﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21250-39/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K1612</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>21 250</nummer>
      <naam>Derde Nota waterhuishouding</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>24 410</nummer>
      <naam>Saneringsprogramma waterbodem rijkswateren 1996–2000</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>12 449</nummer>
      <naam>Afsluiting van de Oosterschelde</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>39</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 15 mei 1996</datum>
      <al>De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
heeft op 2 april 1996 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Verkeer
en Waterstaat over:</al>
      <al>– diffuse bronnen van waterverontreiniging (kamerstuk 21 250,
nr. 37);</al>
      <al>– het saneringsprogramma rijkswateren (kamerstuk 24 410);</al>
      <al>– het interimrapport Programma ontwikkeling saneringsprocessen waterbodems;</al>
      <al>– de evaluatie van de Wet op de waterhuishouding (VW-96–137);</al>
      <al>– de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden
(kamerstuk 21 250/21 656, nr. 38);</al>
      <al>– de afsluiting van de Oosterschelde (kamerstuk 12 449, nr.
109).</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Kamp</nadruk> (VVD) constateerde dat er onmiskenbaar resultaten
worden geboekt met het waterbeleid. De genomen beleidsmaatregelen leiden ertoe
dat veel van de doelstellingen worden gehaald. De samenwerking tussen partijen
in het binnenland is goed en die met partijen in het buitenland wordt beter.
Deze constatering is belangrijk, omdat bij de vaststelling van de vierde nota
Waterhuishouding verdergaande maatregelen aan de orde zullen komen.</al>
      <al>Twee belangrijke onderdelen verlopen minder naar wens: het terugdringen
van de diffuse belasting van het oppervlaktewater met diverse verontreinigende
stoffen en het daadwerkelijk saneren van de verontreinigde waterbodems. De
relatie tussen beide is duidelijk: het saneren van de waterbodems heeft weinig
zin als de verontreiniging van het water gewoon doorgaat. Bovendien is het
van belang de kosten van maatregelen om de waterverontreiniging terug te dringen
af te zetten tegen de kosten die moeten worden gemaakt om verontreinigde waterbodems
te saneren.</al>
      <al>De heer Kamp ging eerst in op de diffuse belasting van het oppervlaktewater
die onder meer wordt veroorzaakt door nutriënten. Het is duidelijk dat
de uitspoeling van landbouwgronden sterk moet worden verminderd. Het mest-
en ammoniakbeleid leidt ertoe dat dit niet, zoals de bedoeling  </al>
      <al>was, in het jaar 2000, maar eerst in 2010 het geval zal zijn, omdat de
sector meer tijd nodig heeft om zich aan te passen. Heeft het kabinet zich
bij deze nieuwe doelstelling neergelegd? Is het kabinet het ermee eens, dat
dan wel door concrete maatregelen en regelmatige voortgang verdere vertraging
moet worden voorkomen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De rioleringsgraad in Nederland is 97% en de rioolwaterzuiveringsinstallaties
halen een rendement van 85%. Problematisch zijn nog het frequent voorkomen
van riooloverstorten, waaraan in 1998 een einde gekomen zou moeten zijn, en
de aansluitingen in het buitengebied. Verreweg de meeste gemeenten hebben
nog steeds geen rioleringsplan alhoewel zij daartoe door de Wet milieubeheer
al per 1 januari 1994 verplicht waren. De provincie Overijssel heeft over
dit onderwerp afspraken met de betrokkenen gemaakt: met het frequent overstorten
is het in het jaar 2005 afgelopen en van de percelen in het buitengebied die
nog niet op de riolering zijn aangesloten, zal 20% alsnog worden aangesloten.
Legt het kabinet zich neer bij het ontbreken van gemeentelijke rioleringsplannen
en accepteert het dat het overstorten pas in 2005 afgelopen zal zijn?</al>
      <al>De milieu-organisaties maken zich net als de waterleidingbedrijven zorgen
over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw en proberen met procedures
WVO-vergunningen af te dwingen voor bedrijven met open grondteelten. Als zij
daarin slagen, dan zullen er naar de heer Kamp meende maximaal 60 000
vergunningaanvragen moeten worden behandeld; een onhaalbare zaak. Dat geldt
zeker voor de controle op de naleving van de vergunningvoorwaarden. Terecht
vragen de waterschappen om regulering door algemene regels. Is het kabinet
het ermee eens dat die regels er moeten komen en dat er haast mee is om de
periode van noodgedwongen gedogen zo kort mogelijk te laten zijn? Zijn er
voldoende mogelijkheden om gedurende de gedoogperiode op te treden tegen apert
onzorgvuldig handelen met bestrijdingsmiddelen?</al>
      <al>Evenals de WRR en de Stichting natuur en milieu pleit de VNG ervoor de
WVO-heffing toe te passen op de bronnen van diffuse verontreiniging. Naast
voordelen zijn daaraan ook grote nadelen verbonden. Het is dan ook verstandig
dat het kabinet daarover pas tot besluitvorming wil komen in het kader van
de vierde nota Waterhuishouding.</al>
      <al>Volgens de normen is 80% van de waterbodems verontreinigd, voor een deel
zo ernstig, dat die waterbodems moeten worden gesaneerd. Voor de overige geldt
dat het slib dat bij baggerwerk vrijkomt, moet worden verwerkt of gestort.
Tot nu toe houdt het beleid nog voornamelijk in dat er onderzoek wordt verricht.
