﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-32-1810/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>21 501</dossiernr>-<raadnr>32</raadnr></dossiernummer>
      <titel>Landbouw- en Visserijraad</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">1810</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-20">20 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 13 mei 2026 over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1792" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1792</extref>).</al>
            <al>De vragen en opmerkingen zijn op 19 mei 2026 aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Steen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>Adjunct-griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Bosman</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop>
          <titel>Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de agenda van de formele Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden willen in het bijzonder stilstaan bij het vraagstuk van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen, omdat dit vraagstuk naar hun oordeel niet alleen een economisch, maar ook een fundamenteel strategisch karakter heeft. De Europese landbouw staat voor grote uitdagingen: klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en geopolitieke spanningen ondermijnen op termijn de voedselzekerheid op ons continent. De huidige prijsstijgingen van kunstmest, mede veroorzaakt door verstoringen in de energiemarkt en de handelsroutes rond de Straat van Hormuz, laten zien hoe kwetsbaar ons voedselsysteem is wanneer het sterk leunt op importen van buiten de Europese Unie (EU). Deze leden zijn dan ook blij dat de Europese Commissie (EC) op 19 mei 2026 een actieplan voor meststoffen heeft gepresenteerd en dat het kabinet werk maakt van maatregelen om de directe problemen te verzachten. Tegelijk hopen zij dat dit moment ook wordt aangegrepen om de koers voor de langere termijn te bepalen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe hij het actieplan van de EC beoordeelt en in hoeverre de daarin opgenomen maatregelen, zoals steun aan boeren, versterking van de Europese productie, precisielandbouw en de ontwikkeling van biobased en lage-CO<inf>2</inf>-meststoffen, aansluiten bij de Nederlandse inzet. Deze leden vragen ook of de Minister van mening is dat dit actieplan voldoende ambitie toont voor de middellange en lange termijn, of dat aanvullende stappen nodig zijn.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ten algemene sta ik positief tegenover het inzetten op precisielandbouw en biobased en circulaire meststoffen, zoals RENURE. Het actieplan van de Europese Commissie (hierna: Commissie) lijkt hiervoor concrete aangrijpingspunten te bieden. Het actieplan bevat daarnaast een verscheidenheid aan maatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Tweede Kamer op korte termijn voorzien van een appreciatie.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de discussie over een mogelijke tijdelijke uitzondering op de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM)-heffing voor geïmporteerde kunstmest. Deze leden begrijpen dat hoge inputkosten druk leggen op boeren, maar vragen de Minister hoe hij aankijkt tegen het risico dat een tijdelijke vrijstelling de prikkel wegneemt om te investeren in duurzamere alternatieven zoals Renure en de Europese kunstmestindustrie te versterken. Welk effect heeft deze vrijstelling op Europese kunstmestproducenten? Zij vragen voorts of de Minister het voorstel van rapporteur Canfin in het Europees Parlement (EP) kent en hoe hij dit idee waardeert als mogelijke brug tussen klimaatambities en de bestaanszekerheid van boeren. Is de Minister het met deze leden eens dat het terugvloeien van de gelden niet alleen direct naar het boerenerf is, maar ook wordt ingezet om duurzamer alternatieven te stimuleren, zoals meer grondgebonden landbouw?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Over de inzet van het kabinet is de Kamer door middel van een BNC-fiche geïnformeerd. Het kabinet bestudeert alle voorstellen vanuit het Europees Parlement in deze onderhandelingen doorlopend in lijn met de inzet zoals verwoord in het BNC-fiche. De Commissie heeft in haar voorstel voor herziening van de CBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen, waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden een CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen. Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM en meststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducenten en agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusief artikel 27a) zich momenteel nog in de onderhandelingsfase bevindt en nog niet van kracht is. Het kabinet is, conform de positie in het BNC-fiche, geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept in Europees verband op tot het schrappen ervan in de herziening.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie wijzen erop dat Europa voor een aanzienlijk deel afhankelijk is van import van kalium- en fosfaatmeststoffen uit Rusland en Belarus en dat ook de afhankelijkheid van energie en diervoeder uit het buitenland de weerbaarheid van ons voedselsysteem beperkt. Deze leden vragen de Minister hoe hij deze geopolitieke kwetsbaarheid weegt in de Nederlandse inzet bij de Raad en welke concrete stappen Nederland bepleit om de strategische autonomie van de EU op het gebied van meststoffen te vergroten. Zij vragen ook of de Minister bereid is om bij de Raad te pleiten voor een ambitieuzer diversificatiebeleid waarbij de EU actief inzet op alternatieve bronnen en het verminderen van importafhankelijkheid op de lange termijn.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Om de afhankelijkheid van de import van kunstmestsoorten uit Belarus en Rusland af te bouwen en de Europese strategische autonomie en productiecapaciteit te borgen, heeft de Commissie reeds in 2025 het voorstel gedaan om importheffingen op te leggen voor deze goederen. Deze zijn sinds medio 2025 ook van kracht, waarbij de heffing in drie jaar stapsgewijs oploopt. Over de appreciatie van het kabinet van de maatregelen zoals opgenomen in het Actieplan Meststoffen zal de Kamer per BNC-fiche geïnformeerd worden. De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) werkt daarnaast mede in reactie op de geopolitieke situatie aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid en zal de Kamer over de contouren daarvan voor de zomer informeren. Hierin zal ook aandacht zijn voor de inzet op het verminderen van strategische afhankelijkheden.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie zijn ervan overtuigd dat de structurele oplossing voor de mestproblematiek, de geopolitieke kwetsbaarheid en de uitdagingen op natuur hand in hand gaat met de omschakeling naar een meer grondgebonden landbouw. Wanneer de hoeveelheid vee beter in balans is met het eigen landareaal, verminderen niet alleen de uitstoot van stikstof en broeikasgassen, maar ook de afhankelijkheid van geïmporteerd diervoeder en kunstmest. Deze leden vragen de Minister hoe hij de relatie ziet tussen de kortetermijnmaatregelen rond mestbeschikbaarheid en de langetermijnambitie voor een grondgebonden landbouwsysteem. Zij vragen ook of de Minister van mening is dat het actieplan van de EC voldoende aandacht besteedt aan deze structurele omslag, of dat hier aanvullend beleid voor nodig is.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Inderdaad kan een meer grondgebonden landbouw een relevante manier zijn om de afhankelijk van externe inputs te verminderen. Tegelijkertijd zal er ook in een grondgebonden landbouwsysteem een rol weggelegd zijn voor kunstmest, bijvoorbeeld uit voedselveiligheidsoverwegingen. De discussie over een meer grondgebonden landbouw is vooral in de Nederlandse context relevant. Het Europese plan besteed daar minder aandacht aan. Om deze reden werkt het kabinet aan aanvullend beleid door uiterlijk in 2032 een eenvoudige grondgebondenheidsnorm in te voeren, zoals genoemd in het Coalitieakkoord.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie willen in dit verband een concreet instrument uitlichten, Renure: kunstmestvervangers geproduceerd uit dierlijke mest. Deze technologie biedt een aantrekkelijk perspectief, omdat zij tegelijk de druk op de kunstmestmarkt vermindert, de kringloop van nutriënten sluit en de afhankelijkheid van geïmporteerde meststoffen terugdringt. Tegelijkertijd hebben deze leden ook zorgen bij het uitrollen van Renure, omdat dit alleen bijdraagt aan een grondgebonden kringlooplandbouw als dit onder de juiste voorwaarden wordt toegepast. In tegenstelling tot bijvoorbeeld kunstmest dat buiten de mestnorm valt. Deze leden vragen de Minister of Renure een expliciete plek krijgt in het Europese actieplan voor meststoffen en hoe de Europese regelgeving op dit punt zich ontwikkelt. Zij hechten eraan dat de regelgeving voor Renure zodanig wordt vormgegeven dat het middel echt bijdraagt aan grondgebondenheid en niet verworden tot een omweg om de mestoverschot problematiek te verdoezelen. Zij vragen de Minister hoe hij borgt dat de normen voor RENURE streng genoeg zijn om dit te garanderen, maar tegelijk voldoende werkbaar om innovatie en praktijkadoptie te stimuleren.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>RENURE heeft inderdaad een concrete plek gekregen in het Actieplan Meststoffen van de Commissie. Daarbij heeft de Commissie aangegeven dat zij onderzoekt of bepaalde vormen van digestaat kunnen voldoen aan de criteria. Mocht dit betekenen dat hiervoor technische aanpassingen van de Nitraatrichtlijn nodig zijn, dan zal de inzet van Nederland erop gericht zijn dat dit gebeurt op een manier die recht doet aan zowel boer als milieu.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van precisielandbouw en innovatie als middelen om het gebruik van meststoffen te verminderen zonder de productiviteit te schaden. Nederland heeft op dit vlak een sterke kennispositie. Deze leden vragen de Minister op welke manier Nederland deze expertise inbrengt in de Europese discussie over het actieplan voor meststoffen en hoe hij borgt dat de Europese aanpak voldoende ruimte biedt voor vernieuwing en de toepassing van biobased alternatieven. Zij vragen tot slot of de Minister mogelijkheden ziet om de bestaande kennis en technologie op het gebied van duurzame meststoffen en kringlooplandbouw beter te benutten als onderdeel van de Europese strategie voor strategische autonomie en voedselzekerheid.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Met diverse lopende onderzoeksprojecten, zoals de Privaat-Publieke Samenwerking (PPS) Reinventing Circular Dairy Farming, de PPS NitriNure en de PPS «Op weg naar circulaire en klimaatneutrale meststoffen» draagt Nederland bij aan het ontwikkelen van duurzame meststoffen en het zoveel mogelijk sluiten van kringlopen. Ook op basis van bestaande onderzoeksresultaten, zoals uit de pilot Mineralenconcentraat en de Kunstmestvrije Achterhoek, kan het Europees beleid mogelijk worden versterkt. In de te voeren discussies over de implementatie van het actieplan voor meststoffen zal Nederland deze kennis zoveel mogelijk benutten en onder de aandacht brengen bij de relevante partijen.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen en vragen.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Europees mestbeleid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie zien dat Europese boeren opnieuw worden geraakt door geopolitieke onrust en stijgende kosten. Waar eerder de energiecrisis en de oorlog in Oekraïne tot forse kunstmestprijsstijgingen leidden, zorgen spanningen in het Midden-Oosten opnieuw voor onzekerheid over beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen. Tegelijkertijd staat op de agenda van de Landbouw- en Visserijraad het Europese actieplan voor meststoffen, gericht op ondersteuning van landbouwers en het versterken van veerkrachtige voedselsystemen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vinden dat Europa hier niet passief kan toekijken. Boeren moeten kunnen beschikken over betaalbare productiemiddelen, zonder dat voedselproductie in Europa verder onder druk komt te staan. Strategische autonomie betekent immers ook voedselzekerheid. Daarom hebben deze leden de volgende vragen aan de Minister. Hoe beoordeelt de Minister de berichten dat de EC werkt aan aanvullende steunmaatregelen om boeren te beschermen tegen oplopende kunstmestprijzen? Welke opties liggen volgens de Minister op tafel en steunt Nederland een gerichte Europese aanpak om prijsschokken op te vangen?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de Minister aangeven hoe het Europese actieplan concreet gaat bijdragen aan meer leveringszekerheid en lagere afhankelijkheid van instabiele externe markten voor kunstmestgrondstoffen? Wordt daarbij ook gekeken naar het versterken van Europese productiecapaciteit?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het Actieplan Meststoffen dat op 19 mei jl. door de Commissie is gepubliceerd, bevat een verscheidenheid aan maatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadere appreciatie.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie zien tegelijkertijd kansen in innovatie en circulariteit. Nederland heeft veel kennis op het gebied van hoogwaardige mestverwerking. Kan de Minister bevestigen dat Nederland in Brussel actief inzet op het sneller toelaten en opschalen van circulaire meststoffen, zoals onder andere Renure, als volwaardig alternatief voor kunstmest?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik zet mij inderdaad in voor het beter mogelijk maken van het gebruik van circulaire meststoffen. Een belangrijke stap daarin is de implementatie van de huidige mogelijkheden voor RENURE-meststoffen, waarvan de verwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn. Daarnaast wordt in het Actieplan Meststoffen de meerwaarde van het gebruik van meer RENURE-waardige meststoffen, bijvoorbeeld uit digestaat, benadrukt. Ik kijk uit naar de voorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister de mening deelt dat Europese regelgeving innovatie nu te vaak belemmert, terwijl juist modernisering en technologische ontwikkeling boeren weerbaarder kunnen maken. Kan de Minister daarnaast toezeggen dat bij de Nederlandse appreciatie van het Europese actieplan nadrukkelijk wordt gekeken naar zowel betaalbaarheid op de korte termijn als structurele versterking van de concurrentiekracht en strategische autonomie van de Europese landbouw?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Kamer op korte termijn informeren over de kabinetsappreciatie van het Actieplan Meststoffen. Hierin zal inderdaad ook worden ingegaan op de effecten van dit plan op zowel de betaalbaarheid, als de versterking van de concurrentiekracht en strategische autonomie.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s)</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stand van zaken rondom de Europese onderhandelingen over Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s). Deze leden constateren dat de Europese Raad reeds groen licht heeft gegeven op het onderhandelingscompromis en dat behandeling in het EP naar verwachting zal plaatsvinden tijdens de ENVI-commissie van 1 tot en met 6 juni 2026 en de plenaire stemming van 15 tot en met 18 juni 2026.