﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21250-43/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST26469</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>21 250</nummer>
      <naam>Derde Nota waterhuishouding</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>24 165</nummer>
      <naam>Zeescheepvaartbeleid</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>25 611</nummer>
      <naam>Saneringsprogramma waterbodem rijkswateren 1998–2010</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>24 036</nummer>
      <naam>Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>43</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 27 november 1997</datum>
      <al>De vaste commissies voor Verkeer en Waterstaat<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref> hebben op 2 oktober 1997 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink
van Verkeer en Waterstaat over:</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 25
februari 1997 inzake voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden
1996</nadruk> (21 250, nr. 42);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de voortgangsnota Scheepvaartverkeer Noordzee</nadruk>(24 165,
nr. 9);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 13
februari 1997 inzake storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten</nadruk> (25 000-XII, nr. 41);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 24
februari 1997 inzake verontreinigde baggerspecie, met name het depot in het
Hollands Diep</nadruk> (25 015, nr. 2);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 11
maart 1997 inzake actieprogramma diffuse bronnen</nadruk> (VW-97–270);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 27
juni 1997 inzake wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (heffing
op EOX)</nadruk> (25 129, nr. 5);       </al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 20
augustus 1997 inzake kabinetsstandpunt rapport MDW-werkgroep Wet verontreiniging
oppervlaktewateren</nadruk> (24 036, nr. 56);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 29
augustus 1997 inzake brief van Nederlandse non-ferro-industrie</nadruk>(VW-97–775);</al>
      <al>– <nadruk type="vet">de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 16
september 1997 ter aanbieding van het saneringsprogramma waterbodem rijkswateren
1998–2010</nadruk> (25 611).</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag
uit.  </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissies</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Feenstra</nadruk> (PvdA) sprak allereerst zijn complimenten
uit voor de transparante en leesbare voortgangsrapportage Integraal waterbeheer
en Noordzeeaangelegenheden 1996 van de hand van de commissie integraal waterbeheer
(CIW) en sprak de hoop uit dat deze rapportagevorm op den duur zal leiden
tot een soort MIT maar dan voor het natte deel van Verkeer en Waterstaat.
Hij had overigens begrepen dat het ministerie van LNV wel fysiek vertegenwoordigd
is in de CIW doch daarbinnen niet volwaardig deelneemt en vroeg de minister
of zij van zins is om verandering in die situatie te brengen. Als de CIW in
staat blijkt om de mogelijkheden te bieden om te komen tot goede bestuurlijke
afspraken, zal zij een goed gremium kunnen zijn om de vierde nota Waterhuishouding
goed te kunnen uitwerken. In deze nota dienen helder omschreven te worden
de doelstellingen gekoppeld aan de jaartallen van beoogde realisering en zal
er sprake dienen te zijn van een transparant systeem van monitoring met het
oogpunt van een adequate signalering van zowel vorderingen als knelpunten.
Verder is het van belang dat naast de ministeries van LNV en van VROM, het
ministerie van VW zich vanuit zijn eigen verantwoordelijkheden betrokken weet
bij het mestbeleid en het bestrijdingsmiddelenbeleid. Bovendien zal in genoemde
nota ook aandacht besteed moeten worden aan de rioleringen in het buitengebied
en aan het wegnemen van de knelpunten met betrekking tot de verdroging. Juist
op het terrein van het waterbeleid zal de handhaving langzamerhand vrijgemaakt
dienen te worden van een meer vrijblijvende aanpak. Als de waterkwaliteit
niet in die mate verbetert dat daarmee het biologisch herstel mogelijk is,
leek het de heer Feenstra zinnig om na te gaan of er extra middelen kunnen
worden ingezet, ook na de GEVEBE-regeling, om voldoende te kunnen doen aan
verdroging, natuurherstel etc.</al>
      <al>Het probleem van de baggerspecie, in feite een oude rekening uit de pre-NMP-periode
die nog betaald moet worden, werkt verstorend in zowel economische als ecologische
zin. Wat betreft de verwerking van baggerspecie tot ecokorrels zou sprake
kunnen zijn van een technisch verantwoorde aanpak die duidelijk perspectief
biedt, maar tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat er procedureel nogal
wat belemmeringen kleven aan het hergebruik in algemene zin. Hoe denkt de
minister die belemmeringen weg te nemen? In haar brief van 13 februari 1997
stelt de minister dat het ook voor natuur en milieu loont om baggerspecie
uit de rivierbedding te halen en op te slaan. In de eerdergenoemde voortgangsrapportage
van de CIW staat echter dat het nieuwe sediment nog steeds van een dusdanige
kwaliteit is dat daarmee ecologisch herstel nog steeds niet mogelijk is. Dit
roept dan ook de vraag op of het verantwoord is om nu over te gaan tot het
inrichten van depots en tot berging. Terecht wordt prioriteit gegeven aan
zee- en rivierdijken, maar het zou pijnlijk zijn als de consequentie hiervan
was dat de problematiek van de onderwaterbodems naar de achtergrond wordt
geschoven. Het is van groot belang dat samen met marktpartijen
gewerkt blijft worden aan de oplossing van die problematiek.</al>
      <al>Op 19 december 1996 heeft de Raad van State de vergunning vernietigd voor
de bouw van het baggerdepot in het Hollands Diep. Is de aanpak vanwege het
ministerie zodanig geweest dat, gegeven het feit dat bepaalde zaken nog nader
moeten worden uitgezocht, aan een bepaalde voortgang kan worden vastgehouden?
Zo niet, hoe ziet op dit moment de planning er uit? Worden de nieuwe termijnen
gehaald?</al>
      <al>Terecht is er inmiddels veel aandacht voor het terugdringen van de vervuiling
via diffuse bronnen, waarbij een gedifferentieerde en gebiedsgerichte aanpak
van belang is, hetgeen het nodig maakt dat het Rijk ook provincies, gemeenten
en doelgroepen daarop aanspreekt. Naast regelgeving zal meer gewerkt moeten
worden met het instrumentarium van overleg en convenanten. De heer Feenstra
was enthousiast over het voorliggende actieprogramma. De aanpak in Noordoost-Twente
toont aan dat door middel van een actief voorlichtingsbeleid en intensief
overleg goede resultaten te boeken zijn waar het in dit geval het terugdringen
van de inzet van bestrijdingsmiddelen betreft. Wat op één plek
kan, kan op meer plekken en wat met één thema kan, kan met meer
thema's. Een heldere monitoring van het verdere verloop van het proces is
daarbij onontbeerlijk voor de Kamer.</al>
      <al>Inmiddels is met Duitsland het Eems-Dollardverdrag getekend. Er circuleren
berichten over de aanleg van een dam in de Eems vanwege scheepswerven in Duitsland.
Is daarover overleg gaande en wat zijn de consequenties van een dergelijke
dam voor het natuurgebied in Nederland?</al>
      <al>Eigen onderzoek door provinciale staten van Gelderland heeft opgeleverd
dat hun taakstelling met betrekking tot zand is verdubbeld ten opzichte van
de eerder overeengekomen taakstelling. De heer Feenstra had begrepen dat een
en ander moet leiden tot nieuw bestuurlijk overleg. Is dat overleg al op gang
gekomen en wat is het standpunt van de minister in dezen?</al>
      <al>De heer Feenstra kon instemmen met de rapportage van de minister over
het MDW-traject in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Verder stelde hij voor dat de Kamer binnen haar eigen activiteiten nog aandacht
zal besteden aan de relatie Wet milieubeheer en vergunningverlening WVO. Ten
slotte had hij begrepen dat er wat betreft de naleving van de EU-richtlijn
lozingen chemische stoffen in water, een procedure is aangespannen bij het
Europese Hof. Zijn er inmiddels al vorderingen op dit punt te melden?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Luchtenveld</nadruk> (VVD) was er verheugd over dat de vierde
nota Waterhuishouding inmiddels de inspraak is ingegaan. Mede in het licht
van het beleid van de rijksoverheid gericht op het tegengaan van het gebruik
van zink en koper in de bouw om diffuse verspreiding te voorkomen, is voor
de tweede helft van 1995 een toxiciteitsrapport aangekondigd van de Gezondheidsraad.
Dat rapport is echter inmiddels nog steeds niet verschenen. Waar in de zink-
en kopersector in Nederland 10 000 mensen werken en nog onvoldoende onduidelijk
is of het gebruik van die materialen slechter voor het milieu zijn dan vervangende
materialen, is het van belang dat dit rapport er alsnog zo snel mogelijk komt.
Is de minister tevens bereid te bewerkstelligen dat het een rol speelt bij
genoemde inspraakprocedure?</al>
      <al>De Noordzee is een van de drukst bevaren zeeën met de grootste haven
ter wereld, veel visserij en een groot aantal offshoreactiviteiten. Het Nederlands
deel van het Continentaal Plat, in het bijzonder het zuidelijk deel, blijkt
verreweg het drukste deel van de Noordzee. Positief is dat geconcludeerd kan
worden dat het scheepvaartverkeer veilig en vlot kan worden afgewerkt en dat
zich geen structurele knelpunten voordoen, functioneel noch territoriaal.
