hij het principe overeind wenste te houden
dat studenten (net als ieder ander) gewoon moeten presteren en ook op hun
resultaten moeten worden afgerekend, betwijfelde hij toch of een dergelijke
regeling niet te rigide zou zijn. Er is ook een mildere regeling denkbaar,
die studenten ruimte biedt om achterstanden in te halen binnen de cursusduur
(C) of binnen de cursusduur plus één jaar (C+1). Vooralsnog
hield hij vast aan het regime uit het amendement op stuk nr. 24 094,
nr. 23, maar als uit informatie van het ministerie blijkt dat de budgettaire
consequenties van een milder model aanvaardbaar zijn, zou hij ook dat in overweging
willen nemen, zeker ook omdat het recht doet aan het praktijkgegeven dat het
niet tijdig afleggen van tentamens niet altijd de student kan worden verweten.
Soms kan de instelling het gewoonweg niet tijdig regelen. Hoe ziet de minister
dit?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (GroenLinks) persisteerde bij de ontwikkeling van
een spaaroptie als bedoeld in het amendement-Lansink (23 634, nr. 23).
Zij was zeer verbaasd en verbolgen over de wijze waarop de minister blijkens
zijn brief van 14 juli jl. omgaat met aan de Kamer en aan studenten gedane,
glasharde toezeggingen. Hierdoor schaadt hij het in hem gestelde vertrouwen
en brengt hij de geloofwaardigheid van de overheid in het gedrang. De motivering
voor de opstelling van de minister vond zij niet steekhoudend. Omdat de spaaroptie
was toegezegd in relatie met de wet-STOEB wees zij een relatie met de invoering
van de prestatiebeurs van de hand. Het leek haar goed mogelijk om een regeling
te ontwerpen die zo min mogelijk administratieve lasten met zich brengt en
die doorzichtig is voor studenten.</al>
      <al>Hoewel zij dit algemeen overleg niet het juiste moment vond om al uitspraken
te doen over enig model voor een spaaroptie, wenste zij toch al enigszins
de denkrichting van haar fractie aan te geven. Het diploma-model wees zij
af, omdat dit een te nauwe relatie heeft met de prestatiebeurs en niet aansluit
op de systematiek van de tempobeurs. Haar voorkeur ging uit naar een communicerende-vatenmodel,
ondanks de fraudegevoeligheid ervan en administratieve problemen die het oproept.
Ook vroeg zij serieuze aandacht voor het door ISO en LSVB aangedragen alternatief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Bakker</nadruk> (D66) memoreerde dat de laatste jaren een snelle
ontwikkeling te zien hebben gegeven in de relatie tussen studievoortgang en
studiefinanciering. Dit resulteerde niet alleen in de nodige administratieve
rompslomp, maar vergde ook de nodige aanpassing van studieprogramma's. Om
hier zicht op te krijgen is het proces «Studeerbaarheid en kwaliteit»
gestart, waarvan de eerste concrete resultaten overigens nog niet bekend zijn.
Tegen deze achtergrond heeft de fractie van D66 destijds het amendement-Lansink
(23 634, nr. 23) gesteund. Hij deelde de conclusie van de minister dat
het door de studentenvakbonden aangedragen alternatief te ver ging. Het doet
te weinig recht aan de doelstelling van de tempobeurs. Wat dit betreft kon
hij zich goed vinden in het uitgangspunt van de minister dat eerst een zeker
niveau van studieprestatie moet zijn gehaald alvorens met studiepunten kan
worden geschoven. Dat over geen enkel model overeenstemming kon worden bereikt
betreurde hij, maar de daaruit door de minister getrokken conclusie vond hij
veel te vergaand, zeker gezien de historische achtergrond van
de problematiek. Hij riep de minister op hier geen prestigestrijd met de studenten
van te maken. Er moet hoe dan ook een regeling komen, zeker gezien de ondubbelzinnige
toezeggingen die de minister op dit punt heeft gedaan. Daarop mag alleen worden
teruggekomen als het absoluut onvermijdelijk is.</al>
      <al>De door mevrouw De Vries voorgestane variant van een diploma-model wees
de heer Bakker af. De door de heer Van der Ploeg voorgestane varianten van
een diploma-model achtte hij niet zonder meer toepasbaar in het regime van
de tempobeurs. Ze doen afbreuk aan de cohorten-benadering, die moet voorkomen
dat studenten met terugwerkende kracht worden geconfronteerd met ingrijpende
wijzigingen in de studiefinanciering. Ook zijn ze in strijd met het regime
van de tempobeurs, dat vijf jaar recht op studiefinanciering geeft, ook bij
een nominale studieduur van vier jaar. Ingevolge deze systematiek dienen studenten
die vijf en een half jaar voor hun studie nodig hebben, in het laatste jaar
te lenen. De voorstellen van de heer Van der Ploeg zouden er echter toe kunnen
leiden dat er alleen een reële spaaroptie is als de studie binnen vijf
jaar is afgerond. Aanvullend wees hij er nog op dat een diploma-model in feite
een alles-of-niets-model is. Om die reden is er niet voor niets voor gekozen
om in de systematiek van de prestatiebeurs het «afrekenmoment»
na zes jaar te leggen. Introductie van zo'n systeem in het regime van de tempobeurs,
zou ertoe leiden dat aan deze studenten zwaardere eisen worden gesteld. Alles
overziende concludeerde hij dat het inbrengen van een diploma-model in de
tempobeurssystematiek tot juridische en administratieve problemen zal leiden.
