﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-07-2184/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>21 501</dossiernr>-<raadnr>07</raadnr></dossiernummer>
      <titel>Raad voor Economische en Financiële Zaken</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">2184</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-04">4 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 21 april 2026 de Geannoteerde agenda Eurogroep en Ecofinraad 4 en 5 mei 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-07-2181" soort="document" status="actief">21 501-07, nr. 2181</extref>).</al>
            <al>De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 4 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Jansen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>Adjunct-griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Lips</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 4 en 5 mei 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie constateren dat de mondiale economische vooruitzichten onder druk staan door geopolitieke spanningen, waaronder de oorlog in Oekraïne en het conflict in het Midden-Oosten. Deze leden merken op dat het IMF verschillende scenario’s schetst, waarin groei afneemt en inflatie oploopt, afhankelijk van de ontwikkeling van energieprijzen en geopolitieke escalatie. Deze leden onderschrijven het belang van gerichte, tijdelijke maatregelen bij stijgende energieprijzen en vragen het kabinet hoe het zich in Europees verband inzet om dergelijke maatregelen te coördineren. Ook wijzen deze leden erop dat als er in enkele lidstaten maatregelen genomen worden die inhoudelijk sub-optimaal zijn, zoals het verlagen van de brandstofaccijnzen, de druk toeneemt in andere lidstaten om hetzelfde te doen. Terwijl het tegenovergestelde ook waar is: het uitblijven van financieel onverstandige maatregelen verlicht ook de druk in andere landen. De leden van de D66-fractie horen graag hoe de Minister dit ziet en of en hoe de Minister zich in Europa gaat inzetten om ervoor te zorgen dat gezamenlijk verstandig beleid wordt ingezet.</nadruk>
            </al>
            <al>Op 22 april presenteerde de Europese Commissie de mededeling «Accelerate EU», een toolbox van tijdelijke en gerichte maatregelen om energieprijspieken te dempen. De mededeling bevat verschillende voorstellen waaronder een sterkere coördinerende rol vanuit de Commissie, vooral waar het gaat om het vullen van de gasopslagen, de vrijgave van strategische olievoorraden en het optimaliseren van de verdeling van kerosine. Het kabinet onderstreept daarbij dat Europese coördinatie essentieel is voor leveringszekerheid. Het is de inzet om een appreciatie van «Accelerate EU» voorafgaand aan de informele Energieraad van 12–13 mei met uw Kamer te delen middels een brief.</al>
            <al>De uiteindelijke vormgeving van steunmaatregelen is primair een nationale competentie. Lidstaten kunnen, mede op basis van hun eigen energiemix, marktstructuur en budgettaire ruimte, tot verschillende nationale keuzes komen. Het kabinet blijft zich er desalniettemin voor inzetten om deze nationale maatregelen, waar mogelijk, goed op EU-niveau te coördineren, zodat de Europese aanpak consistent en effectief blijft. Het is daarbij van belang dat lidstaten maatregelen nemen die onze lange termijn doelstellingen als energiezekerheid versterken.</al>
            <al>Op nationaal niveau heeft het kabinet een pakket samengesteld dat tijdig, tijdelijk en gericht is vormgegeven. Dit is in lijn met de benadering die in «Acccelerate EU» wordt geschetst.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de D66-fractie benadrukken het belang van een goed functionerende Europese kapitaalmarkt voor innovatie, economische groei en strategische autonomie van de Europese Unie. Deze leden steunen de inzet op verdere integratie, maar constateren dat fragmentatie nog steeds een belangrijke belemmering vormt. Ten aanzien van het Kukies-Noyer-rapport vragen deze leden het kabinet om nader te specificeren welke aanbevelingen het kabinet volledig onderschrijft en op welke punten het kabinet terughoudender is.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Ten aanzien van het Kukies-Noyer rapport onderschrijft het kabinet onderstaande maatregelen:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Hervormen en invoeren van aanvullende nationale bedrijfspensioenstelsels in lidstaten waar het pensioenstelsel nog niet ontwikkeld is (het rapport noemt het Nederlandse pensioenstelsel als positief voorbeeld).</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Uitrollen van publieke initiatieven die institutionele en particuliere beleggers aanmoedigen meer te investeren in <nadruk type="cur">venture capital</nadruk></al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Uitbreiden van het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0, een initiatief dat Europese durfkapitaalfondsen versterkt)</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>Verdere Europese integratie van nationale kapitaalmarkten</al>
                </li>
              </lijst>
            </al-groep>
            <al>Het Kukies-Noyer rapport roept ook op tot de invoering van een zogenaamd 28<sup>ste</sup> regime. Nederland ziet het 28<sup>ste</sup> regime onder voorwaarden als een kans om stappen te zetten op gebieden van de kapitaalmarkt waar nationale regelgeving moeilijk te harmoniseren is. De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan voor een 28<sup>ste</sup> regime en dit voorstel is positief beoordeeld, maar met een aantal aandachtspunten, zoals valt te lezen in het BNC-fiche.<noot id="ID-1248109-d40e125" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4320" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4320</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Daarnaast vragen deze leden welke concrete nationale en Europese initiatieven het kabinet wil ontplooien om meer risicodragend kapitaal beschikbaar te maken voor scale-ups. Wordt hierbij ook gekeken naar succesvolle voorbeelden zoals de Franse Tibi-regeling en het Duitse WIN-initiatief?</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet wil, net als bij de Franse Tibi-regeling en het Duitse WIN-initiatief, publieke en private financiering bijeenbrengen om meer risicodragend kapitaal beschikbaar te stellen voor <nadruk type="cur">start-ups</nadruk> en <nadruk type="cur">scale-ups</nadruk>. Het kabinet kiest er echter voor om een nationale investeringsinstelling op te richten, met hetzelfde doel, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. Daarnaast steunt het kabinet het Europese initiatief voor een <nadruk type="cur">Finance Europe</nadruk>-beleggingslabel<noot id="ID-1248109-d40e146" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>De ontwikkeling van dit label vond plaats binnen de zogeheten «Competitiveness Labs», een initiatief waar lidstaten vrijwillig experimenteren met projecten om EU-integratie en concurrentiekracht te vergroten.