﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-02-3394/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>21 501</dossiernr>-<raadnr>02</raadnr></dossiernummer>
      <titel>Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken </titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">3394</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-07">7 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 24 april 2026 over de Geannoteerde agenda van de informele Raad Algemene Zaken van 11 en 12 mei 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-21501-02-3388" soort="document" status="actief">21 501-02, nr. 3388</extref>).</al>
            <al>De vragen en opmerkingen zijn op 6 mei 2026 aan de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 7 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Van Meetelen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>Adjunct-griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Moonen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop>
          <titel>Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie</tussenkop>
            <al>De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad Algemene Zaken van 11 en 12 mei 2026. Zij hebben hierover een aantal vragen en opmerkingen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Meerjarig Financieel Kader</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>De leden van de fractie van JA21 maken zich grote zorgen over de inzet van de Europese Commissie voor het volgende Meerjarig Financieel Kader 2028–2034. De Commissie heeft eerder een voorstel gepresenteerd voor een EU-begroting van ongeveer 2 biljoen euro. Deze leden achten een dergelijke omvang volstrekt onaanvaardbaar. Nederland is reeds jarenlang een van de grootste nettobetalers van de Europese Unie. Verdere groei van de EU-begroting betekent dat Nederlandse huishoudens en bedrijven uiteindelijk opnieuw de rekening betalen.</al>
              <al>De leden van de fractie van JA21 constateren bovendien dat het Europees Parlement inzet op een nog hogere EU-begroting dan de Europese Commissie. Deze leden achten dat hoogst onverantwoord. Hoe beoordeelt de Minister deze inzet van het Europees Parlement? Deelt de Minister de stelling dat een nog hogere inzet vanuit het Europees Parlement de druk op de Raad vergroot om uiteindelijk uit te komen op een compromis dat alsnog veel te hoog is?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">1.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De inzet van het Europees Parlement (EP) voor een grotere EU-begroting dan het Commissievoorstel beoordeelt het kabinet kritisch. Zo vindt het kabinet de budgettaire impact van het Commissievoorstel op de Nederlandse bijdrage aan de EU-<?xpp afbreek?>begroting al onacceptabel. Het kabinet is daarom van mening dat de voorgestelde omvang van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) moet worden verlaagd, de korting die Nederland ontvangt op de bni-afdracht behouden moet worden en dat de perceptiekostenvergoeding op 25% dient te blijven. Het kabinet is daarnaast tegen de introductie van de voorgestelde nieuwe leeninstrumenten Catalyst Europe en het crisismechanisme. Tevens hecht het kabinet aan een modernisering van de EU-begroting. In de onderhandelingen beslist Nederland eigenstandig over haar positie, ongeacht de inzet van het EP.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen hoe de Minister verwacht dat de onderhandelingen tussen de Raad, Commissie en Europees Parlement zullen verlopen. Gaat de Minister ervan uit dat het Commissievoorstel het vertrekpunt wordt, of zet de Minister in op een Raadspositie die daar substantieel onder ligt? Is de Minister bereid binnen de Raad aan te dringen op een onderhandelingspositie met harde eisen, waaronder een aanzienlijk lager totaalplafond, geen verslechtering van de Nederlandse nettobetalingspositie, geen nieuwe Europese belastingen, geen gezamenlijke schulden en geen omzetheffing voor grote ondernemingen? Kan de Minister toezeggen dat Nederland niet akkoord gaat met een onderhandelingsmandaat waarin deze rode lijnen onvoldoende zijn opgenomen?