﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-22187-123/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2001-2002</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST60561</ordernr>
    <vergjaar>2001-2002</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>22 187</nummer>
      <naam>Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>123</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage, <datum>27 maart 2002</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij doe ik u een notitie toekomen over de mogelijkheid om in de WAJONG
een referte-eis op te nemen met het oog op de eventuele export van een WAJONG-uitkering.
Deze notitie heb ik u toegezegd tijdens de behandeling op 13 december 2001
van het voorstel tot Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, houdende een verbeterde formulering van de hardheidsclausule
inzake de export van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering naar het
buitenland.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
        <naam>J. F. Hoogervorst </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Referte-eis in de WAJONG</tuskop>
      <tuskop letat="cur">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Tijdens de behandeling van het voorstel tot Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, houdende een verbeterde formulering van de hardheidsclausule
inzake de export van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering naar het
buitenland op 13 december 2001, is een notitie toegezegd met betrekking
tot de mogelijke opname van een referte-eis in de WAJONG met het oog op de
eventuele export van een WAJONG-uitkering. Met de onderhavige notitie wordt
aan deze toezegging voldaan.</al>
      <al>Alvorens de vraag te beantwoorden of het op grond van Europese regelgeving
is toegestaan om een referte-eis aan de exporteerbaarheid van de WAJONG-uitkering
te verbinden, zal eerst in het kort worden aangegeven op welke personen de
Verordening van toepassing is, welke rechten deze personen aan de Verordening
kunnen ontlenen en wat het exportregime van de Verordening is.</al>
      <tuskop letat="cur">2. Op wie is de Verordening van toepassing?</tuskop>
      <al>Voor zover in het kader van deze notitie van belang, is de Verordening
van toepassing op werknemers, zelfstandigen, en studenten op wie de wetgeving
van een of meer lidstaten van toepassing is of is geweest en op hun gezinsleden
(artikel 2). Tot 1996 werd op basis van gevestigde jurisprudentie van het
Hof van Justitie (EG) aangenomen dat gezinsleden niet zelfstandig rechten
aan de Verordening konden ontlenen maar alleen van een werknemer afgeleide
rechten; dat wil zeggen rechten verkregen in de hoedanigheid van gezinslid
van een werknemer. Een voorbeeld uit de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving
van een dergelijk «afgeleid» recht is de medeverzekering van gezinsleden
in de Ziekenfondswet. In zijn uitspraak in de zaak Cabanis van 30 april 1996
(nr. C-308/93, Jur. 1996 p. I-2097) heeft het Hof deze redenering genuanceerd
door te bepalen dat gezinsleden een beroep kunnen doen op bepalingen uit de
Verordening die niet specifiek zijn geschreven voor werknemers of zelfstandigen.</al>
      <tuskop letat="cur">3. Op welk type uitkeringen is de Verordening van toepassing?</tuskop>
      <al>De Verordening is van toepassing op wettelijke regelingen inzake prestaties
bij ziekte en moederschap, invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepsziekten,
ouderdom overlijden werkloosheid en gezinsbijslagen. De Verordening is niet
van toepassing op sociale en medische bijstand. De Verordening geeft echter
geen omschrijving van wat onder sociale bijstand moet worden verstaan. Aanvankelijk
was dit duidelijk, met sociale zekerheid werd bedoeld sociale verzekering,
gebaseerd op premie- of bijdragebetaling. De rest was sociale bijstand, met
als belangrijkste toekenningscriterium de behoeftigheid van de aanvrager.
Door de ontwikkeling van nieuwe typen stelsels werd het onderscheid tussen
verzekering en bijstand echter diffuser. Dit leidde ertoe dat in een reeks
van zaken de vraag aan het Hof van Justitie (EG) werd voorgelegd of een bepaalde
uitkering als sociale zekerheid of als sociale bijstand moest worden aangemerkt.
Het Hof achtte kenmerkend voor sociale bijstand dat uitgegaan wordt van de
behoefte als wezenlijk toepassingscriterium en dat er geen eisen gesteld worden
met betrekking tot tijdvakken van verzekering, van arbeid of van premiebetaling.