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie onderstrepen het grote belang van innovatie binnen de land- en tuinbouw, zeker in het licht van voedselzekerheid, weerbaarheid, verduurzaming en het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Deze leden zien NGT’s als een belangrijke technologie om sneller en gerichter gewassen te ontwikkelen die beter bestand zijn tegen ziekten, droogte en veranderende omstandigheden. Zij constateren tegelijkertijd dat op het onderhandelingscompromis verschillende amendementen zijn ingediend die volgens betrokken sectorpartijen kunnen leiden tot aanzienlijke vertraging van het proces of zelfs het stilvallen van het gehele voorstel. Zij vragen de Staatssecretaris om een appreciatie van de huidige stand van zaken binnen het EP. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de risico’s voor vertraging of heropening van de onderhandelingen indien amendementen worden aangenomen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In de triloog over het voorstel over Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) zijn het Voorzitterschap van de Raad en de rapporteur van het Europees Parlement tot een akkoord gekomen dat op meerderheden in beide wetgevende organen kan rekenen. Aangezien op de voorliggende tekst een akkoord in de triloog is bereikt, ga ik ervan uit dat de NGT-verordening zonder amendementen zal worden aangenomen door het Europees Parlement.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Daarnaast vragen deze leden welke gevolgen een langdurige vertraging of mogelijke intrekking van het voorstel zou hebben voor de Nederlandse veredelingssector, de concurrentiepositie van Nederland en het Europese innovatieklimaat. De leden van de VVD-fractie lezen dat verschillende amendementen zien op aanvullende verplichtingen rondom traceerbaarheid, etikettering, detectiemethoden en octrooiering. Deze leden vragen de Staatssecretaris in hoeverre dergelijke aanvullende eisen volgens het kabinet proportioneel, uitvoerbaar en werkbaar zijn voor veredelingsbedrijven en kennisinstellingen. Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen amendementen die ertoe kunnen leiden dat lidstaten aanvullende nationale maatregelen kunnen nemen rondom NGT’s. Acht de Staatssecretaris het wenselijk dat hierdoor opnieuw versnippering binnen de Europese interne markt ontstaat?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik steun het akkoord uit het triloog en ben van mening dat daarmee een proportioneel en uitvoerbaar wetgevend kader tot stand komt. Voortgang op het NGT-dossier is zeer van belang voor de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse en Europese veredelingssector. Nederland zet zich hiervoor dan ook actief in de Raad voor in. De amendementen, waarover het Europees Parlement zich momenteel buigt, zetten de proportionaliteit en uitvoerbaarheid van de wetgeving onder druk. In het geval dat het Europees Parlement amendementen aanneemt, zal het NGT-voorstel teruggaan naar de triloog.</al>
              <al>Aanvullende eisen rondom traceerbaarheid, etikettering, detectiemethoden en octrooiering zetten de proportionaliteit van de wetgeving onder druk en kunnen nu niet op mijn steun rekenen. Mijn inzet voor categorie 1 NGT-planten is dat deze zo veel mogelijk op dezelfde manier gereguleerd worden als klassiek veredelde planten, aangezien deze planten ook met klassieke veredeling tot stand kunnen komen. Daarom vind ik dat aanvullende nationale maatregelen voor categorie 1 NGT-planten niet proportioneel zijn. Aangezien categorie 2 NGT-planten onder de regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) blijven vallen, zijn aanvullende nationale maatregelen voor categorie 2 NGT-planten wel mogelijk.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie wijzen daarnaast op de breed aangenomen motie-Den Hollander c.s. waarin het kabinet is verzocht te komen tot een ambitieuze innovatieagenda voor de tuinbouw-, zaadveredelings- en biotechnologiesector (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-36800-XIV-49" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">36 800 XIV, nr. 49</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Deze leden zien voortgang op het NGT-dossier als een belangrijk onderdeel daarvan. Zij vragen de Staatssecretaris daarom welke inzet het kabinet de komende periode richting het EP en andere lidstaten pleegt om voortgang op het NGT-voorstel te ondersteunen en het belang van een werkbaar en innovatievriendelijk Europees kader te onderstrepen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland brengt het belang van een proportioneel wetgevend kader voor NGT-planten en het snel tot stand komen van de NGT-verordening actief in Raadsvergaderingen en in bilaterale overleggen met andere lidstaten naar voren. Het Europees Parlement is echter een eigen wetgevend orgaan en mag een eigen afweging maken. Daarbij is het natuurlijk wel van belang dat het Europees Parlement waarde hecht aan het akkoord dat is bereikt in de triloog.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Visserijakkoorden met derde landen</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie onderstrepen het belang van een sterke en toekomstbestendige Nederlandse visserijsector. Deze leden vinden het van groot belang dat Nederlandse vissers kunnen blijven investeren in innovatie, verduurzaming en efficiëntere vistechnieken. De pelagische visserij is daar volgens deze leden een belangrijk voorbeeld van. Tegelijkertijd constateren zij dat innovatieve Nederlandse visserijmethoden in Europees verband regelmatig onder druk staan, terwijl Nederlandse vissers juist investeren in verduurzaming en lagere brandstofkosten. Zij vragen de Staatssecretaris daarom op welke wijze hij zich in Europees verband inzet voor een gelijk speelveld en voor behoud van ruimte voor innovatieve en duurzame vistechnieken binnen de Nederlandse visserijsector.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris zet onder andere bij de totstandkoming van nieuwe regelgeving in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid in op een gelijk speelveld tussen lidstaten en daarmee ook tussen vissers, daar waar ze in dezelfde wateren actief zijn.</al>
              <al>Voor innovatie en duurzame vangsttechnieken is met name de Technische Maatregelen verordening een belangrijk kader. Nederland vraagt binnen de diverse Europese gremia aandacht voor het mogelijk maken van nieuwe technieken om zo bij te dragen aan het toewerken naar een duurzamere visserij.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van de lopende onderhandelingen over de visserijakkoorden met Mauritanië en Marokko. Deze leden constateren dat de voorwaarden binnen het partnerschap met Mauritanië steeds verder onder druk staan, onder meer door afnemende vangstmogelijkheden, hoge operationele kosten en oneerlijke concurrentie met niet-EU-vloten. Ook constateren deze leden dat er nog weinig duidelijkheid bestaat over de voortgang van een nieuw akkoord met Marokko, terwijl dit van groot belang is voor de Nederlandse pelagische visserijsector. Zij vragen de Staatssecretaris daarom naar de actuele stand van zaken van de onderhandelingen met Mauritanië en Marokko. Welke inzet pleegt het kabinet in Brussel om te komen tot werkbare afspraken, eerlijke concurrentievoorwaarden en toekomstbestendige toegang voor de Nederlandse pelagische sector? Kan de Staatssecretaris daarnaast aangeven of hij mogelijkheden ziet om het proces rondom een nieuw akkoord met Marokko actief te ondersteunen of te versnellen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De onderhandelingen met Mauritanië en Marokko zijn twee verschillende processen. Eerder is de inzet van het kabinet met de Kamer gedeeld (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1736" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1736</extref>). Het proces met Mauritanië loopt sinds het begin van dit jaar en het streven van de Commissie is om rond deze zomer een akkoord te kunnen sluiten. Een gelijk speelveld van de EU-visserij met andere vissende landen is essentieel om te komen tot een werkbaar akkoord. Er is intensief overleg met de Commissie en de Nederlandse sector over deze onderhandelingen, met name ook over de toegang tot duurzame en toekomstbestendige quota.</al>
              <al>De Commissie en de betrokken lidstaten, waaronder dus Nederland, streven ernaar om nog voor de zomer een finaal voorstel bij de Mauritaanse regering voor te leggen. De onderhandelingen met Marokko zijn nog niet begonnen, maar hebben de volle aandacht van het kabinet. Het streven is om rond de zomer voldoende duidelijkheid van de Marokkaanse regering te krijgen om de onderhandelingen snel te kunnen laten beginnen. Nederland stelt alles in het werk om ook hier snel duurzame en toekomstbestendige afspraken te maken over de toegang tot en visserijmogelijkheden in de Marokkaanse wateren.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Deze leden hebben vragen en opmerkingen hierover en dragen enkele diversenpunten aan over visserij.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Verslag 3–5 mei</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn in beginsel kritisch over de vereenvoudingsvoorstellen van de EC. Deze leden lezen dat enkele landen hebben opgeroepen om een Omnibusvoorstel voor de visserij te presenteren. Zij horen graag meer over welke lidstaten dit bepleiten en wat volgens hen onderdeel zou moeten zijn van een dergelijk voorstel. Dit verbaast deze leden, omdat de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) aangaf dat knelpunten vooral een probleem zijn met implementatie of lagere regelgeving. Hoe kijkt het kabinet hiernaar? Deze leden lezen dat Nederland de controleverordening aandroeg als mogelijk punt om te vereenvoudigen. Kan het kabinet duidelijk uitleggen wat haar kritiek is op de controleverordening (en ander beleid wat volgens haar «simpeler» moet) en of het kabinet (impliciet) steun heeft uitgesproken voor een Omnibusvoorstel voor de visserij? Is het kabinet bereid om zich actief tegen de komt van een Omnibus voor visserij uit te spreken en voor wezenlijke problemen in de bureaucratie te kijken naar hoe bestaand beleid praktischer uitvoerbaar gemaakt kan worden, zonder het beleid an sich aan te passen? Deze leden wijzen erop dat vereenvoudiging nooit een doel op zich is en niet ten koste mag gaan van publieke belangen zoals gezondheid en dierenwelzijn.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals in het Coalitieakkoord is aangegeven, wil het kabinet aan de slag met het vereenvoudigen van bestaande wet- en regelgeving. De doelstelling van het kabinet sluit aan bij de ambitie van de Commissie die bestaande administratieve lasten met 25% wil verminderen<noot id="ID-1249371-d40e240" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><extref doc="https://commission.europa.eu/document/download/028ce7d5-e328-4416-8f0d-35c8884acaa8_en?filename=Mission%20letter%20-%20KADIS.pdf" soort="URL" status="actief">
                              028ce7d5-e328-4416-8f0d-35c8884acaa8_en</extref></noot.al></noot>. Het opstellen van visserijwet- en regelgeving valt grotendeels onder de exclusieve competentie van de EU. Het kabinet zet daarom in om bestaande visserijwet- en regelgeving ten algemene te versimpelen en administratieve lasten te verlichten zonder daarbij de ambities van het GVB te versoepelen. Het vereenvoudigen van bestaande wet- en regelgeving moet als doel hebben om de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en proportionaliteit in de praktijk te verbeteren voor zowel de visserijsector als de uitvoerende diensten. Hierbij is de Controleverordening een van de onderdelen waarnaar gekeken kan worden, omdat de implementatie van controlemaatregelen een grote impact heeft in de praktijk. Bij controlemaatregelen moet er goed gekeken worden welke gegevens er nodig zijn voor effectieve en efficiënte handhaving en niet enkel naar de technische mogelijkheden om gegevens te genereren. Nederland ziet onder andere mogelijkheden om het aanleveren van controlegegevens door de visserijsector te versimpelen en hiermee de administratieve lasten voor zowel de vissers als de controlediensten te verlichten.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ook het grote aantal afwijzingen van eco-activiteiten is besproken met sectorvertegenwoordigers. Welke boerenorganisaties zijn betrokken geweest? Deze leden vragen zich af welke concrete uitkomsten dit gesprek had. Welke acties volgen voor het kabinet naar aanleiding van het gesprek? Welke nieuwe inzichten heeft dit opgeleverd?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Vertegenwoordigers van de Nederlandse land- en tuinbouw (LTO), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV), het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en een aantal bedrijfsadviseurs waren aanwezig. Tijdens deze gesprekken is uitleg gegeven over de werking van het Areaal Monitoring Systeem (AMS) en is een aantal casussen naar voren gekomen waarin mogelijk sprake is van onjuiste beoordeling van eco-activiteiten. Deze casussen zijn door RVO bekeken en naast de bij RVO beschikbare gegevens gelegd. Hieruit blijkt niet dat sprake is van structureel onjuiste beoordelingen door het AMS. De conclusie is dat het AMS op zichzelf een goed functionerend systeem is. Er is bij de menselijke beoordeling aandacht nodig voor de doodgevroren gewassen. Tijdens het overleg is er door de sectorpartijen op gewezen dat tijdige en gerichte communicatie via het AMS nodig is om boeren op de hoogte te houden van hun subsidieaanvraag. Ik onderzoek samen met RVO momenteel wat mogelijk is.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Verslag 27 april 2026</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de grenzen voor inkomenssteun ter discussie lagen. Deze leden steunen de Nederlandse inzet wat betreft het gericht inzetten van inkomenssteun ter bevordering van publieke belangen en het halen van juridische doelen. Zoals ook in de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1780" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1780</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) is gesteld, zijn deze leden van mening dat de bandbreedte van inkomenssteun beperkt moet worden ten gunste van het bekostigen van ecosysteemdiensten. Echter lezen zij alleen dat de ondergrens van de inkomenssteun ter sprake is gekomen en niet de bovengrens ter discussie is gesteld. Hoe kijkt het kabinet naar het beperken van beide kanten van de bandbreedte? Is dit in de Landbouw- en Visserijraad van 27 april 2026 ook ter sprake gekomen en zo ja, welke opvattingen bestonden hierover?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In lijn met de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1780" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1780</extref>) is in Europees verband gesproken over het verlagen van de DABIS-bandbreedte wat betreft de inkomenssteun voor boeren. Daarbij heeft Nederland in overleggen zowel de ondergrens benoemd als de bovengrens. Het naar beneden brengen van de bovenkant van de bandbreedte verplicht andere EU-lidstaten om de gelden aan andere GLB-instrumenten te besteden. Het verlagen van de onderkant van de bandbreedte creëert de mogelijkheid voor lidstaten om gelden aan andere GLB-interventies uit te geven. Nederland zet zich voor beide doelen in en zoekt hierbij uiteraard naar coalities in Europees verband.</al>
            </al-groep>
