﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-22112-4351/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>22 112</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">4351</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-19">19 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat inzake het «Fiche: Verordening betreffende digitale netwerken» (Kamerstuk <extref doc="kst-22112-4281" soort="document" status="actief">22 112-4281</extref>).</al>
            <al>De vragen en opmerkingen zijn op 27 maart 2026 aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 19 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Dekker</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>Adjunct-griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Muller</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al-groep>
              <al>1</al>
              <al>De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche over de voorgestelde Verordening betreffende digitale netwerken (Digital Networks Act; hierna: DNA). Deze leden steunen de doelstelling om het Europese wetgevend kader voor telecom te harmoniseren en te moderniseren, in lijn met het coalitieakkoord. Zij hebben wel hebben enkele vragen.</al>
              <al>De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan het behoud van de bestaande principes van netneutraliteit en open internet. Deze leden lezen dat het kabinet vragen heeft bij de meerwaarde van het samenvoegen van de bestaande netneutraliteitsregels uit de Open Internet Verordening (OIR) met de DNA. Zij vragen specifiek of het kabinet het risico deelt dat het samenvoegen van deze regels in een breder wetgevend kader de deur opent voor toekomstige verwatering van netneutraliteitsprincipes.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet deelt dit belang. Het kabinet hecht groot belang aan het behoud van de bestaande principes van netneutraliteit en open internet. Er bestaat altijd een risico dat de bepalingen bij toekomstige onderhandelingen en/of wetswijzigingen ter discussie komen. Wel ziet het kabinet dat de bepalingen vanuit de Open Internet Verordening (OIR) in grotendeels ongewijzigde vorm zijn overgeheveld naar de Digital Networks Act (DNA). Het kabinet zet zich tijdens de onderhandeling in voor het behoud van de openinternet-principes in de DNA.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>2</al>
              <al>De leden van de D66-fractie constateren daarnaast dat het kabinet weinig noodzaak ziet voor het voorgestelde conciliatiemechanisme, en bezorgd is dat dit mechanisme zich kan lenen voor misbruik ten nadele van kleinere content- en applicatieaanbieders en innovatieve scale-ups. Deze leden delen deze zorg. Het ontbreken van een impact assessment op dit onderdeel vinden deze leden zorgelijk. Is het kabinet bereid in de Raad aan te dringen op een impact assessment voor het conciliatiemechanisme, en zich te verzetten tegen dit onderdeel indien adequate waarborgen voor kleinere aanbieders uitblijven?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet deelt de zorgen van de D66-fractie over het ontbreken van het impact assessment op dit onderdeel, zoals ook aangegeven in het BNC-fiche. Een impact assessment van de Commissie geeft de nodige inzichten over de mogelijke gevolgen van het integreren van de openinternet-principes en de het conciliatiemechanisme. Het kabinet zal de Commissie verzoeken op voorgenoemde delen alsnog een inschatting te maken van de verwachte gevolgen. Primair zal het kabinet zich inzetten om enerzijds een betere onderbouwing van de noodzaak van de integratie van de openinternet-principes en het conciliatiemechanisme te vragen, en anderzijds tijdens de onderhandelingen inzetten op goede waarborgen om te voorkomen dat het conciliatiemechanisme vatbaar wordt voor misbruik ten aanzien van de verschillende partijen in het ecosysteem. Hierbij onderzoekt het kabinet ook mogelijke voorwaarden, met inachtneming van de openinternet-principes, die hieraan bij kunnen dragen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>3</al>
              <al>Zij vragen hoe het kabinet het risico beoordeelt dat de DNA via wijzigingen in toegang, interconnectie of spectrumbeleid kan leiden tot hogere kosten voor internetgebruikers. Acht het kabinet de betaalbaarheid van digitale basisvoorzieningen voldoende geborgd in het voorstel? In hoeverre heeft het kabinet inzicht in de mogelijke effecten van de voorgestelde verordening op de kosten voor eindgebruikers, en kan het kabinet aangeven welke risico’s het ziet op stijgende prijzen voor internettoegang en digitale diensten voor burgers en bedrijven?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Hoewel het kabinet geen inzicht heeft in de precieze effecten van het DNA-voorstel op de kosten voor eindgebruikers, is het van mening dat een goed werkende concurrerende markt met keuzemogelijkheden waarborgen biedt voor betaalbare digitale basisvoorzieningen. Een soepelere houding naar gevestigde aanbieders van telecommunicatiediensten zou concurrentie in het gedrang kunnen brengen. Het kabinet is daarom positief over het behoud van mogelijkheden tot ex-ante toegangsregulering van vaste telecomnetwerken; het kabinet heeft daarentegen zorgen over het voorstel tot oneindige vergunningen voor spectrumgebruik en de effecten daarvan op de noodzakelijke innovatie-prikkels.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>4</al>
              <al>De leden van de D66-fractie merken op dat het DNA-voorstel een nieuw weerbaarheidshoofdstuk bevat. Deze leden vragen hoe dit hoofdstuk zich verhoudt tot de NIS2-richtlijn en de Richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten (CER-richtlijn), die Nederland momenteel implementeert via de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Welke inzet kiest het kabinet in de Europese onderhandelingen om te waarborgen dat de nieuwe verplichtingen onder de DNA aansluiten op bestaande kaders zoals de NIS2- en CER-richtlijn, en hoe wordt voorkomen dat aanvullende regels leiden tot extra regeldruk zonder aantoonbare meerwaarde voor de weerbaarheid van digitale infrastructuur?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals ook in het BNC-fiche is beschreven zal het kabinet de <?xpp afbreek?>Commissie vragen om dit te verduidelijken. Op het gebied van weerbaarheid kan het voorstel van de Commissie mogelijk leiden tot regeldruk door mogelijke extra (administratieve) verplichtingen bij aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten door het <nadruk type="cur">Preparedness Plan for Digital Infrastructure</nadruk> van BEREC. Daarnaast zal ook worden gevraagd hoe de voorgestelde maatregelen over onder andere de ononderbroken beschikbaarheid van kritieke communicatie en 112 zich verhouden tot de beveiligingsmaatregelen waar reeds in de NIS2-richtlijn in is voorzien. De inzet is om duidelijkheid te krijgen hoe de Commissie deze verhouding ziet en om onnodige regeldruk te voorkomen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>5</al>
              <al>De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche van de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC) betreffende digitale netwerken. Deze leden zijn blij dat er actie wordt ondernomen op een onderwerp wat bijvoorbeeld ook in het belangrijke Draghi-rapport wordt genoemd. Zij hebben over het BNC-fiche nog enkele opmerkingen en vragen.</al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de VVD-fractie zijn teleurgesteld dat er op onderdelen geen impact assessment is uitgevoerd bij dit voorstel van de Europese Commissie. Deze leden steunen dan ook het kabinet in haar voornemen om hier tijdens de Raad wel op aan te dringen.</al>
            <al>Zij merken op dat het voorstel voorziet in noodhulpcommunicatie via de European Digital Identity Wallet (EDI-wallet). De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van brede bereikbaarheid van 112, maar de inzet van de EDI-wallet hiervoor roept vragen op. Hoe wil het kabinet waarborgen dat het gebruik van digitale identiteitsmiddelen niet een voorwaarde wordt voor toegang tot noodcommunicatie?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft het uitgangspunt dat noodcommunicatie via 112 te allen tijde laagdrempelig, toegankelijk en zonder voorwaarden moet zijn. Het gebruik van een European Digital Identity Wallet (EDI-wallet) mag derhalve nooit een vereiste worden voor toegang tot noodhulpdiensten. Het kabinet acht het van groot belang dat bestaande kanalen voor het bereiken van 112 volledig behouden blijven en dat eventuele aanvullende functionaliteiten, zoals via een EDI-wallet, uitsluitend een vrijwillig karakter hebben. In de verdere uitwerking van het voorstel zal het kabinet hier nadrukkelijk op toezien.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>6</al>
              <al>Zij lezen verder dat het kabinet constateert dat met de door de Europese Commissie voorgestelde aanpak in potentie de situatie kan verslechteren voor landen die op dit moment excellent presteren, zoals Nederland. Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie een toelichting op deze zorg van het kabinet en hoe zij er concreet voor wil zorgen dat dit niet gebeurt.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche erkent het kabinet het belang van het zoveel mogelijk harmoniseren van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders op EU-niveau. Echter is het kabinet van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft om in te kunnen spelen op nationale omstandigheden en beleidsdoelen voor het bevorderen van draadloze toepassingen. Bij beleidsdoelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid om specifieke nationale eisen te stellen aan de kwaliteit en snelheid van de mobiele netwerken; nationale omstandigheden betreffen bijvoorbeeld de invloed van specifieke geografische en demografische kenmerken. Zo heeft Nederland in vergelijking tot veel andere lidstaten een vlak oppervlakte en is dichtbevolkt, zonder grote buitengebieden. Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige gebieden. Het kabinet ziet risico’s in het verder verbreden en verplichten van harmonisatie in het Nationaal Frequentieplan omdat, gegeven onder meer de geografie en demografie van Nederland maar ook de marktvraag, de frequentiebestemmingen niet optimaal worden vastgesteld. Een gevolg hiervan kan zijn dat de frequenties in Nederland niet bestemd worden voor het gebruik met de grootste maatschappelijke waarde. Ook is het (her)bestemmen van vergunningen voor nieuwe toepassingen moeilijker. Het is daarom, volgens het kabinet, niet wenselijk om meer bevoegdheden bij de Commissie te centraliseren op het gebied van beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid.</al>
            </al-groep>
            <al>Het kabinet zal zich inzetten voor een proportioneel voorstel waarbij zo veel mogelijk op internationaal niveau en anders op EU-niveau harmonisatie van frequentiebestemmingen mogelijk gemaakt kan worden, maar waar ook de mogelijkheid blijft bestaan om nationaal maatwerk te leveren. Zoals aangegeven in het fiche, zal de meerderheid van de lidstaten kritisch staan tegenover het afstaan van de beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid aan de Commissie. Het kabinet zet zich in om met deze lidstaten samen te werken in de onderhandelingen om tot een proportioneel voorstel te komen.</al>
            <al-groep>
              <al>7</al>