</noot.al></noot> en de aanstaande herziening van het raamwerk voor EU-venture Kapitaalfondsen (EU VECA). Deze maatregelen leveren een bijdrage aan het meer beschikbaar stellen van risicodragend kapitaal voor bedrijven.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Met betrekking tot het Kapitaalmarktintegratie- en Toezichtcentralisatiepakket (KTP) ondersteunen de leden van de D66-fractie de inzet op verdere harmonisatie en versterking van toezicht op Europees niveau. Deze leden achten een sterkere rol voor ESMA logisch binnen een geïntegreerde kapitaalmarkt, maar vragen de Minister waar voor hem de grens ligt als het gaat om het overdragen van nationale toezichtbevoegdheden. Ook vragen deze leden waarom het macroprudentiële raamwerk voor beleggingsfondsen volgens het kabinet onvoldoende terugkomt in het voorstel en welke risico’s dit met zich meebrengt. Voorts vragen deze leden waarom de voorgestelde overgangstermijn van twaalf maanden als onvoldoende wordt beschouwd.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet is voorstander van het overhevelen van toezichtstaken van de nationale toezichthouders naar ESMA, zoals dat wordt voorgesteld in het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket (KTP). Het kabinet ziet grote voordelen van een diepere Europese kapitaalmarkt voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kapitaalmarkt. Wanneer er buiten het huidige voorstel gesproken zal worden over het verder overdragen van nationale toezichtbevoegdheden zal het kabinet dit op zijn merites beoordelen.</al>
            <al>In het KTP is geen voorstel gedaan voor de aanpassing van het macro-prudentiële raamwerk voor beleggingsfondsen. Dit macro-prudentiële raamwerk bevat momenteel met name de monitoring en het toezicht op het gebruik van hefboomfinanciering (<nadruk type="cur">leverage)</nadruk> bij bepaalde typen beleggingsfondsen, zoals hedgefondsen en LDI-fondsen (Liability Driven Investment-fondsen). Doordat er nog geen omvattend macro-prudentieel raamwerk is voor niet-bancaire financiële instellingen kan zicht op risico’s bij hefboomfinanciering mogelijk beperkt zijn. Een onderschatting van risico’s kan leiden tot financiële instabiliteit als risico’s zich materialiseren. Om die reden acht het kabinet versterking van het macro-prudentiële raamwerk, met specifieke aandacht voor <nadruk type="cur">datagaps</nadruk> en risicogericht toezicht op hefboomfinanciering, wenselijk. Het kabinet zal daarom tijdens de onderhandelingen, indien opportuun en wanneer dit geen afbreuk doet aan de andere elementen van dit pakket, pleiten voor enkele gerichte aanpassingen, om het erkennen van macro-prudentiële maatregelen uit andere landen te verbeteren.</al>
            <al>Het kabinet is van mening dat een ruimere overgangstermijn cruciaal is voor een zorgvuldige overdracht van bevoegdheden aan ESMA, waarbij de continuïteit en het behoud van kennis en expertise voorop staan. Ook moet er voldoende tijd zijn voor het inrichten van de benodigde data-omgeving. Naast de tijd die gepaard gaat met de voorbereiding van wijzigingswetgeving, is er ook tijd gemoeid met de formele stappen die gepaard gaan met een wetswijziging bij de volledige implementatie van het pakket. Dit betreft onder meer internetconsultatie, (uitvoerings-)toetsing door onder meer het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) en de toezichthouders en advisering door de Raad van State. Een implementatietermijn die korter is dan 24 maanden blijkt in de praktijk van het Nederlandse wetgevingsproces veelal te kort. Als het niet lukt om de implementatie binnen de voorgeschreven termijn af te ronden, kan de Europese Commissie over gaan tot een formele inbreukprocedure wegens niet-tijdige implementatie, met mogelijk financiële consequenties.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie</tussenkop>
            <al>De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroup/Ecofinraad van 4 en 5 mei. Deze leden hebben hierbij nog enkele vragen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ten aanzien van de presentatie over het Kukies-Noyer-rapport over de financiering van innovatieve ondernemingen in Europa constateren de leden van de VVD-fractie dat het kabinet het belang van passende financiering voor innovatieve bedrijven zoals start- en scale-ups onderschrijft en overwegend positief is over de aanbevelingen. Deze leden vragen welke afwegingen ten grondslag liggen aan die overwegend positieve kwalificatie.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet deelt de analyse uit het Kukies-Noyer-rapport dat innovatieve bedrijven in Europa, zoals <nadruk type="cur">start</nadruk>- en <nadruk type="cur">scale-ups</nadruk>, moeite hebben om aan passende financiering te komen. De beperkte toegang tot diverse vormen van financiering leidt ertoe dat bedrijven niet snel genoeg hun innovaties kunnen opschalen. Om aanbod van kapitaal in de EU te vergroten en te diversifiëren, zet het kabinet daarom in op grotendeels dezelfde maatregelen als de aanbevelingen uit dit rapport:</al>
            <lijst nummerbreedte="3-cijferig" type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>(1)</li.nr>
                <al>Bevordering van de ontwikkeling van nationale (bedrijfs)pensioenstelsels in andere lidstaten door het delen van <nadruk type="cur">best practices</nadruk> en structurele aandacht in het Europees Semester via landen specifieke aanbevelingen. Dit vindt het kabinet een cruciale maatregel om de kapitaalmarkt te verdiepen en is met name relevant voor de lidstaten zonder adequate tweede pijler in het pensioensysteem. Het rapport noemt Nederland in dit kader als positief voorbeeld.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>(2)</li.nr>
                <al>Bevordering van investeringen in durfkapitaal om de financieringsuitdagingen van de Nederlandse en Europese bedrijven aan te pakken. Het kabinet geeft hier invulling aan met het voornemen om een Nederlandse Investeringsinstelling op te richten in 2028.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>(3)</li.nr>
                <al>Versterking en voortzetting van pan-Europese fondsen zoals het <nadruk type="cur">European Tech Champions Initiative</nadruk> (ETCI). Dit initiatief versterkt Europese durfkapitaalfondsen via risicodeling en schaalvergroting. Het kabinet steunt dit initiatief, omdat Europese <nadruk type="cur">start</nadruk>- en <nadruk type="cur">scale-ups</nadruk> hierdoor ook in latere groeifases aan financiering kunnen komen, in lijn met de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>(4)</li.nr>