Schepen houden zich goed aan de verkeersscheidingsstelsels. Het
aantal wachtende schepen voor de Nederlandse havens is sterk afgenomen. Waakzaamheid
blijft echter geboden, omdat ongevallen grote negatieve consequenties kunnen
hebben. Daarom is het positief dat er draagvlak blijkt te zijn voor maatregelen
gericht op verdere verbetering van de veiligheid. Namens de VVD-fractie stemde
de heer Luchtenveld in met de voortzetting van het succesvolle beleid met
de nieuwe beleidsaccenten zoals door de minister aangegeven.</al>
      <al>Een van de problemen wat betreft de kwaliteit van het zeewater is het
scheepsafval dat in strijd met de regels vaak overboord wordt gezet. Behalve
aanscherping van de regels is een effectief inzamelingssysteem in de havens
nodig. De schepen moeten hun afval gemakkelijk op een legale manier kwijt
kunnen. Waarom wel verplicht een groencontainer bij ieder woonhuis in het
buitengebied en niet een afvalcontainer bij een schip in de Rotterdamse haven?
Gerefereerd kan in dezen worden aan het op 27 mei jl. door de minister op
het strand van Scheveningen in ontvangst genomen rapport met aanbevelingen
van de stichting Werkgroep Noordzee, dat is onderschreven door ruim 50 gemeenten
en waterschappen. Is de minister van plan de benodigde maatregelen te nemen?</al>
      <al>Het knelpunt lozingen diffuse bronnen, vooral stikstof en fosfaat, is
bekend. De voornaamste bron is de uitspoeling vanuit landbouwgronden. Er is
nog geen sprake van evenwichtsbemesting. De planning was 2000, doch nu is
het beleid uitgezet tot 2010, dat echter als eindsituatie geen evenwichtsbemesting
zal hebben. Kan Nederland zich desondanks houden aan de tijdens de vierde
Noordzee ministerconferentie bevestigde afspraak tot 50% reductie van de nutriëntenbelasting
van het oppervlaktewater?</al>
      <al>Met betrekking tot het Deltaplan grote rivieren sprak het de heer Luchtenveld
aan dat bepaalde procedures in elkaar zijn geschoven, dat de wettelijke termijnen
zijn verkort, dat de rechtsbescherming is geconcentreerd bij de afdeling rechtspraak
van de Raad van State en dat de onteigeningsprocedure is verkort tot drie
maanden. De extra regenval deze zomer in Midden-Europa herinnert eraan dat
hetzelfde verschijnsel dat zich in de winters van 1993 en 1994 voordeed, zich
kan herhalen. Kan de minister in dit verband ingaan op de berichten over tegenvallende
kosten en opbrengsten (zand- en grindwinning) en een uitstel van tien jaar
bij de profielverruiming van de Maas?</al>
      <al>Het is goed dat het kabinet zich bewust is van het belang van de verkeersfunctie
van de waterwegen en meer middelen beschikbaar heeft gesteld waardoor een
inhaalslag mogelijk is. Helaas was er vorig jaar nog sprake van onderuitputting
en bovendien ontbreekt nog opslagcapaciteit voor de baggerspecie.</al>
      <al>De minister kwam op grond van recente onderzoeken en ervaringen tot de
conclusie dat de opslag van verontreinigde baggerspecie in diepe zand- of
grondwinputten, al dan niet in open water, mogelijk is. Wanneer zal de afweging
tussen kosten en milieueffecten plaatsvinden en om welke capaciteit kan het
dan gaan? Kan het een alternatief zijn voor de locatie Hollands Diep? Is de
ligging van de putten zodanig dat de baggerspecie niet over te grote afstand
vervoerd behoeft te worden?</al>
      <al>Het is zeer teleurstellend dat de Raad van State de vergunning heeft vernietigd
voor de bouw van een depot voor verontreinigde baggerspecie in het Hollands
Diep. Zonder dit depot blijft men wat betreft het zuidwestelijk deel van het
land steken in goede voornemens als het gaat om het bereikbaar houden van
waterwegen en het saneren van ernstige verontreinigingen. Het is vooral teleurstellend
dat de rijksoverheid niet in staat blijkt om een project dat zo belangrijk
gevonden wordt op de juiste wijze van een vergunning te voorzien. Aannemende
dat alles uit de kast is gehaald om deze vernietiging te voorkomen, blijkt
dit toch niet voldoende te zijn geweest. Teleurstellend is ook dat een initiatief
vanuit het bedrijfsleven (Tiengemeten) destijds buiten beeld bleef omdat het
depot in het Hollands Diep al zo ver in de procedure was en men
geen verdere vertraging wilde. Die vertraging is er nu toch en het alternatief
Tiengemeten is van tafel.</al>
      <al>Gelukkig zal het depot in het Ketelmeer het volgend jaar wel beschikbaar
zijn. Dit 40 meter diepe depot in het Ketelmeer ligt op 1 km afstand van de
dijk. In een landstrook van 2500 ha achter die dijk liggen 35 akkerbouwbedrijven.
De eigenaren daarvan zijn niet in beroep bij de Raad van State gegaan, omdat
zij en hun organisatie de FLTO zich door Rijkswaterstaat hebben laten overtuigen
dat geen schade te verwachten zou zijn. Ondanks de 40 meter diepe put zou
er geen extra kwel zijn en zouden de gevaarlijke stoffen in het slib uit het
depot langzamer landinwaarts trekken dan in de huidige situatie waarbij het
slib op de bodem van het Ketelmeer ligt. Nu blijkt echter uit gegevens van
de landbouwkundige dienst, dat er tijdens de aanleg al problemen zijn. De
grondwaterstand zou 1 meter à 1,1 meter in plaats van 0,6 meter zijn
met als gevolg schade aan de gewassen. De kwel is voor de boeren een probleem
en bovendien vragen zij zich af of de vervuilde stoffen in het slib niet eerder
landinwaarts trekken dan verwacht door Rijkswaterstaat. Tussen FLTO en Rijkswaterstaat
is afgesproken eventuele schade in onderling overleg te vergoeden. Volgend
jaar maart kan aan de hand van metingen en ervaringsgegevens worden vastgesteld
wat de effecten zijn geweest. Wil de minister toezeggen de Kamer dan te informeren
over de schade en de regeling daarvan en dat wellicht een jaar later nog eens
te doen? De ondernemers in de directe omgeving van het depot mogen niet de
dupe worden van het slibdepot.</al>
      <al>Overigens is er sprake van dat 30% van de meest vervuilde grond op het
Olasfaterrein aan de IJssel in Olst, een van de top vijftien bodemvervuilingen,
naar het depot in het Ketelmeer gaat. Als het om IJsselslib gaat, lijkt dat
logisch, maar als het om gewone vervuilde grond gaat niet. Daar is dat depot
niet voor bedoeld.</al>
      <al>Het is positief dat volgend jaar twee grote industriële verwerkingseenheden
(verglazing en versintering) voor het meest vervuilde slib, ruim boven de
grens van klasse 4, beschikbaar zijn. Zijn of worden afspraken gemaakt met
de desbetreffende bedrijven voor de aanvoer van het materiaal?</al>
      <al>De Unie van waterschappen wil de klasse 2-specie ook na het jaar 2000
op de kant kunnen verspreiden, omdat anders de baggerkosten voor de waterschappen
stijgen van 30 mln. naar 120 mln. Hoe kijkt de minister aan tegen de risico's
van die verspreiding?</al>
      <al>De doelstellingen 1995 voor natuurherstel- en ontwikkelingsprojecten zijn
gehaald. Om die van 2000 te halen, is een extra inspanning nodig. De werkelijkheid
is dat de succesvolle REGIWA-regeling niet is verlengd. Hoe kunnen desondanks
de 2000-doelstellingen worden gehaald?</al>
      <al>De verdrogingsdoelstelling, te weten in 2000 een herstel van 25% van het
verdroogde gebied, lijkt niet realiseerbaar. Een percentage van 15 lijkt dat
wel, hetgeen niet onbelangrijke winst is vergeleken met het percentage van
5 zoals opgenomen in de Milieubalans '95. De relatieve waarde van de doelstelling
blijkt anderzijds uit het feit dat als gevolg van het hanteren van een andere
beoordelingsmethode het areaal verdroogd gebied tussen 1994 en 1996 met ruim
10% is gestegen. Houdt de minister desondanks vast aan de 25% en, zo ja, welke
maatregelen wil zij dan nemen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Assen</nadruk> (CDA) vond het grote struikelblok in het voorliggende
totale dossier dat hoewel de einddoelen duidelijk zijn, het niet altijd helder
is wanneer die bereikt zijn, dan wel hoe ver het daarmee staat en of er tussendoelstellingen
zijn geformuleerd. Zij had dan ook behoefte aan meer inzicht op dit punt.</al>
      <al>Ten aanzien van integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden kan gesteld
worden dat de emissiedoeleinden worden gehaald op een aantal onderdelen na
die misschien wel de belangrijkste zijn om beleid in dezen te voeren. Zo komen
de gemeentelijke rioleringsplannen nog steeds onvoldoende van
de grond om met name financiële redenen. Het is voor gemeenten ook geen
aantrekkelijk aandachtspunt. Ze winnen er geen verkiezingen mee maar het kost
wel handenvol geld. Hoe denkt de minister de gemeenten ertoe over te kunnen
halen alsnog meer aandacht aan dit beleidsonderdeel te besteden en hoe denkt
zij de landelijke doelstelling te halen? De rioleringen in het buitengebied
vormen hierbij een van de belangrijkste items.</al>
      <al>De emissies fosfaat en nitraat via de grote rivieren zijn sterk verminderd,
vooral bij de Rijn. De emissie van stikstof is alleen wat minder bij de Maas.