              <al>Deze leden lezen dat het kabinet in het fiche constateert dat «met name in de buitengebieden van Europa» de netwerkkwaliteit achterblijft en dat dit ongunstig kan zijn voor de Europese en daarmee ook de Nederlandse economie. Zij vragen aan het kabinet of het een actuele stand van zaken kan verschaffen van de netwerkkwaliteit in Nederland en of zij nog mogelijkheden ziet om de netwerkkwaliteit in Nederland te verhogen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De beschikbaarheid van (super)snelle vaste en mobiele netwerken is zeer hoog in Nederland. Eind 2025 beschikt 99,5% van de Nederlandse huishoudens over een vaste verbinding van ten minste 100 Mbps en 98,9% over een verbinding van 1 Gbps.<noot id="ID-1249343-d40e176" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Zie ook: <extref doc="https://www.overalsnelinternet.nl/onderwerpen/k/kaart-vaste-internetverbindingen" soort="URL" status="actief">https://www.overalsnelinternet.nl/onderwerpen/k/kaart-vaste-internetverbindingen</extref>.</noot.al></noot> Verder is er nagenoeg overal in Nederland goede 4G en 5G mobiele dekking,<noot id="ID-1249343-d40e191" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Wat onder meer blijkt uit de hoge scores die de Nederlandse mobiele netwerken halen in internationale benchmarks: <extref doc="https://www.nlconnect.org/nieuws/nederland-ontvangt-europese-erkenning-voor-beste-mobiele-netwerken" soort="URL" status="actief">https://www.nlconnect.org/nieuws/nederland-ontvangt-europese-erkenning-voor-beste-mobiele-netwerken</extref></noot.al></noot> onder meer als gevolg van de dekkings- en snelheidsverplichting waar mobiele netwerkoperators zich aan moeten houden.<noot id="ID-1249343-d40e203" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rdi.nl/onderwerpen/telecommunicatie/telecomaanbieders/dekkingseis-en-snelheidsverplichting" soort="URL" status="actief">https://www.rdi.nl/onderwerpen/telecommunicatie/telecomaanbieders/dekkingseis-en-snelheidsverplichting</extref></noot.al></noot> Gelet op deze hoge beschikbaarheid staat Nederland steevast in de top van landen in de EU met snelle vaste en mobiele netwerken.<noot id="ID-1249343-d40e214" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Op basis van de Europese (DESI) 2025 ranglijst digitale economie: <extref doc="https://digital-decade-desi.digital-strategy.ec.europa.eu/datasets/desi/charts" soort="URL" status="actief">https://digital-decade-desi.digital-strategy.ec.europa.eu/datasets/desi/charts</extref></noot.al></noot> De uitbreiding en opwaardering van netwerken ligt bij de markt en is iets dat partijen continu doen, blijkens de hoge scores in internationale <nadruk type="cur">benchmarks</nadruk> naar kwaliteit van vaste en mobiele telecomnetwerken in Nederland.<noot id="ID-1249343-d40e230" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>O.a. de benchmarks van bedrijven als Connect/Umlaut, MedUX, Ookla en Opensignal.</noot.al></noot></al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>8</al>
              <al>De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast zorgen ontvangen vanuit de markt over de gevolgen van dit voorstel voor de investeringsbereidheid. Kan het kabinet toelichten wat volgens haar, per saldo, de gevolgen van dit voorstel zijn op de investeringsbereid vanuit de markt? Gaat het kabinet tijdens de behandeling van dit voorstel in de Raad voorstellen doen die volgens het kabinet de investeringsbereidheid voor de markt in Nederland vergroten en zo ja, om welke voorstellen gaat dit dan?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft het belang van investeringsbereidheid van bedrijven in de Nederlandse markt. Ter ondersteuning daarvan richt het kabinet zich op het bieden van zekerheden aan de markt. Dat kreeg tot dusverre bijvoorbeeld gestalte in het beleidskader dat duidelijkheid geeft aan marktpartijen om in veilingen langjarige vergunningen te verwerven voor mobiele telecommunicatiediensten, met de daaraan vooraf geëxpliciteerde verbonden voorschriften. Daarnaast ziet het kabinet ook effectieve concurrentie in de vaste telecommunicatiemarkt en het toezicht daarop als belangrijke factoren voor investeringszekerheid en daarmee investeringsbereidheid van partijen. Het voorstel doet daar naar het oordeel van het kabinet geen afbreuk aan, omdat de mogelijkheden blijven bestaan nationaal maatwerk te blijven verrichten. Het kabinet zal bij de behandeling van het voorstel hierop toezien.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>9</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over de Verordening Digitale Netwerken (DNA). Deze leden hebben suggesties, opmerkingen en vragen over de inzet van het kabinet over autonomie en betaalbaarheid. Deze zullen zij hieronder uiteenzetten. Eerst delen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hun eigen visie op een open en betaalbare digitale infrastructuur.</al>
            </al-groep>
            <al>Ten eerste onderschrijven deze leden de unieke positie van Nederland op het gebied van telecommunicatie en de digitale infrastructuur. Het netwerk in Nederland is stevig. Zij onderkennen echter ook dat deze positie niet vanzelfsprekend is. Daarom vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aan het kabinet welke prioriteiten zij de komende jaren stelt op het gebied van telecommunicatie, connectiviteit en spectrumbeleid. Welke rol ziet het kabinet voor zichzelf weggelegd en welke voor de markt?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De overkoepelende doelstelling van het kabinet, zoals neergelegd in Pijler 4 van de Strategie Digitale Economie,<noot id="ID-1249343-d40e261" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/11/18/rapport-strategie-digitale-economie" soort="URL" status="actief">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/11/18/rapport-strategie-digitale-economie</extref></noot.al></noot> is het behouden en versterken van een hoogwaardige en weerbare digitale infrastructuur. De overheid draagt zorg voor de goede kaders en randvoorwaarden, zodat marktpartijen kunnen investeren en innoveren en er een hoogwaardig, concurrerend, weerbaar en betaalbaar aanbod met voldoende keuzevrijheid voor gebruikers is (zowel consumenten als zakelijke gebruikers). In de veranderde geopolitieke omstandigheden is er daarbij extra aandacht voor de weerbaarheid van onze digitale infrastructuur en voor digitale open strategische autonomie (<nadruk type="cur">promote, protect, partner</nadruk>). Er kunnen gegronde redenen zijn om aanvullend publieke financiering in te zetten in bijvoorbeeld zeekabels als marktinvesteringen onvoldoende tot stand komen. Ook kan de overheid met eigen aanbestedingen van digitale dienstverlening, zoals cloudtechnologie, het Europese marktaanbod stimuleren.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>10</al>
              <al>Deze leden zijn van mening dat internet en connectiviteit een nutsvoorziening is. Net als water, gas en licht, zou niemand afgesloten moeten kunnen worden van het internet. Dit moet volgens deze leden het uitgangspunt zijn van de Nederlandse inzet op het gebied van connectiviteit. Deelt het kabinet deze analyse van de deze leden? Welke keuzes kunnen er gemaakt worden in zowel de DNA-Verordening als de Gigabit Infrastructure Act om de principes van openheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid in heel Europa te versterken?</al>
            </al-groep>
            <al>Zij wijzen op verschillende voorbeelden van bouwprojecten waar betaalbaar internet is gerealiseerd door een proactieve rol van woningcorporaties en vastgoedeigenaren. Zo heeft woningcorporatie Patrimonium Groningen betaalbaar internet voor 15 euro gerealiseerd voor ouderenwoningen, door in samenwerking met Fiber NL eigen infrastructuur aan te leggen in een hoogbouwproject. Woonstad Rotterdam heeft een soortgelijk project gerealiseerd in een studentenpand, net als beheerder Sipkema, ook in Rotterdam.<noot id="ID-1249343-d40e284" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al><extref doc="https://tbmnet.nl/betaalbaar-internet-sociale-huurders-sipkema-fiber/" soort="URL" status="actief">TBMNet</extref> (2025, 19 februari), «Betaalbaar internet voor sociale huurders: Sipkema Beheer en Fiber bundelen krachten», <extref doc="https://tbmnet.nl/betaalbaar-internet-sociale-huurders-sipkema-fiber/" soort="URL" status="actief">https://tbmnet.nl/betaalbaar-internet-sociale-huurders-sipkema-fiber/</extref>.</noot.al></noot> Is het kabinet bekend met deze voorbeelden? Wat is de visie van het kabinet op betaalbaar internet en de verantwoordelijkheid die woningcorporaties, vastgoedeigenaren en (kleinschalige) leveranciers van digitale infrastructuur daarin spelen?</al>
            <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien met de DNA-Verordening een kans om deze succesvoorbeelden op te schalen en te stimuleren. Deze leden vragen het kabinet of zij bereid is om in gesprek te gaan een vertegenwoordiging van kleine aanbieders, woningcorporaties, vastgoedeigenaren en andere experts om te verkennen welke obstakels in de weg staan om bij meer bouwprojecten kosten voor eindgebruikers te besparen door zelf infrastructuur aan te leggen. Het verzekeren van betaalbaar internet voor zo veel mogelijk huishoudens is volgens deze leden een verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Economische Zaken. Zij verzoeken bovendien om de uitkomsten te betrekken bij de Nederlandse inzet voor de DNA-Verordening en de Gigabit Infrastructure Act.</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet ziet internet en connectiviteit als een basisbehoefte, niet als nutsvoorziening. Die basisbehoefte is betaalbaar in Nederland en er is daarom geen reden voor een generieke regeling over zogeheten sociale internettarieven. Voor kwetsbare huishoudens kunnen lokale maatwerkoplossingen worden geboden, zoals bijvoorbeeld de genoemde initiatieven van woningcorporaties. De voorstellen in de DNA en de Gigabit Infrastructure Act (GIA) staan dat niet in de weg.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>11</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Europese Commissie constateert dat de uitrol van 5G achterloopt in de Europese Unie (EU). De Commissie veronderstelt negatieve gevolgen voor consumenten, concurrentie en innovatie in de EU. Waarop baseert de Commissie deze analyse? Deelt het kabinet dit oordeel? Kan het kabinet de onderzoeken waar dit uit blijkt met de Kamer delen?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Commissie stelt dat de EU achterloopt in de uitrol van hoge kwaliteit 5G, met name «<nadruk type="cur">5G Stand Alone</nadruk>». De Commissie noemt deze cijfers in de impact assessment van de DNA, waarbij de EU 40% dekking kent van <nadruk type="cur">5G Stand Alone</nadruk>, ten opzichte van 90% in Noord-Amerika. Het kabinet herkent deze cijfers van de Commissie voor wat betreft dekking van <nadruk type="cur">5G Stand Alone</nadruk>, waarbij de kanttekening moet worden gemaakt dat de dekking van reguliere 5G in de EU erg hoog ligt (ruim boven 90%), net als de kwaliteit van de dienstverlening. Zo blijkt uit verschillende internationale benchmarks dat de kwaliteit van de Nederlandse (en Europese) netwerken van hoog niveau is.<noot id="ID-1249343-d40e329" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>O.a. de benchmarks van bedrijven als Connect/Umlaut, MedUX, Ookla en Opensignal.</noot.al></noot></al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>12</al>
              <al>Deze leden lezen ook dat de Commissie voornemens is om toe te staan dat frequentierechten voor oneindige periode en op EU-niveau worden verleend. Het inperken voor een kortere duur moet alsnog mogelijk zijn. Zij vragen het kabinet om nader uit te leggen onder welke voorwaarden de Commissie zou kiezen voor een kortere duur van verlening. Het is nog onvoldoende onderbouwd waarom dit nieuwe recht waardevol is, en onder welke voorwaarden daarvan wordt afgeweken.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen nadere uitleg over de voorwaarden waaronder de Commissie kan kiezen voor een kortere duur van verlening van frequentierechten. In artikel 24 van het DNA-voorstel gaat het over de duur van vergunde rechten. De hoofdregel daarbij (artikel 24, eerste lid), is dat rechten voor het gebruik van frequenties in beginsel voor een oneindige periode worden verleend. Als uitzondering op de hoofdregel, kunnen individuele gebruiksrechten voor een gelimiteerde periode worden verleend (artikel 24, derde lid). De periode die hiervoor gekozen kan worden door een lidstaat moet onderbouwd worden met een analyse van de technische en economische situatie en de concurrentie in de markt (artikel 30, vierde lid).</al>
            </al-groep>
            <al>In het geval van individuele gebruiksrechten voor draadloze breedbanddiensten, waarbij gedacht kan worden aan mobiele communicatie, is de beperking ingesteld op minstens 40 jaar (artikel 24, vierde lid). Van deze periode kan bijvoorbeeld worden afgeweken als het gaat om beperkte geografische gebieden waar toegang tot netwerken van hoge snelheden ontbreekt of ernstig tekortschiet, voor specifieke korte termijn projecten of voor experimenteel gebruik (artikel 24, vijfde lid). Over deze mogelijke inperkingen heeft het kabinet verder opgemerkt dat de Commissie in het voorstel een mogelijkheid heeft gecreëerd om een veto uit te spreken als zij deze niet gepast dan wel onnodig acht (overweging 116).</al>
            <al>De Commissie geeft in de overwegingen aan waarom zij onbeperkte vergunningsduren nodig acht: dit zou volgens de Commissie investeringszekerheid bevorderen en bijdragen aan een snellere uitrol van netwerken en betere dienstverlening. Ook zouden oneindige vergunningsduren een secundaire markt voor handel en leasing kunnen faciliteren (overwegingen 100 en 101).</al>
            <al>Voor wat betreft het standpunt van het kabinet over de onbeperkte vergunningsduren, kan nog opgemerkt worden dat de huidige vergunningsduren tussen de 15 en 20 jaar zijn, gebaseerd op het huidige Europese kader van de Telecomcode. Een dergelijke termijn maakt het mogelijk voor zowel nieuwkomers als bestaande partijen om hun investeringen terug te verdienen met een redelijk rendement. Dit wordt in de Nota Mobiele Communicatie<noot id="ID-1249343-d40e358" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Te raadplegen via: <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2019D24108&amp;did=2019D24108" soort="URL" status="actief">Frequentiebeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal</extref>.</noot.al></noot> nader toegelicht. Naar het oordeel van het kabinet biedt een dergelijke termijn ruimte om frequenties daar waar nodig te herbestemmen en herverdelen, bijvoorbeeld om innovatie te stimuleren of asymmetrische marktposities te corrigeren. Zoals aangegeven in het fiche zijn de huidige vergunningstermijnen in veel EU-landen, waaronder Nederland, lang genoeg om voldoende investeringen te doen. Als er voorkeur zou zijn in bepaalde EU-landen om langere termijnen te hanteren, biedt het huidige kader die mogelijkheid al. De inzet van het kabinet is er daarom op gericht om maatwerk per land mogelijk te blijven houden.</al>
            <al-groep>
              <al>13</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Commissie wil voorkomen dat nationale regulering de groei en vraag van breedbanddiensten belemmert. Echter, deze leden erkennen, net als het kabinet, dat de staat van de digitale infrastructuur in Nederland gunstig is. Deelt het kabinet de mening dat nationale regulering ook gunstig kan uitpakken voor de groei en vraag van breedbanddiensten? Is dit in Nederland het geval geweest? Zij benadrukken bijvoorbeeld dat Nederland vooralsnog het enige EU-lidstaat is dat wettelijk het principe van netneutraliteit in de telecomwetgeving heeft vastgelegd. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dit een waardevolle verankering van open internet principes. Valt dit volgens de Commissie ook onder onwenselijke «nationale regulering»?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Bij onwenselijke «nationale regulering» doelt de Commissie ogenschijnlijk op nationale koppen bij implementatie van het wetgevend kader voor telecom. Met Europese harmonisatie middels een verordening, is er minder ruimte voor deze nationale regulering. De principes van netneutraliteit zaten daarbij al in een Europese verordening (Open Internet Verordening), en golden daarmee voor alle lidstaten. Deze Europese bepalingen worden in grotendeels ongewijzigde vorm overgenomen in de DNA, waarmee het Europese kader voor openinternet-principes in stand blijft. In lijn met het BNC-fiche zet het kabinet zich in voor behoud van de openinternet-principes.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>14</al>
              <al>Deze leden lezen dat de uitfasering van kopernetwerken wordt versneld. Zij vragen het kabinet welke gevolgen dit heeft voor Nederland en wat de huidige stand is van het uitfaseren van koper. Ook vragen zij of het behouden van (enkele relevante) kopernetwerken, in een noodgeval of om de weerbaarheid in tijd van crisis te vergroten, ook gunstig kan zijn.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het uitfaseren van het kopernetwerk door KPN is al in 2020 in gang gezet en inmiddels is ongeveer de helft van de leveradressen overgezet naar glasvezel. Een belangrijke drijfveer voor KPN om deze transitie in gang te zetten is dat de koperen infrastructuur verouderd is en geen gigabitsnelheden kan leveren. Ook verbruiken deze kopernetwerken veel meer stroom dan nieuw aangelegde glasvezelnetwerken. Gelet op de al hoge mate van beschikbaarheid van vaste gigabitnetwerken in Nederland<noot id="ID-1249343-d40e392" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Eind 2025 beschikt bijna 99% van de Nederlandse huishoudens over een vaste internetverbinding van ten minste 1 Gigabit per seconde (Gbps).</noot.al></noot> zal een versnelde afschakeling nagenoeg geen impact hebben op het (tijdig) waarmaken van de Europese connectiviteitsdoelstellingen (in Nederland). Daarentegen zullen administratieve lasten voor overheden en bedrijven naar verwachting hoog zijn, als gevolg van de verplichtingen voor het opstellen en uitvoeren van uitfaseringsplannen. Het kabinet zal zich in de onderhandelingen dan ook inzetten voor een proportioneel voorstel waarbij lasten in verhouding staan tot het doel. Omdat het kopernetwerk niet toekomstbestendig is en steeds lastiger te onderhouden, is het voor de langere termijn niet geschikt als betrouwbaar «back-up netwerk». Het ligt meer voor de hand om voor noodgevallen en het versterken van weerbaarheid te richten op moderne netwerken zoals glasvezel, mobiel en satelliet. Hier wordt in het kader van weerbaarheid tegen hybride en militaire dreigingen aan gewerkt.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>15</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Commissie in het DNA-voorstel netneutraliteitsregels wil integreren. Deze leden zijn voorstander van het zo veel mogelijk wettelijk implementeren van deze regels in nationaal beleid, als waardevolle tegenmacht om monopolievorming en machtsmisbruik in de digitale sector tegen te gaan. Wat zijn de gevolgen van het integreren van netneutraliteit in het DNA-voorstel? Heeft dit als gevolg dat ook andere EU-lidstaten de open internet principes in nationaal beleid moeten verankeren? Vindt het kabinet dit een goede ontwikkeling, en is zij bereid om daarvoor te pleiten?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De netneutraliteitsregels zijn vastgelegd in de huidige OIR, waardoor deze rechtstreeks gelden in alle Europese lidstaten en implementatie in nationale wetgeving niet nodig is. Het ongewijzigd overnemen van de regels in de voorgestelde DNA heeft slechts tot gevolg dat de regels uit de OIR onderdeel zullen zijn van deze verordening. Het kabinet vindt het een goede ontwikkeling dat de openinternet-principes behouden blijven in de EU, en pleit hier dan ook voor in de onderhandelingen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>16</al>
              <al>Zij hebben kritische opmerkingen over het conciliatiemechanisme. Het lijkt erop dat de macht van de toezichthouder beperkt wordt, omdat zij geen bindende conclusie aan het overleg kan geven. Daarmee kan het mechanisme verworden tot een vrijblijvende en trainerende optie voor partijen in geschil. Welke voorstellen heeft het kabinet om dit risico te vermijden en de doorzettingsmacht van de toezichthouder te bestendigen?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het conciliatiemechanisme, zoals geïntroduceerd in het DNA-voorstel, bestaat naast het geschilbeslechtingsmechanisme, waarbij de toezichthouder wel bindende conclusies kan geven. Wel deelt het kabinet de bedenkingen van GroenLinks-PvdA over de noodzaak van het introduceren van het conciliatiemechanisme, zoals uiteengezet in het BNC-fiche. Zo is er geen sprake van aantoonbaar marktfalen in de markt voor interconnecties en bestaat de zorg bij het kabinet dat het mechanisme zich onbedoeld kan lenen als drukmiddel tegen middelgrote en kleinere content- en applicatieaanbieders. Het kabinet zal zich daarom inzetten om enerzijds een betere onderbouwing van de noodzaak van het conciliatiemechanisme te vragen, en anderzijds tijdens de onderhandelingen inzetten op goede waarborgen om te voorkomen dat het conciliatiemechanisme vatbaar wordt voor misbruik ten aanzien van de verschillende partijen in het ecosysteem. Hierbij onderzoekt het kabinet ook mogelijke voorwaarden, met inachtneming van de openinternet-principes, die hieraan bij kunnen dragen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>17</al>
              <al>Bovendien vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie om een reactie op het risico dat de Single Passport Procedure ertoe leidt dat internationale leveranciers zich vestigen in het land met de laagste kwaliteit van toezicht.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet signaleert in het BNC-fiche het risico dat de <nadruk type="cur">Single Passport Procedure</nadruk> onbedoeld de deur zou kunnen openen naar een situatie waarbij internationale spelers zich vestigen in een land met de laagste kwaliteit van toezicht (<nadruk type="cur">forum-shopping</nadruk>). Het kabinet zal dit om deze reden tijdens de onderhandelingen onder de aandacht brengen. Hierbij kan worden gedacht aan een kader, waarbinnen invulling voor het dagelijkse en operationele toezicht door de nationale toezichthouder mogelijk is, ongeacht in welk land het bedrijf gevestigd is.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>18</al>
              <al>Deze leden maken zich zorgen over de mogelijkheid dat de EDI-wallet een rol gaat spelen bij noodhulpcommunicatie. Zij kunnen zich niet inbeelden welke rol de wallet kan spelen, en hoe dit de betrouwbaarheid en snelheid van noodcommunicatie kan verbeteren. Wat verwacht het kabinet van deze mogelijkheid? Kan zij concreet uitleggen hoe het kabinet gaat voorkomen dat er impliciete dwang ontstaat om de EDI-wallet te gebruiken in een noodsituatie, waarin mensen sneller geneigd zullen zijn om voor de makkelijkste optie te kiezen, en dus ook sneller onder druk gezet kunnen worden?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In de eIDAS-verordening is vastgelegd dat het gebruik van EDI-wallets vrijwillig dient te zijn voor gebruikers. In lijn hiermee, is voor het kabinet dan ook het uitgangspunt dat burgers te allen tijde zelf bepalen of en wanneer zij deze EDI-wallet gebruiken. Er mogen geen prikkels ontstaan die het gebruik van de wallet feitelijk noodzakelijk maken in noodsituaties. Impliciete dwang kan voorkomen worden door ervoor te zorgen dat er verschillende manieren beschikbaar blijven voor noodcommunicatie, zoals telefonische oproepen en websites.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>19</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven de positie van het kabinet om alle consumenten in Nederland toegang moeten hebben tot basistelecomdiensten. Deze leden vragen het kabinet voor welke consumenten dit in Nederland nog niet het geval is, en wat het kabinet gaat doen om álle consumenten hier recht op te geven. Wel wijzen zij erop dat er eerder sprake moet zijn van «burgers» dan «consumenten,» omdat online connectiviteit een randvoorwaarde is voor goed burgerschap en meedoen in de maatschappij. Zij vragen het kabinet welke voorstellen zij proactief doet in de onderhandelingen van het DNA-voorstel en de Gigabit Infrastructure Act (GIA) om dit uitgangspunt te versterken en in heel Europa uit te dragen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Eind 2025 kan 99,5% van de Nederlandse huishoudens beschikken over een vaste internetverbinding van ten minste 100 Mbps en 98,9% over een verbinding van 1 Gbps.<noot id="ID-1249343-d40e459" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Zie ook: <extref doc="https://www.overalsnelinternet.nl/onderwerpen/k/kaart-vaste-internetverbindingen" soort="URL" status="actief">https://www.overalsnelinternet.nl/onderwerpen/k/kaart-vaste-internetverbindingen</extref>.</noot.al></noot> De verwachting is dat deze beschikbaarheid in de komende jaren verder zal toenemen, als gevolg van verdere verglazing. De huishoudens die (nog) niet kunnen beschikken over een snelle vaste verbinding, kunnen gebruik maken van snelle draadloze oplossingen die in veel gevallen sneller zijn dan de vaste internettoegang op die locaties.<noot id="ID-1249343-d40e472" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Zoals specifieke internet-voor-thuis-oplossingen van mobiele aanbieders of een satellietoplossing.</noot.al></noot> Als ultimum remedium kan de overheid een universele dienstverplichting opleggen aan de markt, maar alleen als de toegang tot een adequate breedbanddienst ontbreekt en minder marktverstorende overheidsinterventies zoals staatssteun geen soelaas bieden.<noot id="ID-1249343-d40e481" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Gelet op de al beschikbare snelle draadloze alternatieven en mijn eerdere besluit (Kamerstuk <extref doc="kst-26643-1054" soort="document" status="actief">26 643, nr. 1054</extref>) om (vooralsnog) geen (steun)middelen beschikbaar te maken, ben ik niet voornemens een dergelijk zware maatregel in te roepen. Wel blijf ik in de tussentijd de ontwikkelingen monitoren en zal ik in 2027/2028 opnieuw de balans opmaken (Kamerstuk <extref doc="kst-26643-1224" soort="document" status="actief">26 643 nr. 1224</extref>).</noot.al></noot> In de onderhandelingen van het DNA-voorstel zal worden ingezet op het behoud van de Universele Dienstverlening als vangnet voor de levering van een basisniveau internettoegang. Wat betreft de GIA hebben de onderhandelingen hierover in 2023/2024 plaatsgevonden, waarna de verordening op 11 mei 2024 in werking is getreden en op 12 november 2025 van kracht is geworden. De verordening heeft tot doel het versnellen van de uitrol van glasvezel en 5G in de hele EU, niet zozeer het bieden van toegang tot basistelecomdiensten voor burgers.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>20</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben twijfels of de DNA-Verordening zal leiden tot het verminderen van regeldruk. Het kabinet stelt dit wel als voordeel. Kan het kabinet hard maken dat er nu grote regeldruk bestaat in de telecom, en dat het DNA-voorstel noodzakelijk is? Vindt Nederland deze Verordening wel nodig?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft het doel van de verordening om bij te dragen aan toekomstbestendige digitale infrastructuur in de EU en het verdiepen van de interne markt voor telecom. Daarbij ziet het kabinet dat een aantal bepalingen mogelijk leiden tot regeldrukverminderingen, met name voor grensoverschrijdend opererende aanbieders. Dit is mede het gevolg van verdere harmonisatie van het kader. Een aantal van de bepalingen hebben daarentegen ook negatieve regeldrukgevolgen, zoals de uitfasering van kopernetwerken. Het kabinet zal de Commissie verzoeken opheldering te geven of nader te specificeren wat de verwachte gevolgen zijn op het gebied van regeldruk, op onderdelen van het voorstel waar dit onvoldoende duidelijk naar voren komt in het impact assessment.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>21</al>
              <al>Deze leden lezen dat voor defensiesystemen nationale ruimte geboden moet zijn, om vanuit veiligheidsbelangen nadere eisen te stellen. Dit achten deze leden verstandig. Zij vragen daarom of het kabinet van plan is om een uitzonderingspositie voor frequentievergunningen in het Defensie-domein te bepleiten. Kan het kabinet verder toelichten wat «flexibiliteit» voor nationale autoriteiten wat haar betreft inhoudt?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet ziet grote risico’s in het voorstel tot het verstrekken van frequentievergunningen van onbeperkte duur. Die risico’s betreffen de mogelijk negatieve effecten op de concurrentie in de mobiele telecommunicatiemarkt en daarmee op noodzakelijke prikkels tot innovatie. Daarnaast zullen oneindige vergunningsduren het veel moeilijker maken om banden in de toekomst een andere bestemming te geven als de maatschappelijke behoefte daarom vraagt. Het is belangrijk dat nationale autoriteiten flexibel kunnen inspelen op specifieke spectrumbehoeften zonder te worden ingeperkt door EU-brede, in tijd onbegrensde licenties voor draadloze breedbanddiensten. Naast defensiesystemen zijn er nog tal van andere systemen die deze nationale flexibiliteit nodig hebben. Zo kan het ook voor andere publieke taken, zoals die van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Infrastructuur en Waterstaat, maar ook voor privaat gebruik, nodig zijn om maatwerk op nationaal niveau te leveren.</al>
            </al-groep>
            <al>Verder ingaand op de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie over wat flexibiliteit voor nationale autoriteiten inhoudt kan het kabinet aangeven dat dit ziet op onder andere het flexibel kunnen inspelen op specifieke frequentiebehoeften voor nationale casussen. Dat houdt in dat er meer rekening gehouden moet kunnen worden met regionale verschillen, omdat Nederland in vergelijking tot veel andere Europese lidstaten een vlak oppervlakte heeft en dichtbevolkt is. Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige gebieden. Gevolg hiervan kan zijn dat frequenties niet bestemd worden voor het gebruik met de grootste maatschappelijke waarde.</al>
            <al-groep>
              <al>22</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ondersteunen het kabinet in de vraag om meer duidelijkheid over het verlengen van al uitgegeven vergunningen. Het moet heel helder zijn welke gevolgen het aannemen van de DNA-Verordening heeft op de huidige telecommarkt, en specifiek wat de gevolgen zijn voor Nederland. Tevens zijn deze leden benieuwd hoe het kabinet zich zal inzetten om «waarborgen voor effectieve mededinging» in het voorstel te behouden. Welke waarborgen staan momenteel onder druk, en met welke gelijkgestemde landen trekt Nederland hierin op?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Effectieve mededinging is inderdaad noodzakelijk voor goede betaalbare en innovatieve telecommunicatiediensten. Het kabinet is daarom kritisch op de veel langere vergunningsduur en de eventueel ruimere mogelijkheden tot verlenging van vergunningen. Er moet op worden toegezien dat langdurige bestendiging van de markt er niet toe leidt dat concurrentie- en innovatieprikkels verminderen. Voor Nederland is dit een belangrijk punt in de onderhandelingen. Hoewel het DNA-voorstel op dit punt informeel bredere kritiek krijgt, kan het kabinet geen uitspraken doen over het optrekken met gelijkgestemde landen. Dat heeft er mee te maken dat lidstaten om verschillende redenen kritisch kunnen zijn, maar ook omdat iedere lidstaat zijn eigen integrale afwegingen in de onderhandelingen zal maken.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>23</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn voorstander van het stevig verankeren van netneutraliteit en een open internet. Dit is broodnodige zekerheid dat de macht in de digitale wereld eerlijk wordt verdeeld. Deze leden vragen dan ook welke specifieke voorstellen het kabinet zal doen om deze principes het uitgangspunt te maken van het Europese beleid.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft de principes van netneutraliteit en open internet. Het kabinet staat er dan ook positief tegenover dat de openinternet-principes in het DNA-voorstel behouden blijven. Het kabinet zal zich primair inzetten tijdens de onderhandeling voor het behoud van de huidige principes in het DNA-voorstel.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>24</al>
              <al>Zij begrijpen de zorgen van het kabinet over het conciliatiemechanisme. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om duidelijk toe te lichten hoe dit mechanisme er volgens haar idealiter uit moet zien. Moet er bijvoorbeeld een drempel gelden voor wanneer aanbieders dit mechanisme in kunnen roepen? Waarop baseert het kabinet haar aanname dat er van dit mechanisme misbruik gemaakt kan worden, en met welke voorstellen komt het kabinet om dit risico te voorkomen?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet heeft in beginsel vragen bij de meerwaarde van het conciliatiemechanisme, in een goed functionerende markt voor interconnectie. Idealiter wordt, bij een dergelijke introductie, ervoor gezorgd dat het zich niet onbedoeld kan lenen voor misbruik ten nadele van middelgrote en kleinere content- en applicatieaanbieders. Bij herhaaldelijk gebruik van het conciliatiemechanisme, kan dit mogelijk als drukmiddel gebruikt worden tegen deze aanbieders, met als doel een veranderende kostenverdeling tussen partijen in het interconnectie-ecosysteem. Om deze reden zet het kabinet zich in om enerzijds een betere onderbouwing van de noodzaak van het conciliatiemechanisme te vragen en anderzijds tijdens de onderhandelingen in de zetten op goede waarborgen om te voorkomen dat het conciliatiemechanisme vatbaar wordt voor misbruik ten aanzien van de verschillende partijen in het ecosysteem. Hierbij onderzoekt het kabinet ook mogelijke voorwaarden, met inachtneming van de openinternet-principes, die hieraan bij kunnen dragen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>25</al>
              <al>Deze leden lezen dat het kabinet «niet onwelwillend [staat]» tegenover de nieuwe bestuurlijke inrichting. Zij horen graag concreter waarover het kabinet nog twijfelt en welke voorstellen over de bestuurlijke inrichting wat haar betreft niet nodig of nog onvoldoende van meerwaarde zijn.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet staat in beginsel positief tegenover de voorgestelde bestuurlijke inrichting in het DNA-voorstel ten aanzien van BEREC, RSPB en het ondersteunende orgaan (Office for Digital Networks). Het kabinet ziet op dit moment geen specifieke onderdelen die het als niet wenselijk acht of waarvan de meerwaarde onvoldoende is aangetoond. In de onderhandelingen zal het kabinet aandacht hebben voor de uitvoerbaarheid en administratieve lasten voor nationale toezichthouders zoals de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) binnen de bestuurlijke inrichting.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>26</al>
              <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om de kritiek op het harmoniseren van het nummerbeleid nader te onderbouwen. Het kabinet beschrijft dat er een weging van diverse publieke belangen moet plaatsvinden om hier regels over te maken. Welke belangen zijn dat, en hoe weegt Nederland die belangen?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet heeft nog vragen over het voorgestelde kader voor een verdere harmonisering van het nummerbeleid. Het is namelijk nog onduidelijk wat de precieze mate van harmonisatie is die de Commissie nastreeft en wat daarvan de gevolgen zijn, bijvoorbeeld voor nummerportabiliteit en toegang tot hulpdiensten. Ook is bijvoorbeeld onduidelijk tot welke kosten dit voor telecomaanbieders leidt. Het kabinet zal vragen om een nadere motivatie en verduidelijking van het voorstel.</al>
            </al-groep>
            <al>Als onderdeel van de harmonisatie doet de Commissie het voorstel een onafhankelijke nationale regelgevende instantie de bevoegdheid te verlenen (telefoon)nummerplannen te beheren (artikelen 48 en 115) die ook strekt tot het opstellen van regels voor het nummerbeheer. In beginsel is het kabinet kritisch op het volledig beleggen van nummerbeleid gerelateerde taken bij een onafhankelijke nationale regelgevende instantie waar deze om een weging van diverse publieke belangen vragen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de betekenis van geografische netnummergebieden (zoals 010, 020), nummers voor diensten met een bijzonder maatschappelijk belang (zoals 113, 144) en mogelijke omnummering indien de capaciteit van nummerreeksen zou moeten worden vergroot (zoals zich kan voordoen bij de 06-nummerruimte). Deze vereisen een integrale benadering, afgestemd op de nationale situatie, en dienen niet volledig op afstand van de politiek te worden belegd.</al>
            <al-groep>
              <al>27</al>
              <al>Deze leden ondersteunen van harte de inzet van het kabinet om de privacy beter te waarborgen in de aanpak van online fraude. Telecomaanbieders moeten niet op de stoel van de opsporing gaan zitten om fraudeurs en slachtoffers op te sporen; dit is een verstrekkende bevoegdheid die helder belegd moet worden bij de juiste autoriteiten. Hoe gaat het kabinet zich inzetten voor een transparante en effectieve verdeling van deze taken, en welke taak ziet het kabinet weggelegd voor telecomaanbieders in het aanpakken van online fraude? Met welke landen trekt Nederland hierin op?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet deelt de mening dat strafrechtelijke opsporing een publieke taak is die belegd moet zijn bij bevoegde autoriteiten. In het kader van strafrechtelijke opsporing is de verhouding tot aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten vastgelegd in nationale regelgeving, zoals het Wetboek van Strafvordering. Buiten het domein van strafrechtelijke opsporing kunnen telecomaanbieders vanuit hun centrale positie in telecomnetwerken en het feit dat daarvoor veelvuldig ook telecomvoorzieningen worden misbruikt, ook een rol spelen in het aanpakken van online fraude. Dit door maatregelen te treffen om online fraude te kunnen detecteren en te beëindigen, en zo mogelijk ook te kunnen voorkomen. Daarom is het belangrijk dat telecomaanbieders de daarvoor benodigde ruimte krijgen in de regelgeving die op hen van toepassing is. Waar strafrechtelijke opsporing veelal plaatsvindt naar aanleiding van voltrokken strafbare feiten, kunnen met dergelijke preventieve maatregelen en interventies bij incidenten telecomgebruikers beter beschermd worden en zo verdere slachtoffers van online fraude voorkomen worden. Wel trekt Nederland al op met andere landen bij het ontwikkelen van een geharmoniseerde aanpak hiervoor. Het gaat daarbij tot dusverre om kennisuitwisseling en het opstellen van richtsnoeren in breder Europees (<nadruk type="cur">European Conference of Postal and Telecommunications Administrations</nadruk>, CEPT) verband, waarbij ook wordt opgetrokken met de Europese Commissie en landen buiten de EU.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>28</al>
              <al>Tot slot lezen zij dat het kabinet verwacht dat een meerderheid van EU-lidstaten kritisch zal zijn op de voorstellen van de Commissie. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarom in hoeverre de DNA-Verordening nog zal wijzigen naar aanleiding van deze kritiek. Van welke voorstellen verwacht het kabinet dat deze nog ingrijpend zullen veranderen, of algeheel kunnen verdwijnen? Is er sprake van een Verordening die onvoldoende is afgestemd op de wensen van de EU-lidstaten? Kan het kabinet wat meer vertellen over lidstaten in de totstandkoming van de Verordening zijn betrokken? Als laatste zijn de leden benieuwd wat de voor- en nadelen zouden zijn om de DNA een richtlijn te maken, in plaats van een verordening. Welke rechtsvorm heeft de voorkeur van het kabinet?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet verwacht dat bepaalde onderdelen van het DNA-voorstel, zoals het voorstel om beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid over te dragen aan de Commissie, kritisch zullen worden ontvangen door een groot aantal lidstaten. Voor andere onderdelen van het DNA-voorstel verwacht het kabinet juist steun bij veel lidstaten, zoals het behoud van toegangsregulering. Gezien het Europees Parlement en de Raad gaan onderhandelen over het voorstel van de Commissie en daarbij amendementen zullen voorstellen is het waarschijnlijk dat de DNA na onderhandelingen zal verschillen van de tekst die de Commissie heeft voorgesteld. Het is op dit moment nog niet te zeggen op welke onderdelen het DNA-voorstel zal veranderen. Zowel de Raad als het Europees Parlement hebben nog geen formele positie ingenomen.</al>
            </al-groep>
            <al>Voorafgaand aan het voorstel van de Commissie voor de DNA is er op Europees niveau een beleidsdiscussie gevoerd over de toekomst van digitale infrastructuur in de EU. Deze discussie is geïnitieerd door de Commissie met de publicatie van het witboek over digitale infrastructuur in 2024.<noot id="ID-1249343-d40e598" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al><extref doc="https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/white-paper-how-master-europes-digital-infrastructure-needs" soort="URL" status="actief">White Paper – How to master Europe’s digital infrastructure needs? | Shaping Europe’s digital future</extref>,</noot.al></noot> De lidstaten hebben hierop gereflecteerd en gereageerd via raadconclusies die zijn aangenomen tijdens de telecomraad op 6 december 2024.<noot id="ID-1249343-d40e614" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2024/12/06/digital-infrastructure-council-approves-conclusions-on-the-commission-s-white-paper/" soort="URL" status="actief">Digital infrastructure: Council approves conclusions on the Commission’s White Paper – Consilium</extref></noot.al></noot> In aanvulling hierop heeft het kabinet in 2025 via het Nederlandse non-paper digitale connectiviteiteigenstandig positie genomen in deze Europese discussie.<noot id="ID-1249343-d40e626" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2024/12/06/digital-infrastructure-council-approves-conclusions-on-the-commission-s-white-paper/" soort="URL" status="actief">https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2024/12/06/digital-infrastructure-council-approves-conclusions-on-the-commission-s-white-paper/</extref></noot.al></noot> Tot slot heeft de Europese Commissie in 2025 via een evaluatie van de bestaande EU-wetgeving, de Europese telecomcode, belanghebbenden en lidstaten geconsulteerd. Het kabinet constateert dat het DNA-voorstel van de Commissie op belangrijke onderdelen verschilt van de ideeën die de Commissie eerder heeft uiteengezet in het witboek en daarmee op bepaalde onderwerpen gevoelig is gebleken voor de standpunten van lidstaten en belanghebbenden. Zo hebben Nederland en andere lidstaten gepleit voor het behoud van toegangsregulering dat effectieve mededinging in de telecomsector waarborgt. De Commissie heeft in het DNA-voorstel toegangsregulering grotendeels in stand gehouden. Anderzijds zijn op het terrein van frequentiebeleid voorstellen gedaan in de DNA die gelijkenis tonen met de ideeën in het witboek van de Commissie, ondanks een kritische notie hierover van de lidstaten in de raadsconclusies.</al>
            <al>De rapporten Letta en Draghi benadrukken ook de cruciale rol van digitale infrastructuur voor de Europese concurrentiekracht. Tegelijkertijd identificeren de rapporteren Letta en Draghi een gefragmenteerde markt voor elektronische communicatie in de EU en is verdere verdieping van de interne markt aanbevolen. Het kabinet onderschrijft deze conclusie. Verdere harmonisering van het wetgevend kader kan hieraan bijdragen, mits op bepaalde terreinen, zoals frequenties, nationaal maatwerk mogelijk blijft. Ook binnen het wetinstrument EU-verordening is het mogelijk om lidstaten de ruimte te geven voor nationaal maatwerk. Het kabinet ziet daarom in algemene zin geen bezwaar dat het DNA-voorstel een verordening is.</al>
            <al-groep>
              <al>29</al>
              <al>De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Verordening betreffende digitale netwerken en het bijbehorende fiche en hebben hierover enkele vragen.</al>
            </al-groep>
            <al>Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan garanderen dat deze verordening niet zal leiden tot een lager niveau van digitale soevereiniteit en minder regie over kritieke netwerken dan onder deze verordening het geval zal zijn.</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet hecht groot belang aan digitale soevereiniteit. Het kabinet verstaat daaronder het vermogen van de EU om in het digitale domein als mondiale speler, in samenwerking met internationale partners, op basis van eigen inzichten en keuzes publieke belangen te borgen en weerbaar te zijn in een onderling verbonden wereld.<noot id="ID-1249343-d40e657" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/5cb9749c-7efa-40db-9328-5da7fa5fcb7c/file" soort="URL" status="actief">https://open.overheid.nl/documenten/5cb9749c-7efa-40db-9328-5da7fa5fcb7c/file</extref></noot.al></noot> Digitale infrastructuur heeft in de praktijk een grensoverschrijdend karakter wat betekent dat regie op en verminderen van afhankelijkheden niet uitsluitend op nationaal niveau kan worden geadresseerd. Daarnaast is een goed functionerende digitale infrastructuur in andere lidstaten bevorderlijk voor de Europese weerbaarheid en concurrentiekracht. Dit draagt daarmee bij aan onze digitale soevereiniteit. Bovendien versterkt dit het Nederlandse verdienvermogen en geopolitieke handelingsvrijheid.</al>
            </al-groep>
            <al>Om die reden onderschrijft het kabinet het doel van het DNA-voorstel om bij te dragen aan toekomstbestendige digitale infrastructuur in de EU en het verdiepen van de interne markt voor telecom. Harmonisatie van de telecomregulering is hier onderdeel van. Het kabinet erkent daarbij nadrukkelijk het belang van regie over kritieke netwerken. Zoals ook aangegeven in het BNC-fiche, zal het kabinet op onderdelen van het voorstel waar zorgen bestaan over de verhouding tussen de bevoegdheidsverdeling van de individuele lidstaten en de Commissie, tijdens de onderhandelingen de Commissie hierop bevragen. Dit betreft onder meer de onderdelen van het voorstel over frequentiebeleid, satellietcommunicatie en het nieuw geïntroduceerde weerbaarheidshoofdstuk.</al>
            <al-groep>
              <al>30</al>
              <al>Zij vrezen dat Nederlandse providers en burgers te maken gaan krijgen met extra bureaucratie en harmonisatiedwang ten gevolge van deze «vereenvoudiging» van digitale netwerken, terwijl de echte knelpunten zoals een tekort aan technici, afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers en trage uitrol blijven liggen. Kan de Staatssecretaris garanderen dat Nederlandse burgers en bedrijven niet op kosten worden gejaagd?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft het doel van de verordening om bij te dragen aan toekomstbestendige digitale infrastructuur in de EU en het verdiepen van de interne markt voor telecom. Het kabinet voorziet dat de DNA op onderdelen kan gaan leiden tot vermindering van regeldruk voor bedrijven, zoals bij de <nadruk type="cur">Single Passport Procedure</nadruk>. Daarnaast ziet het kabinet geen concrete regeldruk gevolgen voor burgers.</al>
            </al-groep>
            <al>Het kabinet deelt daarbij wel de constatering van de PVV dat een aantal bepalingen mogelijk negatieve regeldruk gevolgen hebben, zoals bij de uitfasering van kopernetwerken. Dit aangezien Nederland in de Europees context voorloopt bij de uitrol van glasvezel. Daarom zal het kabinet de Commissie verzoeken opheldering te geven of nader te specificeren wat de verwachte gevolgen zijn op het gebied van regeldruk, van onderdelen van het voorstel waar dit onvoldoende duidelijk naar voren komt in het impact assessment.</al>
            <al-groep>
              <al>31</al>
              <al>Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet expliciet kan pleiten voor een «opt-out» of voor nationale uitzonderingen op de verordening, zodat Nederland niet nog dieper in de Europese digitale eenheid wordt getrokken.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet staat in beginsel positief tegenover het voorstel en de doelstelling om bij te dragen aan toekomstbestendige digitale infrastructuur in de EU, zoals ook beschreven in het Nederlandse non-paper over Digitale Connectiviteit.<noot id="ID-1249343-d40e699" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>NL non-paper: Towards a strong and competitive European digital connectivity ecosystem, <extref soort="URL" doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/05/20/nl-digital-connectivity-non-paper-2025" status="actief">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/05/20/nl-digital-connectivity-non-paper-2025</extref></noot.al></noot> Een nationale uitzondering zou niet bijdragen aan het verdiepen van de interne markt voor telecom, wat van belang is om de Europese digitale infrastructuur op de lange termijn concurrerend, hoogwaardig, veilig, betrouwbaar en betaalbaar te houden.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>32</al>
              <al>De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche over de Verordening betreffende digitale netwerken. Deze leden onderschrijven het belang van sterke, veilige en toekomstbestendige digitale netwerken in Europa. Europese samenwerking kan helpen om versnippering tegen te gaan en investeringen te bevorderen. Voor deze leden is wel van belang dat dit niet leidt tot onnodige overdracht van nationale bevoegdheden, extra regeldruk of een verslechtering van het gelijke speelveld voor kleinere partijen.</al>
              <al>Zij lezen dat het kabinet kritisch is op verdergaande Europese sturing op het spectrumbeleid. De leden van de CDA-fractie vragen welke inzet het kabinet kiest om voldoende nationale zeggenschap en maatwerk te behouden, juist omdat Nederland op dit terrein goed functioneert.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet zal zich inzetten voor een proportioneel voorstel waarbij zo veel de harmonisatie van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders op EU-niveau, mogelijk wordt gemaakt, maar waarbij ook de mogelijkheid blijft bestaan om nationaal maatwerk te leveren. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, zal de meerderheid van de lidstaten kritisch staan tegenover het afstaan van de beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid aan de Commissie. Het kabinet zal zich inzetten om met deze lidstaten samen te werken om tot een proportioneel voorstel te komen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>33</al>
              <al>Deze leden lezen daarnaast dat het voorstel nieuwe regels bevat voor interconnectie, terwijl het kabinet vraagtekens zet bij de noodzaak daarvan. Zij vragen hoe het kabinet voorkomt dat deze nieuwe regels in de praktijk ongunstig uitpakken voor kleinere content- en applicatieaanbieders, waaronder mkb-bedrijven en scale-ups, en hoe daarbij een open en eerlijk internet geborgd blijft.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet zal zich, vanwege deze onduidelijkheid omtrent het conciliatiemechanisme, primair inzetten op meer duidelijkheid vanuit de Commissie voor de noodzaak en toegevoegde waarde van dit mechanisme. Het is voor het kabinet van belang dat de introductie van een conciliatiemechanisme niet onbedoeld ongunstig uitpakt voor (kleinere) content- en applicatieaanbieders, zoals ook uiteengezet in het BNC-fiche. Het kabinet zal zich daarbij ook inzetten voor het behoud van de openinternet-principes in het DNA-voorstel.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>34</al>
              <al>Voorts lezen de leden van de CDA-fractie dat het kabinet vragen heeft bij mogelijke overlap tussen de weerbaarheidsbepalingen in deze verordening en bestaande kaders, zoals de NIS2- en de CER-richtlijn. Deze leden vragen hoe het kabinet wil voorkomen dat dit leidt tot dubbele verplichtingen, extra administratieve lasten en onduidelijkheid in het toezicht. Zij vragen daarbij in het bijzonder hoe het kabinet de cyberweerbaarheid wil versterken zonder nieuwe stapeling van regels.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals ook in het BNC-fiche wordt beschreven zal het kabinet de Commissie vragen om dit te verduidelijken. Op het gebied van weerbaarheid kan het voorstel van de Commissie mogelijk leiden tot regeldruk door mogelijke extra (administratieve) verplichtingen bij aanbieders van openbare elektronische netwerken en diensten door het <nadruk type="cur">Preparedness Plan for Digital Infrastructure</nadruk> van BEREC. De inzet is om scherp te krijgen hoe de Commissie deze verhouding ziet en extra onnodige regeldruk te voorkomen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>35</al>
              <al>Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen de Single Passport Procedure. Deze leden vragen welke waarborgen nodig zijn om te voorkomen dat bedrijven gaan shoppen tussen lidstaten met het soepelste toezicht, en hoe wordt geborgd dat effectief toezicht en een gelijk speelveld behouden blijven.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet signaleert in het BNC-fiche het risico dat de <nadruk type="cur">Single Passport Procedure</nadruk> onbedoeld de deur zou kunnen openen naar een situatie waarbij internationale spelers zich vestigen in een land met de laagste kwaliteit van toezicht («<nadruk type="cur">forum-shopping</nadruk>»). Het kabinet zal om deze reden dit tijdens de onderhandelingen onder de aandacht brengen. Hierbij kan worden gedacht aan een kader, waarbinnen invulling voor het dagelijkse en operationele toezicht door de nationale toezichthouder mogelijk is, ongeacht in welk land het bedrijf gevestigd is.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>36</al>
              <al>De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie inzake de Verordening digitale netwerken en het bijbehorende BNC-fiche van het kabinet. Deze leden constateren dat het voorstel een ingrijpende herziening behelst van het Europese kader voor digitale connectiviteit en verder reikt dan enkel telecommarktordening. Het voorstel raakt immers ook aan strategische autonomie, digitale infrastructuur, AI, cloud, satellietcommunicatie en crisisbestendigheid. Deze leden onderschrijven het belang van hoogwaardige, veilige en veerkrachtige digitale netwerken, maar hebben naar aanleiding van het voorstel nog de volgende vragen.</al>
            </al-groep>
            <al>Zij lezen dat het kabinet kritisch is op de verschuiving van bevoegdheden richting de Europese Commissie, met name ten aanzien van spectrumbeleid. Kan de Staatssecretaris nader toelichten op welke concrete onderdelen van het voorstel nationale bevoegdheden onder druk komen te staan? In hoeverre acht de Staatssecretaris het bovendien wenselijk dat besluitvorming over spectrumgebruik (bijvoorbeeld voor 5G, 6G en satellietcommunicatie) op EU-niveau wordt gecentraliseerd? Welke risico’s ziet de Staatssecretaris verder voor lidstaten die momenteel goed presteren, zoals Nederland?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche erkent het kabinet het belang van het zoveel mogelijk harmoniseren van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders op EU-niveau. Echter is het kabinet van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft om in te kunnen spelen op nationale omstandigheden en beleidsdoelen voor het bevorderen van draadloze toepassingen. Bij beleidsdoelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid om specifieke nationale eisen te stellen aan de kwaliteit en snelheid van de mobiele netwerken. Nationale omstandigheden betreffen bijvoorbeeld de invloed van specifieke geografische en demografische kenmerken. Zo heeft Nederland in vergelijking tot veel andere lidstaten een vlak oppervlakte en is het dichtbevolkt, zonder grote buitengebieden. Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige gebieden. Het kabinet ziet risico’s in het verder verbreden en verplichten van harmonisatie in het Nationaal Frequentieplan omdat, gegeven onder andere de geografie en demografie van Nederland maar ook de marktvraag, de frequentiebestemmingen niet optimaal worden vastgesteld. Een gevolg hiervan kan zijn dat de frequenties in Nederland niet bestemd worden voor het gebruik met de grootste maatschappelijke waarde. Tevens is het (her)bestemmen van vergunningen voor nieuwe toepassingen moeilijker. Het is daarom volgens het kabinet niet wenselijk om meer centralisatie bij de Commissie te leggen op het gebied van beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>37</al>
              <al>De leden van de fractie van JA21 constateren dat het kabinet twijfels heeft over de effectiviteit van de voorgestelde EU-aanpak voor het verbeteren van connectiviteit in minder goed ontsloten gebieden. Op basis van welke aannames of analyses komt de Europese Commissie volgens de Staatssecretaris tot haar voorstel? Kan de Staatssecretaris concreet aangeven waarom deze aanpak mogelijk niet effectief is? Welke alternatieven ziet het kabinet om connectiviteit in buitengebieden te verbeteren zonder negatieve effecten voor goed presterende lidstaten?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Commissie stelt dat de EU achterloopt in de uitrol van hoge kwaliteit 5G, met name «<nadruk type="cur">5G