                <al>Ontwikkeling van een 28<sup>ste</sup> regelgevend regime dat voorziet in de behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven. Hierbij ziet het kabinet kansen voor de groei van innovatieve bedrijven, omdat barrières op de interne markt nu een belemmering vormen. Wel zijn er bij de vormgeving van een 28<sup>ste</sup> regime vraagpunten op bijvoorbeeld het gebied van rechtszekerheid, zoals uiteengezet in het BNC-fiche.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>(5)</li.nr>
                <al>Verdere Europese integratie van nationale kapitaalmarkten en het aantrekkelijker maken van beursnoteringen voor bedrijven. Onder meer het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket bevat verschillende voorstellen hiervoor die Nederland steunt.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie constateren ten aanzien van digitale financiën en de update over de voortgang van de werkgroep dat tijdens de aankomende Eurogroep zal worden gesproken over het werk dat wordt gedaan in de Digital Finance Workstream. Deze leden zijn van mening dat er intrinsieke Europese aandacht is voor de strategische positie van digital finance en ondersteunen het werk van deze Workstream, zeker in het kader van het verbeteren van de Europese autonomie. Digital finance vereist digitale innovatie en de leden van de VVD-fractie zijn van mening dat samenwerking tussen publieke en private partijen daar essentieel bij is. Welke plannen zijn er om deze samenwerking tot stand te brengen? Het kabinet stelt dat de initiatieven, zoals de digitale Euro, getokeniseerde deposito’s en stablecoins elkaar niet uitsluiten en elk op hun eigen manier bijdragen aan de opkomst van digital finance. De leden van de VVD-fractie vragen op welke manier het kabinet de bijdragen van ieder van die initiatieven voor zich ziet.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet is groot voorstander van het integraal aannemen van het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket. Om steun te krijgen voor dit standpunt is het kabinet actief op zoek naar medestanders. Dit doet het kabinet door deel te nemen aan kopgroepen, zoals in de E6 met Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, roepen deze lidstaten in een gezamenlijke brief op tot meer integratie en betere toezichtregulering via snelle en ambitieuze behandeling van het KTP.<noot id="ID-1248109-d40e219" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4293" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4293</extref>.</noot.al></noot> De lidstaten roepen ook op tot een algemene oriëntatie van de Raad op het pakket voor de zomer van 2026. Het is voor het kabinet op dit moment niet mogelijk een voorspelling te doen wat de uitkomst is van de onderhandelingen.</al>
            <al>De leden van de VVD-fractie vragen naar de plannen van het kabinet om publiek-private samenwerking op gebied van <nadruk type="cur">digital finance</nadruk> tot stand te brengen. Het kabinet vindt dat publiek-private samenwerking op het gebied van digital finance cruciaal is voor spoedig en schaalbaar gebruik van nieuwe innovatieve dienstverlening. Het kabinet ondersteunt dan ook lopende initiatieven op dit gebied. Zo zullen, als er een digitale euro komt, private banken een grote rol spelen in de distributie van de digitale euro en het bijbehorende klantencontact. Daarnaast werkt de ECB met de projecten Pontes en Appia aan meer geïntegreerde kapitaalmarkten door het faciliteren van de afwikkeling van transacties in digitale activa tussen private partijen in centralebankgeld middels <nadruk type="cur">Distributed Ledger Technology</nadruk>. Omdat deze projecten aan moeten sluiten bij ontwikkelingen bij private partijen vindt er nauwe afstemming tussen publieke en private partijen en werkt de ECB nadrukkelijk samen met het bedrijfsleven. Ook worden in de digital finance-werkstroom regelmatig private partijen, waaronder het euro-<nadruk type="cur">stablecoin</nadruk> consortium Qivalis, uitgenodigd om te bespreken welke kansen en uitdagingen ten aanzien van digital finance zij zien. Tot slot worden de ontwikkelingen rondom digital finance ook regelmatig in de <nadruk type="cur">European Retail Payments Board</nadruk> (ERPB) besproken. De ERPB is de Europese tegenhanger van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, en dient als forum om met verschillende stakeholders over ontwikkelingen in het betalingsverkeer te spreken.<noot id="ID-1248109-d40e242" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://www.ecb.europa.eu/paym/groups/erpb/html/index.en.html" soort="URL" status="actief">https://www.ecb.europa.eu/paym/groups/erpb/html/index.en.html</extref> voor meer informatie over de ERPB.</noot.al></noot> De ERPB bevat vertegenwoordigers vanuit de financiële sector, consumentenorganisaties, winkeliers, Europese Commissie en de ECB.</al>
            <al>De leden van de VVD-fractie vragen tevens naar de manieren waarop het kabinet de bijdragen van initiatieven zoals de digitale euro, getokeniseerde deposito’s en <nadruk type="cur">stablecoins</nadruk> voor zich ziet. Het kabinet ziet deze verschillende initiatieven als elementen die kunnen bijdragen aan verschillende manieren van het doen van digitale transacties, elk met hun eigen voordeel. Als er een digitale euro komt, zorgt deze voor een digitale variant van centrale bankgeld. De digitale euro kan dan gebruikt worden voor betalingen in het gehele eurogebied en maakt de EU minder afhankelijk van niet-Europese partijen in het betalingsverkeer. De offline-functionaliteit van de digitale euro versterkt tevens de weerbaarheid van de samenleving in geval van uitval en verstoring van het betalingsverkeer. Getokeniseerde deposito’s kunnen mogelijk een rol spelen bij het efficiënter afwikkelen van <nadruk type="cur">retail</nadruk>, <nadruk type="cur">wholesale</nadruk> en <nadruk type="cur">business-to-business</nadruk> betalingen en bijdragen aan het verminderen van afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners. Getokeniseerde deposito’s worden uitgegeven door banken, wat het voordeel heeft dat veel Nederlandse consumenten de uitgevers al kennen en vertrouwen. Daarnaast worden getokeniseerde deposito’s beschermd door het depositogarantiestelsel. Zo behouden getokeniseerde deposito’s de voordelen van het bestaande monetaire stelsel in een digitale wereld. Stablecoins kunnen mogelijk een rol spelen bij het efficiënter maken van internationale betalingen buiten de eurozone. Hierbij moet de kanttekening gemaakt worden dat alle initiatieven hun waarde nog in de praktijk moeten bewijzen en dat het volledige spectrum aan gebruiksmogelijkheden op dit moment nog niet in beeld te brengen is.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie zijn op het punt van de Ecofin en de Verordening van de Raad inzake de toegang van het EOM en OLAF tot btw-informatie op EU-niveau tevreden over de voortgang betreffende het voorstel inzake toegang van het EOM en OLAF tot btw-informatie op EU-niveau. Deze leden ondersteunen de inzet van het kabinet om die toegang niet verder te laten gaan dan nodig. De doelstelling om tot een akkoord te komen op 5 mei 2026 is volgens de leden van de VVD-fractie goed, maar aangezien de laatste compromistekst nog niet beschikbaar is, kunnen deze leden niet onverkort hun steun daaraan toezeggen. Deze leden vragen daarom vragen op welke manier het gemaakte voorbehoud ten aanzien van de beoordeling zal worden benaderd en wat de toetsingscriteria zullen zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet heeft in het BNC-fiche over het voorstel<noot id="ID-1248109-d40e275" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4231" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4231</extref>.</noot.al></noot> een voorbehoud gemaakt bij twee aspecten van de uitvoeringshandelingen in artikelen 49a en 49b uit het aanvankelijk door de Commissie gepubliceerde voorstel.</al>
            <al>Het eerste aspect ziet op het opnemen van de praktische regelingen voor het toezicht door de Eurofisc-verbindingsambtenaren. Uit de oorspronkelijke tekst van het voorstel werd niet duidelijk hoe het toezicht door de Eurofisc-verbindingsambtenaren zou plaatsvinden. Hierdoor was het niet mogelijk om een goede inschatting te geven over de impact op de uitvoeringlasten voor deze Eurofisc-verbindingsambtenaren. In de compromistekst die nu voorligt in de Ecofin van 5 mei is duidelijkheid verschaft door het toezicht nader in te vullen. In artikelen 49a en 49b is opgenomen dat het toezicht zal plaatsvinden via auditlogboeken. Iedere zoekopdracht moet aan een concrete zaak te koppelen zijn en het betreffende zaaknummer moet zichtbaar zijn in de auditlogboeken. De nationale autoriteiten kunnen deze logboeken inzien en controleren. Door het toezicht op deze manier in te vullen zal de werklast omtrent deze nieuwe maatregelen voor de nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren beperkt zijn. Het kabinet is van mening dat de compromistekst op dit punt genoeg is verduidelijkt in de verordening zelf en kan om deze reden accepteren dat nadere details over de auditlogboeken en het toezicht worden uitgewerkt in de uitvoeringshandeling.</al>
            <al>Het tweede aspect betreft de kenbaarheid van de gegevenscategorieën waarmee de gerichte zoekopdrachten kunnen worden uitgevoerd, zodat duidelijk is dat deze niet verder gaan dan strikt noodzakelijk. Hoewel deze specifieke gegevenscategorieën in de compromistekst die nu voorligt in de Ecofin van 5 mei niet zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 904/2010 zelf, is de compromistekst op dit punt genoeg verduidelijkt dat het kabinet ook hier het gemaakte voorbehoud kan intrekken. Ten eerste zijn de mandaten van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in respectievelijk artikelen 49a, lid 2, sub b en 49b lid 2, sub b, aangescherpt. Op deze manier is concreter gemaakt in welke situaties het EOM en OLAF gerichte zoekopdrachten mogen uitvoeren. Ten tweede is ook hier het hierboven genoemde toezicht van belang. De auditlogboeken maken inzichtelijk naar welke informatie is gezocht en er kan gecontroleerd worden of er geen sprake is geweest van «<nadruk type="cur">fishing expeditions</nadruk>» met brede, niet relevante zoekopdrachten. Daarnaast heeft het kabinet door de onderhandelingen begrip voor het in de uitvoeringshandeling opnemen van de gegevenscategorieën, omdat deze in een later stadium indien nodig makkelijker aangepast kunnen worden. Hierdoor kan sneller worden ingespeeld op noodzakelijke aanpassingen in de gerichte zoekopdrachten, hetgeen de aanpak van btw-fraude door het EOM en OLAF ten goede komt. Bij de nadere uitwerking van de gegevenscategorieën in de uitvoeringshandelingen zal het kabinet het Coördinatiepunt BTW-fraude (CPB) van de FIOD/internationaal nauw betrekken.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie onderstrepen ten aanzien van het kapitaalmarktintegratie- en toezichtpakket (KTP) het belang van voortgang op het kapitaalmarktintegratiepakket. Deze leden vragen welk effect de oproep aan lidstaten om niet selectief te shoppen in dit pakket naar verwachting zal hebben en wat de inzet van het kabinet zal zijn indien lidstaten hier geen gehoor aan geven.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet is groot voorstander van het integraal aannemen van het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket. Om steun te krijgen voor dit standpunt is het kabinet actief op zoek naar medestanders. Dit doet het kabinet door deel te nemen aan kopgroepen, zoals in de E6 met Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, roepen deze lidstaten in een gezamenlijke brief op tot meer integratie en betere toezichtregulering via snelle en ambitieuze behandeling van het KTP.<noot id="ID-1248109-d40e297" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4293" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4293</extref>.</noot.al></noot> De lidstaten roepen ook op tot een algemene oriëntatie van de Raad op het pakket voor de zomer van 2026. Het is voor het kabinet op dit moment niet mogelijk een voorspelling te doen wat de uitkomst is van de onderhandelingen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie zijn op het punt van de economische en financiële impact van de Russische agressie tegen Oekraine/Proposal for a COUNCIL IMPLEMENTING DECISION approving assistance to Ukraine in implementing the Ukrainian Financing Strategy verheugd over de voortgang betreffende de aan Oekraïne te verlenen financiering ten bedrage van 90 miljard euro en de wijze waarop die financiering vorm zal krijgen (in tranches en gekoppeld aan bepaalde hervormingen of beheersmaatregelen). Deze leden vragen wel hoe concreet rekening gehouden zal gaan worden met de beperkte terugbetalingscapaciteit van Oekraïne op de korte termijn. De leden van de VVD-fractie constateren dat er gekeken gaat worden naar de mogelijke inzet van opbrengsten uit bevroren Russische tegoeden. Welke mogelijkheden zijn er binnen EU-recht en internationaal recht om dit daadwerkelijk te gaan doen en op welke termijn zal hierover nader worden gerapporteerd?</nadruk>
            </al>
            <al>In het akkoord uit december jl. is voorzien dat Oekraïne de lening pas hoeft terug te betalen zodra Rusland herstelbetalingen verricht na beëindiging van de oorlog. Daarmee is de terugbetaling rechtstreeks gekoppeld aan aansprakelijkheid van Rusland voor het doen van herstelbetalingen. Op de korte termijn speelt het vraagstuk van beperkte terugbetalingscapaciteit daarmee niet.</al>
            <al>Op dit moment worden de buitengewone opbrengsten voortvloeiend uit de geïmmobiliseerde Russische Centrale Banktegoeden aangewend ten behoeve van steun aan Oekraïne. Deze opbrengsten worden gebruikt voor de financiering van de G7-leningen (ERA-leningen) en voor militaire steun via de Europese Vredesfaciliteit (EPF). Ten aanzien van de onderliggende hoofdsom van de tegoeden geldt dat er op dit moment geen internationale consensus is over de grondslag op basis waarvan de tegoeden kunnen worden geconfisqueerd of op andere wijze kunnen worden ingezet. Daarnaast zijn verschillende Eurolanden terughoudend, omdat zij vrezen voor de juridische en financiële risico’s.</al>
            <al>Het kabinet roept de Europese Commissie en de Raad op, om conform het coalitieakkoord, aanvullende mogelijkheden te blijven onderzoeken. Hierbij is van belang dat de opties financieel en juridisch houdbaar zijn, dat risico’s en lasten gezamenlijk worden gedragen en dat eventuele stappen in EU- en G7-verband worden genomen. Op dit moment ligt er, naast het eerdere voorstel voor herstelleningen, geen concreet voorstel voor in EU-verband. Indien nadere voorstellen volgen, zal de Kamer hierover via de gebruikelijke routes worden geïnformeerd.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie</tussenkop>
            <al>De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda Eurogroep en Ecofinraad 4 en 5 mei 2026. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat het 28<sup>ste</sup> regime een nieuwe Europese rechtsvorm voor bedrijven heeft gepresenteerd, te weten de EU Inc. Kan de Minister zowel de mogelijke voor- als nadelen voor Nederlandse bedrijven hiervan benoemen? Wat zijn de eventuele nadelen van een volledige harmonisatie van rechtsgebieden die relevant zijn voor het ondernemerschap? Ziet de Minister ook het risico dat dit de eerste stap is naar volledige harmonisatie van het ondernemings- en insolventierecht, waardoor de Nederlandse zeggenschap over onze eigen bedrijfscultuur verder wordt uitgehold?</nadruk>
            </al>
            <al>Uw Kamer is op 24 april jl. middels een BNC-fiche geïnformeerd over de kabinetsinzet ten aanzien van het door de Europese Commissie voorgestelde 28<sup>ste</sup> regime voor ondernemers (<nadruk type="cur">EU Inc.</nadruk>).<noot id="ID-1248109-d40e334" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4320" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4320</extref>.</noot.al></noot> Het kabinet ziet dat ondernemingen die zich in de EU willen vestigen, willen opereren, willen opschalen of investeringen willen aantrekken, geconfronteerd worden met fragmentatie van relevante regelgeving en juridische formaliteiten. Deze fragmentatie leidt tot barrières en hoge regeldruk voor ondernemingen met grensoverschrijdende ambities en activiteiten en beperkt opschalings- en investeringsmogelijkheden en is daarmee een belangrijk knelpunt voor het Europees concurrentievermogen. In het regeerakkoord heeft het kabinet aangegeven verdieping van de interne markt en versterking van de kapitaalmarktunie hoog op de agenda te hebben staan, en voorstander te zijn van het harmoniseren van zoveel mogelijk wetgeving die relevant is voor ondernemers, zoals vennootschapsrecht, arbeidsrecht en faillissementsrecht.</al>
            <al>Dit voorstel voor een <nadruk type="cur">EU Inc.</nadruk> betreft geen harmonisatie maar een optioneel 28<sup>ste</sup> regime dat zal bestaan naast de nationale rechtsstelsels en ondernemingsvormen van de lidstaten. De reikwijdte is verder relatief beperkt en vooral gericht op (delen van) het vennootschapsrecht. De nationale kaders voor vennootschapsrecht, zoals in Nederland voor onder meer de BV, blijven in stand. Ondernemers wordt met het voorstel een Europees alternatief geboden, de <nadruk type="cur">EU Inc. </nadruk>Het voorstel kan een bijdrage leveren aan het verminderen van grensoverschrijdende barrières voor ondernemers, doordat het verschillende vereenvoudigde procedures biedt voor de onderneming die voor de <nadruk type="cur">EU Inc.</nadruk> kiest. Ook kan een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm ervoor zorgen dat de <nadruk type="cur">EU Inc.</nadruk> sneller wordt herkend door investeerders wat het grensoverschrijdend zaken doen kan vergemakkelijken. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook kritische vragen bij het voorstel, bijvoorbeeld ten aanzien van de rechtszekerheid en waarborgen omtrent fraude en witwassen. Dit wordt in het BNC-fiche nader toegelicht.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten welke eventuele nadelen het toegang geven van het EOM en het OLAF tot de btw-informatie aangaande intracommunautaire handel tussen ondernemers, grensoverschrijdende betalingen en btw vrijgestelde invoer die tussen lidstaten op EU-niveau wordt uitgewisseld kan hebben. Hoe wordt voorkomen dat het toegang geven tot de benodigde informatie niet te ver doorslaat? Kan de Minister concreet maken waar voor Nederland de rode lijn ligt wat betreft de privacy van Nederlandse ondernemers en de soevereiniteit van de Nederlandse Belastingdienst?</nadruk>
            </al>
            <al>De Europese databanken en registers bevatten een grote hoeveelheid gevoelige informatie van belastingplichtigen, waarvan het overgrote deel bonafide is. Hier moet voorzichtig mee worden omgegaan. Om te voorkomen dat het EOM en OLAF toegang krijgen tot informatie die voor hen niet noodzakelijk is zijn meerdere maatregelen opgenomen in het voorstel. Hier is de Staatssecretaris van Financiën nader op ingegaan in de beantwoording van het schriftelijk overleg over het BNC-fiche dat over het voorstel is geschreven.<noot id="ID-1248109-d40e364" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4322" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4322</extref>.</noot.al></noot> Iedere zoekopdracht in de databanken en registers moet aan een concrete zaak te koppelen zijn en kan alleen gedaan worden door specifieke personen binnen het EOM en OLAF die nauw betrokken zijn bij de zaak. Het betreffende zaaknummer en de informatie waarnaar gezocht is moet zichtbaar zijn in auditlogboeken ter controle. Het toezicht vindt zowel plaats door het EOM en OLAF zelf<noot id="ID-1248109-d40e373" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>In zowel de EOM-verordening (Verordening (EU) 2017/1939) als in de OLAF-verordening (Verordening (EU, Euratom) 883/2013 zijn expliciete bepalingen opgenomen over toezicht op de eigen werkzaamheden, waaronder dataveiligheid en gegevensbescherming.</noot.al></noot> als door de nationale autoriteiten.</al>
            <al>Om de effectiviteit van de Nederlandse Belastingdienst te waarborgen is het van belang dat het EOM en OLAF binnen hun reeds bestaande mandaat blijven bij de uitvoering van hun werkzaamheden. Voor het kabinet zou het te ver gaan als er sprake is van zogenaamde «<nadruk type="cur">fishing expeditions</nadruk>» met brede, niet relevante zoekopdrachten. De compromistekst die voorligt in de Ecofin van 5 mei regelt dat het gaat om informatie waarvoor het EOM en OLAF nu al bij lidstaten zelf kunnen aankloppen met een informatieverzoek en waarvan lidstaten verplicht zijn op basis van de EOM-verordening en OLAF-verordening om die informatie te verstrekken.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat Oekraïne kan rekenen op de Europese lening van 90 miljard euro, nu dat Hongarije haar blokkade hiervan heeft ingetrokken. Kan de Minister in zo veel mogelijk detail toelichten hoe Oekraïne deze lening zal besteden en hoe de effectiviteit hiervan zal worden gecontroleerd? Klopt het dat hiermee ook de pensioenen, uitkeringen en salarissen overeind zullen worden gehouden? Kan de Minister tevens de leenvoorwaarden benoemen?</nadruk>
            </al>
            <al>De leningen onder de <nadruk type="cur">Ukraine Support Loan</nadruk> bedragen EUR 90 mld., waarvan EUR 45 mld. is bestemd voor 2026 en EUR 45 mld. voor 2027. Oekraïne moet jaarlijks een financieringsstrategie opstellen, waarin de noden en bestemming van middelen uiteen wordt gezet. De Commissie heeft een positief oordeel afgegeven over de financieringsstrategie voor 2026. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van verschillende in de Verordening voorgestelde criteria.<noot id="ID-1248109-d40e395" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al><extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=COM:2026:20:FIN" soort="URL" status="actief">https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=COM:2026:20:FIN</extref></noot.al></noot> Vervolgens is de financieringsstrategie op 23 april jl. vastgesteld met een uitvoeringsbesluit van de Raad.<noot id="ID-1248109-d40e406" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al><extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32026D0919&amp;qid=1777385144099" soort="URL" status="actief">https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32026D0919&amp;qid=<?xpp afbreek?>1777385144099</extref></noot.al></noot> In dit besluit zijn de specifieke bedragen voor begrotingssteun en voor defensie-capaciteiten vastgesteld, evenals de hoeveelheid en hoogte van uitbetalingstranches. Conform dit besluit wordt in 2.026 EUR 16,7 mld. beschikbaar gesteld aan Oekraïne voor begrotingssteun en EUR 28,3 mld. beschikbaar gesteld voor defensie-capaciteiten. Uw Kamer zal langs gebruikelijke weg worden geïnformeerd over de verdere implementatie van de steunlening.</al>
            <al>Zowel de militaire als niet-militaire steun is voor Oekraïne essentieel. Om zich te kunnen verweren tegen de Russische agressie, maar daarnaast ook maatschappelijk en economisch overeind te blijven. De begrotingssteun betreft ongeoormerkte steun, die door Oekraïne kan worden ingezet om onder meer kritieke overheidsdiensten draaiende te houden. Een functionerende Oekraïense staat is een randvoorwaarde om de strijd tegen de Russische agressor vol te houden, ook op korte termijn.</al>
            <al>De controle op de rechtmatige besteding van de EU-steun aan Oekraïne vindt op meerdere niveaus plaats. De Commissie is primair verantwoordelijk voor het toezicht en beoordeelt vooraf de voorwaarden voor uitbetaling, waaronder hervormingsstappen, corruptiebestrijding en rechtsstatelijkheid. Dit zijn voor Nederland belangrijk onderwerpen. Onder de <nadruk type="cur">Ukraine Support Loan </nadruk>is de begrotingssteun voor Oekraïne gekoppeld aan gepaste conditionaliteit. De voorwaarden en <nadruk type="cur">governance</nadruk> van het instrument zijn vastgelegd in de relevante EU-wetgeving, waaronder de wijziging van de MFK-verordening, de onderliggende verordening voor het instrument en de leenovereenkomst tussen de Commissie en Oekraïne. De inzet en mobilisatie van begrotingsmiddelen vindt plaats in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure. Daarbij informeert de Commissie de Raad en het Europees Parlement tijdig over de financiële implicaties, de inzet van begrotingsgaranties en de ontwikkeling van de schuldendienstkosten. De Commissie ziet toe op de uitvoering binnen de vastgestelde juridische kaders en rapporteert hierover periodiek aan de Raad en het Europees Parlement.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Kan de Minister verder aangeven wat het Nederlandse aandeel in de garantstelling voor deze 90 miljard euro is en welk risico de Nederlandse belastingbetaler loopt als deze leningen, gezien de «onhoudbare overheidsschuld» van Oekraïne, waarschijnlijk nooit zullen worden terugbetaald?</nadruk>
            </al>
            <al>De terugbetaling van de herstellening is gekoppeld aan het doen van herstelbetalingen door Rusland. Tot dat moment hoeft Oekraïne de steunlening niet terug te betalen. Daarnaast worden de rentelasten niet doorbelast aan Oekraïne, om ervoor te zorgen dat de toekomstige financieringslast voor Oekraïne zo veel mogelijk beperkt wordt.</al>
            <al>De <nadruk type="cur">headroom</nadruk> onder het Eigenmiddelenbesluit, dat op mei 2021 door het Nederlandse parlement is geratificeerd, dient als garantie voor de leningen die de Unie aangaat voor de financiering van deze steunlening aan Oekraïne.<noot id="ID-1248109-d40e437" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2026/04/01/toetsingskader-risicoregelingen-headroomgarantie-steunlening-oek-2026-2027" soort="URL" status="actief">Toetsingskader risicoregeling headroomgarantie steunlening aan Oekraïne voor 2026 en 2027 | Rijksoverheid.nl</extref></noot.al></noot> De 24 deelnemende lidstaten staan naar rato van hun bni garant.<noot id="ID-1248109-d40e448" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Het aandeel van de deelnemende lidstaten is iets hoger dan het reguliere bni-aandeel, aangezien Tsjechië, Hongarije en Slowakije niet deelnemen aan het akkoord.</noot.al></noot> Het Nederlandse aandeel in de garantie voor de steunlening aan Oekraïne is in de Eerste Suppletoire Begroting 2026 verwerkt op artikel 4 van de begroting van het Ministerie van Financiën. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is 6,6% van de hoofdsom van maximaal EUR 90 mld. Daarmee staat Nederland garant voor circa EUR 6 mld. Bij wijzigingen in het bni-aandeel zal in de toekomst ook de omvang van de garantie wijzigen. Vanwege de huidige oorlogssituatie in Oekraïne en de onduidelijkheid over het verloop van de agressieoorlog, is er een risico dat de lening niet (volledig) terugbetaald wordt. Eén van de doelen van de steunlening is het bewaken van de macro-economische stabiliteit. Dit draagt eraan bij dat Oekraïne, in het geval Rusland overgaat tot herstelbetalingen, op langere termijn in staat is om de leningen terug te betalen. Eventuele financiële consequenties voor de Rijksbegroting met betrekking tot de uitstaande leningen materialiseren in het geval dat Oekraïne niet kan voldoen aan de aflossingsverplichting.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Tenslotte vragen de leden van de PVV-fractie welke stappen Oekraïne heeft gezet om corruptie tegen te gaan. Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van de uitgaven aan Oekraïne per lidstaat in de jaren 2025 en 2026.</nadruk>