Zijn deze resultaten behaald door internationale afspraken of komen ze voort
uit beleid in de aangrenzende landen? Wat is hierbij de bijdrage van Nederland?
Met betrekking tot de emissies van fosfaat en nitraat als gevolg van uitspoeling
van nutriënten van landbouwgronden in het oppervlaktewater blijven resultaten
nog steeds achter, ondanks inspanningen van de landbouwsector zelf. Welke
krachtsinspanningen onderneemt de minister om hierin verbetering te brengen?</al>
      <al>De Noordzee Ministerconferentie, het Rijnverdrag en de Maas-Scheldecommissie
zijn goede instrumenten om internationaal tot goede afspraken over het waterbeheer
te komen. Behalve samenwerking en afspraken zijn echter ook coördinatie
en controle nodig. Hoe wordt een en ander onderling afgestemd en wie neemt
daarin het voortouw?</al>
      <al>Door de uitspraak van de Raad van State over het depot in het Hollands
Diep is de minister in grote problemen gekomen. Er kan nu niet op tijd afdoende
bergingscapaciteit gevonden worden. Bovendien blijkt de hoeveelheid verontreinigde
baggerspecie groter dan verwacht, maar hoeveel groter is niet bekend. Kan
de minister aangeven hoeveel baggerspecie, vervuilde bagger, de komende jaren
wordt verwacht en op welke wijze die geborgen kan worden? Verwacht zij, gezien
de uitspraak van de Raad van State, dat er in de toekomst nog wel baggerdepots
in het Hollands Diep mogen worden aangelegd en, zo ja, binnen welke termijn
komen die dan beschikbaar? Wat gebeurt er overigens in de tussentijd? Het
uiteindelijk doel moet zijn verwerking van de vervuilde baggerspecie en niet
de opslag ervan. Tot nu toe lukt dat niet goed, omdat de verwerkingsmethodes
niet optimaal maar wel erg kostbaar zijn. Ontwikkeling op grote schaal en
het goedkoper worden van verwerkingstechnieken moeten hogere prioriteit hebben
dan opslag. Is de minister het hiermee eens en is zij van plan gebruik te
maken van de kennis en kunde van het bedrijfsleven in dezen?</al>
      <al>Mevrouw Assen had grote moeite met de brief waarin de minister aankondigt
klasse 4-baggerspecie te bergen in zandwingaten in het rivierengebied in Gelderland
en Limburg. Zullen de niet-afgedekte depots bij hoogwater niet in contact
komen met het rivierwater en beïnvloeden dergelijke opslagen de waterdynamiek
in het rivierengebied niet? Welke consequenties voor hernieuwde vervuiling
kan deze vorm van opslag hebben? Is dit beleid niet in tegenspraak met de
beleidslijn «Ruimte voor de rivier», waarin juist meer behoefte
is aan verdieping van de bedding en aan meer opvangmogelijkheden van rivierwater
bij hogere waterstanden.</al>
      <al>De aanpak van vervuiling door diffuse bronnen is uiteraard moeilijker
dan die van puntbronnen, in het bijzonder via water, waardoor de verspreiding
zeer groot is. Toch worden er vorderingen gemaakt. Een van de onduidelijkheden
bij dit beleid betreft de verdeling van taken en bevoegdheden. Wie van de
verschillende overheden heeft de eindverantwoordelijkheid in dezen? Hoe wordt
gecontroleerd of de beoogde doelstellingen worden gehaald?</al>
      <al>Gelukkig was mevrouw Assen met het intrekken van het wetsvoorstel inzake
de heffing op EOX. Ad hocwetgeving voor enkele bedrijven is niet zinvol. Het
is dan beter met convenanten te werken.</al>
      <al>Naar aanleiding van de gesprekken die mevrouw Assen onlangs had met de
NFI over het beleid ten aanzien van het terugdringen van koper en zink in
het oppervlaktewater, een beleid waar haar fractie overigens nog steeds achterstaat, had zij er behoefte aan de minister een aantal vragen
voor te leggen. Is het waar dat er ten aanzien van koper en zink andere normen
worden geadviseerd door verschillende instanties? Zijn er verschillen tussen
de oordelen van de Gezondheidsraad, het RIZA en het RIVM? Worden er internationaal
andere normen gesteld? Wat zijn daarover de afspraken? Wordt er onderzocht
of is al bekend welke alternatieven er zijn voor het gebruik van koper en
zink? Zijn die alternatieven ook getoetst op milieuvriendelijkheid, gezondheidsaspecten
en recyclingmogelijkheden?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> (D66) herinnerde aan de bij de bespreking
van begin april 1996 van de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en
Noordzeeaangelegenheden 1995 gedane toezegging van de minister, te willen
nadenken over de mogelijkheid om de Kamer bij het gehele proces inzake de
vierde nota Waterhuishouding informeel te betrekken zonder dat de Kamer aan
het eind niet meer de handen vrij zou hebben bij de beoordeling van die nota.
Mede op basis hiervan had de heer Van Waning getracht de nu aan de orde zijnde
bespreking mede te benutten voor het geven van een eerste reactie op het regeringsvoornemen
inzake deze nota. Die poging is echter niet gelukt. De nota ligt nu slechts
ter kennisneming bij de Kamer voor, daar deze de inspraak is ingegaan. Het
regeringsstandpunt verschijnt pas in de loop van het volgend jaar. Hoewel
er grote waardering bestaat voor de wijze waarop het open planproces tot nu
toe plaatsvindt en het uiteraard van groot belang is dat met name bij grote
infrastructurele projecten een heldere inspraakprocedure wordt gevolgd, is
tegelijkertijd het verwijt hoorbaar dat de Kamerleden op die manier wel erg
laat worden betrokken bij het geheel. De heer Van Waning had overigens begrepen
dat de inspraakronde met vier maanden was uitgesteld ten opzichte van de oorspronkelijke
planning. Het gevolg hiervan is dat de besluitvorming over de kabinetsformatie
wordt heengetild. Is de oorzaak hiervan er in gelegen dat de minister het
aan de verschillende partijen overlaat om zelf te zorgen voor de financiële
invulling?</al>
      <al>Met de lijn die duidelijk wordt uit alle informatie die tot nu toe rond
de vierde nota naar voren komt, kon de heer Van Waning zich verenigen. Cruciaal
is en blijft het ambitieniveau wat betreft het nastreven van de einddoelen.
Het ziet er naar uit dat de bij de derde nota afgesproken doelstellingen inzake
de diffuse bronnen, de waterbodem en de verdroging niet gehaald worden. Er
moet gestreefd blijven worden naar een integraal waterbeheer dat hand in hand
gaat met natuurontwikkelingen. Wil de minister reageren op kritiek van natuur-
en milieuorganisaties dat er steeds meer sprake is van een versoepeling van
de normeringen in het kader van de vierde nota?</al>
      <al>Op basis van artikel 17 met betrekking tot de vierde Noordzee ministerconferentie
is afgesproken om binnen 25 jaar te komen tot nullozing. Wordt dat uitgangspunt
inmiddels nog steeds nagestreefd?</al>
      <al>Uit de vraag van de heer Van Waning tijdens de begrotingsbehandeling op
10 en 11 december 1996 of het storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten
mogelijk en milieutechnisch uitvoerbaar is, mag absoluut niet afgeleid worden
dat hij voorstander zou zijn van dergelijke stort. Zijn vraag was ingegeven
door informatie uit de wandelgangen dat de regering een dergelijke maatregel
zou overwegen. De heer Van Waning sloot zich dan ook aan bij de kritische
opmerkingen van voorgaande sprekers over dit onderwerp.</al>
      <al>Wat betreft de zeescheepvaart ligt er het streven om mede aan de hand
van transponders precies te kunnen volgen welke schepen met gevaarlijke stoffen
welke havens aandoen. Zijn er al vorderingen op dit belangrijke punt te melden?</al>
      <al>Verontrustend vond de heer Van Waning het gegeven dat 80% van de scheepsongevallen
is te wijten aan persoonlijke fouten. Hoe wil de minister dat probleem aanpakken? </al>
      <al>In het jaaroverzicht Kustwacht 1996 valt op, dat slechts 1% van alle alarmmeldingen
op zee reëel is. Hoe denkt de minister verandering in die situatie te
brengen? Verder wordt gesteld dat de afhandeling van meldingen van vermoedelijke
overtredingen plaatsvindt op de ministeries van Justitie en van VW. In hoeverre
worden die overtredingen echter afgehandeld, zodanig dat ze uitmonden in straffen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van den Berg</nadruk> (SGP) constateerde dat in de vierde nota
Waterhuishouding de veiligheid terecht centraal staat, doch dat daardoor een
aantal andere elementen financieel wat onderbelicht dreigen te raken, zoals
de sanering waterbodems en het beheer en de verbetering van de watersystemen.
