﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-32-1790/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>21 501</dossiernr>-<raadnr>32</raadnr></dossiernummer>
      <titel>Landbouw- en Visserijraad</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">1790</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-01">1 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 20 april 2026 over de geannoteerde agenda informele Landbouw en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1777" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1777</extref>).</al>
            <al>De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2026 aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 1 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Steen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>De griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Jansma</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van berichten dat het Cypriotisch voorzitterschap voornemens is reeds volgende week een compromisvoorstel voor te leggen van het omnibuspakket Veiligheid van voedsel en diervoerder. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat dit inderdaad de intentie is van het Cypriotisch voorzitterschap? Is de Staatssecretaris hiervan op de hoogte en heeft hij hierover overleg gevoerd met zijn ambtgenoten dan wel via de permanente vertegenwoordiging? De leden van de D66-fractie achten versnelling van de besluitvorming op dit dossier onwenselijk. Nederland heeft in het BNC-fiche (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-22112-4261" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">22 112, nr. 4261</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) substantiële bezwaren geuit over het omnibusvoorstel. Daarnaast heeft de Nederlandse EU-wetenschap<?xpp afbm?>stoets (</nadruk>
              <extref doc="nds-tk-2026D18869" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">2026D18869</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) kritische observaties opgeleverd die geadresseerd dienen te worden in een compromisvoorstel vanuit de Raad. Als er volgende week inderdaad al een principeakkoord wordt bereikt, is er voor Nederland en de Kamer onvoldoende ruimte om daar invloed op uit te oefenen. Dat is wat deze leden betreft zeer bezwaarlijk.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Er wordt op dit moment in de Raadswerkgroep (Antici Group on Simplification, oftewel AGS) onderhandeld over tekstvoorstellen in het kader van het Omnibuspakket Veiligheid van voedsel en diervoerder (hierna: het Omnibusvoorstel). De vergaderingen van de AGS-Raadswerkgroep vinden ongeveer elke twee weken plaats. Dit Raadswerkgroepproces is een iteratief proces, waarin er telkens tekstvoorstellen worden gedaan door het voorzitterschap die besproken worden in de Raadswerkgroep, waarbij de terugkoppeling van de lidstaten dan weer wordt verwerkt in nieuwe tekstvoorstellen. Wellicht dat de berichten, waar de leden van de D66-fractie naar verwijzen, deze tekstvoorstellen bedoelen: deze worden namelijk in het kader van de Raadswerkgroep «compromisteksten» genoemd. Dit Raadswerkgroepproces kan lange tijd duren en is niet besluitvormend of een bijzondere mijlpaal. Besluitvorming over dit Omnibusvoorstel is voorlopig nog niet in zicht en wordt ook nog niet verwacht. De inschatting is dat besluitvorming pas onder het volgende voorzitterschap (Ierland) zal plaatsvinden. Er is dus geen sprake van een versnelling en er is nog voldoende tijd om met elkaar op 12 mei a.s. over dit dossier verder in debat te gaan.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Is de Staatssecretaris bereid zich actief te verzetten tegen deze versnelde planning? Zo ja, is hij bereid daartoe contact op te nemen met gelijkgestemde lidstaten, zoals België, Zweden, Denemarken en Frankrijk, om gezamenlijk een minderheidsblok te vormen dat voldoende omvang heeft om de besluitvorming te vertragen? Is hij bereid daartoe ook op ministerieel niveau en via de permanente vertegenwoordiging actie te ondernemen, ook richting de ANTICI-groep? Deelt hij de analyse van deze leden dat Nederland hiervoor een goede positie heeft, mede omdat andere kritische lidstaten de uitkomsten van de Nederlandse wetenschapstoets met belangstelling volgen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Zoals genoemd, is op dit moment geen sprake van een versnelling. Uiteraard volgt de Staatssecretaris de ontwikkelingen over dit Omnibusvoorstel op de voet en hij zal waar mogelijk samen optrekken met andere lidstaten om het Nederlandse standpunt in de uiteindelijke teksten te laten landen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hebben een helder verzoek: gebruik de beschikbare tijd om te achterhalen wat de ondertekende lidstaten daadwerkelijk nodig hebben om de vertragingen weg te werken en de toelatingsprocedures voor groene middelen te versnellen. Die vraag is met het huidige omnibusvoorstel onbeantwoord gebleven. Versnelling van het compromis vóórdat die vraag is beantwoord, is onverantwoord en ondermijnt het draagvlak voor het uiteindelijke besluit.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de besluitvorming in de Europese Visserijraad over het makreelquotum. Hoewel het quotum is verlaagd, ligt het vastgestelde niveau van 299.010 ton nog altijd ver boven het wetenschappelijk advies van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES), dat een maximale vangst van 174.000 ton adviseert. Dat is het headline-advies op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis wat de maatstaf is die het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) als uitgangspunt neemt. Daarbij geldt dat er nog altijd geen internationale vangstverdeling is afgesproken met alle kuststaten, waardoor de daadwerkelijke vangst naar verwachting nog aanzienlijk boven het vastgestelde quotum zal uitkomen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Dit baart deze leden zorgen, temeer omdat het makreelbestand de afgelopen tien jaar sterk is afgenomen. Makreel vervult als sleutelsoort een cruciale ecologische functie in de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Door opnieuw boven het wetenschappelijk advies te vissen, wordt het herstel van de soort verder onder druk gezet en neemt het risico op een uiteindelijk totaal vangstverbod toe. Dat scenario kent op termijn alleen verliezers: de natuur, de vissers en de kustgemeenschappen die van de visserij afhankelijk zijn. Bovendien wordt hiermee een precedent geschapen: als voor makreel de wetenschappelijke grenzen worden losgelaten onder druk van internationale kuststaten, wordt het moeilijker om voor andere soorten wél op Maximum Sustainable Yield (MSY)-niveau vast te houden. Met welke motivatie heeft de Staatssecretaris in Europa gepleit voor een quotum dat ruim boven het ICES-advies ligt? Deelt de Staatssecretaris de analyse dat dit besluit het risico vergroot op verdere achteruitgang van het makreelbestand en uiteindelijk op een totaal vangstverbod? Zo nee, op grond van welk wetenschappelijk inzicht wijkt zij af van het ICES-advies? Welke stappen zet de Staatssecretaris om te komen tot bindende internationale vangstafspraken met alle kuststaten binnen de wetenschappelijke grenzen, zodat het vastgestelde quotum ook daadwerkelijk de bovengrens is en niet slechts een papieren getal?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De International Council for the Exploration of the Sea (ICES) neemt in haar adviezen over de vangstmogelijkheden doorgaans meerdere scenario’s op met niveaus waarop duurzame visserij kan plaatsvinden. Het wetenschappelijk primaire advies van ICES stelde een reductie ten opzichte van 2025 voor van 70% van de vangsten, waarbij de kans dat het bestand onder de biologische ondergrens zou blijven ongeveer 50% zou zijn. Het secundaire advies van ICES betrof een reductie van 48% ten opzichte van 2025, waarbij de kans dat het bestand onder de biologische ondergrens zou blijven 57% zou zijn, dus een verschil van 7%. Het effect op de totale bestandsomvang als enkel de Europese Unie (EU) zich zou beperken tot de reductie van 70% lijkt, grof ingeschat, zeer beperkt. De Staatssecretaris heeft bij zijn keuze ook een gelijk speelveld voor alle vissers op dit bestand meegewogen aangezien andere Kuststaten al hadden besloten naar – 48% te gaan waarmee de EU werd geïsoleerd, en tevens de sociaaleconomische consequenties indien enkel de EU zich zou beperken, terwijl de importen van makreel uit enkele Kuststaten die al tot de hogere vangsten hadden besloten, tariefvrij zijn.</al>
            </al-groep>
            <al>De Staatssecretaris en ook de Franse Minister, gesteund door Duitsland en Portugal hebben de Europese Commissie (hierna: de Commissie) dringend opgeroepen tot hernieuwde inspanning om met de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig akkoord tussen alle Kuststaten te komen. Een akkoord over de verdeelsleutel is inderdaad essentieel voor een duurzaam beheer van het makreelbestand. Daarbij heeft de Staatssecretaris ook benoemd dat het van groot belang is dat de overbevissing door de Russische Federatie beperkt wordt; ook hiertoe doet de EU voorstellen in het kader van de Noord-Oost Atlantische Visserij-Commissie.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 en danken het kabinet voor de toezending daarvan. Deze leden hechten aan een sterke en toekomstbestendige landbouw- en visserijsector, waarin ruimte is voor ondernemerschap, innovatie en een goed verdienvermogen voor ondernemers. Tegelijkertijd vinden deze leden het van belang dat Europees beleid uitvoerbaar blijft, regeldruk wordt beperkt en het gelijke speelveld binnen de Europese Unie (EU) wordt geborgd.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Risicomanagement in de Europese landbouwsector</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie steunen de inzet op een weerbare landbouwsector die beter bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering. Deze leden vinden het belangrijk dat ondernemers in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het managen van risico’s en dat de overheid vooral faciliteert door randvoorwaarden op orde te brengen en innovatie mogelijk te maken. Tegelijkertijd constateren deze leden dat het Europese instrumentarium voor risicomanagement nog weinig concreet is uitgewerkt.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden vragen het kabinet daarom welke Europese instrumenten op dit moment beschikbaar zijn of worden overwogen om agrarische ondernemers te ondersteunen bij het omgaan met risico’s, en hoe wordt voorkomen dat nieuwe maatregelen leiden tot extra administratieve lasten of marktverstoring. Daarbij vragen zij hoe het kabinet ervoor wil zorgen dat er binnen de EU sprake blijft van een eerlijk en gelijk speelveld tussen lidstaten, met name wanneer nationale steunmaatregelen worden ingezet.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) biedt ruimte om agrariërs te ondersteunen in het voorbereiden op en omgaan met risico’s. Door gebruik te maken van de eco-regeling kunnen telers extra betalingen ontvangen voor activiteiten die mede bijdragen aan een weerbare agrarische bedrijfsvoering, zoals bodem-, water- en teeltmaatregelen. Een ander voorbeeld is de brede weersverzekering onder het GLB, die het sluitstuk vormt van klimaatadaptatie in Nederland. Hierdoor wordt het voor agrariërs toegankelijker om restschades als gevolg van extreem weer te verzekeren. Het kabinet zet zich ervoor in dat lidstaten gebruik kunnen maken van de mogelijkheden tot ondersteuning van fondsvorming en verzekeringen in het GLB om schades van agrariërs te beperken. Hierbij vraagt het kabinet aandacht voor de regeldruk en gevolgen voor de administratieve lasten van ondernemers. Tot slot omvat de Gemeenschappelijke Marktordening bepalingen voor steun in geval van marktverstoringen, die uit de landbouwreserve kunnen worden gefinancierd.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet aankijkt tegen de verdere ontwikkeling van de brede weersverzekering en hoe wordt geborgd dat deze toegankelijk en betaalbaar blijft voor ondernemers.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet onderschrijft het belang van een toekomstbestendige brede weersverzekering. In Nederland vormt de brede weersverzekering het sluitstuk van klimaatadaptatie en zij zorgt ervoor dat restschades verzekerbaar blijven voor agrarische bedrijven in de open teelten, die vaker te maken krijgen met uitzonderlijke weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering. Hiermee wordt de economische veerkracht van agrarische bedrijven versterkt. Het kabinet blijft zich inzetten voor het behoud van deze interventie in het GLB en heeft aandacht voor de betaalbaarheid van de brede weersverzekering.