            </al>
            <al>Oekraïne heeft de afgelopen jaren ondanks de zware omstandigheden van de Russische agressieoorlog stappen gezet om corruptie tegen te gaan. Zo is het positief dat de effectiviteit van de anti-corruptiediensten gestaag groeit, wat ook blijkt uit het toegenomen aantal veroordelingen. Zie ook de kabinetsappreciatie van het uitbreidingsrapport 2025.<noot id="ID-1248109-d40e463" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-23987-398" soort="document" status="actief">23 987, nr. 398</extref>.</noot.al></noot> Blijvende toewijding van de Oekraïense autoriteiten aan corruptiebestrijding blijft echter van belang. Zo moet de onafhankelijkheid van de corruptie-instanties NABU en SAPO verder versterkt worden. Nederland brengt deze boodschappen ook regelmatig over aan Oekraïne en benadrukt het belang van conditionaliteit gekoppeld aan Europese begrotingssteun in dit licht.</al>
            <al>Daarnaast heeft Oekraïne belangrijke hervormingen doorgevoerd op het gebied van transparantie en openbaar bestuur, evenals een groot aantal hervormingsstappen als onderdeel van het IMF-programma en de EU Oekraïne-faciliteit. Nederland moedigt dit aan en ondersteunt Oekraïne waar mogelijk. Tegelijkertijd eist de nog altijd voortdurende oorlog zijn tol en moet er met beperkte capaciteit op veel verschillende terreinen worden geschakeld. Corruptie is een aandachtspunt en verdere versterking van rechtsstaat, toezicht en handhaving is noodzakelijk.</al>
            <al>Volgens cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten sinds het begin van de oorlog in totaal EUR 200,8 mld. aan steun aan Oekraïne geleverd. Daarmee is de EU als geheel een van de grootste steunverleners aan Oekraïne. Het aandeel van lidstaten in de steun van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de bni-sleutel, maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig om de totale steun terug te voeren op individuele lidstaten. Daarnaast hebben verschillende EU-lidstaten bilateraal steun verstrekt aan Oekraïne. Een actueel overzicht hiervan, anders dan via het <nadruk type="cur">Kiel Institute</nadruk>, is niet beschikbaar omdat lidstaten niet publiekelijk rapporteren over hun steun.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie</tussenkop>
            <al>De leden van de CDA fractie hebben kennis genomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 4 en 5 mei 2026 en hebben daarbij enkele vragen en opmerkingen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ten aanzien van macro economische ontwikkelingen verwelkomen de leden van de CDA-fractie het dat in Eurogroepverband wordt gesproken over de huidige macro-economische ontwikkelingen. Deze leden constateren dat de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten zich reeds doen voelen, terwijl tegelijkertijd sprake is van aanzienlijke onzekerheid over de verdere economische impact. Juist in een dergelijke context vinden deze leden het van groot belang dat wordt ingezet op effectieve coördinatie tussen de lidstaten.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie maken zich echter wel zorgen over deze coördinatie. Deze leden steunen de inzet van het kabinet om maatregelen gericht, tijdelijk, tijdig en toekomstbestendig vorm te geven. Tegelijkertijd constateren deze leden dat andere eurolanden hierin afwijkende keuzes maken, bijvoorbeeld door te kiezen voor generieke accijnsverlagingen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Naar het oordeel van deze leden is een dergelijke aanpak risicovol, aangezien deze ongericht is, de vraag naar brandstoffen kan aanjagen en daarmee een opwaarts effect kan hebben op de inflatie. Daarnaast brengt dit type maatregelen een aanzienlijk budgettair beslag met zich mee, zowel direct als indirect, doordat dergelijke maatregelen in de praktijk vaak moeilijk terug te draaien zijn. Dit kan leiden tot hogere publieke schulden en verdere inflatiedruk, hetgeen gevolgen kan hebben voor de stabiliteit van de Europese Unie als geheel. Daarnaast hebben dergelijke maatregelen grensoverschrijdende effecten en kunnen zij gevolgen hebben voor het gelijke speelveld binnen de interne markt. De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet hoe het kabinet voornemens is de coördinatie van maatregelen binnen de Eurozone te verbeteren en op welke wijze het kabinet de Europese financiële stabiliteit nadrukkelijker onderdeel wil laten zijn van de afwegingen die individuele lidstaten maken. Tevens vragen deze leden welke concrete mogelijkheden of aanknopingspunten het kabinet ziet om te komen tot strakker gecoördineerde afspraken over het type maatregelen dat lidstaten nemen.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet hecht veel waarde aan het coördineren van nationale maatregelen in reactie op de gestegen energieprijzen en steunt de diverse initiatieven die in dit verband worden genomen door de Europese Commissie en het voorzitterschap van de Raad. Nederland pleit daarbij voor het respecteren van de principes tijdelijkheid, gerichtheid en tijdigheid van maatregelen. Deze principes zijn belangrijk in het kader van de financiële stabiliteit van de EU, aangezien mogelijke steun langs deze principes de budgettaire impact en verdere inflatiedruk beperken. Nederland pleit er daarnaast voor dat maatregelen worden gedekt binnen de kaders van het Europese begrotingsraamwerk.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hechten op het punt van de kapitaalmarktintegratie en bankenunie groot belang aan het versnellen van de verdere stappen richting de Europese bankenunie en de verdieping van de kapitaalmarktunie. Deze leden ondersteunen de inzet van het kabinet op deze dossiers, maar constateren tegelijkertijd dat de voortgang op Europees niveau stroperig verloopt en dat verdere integratie in de praktijk regelmatig achterblijft bij de geformuleerde ambities. Deze leden benadrukken dat het van belang is om het tempo in deze dossiers te verhogen, mede gezien de noodzaak om de Europese financiële sector weerbaarder en concurrerender te maken in een veranderende geopolitieke en economische context. Deze leden vragen het kabinet daarom om uiteen te zetten op welke wijze het concreet bijdraagt aan het versnellen van zowel de bankenunie als de kapitaalmarktunie en welke prioriteiten het daarbij stelt binnen de Europese onderhandelingen. Daarnaast vragen deze leden welke concrete stappen het kabinet op korte termijn verwacht te kunnen zetten en welk tijdspad daarbij realistisch wordt geacht.</nadruk>
            </al>
