Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2010-2011
Kamerstuk 22054 nr. 177

Gepubliceerd op 11 juli 2011

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



22 054 Wapenexportbeleid

Nr. 177 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld, 1 juli 2011

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 hebben enkele fracties behoefte over de volgende brieven enkele vragen en opmerkingen voor te leggen:

  • 1. Aanpassingen in het wapenexportbeleid (Kamerstuk 22 054, nr. 165) van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker, d.d. 10 juni 2011

  • 2. Informatie inzake de reactie op het rapport van het IKV over clustermunitie (Kamerstuk 22 054, nr. 166) van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker, d.d. 10 juni 2011

De vragen en opmerkingen zijn op 21 juni 2011 aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd en bij brief van 30 juni 2011 zijn ze door de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister van Buitenlandse Zaken beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Ham

De adjunct-griffier van de commissie,

Peen

Inhoudsopgave

Blz.

   

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

   

II. Reactie van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

19

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en minister van Buitenlandse Zaken over aanpassingen in het wapenexportbeleid. Naar aanleiding hiervan hebben zij nog een aantal vragen en opmerkingen.

Met betrekking tot de toetsingscriteria zijn de leden verheugd dat Nederland zich in Europees verband zal inzetten voor aanscherping van bepaalde criteria en verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid.

Het is goed dat er meer dan tevoren gekeken zal worden naar het risico dat goederen in de toekomst kunnen worden ingezet bij mensenrechtenschendingen. De leden van de VVD-fractie hebben echter behoefte aan verduidelijking op dit punt. In de brief wordt aangegeven dat als er in een land sprake is van een slechte mensenrechtensituatie dit niet per definitie betekent dat er negatief getoetst zal worden op criterium 2, dit zou immers de facto een wapenembargo betekenen hetgeen Nederland alleen wenselijk acht wanneer hier internationaal afspraken over gemaakt zijn.

Tegelijkertijd word er gezegd dat de mensenrechtensituatie in een land een grotere rol zal spelen. Mogen we ervan uit gaan dat de Nederlandse regering niet over zal gaan tot het afgeven van wapenexportvergunningen naar een land waarin het risico zeer groot is dat de goederen ingezet zullen worden bij mensenrechtenschendingen ook wanneer er in internationaal verband geen wapenembargo op dat desbetreffende land rust?

Met betrekking tot doorvoer zijn de leden van de VVD-fractie van mening dat er een goede balans gevonden dient te worden tussen het respecteren van besluiten van bondgenoten aan de ene kant en het belang van een streng wapenexportbeleid aan de andere. De voorgenomen wijzigingen in het beleid lijken aan die vraag te beantwoorden. Toch willen de leden van de VVD-fractie graag verduidelijking ten aanzien van het standaard afgeven van de Nederlandse doorvoervergunningen. Het nieuwe beleid zal dus inhouden dat de vergunning standaard afgegeven wordt tenzij de goederen naar een bestemming gaan die in het oordeel van de minister van Buitenlandse Zaken bijzondere aandacht verdient. Om hoeveel bestemmingen zal het hier dan gaan? Als deze lijst erg gering is betekent dit namelijk dat er in de praktijk weinig zal veranderen ten opzichte van het huidige beleid. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegen aan?

Tot slot zijn de leden van de VVD-fractie verheugd dat de vertraging van rapportages teruggebracht zal worden naar 3 of 4 maanden en de Kamer in bijzondere gevallen onmiddellijk haar controlerende taak zal kunnen uitoefenen. De leden zijn met het kabinet van mening dat scheiding der machten gerespecteerd moet worden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van de minister van Buitenlandse Zaken inzake de aanpassingen in het wapenexportbeleid. De leden lezen in de brief dat de staatssecretaris de omwentelingen in de Arabische wereld als voornaamste aanleiding zien om het wapenexportbeleid op enkele punten te wijzigingen. De leden van de PvdA-fractie beamen dit gezien het gegeven dat we in het verleden beslissingen hebben genomen die zich op dit moment deels tegen ons keren als we kijken naar wat er met de wapens gebeurt en waar ze terecht komen. Een aangepaste visie lijkt de leden van de fractie van de PvdA daarom zeker gepast. Deze leden hebben echter nog enkele vragen over deze brief.

Toetsingcriteria in perspectief

De leden lezen dat bij de uitvoering van het wapenexportbeleid een vergunning getoetst wordt op de criteria van de EU-gedragscode. Deze criteria zijn vastgelegd in het EU Standpunt 2008/944/GBVB. Naast het Gemeenschappelijke Standpunt vormt de gebruikersgids een belangrijke bron bij de eenduidige toepassing van de criteria. De leden lezen dat enkele lidstaten de term «harmonisatie» afwijst. De leden vragen welke landen dit zijn en of het kabinet actief de bevordering van het gebruik van deze gebruikersgids onder de aandacht brengt van deze lidstaten? Zijn er andere lidstaten dit op dit moment aanpassingen brengen hun wapenexportbeleid vanwege de situatie in de Arabische regio? Zo ja, welke landen zijn bezig met aanpassingen en trekken wij met bepaalde landen op? De leden lezen dat de bewindspersonen een aantal elementen uit de gebruikersgids wenst op te nemen in de criteria. De leden horen graag welke elementen dit precies zijn.

Aanscherping van de criteria 2 en 3

De leden merken op dat de staatssecretaris bij de toetsing aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt in het vervolg meer dan nu al het geval is, een element van risicoanalyse een rol wil laten spelen. Hij geeft aan dat de reikwijdte van een dergelijke analyse beperkt zal zijn. Hij geeft vervolgens aan dat «wanneer sprake zal zijn van waarneembare risico’s die op termijn tot gewelddadige ontwikkelingen kunnen leiden en waarbij de te exporteren goederen eventueel zouden kunnen worden ingezet, de regering terughoudend zal zijn in het verlenen van een vergunning.» De leden van de fractie van de PvdA vragen een uitgebreide toelichting op deze zinsnede. Wat verstaan de bewindspersonen onder een waarneembaar risico? Hoe toetsen zij dit risico? En waarom zal de reikwijdte van een dergelijke analyse beperkt zijn? De leden merken op dat het Gemeenschappelijk Standpunt juridisch toepasbaar is in Nederland en dat in punt b van criterium 2 de juridische basis dekt. De leden van de fractie van de PvdA vragen of de bewindspersonen kunnen uitleggen waarom zij zo expliciet aangeven dat juridische bezwaarprocedures de beoordeling van een wapenexportaanvraag sterk zullen beïnvloeden?

De leden van de fractie van de PvdA lezen dat criterium 2 – de eerbiediging van de mensenrechten in het land van eindbestemming en naleving van het internationaal humanitair recht – aangescherpt gaat worden. De leden kunnen echter uit de kabinetsbrief op geen enkele wijze achterhalen hoe de regering denkt te voorkomen dat in de toekomst door Nederland geleverde wapens bij mensenrechtenschendingen of in conflicten worden ingezet. De leden van de fractie van de PvdA vinden dit zeker opmerkelijk omdat als het gaat om de verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid dit kabinet juist nadrukkelijk zegt te gaan inzetten op criterium 2. Kan de staatssecretaris toelichten op welke wijze hij criterium 2 gaat uitvoeren en op welke wijze de naleving hiervan gemonitord gaat worden door Nederland? Kan hij toelichten op welke wijze hij criterium 3 wenst aan te scherpen?

Verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van de EU lidstaten

In het komende jaar zal de COARM een «review» van het Gemeenschappelijk Standpunt voeren. Welke concrete garanties gaat de staatssecretaris geven bij de review? Indien bepaalde landen zich verzetten tegen verdere harmonisatie, wat zal dan de inzet zijn van de bewindspersonen?

De leden van de fractie van de PvdA lezen dat Nederland reeds een voortrekkersol speelt met betrekking tot criterium 8. De richtlijnen laten ruimte voor meervoudige interpretatie en Nederland zal tijden de review van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzetten op een sterkere consistentie van in de toepassing van criterium 8. Kan de staatssecretaris toelichten of zijn insteek ook zo zal zijn dat de harmonisatie ook daadwerkelijk gaat leiden to een striktere toepassing van dit criterium? Ook vragen de leden of hij kan toelichten hoe het zit het met de toepassing van dit ontwikkelingscriterium in Nederland?

Doorvoer

Doorvoer van militaire goederen vanuit (of naar) de EU-NAVO+landen wordt niet getoetst aan de criteria van de code, omdat Nederland vertrouwt op de effectieve exportcontrole van deze als bondgenoten aangemerkte landen. De leden van de PvdA-fractie hebben in eerdere debatten inzake dit onderwerp aangegeven dit uiterst merkwaardig te vinden. De leden vinden het overigens wel positief om te lezen dat de vergunningsplicht breder gemaakt wordt dan nu het geval is. Het is echter onduidelijk waarom de regering bepaalde typen wapens niet aan controle zou willen onderwerpen. Kan de staatssecretaris toelichten welke typen wapens dit zijn en waarom deze niet aan controle zullen worden onderworpen? Kunnen de bewindspersonen toelichten wanneer de nog op te stellen doorvoerlijst beschikbaar zal komen?