Daarom had hij sterke voorkeur voor het communicerende-vatenmodel. In dat
verband leek het hem niet onlogisch om de administratieve last van een en
ander bij de student te leggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Vlies</nadruk> (SGP) wees er eveneens op dat er in de
afgelopen periode veel is veranderd in het stelsel van studiefinanciering.
Daarbij is er door zijn fractie altijd op aangedrongen om op een of andere
wijze een band te leggen tussen studievoortgang en -financiering. Om die reden
stemde ook zijn fractie bij de behandeling van de wet-STOEB in met de ontwikkeling
van een spaarregeling. Gezien de ontwikkeling van de wetsgeschiedenis op dit
punt en de door de minister te dien aanzien gedane toezeggingen, vond hij
de conclusie in de brief van 14 juli jl. uiterst ongelukkig. Daarbij gaat
het niet alleen om de systematiek. In het debat over de wet-STOEB was de spaaroptie
ook psychologisch van grote betekenis; zij diende mede om mensen over de streep
te trekken. Dan is het wrang om achteraf te moeten constateren dat er om uitvoeringstechnische
redenen van af wordt gezien.</al>
      <al>Alles overziende riep ook de heer Van der Vlies de minister op om zijn
eerdere conclusie te heroverwegen en alsnog een spaaroptie te ontwikkelen.
Over de precieze vormgeving ervan kan nader worden gesproken. </al>
      <tuskop letat="vet">Het antwoord van de minister</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> speet het dat door verschillende oorzaken in de
afgelopen periode zoveel aandacht is opgeëist door een relatief klein
element in de ontwikkeling van het totale hoger onderwijs: de spaaroptie.
Gehoord de uitspraken van de commissie en om de aandacht zo snel mogelijk
weer terug te krijgen bij de echt wezenlijke zaken in het onderwijs, zegde
hij toe zo snel (maar ook zo zorgvuldig) mogelijk aan de hand van een uitvoerige
analyse van de uitvoeringsmodaliteiten vorm zullen te geven aan een spaaroptie.
In het overleg hierover met o.a. studentenvakbonden zal worden vastgehouden
aan de eerder door het kabinet geschetste en door de Kamer onderschreven randvoorwaarden.
(Handelingen 22 juni 1994, blz. 5509) Zo mag een spaaroptie er nooit toe leiden
dat studenten een jaar «betaald vakantie» kunnen nemen als zij
in voorgaande jaren niet meer hebben gepresteerd dan minimaal
geëist wordt. Ook vond de minister een spaaroptie niet nodig voor studenten
die worden geconfronteerd met ziekte, die door omstandigheden van de universiteit
of de hogeschool in de problemen komen, of die problemen ondervinden als gevolg
van bestuurswerk. Voor al die gevallen zijn goede (of nog verder te verbeteren)
voorzieningen voorhanden in de vorm van afstudeerregelingen en bestuursbeurzen.
Een spaaroptie is derhalve alleen bedoeld voor bijzondere, niet goed te definiëren
situaties.</al>
      <al>De minister vond het te vergaand om uit de gang van zaken rondom de spaaroptie
te concluderen dat de geloofwaardigheid van de overheid in het geding zou
zijn. In de brief van 14 juli jl. is ter beoordeling aan de Kamer de conclusie
voorgelegd dat niet verder moest worden gegaan met de spaaroptie omdat uit
de zeer afwijzende houding van de studentenvakbonden tegenover de door het
kabinet gepresenteerde varianten en uit de teneur van de door henzelf voorgestane
variant bleek dat deze overlegpartij zich niet kon vinden in de eerder door
kabinet en Kamer geschetste randvoorwaarden. Verder voortzetten van het overleg
buiten deze randvoorwaarden om, zou de overheid uiteindelijk in een moeilijk
parket brengen. Deze conclusie moet ook worden gezien tegen de achtergrond
van het voornemen tot verhoging van de temponorm naar 70%, zoals die in de
memorie van toelichting bij de wet-STOEB en in de daaraan voorafgaande onderwijsbegroting
ter sprake kwam als uitdrukking van een (door steeds meer partijen onderschreven)
lange-termijnontwikkeling die moet leiden tot het aanhalen van de band tussen
onderwijs en studiefinanciering. </al>
      <tuskop letat="vet">Nadere gedachtenwisseling</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Lansink</nadruk> (CDA) was er erkentelijk voor dat de minister
er blijk van gaf, te willen luisteren naar de opvattingen van de Kamer. Met
genoegen nam hij dan ook kennis van de gedane toezegging. Hij hoopte dat bij
de vormgeving van een spaaroptie sterk rekening zal worden houden met historische
achtergronden. Ook mag de regeling niet vooruit lopen op de introductie van
een prestatiebeurs. Overigens bleef hij erbij dat, gezien de gewekte verwachtingen,
in dezen de geloofwaardigheid van de overheid wel degelijk in het geding is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">De Vries</nadruk> (VVD) verheugde zich eveneens over de toezegging
van de minister. Zij sprak haar verwondering uit over de inconsistente houding