Kenmerkend voor de sociale zekerheid is dat deze vereisten wel mogen worden
gesteld en dat wordt afgezien van een strikt individuele discretionaire beoordeling
van de behoeften van de betrokkene en dat hem een wettelijke positie wordt
toegekend.</al>
      <al>De hiervoor bedoelde nieuwe typen stelsels bevatten kenmerken van beiden:
de uitkeringen zijn verwant aan de sociale zekerheid, worden ook veelal
toegekend ter dekking van de risico's zoals hierboven vermeld, maar worden
uit de algemene middelen gefinancierd en aan betrokkene is een wettelijk omschreven
positie toegekend. Het Hof oordeelde dat ook dit type uitkeringen onder de
Verordening kon vallen. Het gevolg hiervan was dat deze uitkeringen moesten
worden geëxporteerd.</al>
      <al>Aangezien de lidstaten dat niet wenselijk vonden, is in 1992 een nieuwe
bepaling aan artikel 4 toegevoegd, waarin staat dat de Verordening ook van
toepassing is op dergelijke bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling
berustende prestaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een dergelijke prestatie,
moet het gaan om een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende
prestatie die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld
in lid 1 of dan die krachtens lid 4 zijn uitgesloten. Het moet gaan om vervangende
of aanvullende prestaties terzake van risico's die onder de materiële
werkingssfeer van de Verordening vallen of om prestaties uitsluitend bestemd
voor de specifieke bescherming van gehandicapten.</al>
      <tuskop letat="cur">4. Het exportregime van de Verordening</tuskop>
      <al>Artikel 10 lid 1 bepaalt dat een aantal typen uitkeringen, waaronder uitkeringen
bij invaliditeit, op generlei wijze mogen worden verminderd, gewijzigd, geschorst,
ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende
op het grondgebied van een andere lidstaat woont, dan die, op het grondgebied
waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is. Dit betekent
dat aan de export van een uitkering geen voorwaarden mogen gesteld die niet
worden gesteld aan uitbetaling van een uitkering in het land zelf.</al>
      <al>Artikel 10 bis maakt hierop een uitzondering voor bijzondere, niet op
premie- of bijdragebetaling berustende prestaties. Zij behoeven niet te worden
geëxporteerd, mits zij vermeld staan in Bijlage II bis bij de Verordening.</al>
      <tuskop letat="cur">5. Wat zijn de consequenties van het voorgaande voor de
WAJONG?</tuskop>
      <al>De AAW kende een wachtperiode voor jonggehandicapten die voor hun 17e
jaar in het buitenland woonden. Zij moesten gedurende zes jaar onmiddellijk
voorafgaande aan hun zeventiende verjaardag in Nederland wonen, voordat zij
aanspraak konden maken op een AAW-uitkering. Aangezien een AAW-uitkering een
zelfstandig recht was en er altijd vanuit gegaan werd dat gezinsleden van
migrerende werknemers geen zelfstandige rechten aan de Verordening konden
ontlenen, werd deze jareneis ook aan hen tegengeworpen. De uitspraak van het
Hof van Justitie (EG) in de zaak Cabanis bracht hier verandering in. Volgens
het Hof konden gezinsleden van migrerende werknemers een beroep doen op bepalingen
uit de Verordening die niet specifiek zijn geschreven voor werknemers of zelfstandigen.</al>
      <al>Een van deze bepalingen is artikel 10. Dit betekende dat de jareneis uit
de AAW niet meer kon worden tegengeworpen aan jonggehandicapte kinderen van
migrerende werknemers, die in de 6 jaar voorafgaande aan hun zeventiende verjaardag
in een EU lidstaat hadden gewoond. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat werknemers
korte tijd in Nederland zouden kunnen komen werken, dat hun jonggehandicapte
kinderen vervolgens vanaf de eerste dag dat ze in Nederland woonden in aanmerking
zouden komen voor een WAJONG-uitkering, en dat deze uitkering vervolgens weer
naar het buitenland zou kunnen worden geëxporteerd. Dit achtte het kabinet
onwenselijk. De vraag was op welke wijze dit kon worden voorkomen.</al>
      <al>Ten tijde van het verschijnen van de uitspraak in de zaak Cabanis, was
de Pemba-wetgeving in voorbereiding. Daarvan maakte deel uit het ontwerpen
van een aparte voorziening voor jonggehandicapten, de WAJONG.