In dat licht sloot hij zich aan bij de aandachtspunten wat betreft de voortgangsrapportage
Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden die de heer Feenstra de minister
heeft meegegeven met het oog op de verdere behandeling van de vierde nota.</al>
      <al>De voortgangsnota Scheepvaartverkeer Noordzee, die qua opzet waardering
verdient, is nogal gedateerd, in de zin dat die eigenlijk een evaluatie betreft
van de nota uit 1988. Zo is er niets in terug te vinden in relatie tot de
stelling van de minister in haar begeleidende brief, dat ondanks de conclusie
dat zich geen structurele knelpunten voordoen, uit de analyse een aantal onderdelen
naar voren komt die in de toekomstige beleidsontwikkeling nadere aandacht
zullen vergen. Een voortgangsrapportage mag niet alleen terugblikkend van
aard zijn, maar moet ook aangeven welk beleidsmatig vervolg er aan de diverse
onderdelen wordt gegeven.</al>
      <al>De vertraging die is opgetreden in de procedure rond het baggerdepot in
het Hollands Diep is te betreuren en heeft nogal wat gevolgen. Het Centraal
overleg vaarwegen heeft er overigens terecht op geattendeerd dat de bergingsfaciliteiten
voor nautische specie gegarandeerd moeten blijven, ook in verband met dreigende
verondieping.</al>
      <al>De heer Van den Berg kon instemmen met de actuele maatregelen die zijn
voorgesteld over het terugdringen van de vervuiling door diffuse bronnen.
Het beleid in bredere zin op dit punt dient verder te worden bediscussieerd
in onderlinge samenhang met de vierde nota.</al>
      <al>De brief houdende de intrekking van het wetsvoorstel inzake de heffing
op EOX had de hartelijke instemming van de fractie van de SGP. Zij had reeds
in de schriftelijke voorbereiding kritische kanttekeningen geplaatst bij het
effect van dit wetsvoorstel.</al>
      <al>De heer Van den Berg was het eens met de conclusies van de regering over
het belangrijke rapport van de MDW-werkgroep WVO. Geconstateerd kan worden
dat de WVO tot nu toe een van de meest succesvolle wetten is voor met name
de verbetering van de milieukwaliteit. Hij ging er overigens wel van uit,
dat de minister spoedig aan het werk gaat met de in het rapport vervatte juridische
aanbevelingen. Hoewel het kabinet in 1992 naar aanleiding van het advies van
de commissie-Zevenbergen besloten heeft tot invoering van leges voor WVO-vergunningen
verleend door het Rijk, neemt het de aanbeveling van de werkgroep om hiervan
af te zien over. Waar vrij recent in de nieuwe Wet beheer rijkswaterstaatswerken
een wettelijke basis voor deze leges is opgenomen, achtte de heer Van den
Berg een nadere toelichting op dit punt toch nodig, juist met het oog op continuïteit
in beleid en wetgeving.</al>
      <al>Namens zijn fractie sprak de heer Van den Berg uit absoluut geen behoefte
te hebben om het punt van de integratie van de WVO en de WM, ook wat betreft
de vergunningen, opnieuw op de agenda te zetten. Signalen uit de praktijk
geven aan dat de huidige opzet en wijze van afstemming goed zijn. Het streven
van de 1 loket-functie voor WVO- en WM-vergunningverlening is inderdaad niet
gerealiseerd, maar beseft dient te worden dat een dergelijke functie op een
heleboel terreinen niet haalbaar is gezien het feit dat er altijd meerdere
overheden betrokken zijn. </al>
      <al>In relatie tot het rapport van de commissie-Cohen refereerde de heer Van
den Berg verder aan de brede discussie over de marktwerking in de gehele watersector,
een onderwerp dat in wezen een apart overleg waard is. Overigens was de heer
Van den Berg van oordeel dat terughoudendheid moet worden betracht bij marktwerking
op genoemd terrein, gezien de centrale functie van water en watersystemen,
waarbij het een overheidsverantwoordelijkheid is om hierin de regie te blijven
voeren. Desgevraagd door de heer Van Waning antwoordde de heer Van den Berg
dat mede op grond van de conclusies van de staatscommissie voor de waterstaatswetgeving
en de desbetreffende studie van de landbouwuniversiteit Wageningen het vooralsnog
niet nodig en zinvol is om verder te gaan met een project integrale waterstaatswetgeving.
Wel zal op grond van onder meer eerdergenoemde rapportage niet alleen de WVO
maar ook de Wet op de waterhuishouding een aantal concrete aanpassingen behoeven.
Heeft de minister hiervoor al een traject voor ogen?</al>
      <al>Het saneringsprogramma Waterbodem rijkswateren is in feite te typeren
met de zinsnede die in de samenvatting staat: «De inspanning voor verder
onderzoek en sanering is voor de komende jaren laag». Het is een prachtig
programma, maar er is geen geld, zo zou de conclusie kunnen zijn. Waar hier
sprake is van een enorm knelpunt, is het belangrijk dat niet alleen in het
kader van de vierde nota en wellicht eerder al bij de begroting, maar ook
in het kader van het regeerakkoord nagegaan wordt of hieraan iets kan worden
gedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (GroenLinks) refereerde allereerst aan de voortgangsrapportage
Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden, waarin een zeker optimisme
is waar te nemen ten aanzien van het halen van de emissiereductiedoelen, maar
waarin tevens tot uiting komt dat de waterkwaliteitsverbetering nog onvoldoende
is en dat vele grenswaarden terzake niet gehaald worden, hetgeen versnelling
van beleid op dit punt noodzakelijk maakt. Met name op het punt van het mestbeleid
en het bestrijdingsmiddelenbeleid kraakt de voortgangsrapportage kritische
noten. Juist met het oog op de waterkwaliteitsverbetering is het van groot
belang dat de minister van Verkeer en Waterstaat nadrukkelijk en actief betrokken
blijft bij het beleid op deze onderdelen.</al>
      <al>Mevrouw Vos kon zich vinden in de uitgangspunten en het ambitieniveau
van het actieprogramma diffuse bronnen. De lijst van voornemens die het programma
bevat had naar haar mening echter eerder het karakter van een boodschappenlijst
in plaats van dat ze reel zicht biedt op het halen van de desbetreffende grenswaarden
en streefwaarden. Is de minister voornemens versnellingen aan te brengen teneinde
die waarden te realiseren? Zal zij nieuwe, scherpere emissiereductiedoelstellingen
formuleren? Verder zou serieus onderzocht moeten worden of de diffuse bronnen
onder de heffingsplicht van de WVO kunnen worden ondergebracht. In dit verband
valt onder meer te denken aan luchtverontreinigingen die direct tot waterverontreiniging
leiden.</al>
      <al>Tijdens de vierde Noordzee ministerconferentie hebben regeringen plechtig
afgesproken dat binnen een generatie, 25 jaar, de lozing van milieugevaarlijke
stoffen geheel moet worden beëindigd. Uit de nu voorliggende stukken
valt echter moeilijk op te maken hoe serieus deze afspraak door Nederland
wordt genomen. In ieder geval schiet het huidige beleid tekort om het onderhavige
voorzorgsbeginsel voluit van kracht te laten zijn. Moeten er ook op dit terrein
geen heldere tussen- en einddoelen zijn en is het niet van belang om aan te
geven welke stoffen binnen welke termijn niet meer geloosd mogen worden? Het
eerder toegezegde implementatieplan in dit kader, inclusief een meer gebiedsgerichte
aanpak, zag mevrouw Vos dan ook graag tegemoet.</al>
      <al>De Kamer wacht sinds december 1985 op een door de minister van VROM toegezegd
plan van aanpak voor de droge zandgronden en de fosfaatverzadigde
gronden. Is de minister bereid er bij haar collega van VROM op aan te dringen
spoedig met dit plan te komen?</al>
      <al>Het antiverdrogingsbeleid blijft achter bij de doelstellingen. De indruk
bestaat dat de provincies op dit punt achterlopen ten opzichte van wat van
hen verwacht mocht worden. Is de minister bereid ze meer onder druk te zetten
om datgene waar te maken wat ze moeten doen?</al>
      <al>De kwaliteit van de waterbodems en van de baggerspecie is zorgelijk. Daarnaast
zal er veel meer baggerspecie vrijkomen dan verwacht. Mevrouw Vos zag het
bergen van baggerspecie slechts als een tijdelijke oplossing. Uiteindelijk
moet gestreefd worden naar reiniging. Is het in dit verband niet zinvol om
in dezen de mogelijkheid van een heffing in het kader van de WVO of een afvalstoffenheffing
serieus te bekijken? Het principe van de vervuiler betaalt, dient hierbij
van toepassing te zijn. De opbrengsten van die heffing zouden dan aangewend
kunnen worden voor versnelling van een verantwoorde verwerking van de specie.</al>
      <al>Het storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten en kleiwinputten
achtte mevrouw Vos een heel riskante onderneming en zou naar haar mening ongewenste
gevolgen kunnen hebben voor de ecologische hoofdstructuur. Door het afzetten
van vervuilde baggerspecie in bijvoorbeeld uiterwaarden van rivieren is het
verspreidingsrisico te groot. Hoewel op zichzelf bezwaarlijk, zou binnendijkse
opslag onder tijdelijke en zeer strikte voorwaarden kunnen plaatsvinden. Feit
blijft overigens dat er door de rijksoverheid vooralsnog te weinig beschikbaar
wordt gesteld voor het algehele dossier van de kwaliteit van de waterbodems
en de baggerspecie, waardoor het probleem te ver naar de toekomst wordt doorgeschoven.