De versnelde rapportage

In een eerder uitgebrachte evaluatie over wapenexport merkt de inspectie ontwikkelingssamenwerking en beleidsevaluatie (IOB) op dat de transparantie van het exportcontrole- en wapenexportbeleid zou gebaat zijn bij inzicht in de leidraad voor de besluitvorming. Dit betekent dat bij belangrijke orders wordt gemeld hoe verschillende belangen tegen elkaar zijn afgewogen en welk gewicht de niet-verbodscriteria hebben gekregen. De IOB geeft aan dat openbare onderbouwing van de besluitvorming, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van informatie, kan bijdragen aan een betere beleidsverantwoording. De IOB merkt vervolgens op dat als beleidswijzingen met betrekking tot landen van bestemming vaker dan nu het geval is worden vastgelegd het beleid beter voorspelbaar zal worden. Dit is van belang voor exporteurs en faciliteert de beleidsverantwoording. Kunnen de bewindspersonen toelichten waarom zij dit aandachtspunt niet overnemen, terwijl een dergelijke leidraad eenvoudig en snel zou kunnen voorzien in transparantie en uniformiteit in de oordeelsvorming?

De selectie

De leden van de fractie van de PvdA hadden graag gezien, gegeven het grote belang voor vrede, veiligheid en mensenrechten, dat bij elke wapenexportvergunning de eindbestemming en het einddoel van de gebruiker (uitgezonderd NAVO-landen) inzichtelijke gemaakt zou worden. Bovendien hadden zij ook graag gezien dat indien een wapenexportvergunning de exportwaarde van een miljoen euro overschrijdt deze vooraf ter goedkeuring aan de Kamer voorgelegd worden. De leden vragen derhalve op welke wijze de bewindspersonen tot de selectie zijn gekomen van wapenexportaanvragen waar de Kamer onmiddellijk zal worden ingelicht? Kunnen zij toelichten waarom gekozen is voor een drempelwaarde van € 5 miljoen euro.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brieven van de staatssecretaris van 10 juni jongstleden. De leden van de CDA-fractie zijn in de eerste plaats van mening dat het Nederlandse wapenexportbeleid in de eerste plaats open, eerlijk en in overeenstemming moet zijn met de internationale verdragen, zoals het non-proliferatieverdrag, VN-resoluties, richtlijnen van internationale exportcontrole-regimes en regelgeving van de Europese Unie inzake de uitvoer van wapens en dual-use items. Wapenexport is een gevoelig en belangrijk onderwerp dat zorgvuldig besproken dient te worden.

Punten m.b.t. brief reactie op het rapport van het IKV over clustermunitie

De staatssecretaris zegt in zijn brief van 10 juni jl. dat hij het verzoek, gedaan door de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op 1 juni, heeft doorgeleid naar de ministers van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris of hij inzicht heeft op de termijn waarin deze commissie een reactie van de desbetreffende ministers mag verwachten? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Punten m.b.t. brief Aanpassingen in het wapenexportbeleid

Ondanks de onvoorspelbaarheid van de ontwikkelingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, leiden deze ontwikkelingen in Nederland tot de conclusie dat het wapenexportbeleid op enkele punten moet worden aangescherpt. De leden van de CDA-fractie zijn het hiermee eens. Bij de aanscherping gaat het met name om de vraag hoe het risico op ongewenst gebruik van geëxporteerde militaire goederen zo klein mogelijk kan worden gehouden en hoe dit risico zijn plaats in de afweging tot vergunningverlening kan krijgen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering zulke nuances heeft gereflecteerd en daar ook de noodzakelijke conclusies aan heeft verbonden. In de brief geven zij aan op welke onderdelen zij het beleid willen aanscherpen. Dit gaat achtereenvolgens om de onderdelen:

  • 1. Toetsingscriteria in perspectief

  • 2. Doorvoer

  • 3. Transparantie & parlementaire controle

1. Toetsingscriteria in perspectief

De toetsingscriteria voor het beoordelen van de aanvragen voor vergunningen voor de uitvoer van militair materieel zijn vastgelegd in het EU Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van 8 december 2008. Zij vinden hun oorsprong in teksten die al in 1991 en 1992 door de Europese Raad geformuleerd zijn. Naast het Gemeenschappelijk Standpunt vormt de gebruikersgids (aangenomen in april 2009) een belangrijke bron bij de eenduidige toepassing van de toetsingscriteria.

Het toetsingskader: de acht criteria

1

naleving van de internationale verplichtingen van de lidstaten van de Gemeenschap, met name door de Veiligheidsraad van Verenigde Naties en de Europese Gemeenschap uitgevaardigde sancties, de verdragen inzake non-proliferatie en andere onderwerpen, alsmede andere internationale verplichtingen

2

eerbiediging van de mensenrechten in het land van eindbestemming en naleving van het internationaal humanitair recht door dat land

3

de interne situatie van het land van eindbestemming ten gevolge van spanningen of gewapende conflicten

4

handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit in de regio

5

de nationale veiligheid van de lidstaten, van de gebieden waarvan één van de lidstaten de buitenlandse betrekkingen behartigt, alsmede van bevriende landen of bondgenoten

6

het gedrag van het land van eindbestemming ten opzichte van de internationale gemeenschap, met name de houding ten aanzien van terrorisme, de aard van zijn bondgenootschappen en de eerbiediging van het internationale recht

7

het gevaar dat de goederen een andere dan de opgegeven eindbestemming krijgen, hetzij in het aanschaffende land zelf ofwel via ongewenste heruitvoer

8

de verenigbaarheid van de wapenexporten met het technische en economische vermogen van het ontvangende land, rekening houdend met de wenselijkheid dat staten met een zo gering mogelijk beslag op mensen en economische middelen voor bewapening, in hun legitieme veiligheids- en defensiebehoeften voorzien.

Tijdens het Algemeen Overleg van 24 maart jl. hebben wij aangegeven dat bij de toetsing aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt in het vervolg meer dan nu al het geval is, een element van risico-analyse een rol zal spelen. De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe een dergelijke risicoanalyse eruit komt te zien daar er nu al wordt gesproken over een beperkte reikwijdte van een dergelijke analyse? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Zoals tijdens het AO van 24 maart jl. aangegeven, is een dergelijke verandering in de toetsing alleen zinvol indien andere EU-lidstaten ook bereid zijn om op deze manier te toetsen («level playing field»). Het feit dat de Europese defensie-industrie vooralsnog geen «level playing field» kent als gevolg van historisch gegroeide protectionistische maatregelen van de verschillende nationale overheden, onderstreept het belang van een dergelijk harmonisatieproces. In de brief heeft de staatssecretaris daarom aangegeven zich sterk te maken voor verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van de EU-lidstaten in het algemeen en mogelijke aanscherping van de criteria in het bijzonder. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris op welke manier hij dit harmonisatieproces willen gaan inzetten? Is het de bedoeling dat Nederland hier een voortrekkersrol (zoals op het gebied van criterium 8) in neemt? Per wanneer wil de staatssecretaris gaan inzetten op een dergelijk harmonisatieproces? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het wellicht verstandig is te wachten op de review van de COARM, die een «review» van het Gemeenschappelijk Standpunt uitvoeren. Deze review wordt naar verwachting in 2012 afgerond. Graag een reactie van de staatssecretaris.

2. Doorvoer

Op dit moment geldt een meldplicht voor doorvoer van militaire goederen afkomstig uit of op weg naar een bondgenoot (de EU/NAVO+: EU- en NAVO-leden evenals Australië, Canada, Japan, Zwitserland) door het Nederlands grondgebied. Voor doorvoer van goederen afkomstig uit en op weg naar niet-bondgenoten geldt een vergunningplicht. Deze procedure zal worden aangescherpt door de vergunningplicht breder te maken dan nu het geval is. De overheid zal zo in staat worden gesteld om in sommige specifieke gevallen ook doorvoer van goederen afkomstig van een bondgenoot te controleren.

Het lijkt de leden van de CDA- fractie goed om hierbij (net als Duitsland) een duidelijk onderscheid te maken wat betreft de aard van de militaire goederen, de mate van betrokkenheid van Duitse actoren tijdens de doorvoer, de vervoersmodaliteiten en, daarmee samenhangend, de bestemming van de doorvoer. De staatssecretaris zegt zelf dat «de Duitse praktijk hierbij een leidraad kan bieden». Het onderscheid tussen doorvoer met of zonder overlading dat de staatssecretaris voorstelt, is naar Duits voorbeeld. De leden steunen deze gedachtegang.

Daarnaast zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat onze bondgenoten wel een hoge mate van vertrouwen verdienen en dus ook dienen te krijgen. De leden van de CDA-fractie hechten aan het uitgangspunt dat onze bondgenoten goed in staat zijn om op grond van hun eigen exportcontrole-instrumentarium verantwoordelijke besluiten over de uitvoer van militaire goederen te nemen. Nederland moet uiteraard bij grote twijfel over de doorvoer van militaire goederen via Nederlands grondgebied naar risicovolle bestemmingen wel de mogelijkheid hebben om aanvullende parameters aan te brengen in onze doorvoercontrole. Het kabinet stelt hierbij voor om een wijziging in de regelgeving aan te brengen, die er ten eerste toe zal leiden dat, bij doorvoer vanuit een bondgenoot, er een onderscheid zal worden gemaakt tussen doorvoer met of zonder overlading. De leden van de CDA-fractie steunen dit voorstel.