In tegenstelling tot de AAW zou de WAJONG niet worden betaald uit premie-inkomsten,
maar uit algemene middelen.</al>
      <al>Hierdoor kon de WAJONG worden aangemerkt als een bijzondere, non-contributieve
prestatie, als bedoeld in artikel 4 lid 2 bis en artikel 10 bis van de Verordening.
De WAJONG is daarom geplaatst op Bijlage II bis, waardoor hij onttrokken wordt
aan de algemene exportverplichting van artikel 10 van de Verordening. Nederland
koos hiermee dezelfde beleidslijn als de overige lidstaten. Tijdens het debat
op 13 december is door de heer Stroeken opgemerkt dat Commissaris Diamantopolou
heeft toegezegd met een voorstel te komen voor opschoning van Bijlage II bis.
Dit is juist. Naar aanleiding van een aantal uitspraken waarin het Hof van
Justitie (EG) inschrijving door verschillende lidstaten van bepaalde uitkeringen
op bijlage II bis heeft getoetst, heeft de Commissie inmiddels een analyse
gemaakt van alle op bijlage II bis ingeschreven uitkeringen. De uitkomst van
deze analyse is dat een aantal door verschillende lidstaten op bijlage II
bis ingeschreven prestaties niet aan de door het Hof gestelde criteria voldoet.
Dit geldt echter niet voor de WAJONG. De Commissie heeft geconcludeerd dat
de inschrijving van de WAJONG op bijlage II bis is gerechtvaardigd. Naar verwachting
zal het voorstel tot wijziging van Bijlage II bis nog voor de zomer door de
Commissie naar de Raad worden gezonden.</al>
      <tuskop letat="cur">6. Mogen aan een eventuele export van een uitkering krachtens
de WAJONG voorwaarden worden verbonden?</tuskop>
      <tuskop letat="rom">6.1. Reactie op artikel van mr. F.J.L. Pennings in SMA
nr. 7/8 2001</tuskop>
      <al>Tijdens de parlementaire behandeling is gebleken dat de kamer met de regering
van mening is dat mogelijk misbruik van de WAJONG moet worden vermeden. De
leden van de fracties van de PvdA, CDA en GroenLinks zijn echter van mening
dat dit niet zou moeten gebeuren door de invoering van een algemeen exportverbod,
maar door een referte-eis te verbinden aan een eventuele export van een WAJONG-uitkering.
Met een beroep op een artikel van mr. F.J.L. Pennings, verschenen in SMA nr.