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden zijn van mening dat innovatie, zoals nieuwe teelten, digitalisering en precisielandbouw, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het vergroten van de weerbaarheid van bedrijven. Zij vragen daarom hoe het kabinet deze innovaties in Europees verband wil stimuleren en hoe wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met complexe regelgeving of onnodige subsidieregelingen. Zij vragen ook hoe wordt geborgd dat maatregelen voor risicomanagement aansluiten bij de praktijk van ondernemers en voldoende ruimte laten voor investeringen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Wij onderschrijven het belang van innovatie in de land- en tuinbouw om zo bij te dragen aan het versterken van de weerbaarheid van deze sectoren. Nederland stimuleert in Europees verband op diverse manieren samenwerking en kennisuitwisseling met als doel innovatie te versnellen. Zo werken we in Europees verband aan het versterken van ons Agrarisch Kennis- en Innovatiesysteem (AKIS). Met het AKIS zorgen we voor kennisontwikkeling, -verspreiding en actieve samenwerking tussen diverse partijen. Dit is een randvoorwaarde bij het ontwikkelen van innovaties. Aan het AKIS zijn concreet twee Europese interventies uit het GLB gekoppeld ter stimulering van kennisoverdracht en innovatie. Deze worden in Nederland al jaren met succes uitgevoerd. Voor het stimuleren van innovatie wordt daarnaast de subsidieregeling Samenwerken aan innovatie in het kader van Europese Innovatie Partnerschappen (EIP-regeling) opengesteld voor het subsidiëren van innovatiepilots waarin landbouwers met andere partijen samenwerken aan praktijkgerichte innovatieve oplossingen. Denk hierbij aan de ontwikkeling van weerbare gewassen en teeltsystemen die bestand zijn tegen (a)biotische stressfactoren, en aan toepassingen op het gebied van digitalisering en robotisering. Om de subsidieregelingen toegankelijker en minder versnipperd open te stellen is de afgelopen jaren gewerkt aan een modulaire innovatie-subsidieregeling met openstellingen per innovatiethema. Om de aanvraagprocedure te verbeteren wordt momenteel gewerkt aan een digitale «subsidiebuddy». Daarnaast steunt het kabinet het voorstel voor het Europees Concurrentievermogenfonds in het kader van het volgende EU Meerjarig Financieel Kader (2028–2034), van waaruit de genoemde innovaties gestimuleerd en ondersteund kunnen worden (Kamerstuk <extref doc="kst-22112-4153" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4153</extref>).</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)</nadruk>
            </tussenkop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de aankomende evaluatie van het GVB en onderschrijven het belang van een beleid dat zowel duurzaam als werkbaar is voor de visserijsector. Deze leden vinden dat regelgeving in de praktijk uitvoerbaar moet zijn en dat investeringen in innovatie en verduurzaming niet onnodig mogen worden belemmerd door complexe regels.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Zij vragen het kabinet welke onderdelen van het huidige GVB volgens Nederland het meest knellen in de praktijk en welke concrete wijzigingen Nederland in Europees verband wil bepleiten om de uitvoerbaarheid te verbeteren. In het bijzonder vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen de werking van de aanlandplicht en welke aanpassingen mogelijk zijn om deze beter uitvoerbaar en handhaafbaar te maken, zonder de duurzaamheidsdoelen uit het oog te verliezen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Daarnaast vragen deze leden hoe Nederland zich inzet voor het verminderen van regeldruk binnen het GVB en het versterken van de concurrentiepositie van de sector, onder meer door ruimte te bieden voor innovatie en digitalisering en door procedures te vereenvoudigen.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland zet zich in voor een werkbaar Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Dit betekent aanpassingen op het gebied van de aanlandplicht, innovatie, meerjarenplannen, energietransitie en simplificatie. Voor de aanlandplicht kijkt Nederland naar automatische vangstregistratie van discards met behulp van slimme camera’s en AI als alternatief. Niet alleen zouden we hiermee voorkomen dat ook ongewenste bijvangst aan boord gesorteerd en opgeslagen moet worden, ook kan een reductie van administratieve lasten bereikt worden, omdat logboeken automatisch worden ingevuld. Voor simplificatie is het voor Nederland van belang dat niet alleen naar reeds bestaande regelgeving wordt gekeken maar deze ambitie ook geldt bij nog op te stellen regelgeving in kader van de herziene Controle Verordening waaraan de komende tijd wordt gewerkt.</al>
              <al>Indien de Commissie besluit over te gaan tot een herziening van het GVB is hierbij van belang dat de EU de doelen van het GVB niet uit het oog verliest. Nederland zal hiertoe ook oproepen in de informele Raad.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026. Deze leden hebben echter ook vragen en opmerkingen over actualiteiten rondom het omnibuspakket voor voedsel- en diervoederveiligheid. Hun inbreng richt zich met name daarop, met het oog op het geplande plenaire debat over de Omnibus voedsel- en diervoederveiligheid na het meireces 2026.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Geannoteerde agenda</nadruk>
            </tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Risicomanagement Landbouw</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een discussie zal plaatsvinden over risicomanagement in de Europese landbouwsector. Volgens deze leden is de meest effectieve risicomanagement de structurele verduurzaming van de landbouw. Is Nederland in deze discussie bereid te pleiten voor natuurinclusiviteit als belangrijkste risicomitigerende maatregel en op te roepen tot het aantrekkelijker maken van natuurinclusieve bedrijfsvormen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet zet in op een bredere mix van maatregelen en instrumenten om risicomanagement in de land- en tuinbouw te versterken en zal hiervoor ook pleiten tijdens de informele Raad. Denk hierbij aan technologische en natuurinclusieve oplossingen, en combinaties daarvan, om agrarische bedrijven weerbaarder te maken tegen extreme weersomstandigheden. Dit wordt onder andere gedaan middels het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw en natuur, toepassing van de eco-regeling en stimulansen om boeren te ondersteunen bij (innovatieve) verduurzaming. Daarnaast draagt het risicomanagement instrumentarium bij aan de financiële weerbaarheid van agrarische bedrijven.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze leden erkennen ook dat elke teler geraakt kan worden door de gevolgen van extreem weer. Hoe kijkt het kabinet naar het compenseren van telers die door onvoorziene klimaatomstandigheden hard worden getroffen? In welke mate dienen telers publiek, danwel privaat te worden gecompenseerd? Wat is volgens de regering een wenselijke «verantwoordelijkheidsverdeling» tussen de EU, de lidstaten en private verzekeraars? Deelt het kabinet de opvatting van deze leden dat publieke middelen in beginsel dienen te gaan naar duurzame telers wiens bedrijvigheid bijdraagt aan publieke belangen zoals duurzaamheid, dierenwelzijn en gezondheid?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De brede weersverzekering dient als sluitstuk van klimaatadaptatie in de landbouw. Hierdoor wordt het voor agrariërs toegankelijker om de restrisico’s van extreme weersomstandigheden te verzekeren. Het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw vormt nog steeds de basis voor de aanpak voor een klimaatadaptieve land- en tuinbouw in Nederland. Het kabinet benadrukt de noodzaak tot het nemen van preventieve maatregelen door agrariërs. Het is belangrijk dat Europese en nationale overheden, en private partijen, een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de randvoorwaarden om agrariërs hierin te ondersteunen. Deze inzet richt zich op het ondersteunen van alle agrarische bedrijven om hun weerbaarheid te versterken. Financieel vergoeden van schades in de huidige teeltmethoden zal op termijn onhoudbaar zijn.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Gemeenschappelijk Visserijbeleid</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben moeite met het uitblijven van de stukken voor de evaluatie van het GVB. Deze leden kunnen hierdoor geen gericht commentaar leveren. Zij vragen het kabinet of het standpunt over het GVB ongewijzigd is in vergelijking tot het voorgaande kabinet. Heeft het kabinet-Jetten andere prioriteiten, accenten of aandachtspunten. Zo ja, hoe komen deze tot uiting? Hoe beoordeelt het kabinet of voorstellen tot versimpeling en regeldrukverlichting daadwerkelijk effectief zijn en in feite geen afbreuk doen aan de gestelde doelen? Deze leden wijzen op het grote belang dat voorstellen daadwerkelijk getoetst worden en dat het kabinet niet zomaar meegaat in de aannames van de Europese Commissie (EC), zolang er geen wezenlijke en onafhankelijke impact assessment is uitgevoerd.</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris heeft begrip voor de moeite die de leden van de Groenlinks-PvdA-fractie uiten over het uitblijven van de stukken voor de evaluatie van het GVB. De verwachting is dat tijdens de informele Raad een eerste toelichting wordt gegeven op de uitkomst van de evaluatie die mogelijk kort daarvoor zal verschijnen. De inbreng van Nederland tijdens de informele Raad zal zich daarom, in lijn met eerdere communicatie hierover aan de Kamer, richten op het oproepen tot het wijzigen van het GVB op onderdelen zoals de aanlandplicht, innovatie, meerjarenplannen, energietransitie en vereenvoudiging, zonder hierbij de doelstellingen van het GVB uit het oog te verliezen. Op dit moment is er nog geen sprake van een voorstel tot wijziging van het GVB. Wanneer het voorstel tot wijziging van het GVB is gepubliceerd, dan zal de kabinetsappreciatie hiervan overeenkomstig de bestaande informatieafspraken met de Kamer worden gedeeld.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Omnibus</nadruk>
            </tussenkop>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Actualiteit</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun grote zorgen over het Europese omnibusvoorstel voor voedsel- en diervoederveiligheid. Uit de EU-wetenschapstoets die is uitgevoerd maken deze leden op dat de gevolgen van het vereenvoudigingspakket niet onderbouwd zijn en dat vrijwel alle beoogde doelen (onder andere een gelijk speelveld creëren, regeldruk verminderen, innovaties versnellen, mens en milieu beschermen) niet worden gehaald. Deze leden vragen het kabinet om de EU-wetenschapstoets ter harte te nemen en zich, zolang de Kamer zich niet heeft uitgesproken, afwijzend uit te laten over het omnibusvoorstel. Zij vragen het kabinet een volledige terugkoppeling van de onderhandelingen die momenteel plaatsvinden of reeds hebben plaatsgevonden over het omnibusvoorstel en een tijdlijn te schetsen van belangrijke beslismomenten die de komende tijd zullen volgen. Zij vragen het kabinet ook om expliciet te maken of en zo ja, op welke wijze haar standpunt afwijkt van het voorgaande kabinet dat het BNC-Fiche destijds heeft opgesteld.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>In de door de Staatssecretaris toegezegde brief over de reactie op de wetenschapstoets zal ook een terugkoppeling gegeven worden van het verloop van de onderhandelingen tot nu toe en een verwachte tijdlijn. De inzet van de Staatssecretaris is dat de Kamer deze brief ontvangt voor het geplande Commissiedebat van 12 mei a.s. In de nabije toekomst wordt geen besluitvorming over het Omnibusvoorstel verwacht, de verwachting is dat dit pas onder het volgende voorzitterschap (Ierland) zal plaatsvinden. Het standpunt van het kabinet in dit dossier is conform het BNC-fiche van het Omnibusvoorstel (Kamerstuk <extref doc="kst-22112-4261" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4261</extref>).</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de voorbereidende ANTICI-groep van de Europese Raad op woensdag 29 april een «compromisvoorstel» zal presenteren met betrekking tot het omnibuspakket (Europese Raad, 29 april 2026, «Antici Gr. (Simplification), 29 april 2026, (</nadruk>
              <extref doc="https://www.consilium.europa.eu/nl/meetings/mpo/2026/4/antici-sub-gr-on-simplification-%28365244%29/" soort="URL" status="actief">
                <nadruk type="cur">https://www.consilium.Europa.eu/nl/meetings/mpo/2026/4/antici-sub-gr-on-simplification-(365244)/</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">)). Deze leden vragen het kabinet om precies toe te lichten wat de inzet van het kabinet bij eerdere besprekingen van de ANTICI-groep waar het omnibuspakket is besproken. Is er al een compromis bereikt op enkele onderdelen, zoals pesticiden? Zo ja, is dat met akkoord van het kabinet of heeft Nederland dit afgekeurd of zich vocaal onthouden van stemming? Volgens deze leden is het van groot belang dat Nederland zich in dit voorbereidende overlegorgaan ondubbelzinnig tégen compromisteksten keert die in strijd zijn met de aangenomen motie-Podt/Bromet (Kamerstuk </nadruk>
              <extref doc="kst-21501-32-1744" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">21 501-32, nr. 1744</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">) of anderszins geen recht doen aan de zorgen die de Kamer, mede via de EU-wetenschaps<?xpp afbm?>toets, over het omnibuspakket heeft geuit. Kan het kabinet beloven dat zij zich in de ANTICI-groep zal voegen bij de blokkerende minderheid en samen zal optrekken met gelijkgestemde landen om deze minderheid te bestendigen?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Er wordt op dit moment in de AGS-Raadswerkgroep onderhandeld over tekstvoorstellen in het kader van het Omnibusvoorstel. De vergaderingen van de AGS-Raadswerkgroep vinden ongeveer elke twee weken plaats. Dit Raadswerkgroepproces is een iteratief proces, waarin er telkens tekstvoorstellen worden gedaan door het voorzitterschap die besproken worden in de Raadswerkgroep, waarbij de terugkoppeling van de lidstaten dan weer wordt verwerkt in nieuwe tekstvoorstellen. Het klopt dat deze tekstvoorstellen ook wel «compromisteksten» worden genoemd. De Staatssecretaris wil echter benadrukken dat deze besprekingen op ambtelijk niveau plaatsvinden en geen besluitvormend karakter hebben. Dit betekent dat er nog geen compromis is bereikt op het Omnibusvoorstel of op onderdelen hiervan. Zoals gezegd wordt niet verwacht dat op korte termijn besluitvorming zal plaatsvinden.</al>
            </al-groep>
            <al>Nederland baseert zijn inzet op het BNC-fiche en de aangenomen moties (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1744" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1744</extref> en Kamerstuk <extref doc="kst-21501-32-1771" soort="document" status="actief">21 501-32, nr. 1771</extref>). Heel concreet betekent dit bijvoorbeeld dat Nederland zich inzet tijdens deze Raadswerkgroepen om aan de definitie van biocontrol toe te voegen dat dit laagrisicostoffen moeten zijn. Ook zet Nederland zich ervoor in dat er in de tekst vastgelegd wordt dat er een signaleringssysteem moet worden ingericht bij de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).</al>
            <al>Nederland bespreekt doorlopend met gelijkgestemde lidstaten waar de voorliggende teksten meer in overeenstemming met de inzet van Nederland en deze lidstaten kunnen worden aangepast. Dit wordt vervolgens in de AGS-Raadswerkgroep ingebracht. Aangezien er momenteel nog volop over de tekstvoorstellen wordt onderhandeld, worden er op dit moment nog geen meerderheden vóór of blokkerende meerderheden tegen het voorstel gevormd. Uiteraard neemt de Staatssecretaris de zorgen van de Kamer serieus. Ook bestudeert de Staatssecretaris op dit moment de wetenschapstoets om te bezien of deze nog van invloed zal zijn op de Nederlandse inzet.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Toelating en herbeoordeling</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben specifieke vragen over de toelating van pesticiden. Deze leden zijn van mening dat pesticiden, die zorgwekkende stoffen bevatten vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW), hoe dan ook moeten worden uitgesloten van de goedkeuring voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor pesticiden die stoffen, synergisten en beschermstoffen bevatten die wél zijn toegelaten voor onbepaalde tijd. Is het kabinet het ermee eens dat de herbeoordeling van zowel middelen als werkzame stoffen ongewijzigd dient te blijven met oog op de gezondheid van mens en milieu?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris begrijpt de zorgen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, maar wijst erop dat het voorstel een oplossing beoogt te bieden voor problemen rond het huidige Europese toelatings- en herbeoordelingssysteem. Dit systeem is vastgelopen, waarbij veel vertraging optreedt in beoordelingen. Het voorgestelde risico-gestuurde systeem beoogt het vastgelopen systeem weer op gang te krijgen. Uiteraard is daarbij wel van groot belang dat dit niet ten koste gaat van de veiligheid voor mens, dier en milieu. Daarom zet Nederland zich in voor aanvullende voorwaarden voor dit voorgestelde risico-gestuurde systeem, zodat deze veiligheid niet in het geding is.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Hoe kijkt het kabinet naar het toelaten van pesticiden voor onbepaalde tijd, indien deze ten minste één stof bevatten die voor onbepaalde tijd is toegelaten? Kan het kabinet toelichten welke specifieke waarborgen zij bepleit bij onderhandelingen over dit punt? Zet het kabinet zich in voor het verkrijgen van de nationale bevoegdheid om middelen (uit voorzorg) terug te trekken zodra uit onderzoek blijkt dat er mogelijk onaanvaardbare risico’s zijn voor mens en milieu? Behoudt Nederland de bevoegdheid om deze middelen, die voor onbepaalde tijd zijn toegelaten, op eigen initiatief te herbeoordelen?</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben aanvullende vragen over het recht om als lidstaat herbeoordeling aan te vragen voor mogelijk zorgwekkende stoffen die eerder zijn toegelaten. Deze leden vragen het kabinet om duidelijk te maken welke Nederlandse instantie(s) aan zet zijn om gezondheidsrisico’s te identificeren en signaleren, die aanleiding geven om stoffen in het Europese werkprogramma opnieuw te beoordelen. Hoe wordt dit toezicht nationaal georganiseerd en hoe verzekert het kabinet dat mogelijke risico’s blijvend en effectief worden gemonitord? Kan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ook op eigen initiatief een herbeoordeling aanvragen voor een bepaalde stof? Aan welke criteria moet een in dat geval stof voldoen om ter worden herbeoordeeld?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Voor de beantwoording van deze vragen is afstemming met het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) noodzakelijk. De beantwoording van deze vragen vraagt daarom meer tijd. De Staatssecretaris zal op deze vragen ingaan in de reeds toegezegde Kamerbrief over de wetenschapstoets. Deze brief zal de Kamer ontvangen voor het Commissiedebat op 12 mei a.s.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op het verschuiven van de bewijslast voor de stukken die nodig zijn om een stof opnieuw te beoordelen. Volgens de EU-wetenschapstoets dreigt de bewijslast te verschuiven van de producenten naar overheden, of zelfs een onduidelijke derde partij. Klopt dit? Welke alternatieve plannen worden er besproken met betrekking tot de bewijslast? Deelt het kabinet de zorgen van deze leden over deze verschuiving, omdat dit de bewijslast neerlegt bij producenten die direct belang hebben bij het tegenhouden van een herbeoordeling? Welke aanpassingen stelt het kabinet voor bij het omnibusvoorstel om te garanderen dat er actuele en volledige gegevensverzameling plaatsvindt over risicovolle stoffen, ongeacht waar de bewijslast ligt?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De bewijslast bij een herbeoordeling zal nog steeds bij een producent liggen. De producenten moet bij een herbeoordeling informatie aanleveren waaruit blijkt dat een stof voldoet aan de onafhankelijk wetenschappelijk vastgestelde criteria voor goedkeuring. Op dit punt verandert dit voorstel niets, zoals de Staatssecretaris ook in een eerder antwoord op vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie aangaf (Kamerstuk <extref doc="kst-22112-4305" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4305</extref>). De beschreven verschuiving van bewijslast in de wetenschapstoets herkent de Staatssecretaris daarom niet. Wel deelt hij de mening van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat het nodig is voor een goed werkend risico-gestuurd systeem dat er een monitorings- en signaleringssysteem is ingericht. Nederland zet zich er in Brussel voor in dat EFSA hier een duidelijk mandaat voor krijgt.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op de huidige tekortkomingen van de herbeoordelingssystematiek. Zo heeft Nederland, volgens de EU-wetenschapstoets (Appendix 1), in 2020 al eens verzocht om de stof «flypyradifurone» op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten opnieuw te beoordelen. Daarnaast heeft Nederland in juli en oktober van 2025 met twee andere lidstaten een verzoek gedaan om een andere PFAS-stof opnieuw te beoordelen. De EC heeft deze verzoeken echter afgewezen. De nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn ook niet opgenomen in lopend onderzoek naar de stoffen. Hiermee wordt het volgens deze leden vrijwel onmogelijk om aan het voorzorgsprincipe te voldoen. Hoe verwacht het kabinet dat verzoeken tot herbeoordeling van lidstaten op een neutrale en voortvarende manier worden ingewilligd als uit staande praktijk al blijkt dat dit moeizaam verloopt? Is het kabinet bereid te pleiten voor een verplichting aan de EC om herbeoordelingsverzoeken van lidstaten in te willigen? Welke andere mogelijkheden ziet het kabinet om, ongeacht de houding van de EC, wél over te kunnen gaan tot herbeoordeling van stoffen op basis van actuele wetenschappelijke inzichten?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Wat betreft de casus «flypyradifurone» is het belangrijk om te melden dat in 2022 een procedure is gestart voor de herziening van de goedkeuring van deze stof, mede op basis van informatie van Nederland en Frankrijk. Voor het vertrouwen en het draagvlak van dit voorstel is het cruciaal dat signalen uit de wetenschap en vanuit lidstaten goed worden meegenomen in het voorgestelde werkprogramma van de Commissie. De Staatssecretaris zet zich hier dan ook voor in. Tegelijkertijd is hij voorzichtig en terughoudend om een behandelingsverplichting op te nemen, aangezien dit ook tot potentieel misbruik van lidstaten zou kunnen leiden. De Staatssecretaris wil voorkomen dat dit een politiek instrument wordt, doordat een lidstaat bijvoorbeeld hiermee alle werkzame stoffen tegelijk zou kunnen inbrengen voor een herbeoordeling, wat het systeem dan weer zou doen vastlopen. Met het Omnibusvoorstel blijft het mogelijk voor lidstaten om op basis van bijvoorbeeld artikel 44 toelatingen van middelen te wijzigen of in te trekken, ongeacht het standpunt van de Commissie.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Uitvoerbaarheid</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de uitvoeringslasten van het omnibuspakket voor de Ctgb en de EFSA, die reeds kampen met grote achterstanden bij lopende beoordelingen. Hoe groot is de bestaande achterstand bij (her)beoordelingsprocedures? Kan het kabinet toelichten welke aanvullende capaciteit deze organisaties nodig zouden hebben om de bestaande vertragingen in te halen? Hebben deze organisaties of de EC hier een analyse van gemaakt? Hoe reageert het kabinet op de stelling van de EFSA-voorzitter, Nikolaus Kriz, die in een openbare dialoog op 15 april jongstleden aangaf dat het omnibuspakket geen oplossing zou bieden voor de opgebouwde vertragingen? Op welke wijze zou het omnibuspakket wél kunnen leiden tot het effectief versnellen van (her)beoordelingsprocedures, bijvoorbeeld door het standaardiseren en digitaliseren van bepaalde werkprocessen? Is de mogelijke efficiencywinst van zulke maatregelen al onderzocht en zo ja, welke winst er te behalen? Indien dit enkel te realiseren is met aanvullende middelen, zou dit dan betaald moeten worden met publieke middelen of door een bijdrage te vragen van de vervuilende industrie? Welke soort bekostiging bepleit het kabinet?</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet met klem om adviezen en inzichten over de uitvoerbaarheid van maatregelen door zowel de Ctgb en de EFSA zwaar mee te laten wegen in de kabinetsinzet op dit punt. Als die niet beschikbaar zijn, vragen deze leden om hier indien mogelijk een zienswijze op te vragen bij zowel de Ctgb als de EFSA.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken om een spoedige beantwoording van hun vragen, met name de vragen die zien op het ANTICI-vooroverleg van 29 april 2026. Deze leden verzoeken het kabinet om de resterende vragen met betrekking tot de omnibus in ieder geval vóór het plenaire debat over het omnibuspakket aan de Kamer te doen toekomen.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Voor de beantwoording van deze vragen is afstemming met het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) noodzakelijk. De beantwoording van deze vragen vraagt daarom meer tijd. De Staatssecretaris zal op deze vragen ingaan in de reeds toegezegde Kamerbrief over de wetenschapstoets. Deze brief zal de Kamer ontvangen voor het Commissiedebat op 12 mei a.s.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">
                <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> hebben met een uiterst kritische blik kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad (informele Raad) die in mei op Cyprus zal plaatsvinden. Deze leden maken zich grote zorgen over de alsmaar groeiende bemoeienis van de EU met het Nederlandse landbouw- en visserijbeleid en benadrukken dat het Nederlandse belang en dat van onze boeren en vissers altijd de hoogste prioriteit moet hebben.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">
                <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> vragen de Staatssecretaris waarom er op EU-niveau gesproken moet worden over risicomanagement in de Europese landbouwsector (agro-risicomanagement), terwijl Nederland al over een eigen Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw beschikt. Kan de Staatssecretaris klip en klaar garanderen dat deze Europese discussie niet zal leiden tot nieuwe, dwingende Brusselse regelgeving die onze boeren nog verder in hun ondernemerschap belemmert?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kan interessant zijn om op Europees niveau te verkennen hoe een bredere instrumentenmix kan bijdragen aan robuuster agro-risico<?xpp afbm?>management. De inzet van het kabinet is erop gericht om ervoor te zorgen dat boeren de ruimte krijgen om hun weerbaarheid en economische levensvatbaarheid te versterken. Als dit leidt tot nieuwe voorstellen van de Commissie, zal het kabinet de Kamer hierover informeren via BNC-fiches. Bij de beoordeling van eventuele voorstellen van de Commissie, vindt het kabinet het belangrijk dat zorgvuldig wordt gekeken naar de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Commissie en de lidstaten en het waarborgen van een gelijk speelveld binnen de EU.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">
                <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> merken op dat het kabinet inzet op adaptieve maatregelen voor water- en bodembeheer om de bedrijfsvoering toekomstbestendiger te maken. Kan de Staatssecretaris toelichten welke private investeringen hij precies van agrarische ondernemers verwacht en in hoeverre dit de economische levensvatbaarheid van de sector onder druk zet? Deze leden waarschuwen dat klimaatweerbaarheid nooit een excuus mag zijn om Nederlandse boeren op te zadelen met onbetaalbare eisen, terwijl een gelijk speelveld binnen de EU vaak ver te zoeken is. Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat onze boeren de dupe worden van strengere eisen dan hun Europese collega’s?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Het kabinet benadrukt dat agrarische ondernemers primair verantwoordelijk zijn voor het nemen van maatregelen als voorbereiding op de gevolgen van klimaatverandering, zoals droogte, hitte en verzilting. Denk hierbij aan passende maatregelen voor water, bodem en teeltsystemen, zoals efficiënter watergebruik, water vasthouden in landbouwbodems en een adaptiever teeltplan. Door dergelijke maatregelen te nemen wordt de economische levensvatbaarheid van agrarische bedrijven versterkt. Daarbij blijft het kabinet aandacht vragen voor het verlagen van de administratieve lastendruk en heeft het oog voor het creëren van een gelijk speelveld.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">
                <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> uiten hun diepe onvrede over de huidige gang van zaken rondom de evaluatie van het GVB. Deze leden steunen weliswaar de inzet om onwerkbare aspecten te herzien, maar vragen de Staatssecretaris concreet welke stappen hij gaat zetten om de rampzalige aanlandplicht daadwerkelijk en definitief van tafel te krijgen in Brussel. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat hij de aanlandplicht als niet onderhandelbaar breekpunt beschouwt in de onderhandelingen over de herziening van het GVB?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Op dit moment zijn er geen onderhandelingen gaande over een eventuele herziening van het GVB. De verwachting is dat de Commissie de uitkomsten van de evaluatie van het GVB zal presenteren tijdens de informele Raad, waarna duidelijk moet worden of de Commissie op basis van de uitkomsten van deze evaluatie ook wil overgaan tot een herziening. Nederland heeft al meermaals aangegeven dat het komen tot een werkbare invulling van de aanlandplicht hierbij een prioriteit is. In het geval er een herziening komt van het GVB, dan zal de Kamer middels een BNC-fiche geïnformeerd worden over de Nederlandse inzet.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">
                <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> vragen de Staatssecretaris hoe hij de beloofde versimpeling van regelgeving en verlichting van regeldruk in de visserijsector gaat afdwingen, aangezien de praktijk tot nu toe een tegenovergesteld beeld laat zien. Onze vissers worden momenteel verstikt door bureaucratie die innovatie en noodzakelijke verduurzaming eerder tegenhoudt dan stimuleert. Is de Staatssecretaris bereid om in de informele Raad te pleiten voor een radicale koerswijziging waarbij de praktische werkbaarheid voor de vissers leidend is, in plaats van de abstracte en vaak onhaalbare doelen van de EC?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Staatssecretaris hecht belang aan de vereenvoudiging van visserijregelgeving. Nederland zal dit ook inbrengen in de informele Raad. Nederland heeft dit ook benoemd tijdens de afgelopen Landbouw- en Visserijraad waarbij Nederland nogmaals heeft verzocht om een vereenvoudigings-Omnibus. Eerder heeft Nederland dit ook opgebracht tijdens discussies georganiseerd onder Pools voorzitterschap en de informele ministeriële lunch georganiseerd door het Deens voorzitterschap en in meer detail bij de directeurenbijeenkomst die het Deens voorzitterschap heeft georganiseerd. In januari 2026 heeft Spanje een diversenpunt geagendeerd voor de Landbouw- en Visserijraad, waarbij een duidelijke meerderheid van lidstaten, waaronder Nederland, de noodzaak van vereenvoudiging van visserijregels heeft herhaald. Op 16 februari hebben 18 lidstaten, waaronder Nederland, een brief gestuurd naar Eurocommissaris Dombrovskis voor Economie, Productiviteit, Implementatie en Vereenvoudiging en Eurocommissaris Kadis voor Visserij en Oceanen, om de boodschap nogmaals te onderstrepen.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">