Onder meer in het kader van de ICES zou de minister dienen te pleiten voor
een hogere bijdrage aan dit dossier, waarvoor tot het jaar 2010 minstens een
bedrag nodig is van minstens 4 mld.</al>
      <al>Vraagtekens plaatste mevrouw Vos bij de intrekking van het wetsvoorstel
inzake de heffing op EOX en was ook niet overtuigd door de brief van de minister
op dit punt. Genoemde heffing zou wel degelijk een positief effect kunnen
hebben op de terugdringing van de desbetreffende schadelijke stoffen.</al>
      <al>Benieuwd was mevrouw Vos naar het regeringsoordeel over de huidige ontwikkelingen
rond de zandwinning in Gelderland, waarbij er sprake van is dat er veel meer
zand gewonnen kan worden dan in de taakopstelling van de provincie is opgenomen.</al>
      <al>Voor de inzichtelijkheid van de gehele discussie, is het te betreuren
dat in het regeringsvoornemen inzake de vierde nota Waterhuishouding niet
een aantal verschillende scenario's zijn aangegeven waar het betreft de verdere
ontwikkeling van het waterbeleid.</al>
      <al>Vooruitlopend op de eigenlijk discussie op de vierde nota Waterhuishouding,
gaf mevrouw Vos nu reeds te kennen niet te blij te zijn met de voorgenomen
verandering van de normstellingen op dit beleidsterrein. Het is juist van
belang de huidige lijn te handhaven en af te rekenen op zaken die bereikt
worden. Zij meende overigens dat de relatie tussen de Vierde nota en het NMP
3 zodanig sterk is, dat beide stukken in onderlinge samenhang besproken zouden
moeten worden, zeker als het om cruciale onderdelen gaat als zo-even genoemde
normstellingen. </al>
      <tuskop letat="vet">Antwoord van de regering</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> was zich ervan bewust dat het feit dat nogal wat
onderwerpen die vandaag aan de orde zijn in de sfeer van brieven en voortgangsrapportages
uiteindelijk zullen uitmonden in nieuwe beleidsvoornemen c.q. voortzetting
van beleid in de vierde nota Waterhuishouding, de discussie van vandaag enigszins
diffuus maakt.</al>
      <al>Aan het adres van de heer Van Waning merkte zij op, dat in het kader van
het open planproces met betrekking tot de vierde nota Waterhuishouding met
een aantal Kamerleden gesprekken zijn gevoerd. Het kan echter niet zo
zijn dat aan het begin van een inspraakproces de Kamer in feite het eindbeeld
bepaalt. Het ambitieniveau wordt uiteindelijk vastgelegd in een regeringsbeslissing
en de taak van de Kamer is om te controleren of de regering wat betreft die
beslissing op de goede weg is. Indien volgende kabinetten andere zaken in
dat kader gerealiseerd willen zien dan dit kabinet tot de mogelijkheden ziet,
dan is dat altijd mogelijk via wijziging van wetten en PKB's.</al>
      <al>De minister onderschreef de opmerking van de heer Feenstra over het karakter
van de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden.
De rapportages zijn steeds een feitelijk gevolg van de nota's Waterhuishouding.
Het lastigste is wellicht wel het doen verschijnen van een voortgangsrapportage
die qua tijd in de buurt ligt van een nieuwe nota. Op een gegeven moment komt
men voor de situatie te staan waarin men nieuwe regeringsvoornemens moet vastleggen
in een nieuwe nota waterhuishouding.</al>
      <al>De CIW vormt een samenwerkingsverband van de overheden die regulerende
dan wel uitvoerende taken in het waterbeheer hebben. De betrokkenheid van
LNV is een indirecte via natuur- en landschapsbeleid. Overigens is LNV uitgebreid
vertegenwoordigd in de relevante werkgroepen in CIW-kader. Bij de evaluatie
van de CIW zal de rol van LNV in dit geheel nog eens goed bekeken worden,
zonder dat er overigens op dit moment het gevoelen is dat daarmee iets mis
zou zijn.</al>
      <al>Wat betreft het pleidooi van de heer Feenstra om in de vierde nota de
doelstellingen zoveel mogelijk te koppelen aan jaartallen, meende de minister
dat in ieder geval voorkomen moet worden dat, zoals in het verleden wel gebeurde,
te veel deze koppeling wordt gelegd zonder dat er maar enig zicht is op de
haalbaarheid ervan. Er is nu gekozen voor doelen, waarbij er de zekerheid
is dat er daadwerkelijk op afgerekend kan worden als ze niet gerealiseerd
kunnen worden, hetgeen ook meer verantwoordelijkheid bij de regio legt. Een
en ander wordt in de gaten gehouden aan de hand van een adequate beleidsmonitoring
op grond waarvan de Kamer via de voortgangsrapportages op de hoogte zal worden
gesteld.</al>
      <al>De minister was het ermee eens dat zoveel mogelijk gestreefd zou moeten
worden naar verwerking van baggerspecie in plaats van stort. Gerealiseerd
dient wel te worden dat alle verwerkingstechnieken niet allemaal hetzelfde
zijn. Een geavanceerde techniek zoals immobilisatie is nogal kostbaar, terwijl
tevens de vraag is wat de milieugevolgen ervan zijn. Dit neemt niet weg dat
wanneer bedrijven op deze manier baggerspecie concurrerend kunnen verwerken,
wel degelijk van die mogelijkheid gebruik gemaakt zal kunnen worden.</al>
      <al>Een van de belangrijkste redenen waarom er vooralsnog niet veel meer middelen
voor waterbodemsanering zijn opgenomen in de begroting, is gelegen in het
feit dat het vrijwel onmogelijk is om de bagger te storten. Hoewel er ten
aanzien van het Ketelmeer sprake is van goede voortgang, is de ontwikkeling
rond het Hollands Diep jammerlijk te noemen. Volgens de Raad van State was
er wat betreft laatstgenoemde locatie sprake van een onvoldoende onderbouwing
en waren ook de landschappelijke aspecten te licht meegewogen ten opzichte
van de milieuaspecten. De raad voegde er tevens aan toe dat oplossingen binnen
het Hollands Diep gevonden moeten worden. Er wordt nu uitgegaan van de varianten
uit de oorspronkelijke MER en in een open planproces met alle betrokken belangengroeperingen
en bewonersvertegenwoordigingen wordt nagegaan of er nog meerdere varianten
aan de orde kunnen komen. Het kabinet zoekt naar alternatieven voor een betere
inpassing van het depot in de omgeving, ook qua natuurontwikkeling en recreatiemogelijkheden.
In november vindt een workshop met alle betrokkenen plaats, waarna het bedoeling
is dat eind 1997 een beslissing wordt genomen door de stuurgroep over welke
alternatieven in procedure komen. In het eerste kwartaal van het volgend jaar
start de MER-procedure en verschijnt de nieuwe startnotitie. Het is de bedoeling
om in 2001 deels gereed te zijn voor de ontvangst van verontreinigd
baggerspecie. Aan deze vertraging was volgens de minister niet veel te doen,
tenzij de Kamer ervoor zou voelen om voortaan voor dit soort opslag een andere
procedure te volgen.</al>
      <al>In de nu ontstane situatie kunnen vooralsnog alleen knelpunten in de regio
IJsseloog in de nabije toekomst worden opgelost, waaronder de verbetering
van de vaarweg voor het Ketelmeer. De Slufter blijft als enige mogelijkheid
over om echt brandende knelpunten op te lossen. In overleg met de gemeente
Rotterdam wordt die gebruikt voor relatief kleine hoeveelheden knelpuntenspecie,
onder strenge milieuvoorwaarden en voorwaarden van herkomst. Of de capaciteit
van de Slufter in de toekomst gebruikt kan worden om meerdere knelpunten,
ook ten aanzien van waterbodemsanering en waterhuishouding, in het land op
te lossen is, is een lastige vraag. Het kan in ieder geval nooit een structurele
oplossing voor andere regio's inhouden.</al>
      <al>Vervolgens ging de minister in op de suggestie van mevrouw Vos om terzake
van baggerspecie het instrument van heffingen te hanteren. Zij wees erop dat
de overheid dan als zodanig bijna uitsluitend als enige aangeslagen zou worden.
Het is in dezen dan ook van tweeën een. Ofwel de opbrengst van de desbetreffende
heffing wordt toegevoegd aan het budget voor het saneren van de bodem. Dan
is er echter puur sprake van rondpompen van geld. Ofwel de opbrengst wordt
naar de algemene middelen teruggegeven en niet aan de vervuiler of degene
die moet storten, hetgeen overeenkomt met het principe van de regulerende
heffing. Dat laatste betekent dat men per saldo met het ter beschikking gestelde
budget nog minder kan doen.</al>
      <al>In het regeringsvoornemen inzake de vierde nota is een keuze kenbaar gemaakt
voor een bepaald scenario. In dat licht zou het wat merkwaardig zijn om, zoals
mevrouw Vos voorstelde, in datzelfde voornemen weer met allerlei verschillende
scenario's te komen. Er is gekozen voor een open planproces, waarbij alle
scenario's en studies openbaar zijn. Eenieder kan derhalve nagaan op grond
van welke informatie de regering tot haar keuze is gekomen.</al>
      <al>De minister was van oordeel dat afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden,
een WVO-vergunning voor het storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten
verstrekt kan worden, mits met voldoende milieuwaarborgen en onderzoek omkleed.
Deze vorm van stort lijkt perspectiefvol. Het RIZA heeft een vervolgopdracht
gekregen om na te gaan of het storten van klasse 3- en klasse 4-specie in
diepe putten in open water mogelijk is, met name ten aanzien van de WVO-aspecten.