Met een daadwerkelijke aanpak moet worden gewacht op het beschikbaar komen
van verwerkingscapaciteit en van stort- of bergingsplaatsen. Als die er eenmaal
zijn, dan moet er ook geld zijn voor die daadwerkelijke aanpak. Om te kunnen
weten hoeveel geld er nodig is, moet bekend zijn hoeveel slib er moet worden
verwerkt of gestort. Nu zijn er nog slechts ruwe schattingen van de waterbeheerders
die bij elkaar opgeteld overigens tot duizelingwekkende totalen komen. Er
moet dus betere informatie over de omvang van het probleem komen.</al>
      <al>Het is de bedoeling in 2000 20% van het slib te verwerken. De kosten daarvan
lopen op tot f.250/ton droge stof. Er zijn nog geen scheidingsinstallaties
voor de gemakkelijkste vorm van verwerking: het verwijderen van zand uit zandige
baggerspecie en het storten van het restant. Wanneer komen die installaties
beschikbaar, zodat deze verwerkingsvorm kan worden gebruikt? De fractie van
de heer Kamp vond het jammer dat is geconstateerd dat er geen perspectief
is op biologische in-situ-reiniging en dat het onderzoek daarnaar in het kader
van het programma Ontwikkeling sanering waterbodem zelfs is gestaakt. Gegeven
de omvang van het probleem zal een echte oplossing toch in die sfeer moeten
worden gevonden. Heeft het kabinet hoop dat zoiets op termijn mogelijk wordt?</al>
      <al>Tot er voldoende stort- en bergingscapaciteit is, blijft onderhoud aan
scheepvaartwegen en havens achterwege en kunnen saneringen niet worden
aangepakt. De eerste regionale bergingslocatie zou in 1998 worden gerealiseerd
in Gelderland. Ziet het ernaar uit dat Gelderland daarin zal slagen? Op welke
termijn zullen de andere provincies volgen? De eerste twee grootschalige landelijke
bergingsinstallaties, Ketelmeer (20 mln. m<sup>3</sup>) en het Hollands Diep
(30 mln. m<sup>3</sup>), zouden in 1995 worden gerealiseerd, maar in de nieuwste
planning wordt voor de eerste uitgegaan van 1998 en voor de tweede van 1999.
Bovendien heeft de Raad van State recentelijk de milieuvergunning voor het
Hollands Diep geschorst.</al>
      <al>Particuliere initiatiefnemers hebben voor deze locatie het eiland Tiengemeten
als alternatief voorgedragen. De minister heeft het alternatief enige tijd
geleden financieel niet interessant genoemd en heeft gezegd dat het tot vertraging
zou leiden. De initiatiefnemers hebben recentelijk gesteld dat het 100 mln.
goedkoper is en een jaar tijdwinst kan opleveren. Mede vanwege de vertraging
als gevolg van het schorsen van de milieuvergunning wilde de heer Kamp weten
welke afwegingen de minister heeft gemaakt.</al>
      <al>Het evaluatie-onderzoek van de Landbouwuniversiteit in Wageningen heeft
tot de constatering geleid dat verbeteringen van de Wet op de waterhuishouding
gewenst zijn, maar dat een integrale Wet op het waterbeheer voorlopig niet
noodzakelijk is. Hij sloot zich aan bij de stelling van de onderzoekers, dat
het beter is in te zetten op het realiseren van integraal waterbeheer door
samenwerking tussen de betrokken overheden en instanties dan tijd te verliezen
door het opnieuw aan de orde stellen van de bestuurlijke organisatie en van
competentiekwesties. Hij waardeerde het dat de waterschappen de aanbevelingen
uit het onderzoeksrapport al willen oppakken, vooruitlopend op de vierde nota.
Is het kabinet daartoe ook bereid, in het bijzonder waar het gaat om het op
elkaar afstemmen van de vergunningsprocedures van de Wet op de waterhuishouding
en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO)?</al>
      <al>Tot voor kort is volgehouden dat het mogelijk was om op basis van de bestaande
maatregelen te komen tot een vermindering van het areaal verdroogd natuurgebied
(550 000 ha) met 25% in het jaar 2000. De heer Kamp twijfelde aan de
haalbaarheid, mede omdat er onvoldoende projectvoorstellen zijn ingediend
voor 1995, terwijl er voor dat jaar voldoende geld beschikbaar was. Het leek
hem niet goed om wat deze doelstelling betreft te wachten tot de vierde nota.
Is de minister bereid om de evaluatie die dit voorjaar zal worden gemaakt
van de provinciale plannen van aanpak aan te vullen met een beoordeling van
de situatie in de provincies die zo'n plan nog niet hebben vastgesteld? Is
zij bereid in het najaar te bekijken of er mogelijkheden zijn om de doelstelling
alsnog in het jaar 2000 te realiseren?</al>
      <al>Tot slot ging de heer Kamp in op de brief over de effecten van het afsluiten
van de Oosterschelde. Destijds vielen de kosten van de afsluiting fors hoger
uit dan was geraamd en gebudgetteerd. Desondanks zijn er recentelijk mankementen
geconstateerd. Er moest extra geld worden uitgetrokken voor herstelwerkzaamheden
aan de deklaag op de bodem en aan de schuifdeuren. Hebben die mankementen
te maken met het feit dat men heeft geprobeerd zo goedkoop mogelijk te werken,
hoewel men om extra geld had gevraagd? Zijn er aanwijzingen dat er meer mankementen
te verwachten zijn?</al>
      <al>Om de vervuiling van de waterbodem en de eutrofiëring aan te pakken,
is besloten het chloridegehalte van het water te verhogen en het waterpeil
te laten fluctueren. Is het Landbouwschap inmiddels alsnog om een oordeel
gevraagd over het chloridegehalte? Het is verheugend dat er over het peilbeheer
een compromis is bereikt, dat nu kan worden uitgevoerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> (D66) had waardering voor de projectmatige
aanpak van de voorbereiding van de vierde nota Waterhuishouding waarbij ook
de andere ministeries en de Unie van waterschappen zijn betrokken.