3. Transparantie & parlementaire controle

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat Nederland op dit moment op transparante wijze omgaat met de rapportage over wapenexportvergunningen. In de brief stelt het kabinet voor om tot een systeem te komen waarbij de Kamer onder bepaalde voorwaarden in een vroeg stadium tot een oordeel kan komen over de belangrijkste besluiten. Dat vergt echter een scherpe selectie. Op die manier kan de Kamer in sommige gevallen haar controlerende taak uitvoeren op het moment van de besluitvorming door de regering. Nu is het zo dat met een vertraging van gemiddeld 7 maanden elk kwartaal of halfjaar de kerngegevens van alle afgegeven uitvoervergunningen gepubliceerd worden op de exportcontrole website. Het kabinet wil die vertraging terugbrengen naar 3 of 4 maanden en streeft er naar om uiteindelijk maandelijks te rapporteren. De leden van de CDA-fractie juichen dit streven toe maar zetten vraagtekens bij de realiseerbaarheid van dit streven? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Daarnaast geeft de staatssecretaris in de brief aan dat hij in bepaalde gevallen tot een versnelde rapportage naar de kamer wil komen. In specifieke gevallen zal hij dan, onmiddellijk nadat het een besluit heeft genomen en de vergunning is afgegeven, de afwegingen die tot dat besluit hebben geleid met de Kamer delen. Zo zal de Kamer in de gelegenheid gesteld worden om onmiddellijk haar controlerende taak uit te oefenen. Om in aanmerking te komen voor een dergelijk versnelde rapportage dient er aan vijf voorwaarden te worden voldaan. De leden van de CDA-fractie hebben hun bedenkingen met betrekking tot voorwaarde 1 dat het om eerste aanvragen (in tegenstelling tot vervanging of verlenging van vergunning) dient te gaan. Want wat gebeurt er wanneer er drastische veranderingen zijn in het land waar de wapens naartoe worden geëxporteerd maar het gaat om een verlenging van een bestaand contract? Is versnelde rapportage dan onmogelijk? Hierbij is het van belang dat de kamer in een vroeg stadium tot een oordeel kan komen over een dergelijk belangrijk besluit. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie verwelkomen de aanscherping van het wapenexportbeleid zoals door de regering aangekondigd. Ze betreuren het wel dat eerst de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika moesten plaatsvinden, voordat hiertoe werd overgegaan. Daarnaast vinden zij het lastig om precies te beoordelen wat de aanscherpingen in de praktijk gaan betekenen. Zij vragen de staatssecretaris of hij het eens is dat het een toetssteen is of de aangekondigde maatregelen de gewraakte wapenleveranties hadden voorkomen. Zij vinden het lastig om te beoordelen of de maatregelen dat zouden hebben bewerkstelligd en hebben daarom meerdere vragen. Tot slot willen ze op een aantal onderdelen een verdere aanscherping bepleiten.

Om te beginnen hebben deze leden vragen over de Europese dimensie van het wapenexportbeleid, concreet over de criteria die Europees zijn afgesproken. De staatssecretaris zet in op een aanscherping hoe getoetst wordt op basis van het mensenrechtencriterium en spanningsgebieden. Hij is voornemens daar betere risicoanalyses bij te betrekken en heeft het in zijn brief over «waarneembare» risico’s. Wat bedoelt de staatssecretaris daarmee, vragen deze leden zich af. Welke waarneembare risico’s hadden naar de mening van de staatssecretaris achteraf in het geval van Egypte, Algerije of Bahrein kunnen worden waargenomen en waarom leidden die eerder niet tot het afwijzen van de wapenexportvergunning? Zijn jarenlange grove mensenrechtenschendingen een waarneembaar risico? Zijn het uitblijven van vrije verkiezingen of het bestaan van een langdurige noodtoestand dat? Daarnaast constateren zij dat bij de risicobeoordeling het type wapen geen centrale rol speelt. Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat de recente gebeurtenissen laten zien dat de kans dat bepaalde wapens worden ingezet tegen de eigen bevolking, groter is dan wellicht eerst gedacht? Zo ja, hoe wordt daar vanaf nu rekening mee gehouden? Deze leden wensen meer uitleg over wat de risicoanalyse behelst.

Ten tweede lezen de leden van de SP-fractie in de brief dat deze aanscherpingen alleen zin hebben indien andere landen dat ook doen en wordt er verwezen naar het gelijk speelveld. Betekent dit dat Nederland pas gaat aanscherpen als anderen Europese landen daar ook toe bereid zijn? Waarom wordt gerefereerd aan een gelijk speelveld, terwijl het Europees gemeenschappelijk standpunt expliciet stelt dat lidstaten scherper kunnen controleren? En is de staatssecretaris het met deze leden eens dat tot het moment dat er op een bevredigende wijze door andere Europese lidstaten de Europese afspraken worden uitgevoerd, Nederland zelf ook de wapenexport vanuit EU-lidstaten dient te controleren?

Ten derde op dit punt, trekt de staatssecretaris in zijn brief in twijfel in hoeverre risicoanalyses kunnen worden geobjectiveerd om ook juridisch houdbaar te zijn bij bezwaarprocedures. Is dat niet afhankelijk van de selectie van criteria, vragen deze leden? Zijn er niet meerdere vergunningen in Nederland die wel of niet worden afgegeven op basis van inlichtingen en risicoanalyses, zoals bij de wet BIBOB? Zo ja, waarom zou dat bij de afgifte van de wapenexportvergunning wel tot een probleem leiden? Hoe vaak is bezwaar aangetekend tegen negatief beoordeelde sondages/wapenexportvergunningen in het verleden? Gezien de twijfels die door de staatssecretaris worden geuit over de houdbaarheid, zouden deze leden graag de juridische vertaling zien van de voornemens van de staatssecretaris hoe voortaan wapenexportvergunningen worden getoetst.

Tot slot zien deze leden mensenrechtenschendingen en het uitblijven van eerlijke en vrije verkiezingen als twee steekhoudende objectiveerbare criteria om de export van wapens naar een dergelijk land tegen te houden. Zij constateren echter dat de staatssecretaris mensenrechtenschendingen an sich onvoldoende vindt om de export te weigeren, want dit zou in de praktijk neerkomen op een wapenembargo, wat een zwaar middel is voorbehouden aan de VN. Deze leden vinden dit een vreemde en omgekeerde redenering. De staatssecretaris zegt hiermee volgens hen eigenlijk dat zolang de VN geen wapenembargo heeft afgekondigd er wel een deel van de wapenexport moet worden toegestaan. Hoe zit het dan met een eigenstandige risicoanalyse en afweging, vragen zij zich af. En meet men niet met twee maten, gezien de extra sancties die Nederland tegen Iran bepleit bovenop die van de VN?

De leden van de SP-fractie hebben verder vragen over de wijze waarop in de Europese Unie met andere landen wordt samengewerkt. Zij steunen het voornemen om in de COARM, de EU-werkgroep over het wapenexportbeleid, elkaar als lidstaten aan te spreken en te overleggen over het Europees wapenexportbeleid. Echter, was dit al niet het uitgangspunt van de COARM, zoals verwoordt in het gemeenschappelijk standpunt, vragen zij zich af. Waarom zou dit nu wel werken? Zijn daar de afgelopen jaren wapenleveranties aan het Midden-Oosten en Noord-Afrika aan de orde geweest? Is er op basis van ervaringen door andere landen nu al voldoende draagvlak om daar strikter de criteria te handhaven zoals Nederland wenst, vragen deze leden zich af. Of is het noodzakelijk dat in het kader van de «review» de aanscherping plaatsvindt?

Dan hebben de leden van de SP-fractie enkele vragen over de doorvoer. Om te beginnen lezen zij dat de staatssecretaris een onderscheid wil invoeren tussen doorvoer met en zonder overlading. Wat is hiervan de achtergrond? Kan worden aangegeven hoeveel procent van de huidige doorvoer wordt overgeladen? Betekent dit dat wordt afgezien van controles van ladingen die niet over worden geladen, los van wat wordt gemeld door bondgenoten? Dat is deze leden niet geheel duidelijk. Graag zouden zij zien dat dit wel gebeurt.

Voor overladen wordt een algemene vergunningplicht ingevoerd voor de overladers en expediteurs. Mogen deze leden er vanuit gaan dat dit is ingesteld om malafide praktijken te voorkomen? Waarom wordt dan enkel getoetst op het gedrag als expediteur en niet naar andere criminele activiteiten? Deze leden brengen in herinnering de Kamervragen die het lid Jasper van Dijk (SP) onlangs heeft gesteld over een verdachte van drugshandel die tijdens het strafrechtelijk onderzoek nog een wapenexportvergunning kreeg. Kan hier niet breder een soort BIBOB-toetsing op worden losgelaten, vragen deze leden zich af.

Er komt een lijst van landen die, indien daarnaar door EU-lidstaten wapens worden geëxporteerd, aanleiding geeft tot het vragen van opheldering. Kan de staatssecretaris aangeven hoe in de huidige omstandigheden die lijst eruit komt te zien? En is de staatssecretaris bereid de Kamer te informeren indien er landen aan die lijst worden toegevoegd, dan wel worden geschrapt? En op welke wijze worden de antwoorden van de EU-lidstaat gewogen na het vragen van opheldering? Gebeurt dit volgens de eigen toepassing van de criteria, vragen zij zich af? Indien neen, hoe wel?

De leden van de SP-fractie zijn blij met de inzet van de staatssecretaris om de Kamer sneller te informeren. Zij vinden echter het beroep op de scheiding der machten dat wordt opgevoerd als argument om de Tweede Kamer niet vooraf te informeren, niet steekhoudend. Zij wijzen erop dat er meerdere vergunningsstelsels zijn waarbij derden bezwaar kunnen maken bij de afgifte van een bepaalde vergunning. Erkent de staatssecretaris dit feit? Is de staatssecretaris bereid alsnog de Kamer vooraf de gelegenheid te geven de afgifte van een vergunning te blokkeren dan wel aan te houden?

Tot slot kunnen de leden van de SP-fractie zich niet aan de indruk onttrekken dat de staatssecretaris weliswaar bereid is meer mogelijkheden voor controle te introduceren en de uitvoer scherper te toetsten, maar dat daarbij niet verder wordt gegaan dan strikt noodzakelijk is om zakelijke belangen niet te schaden. Dat leidt in hun ogen tot een wapenexportbeleid dat veel leunt op complexe en niet eenduidige afwegingen, wat het moeilijk controleerbaar maakt. Waarom wordt er niet meer categoriaal getoetst en daarbij het voorzorgprincipe gehanteerd? Is de staatssecretaris het eens dat je beter een euro kunt verspillen dan een mensenleven?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de brief «Aanpassingen in het wapenexportbeleid».