            <al>In de afgelopen Raad is het verlagen van de bandbreedte kort en meer in algemene zin besproken, maar in voorbereidende overleggen van de Raad is ook explicieter de bovengrens benoemd. Er zijn meer lidstaten naast Nederland die vraagtekens stellen bij de bandbreedte. Zij doen dit vanuit verschillende motieven. Er zijn lidstaten die de ondergrens zouden willen verlagen, omdat dit bijdraagt aan flexibiliteit voor lidstaten om gelden in te zetten voor bijvoorbeeld verduurzaming, maar ook voor doelen als plattelandsontwikkeling, innovatie en het lange termijn concurrentievermogen. Zij hebben bijvoorbeeld onvoldoende GLB-budget om het niveau van 130 euro per hectare uit te kunnen betalen of er blijft dan te weinig geld over voor andere GLB-interventies. Wat betreft de bovengrens van de DABIS-bandbreedte van 240 euro per hectare verloopt de discussie anders. Er zijn lidstaten die überhaupt geen plafond of beperkende voorwaarden willen stellen aan de degressieve areaal gebonden inkomenssteun (DABIS) zoals degressiviteit, plafonnering en de DABIS-bandbreedte (130 tot 240 euro). Een enkele lidstaat vindt de bovenkant van de bandbreedte te laag. Het merendeel van de lidstaten lijkt het plafond van de DABIS-bandbreedte niet ter discussie te willen stellen. Nederland pleit voor een toekomstig GLB met voldoende gezamenlijke groene ambitie en zal hierin de samenwerking opzoeken in Europees verband.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Geannoteerde agenda</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1780" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1780</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) wordt ingebracht bij deze discussie. Deze leden verzoeken het kabinet expliciet om zowel de ondergrens als de bovengrens van de bandbreedte voor inkomenssteun ter discussie te stellen. Verder vragen zij hoe deze motie verder wordt uitgevoerd en met welke lidstaten het kabinet hierin optrekt. Is er brede steun voor dit voorstel, of hoe denkt het kabinet dat te kunnen vergaren? Volgens deze leden is dit nodig voor een Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) dat effectief de doelen voor klimaat en natuur behaalt.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In lijn met de motie-Bromet/Podt (Kamerstukken <extref doc="kst-21501-32-1780" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1780</extref>) is er in Europees verband gesproken over het verlagen van de DABIS-bandbreedte wat betreft de inkomenssteun voor boeren. Nederland pleit voor een toekomstig GLB met voldoende gezamenlijke groene ambitie en zal hierin de samenwerking opzoeken in Europees verband.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Diversenpunt: Visserij</nadruk>
            </tussenkop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmerkingen en vragen over de visserij. Deze leden verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank in Den Haag over onvergunde sleepnetvisserij op de Doggersbank (NRC, 11 mei 2026, «Zonder vergunning geen sleepnetvisserij meer in een beschermd zeegebied», </nadruk>
                <extref doc="https://www.nrc.nl/nieuws/2026/05/11/zonder-vergunning-geen-sleepnetvisserij-meer-in-een-beschermd-zeegebied-a4927549" soort="URL" status="actief">
                  <nadruk type="cur">https://www.nrc.nl/nieuws/2026/05/11/zonder-vergunning-geen-sleepnetvisserij-meer-in-een-beschermd-zeegebied-a4927549</nadruk>
                </extref>
                <nadruk type="cur">). Deze leden zijn benieuwd hoe het kabinet op deze uitspraak reageert en welke gevolgen de uitspraak heeft voor bodemberoerende visserij die plaatsvindt op andere plekken in de Noordzee. Is het kabinet bereid om, als vervolg op de uitspraak, de controle en handhaving op bodemberoerende visserij in beschermde gebieden te versterken? Hoe reageert het kabinet op de uitspraak dat vissers voor «miljoenen» in hun jaaromzet geraakt worden door deze uitspraak? Graag ontvangen zij een onderbouwing waaruit blijkt wat de economische waarde is van visserij op de Doggersbank.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet beraadt zich op dit moment over de uitspraak en de mogelijke gevolgen en eventueel hoger beroep. De Kamer zal hier op een later moment over worden geïnformeerd.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om uit te leggen hoe zij de motie-Kostić/Bromet (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1782" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1782</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) uitvoert. Ziet het kabinet ruimte om dit bij de Landbouw- en Visserijraad in te brengen? Welke specifieke acties neemt het kabinet om opvolging te geven aan de motie?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Kamer zal vóór het Commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad van 16 juni 2026 worden geïnformeerd over hoe de Staatssecretaris opvolging wil geven aan de motie-Kostić/Bromet.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen en vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om de discriminatie van schaalvergroting te stoppen. Grote bedrijven borgen onze voedselzekerheid en mogen niet worden afgestraft voor hun efficiency.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In de voorstellen voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) wordt voorgesteld om de basisinkomenssteun degressief toe te passen. Dat wil zeggen dat er een afbouw in de steun zit als het aantal hectaren toeneemt. In de kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel, zoals vastgelegd in het BNC-fiche, heeft het kabinet aangegeven dit voorstel als positief te beoordelen, omdat het GLB hierdoor doelgerichter kan worden ingezet. Dit voorstel heeft een beperkt effect voor de Nederlandse boeren. Lidstaten moeten inkomenssteun richten op landbouwers die actief bijdragen aan voedselzekerheid en zich daarbij beperken tot agrariërs wier primaire activiteit landbouw is. Tegelijkertijd moeten lidstaten verzekeren dat kleine boeren met multifunctionele landbouwbedrijven niet buitengesloten worden.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om ervaren boeren niet uit te sluiten van steun. Het uitsluiten van pensioengerechtigde boeren leidt tot het verdwijnen van landbouwgronden en productiecapaciteit.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderzoekt het voorstel voor het verplicht koppelen van de pensioenleeftijd aan afbouw van de basisinkomenssteun en kijkt wat de impact precies zal zijn voor de Nederlandse situatie en voor de betreffende boeren. Het kabinet is kritisch omdat hiermee actieve boeren die zich volledig in blijven zetten voor de Nederlandse en Europese voedselzekerheid, na het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd geen steun meer kunnen ontvangen. Ik wil het definitieve standpunt mede laten afhangen van de uitwerking van de regelingen voor generatievernieuwing en van de verdere onderhandelingen over het landbouwdeel van het Meerjarig Financieel Kader (MFK).</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is Renure per direct te erkennen als kunstmestvervanger en de opschorting van CBAM-heffingen om de kosten direct te verlagen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Begin dit jaar is reeds een aanpassing van de Nitraatrichtlijn doorgevoerd die het mogelijk maakt enkele RENURE-producten boven de gebruiksnorm voor dierlijke mest toe te passen. Nederland werkt momenteel aan de implementatie van deze wijziging, waarbij de verwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn. In het Actieplan Meststoffen heeft de Commissie aangekondigd verder te willen kijken naar bepaalde vormen van digestaat die kunnen voldoen aan de RENURE-eisen. Het kabinet kijkt uit naar de voorstellen van de Commissie op dit vlak.</al>
            </al-groep>
            <al>CBAM kan een belangrijke rol spelen bij de inzet op circulaire meststoffen, zoals de ontwikkeling van RENURE, en het efficiënter gebruik van nutriënten. De Commissie heeft in haar voorstel voor de herziening van de CBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen, waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden een CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen. Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM en meststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducenten en agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusief artikel 27a) zich momenteel in de onderhandelingsfase bevindt en nog niet van kracht is. Het kabinet is, conform de positie in het BNC-fiche, geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept in Europees verband op tot het schrappen ervan in de herziening.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is een einde te maken aan de Brusselse regelzucht. Dat de Minister zweeg over de administratieve lasten van gewasbeschermingsmiddelen is een breuk met het belang van de sector. Wat deze leden betreft zou Nederland juist de strijd moeten aanvoeren tegen de afvinklijstjes uit Brussel.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In het Coalitieakkoord staat dat het verminderen van regeldruk bij nieuwe beleidsvorming en bestaande regels, ook voor boeren en vissers, een van de prioriteiten van het kabinet is. Het kabinet zet in op werkbare nieuwe nationale en Europese regelgeving voor boeren, vissers en andere ondernemers in de agroketen. Het kabinet staat dan ook in beginsel positief tegenover het Omnibuspakket voedsel en diervoeder en onderschrijft de doelstelling van vereenvoudiging, versnelling en harmonisatie van EU-regelgeving, zolang het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu wordt gehandhaafd. Door bij de ontwikkeling van nieuwe regels vroegtijdig aandacht te besteden aan uitvoerbaarheid en regeldruk, wordt voorkomen dat beleid dat bedoeld is om maatschappelijke doelen te realiseren in de praktijk leidt tot onnodige administratieve lasten of complexe uitvoeringssituaties.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om onze nationale soevereiniteit te plaatsen boven sector overstijgende EU bemoeienis met betrekking tot ons landbeheer. Onze grond en ons landschap zijn van Nederland, niet van Brussel.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland is als EU-lidstaat in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor het in EU-verband vastgestelde beleid en nationaal verantwoordelijk voor de implementatie daarvan op eigen grondgebied.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om kritisch te onderzoeken in hoeverre de huidige, zeer strikte normen voor waterkwaliteit en het waterbeheer onbedoeld bijdragen aan het verdwijnen van de noodzakelijke leefomgeving voor vissoorten zoals de ansjovis. De Oosterschelde verliest door een gebrek aan brak water haar functie als paaigebied. Erkent het kabinet dat het handhaven van dergelijke hoge normen in de toekomst kan leiden tot het verdwijnen van meer vissoorten en het definitief verloren gaan van eeuwenoud Nederlands visserijerfgoed?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De normen voor waterkwaliteit zijn de bevoegdheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Ik zal deze vraag naar hem doorgeleiden.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PVV-fractie blijven strijden voor een sector die gewaardeerd wordt om wat zij doet, het voeden van ons volk, zonder de knoet van onnodige EU-dogma’s.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 en hebben hierover enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de op 13 mei jongstleden gepresenteerde Uitvoeringsagenda van de Werktafel Visserij, waarmee concrete acties zijn vastgelegd voor een toekomstbestendige visserij- en aquacultuursector. Is de Minister bereid de Kamer te informeren op welke wijze deze uitvoeringsagenda wordt betrokken bij de Nederlandse inbreng in de Raad en hoe het kabinet in Europees verband aandacht zal vragen voor voldoende ruimte voor innovatieve en duurzame vangsttechnieken, in lijn met de ambities uit het regeerakkoord?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De uitvoeringsagenda bevat acties van alle bij de visserij betrokken partijen. Daarbij zijn ook enkele acties op Europees niveau. Dat betekent niet dat deze acties allemaal ingebracht moeten worden in de Raad. Het kabinet zal in lijn met de ambities uit het regeerakkoord de acties uitvoeren.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie constateren dat de EC de evaluatie van het GVB voorbereidt. Het regeerakkoord benadrukt het belang van samenwerking met Noordzeelanden en duidelijke Europese regelgeving voor de visserijsector. Kan de Minister uiteenzetten welke positie Nederland inneemt ten aanzien van een eventuele herziening van de GVB-basisver<?xpp afbm?>ordening en deelt de Minister de opvatting van deze leden dat het bestaande GVB-kader in de kern voldoende instrumenten bevat en dat de prioriteit moet liggen bij volledige en consequente uitvoering van het huidige beleid, in plaats van een langdurig en onzeker herzieningstraject?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Commissie heeft begin deze maand de uitkomsten van de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) gepresenteerd. In de Raad van juni a.s. zal gesproken worden over deze evaluatie. De Staatssecretaris zal zijn inschatting van de GVB-evaluatie en de inzet ten aanzien van het GVB op korte termijn met de Kamer delen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat het Actieplan Meststoffen op 19 mei wordt gepubliceerd. Kan de Minister toelichten in hoeverre het Actieplan Meststoffen concrete ruimte biedt voor de erkenning en opschaling van Renure als volwaardig alternatief voor kunstmest? Is de Minister bereid zich in de Raad hard te maken voor een snellere Europese erkenning van Renure, zodat Nederlandse veehouders en akkerbouwers hier op korte termijn van kunnen profiteren?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In het Actieplan Meststoffen heeft de Commissie aangekondigd verder te willen kijken naar bepaalde vormen van digestaat die kunnen voldoen aan de RENURE-eisen. Ik kijk uit naar de voorstellen van de Commissie op dit vlak. Begin dit jaar is reeds een aanpassing van de Nitraatrichtlijn doorgevoerd die het mogelijk maakt enkele RENURE producten boven de gebruiksnorm voor dierlijke mest toe te passen. Nederland werkt momenteel aan de implementatie van deze wijziging, waarbij de verwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij uiteen kan zetten hoe het aankijkt tegen de oproep vanuit delen van de Europese landbouwsector om de CBAM-heffingen op geïmporteerde kunstmest tijdelijk op te schorten, mede in het licht van de hoge kosten voor boeren en de concurrentiepositie van de Europese landbouw en is de Minister bereid zich in Europees verband in te zetten voor tijdelijke verlichting, zolang er nog geen gelijk speelveld bestaat voor Europese producenten en agrariërs.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland is een voorstander van het CBAM. Het is een cruciaal instrument om de klimaatdoelstellingen te behalen en draagt bovendien bij aan het concurrentievermogen van de Europese én Nederlandse industrie. Het CBAM creëert een gelijker speelveld tussen EU-lidstaten en derde landen en maakt tevens investeringen in verduurzaming aantrekkelijker. Dit raakt ook aan de opgave om de Europese strategische autonomie te versterken en risicovolle afhankelijkheden van derde landen te beperken. Het is voor Nederland daarom belangrijk de integriteit van het CBAM te bewaken.</al>
              <al>Het kabinet begrijpt de zorgen voor de prijsstijgingen in de agrarische sector, inclusief de meststoffensector (waar reeds een tijdelijk verlaagde CBAM-markup van 1% geldt). Het CBAM draagt er juist aan bij dat er een gelijk speelveld ontstaat en producenten een prikkel krijgen om te verduurzamen.</al>
