﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23057-15/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K0002</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>23 057</nummer>
      <naam>Wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945
(sluiten Wuv voor de na-oorlogse generatie)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>15</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rijswijk,  <datum>22 december 1995 </datum></al>
      <tuskop letat="vet">Inleiding</tuskop>
      <al>Bij brief van 9 maart 1995 heb ik u geïnformeerd over de voortgang
van de immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen uit de Tweede
Wereldoorlog (Kamerstukken II 1994/95, 23 057 nr. 14). In deze brief
heb ik u op de hoogte gesteld van mijn voornemen externe deskundigen onderzoeken
te laten uitvoeren naar <nadruk type="vet">de mogelijkheid van een gezamenlijk hulpaanbod
op termijn door de zogenoemde begeleidende instellingen voor oorlogsgetroffenen
enerzijds en een nauwere samenwerking in de nabije toekomst tussen de Stichting
ICODO en de Stichting Pharos op het terrein van de zorgondersteuning van oorlogs-
en geweldsgetroffenen anderzijds</nadruk>. In het onderstaande schets ik u de
huidige stand van zaken. </al>
      <tuskop letat="vet">1. De begeleidende instellingen voor oorlogsgetroffenen</tuskop>
      <al>Begin 1995 hebben de begeleidende instellingen voor oorlogsgetroffenen
mij een brief doen toekomen waarin zij hun zorg uitspraken over het beschikbaar
blijven van een adequate hulpverlening aan hun doelgroepen in de toekomst.
Zij verklaarden zich bereid te komen tot onderlinge samenwerking en verzochten
mij de mogelijkheden daartoe te laten onderzoeken. Omdat ik de door de instellingen
uitgesproken zorg deel, heb ik besloten tegemoet te komen aan dit verzoek
en heb ik een externe deskundige opdracht gegeven bij de betrokken instellingen
een vooronderzoek uit te voeren. Ik heb hierbij nadrukkelijk de voorwaarde
gesteld, dat de wijze waarop de continuïteit en de kwaliteit van de hulpverlening
aan oorlogsgetroffenen ook in de toekomst gegarandeerd kan blijven in dit
vooronderzoek centraal diende te staan. Zowel de mogelijkheden tot samenwerking
tussen de vier instellingen als samenwerking van één of meer
van deze organisaties met andere partners zijn in het onderzoek aan de orde
gesteld. In mijn brief van 9 maart 1995 heb ik gesteld de samenwerking tussen
de begeleidende instellingen te beschouwen als een zinvolle overbruggingsfase
in het proces van integratie van specifieke in algemene hulpverlening.</al>
      <al>De samenwerking met de algemene hulpverlening is dan ook als mogelijke
oplossingsrichting in het onderzoek opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Medio november 1995 zijn de resultaten van het vooronderzoek beschikbaar
gekomen. Geconstateerd moet worden dat samenwerking tussen de vier begeleidende
instellingen geen oplossing zal bieden voor de continuïteit van de hulpverlening
op lange termijn. Ook als eerdergenoemde overbruggingsfase vormt een onderlinge
samenwerking geen reële keuze, mede omdat bij de instellingen onvoldoende
draagvlak voor een dergelijke samenwerking bestaat. Gebleken is dat bij de
instellingen geen eenduidigheid bestaat over de gewenste vorm en inhoud van
samenwerking. Hierbij spelen belangentegenstellingen, verschillen in visie
en werkwijze alsmede de wens tot identiteitsbehoud een rol.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uitgaande van de continuïteit van de dienstverlening en de belangen
van de doelgroep spreken de onderzoekers een voorkeur uit voor een samenwerking
op termijn tussen de (afzonderlijke) begeleidende instellingen en de algemene
hulpverlening. Rekening houdend met de verschillen tussen de instellingen
wat betreft werkwijze en samenstelling van de doelgroep en tevens rekening
houdend met de gevoelens van de doelgroepen, wordt voorgesteld die toekomstige
samenwerking met de algemene hulpverlening gefaseerd en gedifferentieerd tot
stand te brengen. De onderzoekers hebben een aantal toekomstscenario's gepresenteerd,
die in werkconferenties met de instellingen zijn besproken. De besturen van
de begeleidende instellingen hebben inmiddels een standpunt ingenomen met
betrekking tot de voor de eigen instelling gewenste toekomststrategie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien het bovenstaande ben ik van mening dat moet worden afgezien van
het streven naar vergaande samenwerking tussen de begeleidende instellingen.
De betrokken instellingen zullen de werkzaamheden voor hun doelgroepen vooralsnog
zelfstandig blijven uitvoeren en in de komende periode afzonderlijk de gekozen
toekomstscenario's nader uitwerken. In deze toekomstscenario's speelt samenwerking
met de algemene hulpverlening op termijn een belangrijke rol. De Stichting
1940–1945 en de Stichting Pelita hebben mij kenbaar gemaakt beducht
te zijn voor vergaande samenwerking met de algemene hulpverlening vanwege
mogelijke versnippering van deskundigheid en ervaring, verlies van identiteit
en herkenbaarheid. Ik ben van oordeel dat de continuïteit en de kwaliteit
van de hulpverlening aan oorlogsgetroffenen steeds voorop dient te staan.