Bij het AO Wapenexportbeleid van 16 maart 2011 hebben de leden van de D66-fractie een aantal kritische vragen gesteld over het wapenexportbeleid en hebben zij voorstellen gedaan om het beleid aan te scherpen. Allereerst is gevraagd om doorvoer actiever te toetsen. Daarnaast is gevraagd om een leidraad voor niet-verbodscriteria om toetsing inzichtelijk te maken en zodoende het gevaar van willekeur en niet-integer gedrag te verminderen. Ook waren de leden, in navolging van de beleidsdoorlichting van de inspectie ontwikkelingssamenwerking en beleidsevaluatie (IOB), kritisch op de eenduidige toepassing van criterium 8. In reactie op de vragen hebben de bewindspersonen toen aangekondigd met een brief te komen om het beleid van het huidige kabinet wat betreft wapenexport te verhelderen.

Een belangrijk element tijdens het debat van 16 maart jl. waren leveranties naar Noord Afrika en het Midden Oosten van overtollig defensiematerieel die toch achteraf toch gebruikt zijn voor mensenrechtenschendingen. Er is door de leden van de D66-fractie en verschillende andere leden toen gevraagd hoe dit in de toekomst beter voorkomen zou kunnen worden. Uit de brief blijkt dat de bewindspersonen deze zorg serieus nemen, maar blijkt onvoldoende hoe dit verscherpte beleid handen en voeten krijgt. Kan er dieper worden ingegaan op het instrument risicoanalyse en via welke stappen in het proces er geen vergunning verstrekt zou kunnen worden. Kunnen de waarneembare risico's gespecificeerd worden? Is een langdurige staat van beleg een waarneembaar risico? Is het ontbreken van democratische verkiezingen een waarneembaar risico? Zouden daaronder ook demonstraties voor politieke hervormingen vallen, die ofwel verboden worden, ofwel met massale leger- en politie-inzet feitelijk onmogelijk gemaakt worden? Kunt u ook andere voorbeelden noemen?

Er wordt ingezet op een verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van de EU-lidstaten. Kunnen de bewindslieden toezeggen dat dit op geen enkele manier een afzwakking van de Nederlandse positie zal betekenen?

De leden van de D66-fractie waren kritisch over de toepassing van criterium 8 (het mensenrechtencriterium) door Nederland. De bewindspersonen schrijven enkel dat Nederland een voortrekkersrol geniet in Europa en dat sterkere consistentie wenselijk is. Maar kan hij ingaan op de kritiek van IOB op de Nederlandse toepassing van criterium 8 en kan het schetsen hoe er op dit punt verbetering bereikt zal worden?

Voor de doorvoer van wapens over Nederlands grondgebied zegt de staatssecretaris een verscherping van het beleid toe. Maar kan hij een inschatting geven van hoe groot het gedeelte zal worden via de «algemene vergunning» door partijen met autorisatie binnen de totale doorvoer? Hoe groot wordt het gedeelte dat nog altijd gemakkelijk doorgevoerd kan worden?

Kunt u nader uiteenzetten hoe de review van het Gemeenschappelijk Standpunt vorm gegeven zal worden? Overweegt u ook maatschappelijke organisaties daarbij te betrekken? Zo ja, zoekt u daarvoor ook bij uw collega’s om steun? Welke elementen uit de gebruikersgids worden door de regering gezien als nuttig om in de criteria op te nemen?

Als laatste missen de leden van de D66-fractie een reactie op het voorstel voor een leidraad voor niet-verbodscriteria. Graag ontvangen de leden deze reactie in de beantwoording van dit SO.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de brief van de staatssecretaris van 10 juni jl. over de aanpassingen in het wapenexportbeleid. Zij zijn verheugd dat na jarenlange discussies over noodzakelijke aanscherping van het wapenexportbeleid eindelijk een keerpunt lijkt te zijn gekomen, maar spreken ook hun teleurstelling uit dat er tal van verschrikkelijke incidenten nodig waren voordat het kabinet besloten heeft dat aanscherping van het beleid noodzakelijk is.

Ook zijn de genoemde leden blij dat de staatsecretaris en de minister zijn ingegaan op de punten die de leden van de GroenLinks-fractie in het debat van 24 maart 2011 heeft aangedragen, maar zij missen wel de fundamentele verandering die noodzakelijk is voor een prudent wapenexportbeleid.

Deze leden zijn hoopvol over initiatieven als het vergunningsplichtig maken van doorvoer, extra inzet op risicoanalyse en het beter informeren van de Tweede Kamer, maar missen concrete uitwerking en echte wijzigingen ten opzichte van het huidige beleid. In hun ogen blijft door de nadruk op het level playing field het risico in tact dat kortzichtige, economische argumenten zullen prevaleren boven daadwerkelijke risicoanalyses op het gebied van mensenrechten en lange termijn economisch inzicht.

Kabinetsinzet review Gemeenschappelijk Standpunt

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat er een review van het gemeenschappelijk standpunt Wapenexport is gepland en dat het kabinet gaat inzetten op meer harmonisatie en het opnemen van elementen uit de gebruikersgids in de criteria. Graag zouden zij van de staatssecretaris vernemen op welke punten hij zich gaat inzetten voor harmonisatie en met welke lidstaten hierop zal worden samengewerkt. Graag ontvangen zij ook een toezegging dat harmonisatie niet zal leiden tot een mindere strenge toetsing door Nederland. Ook hoorden zij graag dat de staatssecretaris de aangekondigde aanscherpingen van het nationale Wapenexportbeleid niet afhankelijk maakt van harmonisatie. Bovendien vernamen zij graag welke criteria uit de gebruikersgids volgens de staatssecretaris opgenomen zouden moeten worden in het Gemeenschappelijk Standpunt.

Aanscherping van de criteria 2 en 8 (p.3)

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat er meer dan voorheen een element van risicoanalyse een rol zal spelen bij de toetsing van aanvragen voor wapenexportvergunningen. Zij vragen zich af op welke manier dat in de huidige praktijk gebeurt en wat de concrete verandering ten opzichte van dit beleid inhoudt. Betekent dit dat de analyse dieper en intensiever zal worden? Of zal het risico behoedzamer ingeschat worden? Of zal het risico zwaarder meegewogen in de afweging van de verschillende argumenten? En op welke manier zal de Tweede Kamer gekend worden in de verandering van dit beleid?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat bij waarneembare risico die op termijn tot gewelddadige ontwikkelingen kunnen leiden, waarbij te exporteren goederen kunnen worden ingezet, de regering terughoudend zal zijn met vergunningen. De genoemde leden vragen zich af of dat dit op dit moment niet gebeurt en wat dus de wijziging is die nu voorgesteld wordt. Ook vragen zij zich af wat terughoudend betekent in dit kader. Zouden dit soort risico’s niet moeten leiden tot weigeren van een vergunning? Welke argumenten zouden aangedragen kunnen worden om bij dit soort risico’s wel een vergunning af te geven?

Ook lezen zij dat de praktijk uit zal moeten wijzen welke invloed dit voornemen zal hebben op de beoordeling van wapenexportaanvragen. Op welke manier zal de Kamer geïnformeerd worden over deze invloed?

De leden van de GroenLinks-fractie schatten in dat de term «op termijn» een wijziging van beleid voorstelt. Zij vragen zich af of dit betekent, dat er in huidige praktijk alleen naar het verleden gekeken werd bij beoordeling van risico’s op schending van mensenrechten?

Kunnen de bewindspersonen de waarneembare risico's specificeren? Is bijvoorbeeld een langdurige staat van beleg een waarneembaar risico? Is het ontbreken van democratische verkiezingen een waarneembaar risico? Naar inschatting van de leden van de GroenLinks-fractie is er, wanneer burgers in opstand komen, een grote kans dat een dictatoriaal regime militaire middelen zal inzetten om haar macht te handhaven. Indien gewelddadige onderdrukking eerst moet worden «waargenomen», is het vaak te laat zoals de afgelopen maanden bleek in een aantal Arabische landen.

Ook lezen de genoemde leden dat de besluiten juridisch verdedigbaar moeten blijven. Naar inschatting van de GroenLinks-fractie kan het gemeenschappelijk standpunt als juridische basis dienen en is een strengere interpretatie hiervan wel degelijk juridisch houdbaar. Het Gemeenschappelijk Standpunt laat immers ruimte voor een eigen strengere toepassing ervan (art. 3: «This Common Position shall not affect the right of Member States to operate more restrictive national policies.»).

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het te exporteren wapen centraal moet staan bij de toetsing. Naar hun inschatting zijn echter andere overwegingen minstens zo belangrijk. De context waarin het wapen wordt ingezet, de samenhang met andere systemen, en de aard van het regime en de mate van democratische controle over leger en militair aanschafbeleid dienen een belangrijke rol te spelen in de afweging. Ook het Gemeenschappelijk Standpunt houdt daar rekening mee onder punt b van criterium 2: «Having assessed the recipient country's attitude towards relevant principles established by international human rights instruments, Member States shall:

  • (a) deny an export licence if there is a clear risk that the military technology or equipment to be exported might be used for internal repression;

  • (b) exercise special caution and vigilance in issuing licences, on a case-by-case basis and taking account of the nature of the military technology or equipment, to countries where serious violations of human rights have been established by the competent bodies of the United Nations, by the European Union or by the Council of Europe;»

De genoemde leden schatten in, dat de zorg van de regering voor juridische bezwaarprocedures tegen afwijzing van de vergunning ongegrond is. Het Gemeenschappelijk Standpunt is juridisch toepasbaar in Nederland. Risicoanalyses die op basis daarvan – en met hulp van de gebruikersgids – gemaakt worden, zijn per definitie inschattingen. Maar wel inschattingen met een gedegen (juridische) basis. Deelt de staatssecretaris deze inschatting? Zo niet, waar ziet hij de juridische beperkingen?