            <al>Het kabinet deelt de wens om snel voortgang te maken met de ontwikkeling van de kapitaalmarktunie en voltooiing van de bankenunie. Hiervoor zet het kabinet zich actief in. Zoals uiteengezet in de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie en conform het regeerakkoord, pleit het kabinet hierbij voor ambitieuze acties op drie vlakken: (1) sterker Europees toezicht op de kapitaalmarkt, (2) meer en divers aanbod van kapitaal voor financiering van bedrijven, en (3) eenduidige regels in de EU voor een optimale werking van de interne markt. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, werkt het kabinet binnen kopgroepen om deze inzet op EU-niveau uit te werken. Hiertoe behoort ook de samenwerking van de E6, de zes grootste economieën van de EU (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Polen en Nederland) en onze gezamenlijke prioriteiten voor de spaar- en investeringsunie, waarmee wij de besluitvorming binnen de Raad willen aanjagen.<noot id="ID-1248109-d40e500" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-22112-4293" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4293</extref>.</noot.al></noot> De Nederlandse inzet en prioriteiten binnen Europese onderhandelingen zijn eerder met de Kamer gedeeld in meerdere BNC-fiches over voorstellen van de Europese Commissie.<noot id="ID-1248109-d40e509" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2024–2025, <extref doc="kst-22112-4043" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4043</extref>; Kamerstukken II, 2024–2025, <extref doc="kst-22112-4101" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4101</extref>; Kamerstukken, 2025–2026, <extref doc="kst-22112-4201" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4201</extref>; Kamerstukken, 2025–2026, <extref doc="kst-22112-4202" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4202</extref>; Kamerstukken II, 2025–2026, <extref doc="kst-22112-4230" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4230</extref>; Kamerstukken II, 2025–2026, <extref doc="kst-22112-4241" soort="document" status="actief">22 112, nr. 4241</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>De Europese Raad heeft in maart jl. opgeroepen tot voortgang bij de onderhandelingen van een aantal voorstellen binnen de spaar- en investeringsunie. De regeringsleiders hebben hierbij de Raad en het Europees Parlement verzocht om dit jaar nog tot overeenstemming te komen over de herziening van het securitisatieraamwerk, het Europees aanvullend pensioenpakket en het kapitaalmarktintegratie en toezichtcentralisatiepakket.</al>
            <al>Het kabinet wil ook werken aan de vervolmaking van de bankenunie. De Europese Commissie komt naar verwachting in juli met een rapport over het concurrentievermogen van de Europese bankensector, waarbij zij naar verwachting ook in gaat op de wijze waarop de bankenunie kan bijdragen aan het concurrentievermogen van Europese banken. In voorbereiding op het rapport deze zomer, heeft de Europese Commissie een consultatie geopend over het concurrentievermogen van de Europese bankensector. Daarop heeft het kabinet recent, in samenwerking met De Nederlandsche Bank, gereageerd.<noot id="ID-1248109-d40e521" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/2b4ef183-bf25-4c57-b836-b4616609e6ee/" soort="URL" status="actief">https://open.overheid.nl/documenten/2b4ef183-bf25-4c57-b836-b4616609e6ee/</extref></noot.al></noot> Ook heeft het kabinet een begeleidend non-paper gepubliceerd met de belangrijkste, meest concrete, voorstellen die het kabinet doet om het Europees regelgevend raamwerk voor banken te verbeteren, waaronder voortgang op de bankenunie.<noot id="ID-1248109-d40e532" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2025–2026; <extref doc="kst-21501-07-2180" soort="document" status="actief">21 501-07, nr. 2180</extref>.</noot.al></noot></al>
            <al>Naar verwachting komt de Europese Commissie begin volgend jaar met wetgevende voorstellen om het prudentiële kader voor banken aan te passen. Dit zal mogelijk ook voorstellen bevatten om de bankenunie verder te brengen. Het kabinet zet in op ambitieuze voorstellen, zowel in de contacten met de Europese Commissie als via de samenwerking binnen de samenwerkende zes lidstaten.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie zijn ten aanzien van de financiële ondersteuning van Oekraïne blij dat er na maanden stilstand eindelijk een EU breed akkoord ligt over de EU-lening van 90 miljard euro aan Oekraïne. Deze leden vernemen graag wat dit concreet betekent voor de Oekraïense overheidsfinanciën en de houdbaarheid van de Oekraïense staatsschuld. Deze leden vragen of met deze belangrijke stap de financieringsbehoefte voor de komende jaren hiermee afdoende is gedekt.</nadruk>
            </al>
            <al>De negatieve gevolgen voor de houdbaarheid van de Oekraïense staatsschuld als gevolg van de EU-lening van EUR 90 mld. zijn beperkt, omdat de terugbetaling is gekoppeld aan toekomstige herstelbetalingen door Rusland. Oekraïne hoeft daarnaast geen rentelasten te betalen over de lening.</al>
            <al>De <nadruk type="cur">Ukraine Support Loan</nadruk> van EUR 90 mld. dekt volgens de Europese Commissie twee derde van de macro-financiële en militaire noden van Oekraïne voor de komende twee jaar, uitgaande van de situatie in september 2025. Het resterende tekort dient gedekt te worden door andere internationale donoren. De noodzaak van eventuele aanvullende steun is afhankelijk van het verloop van de oorlog tegen Oekraïne. Voor de periode 2027–2034 heeft de Europese Commissie een niet-militair steunpakket van EUR 100 mld. voorgesteld.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Daarnaast vragen deze leden of er reeds zicht is op de wijze waarop een eventueel resterend financieringstekort zal worden gedekt en of daarbij, zoals aangegeven in de geannoteerde agenda, ook andere internationale actoren een rol zullen gaan spelen. Zo ja, welke instellingen of landen worden in dat verband verwacht om bij te dragen? Heeft het kabinet hier al zicht op?</nadruk>
            </al>
            <al>De Europese Commissie beoogt met de <nadruk type="cur">Ukraine Support Loan</nadruk> van EUR 90 mld. bij de huidige aannames twee derde van de macro-financiële en militaire noden van Oekraïne voor de komende twee jaar te dekken. Voor de invulling van de overige één derde blijft aanzienlijke inzet van de rest van de internationale gemeenschap nodig. In internationale gremia als het <nadruk type="cur">Ukraine Donor Platform</nadruk>, de <nadruk type="cur">Ukraine Defence Contact Group</nadruk> en de NAVO vinden hier gesprekken over plaats. Nederland blijft bij partnerlanden benadrukken dat het noodzakelijk is dat zij een eerlijke bijdrage blijven leveren. Recent heeft Japan USD 6 mld. aan extra steun toegezegd voor 2026, Noorwegen heeft voor 2026 ruim EUR 7,5 mld. beschikbaar gemaakt en Duitsland en Polen hebben zo’n EUR 600 mln. gecommitteerd voor militaire steun. Het resterende tekort moet gedekt worden door andere internationale donoren.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>