              <al>De Commissie heeft in het voorstel voor de herziening van de CBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen, waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden een CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen. Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM en meststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducenten en agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusief artikel 27a) zich momenteel in de onderhandelingsfase bevindt en nog niet van kracht is. Het kabinet is, conform de positie in het BNC-fiche, geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept in Europees verband op tot het schrappen ervan in de herziening.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een gelijk speelveld binnen Europa een harde randvoorwaarde is voor een gezonde Nederlandse veehouderijsector. Is de Minister bereid zich er in de Raad voor in te zetten dat de EU Livestock Strategy gepaard gaat met afdwingbare Europese minimumnormen voor dierenwelzijn, zodat Nederlandse veehouders niet worden benadeeld ten opzichte van concurrenten uit andere lidstaten of uit derde landen die aan lagere eisen hoeven te voldoen, zodat er een gelijk speelveld wordt nagestreefd?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In Europees verband is reeds inzet gepleegd om verbeteringen door te voeren bij de voorgenomen herziening van de Europese dierenwelzijnswet- en regelgeving en om tegelijkertijd duidelijke, geharmoniseerde (minimum-)regels vast te stellen die zowel het welzijn van dieren als de concurrentiepositie van onze veehouders ondersteunen. Ook gelijkwaardige minimum-dierenwelzijnseisen voor import van dierlijke producten uit derde landen zijn daarbij van belang. Nederland heeft de Commissie al opgeroepen om bij de herziening van de EU-dierenwelzijnsregelgeving nadrukkelijk te kijken naar welke ten minste gelijkwaardige eisen kunnen worden gesteld aan geïmporteerde producten uit derde landen, met in achtneming van de regels van de WTO. Bovenstaande blijft punt van inzet.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan een inzet op strategische autonomie en voedselzekerheid gezien de geopolitiek situatie. Is de Minister bereid zich er in Europees verband in het kader van de EU livestock strategy in te zetten voor een balans tussen enerzijds verduurzamingsdoelen en anderzijds het behoud van voldoende productiecapaciteit binnen de Europese Unie, zodat de afhankelijkheid van import uit derde landen niet verder toeneemt en het verdienvermogen van Europese boeren blijft behouden?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft het belang van voedselzekerheid en open strategische autonomie. De Staatssecretaris werkt mede in reactie op de geopolitieke situatie aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid en zal de Kamer hierover voor de zomer informeren. Anderzijds staat de sector voor een belangrijke verduurzamingsopgave. Deze opgaven hoeven elkaar niet in de weg staan. Het kabinet zal in het BNC-fiche over de EU Livestock Strategy het uiteindelijke voorstel appreciëren en daarin deze beide belangen meenemen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de in de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk (VK) afgesproken quotumoverdracht eind 2026 afloopt. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is van de onderhandelingen over de visserijafspraken met het VK na 2026 en hoe de Minister zich ervoor inzet dat de belangen van de Nederlandse visserijsector daarbij worden geborgd?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Er is een politiek akkoord bereikt op de EU-VK-top van 19 mei 2025 over de verlenging van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst (HSO) voor wat betreft visserij. Hierbij is de toegang tot de wateren van het VK gecontinueerd; die zou verlopen in juni 2026. De EU en het VK hebben nu afgesproken dat de visserijbepalingen uit de HSO, waaronder de toegang voor Europese vissers tot Britse wateren tot 30 juni 2038 verlengd zal worden, en ook zullen de huidige quotaverdelingen gehandhaafd blijven tot die datum.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de toenemende ruimtedruk op de Noordzee als gevolg van onder meer de uitrol van windparken op zee. Het regeerakkoord benadrukt dat windmolens op zee natuurversterkend worden gebouwd, met oog voor de visserij. Is de Minister bereid zich er in de Raad voor in te zetten dat bij de integrale Noordzeeaanpak, inclusief de uitvoering van de Natuurherstelverordening, voldoende ruimte voor de visserij behouden blijft en dat medegebruik van windparkgebieden door vissers actief wordt bevorderd?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Met het Programma Noordzee geeft het Rijk invulling aan onder andere het Maritiem Ruimtelijk Plan. Dit verplichte programma op grond van artikel 3.9 van de Omgevingswet organiseert de ruimtelijke ordening op de Noordzee en gaat over de integrale Noordzeeaanpak. Dat is dus geen bevoegdheid van de Raad. Het is de verwachting dat de Kamer begin 2027 wordt geïnformeerd over het ontwerp van het PNZ 28-33.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie wijzen op de diesel- en CO<inf>2</inf>-afhankelijkheid van de visserijsector. Deze leden wijzen in dat verband op het Deense model van een gefaseerde CO<inf>2</inf>-heffing op visserijbrandstoffen met een hoog terugbetalingspercentage, bedoeld om ondernemers te prikkelen te investeren in zuiniger vistuig en motoren. Denemarken heeft dit model voor 2026–2028 opgeschort, mede omdat omliggende landen niet volgden. Is de Minister bereid in de Raad te pleiten voor een gecoördineerde Europese CO<inf>2</inf>-prijsprikkel voor de visserij, zodat een gelijk speelveld wordt geborgd en investeringen daadwerkelijk ten goede komen aan verduurzaming? Hoe wil het kabinet de verduurzaming van de vloot nationaal versnellen, in lijn met de Uitvoeringsagenda Werktafel Visserij?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het Europese emissiehandelssysteem voor fossiele brandstoffen (ETS-2) is onderdeel van het <nadruk type="cur">Fit for 55</nadruk>-pakket en dient ertoe de uitstoot van CO<inf>2</inf> kosteneffectief te verminderen. Doordat de CO<inf>2</inf>-emissies in de betreffende sectoren onder een aflopend EU-breed emissieplafond moeten blijven, biedt het ETS-2 zekerheid dat de CO<inf>2</inf>-emissies in de EU afnemen en daarmee ook duidelijkheid voor consumenten en bedrijven. Het is aan lidstaten zelf om hier invulling aan te geven. De Kamer is op 15 april 2024 geïnformeerd over het besluit van het kabinet om het Europese emissiehandelssysteem voor fossiele brandstoffen (ETS-2) uit te breiden via een zo breed mogelijke opt-in (Kamerstuk <extref doc="kst-32813-1374" soort="document" status="actief">32 813, nr. 1374</extref>). Hierbij heeft het kabinet aangegeven de visserijsector buiten het ETS-2 te laten wegens gebrek aan handelingsperspectief en Europeesrechtelijke beperkingen in subsidieverlening voor verduurzaming. Zoals aangegeven in de Visie op voedsel uit zee en grote wateren en de bijbehorende uitvoeringsagenda wordt ingezet op het toekomstbestendig maken van de vloot. Hiertoe behoort ook de inzet op brandstofbesparing en verduurzaming. Daarin zijn nog grote stappen te zetten. Om de visserij op de langere termijn weerbaarder en schokbestendiger te maken stelt de Staatssecretaris in september een energie-efficiëntieregeling voor de visserij open (Kamerstuk <extref doc="kst-36933-1" soort="document" status="actief">36 933, nr. 1</extref>; en Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1795" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1795</extref>).</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken voor de Landbouw en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal vragen en opmerkingen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de JA21-fractie begrijpen dat bij de vorige Landbouw en Visserijraad is gesproken over het GVB. Nederland benoemde ook dat er op evenwichtige wijze rekening moet worden gehouden met ecologische en sociaaleconomische doelstellingen. Een aantal lidstaten gaf daarop aan dat de ecosysteem-benadering op dit moment niet goed werkt en dat deze meer in evenwicht moet zijn. Welke bezwaren zijn er precies tegen die ecosysteembenadering en op welke manier beoogt men daar meer evenwicht in te brengen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Commissie heeft begin deze maand de uitkomst van de evaluatie van het GVB gepresenteerd. In de Raad van juni zal gesproken worden over deze evaluatie. De Staatssecretaris zal zijn inzet op het GVB en de evaluatie op korte termijn met de Kamer delen, waarin ook dit punt zal worden meegenomen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Welke plannen zijn er om aquacultuur te stimuleren?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Aquacultuur in den brede bestaat uit verschillende deelsectoren. In het Coalitieakkoord zijn innovatieve vormen van aquacultuur (schelp- en schaaldieren en zeewier) als kansen benoemd voor een duurzame visserijsector. Voor de kweek van zeewier wordt op dit moment door de Staatssecretaris gewerkt aan een beleidskader, dat hij voornemens is eind van dit jaar met de Kamer te delen. Verder verkent de Staatssecretaris of en welke verbredingsmogelijkheden er zijn voor landgebonden viskweek. Voor de schelpdierkweek is vooral ruimte in de kustzone belangrijk. Het Rijk verkent momenteel kansrijke gebieden die eventueel gebruikt kunnen worden. Tot slot is later dit jaar voorzien in een openstelling van de innovatieregeling voor de aquacultuur onder het European Mairitime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF).</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Op welke manier is bij die vorige raad de pulsvisserij aan de orde gekomen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Op de Landbouw- en Visserijraad van jl. april is pulsvisserij niet aan de orde gekomen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Onlangs verscheen het onderzoek naar Klimaatimpact- en voedingswaarde van in Nederland geproduceerd en geconsumeerd voedsel uit zee en de CO<inf>2</inf> productie bij vis, maar daarin is een aantal belangrijke Nederlandse vissoorten niet onderzocht (Wageningen University and Research, 2 maart 2026, «Klimaatimpact en voedingswaarde van voedsel uit zee», </nadruk>
              <extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/e549427f-5642-4443-9ff5-44675c3eeedb/file" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://open.overheid.nl/documenten/e549427f-5642-4443-9ff5-44675c3eeedb/file</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Is de Minister van mening dat het goed is om dit ook te onderzoeken voor soorten als de paling, zeebaars, schelvis, wijting, kabeljauw en voor schelpdieren?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In het onderzoek naar de klimaatimpact van voedsel uit zee zijn de 18 meest gegeten vissoorten – en dus niet alle soorten – onderzocht. Kabeljauw komt in het onderzoek aan bod, evenals zeebaars en schelpdieren. Het onderzoek bevat een verantwoording van de onderzochte soorten, zoals wijting. Ik vind het niet nodig om hiernaast nog andere soorten zoals paling en schelvis te onderzoeken op klimaatimpact.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de JA21 fractie vragen of de Minister de zorg deelt dat Brusselse regels in de praktijk vernieuwing, veiligheid en verduurzaming van vissersschepen kunnen blokkeren, terwijl het recente EU-rapport erkent dat de sector kampt met een verouderende vloot en hoge kosten. (Europese Commissie, 28 april 2026, «European Union’s fishing fleet: evolution, challenges and future», </nadruk>
              <extref doc="https://cinea.ec.europa.eu/publications/digital-publications/study-european-unions-fishing-fleet-evolution-challenges-and-future_en" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://cinea.ec.Europa.eu/publications/digital-publications/study-european-unions-fishing-fleet-evolution-challenges-and-future_en</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Hoe reageert de Minister op de bevindingen in dat rapport?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris heeft kennisgenomen van het rapport en vindt het van belang dat regelgeving uitvoerbaar en handhaafbaar is en geen belemmering moet zijn voor de energietransitie. Het kabinet zet zich in voor vereenvoudiging. De Staatssecretaris heeft reeds aandacht gevraagd in Brussel voor het wegnemen van belemmeringen in regelgeving op het gebied van de energietransitie. Zoals ook in de Visie voedsel uit zee en grote wateren en bijbehorende uitvoeringsagenda is verwoord, wordt ingezet op het toekomstbestendig maken van de vloot.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de JA21-fractie vragen de Minister wat hij verwacht ten aanzien van de stijging van de kunstmestprijzen als gevolg van het gerommel in de straat van Hormuz voor het komende seizoen. Met welke prijsstijgingen moeten boeren rekening houden?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Indien de blokkade van de Straat van Hormuz voortduurt, kunnen de prijzen van aardgas en daarmee stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.<noot id="ID-1249371-d40e527" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al><extref doc="https://nos.nl/artikel/2442901-steeds-meer-productie-wordt-stilgelegd-vanwege-de-hoge-energieprijs" soort="URL" status="actief">
                              https://nos.nl/artikel/2442901-steeds-meer-productie-wordt-stilgelegd-vanwege-de-hoge-energieprijs</extref></noot.al></noot> Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.<noot id="ID-1249371-d40e538" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026, <extref doc="kst-36933-1" soort="document" status="actief">36 933, nr. 1</extref></noot.al></noot>Zoals in die Kamerbrief is aangegeven, is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de JA21-fractie vragen welk standpunt de Minister gaat bepleiten ten aanzien van CBAM en de invoering van CO<inf>2</inf> belasting op meststoffen en specifiek ten aanzien van de mogelijkheid voor de EC om sectoren uit te sluiten van de heffing. Welke bredere geopolitieke gevolgen voorziet de Minister hiervan met betrekking tot de beschikbaarheid van en handel in voedsel, en de effecten voor Nederland?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Over de inzet van het Kabinet is de Kamer door middel van een BNC-fiche geïnformeerd. De Commissie heeft in het voorstel voor de herziening van de CBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen, waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden een CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen. Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM en meststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducenten en agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusief artikel 27a) zich momenteel nog in de onderhandelingsfase bevindt en nog niet van kracht is. Het kabinet is, geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept in Europees verband op tot het schrappen ervan in de herziening, conform de positie in het BNC-fiche.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Welke wetenschappelijke inzichten gaat het kabinet vanuit ten aanzien van de milieu- en klimaatgevolgen van het gebruik van kunstmest versus dierlijke mest voor de meest voorkomende Nederlandse bodemomstandigheden, met betrekking tot de effecten op de kwaliteit van de boden, de ecologische gevolgen en de CO<inf>2</inf> uitstoot, mede gezien de hoeveelheid gas die voor de productie wordt gebruikt?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De milieu- en klimaatgevolgen van het gebruik van kunstmest versus dierlijke mest zijn sterk contextafhankelijk. Ammoniakemissies zijn lager bij (kunst)mestsoorten met een laag aandeel ammonium en een hoog aandeel nitraat en/of organisch gebonden stikstof, en bij (kunst)mestsoorten die goed in de bodem kunnen worden geïnjecteerd. Daartegenover staat een hoger risico op nitraatuitspoeling naar het grondwater bij hevige regen of mineralisatie van de organische stikstof buiten het groeiseizoen van het gewas.</al>