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">2.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Zie het antwoord op de vorige vraag.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>De leden van de fractie van JA21 constateren dat de Europese Commissie in toenemende mate inzet op een grotere, flexibelere en autonomer gefinancierde EU-begroting. Deze leden zien daarin een fundamentele verschuiving: van een Unie die financieel afhankelijk is van bijdragen van lidstaten naar een Unie die steeds meer eigen budgettaire armslag probeert te verwerven. Dat raakt rechtstreeks aan de begrotingssoevereiniteit van nationale parlementen.</al>
              <al>De Minister schrijft voorstander te zijn van een moderne en toekomstbestendige EU-begroting met voldoende flexibiliteit om in te spelen op onvoorziene uitdagingen en crises. Deze leden vragen de Minister nader te concretiseren wat hij onder «voldoende flexibiliteit» verstaat. Welke bestaande instrumenten acht de Minister daarvoor toereikend, en welke niet? Kan de Minister uitsluiten dat meer flexibiliteit leidt tot een grotere EU-begroting, hogere Nederlandse afdrachten of minder parlementaire controle?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">3.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De discussie over het vergroten van de flexibiliteit van het MFK gaat wat betreft het kabinet over de uitgavenkant van de Europese begroting (MFK) en niet over de inkomstenkant (eigenmiddelenbesluit EMB). Flexibiliteit binnen het MFK mag namelijk niet ten koste gaan van de voorspelbaarheid van de afdrachten. Het kabinet is voorstander van het vergroten van de flexibiliteit binnen het MFK, aangezien het huidige MFK onvoldoende flexibel bleek om in te spelen op onvoorziene omstandigheden. Meer flexibiliteit binnen de MFK-plafonds leidt volgens het kabinet niet tot een grotere EU-begroting of hogere afdrachten. De overeengekomen MFK-plafonds en bedragen zijn daarvoor immers leidend.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="vet">Flexibiliteit in het MFK kan op verschillende manieren worden vergroot. Het kabinet is van mening dat allereerst gekeken moet worden naar flexibiliteit binnen de programma’s en landenenveloppen. Dit betekent dat landen hun eigen landenenvelop moeten kunnen aanspreken in het geval van onvoorziene omstandigheden, bijvoorbeeld door herprogrammering of herprioritering. Een andere vorm van flexibiliteit is de door de Commissie voorgestelde EU-faciliteit.</nadruk>
            </al>
            <al>De leden van de fractie van JA21 missen in de inzet van het kabinet een duidelijke vraag die bij elke begrotingsdiscussie centraal zou moeten staan: waarom bezuinigt de Europese Unie eigenlijk vrijwel nooit? De Commissie en het Europees Parlement spreken steeds over nieuwe prioriteiten, nieuwe crises en nieuwe financieringsbronnen, maar veel minder over het schrappen, afbouwen of grondig hervormen van bestaande uitgaven. Deze leden vinden dat onbegrijpelijk. Indien de EU meer wil doen, dan moet de eerste vraag zijn welke bestaande uitgaven worden verminderd, niet welke nieuwe belastingen, afdrachten of schulden worden aangeboord. Hoe kijkt de Minister hiernaar?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">4.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Volgens het kabinet moet het door de Commissie voorgestelde omvang van het MFK omlaag en dient het MFK tegelijkertijd gemoderniseerd te worden. Dit betekent dat de begroting meer gericht moet worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, een stevig migratie- en asielbeleid, veiligheid en defensie. Het kabinet zet daarom in op herprioritering van middelen naar investeringen in veiligheid, defensie en innovatie. Het kabinet vindt de voorziene stijging van de Nederlandse bijdrage aan de Europese begroting als gevolg van het Commissievoorstel niet acceptabel.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 wijzen erop dat landbouwsubsidies en cohesiefondsen nog altijd een zeer groot deel van de Europese begroting beslaan. Juist op deze terreinen is een fundamentele hervorming noodzakelijk. Deelt u de opvatting dat landbouw- en cohesie-uitgaven niet automatisch op peil gehouden moeten worden, maar kritisch moeten worden beoordeeld op doelmatigheid, toegevoegde Europese waarde en noodzaak?