van de PvdA-fractie, die na eerst te hebben aangegeven geen behoefte te hebben
aan een spaaroptie, thans plotseling ruimte lijkt te zien voor een ruimhartige
opstelling, terwijl zij het bij de ontwikkeling van plannen voor de prestatiebeurs
volstrekt bespreekbaar vond om een hogere norm te hanteren en een jaar minder
studiefinanciering te geven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Stellingwerf</nadruk> (RPF) was tevreden over de toezegging
van de minister en stemde in met de wijze waarop een nieuw voorstel zal worden
ontwikkeld. De bewoordingen waarin de commissie de ontstane situatie schetste,
vond hij niet te zwaar aangezet, gezien de inhoud van de brief van 14 juli.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Poppe</nadruk> (SP) verheugde zich ook over de toezegging van
de minister. Hij bepleitte om dit soort zaken in het vervolg sneller aan te
pakken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Ploeg</nadruk> (PvdA) bevestigde in zijn eerdere commentaar
op de conclusie van de minister te hebben aangegeven een spaaroptie niet echt
nodig te vinden, omdat er voor het gros van de problemen waarmee studenten
kunnen worden geconfronteerd, al regelingen zijn en omdat de temponorm relatief
laag is. Gehoord de uitspraak in kort geding en de Handelingen
erop nagelezen hebbend, is echter nader geconcludeerd dat er wel degelijk
toezeggingen op dit gebied zijn gedaan, die ook moeten worden nagekomen. In
dat kader is teruggegrepen op het amendement op stuk 24 094, nr. 23 en
is de mogelijkheid van een ruimhartiger opstelling naar voren gebracht. Hij
hoopte dat de minister erin slaagt om in nuchter overleg een zakelijke oplossing
voor het gerezen probleem te vinden. Overigens bestreed hij dat het diploma-model
leidt tot juridische en administratieve problemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (GroenLinks) sloot zich aan bij de waardering voor
de toezegging van de minister, al hield ook zij staande dat door de Kamer
niet te zwaarwegende woorden zijn gebruikt in de beoordeling van de eerdere
conclusie. Overleg met studentenvakbonden over nieuwe voorstellen (die toegesneden
moeten zijn op het regime van de tempobeurs) juichte zij toe. Zij voelde niet
voor de strenge regeling van amendement 24 094, nr. 23.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Bakker</nadruk> (D66) had eveneens waardering voor de toezegging
van de minister. Op welke termijn kunnen nieuwe voorstellen worden verwacht?
Hij bleef erbij dat het toepassen van het (uit de prestatiebeurs afkomstige)
diploma-model in het regime van de tempobeurs zal leiden tot juridische en
administratieve problemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Vlies</nadruk> (SGP) was ook tevreden over de toezegging
van de minister. Op welke termijn kunnen nieuwe voorstellen worden verwacht?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> verwachtte de Kamer over ongeveer anderhalve week
nader te informeren over de ontwikkeling van een spaarregeling en de in dat
verband op te stellen AMvB. Hij benadrukte dat de spaarregeling gezien de
reeds bestaande regelingen (bestuursbeursen e.d.) een relatief beperkt terrein
zal bestrijken. Onbedoeld gebruik ervan wenste hij uit te sluiten. Wel zou
in een overgangsfase in het kader van de afstudeerfondsen een regeling kunnen
worden getroffen voor gevallen waarin een instelling nog geen betuursbeurs
hanteert of waarin deze niet op alle bestuurstaken van toepassing is. In het
algemeen vroeg hij aandacht voor de denivellerende inkomensverdelingseffecten
van regelingen als deze. </al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie</functie>
        <naam>M. M. H. Kamp</naam>
        <functie>De griffier van de commissie</functie>
        <naam>Roovers </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), M.M.H. Kamp (VVD), voorzitter,
De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp
(CDA), Boers-Wijnberg (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks,
Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek
(CDA), J.M. de Vries (VVD), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts
(D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk
(PvdA), Van Vliet (D66) en Bremmer (CDA).</al>
    <al>Plv. leden: Schutte (GPV), Klein Molekamp (VVD), Valk (PvdA), Marijnissen
(SP), Duivesteijn (PvdA), Beinema (CDA), Reitsma (CDA), Lilipaly (PvdA), Van
der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Bakker
(D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD),
Van der Ploeg (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD),
Korthals (VVD), Van Erp (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA),
Verhagen (CDA) en Lansink (CDA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>