7/8 2001, betogen zij dat de Verordening dit toestaat. Deze mening is
vooral gebaseerd op een uitleg van de uitspraak van het Hof in de zaak Newton
(HvJ EG 20 juni 1991, zaak 356/89).</al>
      <al>Hierover kan het volgende worden opgemerkt. Onder punt 3 heb ik aangegeven
dat in het kader van de toepassing van artikel 4 van de Verordening in een
reeks van zaken de vraag aan het Hof van Justitie (EG) is voorgelegd of een
bepaalde uitkering als sociale zekerheid of als sociale bijstand moet worden
aangemerkt. Het arrest Newton maakt, evenals het ook genoemde arrest Frilli
(HvJ EG 22 juni 1972, zaak 1/72), deel uit van deze zaken. Het Hof oordeelde
dat zgn. non-contributieve prestaties onder de werkingssfeer van de Verordening
vielen, en dus ook onder de algemene exportverplichting. Maar omdat het Hof
ook wel zag dat ongeclauseerde export van deze prestaties niet gewenst was,
beperkte zij in een aantal arresten de groep van personen die aanspraak op
export konden maken tot werknemers of zelfstandigen die reeds op grond van
een vroegere beroepsactiviteit onder het stelsel van sociale zekerheid vallen
van de lidstaat waar zij de betrokken prestatie aanvragen. Op grond hiervan
is de heer Pennings van mening dat personen die niet tot deze groep behoren,
geen beroep kunnen doen op artikel 10. Voor deze personen zou dan ook een
referte-eis t.b.v. de export kunnen worden ingevoerd. Het onder punt 4 genoemde
mogelijke misbruik van de WAJONG zou hiermee worden voorkomen, aangezien de
groep personen die dit misbruik zouden kunnen maken (gezinsleden van migrerende
werknemers of zelfstandigen), niet tot de hier bedoelde groep behoort.</al>
      <al>Ik acht deze mening niet juist.</al>
      <al>In de eerste plaats is door de opname in de Verordening van de artt. 4
bis en 10 bis deze jurisprudentie achterhaald. Door in de Verordening
expliciet te bepalen dat niet op premiebetaling berustende uitkeringen met
kenmerken van zowel sociale zekerheid als sociale bijstand onder de werkingssfeer
van de Verordening vallen, en vervolgens de lidstaten de mogelijkheid te geven
deze uitkeringen van export uit te sluiten, heeft de gemeenschapswetgever
voor een andere oplossingsrichting gekozen dan het Hof bij de beantwoording
van de vraag in hoeverre dergelijke socialezekerheidsuitkeringen binnen de
gemeenschap kunnen worden geëxporteerd. Waar het Hof de exportmogelijkheden
beperkte door nadere voorwaarden te stellen ten aanzien van de personen die
een beroep doen op de exportbepaling, heeft de gemeenschapswetgever de mogelijkheid
geschapen om de regeling als zodanig van export uit te sluiten. Een bepaalde
uitkering valt nu òf onder het exportregime van artikel 10, òf
onder het exportregime van artikel 10bis. In welke hoedanigheid de persoon
de uitkering ontvangt, is niet meer relevant.</al>
      <al>In de tweede plaats kan worden gesteld dat het Hof niet in alle arresten
die gingen over de vraag of een bepaalde prestatie onder de werkingssfeer
van de Verordening viel, deze voorwaarde stelde. In de arresten waarin het
Hof de voorwaarde niet stelde was het of duidelijk dat aan deze voorwaarde
feitelijk was voldaan, of ging het om, veelal vroeggehandicapte, gezinsleden
van een migrerend werknemer. Dit blijkt o.a. uit de arresten Costa (HvJ 13
november 1974, zaak 39/74), Echtelieden F. (HvJ EG 17 juni 1975, zaak 7/75),
Inzirillo (HvJ EG 16 december 1976, zaak 63/76), Piscitello (HvJ EG 5 mei
1983, zaak 139/82).</al>
      <al>In de onderhavige discussie gaat het nu juist om deze categorie. Hieruit
kan m.i. worden geconcludeerd dat ook onder de jurisprudentie zoals gold voordat
de bepalingen m.b.t. non-contributieve prestaties in de Verordening werden
opgenomen, deze prestaties ook onder de Verordening vielen wanneer zij waren
toegekend aan (jonggehandicapte) gezinsleden van migrerende werknemers en
zelfstandigen (zie hiervoor ook Keunen, F.W.M. «Schets van het Europees
socialezekerheidsrecht», p. 60/61).</al>
      <tuskop letat="rom">6.2. Zijn er andere mogelijkheden om een referte-eis te
verbinden aan een eventuele export van een WAJONG-uitkering?</tuskop>
      <al>De vraag of aan een eventuele export van een WAJONG-uitkering een referte-eis