            </al-groep>
            <al>Wat betreft bredere effecten op de bodem kent (onbewerkte) dierlijke mest over het algemeen een hoger aandeel koolstof en organische stof, wat positieve effecten met zich brengt voor de bodem. Een vergelijking in CO<inf>2</inf>-uitstoot tussen dierlijke mest en kunstmest hangt af van in hoeverre de broeikasgasemissies uit de veehouderij worden toegeschreven aan de productie van dierlijke mest en of bijvoorbeeld de kunstmest gebruikt bij productie van het veevoer hier onderdeel van is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Is de Minister het eens met deze leden dat de meest eenvoudige manier om minder afhankelijk te worden van kunstmest is om meer dierlijke mest of Renure te gebruiken? Hoe beoordeelt de Minister het actieplan van meststoffen dat op 19 mei 2026 wordt gepresenteerd om de problemen met betrekking tot de betaalbaarheid en beschikbaarheid van meststoffen te beperken?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik deel de opvatting dat het inzetten op het gebruik van RENURE een effectieve manier is om minder afhankelijk te worden van kunstmest. Het Actieplan Meststoffen lijkt hiervoor concrete aangrijpingspunten te bieden. Daarnaast zie ik een rol voor bijvoorbeeld precisiebemesting, en ook biologische landbouw kan een manier zijn om de afhankelijkheid van kunstmest te verminderen. Mocht de vraag zien op het gebruik van onbewerkte dierlijke mest, dan zou dit een nieuwe derogatie op de Nitraatrichtlijn vereisen. Hier zie ik, zoals eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk <extref doc="kst-33037-643" soort="document" status="actief">33 037, nr. 643</extref>), op dit moment geen ruimte voor. Het Actieplan Meststoffen bevat daarnaast een verscheidenheid aan maatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadere appreciatie.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Welke mogelijkheden ziet de Minister om de inzet en productiecapaciteit van Renure voor Nederland te versnellen en wat gaat hij daarvoor doen? Wat is de stand van zaken van de plannen voor de subsidieregeling om de productie van Renure op te schalen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals vermeld in de brief van 8 april 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-33037-643" soort="document" status="actief">33 037, nr. 643</extref>), ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking zal treden en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen bovenop de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).</al>
              <al>Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunningen voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen. Hierover is de Kamer in de brief van 20 april 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-36933-1" soort="document" status="actief">36 933, nr. 1</extref>) geïnformeerd.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de Minister ziet om, mede gezien de bevindingen van het recente rapport «De Nederlandse stikstofcrisis. Van verwarring naar verbinding», meer en sneller stappen te nemen om bodemkwaliteit van natuurgebieden te verbeteren en herstellen dor het toevoegen van calcium, kalium en magnesium (Ros et al., maart 2026, «De Nederlandse stikstofcrisis. Van verwarring naar verbinding», </nadruk>
              <extref doc="https://edepot.wur.nl/711347" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://edepot.wur.nl/711347</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">)?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het toevoegen van mineralen is een bekende experimentele maatregel om de ergste effecten van bodemverzuring door stikstof in natuurgebieden tegen te gaan. Dergelijke maatregelen hebben echter ook nadelen en kunnen dus alleen met zorgvuldig onderzoek en maatwerk worden toegepast. Het vormt geen alternatief voor het verminderen van stikstofdepositie.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de FvD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen en vragen. Klopt het dat er residuen van gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland niet zijn toegestaan, worden gevonden op geïmporteerd voedsel (Institut Veblen, april 2026, «Residues of pesticides banned in the EU in imported food: ending a dangerous and unjust double standard», </nadruk>
              <extref soort="URL" doc="https://www.veblen-institute.org/Residues-of-pesticides-banned-in-the-EU-in-imported-food-ending-a-dangerous-and.html" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.veblen-institute.org/Residues-of-pesticides-banned-in-the-EU-in-imported-food-ending-a-dangerous-and.html</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">)? Waarom kiest het kabinet ervoor om in te stemmen met strengere regels voor gewasbeschermingsmiddelen in de EU en daarmee Nederland en tegelijkertijd ook in te stemmen met import vanuit niet-EU landen waarin deze strengere regels niet gelden?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kan kloppen dat er residuen op geïmporteerd voedsel worden gevonden van gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland niet zijn toegestaan. Wanneer een stof of middel niet is toegestaan binnen de EU, worden zeer strenge eisen gesteld aan de residuen van deze stof op levensmiddelen, de zogenaamde maximale residu limiet (MRL). Derde landen kunnen bij het produceren van levensmiddelen afwijkende landbouwpraktijken gebruiken, waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen resulteert in residuen die in aard of in hoeveelheid afwijken van die welke het gevolg zijn van legale toepassingen in de EU. Derde landen kunnen, als de landbouwkundige praktijk in dat derde land tot een ander residuniveau leidt, bij de Europese Commissie verzoeken indienen voor aanpassingen vanop deze strenge MRL’s, (zogenaamde importtoleranties). Een importtolerantie wordt toegekend als uit risicoanalyse blijkt dat de residuen van de gebruikte stof geen risico voor de voedselveiligheid opleveren.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de FvD-fractie vragen verder of de Staatssecretaris zich bij de Landbouw- en Visserijraad in gaat zetten, gebaseerd op de aangenomen motie-Russcher/Van Duijvenvoorde (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1773" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32 nr. 1773</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">), om de EU vast te laten houden aan het historische aandeel van circa 23 procent in de makreelvangst.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris zal zich inderdaad inzetten voor het behoud van het historisch aandeel. Overigens is dit nu ook de basis geweest bij de voor dit jaar definitieve vaststelling van het EU-deel in de totale Atlantische vangstmogelijkheden (TAC) voor makreel (Raadsverordening 2026/786 van 30 maart 2026).</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie</tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Visserij</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad (mei) met interesse gelezen en hebben daarover enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie merken op dat in de motie-Van der Plas (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1770" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1770</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) is opgeroepen om in gesprek te gaan met de sector om tot alternatieven te komen voor de aanlandplicht en vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie en welke concrete stappen hierin inmiddels zijn gezet?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet ziet een registratieplicht als mogelijk alternatief op de aanlandplicht. Om hier invulling aan te geven werkt het kabinet samen met onderzoekers van Wageningen Marine Research (WMR), Wageningen Plant Research (WPR) en Wageningen Universiteit (WU) en sectorvertegenwoordigers aan de doorontwikkeling van Fully Documented Fisheries (FDF). FDF lijkt een zeer kansrijke innovatie die kan dienen als een mogelijk en werkbaar alternatief voor de huidige aanlandplicht, in lijn met de motie-Van der Plas. Binnenkort ontvangt de Kamer een routekaart over het lopende FDF-onderzoek, de gebruiksmogelijkheden en de eventuele benodigde stappen in de doorontwikkeling van dit systeem om te komen tot een alternatief voor de aanlandplicht.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat het voornemen bestaat om de schoolbox formeel op te heffen en wat hiervan de onderliggende redenen zijn.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In het Noordzeeakkoord is de afspraak gemaakt om de geldende visserijbeperkingen in het Nederlandse deel van de scholbox op te heffen. Deze afspraak is op verzoek van de Nederlandse visserijsector opgenomen in het Noordzeeakkoord. Voor het daadwerkelijk opheffen van de geldende beperkingen in het Nederlandse deel van de scholbox is instemming van alle Noordzee-lidstaten nodig. Dit vergt een internationaal proces, dat momenteel loopt.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen in hoeverre er in het verleden onderzoek is gedaan naar de houting populatie in Nederland en specifiek in het IJsselmeer en wat de meest recente stand van deze populatie is. De leden van de BBB-fractie vragen voorts of de uitkomsten van dit recente vis onderzoek ook zijn of worden gedeeld met het Voedingscentrum.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Houting maakt onderdeel uit van de monitoringsprogramma's voor vissen. De soort komt buiten het IJsselmeergebied beperkt voor als trekvispopulatie tussen mariene wateren en zoete wateren. Specifiek op het IJsselmeer is een grotere houtingpopulatie aanwezig die waarschijnlijk niet tussen mariene wateren en het zoete water migreert. De omvang van deze populatie wordt jaarlijks gemonitord in de zogenaamde A-toomkuil bemonstering op het IJsselmeer. Deze laat zien dat houting vooral op het IJsselmeer wordt aangetroffen en minder op het Markermeer. De aantallen zijn daarbij over de afgelopen jaren stabiel, waarbij de laatste jaren wel sprake is van een afname in de aantallen jonge houting. De uitkomsten hiervan worden niet gedeeld met het Voedingscentrum. Houting heeft een beschermde status onder bijlage II van de Habitatrichtlijn en is in lijn daarmee ook beschermd onder de Visserijwet waar een jaarrond terugzetverplichting voor deze soort geldt. De soort mag daarmee dus niet voor verhandeling en consumptie worden aangeleverd.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om met een concreet tijdpad en duidelijke data te komen voor de uitvoering van de brandstofsteun voor de visserij, zodat de sector eindelijk weet waar zij aan toe is conform de toezegging in het vorige debat over de Landbouw- en Visserijraad. De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris waarom de passieve visserij niet wordt meegenomen in de regeling voor brandstofsteun, terwijl ook deze sector te maken heeft met hoge kosten.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals aangekondigd in de Kamerbrief Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1795" soort="document" status="actief">21 501-32, nr.1795</extref>) en in overeenstemming met motie-Flach c.s. (Kamerstuk <extref doc="kst-23432-713" soort="document" status="actief">23 432, nr. 713</extref>), werkt de Staatssecretaris met spoed een steunmaatregel onder het EMFAF uit voor de gestegen bedrijfskosten van de visserij ten gevolge van het conflict in het Midden-Oosten. De regeling zal met terugwerkende kracht betrekking hebben op de periode vanaf het ingaan van het conflict in het Midden-Oosten (28 februari 2026) tot en met de openstelling van de energie-efficiëntieregeling eind september. Onderdeel van de uitwerking is welke doelgroep in aanmerking komt. De Staatssecretaris zal de Kamer spoedig nader informeren.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om zo snel mogelijk in gesprek te gaan met Rijkswaterstaat en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&amp;W) over de nieuwe concept-beheer<?xpp afbm?>plannen voor de Waddenzee en de grote gesloten gebieden daarin. De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe de nieuwe gesloten gebieden van de concept beheerplannen zich verhouden tot bestaande afspraken uit onder andere het mosselconvenant en het handkokkelconvenant. De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat beheerplannen gebaseerd worden op theoretische referentiewaarden die onnatuurlijk hoog zijn vastgesteld. Waar wordt op dit moment een onafhankelijke review op wordt uitgevoerd.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Op ambtelijk niveau vinden er al gesprekken plaats met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Rijkswaterstaat (RWS) over de actualisering van de beheerplannen voor onder meer de Waddenzee. Bij het nemen van maatregelen, waaronder het zoeken naar eventueel extra te sluiten gebieden voor bodemberoerende visserij, zal rekening worden gehouden met de afspraken uit het mosselconvenant en het handkokkelconvenant. De beheerplannen worden gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke kennis. De volgende stap is dat RWS een aantal onderzoeksalternatieven met daarin een pakket aan beheermaatregelen in een plan-MER laat toetsen. De definitieve keuze wordt dus nu nog niet gemaakt en de resultaten van een onafhankelijke review kunnen dus nog meegenomen worden bij de definitieve keuze. De keuze voor de maatregelen zal worden gemaakt door de Minister en Staatssecretaris van LVVN.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris of vogelonderzoekers kunnen meevaren op kotters om in de praktijk te onderzoeken wat de daadwerkelijke effecten van visserij op vogelsoorten en leefgebieden zijn in plaats van model aannamen te gebruiken.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In het kader van de Toekomstvisie garnalenvisserij werkt de Staatssecretaris, samen met WMR, aan een onderzoeksagenda. Onderdeel van deze agenda is meer kennis te verzamelen over het gedrag van de zwarte zee-eend. De Staatssecretaris zet erop in om met behulp van drones bepaalde praktijksituaties te kunnen monitoren. Mocht het toch nodig zijn onderzoekers te laten meevaren op kotters om de effecten van de visserij op vogelsoorten nog beter in kaart te brengen, dan zal de Staatssecretaris dat zeker mogelijk maken.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij zich ervoor gaat inzetten dat de positieve inzichten over maritieme eiwitten daadwerkelijk landen in toekomstige voedingsadviezen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet vindt het belangrijk dat meer Nederlanders vaker vis op het menu zetten. In de Uitvoeringsagenda van de Visie voedsel uit zee en grote wateren zijn concrete acties voor voedsel uit zee opgenomen zoals het opstellen van een narratief voor vis, schaal- en schelpdieren met het doel dat meer Nederlanders ten minste één keer per week duurzame vis zullen eten en marien voedsel een aantrekkelijk onderdeel is van de voedselomgeving (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1793" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1793</extref>). De wetenschappelijke gezondheidsadviezen worden opgesteld door de Gezondheidsraad. Inhoudelijk is de Rijksoverheid hier niet bij betrokken.