Omdat deze continuïteit en kwaliteit op termijn het best gegarandeerd
kunnen worden door een integratie van de specifieke hulpverlening in de algemene
hulpverlening, zal in de uit te werken scenario's nadrukkelijk aandacht moeten
worden besteed aan de wijze waarop de toekomstige samenwerking met de algemene
hulpverlening gestalte kan krijgen en de termijn waarop die samenwerking noodzakelijk
zal worden. Ik stel mij hierbij het volgende voor. </al>
      <tuskop letat="cur">Stichting Joods Maatschappelijk Werk</tuskop>
      <al>De Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) is een instelling voor algemeen
maatschappelijk werk voor de Joodse gemeenschap in Nederland. De dienstverlening
aan oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog is al geïntegreerd
in het totale hulpaanbod dat door deze Stichting wordt verzorgd. De continuïteit
van het maatschappelijk werk van JMW loopt geen gevaar en daarmee blijft ook
de dienstverlening aan de Joodse oorlogsgetroffenen in de toekomst voldoende
gegarandeerd.  </al>
      <tuskop letat="cur">Stichting 1940–1945</tuskop>
      <al>De Stichting 1940–1945 is van mening dat op korte termijn geen discontinuïteit
in de maatschappelijke dienstverlening aan haar doelgroep zal optreden. De
samenwerking met het algemeen maatschappelijk werk zal door de achterban worden
gevoeld als het afbreken van een thuisbasis en wordt om die reden door de
Stichting 1940–1945 prematuur geacht. Deze instelling kiest vooralsnog
voor het handhaven van de status quo voor wat betreft de dienstverlening aan
haar cliënten overeenkomstig de lijnen zoals die zijn uitgezet in haar
Beleidsnota 1996–2000. In de komende periode zal een marktverkenning
worden uitgevoerd naar de mogelijkheden tot verbreding naar nieuwe doelgroepen
en nieuwe produkten.</al>
      <al>Ik acht het echter noodzakelijk dat ook de Stichting 1940–1945 een
samenwerking op termijn met de algemene hulpverlening nu reeds dient te betrekken
in haar toekomstverkenning. </al>
      <tuskop letat="cur">Stichting Pelita</tuskop>
      <al>De Stichting Pelita ziet de continuïteit van de hulpverlening aan
haar doelgroep het meest gewaarborgd, indien deze dienstverlening kan worden
geïntegreerd in een hulpverleningsaanbod aan de Indische gemeenschap
in het algemeen. In het bijzonder wordt hierbij gedacht aan de hulpverlening
aan Indische bejaarden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onlangs is gestart met een door mij gefinancierd project Indisch Maatschappelijk
Werk. Dit project heeft een duur van drie jaar en wordt uitgevoerd door de
VOG-sectie maatschappelijk werk in nauwe samenwerking met de Stichting Pelita.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Stichting Pelita zal in het komende jaar de gelegenheid krijgen het
door haar gewenste toekomstperspectief nader uit te werken. Ik verbind hieraan
wel de voorwaarde dat nieuw te ontwikkelen activiteiten dienen plaats te vinden
in nauwe samenwerking met de algemene hulpverlening. </al>
      <tuskop letat="cur">Stichting Burger-oorlogsgetroffenen</tuskop>
      <al>Het bestuur van de Stichting Burger-oorlogsgetroffenen (SBO) heeft zich
uitgesproken voor een verdergaande samenwerking met het algemeen maatschappelijk
werk. Een deel van het maatschappelijk werk van de SBO is reeds ondergebracht
bij instellingen voor algemeen maatschappelijk werk. Deze constructie zal
worden uitgebreid tot al het uitvoerend maatschappelijk werk van de SBO. De
samenwerkingsovereenkomst tussen deze begeleidende instelling en de algemene
instellingen zal verbeterd worden, waarbij met name de opdrachtgeversrol van
de SBO meer vorm en inhoud dient te krijgen. Ik ben bereid hiertoe externe
ondersteuning aan de SBO beschikbaar te stellen. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Stichting Informatie- en Coördinatie-orgaan Dienstverlening
Oorlogsgetroffenen (ICODO) en Stichting Pharos</tuskop>
      <al>In mijn eerdergenoemde brief van 9 maart 1995 heb ik u in kennis gesteld
van mijn voornemen mij door een extern deskundige te laten adviseren over
een nauwere samenwerking tussen de Stichting ICODO en de Stichting Pharos.
Beide instellingen voeren al enige jaren gezamenlijk projecten uit op het
gebied van kennisoverdracht en deskundigheidsbevordering ten behoeve van de
hulpverlening aan getroffenen uit de Tweede Wereldoorlog en getroffenen van
hedendaags geweld (vluchtelingen en asielzoekers). In nauw overleg met de
betrokken instellingen is inmiddels gekozen voor een breder opgezet onderzoek.
Het onderzoek beperkt zich niet tot de mogelijke onderlinge samenwerking,
maar onderzoekt de zorgondersteuningsstructuur voor de psychosociale
en geestelijke gezondheidszorg voor oorlogs- en geweldsgetroffenen in den
brede. Met de hulpvraag van beide categorieën getroffenen als uitgangspunt
worden gegevens omtrent hulpaanbod en de behoefte aan zorgondersteuning geïnventariseerd.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zal bezien worden welke posities
de Stichting ICODO en de Stichting Pharos in de zorgondersteuningsstructuur
kunnen gaan innemen. De uitkomsten van het onderzoek zullen in mei 1996 beschikbaar
komen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</functie>
        <naam>E. Borst-Eilers </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>