kan worden verbonden kan uitsluitend worden beantwoord op basis van de tekst
van de in 1992 in de Verordening opgenomen bepalingen met betrekking tot bijzondere,
non-contributieve prestaties. In de jurisprudentie die op basis van deze bepalingen
tot stand is gekomen kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden. Verder
is er, voorzover bekend, geen lidstaat die een referte-eis aan de export van
een non-contributieve uitkering heeft verbonden, gewoonlijk wordt in deze
regelingen een absoluut exportverbod opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de beantwoording van de vraag of de Verordening referte-eisen ten
behoeve van de export toestaat is doorslaggevend het antwoord op de vraag
of artikel 10 bis het mogelijk maakt dat een prestatie die is vermeld in Bijlage
II bis, toch, onder voorwaarden, door een lidstaat mag worden geëxporteerd,
en zo ja, of de te stellen voorwaarden in overeenstemming zijn met het EG-recht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Enerzijds zou kunnen worden geredeneerd dat artikel 10 bis export onder
voorwaarden inderdaad mogelijk maakt. Artikel 10 bis geeft lidstaten de bevoegdheid
om bijzondere, non-contributieve prestaties door plaatsing op Bijlage II bis
van de export uit te zonderen. Dit zou betekenen dat lidstaten de toekenning
van de desbetreffende prestaties mogen beperken tot personen die in het eigen
land wonen, maar dit niet hoeven te doen. Zij zouden dan binnen de werkingssfeer
van artikel 10 bis de vrijheid hebben om te bepalen dat export onder voorwaarden
is toegestaan. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het risico van deze redenering is echter gelegen in het feit dat de te
stellen voorwaarden niet in strijd mogen zijn met algemene beginselen van
EG-recht, zoals het verbod van (in)directe discriminatie naar nationaliteit
en het vrije verkeer van werknemers. Ik acht het zeer waarschijnlijk dat een
woonplaatseis in dit geval zal worden aangemerkt als indirecte discriminatie
naar nationaliteit en/of in strijd komt met het vrije verkeer van werknemers.
Als mogelijke rechtvaardigingsgrond zou moeten worden aangevoerd het doel
van de woonplaatsvoorwaarden, te weten voorkoming van misbruik. Gelet op het
beperkte aantal situaties waarin het Hof van Justitie (EG) een woonplaatseis
toelaatbaar acht, is het naar mijn mening niet waarschijnlijk dat het Hof
deze rechtvaardigingsgrond in dit geval zal honoreren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anderzijds kan worden geredeneerd – en deze redenering acht ik meer
plausibel – dat artikel 10 bis export onder voorwaarden niet mogelijk
maakt.</al>
      <al>Voor toepassing van artikel 10 bis is, naast plaatsing op de Bijlage,
essentieel dat in de nationale wet een exportverbod is opgenomen. Door in
de nationale wet te bepalen dat export mogelijk is wanneer de uitkeringsgerechtigde
een bepaalde periode in Nederland heeft gewoond, is er geen sprake meer van
een algemeen exportverbod, maar is in feite sprake van export onder voorwaarden.
Hiermee is artikel 10 bis niet meer van toepassing. Op de export van de uitkering
is dan artikel 10 lid 1 van toepassing. Het tegenwerpen van woonplaatsvereisten
is dan niet mogelijk, waardoor de conclusie luidt dat het verbinden van referte-eisen
aan de export van een WAJONG-uitkering in strijd is met artikel 10 lid 1 van
de Verordening.</al>
      <tuskop letat="cur">7. Conclusie</tuskop>
      <al>Uit het bovenstaande blijkt dat aan het verbinden van een referte-eis
aan de export van een WAJONG-uitkering grote risico's zijn verbonden. De kans
is groot dat het Hof van Justitie (EG) het oordeel zal zijn toegedaan dat
het voor toepassing van artikel 10 bis essentieel is dat in de nationale wet
een absoluut exportverbod is opgenomen. Export onder voorwaarden is dan niet
mogelijk. Mocht het Hof van oordeel zijn dat artikel 10 bis export onder voorwaarden
wel toestaat, dan acht ik de kans groot dat een woonplaatseis zal worden aangemerkt
als strijdig met algemene beginselen van EG-recht. Ik wil dan ook het huidige
exportverbod in de WAJONG handhaven. </al>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>