Ook vragen zij zich af waarom de regering op andere dossiers, zoals bij immigratie en natuurbescherming, wel de Europese juridische grenzen opzoekt met haar beleid, en op het wapenexportdossier zich verschuilt achter de Europese juridische beperkingen?

De leden van de GroenLinks-fractie delen de mening van de staatssecretaris dat aanscherping van beleid zinvoller zou zijn als andere EU-lidstaten ook bereid zijn om op deze manier te toetsen, maar niet dat het alleen zinvol zou zijn in dat geval. Is harmonisatie een voorwaarde voor de voorgestelde aanscherpingen? Of is de staatssecretaris bereid ook zonder harmonisatie deze wijzigingen door te voeren?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de COARM 4 keer per half jaar bijeenkomt en dat hier wordt gesproken over aanpassingen in het beleid. In het algemeen overleg Wapenexportbeleid van 24 maart 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aangegeven ten volle bereid te zijn zich in te zetten voor peer reviews. De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat peer reviews ook een goede bijdrage kunnen leveren aan het behouden van het level playing field. Zijn de bewindspersonen bereid in de COARM te pleiten voor het houden van peer reviews? Zo ja, op welke wijze? Zo niet, waarom niet en op welke wijze zal de minister van Buitenlandse zaken dan wel zich ten volle bereid tonen zich in te zetten voor peer reviews?

De leden van de GroenLinks-fractie spreken hun waardering uit voor de voortrekkersrol die Nederland placht te spelen met betrekking tot criterium 8. Zij waarderen de inzet op meer harmonisatie en duidelijker richtlijnen. De genoemde leden lezen dat een aantal lidstaten niet beschikt over de middelen om een technische analyse uit te voeren die toetsing aan criterium 8 vergt, en dat de Nederlandse regering daarom inzet op een minder vrijblijvende interpretatie aan de hand van duidelijke richtlijnen. Deze leden waarderen deze inzet, maar vragen zich af of het ook mogelijk is de middelen voor deze technische analyse op Europees niveau te bundelen of te delen met andere lidstaten opdat ook zij deze technische analyse kunnen gebruiken en consistent kunnen toepassen? Zo ja, op welke wijze? Zo niet, waarom niet?

Daarnaast blijkt uit de IOB-evaluatie dat Nederland zelf criterium 8 ook niet altijd goed toepast. Graag hoorden de leden van de GroenLinks-fractie op welke manier de staatssecretaris zijn eigen toetsing aan gaat scherpen.

Doorvoer

De leden van de GroenLinks-fractie waarderen het zeer dat de staatssecretaris het Duitse doorvoerbeleid heeft onderzocht en heeft gebruikt als inspiratiebron voor een aanscherping van het Nederlandse doorvoerbeleid. De genoemde leden spreken wel hun teleurstelling uit voor de zeer restrictieve toepassing van de mogelijkheid op controle op doorvoer die de bewindslieden beschrijven.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat er niet licht ingegrepen zal worden bij besluiten van bondgenoten, maar dat er wel om uitleg of herziening gevraagd kan worden. Deze leden vragen zich af of medewerking van het land van herkomst vereist is. Kan Nederland zelfstandig besluiten in te grijpen? Zo ja, is de staatssecretaris bereid zelfstandig in te grijpen, ook wanneer het land van herkomst niet bereid is tot afdoende uitleg of herziening?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat er onderscheid zal worden gemaakt tussen doorvoer met en zonder overlading. Zij vragen zich af wat de reden hiervoor is en wat het essentiële verschil is tussen deze vormen van doorvoer? Ook hoorden zij graag de respectievelijke aantallen gevallen van doorvoer van de afgelopen jaren.

De genoemde leden lezen dat doorvoer met overlading onder de vergunningsplicht komt en dat hiervoor een algemene vergunning wordt opgesteld die beschikbaar komt voor alle handelaren die geregistreerd staan en goed verdrag getoond hebben bij eerdere controles. Deze leden vragen zich af wat deze algemene vergunning inhoudt. Valt deze algemene vergunning uit te leggen, als geen controle op handelaren waarbij nog geen probleem is geconstateerd, oftewel de facto geen extra controle? Kunnen in de huidige praktijk handelaren die geen goed gedrag vertoond hebben bij eerdere controles, nog wel gewoon doorblijven gaan met het doorvoeren van wapens? Op welke criteria zal goed gedrag getoetst gaan worden? Is het mogelijk dat handelaren met een algemene vergunning toch steekproefsgewijs gecontroleerd kunnen worden? Graag een toezegging dat de staatssecretaris dat gaat onderzoeken. Een handelaar die voor het eerst een vergunning aanvraagt, kan nog geen goed gedrag hebben vertoond. Hoe wordt met deze handelaren omgegaan?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat er een (negatieve) lijst zal komen waarvoor een individuele vergunningsplicht komt. Het gaat hierbij vooral om complete wapensystemen, evenals klein kaliber wapens en munitie. Deze leden vragen zich af waarom de keuze is gemaakt voor dit soort wapens? Is in het verleden niet aangetoond dat bepaalde onderdelen voor wapensystemen ook sterk kunnen bijdragen aan mensenrechtenschendingen, zoals het voorbeeld dat de staatssecretaris gaf in het algemeen overleg van 24 maart 2011 over dat «als we hadden geweten wat zich zou afspelen in een land als Libië, [...] wij een à twee jaar gelden niet [hadden] meegewerkt aan het leveren van onderdeeltjes voor Amerikaanse transporthelikopters, die weer door Italië aan Libië zijn geleverd»? Is de staatssecretaris niet voornemens dit soort leveringen die volgens hem zelf als «ondersteunend middel» bij mensenrechtenschendingen zouden kunnen dienen, te voorkomen?

Ook trekken de leden van de GroenLinks-fractie de conclusie dat het verleden juist heeft aangetoond dat het moeilijk in te schatten is, welke wapens gebruikt kunnen worden voor mensenrechtenschendingen en welke niet. Delen de bewindspersonen deze conclusie? Zo niet, op basis van welke informatie is deze inschatting nu beter te maken dan tot nog toe?

Tot hun schrik lezen de leden van de GroenLinks fractie dat in een resumerende paragraaf dat doorvoerzendingen die afkomstig zijn van bondgenoten, «standaard» een vergunning krijgen. Klopt hun inschatting dat dit de facto betekent dat er geen extra controle op doorvoer zal plaatsvinden, behoudens extreme uitzonderingen? Hoe rijmt de staatssecretaris dat met zijn uitspraak uit het algemeen overleg Wapenexport van 24 maart 2011 dat het kabinet bereid is om met een «loyaal en royaal voorstel» te komen? Vindt de staatssecretaris zelf het «standaard» geven van een vergunning een fundamentele wijziging ten opzichte van het huidige beleid?

Transparantie en parlementaire controle

De leden van de GroenLinks-fractie juichen het voornemen van het kabinet toe, om de rapportages aan de Tweede Kamer te versnellen en de frequentie te verhogen van halfjaarlijks naar maandelijks. Graag vernamen zij op welke termijn deze wijziging doorgevoerd zal worden en horen hierbij graag een ambitieuze doelstelling. Graag zouden deze leden zien dat bij deze rapportages ook toegelicht wordt per vergunning hoe de beoordeling was op elk van de criteria uit het gemeenschappelijk standpunt en welke overwegingen zijn gemaakt. Kan de staatssecretaris dit toezeggen? Zo nee, waarom niet? Ook zagen zij graag een leidraad waardoor vooraf duidelijk is, op welke manier getoetst zal worden aan de criteria. Dit kan voor de Tweede Kamer, maar ook zeker voor de handelaren, veel duidelijkheid vooraf creëren.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn verheugd dat er bijzondere gevallen van zeer gevoelige aanvragen de Kamer versneld zal informeren, in het bijzonder vanwege het feit dat de afwegingen van het kabinet met de Kamer gedeeld zullen worden. Zij lezen dat de selectiecriteria hiervoor zijn, dat het moet gaan om eerste aanvragen, definitieve uitvoer, complete wapensystemen en dat de drempelwaarde van 5 miljoen moet zijn overschreden. De leden vragen zich af of deze versnelde rapportage zich beperkt tot exportvergunningen of ook geldt voor doorvoervergunningen. Zij hopen op het laatste en vragen bij deze een toezegging van de bewindspersonen op dit punt. Daarnaast vragen zij zich af of bij verlenging of vervanging van een vergunning er niet mogelijk ook omstandigheden zouden kunnen wijzigen waardoor deze ook aan een speciale behandeling zouden moeten worden onderworpen.

Daarnaast is de beperking tot complete wapensystemen volgens deze leden erg restrictief. Zoals eerder genoemd zijn er tal van voorbeelden waarbij onderdelen ook gebruikt zijn voor mensenrechtenschendingen. Zij vragen de bewindspersonen een toelichting op de keuze voor complete wapensystemen.

De drempelwaarde van 5 miljoen euro is naar inschatting van de leden van de GroenLinks-fractie erg hoog. Graag hoorden zij van de bewindspersonen hoeveel exportvergunningen de afgelopen jaren deze drempelwaarde hebben overschreden en om welk gedeelte van de aangevraagde vergunningen het daarbij gaat. De genoemde leden horen graag van de staatssecretaris wat hij vindt van een mogelijke drempelwaarde van 1 miljoen euro.