Waarom doet het IPO niet mee? Ook de vroegtijdige inspraak en de informatieverstrekking
zijn te waarderen. Er is de laatste tijd sprake van een positieve koerswijziging
van de departementale cultuur inzake communicatie en het in een vroegtijdig
stadium betrekken van belangengroeperingen bij projecten en dergelijke. Een
voorbeeld van die koerswijziging is de uitgebreide inspraakronde over het
ontpolderen in Zeeland.</al>
      <al>De minister schrijft dat 1995 een belangrijk peiljaar is en dat over het
geheel genomen uit de rapportage kan worden geconcludeerd dat de doelstellingen
voor 1995 in aanmerkelijke mate zijn gehaald, met uitzondering van die voor
de diffuse belasting van oppervlaktewateren, de verontreinigde waterbodems
en de verdrogingsbestrijding.</al>
      <al>De directeur-generaal van RWS-RIZA zag als ideaal een nota ruimtelijk
beheer, waarin ruimtelijk beleid, milieubeleid en waterbeheer bijeen zijn
gevoegd. Voorziet de minister dat er een geïntegreerd beleidsstuk zal
kunnen worden geproduceerd door de ministeries, de Unie van waterschappen,
het IPO en de VNG?</al>
      <al>In het evaluatierapport Wet op de waterhuishouding is een 25-tal nuttige
aanbevelingen gedaan. Het rapport is om advies voorgelegd aan de Staatscommissie
voor de waterstaatswetgeving. Is de indruk juist dat het kabinet dat advies
en eventuele andere adviezen wil betrekken bij de vierde nota Waterhuishouding?</al>
      <al>Zal in de vierde nota ook de Noordzee worden betrokken bij het integraal
waterbeheer, zoals de voorzitter van de Interdepartementale coördinatiecommissie
voor Noordzee-aangelegenheden (Icona) heeft bepleit? Het samenwerkingsverband
dat heeft onderzocht of op de Klaverbank zand zou kunnen worden gewonnen,
is uit elkaar gegaan, zodat mag worden verwacht dat niet zal worden voldaan
aan de in mei 1991 tussen Rijk en provincies afgesproken taakstelling voor
beton en metselzand voor de periode 1989–1998 en de periode 1999–2008.
Dit is vooral een taakstelling voor Rijkswaterstaat zelf. Immers, die is de
grootste gebruiker van zand voor weg- en waterbouw. Aan welke alternatieven
wordt gedacht? In den lande is men bevreesd dat er in plaats van zeezand,
waarop door de Kamer is aangedrongen bij de behandeling van de structuurnota
Oppervlaktedelfstoffen, weer zand zal worden gewonnen op landlocaties. Heeft
de minister gehoord dat een nieuwe studie heeft aangetoond dat bij zandwinning
bij Maasbommel wel degelijk de veiligheid van de bewoners in het geding is?</al>
      <al>De heer Van Waning sprak de hoop uit dat de Kustnota eindelijk in 1996
zal verschijnen. Een combinatie van onvoorziene effecten van de Deltawerken
(een grotere afslag van de vooroever van de Noordzee) en de te verwachten
stijging van de waterspiegel door klimaatverandering maakt dat de noodzakelijke
aanpak van de problemen veel duurder zal uitpakken dan was voorzien. Het vele
werk dat de waterbouwers momenteel verrichten in het kader van dijk- en kadeverhoging
creëert wel een speerpunt in Nederland. Momenteel wordt onderzocht wat
de werkelijke speerpunten van Nederland zijn. Hoe ziet de minister conceptueel
de samenhang tussen de EZ-nota Kennis in beweging en het werk aan de kustverdediging
en langs de rivieren?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Augusteijn-Esser</nadruk> (D66) constateerde dat volgens de
brief over diffuse bronnen van waterverontreiniging de waterkwaliteitsdoelen
(schoon water en een schone waterbodem) nog steeds niet worden gehaald, ondanks
de sanering van de lozingen van de industrie en de rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Met name de kwaliteitsdoelstellingen inzake bestrijdingsmiddelen en PAK's
worden niet gehaald. De Vewin heeft in een brochure een overzicht gegeven
van het bestrijdingsmiddelenbeleid en de wijze waarop dit volgens de waterleidingbedrijven
moet worden bijgesteld. Onderzoek en zuivering kosten deze bedrijven jaarlijks
200 mln., die uiteraard weer op de consument worden verhaald. De
Vewin stelt dat de overheid inzake een aantal stoffen nader beleid moet voeren.
