﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-22589-178/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2000-2001</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.5__2.14" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST50578</ordernr>
    <vergjaar>2000-2001</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>22 589</nummer>
      <naam>Betuweroute</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>178</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,  <datum>22 december 2000</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij brief van 9 oktober 2000, (22 589, nr. 174), zond ik u de Nota
Bovenbouw Betuweroute. In die nota (paragraaf 4.3) zegde ik u een nadere
rapportage toe per december 2000. In deze rapportage, die u hierbij aantreft,
worden conclusies geformuleerd over de mogelijkheid van vervoer over de Betuweroute
(en het aansluitende spoornet) volgens het concept van «trucks-on-train».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De rapportage leidt, tezamen met de Nota Bovenbouw Betuweroute van 9 oktober
2000, tot de vaststelling van hetgeen er nu als bovenbouw aanbesteed gaat
worden. Ik kom daar verderop in deze brief op. Daarmee wordt antwoord gegeven
op de vraag of actuele ideeën uit de markt aanleiding geven het destijds
«bestelde» te veranderen alvorens tot aanbesteding over te gaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de bijgaande rapportage worden de volgende conclusies getrokken:</al>
      <al>• Voor de toepassing van het concept «trucks-on-train»
zijn aanpassingen in de infrastructuur, voor een grotere vrije hoogte, niet
zinvol. Daaraan ligt de overweging ten grondslag dat zo'n grotere hoogte op
het aansluitende Nederlandse en Duitse spoornet niet aanwezig is c.q. zal
zijn. Ook leiden zulke aanpassingen tot meer kosten en vertraging in de realisatie
van de spoorlijn.</al>
      <al>• Het gebruik van bestaande en te ontwikkelen spoorwagons met een
lagere laadvloer voor «trucks-on-train» is technisch een realistische
optie. Door het gebruik van die specifieke spoorwagons is «trucks-on-train»
potentieel mogelijk zonder aanpassingen van de ontworpen infrastructuur; ook
behoort «doorrijden» van dergelijke treinen op het aansluitende
spoornet in Nederland en Duitsland tot de mogelijkheden.</al>
      <al>Volgens de Nota Bovenbouw en de bijgaande rapportage is voor de nieuwe
concepten voor vervoer van goederen over het spoor geen aanpassing nodig van
de vrije ruimte (breedte en hoogte) op de spoorbaan. Het ontwerp van de Betuweroute
kent een Profiel van Vrije Ruimte (PVR) overeenkomstig een Europese standaard
(UIC-GC). De maat voor de vrije hoogte en de vrije breedte behorend
bij dit PVR laten, behoudens een geringe aanpassing in het ontwerp, toepassing
van de aangereikte nieuwe concepten voor het vervoer over spoor toe. De geringe
aanpassing in het ontwerp betreft de breedte bij geleidingsconstructies in
tunnels en bij viaducten. Aanpassing van deze breedte wordt, als gemeld in
paragraaf 4.2 van de Nota Bovenbouw, binnen de lopende uitvoering gerealiseerd
zonder budgettaire consequenties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor nieuwe concepten voor het vervoer over de spoorbaan is van belang
dat het beveiligingssysteem minimaal voldoet aan eisen volgens de Europese
standaard ERTMS/ETCS level 2. Zoals ik meer keren heb gemeld, is gekozen voor
die standaard.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De hoofdconclusie luidt daarom als volgt:</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">De bovenbouw van de Betuweroute kan worden aanbesteed
volgens het vigerende ontwerp (met een PVR volgens UIC-GC) zonder dat daarmee
nieuwe concepten voor vervoer over spoor onmogelijk worden gemaakt.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Veelbelovend is dat recent in Europa ideeën worden gepresenteerd
waarbij wordt ingezet op het concept van «trucks-on-train». Te
noemen zijn het project Central Railway (Liverpool–Lille) en in Frankrijk/Italië
(Lille–Turijn), waarover in de bijlagen 2 en 3 bij deze brief globaal
informatie wordt gegeven.<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het oog op een geplande ingebruikstelling van de Betuweroute, eind
2005, dient eind 2001 het contract voor de bovenbouw van het traject «Kijfhoek
tot Zevenaar» te zijn gesloten. Daartoe wordt begin 2001 gestart met
het contracteringsproces met een oproep aan gegadigden zich te melden voor
kwalificatie. Vervolgens worden medio 2001 documenten aan de gekwalificeerde
partijen gezonden, op basis waarvan die partijen tot hun aanbiedingen kunnen
komen. Ik houd u op de hoogte van de te onderscheiden stappen en de uitkomsten