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Minister wanneer de nieuwe wetgeving voor de rivierkreeftvisserij eindelijk naar de Kamer wordt gestuurd, aangezien de consultatie al in januari is afgerond.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De aangekondigde nieuwe regelgeving om het gebruik van selectieve rivierkreeftvistuigen verbreed toe te staan aan waterschappen en andere overheden heeft betrekking op een wijziging van het Reglement voor de Binnenvisserij (algemene maatregel van bestuur (AMvB)) en een bijbehorende uitwerking in de Uitvoeringsregeling Visserij. De betreffende regelgeving is inmiddels in internetconsultatie geweest. De reacties hierop worden op dit moment verwerkt. Daarna kan de regelgeving worden voorgelegd aan de Raad van State ter advisering. Deze AMvB-wijziging kent geen voor- of nahangprocedure en hoeft derhalve niet in de Kamer te worden vastgesteld. Het streven is dat de regelgeving na de nog noodzakelijke procedurestappen per medio volgend jaar in werking zal treden.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om met de Minister van I&amp;W en vertegenwoordigers uit de sector in gesprek te gaan over de toenemende frequentie van controles op vissersschepen. Hoe wordt gewaarborgd dat controles binnen de visserij rationeel en proportioneel blijven?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het toezicht op zee is erop gericht om illegale visserij tegen te gaan, de naleving van visserijwet- en regelgeving te waarborgen en het gelijke speelveld tussen Nederlandse en Europese vissers te bewaken. In Nederland is de NVWA verantwoordelijk voor de uitvoering van de controles op zee door middel van fysieke controles met inspectievaartuigen en luchtwaarnemingen en toezicht op afstand met bijvoorbeeld locatiebepaling door VMS-systemen. De NVWA werkt hierbij samen met de controleautoriteiten van andere EU-lidstaten en neemt deel aan Joint Deployment Plans onder coördinatie van het Europees Bureau voor Visserijcontroles (EFCA). De controles op zee worden risico-gebaseerd ingericht op basis van Europese wetgeving waarbij proportionaliteit en uitvoerbaarheid worden afgewogen tegen de mogelijke risico’s op niet-naleving van wet- en regelgeving. Tussen de visserijsector, de NVWA en LVVN is structureel overleg om diverse aandachtspunten uit de dagelijkse praktijk van de controle en handhaving van de visserijsector en mogelijke toekomstige ontwikkelingen te bespreken. Indien nodig kunnen signalen doorgegeven worden aan andere overheidsdiensten.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaat zorgen dat economie en sociale belangen binnen het GVB weer beter in balans worden gebracht.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris zet zich in voor een goed functionerend GVB, inclusief een balans tussen de drie pijlers (ecologisch, economisch en sociaal). Hieraan geeft de Staatssecretaris uitvoering door middel van zijn inzet in Europees verband maar ook via de onlangs met uw kamer gedeelde Uitvoeringsagenda voor de Visie voedsel uit zee en grote wateren.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris welke concrete maatregelen hij ziet om bureaucratie binnen het GVB te verminderen en het toekomstperspectief voor jonge vissers te verbeteren.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Op dit moment is er nog geen sprake van een herziening van het GVB. Mocht hier in de toekomst sprake van zijn dan zet de Staatssecretaris zich in voor een goed functionerend GVB, waarbij onnodige bureaucratie zoveel mogelijk moet worden vermeden. Via allerlei verschillende trajecten zet de Staatssecretaris zich in voor het verbeteren van het toekomstperspectief voor jonge vissers, zoals bijvoorbeeld met de onlangs met de Kamer gedeelde Uitvoeringsagenda. De daarin opgenomen acties dragen alle bij aan een toekomstbestendige duurzame visserij.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Landbouw</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van de huidige instabiele geopolitieke situatie. Deze leden zijn verheugd om te lezen dat het mestactieplan door de EC bekend gemaakt zal worden. Zij willen in dat licht nogmaals benadrukken dat op dit moment de situatie bestaat dat door strenge regels dierlijke mest verplicht vervangen wordt door kunstmest. Op dit moment wordt van de toegestane stikstofgift een beperkt deel stikstof uit dierlijke mest toegestaan. Het overige aandeel wordt dus verplicht als kunstmest gegeven. Hoewel de ruimte voor gebruik van kunstmest moet blijven bestaan voor die gewassen of momenten van toedienen waar dierlijke vaste- of drijfmest niet mogelijke is, of op een andere manier als onderdeel van een goed en compleet bemestingsplan, is het afdwingen van een groot gebruiksaandeel kunstmest volgens deze leden een slecht idee. Het zorgt ten slotte voor een even grote stikstofgift, maar met hogere klimaat-, milieu- en natuurbelasting. Wanneer boeren de ruimte krijgen om waar mogelijk een veel groter aandeel van de stikstofgift uit dierlijke mest te halen, is dat bewezen beter voor de waterkwaliteit en wordt de natuurlijke kringloop van de landbouw veel beter gesloten. De grote afhankelijkheid van Nederland en Europa van kunstmest die grotendeels uit het buitenland komt, is bovendien dus een groot risico op dit moment. Hoewel Renure een deel van de kunstmest kan vervangen, kan de afhankelijkheid van kunstmest veel sneller en milieuvriendelijker afgebouwd worden als een groter aandeel van de stikstofgift niet langer verplicht uit kunstmest gehaald wordt. Deze leden vragen de Minister om hierop te reflecteren. Als de Minister het niet eens is met de bovenstaande redenatie kan hij dan aangeven waarom niet? Welke onderzoeken liggen eraan ten grondslag om te zeggen dat het beter zou zijn om het aandeel stikstof uit dierlijke mest te beperken ten koste van stikstof uit kunstmest? Als de Minister het eens is met deze leden dat het beter zou zijn om een groter aandeel van de toegestane stikstofgift uit dierlijke mest toe te staan, kan hij dan toezeggen hierop inzet te plegen in Europa? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik deel de opvatting dat niet zozeer de bron, maar vooral de vorm, de plaats, het tijdstip van toediening en de hoeveelheid van stikstof bepaalt wat de milieubelasting bij de toepassing is. Ik zet mij ook om die reden in voor het beter mogelijk maken van het gebruik van circulaire meststoffen. Een belangrijke stap daarin is de implementatie van de huidige mogelijkheden voor RENURE-meststoffen, waarvan de verwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn. Daarnaast wordt in het Actieplan Meststoffen de meerwaarde van het gebruik van meer RENURE-waardige meststoffen, bijvoorbeeld uit digestaat, benadrukt. Ik kijk uit naar de voorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen. Mocht de vraag zien op het gebruik van onbewerkte dierlijke mest, dan zou dit een nieuwe derogatie op de Nitraatrichtlijn vereisen. Ik zie daar, zoals eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk <extref doc="kst-33037-643" soort="document" status="actief">33 037, nr. 643</extref>), op dit moment geen ruimte voor.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de BBB-fractie zijn tot slot erg bezorgd over de onrust die de laatste weken is ontstaan door het niet toekennen van de premie voor een aantal eco-activiteiten bij een aanzienlijk deel van de deelnemers van de eco-regelingen. Deze leden vragen de Minister om in Europa aan te geven dat bij extreme weersomstandigheden in sommige gevallen kennelijk niet gekozen kan worden voor een resultaatverplichting, soms zelfs achteraf. De onzekerheid van uitbetaling van deze premies geeft het risico dat boeren niet langer mee willen doen. Aangezien deze regelingen niet als inkomenssteun werken, maar boeren hiervoor land braak laten liggen of een zeer kleine opbrengst accepteren ten gunste van natuurdoelen, is dit voor hen een onoverkomelijk risico. Als de deelname aan dit soort regelingen door dit soort onzekerheden onderdruk komt te staan, is dat uiteindelijk slecht voor natuur en milieu, niet voor de ondernemers, want zij zullen dan eerder weer kiezen voor hoogproductieve gewassen. Hoe ziet de Minister dit en kan hij hierop inzet tonen bij de komende Landbouw- en Visserijraad?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik begrijp de onrust die is ontstaan over het niet toekennen van de premie door de afwijzing van een aantal eco-activiteiten. Het toekennen van subsidie op basis van de gerealiseerde milieudoelen en ecologische prestaties, in plaats van een inspanningsverplichting, is in lijn met het ambitieniveau dat ik met de eco-regeling voor ogen hebben. Bij overmacht binnen het GLB kunnen boeren, als zij door uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden niet aan de voorwaarden kunnen voldoen, de situatie melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om kortingen op subsidies te voorkomen.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onder meer de geannoteerde agenda. Deze leden hebben nog enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding van het overleg in de laatste Landbouw- en visserijraad over het risicomanagement in de Europese landbouwsector. Deze leden horen graag hoe het voorzitterschap dit onderwerp verder wil behandelen. Zij willen in dit verband het blijvende belang van inzet op een weerbare voedselvoorziening en voedselzekerheid benadrukken. Zo wees een recent rapport van de Pan-European Commission on Climate and Health op de kwetsbaarheid van de Europese voedselvoorziening voor klimaatverandering. (Pan European Commission on Climate and Health, 17 mei 2026, «Pan-European Commission on Climate and Health: Call to Action», </nadruk>
              <extref soort="URL" doc="https://www.who.int/europe/publications/m/item/pan-european-commission-on-climate-and-health--call-to-action" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.who.int/Europe/publications/m/item/pan-european-commission-on-climate-and-health--call-to-action</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) Deze leden horen graag hoe Nederland ervoor zorgt dat voedselzekerheid op de agenda blijft, niet alleen wat betreft de uitvoering van de Europese voedselstrategie, maar ook in beleidsvorming rond gewasbescherming en de Nitraatrichtlijn (minder afhankelijkheid van kunstmest).</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het Cypriotisch voorzitterschap heeft tijdens de informele Raad van 3–5 mei jl. het risicomanagement in de Europese landbouwsector geagendeerd om hier aandacht voor te vragen vanwege de toenemende risico’s voor boeren. Vanaf 1 juli 2026 zal Ierland het voorzitterschap van de Raad overnemen van Cyprus. Nederland en de EU kennen een hoge mate van voedselzekerheid, maar door geopolitieke spanningen en conflicten en door klimaatverandering en extremer weer manifesteren zich steeds meer risico’s, zoals verstoring van de aanvoer van belangrijke grondstoffen voor de voedselvoorziening en tegenvallende oogsten.</al>
              <al>Daarom is het belangrijk de weerbaarheid van het voedselsysteem te waarborgen. Het kabinet deelt de opvatting dat dit een aandachtspunt is en zal zich hier, waar opportuun, ook op Europees niveau voor inzetten. De inze van het kabinet hierop zal worden neergelegd in een Strategische Agenda Voedselzekerheid. De Staatssecretaris zal de Kamer hierover voor de zomer informeren.</al>
              <al>Ook de Commissie heeft veel aandacht voor de weerbaarheid en crisisparaatheid van de landbouwsector. Dit komt onder meer terug in het European Food Security Crisis Response Mechanism, de Prepeparedness Union Strategy en de nieuwe voorstellen op crisispraatheid in de Verordening Gemeenschappelijke Marktordening.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat 19 mei 2026 het Actieplan Meststoffen wordt gepresenteerd. Deze leden ontvangen graag een eerste reactie op het voorgestelde Actieplan. Welke mogelijkheden ziet de Minister voor meer ruimte voor toepassing van Renure-meststoffen, onder meer door beperkende voorwaarden te verruimen of aan te passen, en voor gerichte derogatie? Hoe gaat hij aanknopingspunten hiervoor benutten? Deze leden hebben begrepen dat er op Europees niveau discussie is over het omgaan met de CBAM-heffing voor kunstmeststoffen. Zij hebben begrepen dat er door de rapporteur van het EP een voorstel is gedaan om het voorgestelde tijdelijke fonds voor decarbonisatie ook open te stellen voor akkerbouwers. Zij horen graag of de Minister dit voorstel steunt.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ten algemene sta ik positief tegenover het inzetten op precisielandbouw en biobased en circulaire meststoffen, zoals RENURE. Het Actieplan Meststoffen lijkt hiervoor concrete aangrijpingspunten te bieden. Ik kijk uit naar de voorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen. Wat betreft een nieuwe derogatie op de Nitraatrichtlijn zie ik, zoals eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk <extref doc="kst-33037-643" soort="document" status="actief">33 037, nr. 643</extref>), op dit moment geen ruimte hiervoor.</al>
              <al>Het Actieplan Meststoffen bevat daarnaast een verscheidenheid aan maatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadere appreciatie.</al>
              <al>De Commissie heeft het voorstel voor een herziening van de CBAM-<?xpp afbreek?>verordening gepubliceerd op 17 december 2025. Over de inzet van het kabinet is de Kamer door middel van een BNC-Fiche geïnformeerd (Kamerstuk <extref doc="kst-22112-4283" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4283</extref>). Het kabinet bestudeert alle voorstellen vanuit het Europees Parlement in deze onderhandelingen doorlopend in lijn met de inzet, zoals verwoord in het BNC-fiche.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding van de terugkoppeling van het sectoroverleg over de ecoregeling. Deze leden waarderen de inzet om bij alle dossiers met een afwijzing voor de eco-activiteit groenbedekking alsnog een menselijke beoordeling te doen. Zij hebben in dit verband wel een vraag: niet alle boeren hebben foto’s gemaakt als bewijsmateriaal om te kunnen laten zien dat sprake was van doodgevroren groenbedekking. Hoe wordt hiermee omgegaan? Wat zijn de mogelijkheden om in de toekomst min of meer automatisch, dus kort na de opname(s), een melding te geven als het Areaal Monitoring Systeem aangeeft dat niet aan de voorwaarden voldaan zou zijn? Dan hebben telers de gelegenheid om zelf bewijsmateriaal te verzamelen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Bij de herbeoordeling maakt RVO gebruik van al het aanwezige bewijsmateriaal, waarbij nadrukkelijk wordt meegewogen of er sprake kan zijn van een doodgevroren gewas. Daarnaast onderzoek ik samen met RVO op welke manier de tweewegcommunicatie over de bevindingen van het Areaal Monitoring Systeem kan worden verbeterd om landbouwers beter te ondersteunen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden hebben ook een vraag wat betreft het (te) laat opkomen van kruidenmengsels bij groene braak voor voldoende groenbedekking (minimaal 80 procent). Wordt coulance betracht in verband met de droogte in het voorjaar? Deze leden willen erop wijzen dat telers wel de betreffende percelen braak hebben laten liggen en zo teeltopbrengsten zijn misgelopen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In overleg met de sectorpartijen heb ik RVO de opdracht gegeven om, door de droogte in het voorjaar 2025, de bedekkingsgraad per 1 juli te controleren in plaats van per 31 mei. In het geval deze eco-activiteit niet kan worden gehaald door extreme droogte, kan een agrariër overmacht aanvragen bij de RVO.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Bescherming van vissen, vogels en oceanen</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie hebben opgemerkt dat vertegenwoordigers van de Europese visserij-industrie in Brussel hard lobbyen voor afzwakking van de Europese visserijregels. (Europêche, 30 april 2026, «Europêche calls for a targeted revision of the CFP following Commission evaluation», </nadruk>