                     Stand Alone</nadruk>». De Commissie noemt deze cijfers in de impact assessment van de DNA, waarbij de EU 40% dekking kent van <nadruk type="cur">5G Stand Alone</nadruk>, ten opzichte van 90% in Noord-Amerika. Het kabinet herkent de cijfers van de Commissie voor wat betreft dekking van <nadruk type="cur">5G
                     Stand Alone</nadruk>, waarbij de kanttekening moet worden gemaakt dat de dekking van reguliere 5G in de EU erg hoog ligt (ruim boven 90%), net als de kwaliteit van de dienstverlening. Zo blijkt uit verschillende internationale benchmarks dat de kwaliteit van de Nederlandse (en Europese) netwerken van hoog niveau is.<noot id="ID-1249343-d40e802" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>O.a. de benchmarks van bedrijven als Connect/Umlaut, MedUX, Ookla en Opensignal.</noot.al></noot></al>
            </al-groep>
            <al>Het kabinet is geen voorstander van de voorgestelde maatregelen op het gebied van frequentiebeleid. Het kabinet is van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft voor bevorderen van draadloze digitale connectiviteit, ook in buitengebieden. Met de voorgestelde aanpak kan in potentie de situatie verslechteren voor landen die op dit moment excellent presenteerde, zoals Nederland. Tegelijkertijd wordt niet voldoende door de Commissie onderbouwd dat de voorgestelde maatregelen de situatie voor de onder-presterende gebieden zal verbeteren. Daarbij constateert het kabinet dat gerichte maatregelen voor gebieden in de EU die achterblijven in termen van netwerkkwaliteit, zoals het opleggen van dekkings- en snelheidverplichtingen, op basis van het huidige kader al mogelijk zijn.</al>
            <al-groep>
              <al>38</al>
              <al>Deze leden constateren dat de DNA nieuwe verplichtingen introduceert rondom netwerkweerbaarheid en crisisparaatheid. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe deze verplichtingen zich verhouden tot bestaande kaders zoals de NIS2-richtlijn en de CER-richtlijn? Hoe wordt voorkomen dat aanbieders te maken krijgen met dubbele verplichtingen en administratieve lasten? Acht de Staatssecretaris de voorgestelde Europese coördinatie op dit punt noodzakelijk of kan dit beter nationaal worden ingericht?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals ook in het BNC-fiche wordt beschreven zal het kabinet de Commissie vragen om dit te verduidelijken. Op het gebied van weerbaarheid kan het voorstel van de Commissie mogelijk leiden tot regeldruk door mogelijke extra (administratieve) verplichtingen bij aanbieders van openbare elektronische netwerken en diensten door het <nadruk type="cur">Preparedness Plan for Digital Infrastructure</nadruk> van BEREC. De inzet is om scherp te krijgen hoe de Commissie deze verhouding ziet en om onnodige regeldruk te voorkomen.</al>
            </al-groep>
            <al>Om goed te kunnen bepalen in hoeverre Europese coördinatie op maatregelen noodzakelijk kan zijn in aanvulling op nationaal beleid is eerst de verduidelijking van de Commissie noodzakelijk.</al>
            <al-groep>
              <al>39</al>
              <al>Zij hebben verder vragen over de introductie van het zogeheten «Single Passport». Kan de Staatssecretaris toelichten hoe wordt voorkomen dat aanbieders zich vestigen in lidstaten met het minst strenge toezicht (forumshopping)? Welke rol behouden nationale toezichthouders in het toezicht op aanbieders die via een andere lidstaat opereren? Acht de Staatssecretaris het toezicht in de huidige vorm voldoende robuust?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet signaleert in het BNC-fiche het risico dat de <nadruk type="cur">Single Passport Procedure</nadruk> onbedoeld de deur zou kunnen openen naar een situatie waarbij internationale spelers zich vestigen in een land met de laagste kwaliteit van toezicht («<nadruk type="cur">forum-shopping</nadruk>»). Het dagelijkse en operationele toezicht door de nationale toezichthouder, ongeacht in welk land het bedrijf gevestigd is, heeft hierbij de aandacht van het kabinet.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>40</al>
              <al>De leden JA21-fractie maken zich zorgen over mogelijke effecten op kleinere aanbieders en het open internet. Kan de Staatssecretaris toelichten of het voorgestelde mechanisme voor interconnectie kan leiden tot hogere kosten voor kleinere aanbieders van apps en content? Hoe wordt geborgd dat netneutraliteit niet indirect onder druk komt te staan? Welke waarborgen acht de Staatssecretaris noodzakelijk om een gelijk speelveld te behouden? Welke effecten verwacht de Staatssecretaris van dit voorstel op de kosten van internet- en communicatiediensten voor burgers en bedrijven?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals aangegeven in het BNC-fiche deelt het kabinet de zorgen van JA21 en heeft het vragen bij de noodzaak van het voorgestelde conciliatiemechanisme en de mogelijke negatieve gevolgen voor kleinere aanbieders van apps en content. Dit komt mede doordat er geen aanwijzingen zijn dat de samenwerking in het interconnectie-ecosysteem momenteel tekortschiet. Het kabinet heeft nog geen goed beeld van de gevolgen voor aanbieders, en mogelijk voor burgers en bedrijven, aangezien de Commissie geen impact assessment op deze onderdelen van het voorstel ten grondslag heeft gelegd. Het kabinet zal vragen aan de Commissie om deze alsnog te doen. Het kabinet zal zich daarnaast primair inzetten voor het behoud van de huidige openinternet-principes, waar netwerkheffingen expliciet geen onderdeel van zijn.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>41</al>
              <al>Deze leden hebben als laatste vragen over de mogelijke inzet van de digitale identiteitswallet bij noodcommunicatie. Acht de Staatssecretaris deze inzet noodzakelijk en proportioneel? Hoe wordt geborgd dat de privacy van burgers voldoende beschermd blijft? Welke alternatieven zijn overwogen?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals in het BNC-fiche aangegeven zet het kabinet erop in dat alternatieven om het gewenste doel te bereiken serieus worden afgewogen. Het kabinet acht de inzet van een EDI-wallet bij noodcommunicatie op dit moment niet aangetoond noodzakelijk. De proportionaliteit van deze maatregel kan pas worden beoordeeld wanneer duidelijkheid bestaat over de concrete werking, beschikbare alternatieven en mogelijke meerwaarde ervan. Met EDI-wallets kunnen burgers zelf bepalen welke gegevens zij met welke partij uitwisselen. Een mogelijk alternatief is bijvoorbeeld een verbetering realiseren binnen bestaande communicatie-infrastructuren.</al>
            </al-groep>
            <al>Ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens geldt dat elke toepassing moet voldoen aan de geldende Europese en nationale privacywetgeving, waaronder de eIDAS-verordening en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).</al>
            <al-groep>
              <al>42</al>
              <al>De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche en hebben nog enkele vragen.</al>
            </al-groep>
            <al>Deze leden lezen dat de Staatssecretaris erkent dat Nederland een voorloper is, maar dat er in «buitengebieden» nog uitdagingen zijn. Als we koper verplicht uitfaseren, wie garandeert dan dat de allerlaatste boerderij of afgelegen schuur op het platteland niet zonder betaalbare verbinding komt te zitten als glasvezel daar commercieel niet rendabel blijkt?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De verplichtingen uit het DNA-voorstel over koperafschakeling voorzien in een getrapte aanpak, waarbij in eerste plaats de uitfasering geldt voor gebieden waar (vóór 2036) ten minste 95% van de huishoudens en bedrijven kunnen beschikken over een glasvezelaansluiting en de overige adressen kunnen beschikken over een betaalbaar, kwalitatief vergelijkbaar alternatief voor koperdiensten. Voor de gebieden waar de aanleg van glasvezel economisch niet haalbaar is en waar er geen alternatieven zijn voor bestaande koperdiensten, kunnen lidstaten afwijken van de koperafschakelverplichtingen.</al>
              <al>Wat betreft de Nederlandse situatie, en specifiek die in de buitengebieden, is de aanleg van glasvezel al zeer ver gevorderd. In een eerdere Kamerbrief gaf het kabinet aan dat eind 2023 circa 27.500 huishoudens in het buitengebied hierover nog niet konden beschikken.<noot id="ID-1249343-d40e886" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-26643-1224" soort="document" status="actief">26 643 nr. 1224</extref></noot.al></noot> Inmiddels is dat aantal door verdere verglazing van marktpartijen afgenomen tot minder dan 18.000 (eind 2025), met de verwachting dat dit verder zal afnemen tot 12.000 huishoudens in 2028.<noot id="ID-1249343-d40e895" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Op basis van een eerdere prognose uit dezelfde Kamerbrief (Kamerstuk <extref doc="kst-26643-1224" soort="document" status="actief">26 643 nr. 1224</extref>)</noot.al></noot> De huishoudens die (nog) niet kunnen beschikken over een snelle vaste verbinding, kunnen gebruik maken van snelle draadloze oplossingen die in veel gevallen sneller zijn dan de koperdienst op die locaties.<noot id="ID-1249343-d40e904" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Zoals specifieke internet-voor-thuis-oplossingen van mobiele aanbieders of een satellietoplossing.</noot.al></noot> Ik blijf de ontwikkelingen monitoren en zal in 2027/2028 opnieuw de balans opmaken.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>43</al>
              <al>Verder constateren zij dat veel agrarische bedrijven gebruik maken van Internet of Things (IoT)-sensoren die mogelijk nog op oudere technologieën vertrouwen. Is er onderzocht wat de kosten zijn voor de eindgebruiker (de boer) om al zijn hardware te moeten vervangen omdat de EU een deadline stelt voor het afschakelen van oude netwerken?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet ziet dat de EU een deadline stelt voor het afschakelen van verouderde vaste kopernetwerken. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van vergelijkbare alternatieven voor deze netwerken. Daarbij maken veel van de IoT-sensoren gebruik van mobiele netwerken (als 2G/3G/4G/5G). De mobiele netwerktechnologieën kennen geen verplichte deadline voor afschakeling. Wel worden in de komende jaren in de EU 2G en 3G afgeschakeld, waarbij de mobiele netwerkaanbieders rekening dienen te houden met een overgang van klanten naar nieuwere netwerktechnologieën.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>44</al>
              <al>Als laatste constateren de leden van de BBB-fractie dat Nederland veel lokale glasvezelinitiatieven kent en dat er kleinere aanbieders zijn die juist in de regio het verschil maken. In hoeverre werkt de «Single Passport Procedure» schaalvergroting in de hand, waardoor de lokale Friese of Limburgse aanbieder wordt weggevaagd door een Europese gigant die vanuit een ander land gunstigere regels opzoekt?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals in het BNC-fiche aangegeven verwacht het kabinet dat de introductie van een zogenaamde <nadruk type="cur">Single Passport Procedure</nadruk> zal leiden tot een regeldrukvermindering voor aanbieders die in meerdere lidstaten actief zijn. Hierdoor zou het voor internetaanbieders die al actief zijn in een andere EU-lidstaat het eenvoudiger moeten worden om ook in Nederland actief te worden. Daarbij verwacht het kabinet dat de registratie voor telecomaanbieders in Nederland momenteel een relatief beperkte administratieve last is, en een <nadruk type="cur">Single Passport</nadruk> daarbij niet doorslaggevend zal zijn voor veel aanbieders om nu diensten aan te gaan bieden in Nederland.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>45</al>
              <al>De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche Verordening betreffende digitale netwerken. Deze leden onderstrepen het grote belang van het versterken en toekomstbestendig maken van onze digitale infrastructuur, onder meer het oog op het veiliger maken hiervan in een geopolitiek onrustige wereld en het vergroten van het Europese concurrentievermogen. Zij hebben enkele vragen over het Commissievoorstel en het fiche.</al>
            </al-groep>
            <al>Gelet op de snelheid van de digitale ontwikkelingen vragen de leden van de SGP-fractie allereerst of de Nota Frequentiebeleid (2016) en het Nationaal Frequentieplan (2014) nog actueel zijn, of een update behoeven.</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In het najaar komt er een nieuwe Nota Frequentiebeleid.</al>
            </al-groep>
            <al>Voor wat betreft het Nationaal Frequentieplan kan opgemerkt worden dat deze in 2014 is gepubliceerd, maar sinds die tijd 29 keer geactualiseerd is. Het Nationaal Frequentieplan bevat een frequentietabel waarin per frequentieband wordt aangegeven voor welk type gebruik deze band bestemd is, en volgens welk verdeelmechanisme deze band beschikbaar wordt gesteld voor frequentiegebruikers. Veranderingen in technologie, in de markt en in de maatschappij maken het gewenst dat het Nationaal Frequentieplan van tijd tot tijd aangepast wordt, zodat ruimte gegeven kan worden aan nieuwe ontwikkelingen en frequentiebehoeften. Ook worden in dergelijke aanpassingen harmoniserende (internationale of Europese) frequentiebesluiten geïmplementeerd. Voorbeelden van aanpassingen sinds 2014 zijn het bestemmen van de 3.5 GHz-band voor mobiele communicatie, de implementatie van uitvoeringsbesluiten van de Commissie en wijzigingen ten behoeve van lokale of landelijke FM-omroep.</al>
            <al-groep>
              <al>46</al>
              <al>Deze leden vragen de Staatssecretaris tevens om de bezwaren van het kabinet met betrekking tot voorgestelde maatregelen op het gebied van spectrumbeleid nader toe te lichten. Hoe kan de Digital Networks Act (DNA) Nederland en andere voorlopers op digitale connectiviteit op achterstand zetten?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche erkent het kabinet het belang van het zoveel mogelijk harmoniseren van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders op EU-niveau. Echter is het kabinet van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft om in te kunnen spelen op nationale omstandigheden en beleidsdoelen voor het bevorderen van draadloze toepassingen. Bij beleidsdoelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid om specifieke nationale eisen te stellen aan de kwaliteit en snelheid van de mobiele netwerken. Nationale omstandigheden betreffen bijvoorbeeld de invloed van specifieke geografische en demografische kenmerken. Zo heeft Nederland in vergelijking tot veel andere landen een vlak oppervlakte en is het dichtbevolkt, zonder grote buitengebieden. Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige gebieden. Het kabinet ziet risico’s in het verder verbreden en verplichten van harmonisatie in het Nationaal Frequentieplan omdat, gegeven onder andere de geografie en demografie van Nederland maar ook de marktvraag, de frequentiebestemmingen niet optimaal worden vastgesteld. Een gevolg hiervan kan zijn dat voor Nederland de frequenties niet bestemd worden voor het gebruik dat met de meeste maatschappelijke waarde opbrengt. Tevens is het (her)bestemmen van vergunningen voor nieuwe toepassingen moeilijker. Het is daarom, volgens het kabinet, niet wenselijk om meer centralisatie bij de Commissie te leggen op het gebied van beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>47</al>
              <al>Welke aanvullende maatregelen zou Nederland onder de DNA moeten nemen om te voldoen aan de koperuitfasering? Het verzoek van deze leden is om hierbij ook in te gaan op de gevolgen voor ons landelijk gebied en het aspect van de bezwaren tegenover de inzet op glasvezel als enige vaste-dragertechnologie.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De uitfasering van het kopernetwerk is al in 2020 door KPN in gang gezet. Het kabinet vreest dat voor lidstaten met nagenoeg landelijke glasvezel- en gigabitdekking, zoals Nederland, de administratieve lasten voor het opstellen en uitvoeren van uitfaseringsplannen door respectievelijk overheden en bedrijven hoog zullen zijn, maar de beoogde effecten gering. Daarom zet het kabinet in de onderhandelingen op dit punt in op een proportioneel voorstel. Wat betreft de gevolgen van de koperuitfasering in de landelijke gebieden van Nederland, is de aanleg van glasvezel al zeer ver gevorderd. In een eerdere Kamerbrief gaf het kabinet aan dat eind 2023 circa 27.500 huishoudens in het buitengebied hierover nog niet konden beschikken.<noot id="ID-1249343-d40e980" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-26643-1224" soort="document" status="actief">26 643 nr. 1224</extref></noot.al></noot> Inmiddels is dat aantal door verdere verglazing van marktpartijen afgenomen tot minder dan 18.000 (eind 2025), met de verwachting dat dit verder zal afnemen tot 12.000 huishoudens in 2028.<noot id="ID-1249343-d40e989" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Op basis van een eerdere prognose uit dezelfde Kamerbrief (Kamerstuk <extref doc="kst-26643-1224" soort="document" status="actief">26 643 nr. 1224</extref>)</noot.al></noot> De huishoudens die (nog) niet kunnen beschikken over een snelle vaste verbinding, kunnen gebruik maken van snelle draadloze oplossingen die in veel gevallen sneller zijn dan de koperdienst op die locaties.<noot id="ID-1249343-d40e998" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Zoals specifieke internet-voor-thuis-oplossingen van mobiele aanbieders of een satellietoplossing.</noot.al></noot> Ik blijf de ontwikkelingen monitoren en zal in 2027/2028 opnieuw de balans opmaken. De vragen die het kabinet heeft over de inzet op glasvezel als enige vaste-dragertechnologie, zien op de inzet van technologieën om de EU-gigabitdoelstelling te behalen. Aangezien de Commissie eerder een technologie-neutrale aanpak hanteerde, wordt nu primair ingezet op glasvezel. Nederland kent naast glasvezel, namelijk ook een bijna landelijk dekkend (televisie)kabelnetwerk waarover gigabitinternet wordt aangeboden. Het kabinet zal de Commissie in de onderhandelingen hierover vragen stellen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>48</al>
              <al>De leden van de SGP-fractie hechten aan de autonomie van nationale autoriteiten om in te kunnen spelen op specifieke spectrumbehoeften. Deze leden erkennen daarom het risico van verstrekken van frequentievergunningen van onbeperkte duur. Kan de Staatssecretaris aangeven in hoeverre de nationale veiligheid onder druk kan komen te staan bij een ongewijzigd Commissievoorstel, gelet op het genoemde voorbeeld van defensiesystemen die om flexibiliteit vragen? Heeft de NAVO een standpunt over de wenselijkheid van dit aspect van de DNA?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet ziet grote risico’s in het voorstel tot het verstrekken van frequentievergunningen van onbeperkte duur. Die risico’s betreffen de mogelijk negatieve effecten op de concurrentie in de mobiele telecommunicatiemarkt en daarmee op noodzakelijke prikkels tot innovatie. Daarnaast zullen oneindige vergunningsduren het veel moeilijker maken om banden in de toekomst een andere bestemming te geven als de maatschappelijke behoefte daarom vraagt. Het is belangrijk dat nationale autoriteiten flexibel kunnen inspelen op specifieke spectrumbehoeften zonder te worden ingeperkt door EU-brede, in tijd onbegrensde licenties voor draadloze breedbanddiensten. Naast defensiesystemen zijn er nog tal van andere systemen die deze nationale flexibiliteit nodig hebben. Zo kan het ook voor andere publieke taken, zoals die van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Infrastructuur en Waterstaat, maar ook voor privaat gebruik, nodig zijn om maatwerk op nationaal niveau te leveren.</al>
            </al-groep>
            <al>De fractie van de SGP vraagt verder in hoeverre de nationale veiligheid onder druk kan komen te staan bij een ongewijzigd Commissievoorstel. Als vergunningen voor oneindige duur worden uitgegeven, betekent dat dat er veel moeilijker herbestemming plaats kan vinden. Dat kan ertoe leiden dat bepaalde, bestaande en nieuwe, frequenties niet of moeilijk vrij te geven zijn voor toepassingen voor bijvoorbeeld de hiervoor genoemde publieke en private toepassingen.</al>
            <al>Daarnaast vraagt de fractie van de SGP zich af of de NAVO een standpunt heeft rondom de wenselijkheid van het DNA-voorstel ziende op verstrekking van frequentievergunningen voor onbeperkte duur. De NAVO heeft hierin geen expliciet standpunt en leunt hiervoor op de individuele lidstaten om de belangen van militaire inzet en interoperabiliteit binnen het NAVO-bondgenootschap voldoende te borgen.</al>
            <al-groep>
              <al>49</al>
              <al>Met het kabinet hechten de leden van de SGP-fractie aan behoud van de principes van open internet. Dataverkeer moet in beginsel gelijk behandeld worden en burgers gaan zelf over hun mediaconsumptie. Dat laat onverlet dat zij pal staan voor de positie van gefilterde internetdiensten die – op verzoek van huishoudens, scholen en andere afnemers – pornografie, extreem grafisch geweld en online gokken blokkeren. Deelt de Staatssecretaris de mening dat deze internetproviders onverkort moeten kunnen blijven opereren, en dat de DNA geen aanleiding mag vormen om hun diensten te beperken of te ontmoedigen? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het uitgangspunt blijft dat gefilterde internetdiensten volledig verenigbaar zijn met de beginselen van netneutraliteit, en dat deze aanbieders geen nadelige gevolgen zullen ondervinden van de verdere uitwerking van de Europese regels over open internet?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet hecht grote waarde aan het behoud van de openinternet-principes en staat er daarom positief tegenover dat de bepalingen hieromtrent in grotendeels ongewijzigde vorm worden overgenomen in het DNA-voorstel. Vanwege deze overheveling in grotendeels ongewijzigde vorm, lijkt de DNA geen aanleiding te geven voor een verandering in de huidige praktijk van het open internet. Hieronder valt het aanbod van filters door internetdienstenaanbieders, op verzoek van hun klanten.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>50</al>
              <al>De leden van de SGP wijzen opnieuw op de grote nadelen en onzekerheden die kleven aan de Europese digitale identiteitsportemonnee (EDI-wallet), met name op het terrein van veiligheid en privacy. Daarom steunen deze leden de kritische opstelling van het kabinet ten aanzien van de DNA in relatie tot het vergroten van bereikbaarheid en toegankelijkheid van 112-oproepen. Zij zien geen toegevoegde waarde in het gebruik van de EDI-wallet voor 112-oproepen. Kan de Staatssecretaris toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van de gevraagde opheldering en de reactie daarop vanuit de Europese Commissie en betrokken partijen?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet zal de Kamer hierover informeren.</al>
            </al-groep>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>