Transacties naar bondgenoten zijn uitgesloten van deze controle. Graag ontvangen de genoemde leden bevestiging dat doorvoer van bondgenoten niet uitgesloten worden.

De leden van de GroenLinks-fractie delen het standpunt van de bewindspersonen dat de scheiding der machten als basisprincipe gehandhaafd dient te worden. Gezien de vele misstanden, mede erkend door dit kabinet, hebben deze leden echter de behoefte in te kunnen grijpen bij verkeerde beslissingen. Zij vragen de bewindspersonen dan ook om een toezegging het mogelijk te maken dat de Kamer deze besluiten tot vergunningverlening kan herzien, voor deze vergunning daadwerkelijk in werking treedt. Graag vernamen zij van de bewindspersonen een reactie op dit verzoek.

Nederlandse inzet wereldwijd wapenhandelsverdrag.

In het AO wapenexportbeleid van 24 maart 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken toegezegd zich op verschillende internationale toppen uit te spreken voor een restrictiever wapenexportbeleid. Graag hoorden de leden van de GroenLinks-fractie over de voortgang van deze internationale inzet, de reacties die de minister hierop heeft gekregen en zijn inschatting over de toekomst van het Wereldwijd Wapenhandelsverdrag.

Zou de minister op schrift willen stellen op welke internationale fora, buiten de prepcomms van de ATT, hij het grote belang van een sterk en breed gedragen internationaal wapenhandelverdrag bij andere VN-lidstaten, met name de sceptici, onder de aandacht wil brengen? Is hij bereid dat in november as. ook in Busan te doen bij de top over Aid Effectiveness? En in bilaterale contacten in 2011 en 1e helft 2012 met de partnerlanden van Nederland? Zo ja, waar en wanneer? Zo nee, waarom niet?

Scenario’s

Tot slot vragen de leden van de leden van de GroenLinks-fractie zich af, of de voorgestelde wijziging van beleid in de volgende historische scenario’s geleid zouden hebben tot een andere beslissing. Zo ja, graag een toelichting van de bewindspersonen op welke wijze. Zo niet, graag een toelichting van de bewindspersonen waarom dit scenario niet voorkomen hoeft te worden.

Levering YPR en M-113 pantservoertuigen aan Egypte

Egypte is een regelmatige klant, de laatste vijf jaar goed voor 60 miljoen euro aan wapens. Voor het gros zijn dit door Defensie afgestoten YPR pantservoertuigen met bijbehorende antitankwapens, als ook nieuwbouw vuurleidingapparatuur voor marineschepen. In 2009 was de omvang relatief beperkt met 1,27 miljoen euro, vooral voor onderdelen van YPR en M-113 pantservoertuigen. Het eerdergenoemde IOB rapport noemt Egypte «het meest uitgesproken voorbeeld» van een land waar het wapenexportbeleid op gespannen voet staat «met de ambities van het mensenrechtenbeleid».

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of deze vergunningen met de voorgestelde beleidswijzigingen hadden kunnen worden uitgegeven? Zo ja, zijn de bewindspersonen van mening dat dit niet voorkomen hoeft te worden? Zo niet, op welke wijze zouden de voorgestelde wijzigingen invloed gehad hebben op de vergunningverlening?

Levering van onder andere overtollige F-16’s aan Jordanië

Een van de grote afnemers van tweedehands Defensiematerieel is Jordanië, dat afgelopen jaren overtollige F-16s en een massale voorraad legervoertuigen kocht. In 2009 zijn 6 F-16 gevechtsvliegtuigen en bijbehorende apparatuur voor elektronische oorlogsvoering met een totale waarde van ruim 29 miljoen euro aan Amman geleverd. In juni van dit jaar werd aan het parlement de verkoop van 121 M-109 kanonnen, 441 YPR pantservoertuigen, 69 M-577 pantserrupsvoertuigen, 467 militaire trucks plus nog wat munitie en andere zaken gemeld. Jordanië heeft zich het afgelopen decennium ontpopt als een van de belangrijkste partners van het Westen in het kader van de strijd tegen het terrorisme. Mede om die reden is het een acceptabele bestemming geworden, hoewel het op het gebied van de mensenrechten een meer dan beroerde reputatie hoog houdt: martelingen, straffeloosheid, en geen burgerlijke vrijheden. Wat betreft de verkoop van tweedehands F-16s onthulde het eerder genoemde evaluatierapport van de IOB dat in 2004 grote tweedehands wapensystemen zoals de F-16 nog taboe waren om aan Jordanië aangeboden te worden. Dat taboe was een kort leven beschoren; in 2007 werd bekend dat het land zes F-16s van Nederland kocht.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of deze vergunningen met de voorgestelde beleidswijzigingen hadden kunnen worden uitgegeven? Zo ja, zijn de bewindspersonen van mening dat dit niet voorkomen hoeft te worden? Zo niet, op welke wijze zouden de voorgestelde wijzigingen invloed gehad hebben op de vergunningverlening?

Levering van componenten voor tanks aan Saoedi-Arabië

Het evaluatierapport van de IOB merkt ten aanzien van de beoordeling van vergunningsaanvragen voor wapenexporten naar Saoedi-Arabië op dat de mensenrechtensituatie «altijd positief» scoort, «veelvuldig zonder nadere toelichting. Wanneer er wel een toelichting werd gegeven, werd gewezen op het feit dat de goederen niet kunnen worden ingezet bij schendingen en soms ook op positieve ontwikkelingen in de mensenrechtensituatie»

In antwoorden op Kamervragen geeft de minister van Buitenlandse Zaken aan dat de mensenrechtensituatie in Saoedi-Arabië zorgwekkend is en ondanks dat de inschatting dat deze wapens niet ingezet zijn tegen demonstranten, op dit moment de vergunning niet uitgegeven zou worden. In 2007 is wel een vergunning geleverd voor de leverantie van militaire apparatuur voor tanks en pantservoertuigen van de landmacht in Saoedi-Arabië.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of deze vergunningen met de voorgestelde beleidswijzigingen hadden kunnen worden uitgegeven? Zo ja, zijn de bewindspersonen van mening dat dit niet voorkomen hoeft te worden? Zo niet, op welke wijze zouden de voorgestelde wijzigingen invloed gehad hebben op de vergunningverlening?

Levering 35 M-113 en 25 YPR pantservoertuigen aan Bahrein

In de periode 1994–1997 heeft een levering van 35 M-113 en 25 YPR-pantservoertuigen aan Bahrein plaatsgevonden. Gedurende afgelopen maanden zijn in Bahrein demonstraties neergeslagen en er kan niet worden uitgesloten dat hierbij de geleverde wapensystemen zijn gebruikt.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of deze vergunningen met de voorgestelde beleidswijzigingen hadden kunnen worden uitgegeven? Zo ja, is de staatssecretaris van mening dat dit niet voorkomen hoeft te worden? Zo niet, op welke wijze zouden de voorgestelde wijzigingen invloed gehad hebben op de vergunningverlening?

Doorvoer van 20 000 Tsjechische automatische geweren aan Sri Lanka

Op 4 november 2008, in de Rotterdamse haven, is een vracht van 20 000 Tsjechische automatische geweren aangemeld met bestemming Sri Lanka. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij de kans niet groot achtte dat Nederland zelf een exportvergunning had verleend omdat Nederland in die periode buitengewoon terughoudend was in het toekennen van vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of deze doorvoer met de voorgestelde beleidswijzigingen hadden kunnen worden doorgelaten? Zo ja, is de staatssecretaris van mening dat dit niet voorkomen hoeft te worden? Zo niet, op welke wijze zouden de voorgestelde wijzigingen invloed gehad hebben op de vergunningverlening?

De levering van Korvetten aan Indonesië

In 2007/2008 bouwde het Damen-Schelde in de periode 2007/2008 4 korvetten voor de Indonesische marine. De Nederlandse staat zorgde voor de exportvergunning en de kredietverzekering. Toch heeft Indonesië een slechte reputatie op het gebied van de mensenrechten, maken corrupte militairen er de dienst uit en leven miljoenen mensen in het land onder de armoedegrens. Uit de IOB-evaluatie blijkt: «Compatibiliteit met technische en economische capaciteit (criterium 8). Score was in 2006 negatief vanwege onvoldoende transparantie en corruptie, maar dit stond een algemeen positief advies niet in de weg.»

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of deze vergunningen met de voorgestelde beleidswijzigingen hadden kunnen worden uitgegeven? Zo ja, is de staatssecretaris van mening dat dit niet voorkomen hoeft te worden? Zo niet, op welke wijze zouden de voorgestelde wijzigingen invloed gehad hebben op de vergunningverlening?

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE EN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Inleiding

Wapenexportcontrole is geen exacte wetenschap, maar mensenwerk. Verschillende belangen dienen te worden afgewogen en met elkaar in balans te worden gebracht. Bij de export van militaire goederen worden de veiligheid van Nederland en bondgenoten, onze economische belangen en andere beleidsdoelstellingen (respect voor mensenrechten, democratie) nauwkeurig tegen elkaar afgewogen. In Europees verband hebben we afspraken gemaakt die in principe goed werken. Op basis van acht criteria uit het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944, die zijn gebaseerd op criteria die in 1991 en 1992 door de Europese Raad zijn geformuleerd, worden vergunningaanvragen getoetst. In Nederland werden voor die tijd vergunningaanvragen beoordeeld op basis van vergelijkbare criteria. De regering is van mening dat mede op grond van de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika enkele aanpassingen van het beleid wenselijk waren. In de Kamerbrief van 10 juni jl. worden deze aanpassingen omschreven. Hieronder gaan wij per thema in op de vragen die uw Kamer op 21 juni jl. schriftelijk heeft gesteld.