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">5.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het kabinet deelt de opvatting dat landbouw- en cohesie-uitgaven niet automatisch op peil gehouden moeten worden. Zo heeft de Commissie in haar voorstel het aandeel van de EU-begroting dat naar landbouw- en cohesie gaat reeds verlaagd. Ook deelt het kabinet de opvatting dat het MFK zich moet richten op grensoverschrijdende beleidsterreinen waar de EU de meeste toegevoegde waarde biedt.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen of de Minister bereid is in de MFK-onderhandelingen expliciet in te zetten op lagere uitgaven voor traditionele begrotingsposten zoals landbouw en cohesie, in plaats van op hogere afdrachten of nieuwe eigen middelen. Is de Minister bereid in te zetten op een forse verlaging van de cohesie-uitgaven in het volgende MFK? Deelt u de opvatting dat het cohesiebeleid niet mag verworden tot een permanent herverdelingsmechanisme tussen lidstaten?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">6.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het kabinet staat voor een sterk MFK dat bijdraagt aan de strategische doelen van Europa. Zo moet de begroting meer gericht worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, een stevig migratie- en asielbeleid, veiligheid en defensie. Het kabinet zet daarom in op herprioritering van middelen naar investeringen in veiligheid, defensie en innovatie. In de Commissievoorstellen gaat er ook meer geld naar deze nieuwe prioriteiten. Het kabinet is bovendien vanaf het begin van de onderhandelingen duidelijk dat het door de Commissie voorgestelde omvang van het MFK omlaag moet.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Ten aanzien van landbouwuitgaven vragen deze leden of de Minister bereid is te pleiten voor een fundamentele hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, waarbij minder geld verdwijnt in Brusselse bureaucratie, generieke regelingen en steeds uitgebreidere voorwaarden, en meer ruimte ontstaat voor innovatie, ondernemerschap en lastenverlichting. Acht de Minister het nog verdedigbaar dat een groot deel van de EU-begroting via traditionele landbouwuitgaven wordt verdeeld, terwijl tegelijkertijd wordt gesteld dat er onvoldoende geld is voor grensbewaking, innovatie en concurrentievermogen? Welke mogelijkheden ziet de Minister om landbouwmiddelen doelmatiger in te zetten en tegelijkertijd de totale omvang van de EU-landbouwuitgaven te verlagen?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">7.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">In de Commissievoorstellen gaat er al meer geld naar prioriteiten zoals concurrentievermogen aan defensie. Deze verschuiving steunt het kabinet. In de voorstellen voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) wordt tevens ruimte gecreëerd om het GLB meer te richten op de uitdagingen van individuele lidstaten en het budget daarmee doelgerichter in te zetten. Het kabinet steunt deze insteek.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen de Minister of hij bereid is als uitgangspunt te hanteren dat nieuwe prioriteiten binnen de EU-begroting in beginsel moeten worden gefinancierd door herprioritering en besparingen binnen bestaande uitgaven. Kan de Minister toezeggen dat Nederland zich in de onderhandelingen niet beperkt tot het afwijzen van nieuwe middelen en gezamenlijke schulden, maar ook actief inzet op concrete bezuinigingen en hervormingen aan de uitgavenkant van de EU-begroting?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">8.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Nederland zet zich in voor een Europese begroting die toekomstgericht en financieel verantwoord is. Dit vraagt om scherpe keuzes en modernisering. Zo moet de begroting meer gericht worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, een stevig migratie- en asielbeleid, veiligheid en defensie. Het kabinet zet daarom in op herprioritering van middelen naar investeringen in veiligheid, defensie en innovatie., Het kabinet is van mening dat eerst gekeken moet worden naar een efficiënte besteding en herprioritering van de beschikbare middelen.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 steunen het kabinet in zijn verzet tegen nieuwe instrumenten die gebruikmaken van gemeenschappelijke leningen, zoals een crisisinstrument. Deze leden zien gezamenlijke Europese schulden als een principiële grens. Het coronaherstelfonds werd destijds gepresenteerd als een uitzonderlijk en tijdelijk instrument, maar bestond in de praktijk uit uitgaven en steun op basis van gezamenlijke EU-leningen. Wat deze leden betreft mag die uitzondering niet de opmaat worden naar een permanente schuldenunie. Kan de Minister bevestigen dat Nederland geen enkel nieuw instrument zal steunen dat direct of indirect leidt tot gemeenschappelijke schuldfinanciering, gezamenlijke aansprakelijkheid of nieuwe leenruimte op EU-niveau? Kan de Minister daarbij expliciet ingaan op constructies waarbij de EU goedkoop leent op basis van de kredietwaardigheid en garanties van de lidstaten, om deze middelen vervolgens door te lenen aan lidstaten? Deelt u de opvatting dat ook dergelijke «leningen voor leningen» de facto neerkomen op het collectiviseren van kredietrisico’s, waarbij landen met een sterke kredietwaardigheid, zoals Nederland, mede garant staan voor goedkopere financiering van lidstaten met zwakkere overheidsfinanciën?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">9.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het kabinet is tegen de door de Commissie voorgestelde nieuwe leeninstrumenten Catalyst Europe en het crisisleeninstrument. Voor deze specifieke instrumenten vindt het kabinet het onwenselijk dat Nederland aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor het aflossen van dergelijke leningen indien andere lidstaten in gebreke zouden blijven.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen voorts hoe het krachtenveld in de Raad eruitziet. Welke lidstaten delen de Nederlandse terughoudendheid ten aanzien van de omvang van het MFK en het gebruik van gemeenschappelijke leningen?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">10.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">De Nederlandse positie op het punt van gezamenlijke schuld en de omvang van het MFK wordt in grote lijnen gedeeld door een aantal gelijkgezinde lidstaten.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen ook aandacht voor de financieringszijde van de EU-begroting en het Eigenmiddelenbesluit. Nieuwe eigen middelen mogen wat deze leden betreft niet uitgroeien tot Europese belastingen waarmee Brussel rechtstreeks of semi-rechtstreeks toegang krijgt tot nieuwe inkomstenbronnen. De discussie over eigen middelen is volgens deze leden geen technische begrotingskwestie, maar een fundamentele vraag over fiscale soevereiniteit, democratische controle en de financiële verhouding tussen lidstaten en Europese instellingen. De leden van de fractie van JA21 constateren dat in de discussie over het volgende MFK verschillende nieuwe eigen middelen aan de orde zijn, waaronder een grondslag op niet-ingezameld elektronisch afval, een tabak-gerelateerde bijdrage en een mogelijke bijdrage van grote ondernemingen. Kan de Minister per voorgesteld eigen middel aangeven of hij dit voorstel steunt, afwijst of nog beoordeelt? Indien de Minister nog geen definitief oordeel heeft, welke informatie ontbreekt dan precies en wanneer verwacht hij hierover wel een positie te kunnen innemen?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">11.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Zoals toegezegd door de Minister van Financiën tijdens het Commissiedebat over Eurogroep/Ecofinraad d.d. 9 en 10 maart 2026, informeert het kabinet de Kamer voor de zomer over de kabinetsappreciatie van de voorgestelde nieuwe eigen middelen. Het kabinet is kritisch over het voorgestelde nieuwe eigen middel dat gebaseerd is op een afdracht die lidstaten zouden innen bij ondernemingen met een jaaromzet van meer dan EUR 100 miljoen (CORE). Deze kritische positie wordt in de Raad breed gedeeld.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="cur">EU-uitbreiding</tussenkop>
            <al>De leden van de fractie van JA21 zijn in principe geen voorstander van verdere uitbreiding van de Europese Unie. De Unie heeft in haar huidige vorm al grote moeite om slagvaardig, democratisch controleerbaar en financieel beheersbaar te functioneren. Verdere uitbreiding dreigt deze problemen te vergroten. Indien uitbreiding desondanks aan de orde is, mag er geen enkele afbreuk worden gedaan aan de Kopenhagencriteria en de absorptiecapaciteit van de Unie. De Minister schrijft dat vanwege de geopolitieke realiteit een realistisch perspectief op uitbreiding nodig is. De leden van de fractie van JA21 vragen de Minister wat hier precies mee wordt bedoeld. Betekent «geopolitieke realiteit» dat de Minister bereid is politieke of strategische overwegingen zwaarder te laten wegen dan strikte naleving van de toetredingscriteria? Kan de Minister bevestigen dat toetreding uitsluitend mogelijk is wanneer kandidaat-lidstaten volledig voldoen aan alle criteria, en dat geopolitieke urgentie nooit mag leiden tot versoepeling of versnelling van de procedure?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">12.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het kabinet onderkent de geopolitieke dimensie van uitbreiding, zonder afbreuk te doen aan de vereisten die aan EU-toetreding worden gesteld. Het is van belang de samenwerking met nabuurschapslanden te intensiveren en kandidaat-lidstaten een realistisch EU-toetredingsperspectief te bieden. EU-steun bij hervormingen in kandidaat-lidstaten kan bijdragen aan het behartigen van onze belangen, waaronder veiligheid, regulering en terugdringing van migratie, stabiliteit en welvaart. Een benadering van EU-uitbreiding waarbij merites en rechtsstaathervormingen centraal worden gesteld, staat niet op gespannen voet met de wens de EU-positie op het wereldtoneel te versterken. Als de EU niet effectief functioneert, kan de Unie ook geen vuist maken. Het kabinet vindt dat uitbreiding de EU moet versterken, niet verzwakken. Vasthouden aan de criteria voor volwaardig EU-lidmaatschap is daarom nodig om samenwerking en onderling vertrouwen binnen de EU, goed functionerende rechtsstaten en de integriteit van de interne markt te garanderen. De Kopen<?xpp afbm?>hagencriteria blijven daarom leidend: hoe sneller landen hervormen, hoe sneller het toetredingsproces kan gaan. Het kabinet werkt in een kopgroep van gelijkgestemde lidstaten aan het verder uitwerken van ideeën voor stevige waarborgen in nieuwe toetredingsverdragen en overgangsmaatregelen voor verschillende beleidsterreinen, waardoor de Unie kan blijven functioneren bij toekomstige uitbreiding. Zoals toegezegd in het recente Commissiedebat over EU-uitbreiding informeert het kabinet de Kamer voor het zomerreces per brief over de inzet van het kabinet op EU-uitbreiding en de toekomst van de EU.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Deze leden vragen in dit verband specifiek naar Oekraïne en Moldavië. De leden van de fractie van JA21 erkennen het belang van samenwerking met Oekraïne, maar achten EU-toetreding onrealistisch en onverstandig. Een groot land in oorlog, met grote institutionele, economische en rechtsstatelijke uitdagingen, kan wat deze leden betreft niet binnen enkele jaren volwaardig lid worden van de Europese Unie. Is de Minister bereid, net als Duitsland, expliciet uit te spreken dat Nederland geen versnelde toetredingsprocedure voor Oekraïne zal steunen? Hoe kijkt de Minister in dit kader naar het onrealistische Oekraïense tijdspad richting mogelijke EU-toetreding in 2027? En hoe kijkt de Minister naar de soortgelijke situatie specifiek voor Moldavië?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">13.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het kabinet ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU-lidmaatschap, waarbij de Kopenhagencriteria leidend zijn. Dit betekent dat het kabinet vasthoudt aan de voorwaarden voor EU-toetreding. Het kabinet legt zich hierbij niet vast op tijdslijnen. Een land dat toetreedt tot de Unie moet de waarden van de Unie eerbiedigen en voldoen aan alle voorwaarden om volwaardig lid te worden. Dit is het uitgangspunt van het kabinet, in lijn met de motie Hoogeveen/Ceulemans.<noot id="ID-1247865-d40e257" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Zie Kamerstuk <extref doc="kst-21501-02-3327" soort="document" status="actief">21 501-02, nr. 3327</extref></noot.al></noot> In lijn met de motie Klos c.s.<noot id="ID-1247865-d40e265" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Zie Kamerstuk <extref doc="kst-36800-V-49" soort="document" status="actief">36 800 V, nr. 49</extref></noot.al></noot> staat het kabinet constructief tegenover het voeren van gesprekken over eventuele gefaseerde toetreding door Oekraïne, indien dit nodig blijkt. Aangezien een reëel en werkbaar toetredingsproces van belang is, heeft het de voorkeur van het kabinet om eerst te kijken naar manieren om vaart te houden in het reguliere toetredingsproces, zodat de onderhandelingsclusters formeel geopend kunnen worden. Daarnaast kan geïnvesteerd worden in verdere geleidelijke integratie, zonder daarbij afbreuk te doen aan de integriteit van de interne markt en de interne veiligheid. Het kabinet steunt het openen van het eerste onderhandelingscluster met Oekraïne. Het kabinet is voornemens in te stemmen met het openen van Cluster 1 wanneer dat besluit voorligt, nadat de blokkade van Hongarije is opgeheven en dus formeel geconstateerd kan worden dat aan alle voorwaarden is voldaan. Zoals reeds aan de Kamer gecommuniceerd, is het kabinet eveneens voornemens in te stemmen met het openen van de andere clusters, wanneer deze besluiten voorliggen. Eenzelfde aanpak geldt voor Moldavië.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast hoe de Minister aankijkt tegen alternatieve vormen van nauwere samenwerking met kandidaat-lidstaten, bijvoorbeeld toegang tot delen van de interne markt, intensievere politieke dialoog of deelname aan bepaalde programma’s zonder volwaardig lidmaatschap. Acht de Minister dergelijke alternatieven wenselijk? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat deze tussenstappen in de praktijk functioneren als een sluiproute naar volledig EU-lidmaatschap?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">14.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het kabinet onderschrijft de wenselijkheid van versnelling van structurele hervormingen, mede ten behoeve van duurzame sociaaleconomische ontwikkelingen voor het voldoen aan economische lidmaatschapscriteria. Door geleidelijke integratie, bijvoorbeeld op het gebied van <nadruk type="vetcur">roaming</nadruk> en de aansluiting op de Europese betaalruimte (SEPA) worden hervormingen gestimuleerd en ondersteund. In algemene zin vindt het kabinet dat geleidelijke integratie op onderdelen van de interne markt overwogen kan worden als dit in het belang is van de EU-lidstaten en de kandidaat-lidstaat. Het is hierbij essentieel dat de integriteit van de interne markt en de interne veiligheid van de EU geborgd blijven. Daarnaast dient eventuele geleidelijke integratie per afgebakend deelterrein plaats te vinden om te voorkomen dat integratie op het ene terrein negatieve impact heeft op andere terreinen waar de kandidaat-lidstaat nog niet aan voorwaarden voldoet. Ten slotte vindt het kabinet dat nauwere samenwerking en (geleidelijke) integratie gepaard dient te gaan met waarborgen en stappen hierop omkeerbaar moeten zijn. Het kabinet houdt vast aan de criteria voor volwaardig lidmaatschap, waarbij de Kopenhagencriteria leidend zijn.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de fractie van JA21 vragen ook naar de institutionele en budgettaire gevolgen van uitbreiding. Hoe voorkomt de Minister dat verdere uitbreiding leidt tot hogere Nederlandse afdrachten, grotere druk op landbouw- en cohesiemiddelen, meer druk op de buitengrenzen, tragere en complexere besluitvorming en verdere verwatering van de Nederlandse invloed binnen de Unie? Is de Minister bereid geen verdere stappen in toetredingsprocessen te steunen zonder voorafgaande, openbare en landenspecifieke analyse van de gevolgen voor de EU-begroting, de Nederlandse nettobetalingspositie, de institutionele verhoudingen, de besluitvorming en het functioneren van de Unie?