Tegen de zin van de waterleidingbedrijven in heeft het Bureau voor toelating
bestrijdingsmiddelen de toelating van bepaalde bestrijdingsmiddelen verlengd
tot 1999. Is het kabinet bereid deze kwestie nader te bezien?</al>
      <al>Hoewel in de landbouw het bestrijdingsmiddelengebruik met 40% is teruggebracht,
is de regionale waterkwaliteit niet echt verbeterd: de uitspoeling blijkt
nog ver boven de norm te zitten. Het ene bestrijdingsmiddel is nu eenmaal
schadelijker dan het andere. In het kader van de uitvoering van het meerjarenplan
Gewasbescherming zou de aandacht meer gericht moeten zijn op de reductie van
het gebruik van de schadelijkste bestrijdingsmiddelen. Om dat te bereiken
en om de maatschappelijke kosten van dat gebruik door te berekenen, dacht
mevrouw Augusteijn aan heffingen op de bestrijdingsmiddelen die het milieu
het meest belasten. Al is dat een zaak voor de minister van LNV, toch wilde
zij graag weten hoe de bewindsvrouwe hierover denkt. Mevrouw Augusteijn staafde
met een voorbeeld de stelling dat in de praktijk de halfwaardetijd van een
bestrijdingsmiddel soms heel anders blijkt te zijn dan werd verwacht.</al>
      <al>Bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de sanering van waterbodems
is op 25 oktober 1995 gevraagd of de beschikbare rijksmiddelen toereikend
zijn voor de aanpak van de waterbodemsanering in de komende jaren. Die vraag
kon toen niet beantwoord worden. Kan dat nu wel? Hoe is daarbij de positie
van de gemeenten en de waterschappen? De laatsten hebben al eerder gezegd
dat de rijksmiddelen onvoldoende zijn.</al>
      <al>Om de besluitvorming inzake de verwerking van verontreinigde baggerspecie
te vergemakkelijken is het programma Ontwikkeling saneringsprocessen waterbodems
gestart. Dit programma, opgezet om te voorzien in mogelijkheden van verwerking
van de verontreinigde baggerspecie en de toepassing daarvan, bevindt zich
in de fase van demonstratie- en praktijktesten. Het interimrapport dient als
basismateriaal voor de discussie over het waterbodembeleid dat in de vierde
nota Waterhuishouding gestalte moet krijgen. Mevrouw Augusteijn somde een
aantal conclusies op over de randvoorwaarden van verwerkingstechnieken. In
het rapport staat dat storten geen ideale oplossing is, ook niet onder strikte
IBC-voorwaarden, en dat – gezien de financiële en planologische
consequenties van storten – reinigen van vervuilde baggerspecie en nuttige
toepassing van het eindprodukt wenselijk zijn. Zij was het hiermee eens, maar
vroeg zich af of niet, omdat storten uiteindelijk goedkoper kan zijn dan goed
verwerken, nogal eens te snel wordt gekozen voor storten. Op welke wijze zullen
bij grootschalige verwerking de planologische en milieu-aspecten worden gewaarborgd,
nu in het rapport staat dat storten toch wel een goede oplossing zou kunnen
zijn, ook als de IBC-voorwaarden niet strikt worden toegepast?</al>
      <al>Bij de in het rapport genoemde hoeveelheden baggerspecie die om milieu-
en waterhuishoudkundige redenen verwijderd moeten worden, gaat het om schattingen.
Op welke wijze kan worden bepaald hoeveel baggerspecie moet worden gestort
en hoeveel specie nog kan worden gebruikt? De doelstelling is om in 2000 20%
van de vervuilde baggerspecie te verwerken en nuttig toe te passen. Zal die
doelstelling worden gehaald? Kan een bedrijf dat een techniek voor verwerking
ontwikkelt, verzekerd zijn van voldoende toelevering van de grondstof? Een
Utrechts bedrijf bijvoorbeeld heeft van baggerspecie een soort bouwkorrel
gemaakt die kan worden verwerkt in bijvoorbeeld beton.</al>
      <al>In het rapport staat dat de afzet van gereinigde produkten een stimulans
zal krijgen, indien Rijkswaterstaat een actief beleid voert en een gedeelte
van die produkten afneemt. Heeft Rijkswaterstaat hiertoe plannen voorbereid?
Op welke andere wijze denkt de minister de afzet van verwerkingsprodukten
te stimuleren? </al>
      <al>De realisatie van het bergingsdepot in het Hollands Diep heeft vertraging
opgelopen. Ook mevrouw Augusteijn wees op de door een particuliere firma genoemde
mogelijkheid om Tiengemeten daarvoor te gebruiken. Zij vroeg in welke verhouding
die suggestie staat tot de natuurontwikkelingsplannen van de provincie Zuid-Holland
voor het eiland Tiengemeten. Wat is de visie van de minister op de realisatie
van de ecologische hoofdstructuur aldaar?</al>
      <al>De verdrogingssituatie is inderdaad ernstig. Mevrouw Augusteijn stelde
dat er sprake is van een verkokerde behandeling van dit onderwerp. Op 3 april
a.s. zal er namelijk een hoorzitting worden gehouden over de PKB beleidsplan
Drink- en industriewatervoorziening. Daarna zal nog de vierde nota Waterhuishouding
verschijnen. Dat er tegenstrijdige beleidslijnen worden gehanteerd, blijkt
uit het feit dat in Gelderland een grote bierbrouwerij zeer veel grondwater
oppompt, terwijl de boeren vaak niet mogen sproeien. Ook zij vroeg dan ook
hoe kan worden gekomen tot een beter integraal beleid ten aanzien van het
waterbeheer in het gehele land.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Lilipaly</nadruk> (PvdA) stelde dat voor het onderwerp van dit
overleg de toverformule in feite is: gebiedsgerichte aanpak. Er is maatwerk
nodig. Rijksbeleid plus aanvullend gebiedsgericht beleid zou moeten zorgen
voor een integrale aanpak van natuurherstel. Het aanpakken van de diffuse
verontreinigingsbronnen hangt samen met de bestrijding van de verdroging en
de waterbodemsanering, en omgekeerd.</al>
      <al>Door aanpassing van wetgeving, zoals de Wet op de waterhuishouding en
de Grondwaterwet, is inderdaad een aantal belemmeringen voor voortvarende
bestrijding van de verdroging weggenomen. Toch wil de bestrijding van de verdroging
niet vlotten. De reductiedoelstelling voor 2000 wordt niet gehaald, met alle
gevolgen van dien voor de doelstelling voor 2010. In de voortgangsrapportage
staat dat de gebiedsgerichte aanpak van de verdroging moeizaam van de grond
komt. De trage verwezenlijking van het anti-verdrogingsbeleid is door de heer
Lilipaly reeds aan de orde gesteld bij de behandeling van de evaluatienota
Water. Die vertraging houdt verband met de doorvertaling van de verantwoordelijkheden
naar provincies en waterschappen. Is er te weinig interesse of bestuurlijke
moed? Wat gaat de minister doen, nu blijkt dat de helft van de plannen van
aanpak niet is gerealiseerd? Welke ondersteuning kan vanuit het ministerie
worden geboden? Is bijstelling van het rijksbeleid te verwachten? De heer
Lilipaly herinnerde aan de door hem naar aanleiding van de evaluatienota Water
ingediende motie, waarin de regering werd verzocht om in de vierde nota Waterhuishouding
een samenhangend pakket maatregelen te presenteren waarmee het herstel van
de natuur aanmerkelijk zal worden bespoedigd. Daarbij is van belang dat wordt
vastgehouden aan de doelstelling van 25% reductie in het jaar 2000. Welke
instrumenten respectievelijk structuren zullen alsnog worden gebruikt om die
doelstelling te halen? Kan de minister het rapport over de evaluatie van de
plannen van aanpak naar de Kamer sturen, vooruitlopend op een eventuele tweede
voortgangsrapportage? Toen het water een deel van Nederland tot de lippen
steeg, is de regering met het buitenland in overleg getreden over waterbeheersing.
Kunnen er nadere mededelingen worden gedaan over dat overleg?</al>
      <al>In de voortgangsrapportage worden veel punten genoemd die niet worden
gerealiseerd wat de diffuse bronnen betreft. Conform haar toezegging bij de
behandeling van de evaluatienota Water heeft de minister de Kamer geïnformeerd
over de diffuse bronnen en met name over de doelgroepen die de verontreinigingen
veroorzaken en over de maatregelen die daartegen worden genomen. Die maatregelen
hebben vooral betrekking op de norm, zoals in het meerjarenplan Gewasbescherming
en het beleidsstandpunt PAK. Met normstelling alleen is men er evenwel niet.
Dat vormt een kader waarbinnen overheden kunnen opereren. De initiatiefgroep
GIDS heeft terecht gesteld dat de sleutel van de oplossing ligt
in de regio en dat derhalve de lokale aanpak van diffuse bronnen moet worden
benadrukt. Is alles gedaan om dat te bewerkstelligen? Kan er redelijkerwijs
nog meer van het bedrijfsleven worden gevraagd dan nu gebeurt?</al>
      <al>Beleid en uitvoering inzake de sanering van de waterbodems komen niet
goed op gang. Er is drie jaar vertraging bij de uitvoering van de doelstelling
uit de derde nota Waterhuishouding: aanleg van grootschalige stortplaatsen.
Voorheen kwam dat door gebrek aan financiën. Op dit moment wordt dat
vooral veroorzaakt door de bezwaarschriftenprocedures. Geld, tempo en commitment
blijven punten van zorg. Er moet rekening worden gehouden met de wettelijk
vereiste procedures naast de benodigde bouwtijd. De overheveling van middelen
naar de begrotingen voor 1996 t/m 1999 lijkt onvermijdelijk, omdat anders
de middelen ontbreken op het moment dat er gebouwd kan worden. Zijn er tot
het jaar 2000 genoeg financiële middelen beschikbaar om de grootschalige
landelijke en de regionale depots en de 20%-verwerkingsdoelstelling te realiseren?</al>
      <al>In het saneringsprogramma is het rendement van de gelden voor ontwikkeling
van de verwerkingstechnieken niet voldoende aangetoond. Het rendement van
de middelen voor stortplaatsen is wel ondubbelzinnig. </al>
      <al>Het was de heer Lilipaly duidelijk dat de gemeenten niet in staat zijn
om de opschoning van de onder hun beheer vallende waterbodems te bekostigen.
Dat knelt te meer voor artikel 12-gemeenten. Hoe kan dit probleem worden doorbroken?
Door een gezamenlijke aanpak van gemeenten, waterschappen en Rijk?</al>
      <al>Hij wees erop dat de minister in haar brief inzake de evaluatie Wet op
de waterhuishouding stelt dat uit de studie van de Landbouwuniversiteit Wageningen
niet de conclusie kan worden getrokken, dat de wet op korte termijn moet worden
uitgebouwd tot een wet op het waterbeheer. De studie maakt evenwel nadrukkelijk
melding van verwarring onder en gebrek aan afstemming tussen waterbeheerders
en gemeenten. De heer Lilipaly zag wel wat in het advies van de Landbouwuniversiteit
om na te gaan of bestuursakkoorden op regionaal stroomgebiedniveau betekenis
kunnen hebben voor afstemming van de beleidslijnen voor water, milieu, natuur
en ruimtelijke ordening.</al>
      <al>In het verleden heeft zijn fractie meermalen gepleit voor ontzandingen
in de Noordzee of het IJsselmeer in plaats van op het vasteland, omdat zandwinning
op het druk bevolkte vasteland altijd op weerstanden van ingezetenen stuit
en tot onveiligheid leidt als gevolg van de diepe putten die door ontzanding
ontstaan. Naar aanleiding van de nota Gegrond ontgronden respectievelijk het
structuurschema Oppervlaktedelfstoffen is vastgelegd, dat de Klaverbank voor
ontzanding geschikt zou zijn, maar dat er eerst een MER moet worden uitgevoerd
alvorens kan worden besloten tot zandwinning over te gaan. Het opstellen van
die MER is overgelaten aan het bedrijfsleven, dat evenwel – uiteraard
uit economische overwegingen – geen heil blijkt te zien in zandwinning
op de Klaverbank. Verdere initiatieven worden door de minister overgelaten
aan individuele belangstellenden. De taakstelling uit het structuurschema
wordt vervolgens min of meer moedwillig op losse schroeven gezet. Het is de
vraag of de minister zich in deze niet wat actiever had moeten opstellen.
Het zijn ten slotte niet alleen economische motieven die bepalen waar en op
welke wijze zandwinning mag plaatsvinden. Ruimtelijke, veiligheids- en milieumotieven
moeten daarbij ook een rol spelen. Of denkt de minister hier anders over?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (GroenLinks) wees erop dat de laatste tijd wereldwijd
bezorgdheid wordt uitgesproken over de waterkwantiteit en -kwaliteit in de
toekomst. Zelfs Nederland zou volgens een deskundige in de problemen kunnen
komen wat de waterkwantiteit betreft. </al>
      <al>Al stelt de minister optimistisch dat een aantal doelstellingen in 1995
gehaald zijn, toch is er aanleiding tot vragen, bijvoorbeeld over de verdroging,
de achterstand bij het realiseren van de 25%-reductiedoelstelling in 2000
en de onderuitputting van het beschikbare budget voor bestrijding van de verdroging.
Het is de vraag of de pogingen om meer projecten van de grond te krijgen vruchten
hebben afgeworpen. Het leek mevrouw Vos geen vraag meer of het rijksbeleid
bijstelling behoeft, zodat meteen kan worden onderzocht hoe het beleid moet
worden bijgesteld.</al>
      <al>Er is in het jaar dat is verstreken sinds de bespreking van de evaluatienota
Water te weinig voortgang geboekt inzake de diffuse bronnen. Intussen is wel
de Mestnotitie vastgesteld, maar er zijn geen vorderingen gemaakt inzake het
saneren van milieugevaarlijke bestrijdingsmiddelen. Integendeel, het kabinet
geeft toe dat voor nutriënten en bestrijdingsmiddelen en voor zware metalen
en PAK's de emissiereductiedoelstellingen en grenswaarden voor de oppervlaktewateren
niet worden gehaald. Er zouden toch consequenties moeten worden verbonden
aan deze treurig stemmende constatering. De drie waterleidingbedrijven hebben
al enkele maanden geleden gemeld dat zij niet langer instaan voor topkwaliteit
van het kraanwater. Mevrouw Vos vroeg zich af of niet conform het voorstel
van de Consumentenbond op de waternota moet worden vermeld wat het nitraatgehalte
van het geleverde water is. De Unie van waterschappen heeft gepleit voor maatregelen
tegen diffuse lozingen van bestrijdingsmiddelen op het oppervlaktewater. De
Vewin heeft recentelijk gesteld dat het bestrijdingsmiddelenbeleid in het
kader van levering van goed drinkwater ontoereikend is. Moet de minister zich
op dit punt niet nadrukkelijker met het bestrijdingsbeleid gaan bemoeien?
Met versnelde sanering van de zes door mevrouw Vos opgesomde bestrijdingsmiddelen
zou voor een groot deel de zorg worden weggenomen die de drinkwaterbedrijven
in deze terecht hebben. Zij sloot zich derhalve aan bij de vraag van mevrouw
Augusteijn hierover en bij de vraag van de heer Kamp over WVO-vergunningen
voor open teelt. Zullen in de algemene regels ook voorschriften worden opgenomen
ten aanzien van spuit- en teeltvrije zones en spuitgedrag?</al>
      <al>De drie tussendoelen voor de sanering van de waterbodems in 1995 zijn
geen van alle gerealiseerd. Deze situatie is ten zeerste ongewenst uit het
oogpunt van volksgezondheid en vanwege het belang van de scheepvaart, die
wordt geconfronteerd met onbruikbare vaarroutes als gevolg van onvoldoende
baggeren. Deelt de minister de mening dat er in het kader van de vierde nota
Waterhuishouding meer geld voor ter beschikking moet worden gesteld dan de
huidige 50 mln.?</al>
      <al>In de voortgangsrapportage wordt gemeld dat er geen knelpunten zijn betreffende
de maatregelen van pakket 16 inzake emissies op de Noordzee. Ligt men werkelijk
op de goede koers als het gaat om het voorkomen van afvalstoffen en het besparen
van energie door de scheepvaart? De steeds slechter wordende kwaliteit van
de scheepsbrandstof geeft extra problemen. Mevrouw Vos vroeg zich af of de
stimulering van het gebruik van de havenontvangstinstallaties verloopt overeenkomstig
de voornemens (25% reductie van de illegale lozingen). Is er een significante
toename van het aantal zeeschepen dat gebruik maakt van de installaties en
van de afgegeven hoeveelheden stoffen?</al>
      <al>De uitstoot van zwavel zou met tenminste 50% moeten worden teruggedrongen,
maar Nederland heeft in de International Maritime Organization voorgesteld
voor het zwavelgehalte in scheepsbrandstoffen een limiet van 4,2% toe te staan,
terwijl het gemiddelde zwavelgehalte momenteel op 2,8% ligt. Kan de minister
dit verklaren en is zij bereid zich in te zetten voor een tijdpad dat moet
resulteren in halvering van het zwavelgehalte van scheepsbrandstof?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van den Berg</nadruk> (SGP) had waardering voor de heldere voortgangsrapportage
en voor de wijze waarop aan de vierde nota Waterhuishouding wordt
gewerkt. Hier en daar bestaat de neiging besluitvorming uit te stellen tot
de nota is verschenen, maar dat zal nog geruime tijd duren en daarom zullen
er voor die tijd op verschillende punten besluiten moeten worden genomen.</al>
      <al>Hij kwalificeerde de evaluatie van de Wet op de waterhuishouding als belangrijk
en boeiend. De minister wil de implementatie van het aan de staatscommissie
om advies toegezonden rapport meenemen in het kader van de vierde nota Waterhuishouding.