daarvan.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>T. Netelenbos </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Aanvullende Rapportage</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="vet">Vervolg op de nota Bovenbouw Betuweroute</nadruk>
      </al>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Met het oog op de aanbesteding van de bovenbouw Betuweroute is in het
derde kwartaal van 2000 het huidige Programma van Eisen (PvE) getoetst aan
ideeën uit de markt over vormen van medegebruik van de Betuweroute. De
resultaten van deze toetsing zijn beschreven in de nota Bovenbouw Betuweroute
van 9 oktober 2000 waarin is aangegeven:</al>
      <al>• dat de breedtemaat in het Profiel van Vrije Ruimte (PVR) bij geleidingsconstructies
in tunnels en bij bruggen wordt aangepast op 3.20 meter; en dat deze aanpassing
de varianten van medegebruik als genoemd in de nota van 9 oktober 2000 niet
onmogelijk maakt;</al>
      <al>• dat in december 2000 nog nader wordt gerapporteerd over bevindingen
van onderzoek naar aanpassingen van de infrastructuur en de optie van specifiek
spoormaterieel met het oog op de mogelijkheden voor een «trucks-on-train»
concept.</al>
      <tuskop letat="cur">Trucks-on-train</tuskop>
      <al>In de nota Bovenbouw Betuweroute van 9 oktober 2000 is tevens aandacht
geschonken aan het zogenaamde «trucks-on-train» concept. Met deze
term werd gedoeld op een specifieke vorm van spoorvervoer, waarbij opleggers,
trailers, vrachtauto's, oplegger-truck-combinaties e.d. op spoorwagons worden
vervoerd. Bijlage 1 geeft een overzicht van de verschillende varianten binnen
dit concept en van de varianten van medegebruik naast traditionele goederentreinen.
Hieruit blijkt dat een onderscheid te maken is tussen het vervoer van complete
vrachtwagens per trein («trucks-on-train» in engere zin) en het
vervoer van opleggers zonder trekker per trein («trailers-on-train»).
In het vervolg van deze nota worden beide mogelijkheden aangeduid met de term
«trucks-on-train».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de nota Bovenbouw van 9 oktober 2000 is aangegeven dat het huidige
Profiel van Vrije Ruimte (PVR) qua hoogte ontoereikend is voor het vervoer
van standaard opleggers op spoorwagons, althans wanneer wordt uitgegaan van
de huidige gangbare spoorwagonhoogte. Om een vorm van «trucks-on-train»
op de Betuweroute (en de aangrenzende verbindingen) te kunnen toepassen zou
òf een aanpassing van de hoogtemaat in het PVR òf aangepaste
spoorwagons nodig zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze aanvulling op de nota van 9 oktober 2000 worden deze opties nader
belicht. Omdat de Betuweroute een onderdeel zal zijn van een netwerk van internationale
en nationale goederenspoorverbindingen, worden de aangrenzende spoorverbindingen
hierbij betrokken. Daarvòòr wordt in paragraaf 2 eerst
dieper ingegaan op de vraag hoeveel ruimte nodig is om «trucks-on-train»
op de Betuweroute en aangrenzende verbindingen te kunnen toepassen.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Benodigde vrije hoogte</tuskop>
      <al>Voor het treinspoor wordt een ruimte gedefinieerd, het zogeheten Profiel
van Vrije Ruimte (PVR) waarbinnen zich geen obstakels voor het treinmaterieel
mogen bevinden. Binnen dat profiel wordt een ruimte bepaald, het zogeheten
Omgrenzingsprofiel voor railvoertuigen (OPR), waarbinnen railvoertuigen (inclusief
belading) zich tijdens het vervoer steeds moeten bevinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over het PVR en OPR voor (goederen)spoorwegen zijn in UIC-verband<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> afspraken gemaakt. Het PVR en OPR van de Betuweroute
zijn volgens de grootste UIC-norm voor goederentransport per spoor –
het zogeheten«GC-profiel» – gedimensioneerd. Dit betekent
dat de meest gangbare goederenwagons en locomotieven met een standaard stroomafnemer
ongehinderd van de baan gebruik kunnen maken. Dit geldt ook voor opleggers
en trucks op spoorwagons met een lage laadvloer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vraag hoeveel hoogte nodig is om vervoer van opleggers/vrachtwagens
over het (Betuweroute) spoor mogelijk te maken kan dus vanuit 2 verschillende
invalshoeken worden benaderd:</al>
      <al>1. Vanuit het materieel geredeneerd, waarbij een bepaalde materieelhoogte
als gegeven wordt beschouwd en de infrastructuur moet worden aangepast ;</al>
      <al>2. Vanuit het PVR geredeneerd, waarbij het huidige PVR (UIC-GC) als gegeven
wordt beschouwd en het materieel moet worden aangepast.</al>
      <tuskop letat="cur">ad 1 benodigde ruimte bezien vanuit materieel (infra aanpassing