Naar verwachting kan in de tweede helft van 1998 daarover worden gerapporteerd.
De resultaten van die studie zullen uiteraard betrokken worden bij het MER
voor het depot in het Hollands Diep.</al>
      <al>Vanuit milieuoverwegingen is het wenselijk om te saneren als de bodem
of de waterbodem ernstig verontreinigd is, hetgeen neerkomt op klasse 4-baggerspecie.
Van echt schoon is echter pas sprake bij baggerspecie van klasse 0. Tussen
beide klassen zit derhalve nog een forse range. Nieuw sediment is bijna nooit
zo schoon dat sprake is van klasse 0 maar tegelijkertijd zelden zo verontreinigd
dat sprake is van klasse 4. In de praktijk zal sanering met milieuwinst al
heel goed plaats kunnen vinden als nieuw sediment nog van klasse 1 of 2 is.
Het materiaal is weliswaar niet geheel schoon, maar is weer niet zo verontreinigd
dat direct tot een tweede sanering zou moeten worden overgegaan.</al>
      <al>Met betrekking tot de gang van zaken rond het Ketelmeer is inmiddels een
schadecommissie ingesteld. Als vast te stellen is welke schade is veroorzaakt,
wordt die vanzelfsprekend vergoed. Uiteraard zal de Kamer hierover verder
worden geïnformeerd.</al>
      <al>Met betrekking tot de stabilisatie van het aantal ongevallen in het scheepvaartverkeer
op de Noordzee en de achterliggende oorzaken ervan is er vooralsnog geen reden
tot beleidswijziging of intensivering. Daarbij kan nog aangetekend
worden dat van de inmiddels getroffen maatregelen nog de nodige positieve
effecten zijn te verwachten. Een en ander betekent niet dat de aandacht voor
het Noordzeescheepvaartverkeer mag verslappen. Ondanks de feiten en resultaten
van de analyses kan zich natuurlijk op elk willekeurig moment een ongeval
op de Noordzee voordoen. Daarnaast kunnen zich onvoorziene ontwikkelingen
voordoen die het bestaande beeld veranderen. Wel moet worden vastgesteld dat
alleen door diepgaand onderzoek en systematische evaluatie nadere beleidsmatige
aanknopingspunten kunnen worden gevonden die een bijdrage kunnen leveren aan
de verdere reductie van ongevalskansen en hun potentiële effecten.</al>
      <al>Ten aanzien van de menselijke factor als medeoorzaak van ongevallen is
reeds een aantal maatregelen genomen en zit er een aantal in de pen. Hierbij
moet gedacht worden aan de implementatie en naleving van het STCW-verdrag
en de ISM, verder onderzoek naar oorzaken van menselijk falen en voorlichting
aan zeevarenden.</al>
      <al>Wat betreft de naleving van de relevante regelgeving voor de zeescheepvaart
is eveneens een aantal maatregelen genomen, zoals het verscherpte toezicht
op de uitrustingseisen. Ook op dat punt zijn gerichte voorlichtingsactiviteiten
in gang gezet.</al>
      <al>Ten behoeve van de verdere verbetering van voorzieningen ten behoeve van
de communicatie en navigatie ter vermindering van misinformatie en desoriëntatie
vindt de implementatie plaats van DGPS en GMDSS. Verder wordt de veiligheidsinformatievoorziening
gestroomlijnd en wordt meer structureel gebruikgemaakt van elektronische zeekaarten
voor met name de visserij en de werkvaart.</al>
      <al>De nu voorliggende nota heeft vooral betrekking op het beleid inzake de
veiligheid en de vlotheid van het scheepvaartverkeer op de Noordzee. De lozingen
die in dit verband aan de orde komen, zijn gerelateerd aan ongevallen of calamiteiten.
Havenontvangstinstallaties zijn bestemd voor de inname van afvalstoffen die
vrijkomen bij normale bedrijfsvoering. Het nieuwe beleid omtrent de HOI's
wordt binnenkort aan de Kamer gepresenteerd in een nota die volgt op het milieubeleidsplan
voor de scheepvaart.</al>
      <al>Er is in 1996 en 1997 onderzoek verricht naar de uitvoering van het verdrag
van het zeescheepvaartverkeer binnen de verkeersscheidingsstelsels. Zodra
de resultaten van dat onderzoek bekend zijn, zullen die ook worden besproken
met de belangenvereniging van de visserij.</al>
      <al>Naar verwachting zal het hoge percentage meldingen vals alarm pas na 1998
afnemen, als gevolg van het feit dat pas per 1 februari 1999 het GMDSS zal
zijn geïmplementeerd. Nog lang niet alle schepen zijn op dit moment met
dat systeem uitgerust. Bovendien loopt de opleiding van zeevarenden terzake
helaas wat achter. Een en ander laat onverlet dat de eerste actie altijd is
gericht op het redden van mensen. Waar er sprake blijkt te zijn van een onterecht
alarm, zal waar mogelijk getracht worden de veroorzaker te achterhalen. Als
er herhaald en aantoonbaar misbruik wordt gemaakt, zal het OM tot vervolging
overgaan. Overigens betreft het veelal buitenlandse schepen die pas aangehouden
kunnen worden als ze de havens in Nederland aandoen, tenzij er in geslaagd
wordt om het OM van het vlaggenland over te halen om over te gaan tot aanhouding.</al>
      <al>Doordat het geen nut heeft transponders alleen Europees in te stellen,
is het derhalve nodig deze kwestie in IMO-verband te regelen. De verwachting
is echter dat er geen sprake zal zijn van een brede toepassing voor het jaar
2005.</al>
      <al>Het standpunt van Nederland inzake de ingebrekestelling ligt nu bij het
Europese Hof. De Europese Commissie is overigens wel bezig om een nieuwe kaderrichtlijn
voor lozingen op te stellen, zodat na ommekomst daarvan de oude kan vervallen.</al>
      <al>Vervolgens ging de minister in op de diffuse bronnen die door hun naamgeving
al tevens de complexiteit van de materie aangeven. De suggestie van mevrouw
Vos om terzake een soort WVO-heffing te hanteren, kon zij niet
overnemen. Zo'n heffing is in dezen simpelweg niet mogelijk is. Het alternatief
is een andersoortige heffing, maar die leidt tot het grote nadeel dat het
individuele gedrag van bijvoorbeeld boeren niet beloond wordt doch alleen
het goede gedrag van de gehele groep. Gelet op de gigantische investeringen
die individuele boeren moeten doen, achtte zij een dergelijke maatregel dan
ook niet evenwichtig. Wat betreft het onderbrengen van luchtverontreiniging
bij de WVO kon de minister melden dat de Raad van State de afgelopen maand
het Europese Hof om een prejudicieel advies had gevraagd over de vraag in
hoeverre dergelijke bronnen van verontreiniging in verband te brengen zijn
met de Europese regelgeving. De Nederlandse regering is van mening dat dit
laatste alleen kan als er een duidelijke directe relatie is te leggen tussen
de bron en het oppervlaktewater. Ruimere reikwijdte creëert alleen maar
onduidelijkheid in de afbakening met andere wetten en is derhalve ongewenst.</al>
      <al>De minister van Verkeer en Waterstaat is verantwoordelijk voor de waterkwaliteit
en dus ook voor de aanpak van vervuiling via diffuse bronnen. Die aanpak vindt
overigens plaats in samenspraak met alle medeverantwoordelijke partijen. Vandaar
het gezamenlijke actieprogramma. De CIW zal via rapportering de voortgang
monitoren.</al>
      <al>Met betrekking tot het gebruik van zink en koper verwees de minister naar
haar brief die zij in februari 1997 hierover aan de non-ferro-industrie heeft
geschreven. Sinds de jaren zeventig is de regering al bezig om verontreiniging
van het water door zware metalen terug te brengen. Inmiddels zijn de industriële
puntlozingen sterk gereduceerd. Dat geldt in mindere mate voor de diffuse
bronnen. Hoewel er blijkbaar enige discussie is over de normen, mag er geen
misverstand over bestaan dat ze al jaren bestaan. Door de toenemende kennis
geven ze soms aanleiding tot aanpassing. Juist waar er in het onderhavige
geval sprake is van een conflict tussen twee instellingen, is de Gezondheidsraad
gevraagd om een advies dat volgens zijn zeggen aan het eind van dit jaar afkomt.
Een en ander neemt niet weg dat voor zink en koper de streefwaarden nog lang
niet bereikt zijn. Waar mogelijk zullen de emissies dus verder beperkt moeten
worden. Het moge als bekend worden verondersteld dat er allang alternatieven
zijn voor koper en zink. Met definitieve uitspraken over hoe daarmee om te
gaan wordt echter onder meer gewacht op eerdergenoemd advies van de Gezondheidsraad.