De heer Van den Berg vroeg zich af of dit wel de juiste weg is, omdat er knelpunten
in aan de orde zijn gesteld die al eerder dienen te worden opgelost. Hij verzocht
derhalve een nadere uiteenzetting over 's ministers voornemens inzake de implementatie
van het rapport, nadat de staatscommissie haar advies heeft uitgebracht. Hij
deelde de conclusie van het evaluatierapport over een mogelijke integrale
Waterwet en pleitte ervoor eerst eens goed gebruik te maken van de bestaande
instrumenten, waaronder de Wet op de waterhuishouding.</al>
      <al>Het rapport bevat ook interessante aanbevelingen en beschouwingen van
bestuurlijke aard, bijvoorbeeld over de schaalvergroting van de waterschappen.
Zijns inziens kan daarbij niet van algemene landelijk geldende blauwdrukken
worden uitgegaan, maar zal moeten worden gestreefd naar maatwerk. De rapporteurs
wijzen op het perspectief dat de provincies tot één ruimtelijk
plan komen, waarin het provinciale plan op de waterhuishouding zou opgaan.
Ook voor het rijksniveau worden wel dergelijke structuren bepleit. Een schaduwzijde
daarvan is dat de waterplanning het bestuurlijk kader vormt waarbinnen de
waterschapstaken dienen te worden geïntegreerd in de totale overheidstaak.
Dat is met name de functie van het provinciaal waterhuishoudingsplan. Het
is de vraag of een geïntegreerd gebiedsplan op provinciaal niveau wel
het juiste kader zou vormen voor de functie van het provinciaal waterhuishoudingsplan.
De integratie van het functionele waterschap op provinciaal niveau is een
van de basisprincipes van de waterstaatszorg. Daarom moet in het oog worden
gehouden dat verkleining van de provinciale schaal en vergroting van de waterschappen
zullen leiden tot ongewenste verhoudingen en dat de provinciale planvorming
een duidelijk integratiekader is voor de waterschapsactiviteiten binnen een
bepaald gebied. De heer Van den Berg was van mening dat de onderscheiden verantwoordelijkheden
duidelijk moeten worden gemarkeerd.</al>
      <al>Het probleem van diffuse lozingen zal alleen kunnen worden opgelost via
een gezamenlijke aanpak door verschillende overheden, voor zover het al kan
worden opgelost. Het is de vraag of nog lang kan worden gewacht met heffingen
in het kader van de WVO. Ook hij had met teleurstelling geconstateerd dat
de rioleringsplanvorming van de gemeenten vertraagd is. Wat is de minister
voornemens daaromtrent te doen? Serieus zal moeten worden nagegaan of inderdaad
alle of zoveel mogelijk woningen in het buitengebied op de riolering moeten
worden aangesloten. Overijssel is tot de conclusie gekomen dat slechts een
beperkt aantal van de niet-aangesloten percelen daadwerkelijk moet worden
aangesloten en dat voor de overige percelen een andere oplossing moet worden
nagestreefd.</al>
      <al>Volgens de heer Van den Berg zouden vergunningen voor open teelt moeten
worden gebaseerd op algemene regels. Wanneer kunnen die algemene regels worden
verwacht?</al>
      <al>Om de doelstellingen van het verdrogingsbeleid te halen, zal de bestaande
subsidieregeling moeten worden voortgezet. Ook de provinciale plannen van
aanpak zullen er een rol bij moeten spelen en moeten derhalve versneld ter
hand worden genomen. Hij had nog steeds, mede vanwege het gebrek aan financiële
middelen, zorgen over de voortgang van het herstel van watersystemen. Zijn
er extra mogelijkheden gebleken om projecten aan te pakken? Er is zijns inziens
een structurele regeling van rijkswege nodig. </al>
      <al>In het kader van het Noordzeebeleid wordt al jaren gepraat over voorstellen
voor een exclusieve economische zone, maar die zijn nog steeds niet ingediend.
Wanneer mag dat wetsvoorstel worden verwacht?</al>
      <al>De voortgang van de sanering van de waterbodems is teleurstellend. Na
jaren is de ontwerp-inbouwwet in 1995 bij de Kamer ingediend, maar de nota
naar aanleiding van het verslag laat alweer een halfjaar op zich wachten.
Waarom duurt dat zo lang? De minister van VROM zal in deze wel de eerstverantwoordelijke
zijn, maar toch riep de heer Van den Berg de bewindsvrouwe op hiermee grote
haast te maken. Alle hoop was gevestigd op de grote depots, maar de totstandkoming
daarvan is vertraagd, met als gevolg dat het onderhoud en de verdieping van
vaarwegen achterwege blijven, met alle nadelen van dien voor de scheepvaart.
Gekozen zal moeten worden voor een realistische aanpak. Men dient zich te
realiseren dat de beperkte financiële mogelijkheden een goede aanpak
in de weg staan. De heer Van den Berg verzocht de bewindsvrouwe daaraan prioriteit
te geven bij de begrotingsvoorbereiding. Het bedrijfsleven staat klaar om
projecten uit te voeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Esselink</nadruk> (CDA) kwalificeerde de aanpak van de voorbereiding
van de vierde nota Waterhuishouding als vernieuwend. Hoe wordt georganiseerd
dat de uitgangsstellingen bij het schrijven van de nota afgestemd zijn op
de uitgangsstellingen bij het schrijven van de vijfde nota Ruimtelijke ordening,
het derde Nationaal milieubeleidsplan en het tweede Natuurbeleidsplan en bij
de herziening van economische plannen? Dat bij de verschillende planfiguren
in het verleden niet precies dezelfde uitgangsstellingen zijn gehanteerd,
heeft tot problemen geleid. Veel van wat de minister wil organiseren voor
het waterbeheer, zal in andere overheidssectoren tot actie moeten leiden.