nodig)</tuskop>
      <al>Vanuit het bedrijfsleven is aangegeven dat op de korte termijn het vervoer
van trailers (opleggers) met gangbaar, relatief goedkoop materieel als een
interessante optie wordt beschouwd. De meeste platte wagons hebben een laadvloerhoogte
van ca. 120 ten opzichte van de bovenkant van het spoor. Indien op deze wagon
een oplegger met een standaardhoogte van 400 cm wordt gezet, is deze combinatie –
met inachtneming van een noodzakelijke marge – ca. 60 cm hoger dan de
beschikbare vrije hoogte in het PVR van de Betuweroute Om «trucks-on-train»
met dit type wagon te kunnen toepassen zou in de viaducten (en iets mindere
mate op het «vrije baan gedeelte») in de hoogte meer ruimte beschikbaar
moeten zijn dan thans is voorzien. Dit is alleen te bereiken met infrastructurele
aanpassingen. In paragraaf 3 en 4 wordt hier verder op ingegaan.</al>
      <tuskop letat="cur">ad 2 Maximale materieelhoogte bezien vanuit huidige PVR
(aanpassing materieel nodig)</tuskop>
      <al>Om «trucks-on-train» binnen het huidige UIC-GC-profiel van
de Betuweroute te kunnen toepassen is een wagon met een lagere laadvloer nodig.
Uitgaande van de minimaal beschikbare ruimte binnen dit profiel (470 cm),
mag de laadvloer van een dergelijke wagon t.o.v. de spoorstaaf maximaal ca.
70 cm hoog zijn. Dit is dus ca. 50 cm lager dan de eerdergenoemde standaardhoogte
van ca. 120 cm. Er zijn momenteel wagons in gebruik die zelfs met een lagere
laadvloer zijn uitgerust. Deze typen wagons kennen echter een aantal nadelen.
In paragraaf 5 wordt hier nader op ingegaan.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Aanpassing infrastructuur in relatie tot PVR van aangrenzende
verbindingen</tuskop>
      <al>De Betuweroute is geen geïsoleerde verbinding van zee naar Zevenaar,
maar onderdeel van een netwerk van binnenlandse en Europese spoorverbindingen
voor goederenvervoer. Voor de verdere ontwikkeling van het internationale
spoorvervoer is het van groot belang dat de spoorverbindingen van de verschillende
Europese landen qua Profiel van Vrije Ruimte op elkaar aansluiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het profiel dat het rollend materieel op de aangrenzende Nederlandse verbindingen
ter beschikking staat (NS-profiel) is even hoog als dat van de Betuweroute,
doch kent op de stations beperkingen. De Profielen van Vrije Ruimte van de
verbindingen in Duitsland (Emmerich–Wesel en Wesel–Oberhausen)
worden, voor zover nu bekend, tussen nu en 2006 resp. 2010 vergroot naar het
profiel dat voor de Betuweroute wordt gehanteerd (UIC-GC). Daarmee zal de
beschikbare vrije hoogte voor rollend materieel plus lading overeenkomen
met de vrije hoogte (470 cm) die ten minste op de Betuweroute beschikbaar
zal zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanuit een «netwerkbenadering» heeft een uitbreiding van de
hoogtemaat van het PVR door een aanpassing van de infrastructuur op de Betuweroute
alleen betekenis indien dit wordt voortgezet op de aanpalende binnenlandse
en Duitse spoorverbindingen. Zonder een soortgelijke aanpassing op de aangrenzende
spoorverbinding blijft de betekenis van zo'n aanpassing immers beperkt tot
een relatief kort binnenlands traject (de Betuweroute).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is niet realistisch te verwachten dat in Nederland en Duitsland de
vrije hoogte op de spoorverbindingen aansluitend op de Betuweroute in de nabije
toekomst door infrastructurele aanpassingen hoger gemaakt wordt, in het geval
dat dit op de Betuweroute wel zal gebeuren. Vanuit dit perspectief bezien
zijn infrastructurele aanpassingen op de Betuweroute voor toepassing van «trucks-on-train»
op de korte en middellange termijn niet doelmatig.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Conclusie: Een grotere vrije hoogte (groter dan het
PVR volgens UIC-GC) op de Betuweroute heeft geen zin omdat zo'n grotere hoogte
op de aangrenzende verbindingen niet aanwezig is; en ook niet valt te verwachten
dat dit in de toekomst het geval zal zijn.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Niettemin zijn de mogelijkheden en consequenties van infrastructurele
aanpassingen echter wel hierna volgend (paragraaf 4) in beeld gebracht.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Aanpassing infrastructuur ter vergroting hoogtemaat
PVR</tuskop>
      <al>Onderzocht is wat de technische mogelijkheden zijn het PVR Betuweroute
in de hoogte uit te breiden, met inachtneming van de randvoorwaarden die zijn
neergelegd in de Planologische Kernbeslissing 1994 en in het onherroepelijke
Tracébesluit 1996. Dit onderzoek heeft tot de volgende bevindingen