              <extref doc="https://europeche.org/europeche-calls-for-a-targeted-revision-of-the-cfp-following-commission-evaluation/" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://Europeche.org/Europeche-calls-for-a-targeted-revision-of-the-cfp-following-commission-evaluation/</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Deze leden merken op dat visserij-lobbyisten pleiten voor verzwakking van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, inclusief afschaffing van het verbod op overboord gooien van ondermaatse vis, verzwakking van de regels voor de toegang tot de diepzee, verzwakking van de controleregels op illegale en niet-gerapporteerde visserij en het subsidiëren van de overcapaciteit van de Europese vloot. Zij merken op dat de visserij-industrie een steeds grotere vat krijgt op het EP en de EC en dat het idee om de Europese visserijregels fors af te zwakken dreigt te worden overgenomen door deze instellingen. Tegelijkertijd merken deze leden op dat uit een recente evaluatie van de EC blijkt dat de duurzaamheid van de Europese visserij maar langzaam verbetert en dat oceaanbeschermingsdoelen niet behaald zijn (Europese Commissie, 30 april 2026, «Commission evaluation shows slow progress in fishing sustainability and ongoing challenges for EU fishers», </nadruk>
              <extref soort="URL" doc="https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_26_938" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://ec.Europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_26_938</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Deelt de Staatssecretaris de zorgen van deze leden over het niet behalen van de beschermingsdoelen? Deelt de Staatssecretaris de zorgen over het niet naleven van de internationale en wettelijke verplichting om overbevissing uiterlijk te stoppen tegen 2020 en over het feit dat zowel in Europese wateren als daarbuiten nog forse overbevissing plaatsvindt? Deelt de Staatssecretaris de zorgen over het feit dat uit de evaluatie blijkt dat er maar beperkt voortgang is gemaakt op het toepassen van selectievere en milieuvriendelijkere visserijmethodes?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Commissie heeft begin deze maand de uitkomsten van de evaluatie van het GVB gepresenteerd. In de Raad van juni a.s. zal gesproken worden over deze evaluatie. De reactie op de evaluatie van het GVB en de inzet van Nederland zal op korte termijn met de Kamer worden gedeeld.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deelt de Staatssecretaris de mening dat er op dit moment geen enkele gegronde reden is om het bestaande visserijbeleid af te zwakken, gezien de huidige regels al niet voldoende zijn gebleken om de overbevissing en schadelijke exploitatie van onze zeeën te stoppen? Zo ja, is de Staatssecretaris bereid om zich in Brussel uit te spreken tegen afzwakkingen van het Europese visserijbeleid? Is de Staatssecretaris met deze leden van mening dat beter ingezet kan worden op goede implementatie van de huidige visserij en natuurbeschermingswetgeving dan op het afzwakken daarvan?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris heeft kennisgenomen van de evaluatie van het GVB en zal zijn reactie hierop en de inzet op het GVB en de Vision 2040 op korte termijn met de Kamer delen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie merken op dat uit de evaluatie van de EC blijkt dat veel vissers «ongewenste soorten» die zij vangen nog steeds overboord gooien in strijd met de aanlandplicht. Deze leden maken zich zorgen over het feit dat 70 tot 80 procent van deze overboord gegooide vissen alsnog sterven, maar niet worden afgetrokken van de beschikbare visserijquota. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het overboord gooien van ongewenste vissen een verspillende praktijk is? Kan het illegaal overboord gooien van ongewenste vissen volgens de Staatssecretaris bijdragen aan overbevissing? In hoeverre hecht de Staatssecretaris aan goede controle op het verbod op het overboord gooien van ongewenste vissen en zijn de controles daarop scherp genoeg? Waarom pleit het Nederlandse kabinet in Brussel voor het versoepelen van de controleregels, terwijl veel visserijregels op dit moment niet worden nageleefd? (Agence Europe, 31 maart 2026, «Germany and other countries call for European fisheries legislation to be simplified», </nadruk>
              <extref doc="https://agenceurope.eu/en/bulletin/article/13840/6/germany-and-other-countries-call-for-european-fisheries-legislation-to-be-simplified" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://agenceurope.eu/en/bulletin/article/13840/6/germany-and-other-countries-call-for-european-fisheries-legislation-to-be-simplified</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Ziet de Staatssecretaris een verband tussen het niet naleven van de visserijregels en de blijvende overbevissing door de Europese vloot?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Een van de hoofddoelen van de aanlandplicht is om de verspilling van voedsel tegen te gaan. Nederland zet in op het verhogen van de selectiviteit van vismethoden om zo de hoeveelheid ongewenste bijvangst te verkleinen en daarnaast op het verhogen van de overleving van bijvangst. Uit de evaluatie van de Commissie van het GVB blijkt dat de huidige aanlandplicht, die in 2013 werd ingevoerd, niet bijdraagt aan de beoogde beleidsdoelstellingen en niet werkt in de praktijk. Nederland deelt deze conclusie en pleit daarom voor een herziening van de huidige aanlandplicht om de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te verbeteren. De huidige praktijk leidt daarbij overigens niet tot overbevissing, omdat er in de vangstadviezen rekening wordt gehouden met geregistreerde en ongeregistreerde discards.</al>
            </al-groep>
            <al>Voor de huidige en mogelijk herziene aanlandplicht is een effectief en efficiënt systeem van controle en handhaving noodzakelijk om de randvoorwaarden van de aanlandplicht, alsmede het gelijke speelveld tussen vissers, te waarborgen. De mogelijkheden voor het toezicht op zee zullen per 10 januari 2028 worden aangevuld met sensor- en camerasystemen (REM/CCTV) die op basis van de Europese Controleverordening (Verordening (EG) 1224/2009) voor een deel van de vloot verplicht zullen worden gesteld. Naar verwachting zal de Commissie op korte termijn met een voorstel komen om de verplichting voor REM/CCTV nader uit te werken in een uitvoeringsverordening. De inzet van Nederland is erop gericht om per 10 januari 2028 te voldoen aan de Europese verplichtingen. Daarbij zet het kabinet ook in om bestaande wet- en regelgeving ten algemene te versimpelen en administratieve lasten te verlichten zonder daarbij de ambities van het GVB te versoepelen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie hebben vorig jaar kennisgenomen van het rapport van Compassion in World Farming en willen hier graag nog aandacht voor vragen. (Compassion in World Farming, NB, «The Growing Threat of Carnivorous Aquaculture», </nadruk>
              <extref doc="https://www.ciwf.nl/media/dayhg4fj/ciwfgb-_251008_cam-_endit-_octopus-report_en-_print-and-web_published.pdf" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.ciwf.nl/media/dayhg4fj/ciwfgb-_251008_cam-_endit-_octopus-report_en-_print-and-web_<?xpp afbreek?>published.pdf</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Deze leden hebben namelijk geconstateerd dat er een zorgwekkende ontwikkeling van toename in viskwekerijen. Kan de Staatssecretaris een reactie geven op het rapport? Onderschrijft hij de noodzaak om carnivore aquacultuur te beperken? Zo nee, waarom niet? Is hij bereid om zich hiervoor in de EU hard te maken? Zo nee, waarom niet? Hoe oordeelt de Staatssecretaris over de «Keep them wild-pledge»? (Compassion in World Farming, «Keep Them Wild: Sign the Global Pledge», </nadruk>
              <extref doc="https://www.ciwf.org/programmes/endit/keep-them-wild/global-pledge/" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.ciwf.org/programmes/endit/keep-them-wild/global-pledge/</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Is hij bereid deze pledge te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris heeft kennisgenomen van dit rapport en zal voor het komende zomerreces met een reactie komen op het rapport. Daarbij verwijst de Staatssecretaris ook hier naar het Coalitieakkoord, waarin het kabinet heeft aangegeven aquacultuur als kans te zien voor een duurzame visserijsector. Hierbij is het van belang dat ook aquacultuur op land (viskweek) op een duurzame manier plaatsvindt. De Staatssecretaris wil in dit verband aangeven dat de sector zich al langere tijd inzet op het terugdringen van vismeel en visolie in het voer.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie ontvangen graag de stand van zaken omtrent de aangenomen motie om op korte termijn met maatregelen te komen om pijlinktvissen beter te beschermen, in Europees verband te pleiten voor voorzorgsbeheer, met aandacht voor het verbeteren van de monitoring, het kunnen opleggen van tijdelijke vangstbeperkingen en het behouden van een gezonde pijlinktvispopulatie (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1782" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1782</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Kan de Staatssecretaris zijn plannen hierover in ieder geval vóór het commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad op 16 juni 2026 naar de Kamer sturen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris zal de Kamer vóór het Commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad op 16 juni 2026 informeren over de stand van zaken van de aangenomen motie om pijlinktvissen beter te beschermen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie vragen tevens naar de uitvoering van de aangenomen motie-Kostic/Bromet over het verzetten tegen EU-plannen om meer aalscholvers te doden (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1756" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1756</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Eerder liet het kabinet weten de Kamer hierover «op korte termijn» te informeren (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-36915-XIV-6" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">36 915 XIV, nr. 6</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Indien deze informatie nu nog niet kan worden verschaft, ontvangen deze leden graag een tijdsaanduiding wanneer de Kamer hierover wel zal worden geïnformeerd.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De reactie met daarin de uitvoering van de aangenomen motie is opgenomen in een verzamelbrief visserij. Deze brief is op 19 mei 2026 aan de Kamer toegezonden (Kamerstuknummer nog niet toegewezen). Belangrijk punt uit de brief is dat de Staatssecretaris het verplicht afschieten van aalscholvers niet als onderdeel ziet van een gezamenlijke Europese beheeraanpak.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Stierengevechten</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie vinden het onbegrijpelijk dat de Minister aangeeft dat hij het de verantwoordelijkheid van individuele lidstaten vindt om subsidies voor stierengevechten te beëindigen (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-28625-381" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">28 625, nr. 381</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Deze leden vinden deze uitspraken niet rijmen met de breed gedeelde wens in de Kamer om een einde te maken aan subsidies voor stierengevechten (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1292" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1292</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Zij vragen de Minister of hij alsnog bereid is om zich bij de onderhandelingen over het GLB 2028–2034 in te zetten om fokkers van de «toro de lidia» expliciet uit te sluiten van deelname aan directe GLB-betalingen en fondsen voor plattelandsontwikkeling, verantwoording en transparantie te versterken om te voorkomen dat subsidies voor de veehouderij worden omgebogen naar de stierenvechtsector en dierenwelzijn prioriteit te geven bij de onderhandelingen over het GLB. Deze leden hopen dat de Minister dit wil toezeggen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik begrijp de zorgen rondom het stierenvechten en de subsidies die via het GLB uitkomen bij de fokkers van stieren. In het kader van subsidiariteit is het een verantwoordelijkheid van de individuele lidstaten om toe te zien dat deze subsidies op verantwoordelijke wijze verstrekt worden. Nationale keuzes voor het volgende GLB dienen in samenhang te worden bepaald. Dierenwelzijn wordt daar als prioriteit nadrukkelijk bij betrokken.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Transporten van piepjonge kalfjes van Ierland naar Nederland</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de tijdlijn van de Staatssecretaris met betrekking tot het bestrijdingsprogramma infectieuze boviene rhinotracheïtis. Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris ervoor kiest om de goedkeuring van de EC uiterlijk vier jaar na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan te vragen? Wat wordt bedoeld met «uiterlijk» vier jaar? Deze leden vinden vier jaar na inwerkingtreding van de AMvB namelijk een erg lange periode om vreselijke langeafstandstransporten met piepjonge kalfjes in stand te houden. Houdt de Staatssecretaris er nadrukkelijk rekening mee dat deze goedkeuring ook eerder kan worden aangevraagd. Zo ja, hoeveel eerder? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris bereid om deze termijn zoveel mogelijk in te korten? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris begrijpt goed dat er wordt gevraagd om een einde aan lange transporten van dieren, zeker voor ongespeende dieren. De Staatssecretaris wilt zelf ook die beëindigd zien, vanwege de negatieve impact op dierenwelzijn. De bestrijding van Infectieuze Boviene Rhino<?xpp afbm?>tracheïtis (IBR) in Nederland heeft echter primair tot doel om de algehele gezondheid van de rundveestapel in Nederland te verbeteren, en niet om lange transporten te beëindigen. Zoals de Staatssecretaris ook in zijn brief aan de Kamer van 12 mei jl. (Kamerstuk <extref doc="kst-28286-1435" soort="document" status="actief">28 286, nr. 1435</extref>) heeft geschreven, staat de bestrijding van IBR en de tijdlijn richting een goedgekeurd programma wat hem betreft los van wat hij vindt van lange transporten van dieren. De Staatssecretaris vindt het snel laten goedkeuren van de bestrijdingsprogramma’s dus niet de juiste methode om deze transporten te beëindigen; dierziektebestrijdingsprogramma’s dienen een ander doel.</al>