Toetsing Criteria 2 en 3

In reactie op de vragen van de leden van VVD, PvdA en SP over de toepassing van criteria 2 en 3 kan de regering melden dat toetsing aan deze criteria plaatsvindt op basis van een zorgvuldige analyse, waarbij onderzocht wordt of een verband bestaat tussen de uit te voeren goederen en eventueel geconstateerde mensenrechtenschendingen. De regering verleent geen vergunning wanneer er een duidelijk risico bestaat dat uit te voeren goederen gebruikt zullen worden voor mensenrechtenschendingen of binnenlandse onderdrukking.

Bij deze toetsing worden naast de aard van het goed, ook de eindgebruiker en het eindgebruik in acht genomen. De aangekondigde aanscherping houdt in dat de regering vanaf nu een analyse van waarneembare dreigingen voor de directe toekomst laat meewegen in haar oordeelsvorming. Daarnaast zal de analyse nog zorgvuldiger worden uitgevoerd, door deskundigen op het gebied van mensenrechten van het ministerie van Buitenlandse Zaken nauwer te betrekken bij de afweging of vergunningen kunnen worden afgegeven. Voor deze afweging baseert de regering zich op alle informatie die het Ministerie van Buitenlandse Zaken ter beschikking staat, inclusief informatie vergaard door onze ambassades, en daarnaast op informatie van NGO’s zoals Amnesty International en Human Rights Watch.

Risico-analyse

De leden van de fracties van CDA, PvdA, D66, SP en GroenLinks vragen om een nadere toelichting op de in de Kamerbrief aangekondigde risico-analyse bij de beoordeling van criteria 2 en 3. De regering is niet in staat om in de toekomst te kijken, noch kan zij toekomstige ontwikkelingen en gebeurtenissen elders in de wereld voorspellen. Wel is de regering in staat om op basis van openbare en vertrouwelijke bronnen te komen tot een weloverwogen oordeel over de risico’s die gepaard gaan met de export van product X naar land Y. De acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt blijven hierbij leidend.

De aangekondigde risico-analyse betekent dat het ministerie van Buitenlandse Zaken zich bij de oordeelsvorming over vergunningaanvragen mede zal baseren op de regionale en lokale ontwikkelingen m.b.t. stabiliteit, veiligheid en mensenrechten. Vooral bij vergunningaanvragen voor export naar landen waar sprake is van potentiële instabiliteit, zal de analyse m.b.t. deze verschillende thema’s zeer grondig geschieden om tot een solide onderbouwd oordeel te kunnen komen. Risico’s dienen waarneembaar te zijn om te kunnen leiden tot een afwijzing op basis van de criteria. Staatsvorm of democratisch gehalte van het land van bestemming bieden op zichzelf geen afwijzingsgrond, maar worden wel betrokken bij de analyse van het risico op mensenrechtenschendingen en interne repressie, die vaak samenhangen met een langdurige staat van beleg of het ontbreken van democratische structuren. Daarbij blijft gelden dat onderzoek wordt gedaan naar het mogelijk verband tussen het te exporteren goed en de mensenrechtensituatie en interne stabiliteit in het land van bestemming.

Toetsing Criterium 8

In reactie op de vragen van PvdA, GroenLinks en de SP over de toepassing van criterium 8 kan gesteld worden dat vanzelfsprekend al een zorgvuldige toetsing plaats vindt door Nederland. Hierbij wordt in het bijzonder gekeken naar de verhouding tussen de overheidsuitgaven in het ontvangende land voor defensie en die voor beleidsterreinen als onderwijs en volksgezondheid. Daarnaast wordt getoetst aan de voortgang op het gebied van de Millenniumdoelen. Naar aanleiding van de seminars die Nederland in Europees en nationaal verband heeft georganiseerd over criterium 8, wordt nu gewerkt aan verdere harmonisatie en aanscherping van dit criterium in EU-verband. Hiermee wordt ook nadere invulling gegeven aan de aanbeveling in het IOB-rapport. Om andere lidstaten zo nodig te assisteren bij de toepassing van de analyse op criterium 8, zal Nederland een korte handleiding of discussiestuk schrijven om met de andere EU-lidstaten te delen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen tevens naar de mogelijkheid om middelen op Europees niveau te bundelen ten behoeve van de technische analyse op criterium 8. De beoordeling van alle criteria – inclusief criterium 8 – vindt altijd plaats op nationaal niveau door de bevoegde instanties van elke afzonderlijke lidstaat. Nederland is van mening dat verdere harmonisatie, informatie-uitwisseling in de COARM en een handleiding voor de specifieke toepassing van criterium 8 voldoende zijn om een eenduidige toepassing van dit criterium te garanderen.

Harmonisatie EU-beleid en Review Gemeenschappelijk Standpunt

In antwoord op vragen van de PvdA over harmonisatie kan worden gesteld dat alle EU-lidstaten vóór een eenduidige toepassing van de toetsingscriteria zijn, dat is waar het Gemeenschappelijk Standpunt voor staat. De uniforme toepassing van «best practices» in de Gebruikersgids maakt daar onderdeel van uit. De regering zal zich er sterk voor inzetten dat ook de Gebruikersgids meegenomen wordt bij de review van het Gemeenschappelijk Standpunt. Hierbij zal gekeken worden welke elementen uit de Gebruikersgids eventueel kunnen worden toegevoegd aan de criteria. Een voorbeeld hiervan kan zijn het «track record» van militaire goederen in relatie tot interne repressie en mensenrechtenschendingen te betrekken bij de beoordeling van vergunningen.

In de poging tot verdergaande harmonisatie draait het vooral om de vraag of de EU als geheel bereid is om de «drempel» voor export van militaire goederen op basis van de criteria 2 en 3 collectief te verhogen. Het level playing field voor bedrijven moet immers behouden blijven. De in onze brief aangekondigde aanscherping van het Nederlandse beleid voeren wij uit op nationale titel. Wij zullen ons er voor inspannen de overige EU-partners hierin mee te nemen.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar aanpassingen in het beleid van andere EU-lidstaten. Zowel het Verenigd Koninkrijk als Zweden zijn momenteel bezig met een nationale herziening van het wapenexportbeleid, mede naar aanleiding van de gebeurtenissen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. De Nederlandse voorstellen voor nationale aanpassingen werden met belangstelling door deze landen en andere Europese partners ontvangen. De herziening in Zweden zal overigens een langdurig proces zijn, dat mogelijk twee jaar zal duren. Nederland trekt in de Europese Unie nauw op met deze partners, evenals met Duitsland.

De regering is het eens met de leden van de CDA-fractie, die vragen naar de koppeling van harmonisatie aan de review van het Gemeenschappelijk Standpunt. De voorbereiding van de review is inmiddels begonnen. De review vindt plaats onder leiding van de Europese Dienst voor Extern Optreden. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de D66-fractie zal Nederland de EDEO verzoeken om in een later stadium ook maatschappelijke organisaties te betrekken bij de review.

De leden van de D66-fractie missen een leidraad voor niet-verbodscriteria. De regering is van mening dat de Gebruikersgids voldoet als leidraad en voldoende aanknopingspunten biedt voor de afwegingen bij deze criteria. Verder zal Nederland zich hard blijven maken voor een betere toepassing van criterium 8.

In reactie op de vragen van de leden van de SP-fractie over het functioneren van de COARM (de Raadswerkgroep Wapenexportbeleid) is de regering van mening dat de huidige informatie-uitwisseling en discussie binnen de COARM een effectieve manier is om tot een eenduidig wapenexportbeleid te komen. Zo wordt er in COARM uitgebreid gesproken over de wijze waarop landen momenteel omgaan met vergunningaanvragen voor bestemmingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Alle lidstaten kijken vanzelfsprekend nog nauwgezetter dan gebruikelijk naar dergelijke aanvragen. Daarnaast is de COARM het platform waar gesproken wordt over de toepassing van de criteria en eventuele afwijzingen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de bereidheid om in COARM te pleiten voor «peer reviews». De vrijwel maandelijkse bijeenkomsten van de COARM zijn al een vorm van «peer review», waarbij de lidstaten elkaar onderling bij de les houden.

Doorvoer

De leden van de PvdA, de SP en GroenLinks vragen waarom het kabinet doorvoer van bepaalde typen militaire goederen niet aan controle zou willen onderwerpen en hoe die lijst van militaire goederen waarvoor dat wel gaat gelden er zal uitzien. Zoals in het Algemeen Overleg van 24 maart jl. al werd aangegeven in reactie op de stelling dat Duitsland wel alle doorvoer aan een eigen toetsing onderwierp, heeft het kabinet onderzoek laten doen naar de wijze waarop die doorvoercontrole in Duitsland geregeld is en heeft de staatssecretaris toegezegd dat hij hier inspiratie uit zou putten.

De Duitse doorvoercontrole heeft alleen betrekking op goederen van de lijst van het «Kriegswaffengesetz» en niet op de overige ondersteunende goederen. Deze lijst van te controleren goederen bij doorvoer omvat onder meer gevechtshelikopters en vliegtuigen, oorlogsschepen, tanks en pantservoertuigen en machinegeweren. Duitsland heeft per saldo veel goederen van de Gemeenschappelijke Militaire Lijst van de EU niet in de lijst van het «Kriegswaffengesetz» opgenomen. Zo staan onderdelen, klein-kaliber munitie, «overige» militaire voertuigen, vaartuigen of vliegtuigen en de meerderheid van militaire elektronica niet op deze lijst. Voor die categorie overige militaire goederen kent Duitsland geen vergunningplicht bij doorvoer, ook niet voor verschepingen die niet van een bondgenoot afkomstig zijn.