geleid:</al>
      <al>• Om de vereiste uitbreiding op de vrije baan te bewerkstelligen
zal de draad van de bovenleiding hoger moeten komen te hangen. Dit vereist
dat voor het «vrije baan gedeelte» de lengte van de palen voor
de bovenleiding ten opzichte van het huidige ontwerp wordt vergroot. Dit zal
enkele miljoenen guldens aan extra kosten met zich mee brengen.</al>
      <al>• Zeker zo ingrijpend is dat de onderkant van de ca. 45<nadruk type="cur">kunstwerken</nadruk> voor de kruisende infrastructuur (met name viaducten)
hoger moet komen te liggen dan nu is voorzien.</al>
      <al>Een uitbreiding van de hoogtemaat tussen de spoorstaven en de onderkant
van de kunstwerken is, binnen de randvoorwaarden van het Tracébesluit,
mogelijk tot maximaal 50 cm. De kosten hiervan worden geschat op ca. f 450
miljoen. Ook zal dit één jaar vertraging in de openstelling
van de Betuweroute betekenen. Om <nadruk type="cur">binnen het Tracébesluit</nadruk> nog extra ruimte te creëren is het technisch mogelijk de afstand
tussen de bovenleiding en de onderkant van de kunstwerken met zo'n 30 cm te
reduceren. De hiervoor benodigde aanpassing aan de bovenleidingconstructie
onder de viaducten heeft als nadeel dat de bovenleiding gevoeliger voor storing
wordt (kortsluiting). Bovendien brengt dit extra kosten voor aanleg en onderhoud
met zich mee.</al>
      <al>• Een vergroting van het PVR in de hoogte met meer dan 50 cm is niet
mogelijk binnen de grenzen van PKB en Tracébesluit. Het zou bovendien
consequenties hebben voor het bestaande elektrische tractiematerieel. De stroomafnemer
zal moeten worden aangepast omdat de draad van de bovenleiding buiten het
bereik van de standaard stroomafnemer valt. </al>
      <tuskop letat="cur">Toetsing aan randvoorwaarden</tuskop>
      <al>In de nota Bovenbouw van 9 oktober 2000 is aangegeven dat als randvoorwaarde
voor een eventuele aanpassing van de bovenbouw Betuweroute wordt gehanteerd
dat deze past binnen de huidige referenties voor de aspecten tijd (in 2005
klaar), geld (binnen het budget) en scope (TB, Planologische Kernbeslissing).
Op grond van de bovengenoemde bevindingen moet worden vastgesteld dat een
uitbreiding van de hoogtemaat van het PVR niet past binnen deze randvoorwaarde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Conclusie: Een aanpassing van de hoogte is niet in
overeenstemming te brengen met de huidige referenties van de Betuweroute voor
tijd en geld</nadruk>.</al>
      <tuskop letat="vet">5. Mogelijkheden op het terrein van het materieel</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Bestaand materieel</tuskop>
      <al>Op verschillende plaatsen binnen Europa (Oostenrijk/Zwitserland, Kanaaltunnel)
worden reeds «trucks-on-train»-varianten toegepast. In de Alpenlanden
worden vrachtwagens door de bergtunnels vervoerd op speciale wagons met zeer
kleine wielen (Rollende Landstrasse). Hierdoor bedraagt de hoogte van de laadvloer
van de wagons slechts ca. 40 cm. Echter, aan dit type wagon kleven nadelen:
door de kleine wielen is er relatief veel slijtage aan wielen en wissels;
bij bepaalde typen wissels (zogeheten «Engelse» wissels) leveren
deze kleine wielen een verhoogd ontsporingsgevaar op.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het kader van het zogeheten «Combivervoer» wordt –
ook op beperkte schaal in Nederland – gebruik gemaakt van een zogeheten
«Taschewagen». Door de speciale constructie is de laadvloer zeer
laag (te vergelijken met diepladers in het wegvervoer) en past deze wagen
met lading binnen het PVR van de internationale spoorverbindingen. Dit type
wagon heeft als nadeel dat hij relatief duur in aanschaf en onderhoud is en
dat verticale belading noodzakelijk is, hetgeen gepaard gaat met extra handelingen
op de terminals. Verder gelden voor dit vervoer op bepaalde trajecten beperkende
maatregelen in relatie tot snelheid en tegemoetkomend verkeer (in verband
met kapotwaaiende vrachtwagendekzeilen).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ofschoon de bovengenoemde bestaande wagontypen de nodige nadelen hebben,
kunnen deze bij de beschikbare hoogte in het PVR zonder problemen op de Betuweroute
en aangrenzende binnenlandse en Duitse verbindingen voor het vervoer van vrachtwagens/opleggers
per spoor worden ingezet.</al>
      <tuskop letat="cur">Nieuw te ontwikkelen materieel</tuskop>
      <al>In samenwerking met het bedrijfsleven zijn de mogelijkheden onderzocht
om nieuw materieel te ontwikkelen met een lage laadvloer dat de nadelen van
de Rollende Landstrasse en de Taschewage niet heeft. Vanuit het bedrijfsleven
vindt hiertoe momenteel onderzoek plaats naar de technische mogelijkheden.
In dat kader wordt nagedacht over een Programma van Eisen voor een wagon met
een laadvloer die qua hoogte geschikt is voor de Betuweroute (en aangrenzende
verbindingen). Uitgegaan wordt van een maximale laadvloerhoogte van ca. 70
cm. Beladen met een trailer van 4 meter hoog past deze wagon binnen het UIC-GC
profiel. Tevens zou deze nieuw te ontwikkelen wagon moeten voldoen aan logistieke
eisen voor het snel laden van opleggers (horizontaal en zijdelings). Er bestaat
een realistische verwachting dat het met de huidige stand van de techniek
mogelijk is dergelijk materieel te ontwikkelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Conclusie: Op basis van het voor de Betuweroute geldende
PVR (UIC-GC) en de hierbij horende beschikbare vrije hoogte (470 cm) is vervoer
volgens het «trucks-on-train»-concept mogelijk bij gebruik van
spoorwagons met een maximale laadvloerhoogte van ca. 70 cm.</nadruk>
      </al>
      <tuskop letat="cur">Bedrijfsleven aan zet</tuskop>
      <al>Het bedrijfsleven is aan zet om vanuit commerciële perspectieven
concrete initiatieven te nemen voor de inzet van het «trucks-on-train»-concept,
al dan niet met bestaande dan wel nieuw te ontwikkelen spoorwagons. Daarbij
is het van belang dat men zich ervan verzekert dat dit materieel qua hoogte
niet alleen geschikt is voor de Betuweroute, maar ook voor aangrenzende verbindingen.
Voor dit laatste is het van belang dat de belangrijke Europese spoorgoederenverbindingen
op termijn zullen voldoen aan het UIC-GC profiel dat thans op de Betuweroute
wordt toegepast.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de daadwerkelijke ontwikkeling van een commercieel gezonde «trucks-on-train»
variant is ook de aanpassing van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe terminals
van essentieel belang. Ook op dat terrein ligt het initiatief bij het bedrijfsleven.</al>
      <tuskop letat="vet">Eindconclusies</tuskop>
      <al>• Er zijn spoorwagons voorhanden waarmee opleggers per trein over
de Betuweroute (en ook op aangrenzende verbindingen) vervoerd kunnen worden.
De nadelen (duurzaamheid materieel en exploitatiekosten door verticale belading)
kan worden ondervangen door ontwikkeling van een nieuw type wagon dat voldoet
aan de eis van de maximale hoogteligging van de laadvloer van ca. 70 cm.</al>
      <al>De hoogtemaat van het PVR van de BR behoeft niet te worden vergroot om
«trucks-on-train» mogelijk te maken.</al>
      <al>• Aanpassing van de hoogtemaat op de Betuweroute door infrastructurele
aanpassingen heeft geen zin omdat deze aanpassing niet op aangrenzende verbindingen
wordt toegepast. Bovendien zou zo'n aanpassing betekenen dat ver buiten de
projectreferenties voor tijd en geld wordt getreden.</al>
      <tuskop letat="vet">Aanvullende Rapportage, vervolg op Nota Bovenbouw:<plaatje file="kst-22589-178-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje><plaatje file="kst-22589-178-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje></tuskop>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>UIC: Union Internationale de Chemin de Fers: internationale federatie
van spoorwegmaatschappijen.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>