            </al-groep>
            <al>Daar komt bij dat de Staatssecretaris de stappen richting een uiteindelijke Europese IBR-vrij-status voor Nederland samen met de betrokken sectorpartijen wil zetten. De sector zelf heeft het verzoek om regelgeving gedaan. Het draagvlak onder al betrokken partijen is nodig om de bestrijding te laten slagen. Met de sectoren is afgesproken om voor IBR een overgangsperiode van maximaal vier jaar te hanteren tussen start van de nationale bestrijding en het laten goedkeuren van het programma in Europa. Deze periode geeft sectoren tijd om zich aan te passen aan de nieuwe situatie en om handelsstromen te verleggen. Dit is een belangrijke voorwaarde om draagvlak voor de bestrijding te behouden. De sectoren hebben toegezegd zich in te zetten om zich zo snel mogelijk aan te passen en inspanning te leveren om deze periode korter dan vier jaar te laten zijn. Indien mogelijk zal de Staatssecretaris het programma in goed overleg eerder ter goedkeuring indienen. Hierover blijft de Staatssecretaris met de sectoren in gesprek.</al>
            <al>Na goedkeuring van de programma’s worden diergezondheidseisen bij import aangescherpt en moet aan aanvullende voorwaarden, zoals quarantaine en testen, worden voldaan. Hiermee wordt aanvoer uit bepaalde andere lidstaten bemoeilijkt, maar niet onmogelijk. Dit betekent dat lange transporten dan nog steeds mogelijk zullen zijn, maar wel moeilijker uitvoerbaar. Ook is dit afhankelijk van de IBR-status van andere lidstaten op dat moment. Wanneer bijvoorbeeld Ierland binnen enkele jaren een EU-vrije status voor IBR zou halen, wordt de aanvoer van kalveren weer mogelijk omdat Ierland en Nederland dan dezelfde status hebben. Daarom vindt de Staatssecretaris dat de focus moet liggen op een algeheel verbod op lange transporten (zeker voor ongespeende dieren), in plaats van op vrije statussen voor dierziekten of bepaalde bestrijdingsprogramma’s per lidstaat. De Staatssecretaris blijft op Europees niveau pleiten voor een dergelijk verbod, zoals ook aangegeven tijdens het Kamerdebat van 23 april 2026.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Schadelijke subsidieregelingen</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie zijn benieuwd naar de opvolging van het Kunming Montreal Global Biodiversity Framework (2022) en het Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)-rapport «Quickscan effecten van het LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit» (RVO, 30 juni 2023, «Quickscan LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit», </nadruk>
              <extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/bijlage-quickscan-lnv-instrumentarium-op-natuur-en-biodiversiteit" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/bijlage-quickscan-lnv-instrumentarium-op-natuur-en-biodiversiteit</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Nederland heeft zich gecommitteerd om in 2025 het nationale beleid, inclusief alle subsidieregelingen, onderzocht te hebben op mogelijk schadelijke effecten voor biodiversiteit. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is omtrent dit onderzoek dat wordt uitgevoerd door Wageningen University &amp; Research en CE Delft en wanneer deze naar de Kamer wordt gestuurd?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het onderzoek «Beoordeling van de effecten van financiële en fiscale rijksmiddelen op biodiversiteit» is inmiddels uitgevoerd door een consortium van Wageningen Social &amp; Economic Research (WSER), CE Delft en Naturalis Biodiversity Center. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van LVVN in samenwerking met de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Economische Zaken en Klimaat en Financiën. Het onderzoek wordt uiterlijk in de week van 25 mei a.s. met een begeleidende brief aan de Kamer gestuurd.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Landbouwgif en Omnibus Food &amp; Feed Package</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie blijven ook met veel aandacht de ontwikkelingen rondom landbouwgif en in het bijzonder het Omnibus Food &amp; Feed Package volgen en hebben hier aanvullende vragen over. Uit de brief van de Staatssecretaris over de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF)-vergadering kan worden opgemaakt dat Nederland grotendeels blijft meebewegen met de Europese procedure voor verlening van toelating van gevaarlijke stoffen zoals onder andere tebuconazool (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-27858-746" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">27 858, nr. 746</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). In een aangenomen motie-Ouwehand uit 2013 (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-27858-208" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">27 858, nr. 208</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) werd expliciet gevraagd om een uitfaseringspad van deze en vier andere azoolfungiciden. De brief laat duidelijk zien dat er erkenning is voor de risico's, maar blijft ook vasthouden aan bestaande praktijken. Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris de verlening van toelating van gevaarlijke stoffen blijft toestaan terwijl de risico's bekend zijn. In het licht van het veel besproken Omnibus Food &amp; Feed Package vragen deze leden ook of de Staatssecretaris zich zal houden aan zijn uitspraak tijdens het plenaire debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus om tegen het pakket te stemmen als duidelijk is dat het zal leiden tot een verslechtering van de bescherming van mens, dier en milieu en het niet leidt tot het toelaten van duurzame middelen en hiervoor te pleiten op Europees niveau.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris vindt het belangrijk dat de goedkeuring van stoffen alleen wordt verlengd wanneer is aangetoond dat deze veilig kunnen worden toegepast. Voor iedere stof wordt hiervoor een uitvoerig Europees (her)beoordelingstraject doorlopen. In voorliggend geval is besluitvorming over deze stof, buiten de schuld van de aanvrager om, nog niet afgerond waardoor de Commissie juridisch gehouden is om een verlenging van de goedkeuring voor te stellen. De Staatssecretaris vindt bet belangrijk dat het al dan niet vernieuwen van de goedkeuring van stoffen gebaseerd is op zorgvuldige procedures en besluitvorming. Bij de Europese stemming heeft de Staatssecretaris dan ook, in navolging van de aangenomen motie-Ouwehand uit 2013 (Kamerstuk <extref doc="kst-27858-208" soort="document" status="actief">27 858, nr. 208</extref>), aangegeven niet akkoord te gaan met de verlenging van goedkeuringstermijn voor tebuconazool, maar in te stemmen met het totale pakket van stoffen.</al>
              <al>Wat betreft de onderhandelingen over de Omnibus Food &amp; Feed Package klopt het dat Nederland vindt dat het pakket niet mag leiden tot verslechtering van de bescherming van mens, dier en milieu. Dit is de Nederlandse inzet in Brussel. Het uiteindelijke standpunt van het kabinet zal pas worden bepaald, wanneer een daadwerkelijk voorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd. Ik zal de Kamer hier uiteraard over informeren.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Natuurbranden</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel Integrale Natuurbrandbeheersing. Deze leden vragen of de Minister bereid is om bij de onderhandelingen ook te wijzen op de gevaren van Defensie activiteiten voor de natuur en het risico op natuurbranden dat daarbij gepaard gaat. Gaat de Minister delen wat er in de afgelopen weken is gebeurd in Nederland met verschillende natuurbranden door toedoen van Defensie activiteiten in natuurgebieden met explosieve middelen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Ik ben mij bewust van de zorgen die deze leden uitspreken over de mogelijke effecten van defensieactiviteiten op natuurgebieden, waaronder het risico op natuurbranden. Bij oefeningen en andere activiteiten van Defensie wordt nadrukkelijk rekening gehouden met geldende veiligheidsvoorschriften, natuurwetgeving en de omstandigheden ter plaatse, zoals droogte en brandgevaar. Ik acht het van belang dat lessen uit incidenten worden betrokken bij toekomstige besluitvorming, zodat risico’s voor natuur, omwonenden en hulpdiensten zoveel mogelijk worden beperkt. Wanneer relevant zal ik daarom ook aandacht vragen voor een zorgvuldige afweging tussen Defensieactiviteiten, veiligheid en natuurbescherming. Daarbij kan ik ook wijzen op recente ervaringen in Nederland.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van Groep Markuszower zijn van mening dat het onze Nederlandse boeren niet gemakkelijk wordt gemaakt. Aan de ene kant worden zij gedwongen om dure kunstmest aan te schaffen. Aan de andere kant moeten zij hun eigen dierlijke mest, een waardevolle grondstof, tegen hoge kosten afvoeren vanwege starre Europese regels. Hoe kan het dat we boeren opzadelen met torenhoge kosten, terwijl we tegelijkertijd een perfect bruikbaar alternatief weg reguleren? Hoe kijkt de Minister zelf naar deze tegenstrijdigheid en belangrijker: wat gaat hij hier in Europa concreet aan doen? De EC komt met een actieplan voor meststoffen, maar laten we eerlijk zijn: zolang Nederland braaf achter elke Brusselse regel aan blijft lopen, verandert er niets. Boeren hebben nu praktische maatregelen nodig om hun bedrijf draaiende te houden. Deze leden vragen daarom aan de Minister of hij bereid is om zich hard te maken voor meer ruimte voor het gebruik van dierlijke mest. Op zijn minst tijdelijk, zolang kunstmestprijzen hoog zijn, moeten boeren hun eigen mest kunnen benutten in plaats van die verplicht af te voeren. Een subsidie vanuit Europa klinkt misschien mooi, maar is de wereld op zijn kop, daar draait namelijk de belastingbetaler voor op. (De Telegraaf, 19 mei 2026, «Europese Commissie werkt aan megasteun voor boeren na kunstmestschok door Midden-Oosten-oorlog; voedselprijzen gaan anders drastisch omhoog», </nadruk>
              <extref soort="URL" doc="https://www.telegraaf.nl/binnenland/europese-commissie-werkt-aan-megasteun-voor-boeren-na-kunstmestschok-door-midden-oosten-oorlog-voedselprijzen-gaan-anders-drastisch-omhoog/152007862.html?utm_medium=referral&amp;utm_campaign=share" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.telegraaf.nl/binnenland/Europese-commissie-werkt-aan-megasteun-voor-boeren-na-kunstmestschok-door-midden-oosten-oorlog-voedselprijzen-gaan-anders-drastisch-omhoog/152007862.html?utm_medium=referral&amp;utm_campaign<?xpp afbreek?>=share</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Terwijl het alternatief dierlijke mest een vele malen logischere oplossing zou kunnen zijn. Is de Minister het met deze leden eens? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het Actieplan Meststoffen bevat een verscheidenheid aan maatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadere appreciatie.</al>
              <al>Het kabinet zet zich in voor het beter mogelijk maken van het gebruik van circulaire meststoffen. Een belangrijke stap daarin is de implementatie van de huidige mogelijkheden voor RENURE-meststoffen, waarvan de verwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn. Daarnaast wordt in het Actieplan Meststoffen de meerwaarde van het gebruik van meer RENURE-waardige meststoffen, bijvoorbeeld uit digestaat, benadrukt. Het kabinet kijkt uit naar de voorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van Groep Markuszower hebben dan nog enkele vragen over het Mercosur-akkoord. Een akkoord dat volgens dit kabinet goed zou zijn voor de economie, met een marginale bbp-groei van 0,02 procent. Maar tegen welke prijs? Landen als Frankrijk, Oostenrijk, Hongarije en Ierland hebben niet voor niets grote bezwaren. Inmiddels heeft ook Polen dit akkoord aangevochten bij het Europese Hof van Justitie, omdat het akkoord Europese boeren blootstelt aan oneerlijke concurrentie. Boeren in Zuid-Amerika produceren onder lagere standaarden. Minder regels, lagere kosten. Ondertussen moeten onze boeren voldoen aan de strengste eisen ter wereld. Laten we trots zijn op onze landbouwsector en zeer goed oppassen voor het wegconcurreren van onze eigen landbouw. Terwijl wij hier onze boeren uitkopen en beperken, importeren we producten waarvoor elders veel lagere standaarden voor dierenwelzijn en milieubescherming gelden. Deze leden vragen de Minister dan ook hoe hij dit rechtvaardigt tegenover Nederlandse boeren en naar de Nederlandse consument. Wat gaat de inzet van Nederland worden om de concurrentie eerlijker te maken? Steeds meer boeren stoppen. De kosten stijgen, de regels stapelen zich op en perspectief ontbreekt. Ondertussen wordt onze voedselzekerheid steeds afhankelijker van het buitenland. In een tijd van geopolitieke spanningen is dat geen verstandig beleid en dat is een risico. Nederland moet weer kiezen voor zijn eigen boeren. Voor voedselproductie op eigen bodem.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van Groep Markuszower zijn van mening dat het nu tijd is dat deze Minister opkomt voor de Nederlandse belangen en de Nederlandse agrarische sector. Wat gaat daarbij de Nederlandse inzet zijn?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland heeft als economie met een open karakter een bijzonder belang bij een open en op regels gebaseerd internationaal handelssysteem. Zo is export van goederen en diensten goed voor bijna een derde van het Nederlands bruto binnenlands product en zo’n 30% van de werkgelegenheid in Nederland. Uit handelscijfers blijkt dat Nederland een sterke exportpositie heeft in landbouwgoederen. Ook de landbouwsector heeft daarom baat bij handelsafspraken, waaronder in bilaterale handelsakkoorden.</al>
              <al>In het EU-Mercosur-akkoord zijn bovendien afspraken opgenomen over de bescherming van gevoelige Europese landbouwsectoren door invoerquota, waardoor import tegen gunstigere tarieven beperkt is. Bovendien is er de mogelijkheid om vrijwaringsmaatregelen te nemen, wanneer er een ernstige marktverstoring plaatsvindt of dreigt plaats te vinden.</al>
            </al-groep>
            <al>Het is inderdaad zo dat er tussen landen verschillen zitten in de wijze waarop een product geproduceerd wordt, zogeheten productiestandaarden. Productiestandaarden worden immers door ieder land zelf bepaald. Bij het opstellen van deze regels baseren overheden zich op lokale omstandigheden, zoals infrastructuur, geografische ligging, sociaaleconomische situatie, klimaat en milieu. Enkel uit het gegeven dat productiestandaarden in ieder land anders zijn kan derhalve niet (expliciet of impliciet) worden geconcludeerd dat er geen gelijk speelveld is. Bovendien wordt het concurrentievermogen van ondernemers door veel verschillende factoren bepaald. Productiestandaarden zijn één van die factoren, naast bijvoorbeeld investeringsklimaat, geografische ligging, infrastructuur, toegang tot goed opgeleide arbeidskrachten, importtarieven en (landbouw)subsidies. De EU kan een ander land niet zomaar dezelfde eisen opleggen voor productie zoals die gelden binnen de EU. De EU zou dat andersom ook niet accepteren. Wel kunnen handelsakkoorden zoals het EU-Mercosur-akkoord bijdragen aan het verkleinen van die verschillen door bijvoorbeeld afspraken te maken over arbeids- en milieustandaarden, evenals over het aangaan van een dialoog over productiestandaarden.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>