                <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> willen weten hoe de Staatssecretaris de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de EU en de lidstaten voor ogen ziet bij het waarborgen van de voedselzekerheid. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij zich zal verzetten tegen elk voorstel dat de soevereiniteit van Nederland over zijn eigen voedselproductie verder uitholt onder het mom van Europese solidariteit of agro-risico<?xpp afbm?>management? <nadruk type="vetcur">De leden van de PVV-fractie</nadruk> dringen er bij de Staatssecretaris op aan om tijdens de informele Raad een onverzettelijke houding aan te nemen. Nederland is een forse netto-betaler aan de EU en onze voedselproducenten verdienen een kabinet die hun belangen in Brussel met verve verdedigt tegen de bureaucratische drang van de Europese instituties.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland is van oordeel dat in de EU moet worden ingezet op de ontwikkeling van een duurzame en weerbare landbouw, die meer voorbereid is op weersextremen en verzilting als gevolg van klimaatverandering. Om alle Nederlandse ondernemers in de land- en tuinbouw voor te bereiden op het duurzaam en effectief omgaan met klimaatverandering in 2030, is in 2020 het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw opgezet. Hiermee wordt ingezet op adaptieve maatregelen op het gebied van bodem, water, teelt en veehouderij, die zijn bedoeld om de bedrijfsvoering toekomstbestendiger te maken en de economische levensvatbaarheid van agrarische bedrijven, en daarmee de sector, te versterken. Daarbij dragen investeringen in innovatie bij aan voedselzekerheid, omdat daarmee de Nederlandse land- en tuinbouwsector zowel weerbaarder kan worden als tot de top van de wereld kan blijven behoren. Bij nieuwe voorstellen van de Commissie geldt als uitgangspunt dat de EU alleen optreedt als dit meerwaarde heeft boven nationaal optreden (subsidiariteitsbeginsel). Het kabinet toetst elk voorstel van de Commissie scherp op dit beginsel. De Kamer wordt hierover geïnformeerd via BNC-fiches.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie</tussenkop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 in Cyprus en hebben hierover enkele vragen.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Risicomanagement in de Europese landbouwsector</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van een stevige Europese inzet op agro-risicomanagement. Deze leden constateren dat de brede weersverzekering in Nederland een belangrijk instrument vormt om restrisico’s van extreem weer op te vangen. Kan de Staatssecretaris toelichten in hoeverre hij in Cyprus zal pleiten voor een Europese beleidsruimte die lidstaten in staat stelt instrumenten als de brede weersverzekering nationaal te subsidiëren, zonder dat dit tot ongelijkheid in het speelveld binnen de EU leidt?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Binnen het huidige GLB hebben lidstaten al de mogelijkheid om te kiezen voor het subsidiëren van risicomanagementinstrumenten. Nederland benut deze mogelijkheid met de interventie brede weersverzekering. Hierdoor wordt het voor agrariërs toegankelijker om de restrisico’s van extreme weersomstandigheden te verzekeren. Het kabinet blijft aandacht vragen voor voldoende ruimte voor de lidstaten om zelf invulling te geven aan een passende instrumentenmix. Hierbij heeft het kabinet oog voor het creëren van een gelijk speelveld.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hechten belang aan private investeringen als aanvulling op publieke ondersteuning bij klimaatadaptatie in de landbouw. Deze leden vragen hoe het kabinet de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de EU, lidstaten en individuele ondernemers weegt bij de inrichting van een breder instrumentarium voor agro-risicomanagement. Kan de Staatssecretaris toelichten welke instrumenten Nederland in Cyprus naar voren zal brengen als onderdeel van die mix en hoe daarin de balans wordt gevonden tussen publieke en private verantwoordelijkheid?</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland zal tijdens de informele Raad het belang onderstrepen van het inzetten op preventieve en adaptieve maatregelen voor de ontwikkeling van een duurzame en weerbare landbouwsector in de EU. Daarnaast zal worden aangegeven dat financiële instrumenten, zoals een brede weersverzekering, een vangnet vormen in het weerbaarder maken van de land- en tuinbouw. Voor het nemen van preventieve maatregelen ligt de verantwoordelijkheid primair bij agrarische ondernemers. Voor de ontwikkelingen van de randvoorwaarden om agrariërs hierin te ondersteunen ligt ook een belangrijke rol bij Europese en nationale overheden, evenals private partijen.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">
              <nadruk type="ondlijn">Evaluatie Gemeenschappelijk Visserijbeleid</nadruk>
            </tussenkop>
            <al>De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de aangekondigde toelichting door de EC op de evaluatie van het GVB. Deze leden hebben eerder vragen gesteld over onder meer de aanlandplicht en de ruimte voor innovatie en verduurzaming in de visserij. Zij delen de inzet van het kabinet op versimpeling van regelgeving zonder dat doelen worden afgezwakt. Kan de Staatssecretaris toelichten welke specifieke knelpunten in de huidige GVB-regelgeving Nederland in Cyprus als prioriteit zal inbrengen en hoe hij daarbij borgt dat versimpeling niet leidt tot een verzwakking van de gemeenschappelijke Europese visserijdoelen?</al>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>Nederland zal tijdens de informele Raad onder andere aandacht vragen voor een aanpassing van de aanlandplicht, versimpelen van het toestaan van innovatieve vangsttechnieken, meer stabiliteit in de meerjarenplannen en vereenvoudiging. Hierbij is het van belang dat dit niet ten koste gaat van de doelen van het GVB.</al>
            </al-groep>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>