Het kabinet is voornemens de Duitse systematiek met enkele toevoegingen over te nemen. De aanpassingen dienen praktisch haalbaar te zijn, voorkomen moet worden dat de douane overbelast wordt en dat de administratieve lasten voor bedrijfsleven en overheid onevenredig toenemen. De Duitse systematiek dient daarbij te worden «vertaald» naar aanpassingen in het bestaande Nederlandse instrumentarium. Het doel is een onderscheid aan te brengen tussen wapens en overige militaire goederen en de eigen controle beheersbaar en handhaafbaar te houden. Dit is precies de reden waarom ook het verschil gemaakt zal worden tussen doorvoer met en zonder overlading. Zoals in de eerdere brief al werd aangegeven is het duidelijk dat in de Duitse doorvoercontrole ook een onderscheid gemaakt wordt op basis van de Duitse betrokkenheid bij die doorvoer. Bij doorvoer zonder overlading ontbreekt die betrokkenheid. Het kabinet wil dat element uit het Duitse voorbeeld overnemen, maar hecht ook aan dat onderscheid omdat het zich heel goed realiseert dat het voor de handhaafbaarheid van onze regels echt uitmaakt of de lading van een schip aan boord blijft of op de kade beschikbaar is voor controle.

De leden van de VVD-fractie menen dat er een goede balans is gevonden tussen het belang om de besluiten van bondgenoten te respecteren en het belang van een streng wapenexportbeleid, maar vroegen om een verduidelijking ten aanzien van het «standaard afgeven» van de Nederlandse doorvoervergunningen. Het «standaard afgeven» geldt als beginsel als er een geldige uitvoervergunning van één van de EU/NAVO+ bondgenoten getoond kan worden. De uitzondering op dat beginsel wordt gemaakt wanneer er sprake is van een goed dat voorkomt op de lijst van wapensystemen (naar het hierboven beschreven Duitse voorbeeld, aangevuld met vuurwapens en munitie) en een bestemming heeft die naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken bijzondere aandacht dient te krijgen.

Als een doorvoer van een bondgenoot met een door die bondgenoot afgegeven uitvoervergunning een goed betreft dat op de lijst van wapensystemen staat, dan is de algemene vergunning niet geldig voor de doorvoer door Nederland, maar moet een individuele vergunning aangevraagd worden. Die vergunning wordt «standaard afgegeven», dat wil zeggen zonder aanvullende Nederlandse politieke toetsing, als een bondgenoot een geldige uitvoervergunning heeft afgegeven. Gaat het echter om een land van eindbestemming dat bijzondere aandacht verdient, dan wordt van de standaard afgeweken en gaat het mechanisme van consultatie en de eigen beoordeling in werking treden, vergelijkbaar met de exportvergunningsprocedure.

De regering kan bevestigend antwoorden op de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie of bij dat mechanisme van consultatie de staatssecretaris ook bereid is zelfstandig in te grijpen, wanneer het land van herkomst niet bereid is tot afdoende uitleg of herziening.

Transparantie en parlementaire controle

De leden van de CDA-fractie vroegen of het streven naar snellere publicatie van de maandoverzichten van afgegeven vergunningen wel realiseerbaar is. De Belastingdienst/Douane is in nauwe samenwerking met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie een nieuw automatiseringssysteem aan het ontwikkelen voor de behandeling van vergunningaanvragen voor de uitvoer van strategische goederen. Het programma van eisen voor dat automatiseringssysteem omvat ook rapportagemodules, waardoor het niet langer noodzakelijk zou moeten zijn om ruwe vergunninggegevens handmatig te verwerken tot openbare maandoverzichten van afgegeven vergunningen. Dat betekent dat het genereren van maandoverzichten aanzienlijk gemakkelijker zal worden en het dus haalbaar zou moeten zijn om sneller en frequenter via zulke maandoverzichten te rapporteren.

De leden van de PvdA-fractie wijzen er op dat de IOB heeft opgemerkt dat als beleidswijzingen met betrekking tot landen van bestemming vaker dan nu het geval is worden vastgelegd het beleid beter voorspelbaar zal worden. De leden van de GroenLinks-fractie vragen om bij elk openbaar gemaakt besluit de toetsing aan de criteria toe te lichten. Beleidswijzigingen ten aanzien van bepaalde landen van bestemming lenen zich zeker voor rapportage, maar dat gebeurt dan ook met grote regelmaat. Niet naar aanleiding van individuele besluiten over vergunningaanvragen, maar omdat de minister van Buitenlandse Zaken de Kamer regelmatig bericht over de ontwikkelingen in het buitenland, over de reactie daarop in de verschillende VN en EU gremia en daarover geregeld met de Kamer van gedachten wisselt. Het is niet voor niets dat in de brief over de aanpassingen in het wapenexportbeleid al in de eerste alinea wordt verwezen naar brieven van 18 februari en 25 maart over de ontwikkelingen in de Arabische regio.

Het is met de huidige middelen in de praktijk niet mogelijk de Kamer per brief gedetailleerd in te lichten omtrent de afweging en toetsing die vooraf is gegaan aan elke afgegeven vergunning voor de uitvoer van militaire goederen (in aantallen variërend van 800 tot meer dan 1 500 per jaar). In onze eerdere brief hebben wij aangegeven dat het kabinet bereid is dat te doen met een scherpe selectie van besluiten over de belangrijkste vergunningen. Het kabinet ziet dat als een wezenlijke en haalbare toezegging.

De PvdA, SP en GroenLinks vroegen voorts of de drempelwaarde voor de versnelde rapportage niet verlaagd kan worden en om hoeveel zaken het vanuit historisch perspectief zou gaan. Bij de vaststelling van de drempelwaarde voor de versnelde rapportage heeft zowel de inhoudelijke focus als de praktische uitvoerbaarheid een rol gespeeld. De focus zou volgens het kabinet moeten liggen op de meest substantiële leveranties van militaire goederen. De nadruk ligt dan op de afstoting van overtollige wapensystemen van onze eigen strijdkrachten en op de levering van complete nieuwbouw wapensystemen aan landen buiten de kring van bondgenoten. Zulke leveranties overstijgen bijna per definitie de drempelwaarde van € 5 miljoen euro. Op grond van historische gegevens zal het gaan om ongeveer vijf gevallen per jaar.

Juridische bezwaarprocedure

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de bewindspersonen kunnen uitleggen waarom zij zo expliciet aangeven dat juridische bezwaarprocedures de beoordeling van een wapenexportaanvraag sterk zullen beïnvloeden. In de brief hebben wij gesteld dat «bij de besluitvorming rekening gehouden moet worden met het feit dat de gronden voor afwijzing juridisch verdedigbaar moeten zijn in bezwaarprocedures.» Dat betekent niet dat de mogelijkheid van juridische procedures bepalend is voor onze besluiten, maar wel dat wij onze bestuurlijke taak zorgvuldig moeten uitvoeren en kritisch moeten kijken naar de gronden voor onze besluiten en moeten beseffen dat die besluiten vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Naar ons oordeel hoort dat bij de uitgangspunten voor behoorlijk bestuur.

Overige vragen

In reactie op de vraag van de leden van de CDA-fractie over de termijn waarop de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een reactie zal ontvangen op het rapport van IKV over clustermunitie, kan worden gezegd dat de regering zich beraadt over deze kwestie. De minister van Financiën zal de Kamer hierover informeren.

In reactie op de vragen van de leden van de GroenLinks-fractie over het VN-wapenhandelverdrag (ATT) kan de regering bevestigen dat Nederland een groot pleitbezorger is van een effectief en universeel wapenhandelverdrag. Nederland zal dit onderwerp dan ook in bilaterale contacten aan de orde blijven stellen. Zo is de Minister van Buitenlandse Zaken voornemens tijdens zijn aanstaande bezoek aan India – een van de minder enthousiaste VN-lidstaten op dit onderwerp – het thema aan de orde te stellen. Ook op andere momenten in de aanloop naar de diplomatieke conferentie van medio 2012 zal Nederland dit thema opbrengen.

Wat betreft de scenario’s voor wapenexport waar de leden van de GroenLinks-fractie naar vragen is de regering niet van plan om te treden in de beantwoording van hypothetische vragen. De genoemde vergunningen zijn afgegeven op basis van de ook toen al geldende zorgvuldige procedure voor de afweging van de criteria. Deze aanvragen zijn elk afzonderlijk getoetst en hebben geleid tot het afgeven van de vergunningen. Anders dan voorheen worden nieuwe aanvragen voor vergunningen op dit moment beoordeeld volgens een aangepaste procedure, zoals omschreven in de Kamerbrief van 10 juni en in de beantwoording hierboven. De praktijk zal uitwijzen in hoeverre nieuwe vergelijkbare aanvragen anders beoordeeld zullen worden. Wel is het zo dat onder de voorgenomen doorvoerregels de verscheping (met overlading) van automatische geweren naar een land waar een burgeroorlog plaatsheeft – in casu toenmalig Sri Lanka – niet ongetoetst en zeer waarschijnlijk helemaal niet zou hebben plaatsgevonden via Nederlands grondgebied.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD), Verhoeven, K. (D66) en Holtackers, M.P.M. (CDA).

Plv. leden: Jadnanansing, T.M. (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Dikkers, S.W. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Irrgang, E. (SP),Groot, V.A. (PvdA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Gerven, H.P.J. van (SP), Schouten, C.J. (CU), Gent, W. van (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD), Veldhoven, S. van (D66) en Ormel, H.J. (CDA).


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl