﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21250-40/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K3267</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>21 250</nummer>
      <naam>Derde Nota waterhuishouding</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>21 990</nummer>
      <naam>Milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>40</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>18 oktober 1996</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mede namens mijn ambtgenoten van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken bericht ik u over ons in
het Watersysteemplan Noordzee 1991–1995 toegezegd, in de Evaluatienota
Water samengevat en in de bijgesloten notitie toegelicht standpunt ten aanzien
van <nadruk type="vet">milieukwaliteitsdoelstellingen voor de zoute wateren en de doorwerking
ervan naar het emissiebeleid</nadruk>. </al>
      <tuskop letat="vet">Samenvatting van de bijgaande notitie</tuskop>
      <al>In bijgaande notitie, waarover advies werd ingewonnen bij het Overlegorgaan
Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden en de Technische Commissie Bodembescherming,
wordt ons standpunt nader toegelicht. Het is als volgt samen te vatten:</al>
      <al>– Het vermoeden bestond dat mariene organismen gevoeliger voor toxische
stoffen zijn dan zoetaquatische en terrestrische organismen. In verband hiermede
werd besloten de algemene milieukwaliteitsdoelstellingen die gelden in zoetaquatische
en terrestrische ecosystemen, niet te hanteren voor mariene ecosystemen en
in plaats daarvan milieukwaliteitsdoelstellingen voor zoute wateren te ontwikkelen
(actie W8 in de derde Nota waterhuishouding).</al>
      <al>– Uit het onderzoeksrapport Zeewaardig is gebleken dat evengenoemd
vermoeden ongegrond is, mits bij het vaststellen van milieukwaliteitsdoelstellingen
voldoende rekening wordt gehouden met de effecten van doorvergiftiging.</al>
      <al>– Omkleed met argumenten wordt aangegeven dat in mariene ecosystemen
voor die stoffen waarvoor (nog) geen eliminatie wordt nagestreefd, het brongerichte
beleid voor de bescherming van de Noordzee wordt gericht op het bereiken van
de streefwaarden voor de algemene milieukwaliteit, zoals vastgelegd in de
notitie Milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water en bevestigd in de Evaluatienota
Water. Voor sterk oplosbare stoffen wordt hierbij de waterfase beoordeeld,
voor sterk aan sediment hechtende stoffen gaat het hierbij om
het nieuwgevormd sediment.</al>
      <al>– Voor een aantal stoffen die zeer gevaarlijk zijn als gevolg van
hun gecombineerde toxiciteit, persistentie en potentiële bio-accumulatie
wordt gestreefd naar eliminatie door uitbannen van gebruik en/of sluiten van
kringlopen, omdat het gedrag van deze stoffen in de biosfeer zelfs bij zeer
lage concentratie al leidt tot ophoping in toppredatoren, met name in de Antarctische
en Arctische regio's. Vooralsnog geldt dit voor een twaalftal stoffen, die
in het in voorbereiding zijnde UNEP-verdrag over Persistent Organic Pollutants
zullen worden opgenomen: PCB's, polychloor-dibenzodioxines en polychloordibenzofuranen,
DDT, aldrin, dieldrin, endrin, chloordaan, hexachloorbenzeen, mirex, toxapheen
en heptachloor. In aansluiting op internationale afspraken wordt voor deze
stoffen gestreefd naar een verdergaande bescherming dan wordt gewaarborgd
met de streefwaarden voor de Noordzee.</al>
      <al>– Belangrijkste functie van de streefwaarde is het gebruik ervan
als toetsingscriterium voor de effectiviteit van het brongerichte beleid en,
daarvan afgeleid, eventueel nadere prioriteitstelling in het brongerichte
beleid. Als zodanig kan de streefwaarde ook worden beschouwd als de invulling
van het internationaal vastgestelde (tussen)doel dat in 2000 voor toxische
stoffen een mariene milieukwaliteit wordt gerealiseerd die niet schadelijk
voor mens en natuur is.</al>
      <al>– Voor de evaluatie en mogelijke aanscherping van het nationale
brongerichte beleid zullen deze streefwaarden worden toegepast, voorzover
deze nationale aanpak met het beschikbare milieubeleidsinstrumentarium een
effectieve bijdrage levert aan het bereiken van deze doelstelling voor de
Noordzee.</al>
      <al>– Daarnaast zal Nederland zich vooral inspannen voor het totstandkomen
van een internationaal draagvlak voor een kader voor risicobeoordeling, waarmee
prioriteiten kunnen worden gesteld en waarmee de effectiviteit van het brongerichte
beleid kan worden bepaald en zodoende een voldoende bescherming van Noordzee
en Waddenzee kan worden gerealiseerd.</al>
      <al>– In het rapport Rismare is in een modelmatige berekening voor een
vijftal stoffen bezien of met emissiereducties ten opzichte van 1985 van 50%
en 70%, zoals voor 1995 voor een aantal stoffen afgesproken door de Noordzeeministers,
de streefwaarde voor mariene ecosystemen in verschillende delen van de Noordzee
gerealiseerd wordt.</al>
      <al>– Op basis van verder ontwikkeld modelinstrumentarium is in het
rapport Sea of substances voor een achttal stoffen bezien hoe de milieukwaliteit
in het Nederlandse kustgebied zich verhoudt tot de streefwaarde, als Nederland
in het jaar 2000 in het brongerichte beleid de beste beschikbare techniek
voor puntbronnen en de beste milieuveilige handelwijze voor diffuse bronnen
heeft geïmplementeerd.</al>
      <al>– De modelmatige berekeningen geven inzicht in de effecten van stoffen,
die via verschillende transportroutes in de Noordzee terechtkomen, op de milieukwaliteit
in verschillende delen van de Noordzee.</al>
      <al>– De verschillende onzekerheden, waarvan sprake is bij dergelijke
modelberekeningen, hoeven geen belemmering te vormen voor het trekken van
conclusies ten aanzien van de prioriteit die emissiereductie voor verschillende
stoffen verdient vanuit het perspectief van de bescherming van de Noordzee
en Waddenzee.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de slotverklaring van de Vierde Noordzeeministersconferentie is aangegeven
dat nationale en internationale instanties zich op basis van het voorzorgbeginsel
richten op concentraties dicht bij de natuurlijke achtergrondwaarden resp.
dicht bij nul voor van nature voorkomende resp. milieuvreemde stoffen. Een
van de onderdelen van de strategie om dit te realiseren is de uitvoering van
risico-analyses om prioriteiten te kunnen vaststellen en actieprogramma's
te kunnen ontwikkelen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit brengt mij ertoe om aan de rapporten Rismare en Sea of substances
de consequentie te verbinden dat Nederland:</al>
      <al>♦ zich zal inspannen voor concrete maatregelen in binnen- en buitenland
ter beperking van PAK-emissies</al>
      <al>♦ zal bezien of – in internationaal verband – de diffuse
verspreiding van PCB's in het milieu sneller dan thans het geval is, kan worden
verminderd</al>
      <al>♦ zich conform de afspraken van de Vierde Noordzeeministersconferentie
zal inspannen voor een versnelde c.q. snelle beoordeling van de toelating
door de EU van bestrijdingsmiddelen die in het Noordzeemilieu zijn aangetroffen
of een risico voor het mariene milieu vormen en het ondernemen van daaruit
voortvloeiende acties</al>
      <al>♦ op basis van de verrichte studies initiatief zal nemen om samen
met de andere aan het internationaal Noordzee-overleg deelnemende staten de
risico's van toxische stoffen voor de Noordzee verder te evalueren ten behoeve
van prioriteitstelling en toetsing van de effectiviteit van het brongericht
beleid.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</functie>
        <naam>M. de Boer  </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Inleiding </tuskop>
      <tuskop letat="cur">0.1 Aanleiding tot deze notitie</tuskop>
      <al>In het IMP-Milieubeheer 1986–1990<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref> is
een eerste aanzet gegeven voor een effectgericht beleid voor twee gebieden
die vanwege hun specifieke ecologische omstandigheden een bijzondere bescherming
behoeven: Noordzee en Waddenzee. Aangegeven werd dat de specifieke omstandigheden
in de Noordzee ten dele om andere kwaliteitsdoelstellingen en oplossingen
vragen dan die voor het land toereikend worden geacht. In de derde Nota waterhuishouding
(NW3)<voetref refid="v4.2" nr="2"></voetref> is aangegeven dat de algemene milieukwaliteit
(AMK) niet zonder meer geldig is voor de meeste zoute wateren. Gesteld is
dat er aanwijzingen zijn dat de toepassing van de referentiewaarden bodemkwaliteit
op het sediment van zoute wateren, in het bijzonder van de Noordzee en Waddenzee,
onvoldoende bescherming biedt en dat de ontwikkeling van bijzondere milieukwaliteitsdoelstellingen
(BMK) voor de Noordzee en Waddenzee nodig lijken.</al>
      <al>Al lange tijd is het immers duidelijk dat in de Noordzee en Waddenzee,
waartussen in ecologisch opzicht een sterke samenhang bestaat, sprake is van
nadelige effecten van milieuverontreiniging. Zo wekken geregeld geconstateerde
wijd verbreide visziekten, algenbloeien, de teruggang van de voortplanting
van zeehonden, door olie besmeurde vogels en andere verschijnselen zorg. Het
feit dat aan de Waddenzee het predikaat internationaal natuurbeschermingsgebied
is toegekend, versterkt de noodzaak van beleidsmatige inspanningen.</al>
      <al>De beslissing om milieukwaliteitsdoelstellingen voor zoute wateren te
formuleren is gelegen in de wenselijkheid om de kwaliteit van deze wateren,
in het bijzonder de zeeën, te beoordelen met het oog op nadelige ecologische
effecten van milieuverontreiniging en om op grond daarvan vast te kunnen stellen
voor welke stoffen aanscherping van het brongericht beleid nodig is.</al>
      <al>In nauw verband hiermede is in de derde Nota waterhuishouding (NW3) de
actie W8 geformuleerd, die als volgt luidt:</al>
      <al>Ontwikkelen kwaliteitsdoelstellingen voor de zoute watersystemen. Het
in 1991 uitbrengen van een nota, waarin de bijzondere milieukwaliteit van
de Noordzee en de zeearmen wordt gepresenteerd. </al>
      <tuskop letat="cur">0.2 Doel van de notitie</tuskop>
      <al>Het doel van de voorliggende notitie is om conform bovengenoemde actie
W8 en met inachtneming van relevante internationale afspraken milieukwaliteitsdoelstellingen
voor het mariene ecosysteem te formuleren (hoofdstuk 2). Het beleidsstandpunt
MILBOWA<voetref refid="v4.3" nr="3"></voetref> en het onderzoeksrapport Zeewaardig<voetref refid="v4.4" nr="4"></voetref> vormen hierbij samen met de internationale afspraken
de basis voor de beleidsmatige conclusies die worden getrokken over een eventueel
noodzakelijk onderscheid tussen milieukwaliteitsdoelstellingen voor zoetwater
en mariene ecosystemen.</al>
      <al>Voorts wordt beoogd in de notitie beleidstekorten te signaleren ten aanzien
van stoffen, waarvoor het brongericht beleid aangescherpt dient te worden
met het oog op het realiseren van de gewenste milieukwaliteit (hoofdstuk 3).
Hiervoor is gebruik gemaakt van tussentijdse resultaten van het project INPUT
van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) van de Rijkswaterstaat en van
het modelinstrumentarium dat in de laatste vijf jaar in het MANS-project (Management
Analysis North Sea) is ontwikkeld en is toegepast in de onderzoeksrapporten
Omgaan met risico's voor mariene ecosystemen<voetref refid="v4.5" nr="5"></voetref>
en Sea of substances<voetref refid="v4.6" nr="6"></voetref>. </al>
      <tuskop letat="cur">0.3 Recente ontwikkelingen</tuskop>
      <al>Voorliggende notitie geeft mede uitvoering aan enkele recente internationale
afspraken ten aanzien van de Noordzee en het terugdringen van de emissies
van persistente organische stoffen.</al>
      <tuskop letat="rom">Afspraken van de Vierde Noordzeeministersconferentie</tuskop>
      <al>Tijdens de Vierde Noordzeeministersconferentie (8–9 juni, Esbjerg)
zijn ten aanzien van milieugevaarlijke stoffen een aantal afspraken gemaakt:</al>
      <al>♦ Als definitie voor milieugevaarlijke stoffen is vastgesteld dat
dit stoffen of groepen van stoffen zijn die toxisch, persistent en potentieel
bio-accumulerend zijn. In deze definitie worden onder toxiciteit mede begrepen
chronische effecten zoals carcinogeniteit, mutageniteit, teratogeniteit en
effecten op het functioneren van het hormoonsysteem (Annex 2, par. 1),</al>
      <al>♦ Het voorzorgbeginsel wordt herbevestigd als belangrijkste leidraad
voor het bereiken van een duurzaam, stabiel en gezond Noordzee-ecosysteem
(par. 17),</al>
      <al>♦ Voorts is herbevestigd dat voor stoffen die toxisch, persistent
en potentieel bio-accumulerend zijn (in het bijzonder organohalogenen) de
emissies in 2000 moeten worden teruggebracht tot niveaus die niet schadelijk
zijn voor mens en milieu, met het uiteindelijk doel van hun eliminatie (par.
22),</al>
      <al>♦ Men is overeengekomen de emissies, lozingen en verliezen van milieugevaarlijke
stoffen continu te reduceren in de richting van stopzetting binnen 1 generatie
(25 jaar) met als einddoel concentraties in het milieu dicht bij de natuurlijke
achtergrondwaarden voor van nature voorkomende stoffen en dicht bij nulconcentraties
voor uitsluitend door de mens gemaakte synthetische stoffen (par. 17),</al>
      <al>♦ Bij het realiseren van deze doelen zal wetenschappelijke risicobeoordeling
als instrument gebruikt worden voor het stellen van prioriteiten en het opstellen
van actieprogramma's (par. 18). </al>
      <tuskop letat="rom">Afspraken om te komen tot een UNEP-verdrag inzake POP
(Persistent Organic Pollutants)</tuskop>
      <al>♦ Tijdens de UNEP Intergovernmental Conference on Marine Degradation
from Land-based Activities (Washington, oktober/november 1995) is besloten
dat op korte termijn een verdrag zal worden voorbereid ten aanzien van Persistent
Organic Pollutants.</al>
      <al>♦ Ten behoeve van bovengenoemd verdrag zijn 12 stoffen gespecificeerd,
te weten PCB's, polychloordibenzodioxines en polychloordibenzofuranen, DDT,
aldrin, dieldrin, endrin, chloordaan, hexachloorbenzeen, mirex, toxapheen
en heptachloor,</al>
      <al>♦ Geformuleerde doelstellingen van het verdrag zijn uitfaseren c.q.
verbod op produktie en gebruik, gedwongen verwijdering en emissiebeperking
van POP's. </al>
      <tuskop letat="vet">1. Formulering van milieukwaliteitsdoelstellingen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.1 Methodiek voor de totstandkoming van milieukwaliteitsdoelstellingen
voor mariene ecosystemen</tuskop>
      <al>Sedert de totstandkoming van de NW3 heeft de regering een standpunt bepaald
ten aanzien van de nota MILBOWA, waarin op basis van de risicobenadering grens-
en streefwaarden zijn vastgesteld voor een dertigtal stoffen in terrestrische
en zoetwaterecosystemen. Voor de in MILBOWA vastgelegde grens- en streefwaarden
voor 36 stoffen is uitgegaan van de in het RIVM-rapport «Streven naar
waarden» berekende maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTR) en de daarvan
afgeleide verwaarloosbare risiconiveaus (VR). Het VR-niveau is in concentratietermen
gelijk aan MTR/100. </al>
      <al>Bij de berekening van het MTR-niveau is sprake van statistische bewerkingen,
die rekening houden met de hoeveelheid beschikbare ecotoxicologische gegevens.
Het MTR-niveau is het niveau, per stof, waarmee beoogd wordt bescherming te
bieden aan de soorten en functies binnen een ecosysteem<voetref refid="v6.7" nr="7"></voetref>. Omdat in de praktijk blootstelling aan meerdere stoffen tegelijk
optreedt, is in het VR-niveau een factor 100 t.o.v. het MTR-niveau verwerkt
om tot een ecotoxicologische basis voor de streefwaarde van een stof te komen.
Ingeval de natuurlijke achtergrondconcentratie hoger is dan het VR-niveau,
wordt de streefwaarde bij benadering gelijk gesteld aan het concentratieniveau
waar 90% van de metingen van de natuurlijke achtergrondconcentratie onder
ligt.</al>
      <al>In de parlementaire discussie over de risicobenadering en over de hierboven
aangegeven factor 100 is benadrukt dat voor de beperking van milieubelasting
het ALARA-principe (as low as reasonably achievable) het leidende beginsel
is. In het emissiebeleid krijgt het ALARA-principe vorm via de stand der techniek
(beste bestaande techniek en beste milieuveilige handelwijze) waarbij de economische
haalbaarheid doorslaggevend is. De risicobenadering impliceert daarbij dat
bij het vastleggen van grenswaarden het MTR-niveau de bovengrens voor ALARA
aangeeft. Op of beneden dit MTR-niveau worden dus grens- en streefwaarden
vastgesteld, waarbij het VR-niveau tevens de ondergrens is voor het vaststellen
van de streefwaarde. Indien de milieukwaliteit schoner is dan de streefwaarde,
kunnen althans voor die stoffen waarvoor (nog) geen doelstelling van eliminatie
geldt, aan de milieukwaliteit ter plaatse geen argumenten worden ontleend
voor verdere aanscherping van het brongerichte beleid<voetref refid="v6.8" nr="8"></voetref>. </al>
      <tuskop letat="cur">1.2 Beschrijving van het onderzoek t.b.v. de vaststelling
van milieukwaliteitsdoelstellingen voor mariene ecosystemen</tuskop>
      <al>Ter uitvoering van hierbovengenoemde actie W8 is in het project «Afleiding
van risiconiveaus voor microverontreinigingen in Noordzee en Waddenzee»,
dat is afgerond met het rapport «Zeewaardig», voortgebouwd op
de methodiek van het eerdergenoemde rapport «Streven naar waarden».</al>
      <al>In dit project zijn voor een zestiental stoffen niveaus voor het maximaal
toelaatbaar risico (MTR) afgeleid. Hierbij werd het MTR-niveau gedefinieerd
als het kwaliteitsniveau waarmee beoogd wordt bescherming te bieden aan de
soorten en functies binnen een ecosysteeem inclusief de sleutelsoorten voor
de Noordzee en Waddenzee (de in de 3e Nota waterhuishouding genoemde AMOEBE-soorten).
De MTR's zijn vastgesteld op basis van beschikbare toxicologische gegevens
van mariene organismen en op basis van risico's met betrekking tot doorvergiftiging
naar vogels en zoogdieren. Met behulp van voor zoute wateren specifieke partitiecoëfficiënten
zijn de MTR-niveaus voor water vervolgens omgerekend naar die voor zwevend
stof en mariene sediment. </al>
      <tuskop letat="cur">1.3 Conclusies van en aanbevelingen uit het onderzoek</tuskop>
      <al>1. Vanuit het onderzoek wordt op basis van de beschikbare toxiciteitsgegevens
voor aquatische organismen geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat
zoutwaterorganismen over het algemeen genomen (waarvoor overigens een beperkt
aantal toxiciteitsgegevens beschikbaar is) gevoeliger zijn voor microverontreinigingen
dan zoetwaterorganismen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzoekers bevelen in verband hiermede aan om in de toekomst de beschikbare
ecotoxicologische gegevens voor zoet-aquatische en mariene organismen gezamenlijk
te hanteren bij nieuwe risico-evaluaties ter onderbouwing van grens- en streefwaarden
voor de algemene milieukwaliteit. In dit verband zouden ter bescherming tegen doorvergiftiging ook toxiciteitsgegevens voor terrestrische vogels
en zoogdieren meegenomen moeten worden bij de berekening.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>2. Met betrekking tot organische microverontreinigingen en zware metalen
wordt geconcludeerd dat de scheidslijn tussen de gewenste beschermingsniveaus
zoals geformuleerd in het kader van de algemene milieukwaliteit (tenminste
95% van de soorten plus «ecologisch, recreatief, commercieel of sociaal
belangrijke soorten») en die ten behoeve van de bescherming van Noordzee
en Waddenzee als bijzondere en kwetsbare gebieden (tenminste 95% van de soorten
plus de «AMOEBE»-soorten als sleutelorganismen/kensoorten van
deze gebieden) te klein is om op basis hiervan een afzonderlijke «bijzondere
milieukwaliteit» te motiveren. Daarnaast ontbreken de gegevens om een
eventueel (theoretisch) verschil ook daadwerkelijk te kunnen invullen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het ligt derhalve meer voor de hand een eventueel bijzondere milieukwaliteit
te zoeken in systeem-eigen «stoffen» zoals nutriënten. Hiervoor
kunnen op een zinvolle(re) wijze streefwaarden (als ranges) gebiedsafhankelijk
worden vastgesteld. Daarnaast kan een bijzondere bescherming worden geformuleerd
ten aanzien van andere vormen van verstoring door geluid, scheepvaart, visserij
en recreatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>3. Doorvergiftigingsberekeningen in Zeewaardig hebben voor enkele stoffen
een MTR-niveau opgeleverd dat enigszins lager ligt dan de ten behoeve van
MILBOWA afgeleide MTR-niveaus.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzoekers bevelen aan in toekomstige normstellingsactiviteiten voor
zoete en zoute milieus rekening te houden met doorvergiftiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>4. In mariene ecosystemen zijn de biologische activiteit en diversiteit
het grootst in slibrijke sedimentatiegebieden. Met het oog hierop dienen emissiedoelstellingen
gericht te zijn op een verbetering van de milieukwaliteit van ecologisch belangrijke,
sedimentatiegebieden als de Nederlandse kustzone, de Waddenzee en het Friese
Front.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>5. Een van de aspecten die nog niet is meegenomen in de in Zeewaardig
gepresenteerde en voor MILBOWA gehanteerde risico-evaluatie is het herstelvermogen
van ecosystemen. Ecologische en fysisch-chemische processen in het mariene
milieu spelen voor een deel op een zodanige ruimte- en tijdschaal dat mariene
ecosystemen tot de meest kwetsbare ecosystemen moeten worden gerekend. Verbetering
van de milieukwaliteit duurt vanwege de omvang van het systeem en de tijdschaal
waarop processen zich er afspelen zeer lang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien deze kwetsbaarheid en de grote ecologische waarde van de Waddenzee
en de kustgebieden van de Noordzee en de onmogelijkheid om dergelijke omvangrijke
ecosystemen te saneren, wordt aanbevolen dat het milieubeleid ter bescherming
van de Noordzee en Waddenzee meer direct gericht zou moeten zijn op het bereiken
van de streefwaarden in deze gebieden dan op de grenswaarden. </al>
      <tuskop letat="cur">1.4 Strekking van de ontvangen adviezen</tuskop>
      <al>Een meerderheid van het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden
(OWN) stemt met bovengenoemde conclusies in. Een minderheid van het OWN vindt
het ongewenst dat het beleid de conclusies onverkort overneemt, omdat aan
de milieukwaliteitsdoelstelling geen economische onderbouwing ten grondslag
ligt. Deze minderheid vindt verdere onderbouwing van het standpunt wenselijk.</al>
      <al>De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) stemt in zijn advies
op hoofdlijnen in met de in Zeewaardig geformuleerde conclusies en aanbevelingen.
Zo kan de TCB er ook mee instemmen dat voor zoutwatersystemen vooralsnog de
voor terrestrische en zoetwatersystemen ontwikkelde risiconiveaus worden gebruikt.
De TCB ziet niet dat er beleidsvragen kunnen worden opgelost, als grenswaarden
op een hoger niveau dan de streefwaarden worden geformuleerd. Daarom adviseert
zij om voor geen enkele stof in het mariene milieu grenswaarden te formuleren
die hoger liggen dan de streefwaarden. </al>
      <tuskop letat="cur">1.5 Beleidsconclusies t.a.v. milieukwaliteitsdoelstellingen
voor het mariene milieu</tuskop>
      <al>– Gelet op het feit dat:</al>
      <al>♦ er geen aanwijzingen zijn dat zoutwaterorganismen gevoeliger zijn
voor microverontreinigingen dan zoetwaterorganismen,</al>
      <al>♦ in het kader van het beleidsstandpunt inzake MILBOWA is besloten
de huidige grens- en streefwaarden en de daartoe bepaalde MTR- en VR-niveaus
periodiek en voor het eerst in 1995 te evalueren,</al>
      <al>♦ als uitkomst van dergelijke evaluaties MTR-niveaus op basis van
recentere en omvangrijkere gegevens zowel omhoog als omlaag kunnen worden
bijgesteld,</al>
      <al>♦ doorvergiftigingseffecten thans worden meegenomen in het project
Integrale normstelling voor stoffen (INS), wordt in algemene zin niet langer
overwogen voor mariene ecosystemen of voor andere ecosystemen risiconiveaus
voor microverontreinigingen te ontwikkelen die verband houden met een bijzondere
milieukwaliteit (BMK). Zoals reeds is aangegeven in de Evaluatienota Water
kan ook voor mariene ecosystemen, in afwachting van de geplande evaluatie
van MILBOWA, dus gebruik worden gemaakt van de MTR- en VR-berekeningen voor
de algemene milieukwaliteit die voor het eerst ten behoeve van MILBOWA zijn
verricht.</al>
      <al>– Milieukwaliteitsdoelstellingen die voor mariene ecosystemen worden
geformuleerd, geven de eindsituatie van een proces van duurzame ontwikkeling
aan. Voor de korte en middellange termijn hebben zij als belangrijkste functie
dat zij kunnen helpen om de effectiviteit van het brongerichte beleid te bepalen
en prioriteiten in het brongericht beleid vast te stellen.</al>
      <al>– Voor stoffen die zeer gevaarlijk zijn vanwege de combinatie van
toxiciteit, persistentie en potentiële bio-accumulatie, die bovendien
van nature in het milieu niet voorkomen en die een grootschalig verspreidingspatrron
vertonen, zoals de twaalf stoffen genoemd in het in voorbereiding zijnde UNEP-verdrag
over POP's, is het vastleggen van milieukwaliteitsdoelstellingen ongewenst.
Voor dit soort stoffen is het brongericht beleid gericht op eliminatie door
uitbannen van de stoffen of het sluiten van kringlopen, en kan de streefwaarde
worden gehanteerd als toetsingscriterium voor de effectiviteit van het brongericht
beleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– Gelet op:</al>
      <al>♦ de status van de Waddenzee als internationaal natuurbeschermingsgebied</al>
      <al>♦ de interactie tussen kwaliteit van de Noordzee en die van de Waddenzee</al>
      <al>♦ de aanwijzing van de Waddenzee en belangrijke delen van de Noordzee
als kerngebied van de Ecologische Hoofdstructuur</al>
      <al>♦ de veel grotere ruimte- en tijdschaal waarop ecologische en fysisch-chemische
processen zich in mariene ecosystemen afspelen dan in zoet-aquatische systemen</al>
      <al>♦ de daarmee samenhangende geringe mogelijkheden tot herstel als
dergelijke kwetsbare ecosystemen eenmaal zijn aangetast </al>
      <al>♦ de grote kans op effecten van combinatietoxiciteit in mariene
ecosystemen, met name in marien sediment omdat zeer vele milieugevaarlijke
stoffen hier uiteindelijk terechtkomen</al>
      <al>♦ het feit dat de concentraties in de Noordzee en Waddenzee goeddeels
beneden de in MILBOWA vastgelegde grenswaarden liggen, zodat deze grenswaarden
in dit gebied geen sturende werking op het brongerichte beleid hebben</al>
      <al>♦ de inschatting dat het mogelijk is om door uitwerking van de thans
in globale zin tot 2010 geplande milieumaatregelen voor de meeste stoffen
in mariene ecosystemen de streefwaarden te realiseren, wordt besloten voor
mariene ecosystemen geen grenswaarden te formuleren, maar de bescherming van
de Noordzee te richten op het bereiken van de streefwaarden en voor een aantal
stoffen een verdergaande bescherming te realiseren door te streven naar eliminatie
door uitbannen van gebruik en/of sluiten van kringlopen. Bovenstaande overwegingen,
in het bijzonder het argument van de omvangrijke ruimte- en tijdschaal waarop
natuurlijke processen zich in de zee afspelen, maken de grenswaarde ongeschikt
voor de bescherming van de Noord- en Waddenzee.</al>
      <al>– Gelet op de wenselijkheid van een samenhangende normstelling voor
alle milieucompartimenten is ervoor gekozen om bij de normstelling voor mariene
sedimenten aan te sluiten bij de standaardbodemmethode, die ook in MILBOWA
wordt gehanteerd.</al>
      <al>– Momenteel wordt in het kader van het project integrale normstelling
stoffen (INS, NMP-2 actiepunt N74) onder meer de bestaande normstelling voor
milieuschadelijke stoffen op basis van nieuwe ecotoxicologische gegevens geëvalueerd
en bijgesteld. Bij het afleiden van de MTR- en VR-niveaus, welke als basis
dienen voor grens- en streefwaarden, worden zoetwater- en zoutwatertoxiciteitsgegevens
alsmede doorvergiftigingseffecten thans gezamenlijk in beschouwing genomen. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Toetsing van de effectiviteit van het emissiebeleid </tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1 Methodiek</tuskop>
      <al>Als streefwaarden zijn vastgesteld en voldoende bekend is over de actuele
kwaliteit van ecosystemen, de stofbelasting van die systemen en de verspreiding
van vervuilende stoffen in die systemen, is het mogelijk vast te stellen of
het brongerichte beleid effectief is en welke stoffen met het oog op de milieukwaliteit
prioriteit verdienen. Hierbij kan worden gekeken of de gemaakte emissiereductie-afspraken
danwel de verwachte ontwikkeling van de stand der techniek toereikend is.
Dit wordt het effectgerichte spoor genoemd.</al>
      <al>Dit effectgerichte spoor is aanvullend op het brongerichte spoor dat de
vaste basis vormt voor de aanpak van waterverontreiniging in het algemeen
en het Noordzeemilieubeleid in het bijzonder. Het brongerichte spoor berust
op het toepassen van de stand der techniek, het standstill-principe en het
voorzorgbeginsel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kennis over de evengenoemde verspreiding van stoffen is voor de Noordzee
en Waddenzee in het MANS-model (Management Analysis North Sea) numeriek toepasbaar
gemaakt. Met dit modelinstrumentarium kunnen voor verschillende scenario's
van brongerichte maatregelen voorspellingen worden gedaan ten aanzien van
de ontwikkeling van de milieukwaliteit.</al>
      <al>In figuur 1 wordt dit proces schematisch weergegeven. </al>
      <witreg></witreg>
      <witreg></witreg>
      <al>{{ RAADPLEEG VOOR DEZE FIGUUR HET GEDRUKTE KAMERSTUK }}</al>
      <plaatje file="kst-21250-40-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <tuskop letat="vet">Figuur 1: Toepassing van milieukwaliteitsdoelstellingen
bij het emissiebeleid ten behoeve van de Noordzee en Waddenzee</tuskop>
      <al>In de onderzoeksrapporten van het Waterloopkundig Laboratorium (WL) en
het RIKZ is de methodiek verder uitgewerkt.</al>
      <al>In het WL-rapport «Rismare» is voor een vijftal stoffen de
toestand van de milieukwaliteit van de Zuidelijke Noordzee en de Waddenzee
onderzocht en met behulp van het MANS-model verkend in welke mate de streefwaarden
overschreden worden ten gevolge van de huidige belasting van de Noordzee en
Waddenzee resp. na uitvoering van de internationale afspraken die gelden voor
reductie van de milieubelasting vanuit rivieren, lozing van baggerspecie,
atmosfeer en directe lozingen. Tevens is verkend in welke mate deze belasting
dient te worden teruggedrongen om in verschillende deelgebieden van de Noordzee
en Waddenzee de streefwaarden te realiseren. Het onderzoek is beperkt tot
een vijftal stoffen, nl. cadmium, koper, lindaan, PCB-153 en benz(a)pyreen
(BAP). De keuze van deze stoffen is enerzijds bepaald door de aandacht ervoor
in het milieubeleid vanwege de mogelijke effecten op het ecosysteem, anderzijds
door de beschikbaarheid van gegevens m.b.t. de milieukwaliteit en de milieubelasting,
zonder welke modelmatige berekeningen niet mogelijk zijn.</al>
      <al>In het RIKZ-rapport «Sea of substances» zijn de effecten van
een achttal verontreinigende stoffen, nl. koper en zink, de PAK's benz(a)pyreen
en fluorantheen en de bestrijdingsmiddelen atrazine, lindaan, diuron en mevinfos
onderzocht. Voor een aantal deelgebieden op het Nederlands Continentaal Plat
is bezien in welke mate voor deze stoffen de streefwaarden in 1990 werden
en in 2000, bij doorvoering van de stand der techniek in Nederland, nog zullen
worden overschreden.  </al>
      <tuskop letat="cur">2.2 Conclusies van en aanbevelingen uit het onderzoek</tuskop>
      <al>De belangrijkste conclusies zijn de volgende:</al>
      <al>1. Bij de beoordeling van de bruikbaarheid van de modelberekeningen voor
de aanscherping van het brongerichte beleid vanuit effectgerichte normen dient
rekening te worden gehouden met onzekerheden in a) de gegevens met betrekking
tot verontreinigingsvrachten, b) de veldwaarnemingen, daarmee samenhangend
c) de natuurlijke variatie van de milieukwaliteit waarmee in het model geen
rekening is gehouden en met d) de onzekerheden die verbonden zijn aan het
modelconcept en de instelling van de procesparameters in het model.</al>
      <al>Ondanks deze onzekerheden kan toch worden geschetst voor welke stoffen
het brongerichte beleid voldoende perspectief biedt danwel verdergaande brongerichte
maatregelen nodig zijn met het oog op de milieueffecten.</al>
      <al>2. Ten aanzien van het gewicht dat moet worden gehecht aan de evengenoemde
onzekerheden, wordt geconstateerd dat a) de modelmatig bepaalde ruimtelijke
verspreidingspatronen van de beschouwde stoffen redelijk tot goed aansluiten
bij de (soms schaarse) veldgegevens en dat b) de onzekerheidsmarges in de
modelresultaten over het algemeen niet groter zijn dan verschillen die bij
diverse meetcampagnes worden geconstateerd.</al>
      <al>3. De resultaten van de toetsing van de effectiviteit van het brongerichte
beleid worden relatief sterk beïnvloed door de hoogte van de milieukwaliteitsdoelstelling.
Gedegen onderbouwing van de norm is daarom een vereiste. Het voornemen om
de methodiek te hanteren bij evaluatie van het emissiebeleid in internationaal
Noordzeekader impliceert dat het internationale draagvlak voor de te hanteren
normen cruciaal is.</al>
      <al>4. Met inachtneming van de hierboven aangegeven onzekerheidsmarges worden
ten aanzien van de prioriteitstelling in het brongerichte beleid voor de beschouwde
stoffen de volgende conclusies in het onderzoek getrokken:</al>
      <al>– voor PAK is op basis van de berekeningen een emissiereductie van
ten minste 70% nodig. Een aanmerkelijke verbetering van de stand der techniek
is hiervoor nodig;</al>
      <al>– met het tot het jaar 2000 voor de bestrijdingsmiddelen atrazine,
mevinfos en diuron voorziene beleid, dat voorziet in een beperkte afname van
de binnenlandse emissies naar oppervlaktewater, wordt de Noordzee onvoldoende
beschermd;</al>
      <al>– voor PCB's, die volgens afspraak in 2000 worden uitgefaseerd maar
via diffuse verspreiding nog lange tijd nadien het mariene ecosysteem zullen
belasten, is extra aandacht nodig voor het afkappen van de bronnen die aanleiding
geven tot deze diffuse verspreiding;</al>
      <al>– als voor koper en zink de stand der techniek in het jaar 2000
is gerealiseerd, zijn met het oog op de dan nog resterende verontreinigingssituatie
in het Hollandse kustgebied nog aanvullende maatregelen in het Rijn-stroomgebied
nodig. Voor cadmium is realisatie van de stand der techniek in 2000 toereikend.
Voor koper en cadmium, waarvoor ook de emissies van Engelse rivieren en directe
Engelse lozingen vanaf de kust zijn beschouwd, zijn in Engeland na 1995 nog
maatregelen nodig in aanvulling op de gemaakte internationale afspraken;</al>
      <al>– voor lindaan zijn er aanwijzingen dat de huidige MTR- en VR-niveaus
bij de evaluatie van MILBOWA moeten worden gewijzigd. Op dit moment worden
daarom voor lindaan geen conclusies getrokken.</al>
      <al>5. Ten aanzien van de bijdrage van Nederlandse baggerspecie aan de belasting
van de Noordzee wordt geconcludeerd dat de vanuit Nederland in de Noordzee
verspreide baggerspecie voor de vijf beschouwde stoffen weliswaar een beperkt
aandeel heeft in de totale belasting van de Noordzee, maar regionaal een belangrijke
invloed heeft op de milieukwaliteit. Dit geldt met name voor
PCB's en benz(a)pyreen. Voor deze stoffen is de bijdrage die baggerspecie
levert aan de overschrijding van de streefwaarden in de Hollandse kustwateren
en de Waddenzee even groot als de directe bijdrage vanuit de Rijn (tezamen
met de Maas).</al>
      <al>6. Van de geëvalueerde stoffen geldt voor atrazine, lindaan en PAK,
dat in absolute termen de atmosfeer voor de totale Noordzee de grootste belasting
oplevert. Door het verspreidingspatroon geldt voor deze stoffen wel dat in
gebieden waar de streefwaarde wordt overschreden de rivieren de grootste bijdrage
leveren aan deze overschrijding. </al>
      <tuskop letat="cur">2.3 Strekking van de ontvangen adviezen</tuskop>
      <al>Een meerderheid van het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden
(OWN) is van mening dat het toepassen van de milieukwaliteitsdoelstelling
voor zoute wateren gebaseerd op de streefwaarden van MILBOWA, een goed middel
is om tot prioriteitstelling te komen in het milieubeleid voor de Noordzee
en Waddenzee. Als zodanig stemt de meerderheid ook met bovengenoemde conclusies
en de daarop gebaseerde beleidsvoornemens in. Een minderheid is op grond van
in par. 2.4 genoemde overwegingen tegen de in par. 3.2 geformuleerde conclusies
en de hieraan ontleende argumenten voor aanscherping van het brongerichte
beleid.</al>
      <al>De TCB vindt de wetenschappelijke basis van het gehanteerde modelinstrumentarium
voldoende om de effectiviteit van het emissiebeleid te toetsen. Gelet op de
onzekerheidsanalyse kunnen alleen globale uitspraken aan de modelresultaten
worden ontleend. De TCB wijst op de noodzaak van internationale acceptatie
van het gebruikte modelinstrumentarium. </al>
      <tuskop letat="cur">2.4 Beleidsconclusies t.a.v. aanscherping van het brongerichte
beleid op basis van de milieukwaliteitsdoelstellingen voor Noordzee en Waddenzee</tuskop>
      <al>Het hiervoor beschreven onderzoek op basis van het MANS-modelinstrumentarium
wordt van groot belang geacht om de effectiviteit van het emissiebeleid en
de juistheid van de prioriteitstelling te toetsen. Ondanks de onzekerheden
die samenhangen met de kwaliteit van de beschikbare gegevens omtrent de milieukwaliteit
en de emissies, geeft het onderzoek aan waar en voor welke stoffen aanvullend
beleid noodzakelijk is.</al>
      <al>Voor een aantal stoffen is gebleken dat ze als gevolg van bio-accumulatie
in voedselketens een mondiaal verspreidingspatroon vertonen. Zo worden PCB's,
DDT en andere gechloreerde bestrijdingsmiddelen aangetroffen in de moedermelk
van ijsberen in het arctisch gebied en in het vetweefsel van pinguïns
in Antarctica. Voor dergelijke stoffen wordt het VR-niveau en de hierop gebaseerde
streefwaarde dan ook niet gebruikt als een milieukwaliteitsdoelstelling. Voor
deze stoffen dient het beleid primair gericht te zijn op eliminatie en zal
als tussendoel de streefwaarde worden gehanteerd als toetsingcriterium voor
de effectiviteit van het brongerichte beleid. Het uiteindelijk doel voor deze
stoffen is het geheel uitfaseren van alle emissies binnen een generatie (25
jaar) conform de afspraken gemaakt tijdens de Vierde Noordzeeministersconferentie.
Het gaat hierbij in eerste instantie om de twaalf stoffen die zijn opgenomen
in de stoffenlijst voor het in voorbereiding zijnde UNEP-verdrag inzake Persistent
Organic Pollutants (PCB's, polychloordibenzodioxines en polychloordibenzofuranen,
DDT, aldrin, dieldrin, endrin, chloordaan, hexachloorbenzeen, mirex, toxapheen
en heptachloor).</al>
      <al>Deze lijst zal in de toekomst wellicht nog worden aangevuld met andere
stoffen.</al>
      <al>Nederland zal in overleg treden met andere landen teneinde in internationale
kaders een wetenschappelijk verantwoorde uitbreiding van de lijst
te bewerkstelligen met mogelijke andere stoffen waarvan de emissies, lozingen
en verliezen met de hoogste prioriteit zullen moeten worden geëlimineerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op het bovenstaande kom ik ten aanzien van de aanscherping van het
brongerichte beleid tot de volgende beleidsvoornemens:</al>
      <al>– Nederland zal voortgaan met de intensivering van de inspanningen
voor de reductie van PAK-emissies</al>
      <al>– Nederland zal zich conform de afspraken van de Vierde Noordzeeministersconferentie
inspannen voor een versnelde c.q. snelle beoordeling van de toelating door
de EU van bestrijdingsmiddelen die in het Noordzeemilieu zijn aangetroffen
of een risico voor het mariene milieu vormen en het ondernemen van daaruit
voortvloeiende acties</al>
      <al>– Mede gelet op ten behoeve van de Vierde Noordzeeministersconferentie
verricht onderzoek zal Nederland bezien of de diffuse verspreiding van PCB's
in het milieu sneller kan worden verminderd dan het gevolg is van de maatregelen
die thans in internationaal verband zijn getroffen met het oog op de afgesproken
uitfasering.</al>
      <al>– Nederland zal initiatief nemen om de betekenis van de risico-analyse
in de verrichte studies voor het stellen van prioriteiten in het brongerichte
beleid en het ontwikkelen van actieprogramma's in het internationale Noordzeekader
te bespreken, en daarmee uitvoering geven aan paragraaf 18 van de slotverklaring
van de Vierde Noordzeeministersconferentie.</al>
      <al>Onderwijl zal het Rijk in nationaal en internationaal verband initiatieven
nemen tot verbetering van de te hanteren gegevens en daarop aansluitend onderzoek
met het oog op verbetering van de gezamenlijke evaluatie van het Noordzeemilieubeleid.</al>
      <al>Ten slotte zal Nederland op basis van de verrichte studies initiatief
nemen om samen met de andere aan het internationaal Noordzee-overleg deelnemende
staten de risico's van toxische stoffen voor de Noordzee verder te evalueren
ten behoeve van prioriteitstelling en toetsing van de effectiviteit van het
brongericht beleid.</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Indicatief Meerjarenprogramma Milieubeheer 1986–1990, TK 1985–1986,
19 204 nrs 1 en 2.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.2" nr="2">
    <al>derde Nota Waterhuishouding, TK 1989–1990, 21 250 nrs 1 en
2; Regeringsbeslissing: TK 1990–1991, 21 250 nrs 3 en 4.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.3" nr="3">
    <al>Milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water, TK 1990–1991, 21 990
nrs 1 en 2; Beleidsstandpunt: TK 1991–1992, 21 990 nrs 3 en 4.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.4" nr="4">
    <al>Zeewaardig, afleiding van risiconiveaus voor microverontreinigingen in
Noordzee en Waddenzee, Publikatiereeks gebiedsgericht beleid, nr. 1992/2,
Ministerie van VROM. </al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.5" nr="5">
    <al>Omgaan met risico's voor mariene ecosystemen (RISMARE); Modelmatig onderzoek
naar de sedimentkwaliteit in de Noordzee en Waddenzee in relatie tot emissies
en milieukwaliteitsdoelstellingen, Waterloopkundig Laboratorium, Delft, 1993.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.6" nr="6">
    <al>Sea of substances: on the evaluation of ecotoxicological risk of substances
in the marine environment while reducing emission according to best available
technologies, Ministry Of Transport, Public Works and Water Management, RIKZ,
The Hague, 1995.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.7" nr="1">
    <al>
      <sup>7</sup>
    </al>
    <al>Brief van de Minister van VROM d.d. 5 februari 1991 over Advies Gezondheidsraad
inzake ecotoxicologische risico-evaluatie, TK 1990–1991, 21 137,
nr. 74.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.8" nr="8">
    <al>TK 1992–1993, Risicobenadering in het milieubeleid, brief van de
Minister van VROM d.d. 10 november 1992, TK 1992–1993, 22 666,
nr. 2.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>