De minister vond het overigens niet onverstandig om waar minder milieubelastende
alternatieven aanwezig zijn, deze alvast te gaan gebruiken.</al>
      <al>Het ministerie van Verkeer en Waterstaat is direct betrokken bij de aanpak
in het kader van het meerjarenplan Gewasbescherming en neemt daarbij het initiatief
ten aanzien van de waterkwaliteit. Op dit moment is een AMvB voor de vollegrondteelt
in voorbereiding die gericht is op vermindering van 90% van de emissies. Ook
bij het mestbeleid is VW wel degelijk betrokken, zij het indirect. De voorbereidingen
voor de evaluatie in het jaar 2000 zijn reeds in gang gezet.</al>
      <al>In reactie op de opmerking van mevrouw Vos dat de huidige aanpak van de
vervuiling via diffuse bronnen onvoldoende is om de waterkwaliteitsdoelstelling
te halen, wees de minister op het grote aantal beleidsinitiatieven dat de
laatste jaren in gang is gezet. Te denken valt aan het scheepsafvalstoffenverdrag
voor de inzameling van afvalolie en ladingafval uit de binnenvaart in Nederland
en omliggende landen, het duurzaam bouwen, de overschakeling op PAK-arme scheepsverven
en algemene regels voor de emissie van bestrijdingsmiddelen uit de akkerbouw
en fruiten groenteteelt. Daarnaast hebben in februari het Rijk, de waterschappen,
de provincies en de gemeenten in het actieprogramma hun gezamenlijke werkagenda
gepresenteerd. Met een dertigtal aanvullende acties worden de gaten in het
huidige beleid gedicht. Voor de uitvoering daarvan is de komende jaren een
verschuiving van middelen voor puntbronnen naar diffuse bronnen noodzakelijk
bij alle overheden. De waterkwaliteitsdoelstellingen voor de lange termijn
zullen met het actieprogramma inderdaad nog niet overal gehaald
worden, maar bij alle overheden krijgt de aanpak van de diffuse bronnen nu
wel prioriteit. Gaandeweg zal moeten blijken of en, zo ja, welke aanvullende
activiteiten in gang gezet moeten worden om de uiteindelijke doelstellingen
te realiseren. Er is dus sprake van voortschrijdend beleid.</al>
      <al>Over de fosfor- en nitraatemissiereductie kan gesteld worden dat de saneringen
bij de industrie en de rioolwaterzuiveringsinstallaties het resultaat zijn
van onder meer internationale afspraken, zoals het Rijn actieplan. Ook nationaal
wordt er op dit terrein overigens de nodige actie ondernomen.</al>
      <al>De minister was met de heer Feenstra zeer enthousiast over de gebiedsgerichte
aanpak waar het de diffuse bronnen betreft. Ook bij de landbouw is er het
toenemende besef dat zij er belang bij heeft om een milieuvriendelijk imago
te krijgen.</al>
      <al>Steeds meer gemeentelijke rioleringsplannen komen gereed. Wat dat betreft
gaat het mede door de afspraken die door de minister van VROM zijn gemaakt,
de goede kant op. De rioleringen in het buitengebied vormen een probleem dat
vooral van financiële aard is. Er wordt hard gewerkt aan de oplossing
ervan, onder meer via het opzetten van alternatieven zoals individuele kleine
zuiveringsinstallaties. In het beleidsvoornemen van de vierde nota staat dat
een proef zal worden gehouden in het buitengebied waarbij de riolering door
de waterbeheerders zal worden verzorgd.</al>
      <al>De landelijke monitoring van de voortgang van de bestrijding van de verdroging
blijkt in de praktijk tamelijk complex, onder meer omdat op provinciaal en
waterschapsniveau nog niet per gebied is vastgelegd wat de gewenste grondwatersituatie
is. Daardoor zijn zowel op provinciaal als op landelijk niveau verschillende
getallen in omloop. Volgens de jongste inzichten wordt in het jaar 2000 een
reductie van 10% van het verdroogde areaal verwacht. Uit voorspellingen aangaande
het resultaat van de op gang komende verdrogingsbestrijdingsaanpak komt naar
voren dat rond 2010 uitlopend tot 2020 een reductie van verdroogd areaal van
30% tot 40% te verwachten is. Overigens lopen de landelijke voorspellingen
van de diverse instituten over de kosten ook vrij sterk uiteen. In het beleidsvoornemen
van de vierde nota wordt voorgesteld de reductiedoelstelling van 40% voor
2010 te handhaven. Daarnaast is het opvallend dat de GEVEBE-regeling elk jaar
onderuitputting vertoont, hetgeen aanleiding is om er met de andere overheden
nader over van gedachten te wisselen.</al>
      <al>De effecten voor het Nederlands gebied van de bouw van een kering in de
Eems zijn op dit moment niet goed in te schatten. De effecten kunnen grofweg
in twee categorieën onderverdeeld worden, te weten de verhoging van de
waterstand tijdens een stormvloed in het Eems-Dollardgebied bij sluiting en
de effecten op natuur en milieu van de zoetwatergolf die vrijkomt bij de opening
van de kering. Over de plannen inzake de aanleg wordt overleg gevoerd met
de Duitsers. Een belangrijk overlegforum daarbij is de subcommissie Eems-Dollard
van de permanente Nederlands-Duitse grenswatercommissie. De Nederlandse regering
heeft zich tot nu toe vrij terughoudend opgesteld en zal binnen enkele weken
haar standpunt nader bepalen, mede op basis van de door de Duitsers inmiddels
vrijgegeven documenten. De regering zal de Kamer bij brief overigens nog nader
informeren over de verdere ontwikkelingen.</al>
      <al>De minister deelde de conclusie van de heer Van den Berg dat er geen behoefte
meer is aan een verdere discussie over het in elkaar schuiven van de WM en
de WVO. Uiteraard zullen zo nodig verbeteringen in de samenwerking worden
aangebracht, maar het koste wat kost doorzetten van de eenloketgedachte zou
wel eens kunnen leiden tot een zeer ingewikkelde en grootschalige reorganisatie
die geen beter milieu tot gevolg heeft en die het wellicht ook niet eenvoudiger
maakt voor de bedrijven.</al>
      <al>Ten aanzien van de implementatie van de aanbevelingen van de MDW-werkgroep
is in het kabinetsstandpunt aangegeven dat de eerste acties dit najaar van
start gaan en dat in de eerste helft van 1998 de uitkomsten gemeld kunnen
worden. Over andere acties zal er pas in een later stadium resultaat te melden
zijn. De minister zegde toe om vanaf de eerste helft van 1998 de Kamer nader
te informeren over het verloop van de implementatie.</al>
      <al>De afschaffing van de milieuleges was ten tijde van de rapportage door
de MDW-werkgroep nog in discussie en is derhalve niet betrokken bij de aanbevelingen.
De werkgroep heeft zich beperkt tot een vergelijking tussen de situatie bij
het Rijk en die bij de waterschappen en kwam tot de conclusie dat er zowel
voor als tegen het instandhouden van de leges bij waterschappen argumenten
zijn aan te voeren. Alles overwegende heeft het geleid tot de aanbeveling
deze leges nog eens te bezien. Daarbij zal de beslissing om de milieuleges
af te schaffen als nieuwe informatie betrokken worden. Duidelijk onderscheid
ten opzichte van de klassieke waterstaatswetgeving is overigens wel dat de
WVO-legesgelden via de heffing binnen komen, hetgeen efficiënter is.</al>
      <al>Op grond van de aanbevelingen van de commissie-Zevenbergen in 1992 is
destijds besloten tot het introduceren van een wetsvoorstel inzake heffing
op EOX, een voorstel dat toen ook door de Unie van waterschappen werd ondersteund.
Nadat het wetsvoorstel was ingediend, bleek echter dat de geschatte inkomsten
van die heffing aanmerkelijk lager zouden zijn dan een aantal jaren daarvoor
was berekend. Die daling werd vooral veroorzaakt door al uitgevoerde en voorgenomen
saneringen door de chemische industrie. Waarschijnlijk heeft het dreigen met
de heffing zijn sanerende werking gehad. Met genoemde opbrengst komen de perceptiekosten
heel dicht in de buurt bij wat in het algemeen bij belastingen als aanvaardbaar
wordt geacht. Bovendien is gebleken dat naast de Kamer inmiddels ook de Unie
van waterschappen een aantal behoorlijke bezwaren heeft tegen het wetsvoorstel.
Een en ander was reden voor de minister om het wetsvoorstel in te trekken.</al>
      <al>De tijdens de vierde Noordzee ministerconferentie gemaakte afspraak over
het binnen 25 jaar beëindigen van de lozing van milieugevaarlijke stoffen,
wordt geïmplementeerd in de vierde nota.</al>
      <al>Over de zandwinning in Gelderland is met deze provincie een bestuurlijk
overleg gepland in begin november. Na ommekomst daarvan kunnen verdere mededelingen
hierover gedaan.</al>
      <al>Ten slotte wees de minister erop dat de vierde nota Waterhuishouding en
het NMP 3 uiteraard onderling zullen worden afgestemd. </al>
      <tuskop letat="vet">Nadere gedachtewisseling</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Feenstra</nadruk> (PvdA) begreep van de minister dat zij instemt
met zijn suggestie om de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden
uit te bouwen tot een soort MIT maar dan voor de natte sector.</al>
      <al>De angst van de minister wat betreft de afrekenbaarheid van doelstellingen
die gekoppeld zijn aan jaartallen deelde de heer Feenstra niet. Van cruciaal
belang is en blijft dat de goede doelstellingen aan de goede jaartallen worden
gekoppeld.</al>
      <al>Gelet op het feit dat een grote meerderheid in deze commissie te kennen
heeft gegeven dat er al snel te weinig geld beschikbaar is op het terrein
van de kwaliteit van de waterbodems, achtte hij het A4'tje voor de formateur
op dat terrein rap geschreven. Hij pleitte in dezen ook voor een beverachtige
aanpak, zoals bij de bodemsanering, dus functiegericht en alleen bedoeld voor
die gebieden waar echt sprake is van risicoreductie.</al>
      <al>De heer Feenstra had in eerste termijn bewust niet gesproken over de berging
in diepe zandputten, vanuit het principe dat wie niet spreekt, geacht wordt
in te stemmen. Een zorgvuldige MER-afweging is uiteraard wel van belang. </al>
      <al>Ten aanzien van de diffuse bronnen dient juist niet gekozen te worden
voor heffingen maar voor het volgen van de route van een gebiedsgerichte aanpak,
die het meest fundamenteel vorm kan krijgen via de lijn van de EU, de Rijncommissie
en de Maascommissie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Luchtenveld</nadruk> (VVD) herinnerde aan het antwoord van de
minister dat er ten aanzien van de verdroging verschillende streefpercentages
en jaartallen in omloop zijn en vroeg haar ernaar te willen streven dat binnen
afzienbare termijn alsnog duidelijkheid en eenduidigheid op dat punt komt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Assen</nadruk> (CDA) achtte het een goede zaak dat steeds meer
gemeenten hun rioleringsplannen presenteren, hetgeen niet wegneemt dat de
financiering ervan een probleem is, evenals die van de rioleringen in het
buitengebied. Zij was ook benieuwd naar de resultaten van de proef waarbij
het beheer geschiedt door waterbeheerders.</al>
      <al>Mevrouw Assen hoorde nog graag van de minister of er wat betreft de verwerking
van bagger niet meer mogelijkheden zijn om het bedrijfsleven te prikkelen.
Wellicht is het denkbaar om een deel van de middelen bestemd voor de stort,
daartoe aan te wenden.</al>
      <al>Zij bleef moeite houden met de lijn die de minister volgt ten aanzien
van de stort van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten.</al>
      <al>Met betrekking tot de vervuiling via diffuse bronnen was zij het eens
met de voorgestane gebiedsgerichte aanpak en het niet invoeren van heffingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> (D66) bleef bij zijn in eerste termijn reeds
geventileerde indruk dat er wat betreft de vierde nota Waterhuishouding sprake
is van een uitstel van vier maanden, waardoor de eigenlijke beslissingen over
de huidige kabinetsperiode worden heengetild. Overigens wilde hij van deze
gelegenheid graag gebruikmaken om de hier aanwezige projectleider en zijn
team te complimenteren voor het open planproces met betrekking tot genoemde
vierde nota.</al>
      <al>De heer Van Waning constateerde tot zijn genoegen dat er de laatste drieënhalf
jaar bij het ministerie en de Kamer sprake is van een revolutionaire kentering
in de visie op waterkering, in de zin dat nu meer ruimte voor de rivieren
en voor de kust wordt gecreëerd, hetgeen ook in lijn ligt met de ideeën
van de fractie van D66. De vierde nota beoogt onder meer verdiepen, hetgeen
er op neerkomt dat men zich instelt op de gevolgen van klimaatverandering
en bodemdaling. Dat raakt tevens de kwestie van verdroging, waarbij elementen
zoals peil, beheer en interactie tussen zout en zoet aan de orde zijn. Gerealiseerd
moet worden dat waar het zoveel problemen geeft om ten aanzien van de verdroging
een goed peilbeheer per provincie te voeren, een aanpak op hoger niveau noodzakelijk
is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van den Berg</nadruk> (SGP) vroeg of de minister daadwerkelijk
voornemens was om de komende maanden met een nieuwe voortgangsrapportage inzake
waterbeheer te komen. Hij vreesde namelijk dat een dergelijk stuk als nog
onbevredigender zal worden ervaren, aangezien daarin wellicht nog sterker
zal worden verwezen naar de inmiddels verschenen vierde nota.</al>
      <al>Ten slotte vroeg hij of het depot Ketelmeer, nadat dit het volgend jaar
gereed zal komen, aangewend zal kunnen worden voor het bergen van urgente
hoeveelheden specie elders uit het land. Het is en blijft van belang dat de
benodigde diepgangen van de vaarwegen op peil worden gehouden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (GroenLinks) handhaafde haar suggestie om, naast
de maatregel van de gebiedsgerichte aanpak, de diffuse bronnen onder de heffingsplicht van de WVO te brengen. Het principe van de vervuiler
betaalt, is in dezen voor haar wezenlijk.</al>
      <al>Mevrouw Vos nam met vreugde kennis van het feit dat de minister vanuit
haar verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit nadrukkelijk betrokken is
bij het bestrijdingsmiddelenbeleid.</al>
      <al>Wat betreft de verdroging verwacht de minister een reductie van 10% in
het jaar 2000, terwijl in de Natuurverkenning 1997 nog gesproken wordt over
3%. Hoe is dat verschil te verklaren? Wil de minister tevens ingaan op het
in genoemd stuk aangegeven belang om de grote gebieden aan te pakken in het
kader van de verdroging?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> memoreerde dat de Kamer het A4'tje waarop de heer
Feenstra doelde in feite al heeft gekregen in de vorm van de brief die de
ministers van EZ, LNV, VROM en VW naar de Kamer hebben gezonden. </al>
      <al>Het grote verschil tussen een MIT en een voortgangsrapportage is dat eerstgenoemde
een planningskader is, doch voor het overige kon de minister zich vinden in
de opmerking van de heer Feenstra terzake.</al>
      <al>Zij bevestigde dat er wat betreft de waterbodems gestreefd zal worden
naar de beverachtige aanpak. Verwezen kan in dit verband al worden naar de
beleidslijn klasse 4-specie uiterwaarden.</al>
      <al>Waar het in de Natuurverkenning 1997 genoemde percentage van 3 voor 2000
inzake de verdroging op is gebaseerd, was de minister niet bekend. Het correcte
percentage is in ieder geval 10. Voorkomen moet inderdaad worden dat er steeds
verschillende cijfers naar buiten komen.</al>
      <al>In het kader van de verwerking van bagger is reeds een bedrag van 30 mln.
in het POSW gestopt. Daaruit is een belangrijke nieuwe werkwijze totstandgekomen,
namelijk de scheiding van zand uit zanderige specie. Voor het overige zag
de minister vooralsnog geen mogelijkheid van financiële prikkels voor
alternatieven. Feit is dat deze alternatieven in enige verhouding moeten staan
tot de kosten van verwijdering op een andere wijze. De ambitieuze doelstelling
dat 20% verwerkt zal moeten worden, blijft overigens overeind.</al>
      <al>De inspraakprocedure rond de vierde nota Waterhuishouding zal worden afgerond
in februari. Vervolgens wordt de zaak voorbereid. Het zou dan uiteraard vreemd
zijn als ongeveer op de laatste dag van de verkiezingscampagne de minister
van Verkeer en Waterstaat met die nota naar buiten zou komen. Een en ander
neemt niet weg dat het volstrekt logisch is dat een dergelijk stuk ook mede
aan de orde komt in de formatie.</al>
      <al>De voortgangsrapportage waarop de heer Van den Berg doelt, zal verschijnen,
zij het dat die aangepast is ten opzichte van de huidige rapportage.</al>
      <al>Het depot Ketelmeer is in principe bedoeld voor het omliggende gebied.
Het ligt erg gevoelig bij de regio om er anderszins mee om te gaan. Hoewel
de mogelijkheden terzake wel degelijk bekeken moeten worden, biedt het niet
dé oplossing voor andere regio's. Wat dat betreft zou het echt beperkt
moeten blijven tot de ergste knelpunten. </al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie voor Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>Biesheuvel</naam>
        <functie>De voorzitter van de commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,</functie>
        <naam>Versnel-Schmitz</naam>
        <functie>De griffier van de commissie voor Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>Roovers  </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP),
Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Versnel-Schmitz
(D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA), Feenstra (PvdA),
Verbugt (VVD), Poppe (SP), Van 't Riet (D66),  H. G. J. Kamp (VVD), Stellingwerf
(RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Verkerk (AOV),
Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66), Keur (VVD), Assen (CDA), Ten Hoopen
(CDA) en Luchtenveld (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA),
Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Jeekel (D66), Swildens-Rozendaal
(PvdA), Terpstra (CDA), A. de Jong (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Hofstra (VVD),
Hillen (CDA), Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga (PvdA),
Augusteijn-Esser (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels),
Valk (PvdA), Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD), Van der Linden (CDA), Meijer
(CDA) en Te Veldhuis (VVD). </al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Samenstelling:  Leden: Lansink (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van den Berg
(SGP), M. M. van der Burg (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), voorzitter, Van Gijzel
(PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), A. de Jong (PvdA), Gabor (CDA), ondervoorzitter,
Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Poppe (SP), Augusteijn-Esser (D66),
Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos
(GroenLinks), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Assen (CDA), Jeekel (D66),
Meijer (CDA), Visser-van Doorn (CDA) en Luchtenveld (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Biesheuvel (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Van Middelkoop (GPV),
Verspaget (PvdA), Jorritsma-van Oosten (D66), Dijksma (PvdA), Van Blerck-Woerdman
(VVD), Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Hendriks, Reitsma (CDA), Huys
(PvdA), De Graaf (D66), Leerkes (Unie 55+), Swildens-Rozendaal (PvdA), Oedayraj
Singh Varma (GroenLinks), Keur (VVD), H. G. J. Kamp (VVD), Ten Hoopen (CDA),
Van 't Riet (D66), Van de Camp (CDA), De Haan (CDA) en Blauw (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>