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">15.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Hervorming van de Unie is geen voorwaarde voor voortgang van individuele kandidaat-lidstaten in hun toetredingsproces. Wel is in de Kopenhagencriteria opgenomen dat de absorptiecapaciteit van de EU in overweging moet worden genomen bij uitbreiding. Het kabinet hecht daaraan: uitbreiding moet de EU versterken, niet verzwakken. Om te bepalen welke hervormingen nodig zijn om dat te garanderen, is een impactanalyse vereist. De Europese Raad concludeerde in juni 2024 dat deze analyse zal moeten worden uitgevoerd langs vier pijlers: EU-waarden, beleid, begroting en bestuur. De aangekondigde evaluaties van de Commissie zullen de gevolgen van uitbreiding voor de EU in kaart brengen langs deze pijlers. Het is op dit moment onduidelijk wanneer deze mededeling wordt verwacht. In de tussentijd gaat Nederland het gesprek aan met andere lidstaten over de architectuur van de Unie, en wat nodig is om de EU toekomstbestendig te maken. Ook zijn er studies uitgevoerd naar de impact van uitbreiding op de samenleving hier in Nederland, op deelterreinen als economie en arbeidsmigratie.<noot id="ID-1247865-d40e297" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>SEO Economisch Onderzoek heeft in 2025 een economische impact-analyse uitgevoerd over mogelijke toetreding van negen kandidaat-lidstaten, met nadruk op de impact op handelsrelaties en concurrentie. Zie: <extref doc="https://www.seo.nl/wp-content/uploads/2025/09/2025-74-Economische-evaluatie-van-EU-Uitbreiding.pdf" soort="URL" status="actief">2025-74-Economische-evaluatie-van-EU-Uitbreiding.pdf</extref>. Het CPB deed onderzoek naar de verwachte migratie naar Nederland bij verdere uitbreiding van de EU. Zie <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D52261" soort="URL" status="actief">https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D52261</extref>. Ook bracht Clingendael een rapport uit over de impact van EU-uitbreiding op de democratie en rechtsstaat in de Unie en haar lidstaten, zie: Clingendael_report_In_waarden_verenigd_of_verdeeld.pdf.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>Tot slot vragen deze leden hoe de Minister waarborgt dat rechtsstatelijke en democratische voorwaarden ook na toetreding afdwingbaar blijven. De EU heeft in het verleden laten zien dat zij moeite heeft met handhaving zodra landen eenmaal lid zijn. Welke harde garanties, terugvalmechanismen of financiële sancties wil de Minister opnemen in toekomstige toetredingsafspraken?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">16.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">
                  <nadruk type="ondlijn">Antwoord van het kabinet:</nadruk>
                </nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="vet">Het is voor het kabinet van belang dat de Commissie snel en effectief optreedt om terugval op rechtsstatelijk vlak te voorkomen en aan te pakken en gebruik te maken van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium. Het kabinet spoort de Commissie, samen met gelijkgezinde lidstaten, hier geregeld toe aan. Het kabinet onderzoekt ook, mede met het oog op toekomstige uitbreiding, in samenwerking met gelijkgestemde lidstaten, hoe de effectiviteit van het bestaande EU-rechtsstaat<?xpp afbm?>instrumentarium kan worden vergroot en verder kan worden ontwikkeld. Het kabinet zet in op aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU, waaronder de rechtsstaat, in nieuwe generatie toetredingsverdragen en bij interne hervormingen in het licht van toekomstige EU-uitbreiding. Ook zet het kabinet zich, in lijn met de motie Olger van Dijk,<noot id="ID-1247865-d40e330" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Kamerstuk <extref doc="kst-36715-9" soort="document" status="actief">36 715, nr. 9</extref>.</noot.al></noot> in voor een sterke en effectieve koppeling tussen het respecteren van de rechtsstaat en fundamentele rechten en het ontvangen van fondsen uit de EU-begroting als onderdeel van de Nederlandse inzet voor het volgend MFK.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>