Vandaar dat dezelfde uitgangsstellingen noodzakelijk zijn.</al>
      <al>Dat het beleid inzake diffuse verontreiniging trager van de grond komt
dan was afgesproken, was al bekend. Ook de heer Esselink was beducht voor
de vele verwijzingen naar de vierde nota Waterhuishouding, terwijl er toch
tussentijds actie ondernomen zal moeten worden, wanneer het beleid zich niet
in de gewenste richting ontwikkelt. In het actieprogramma van het NMP-2 bijvoorbeeld
was het afgelopen najaar te lezen dat het plan van aanpak diffuse bronnen
de Kamer rond 1 januari 1996 zou bereiken. Nu ligt er nog slechts een stuk
voor ter voorbereiding van dat plan.</al>
      <al>De gebiedsgerichte aanpak van diffuse bronnen biedt in veel gevallen mogelijkheden.
Als de bron buiten zijn invloedssfeer ligt, wat vaak het geval is, zal de
waterbeheerder weinig kunnen doen aan bronbestrijding. Wel kan hij in het
kader van de gebiedsgerichte aanpak met anderen samenwerken. Moet de WVO niet
worden voorzien van een ontsnappingsartikel voor gebiedsgerichte aanpak? Immers,
een waterschap of provincie kan in het kader van een gebiedsgerichte aanpak
voor problemen komen te staan bij vergunningverlening. Overstorten van gemeentelijke
riolen en rioolzuiveringsinstallaties zouden als puntbronnen kunnen worden
aangemerkt, wat betekent dat er vergunningen voor nodig zijn. Een overstort
in een kwetsbaar watersysteem heeft hetzelfde effect als een ernstige diffuse
lozing. Wat wordt aan actie ondernomen wat die overstorten betreft?</al>
      <al>De heer Esselink sloot zich aan bij de opmerkingen van de heer Van den
Berg over de noodzaak van uniforme regels voor de open teelt. Die algemene
regels zullen er snel moeten komen ter ondervanging van het traject van vergunningverlening.</al>
      <al>Hij meende zich te herinneren dat de Kamer nog een plan van aanpak moet
krijgen over niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Al is het niet perfect, er
is een traject voor landbouwbestrijdingsmiddelen, maar niet voor andere bestrijdingsmiddelen
die door toedoen van medeoverheden bijvoorbeeld via onkruidbestrijding in
oppervlaktewateren terechtkomen. Hij sloot zich aan bij de vragen van de heer
Van den Berg over riolering in het buitengebied en vroeg om een
overzicht waaruit blijkt hoeveel gemeenten inmiddels een rioleringsplan hebben.
Overijssel legt de grens bij f 14 000 per aansluiting. Boven die
grens wil de provincie tot zuivering ter plekke overgaan. Gelderland legt
de grens bij f 20 000. Kan inzicht worden gegeven in wat de onderscheiden
provincies ter zake doen? Hun handelwijze moet niet te veel uit elkaar lopen.
Anders moet de rijksoverheid proberen hen tot harmonisatie te bewegen. Wat
de keuze al of niet heffingen op diffuse bronnen betreft, moet er niet worden
gewacht op de vierde nota Waterhuishouding. Een relatief lage heffing zou
betekenen dat goed optreden zich niet vertaalt in wezenlijk gewin. Dat heeft
dus geen zin. Voorkomen moet worden dat de burgers (bedrijven) niet meer begrijpen
dat de heffing verband houdt met het milieu en denken dat het gaat om een
algemeen belastingmiddel.</al>
      <al>Ook de heer Esselink vroeg naar de nota naar aanleiding van het verslag
over het wetsvoorstel sanering waterbodems. Bij de behandeling van het saneringshoofdstuk
van de ontwerp-wet bodembescherming is serieus in de Kamer overwogen om daarin
bij nota van wijziging het «wetsvoorstelletje» over watersanering
op te nemen, omdat toen al bekend was wat men wilde. Het kabinet voerde argumenten
aan om dat niet te doen. De toen genoemde termijn waarbinnen het wetsvoorstel
wet zou zijn, is allang verstreken.</al>
      <al>Hij sloot zich ook aan bij de vragen over de begrotingspost voor grootschalige
depots en voor kleinschalige activiteiten die in rijkswateren moeten worden
uitgevoerd. Is het niet zinnig dat iemand van buiten beoordeelt of het gebruik
van Tiengemeten een goede oplossing is en inderdaad 100 mln. goedkoper is
dan de gekozen oplossing? Het omslagpunt voor natte sanering ligt bij f 45
per ton en voor droge sanering in geval van lichte verontreiniging bij f 100
per ton en in geval van ernstige verontreiniging bij f 250 per ton. Waarom
wordt voor natte sanering zo'n veel lager bedrag gehanteerd? Bij een hoger
bedrag zou er veel meer worden gesaneerd en zou er veel meer nuttig her te
gebruiken residu ter beschikking komen.</al>
      <al>De heer Esselink was benieuwd naar de sanering van de Hollandse IJssel,
een veelomvattend plan waarbij medeoverheden betrokken zijn en dat zich uitstrekt
tot de landbodems en zelfs tot de inrichting van het hele Hollandse-IJsselgebied.
Hij wilde weten hoe men integraal tot een complete aanpak komt en wanneer
daarmee zal worden begonnen.</al>
      <al>Wat de evaluatie betreft van de Wet op de waterhuishouding, maakte ook
de heer Esselink een onderscheid tussen datgene wat al dan niet in een integrale
wetswijziging moet worden vertaald en de, vaak bestuurlijke, aanbevelingen
die op korte termijn tot anders handelen zouden kunnen leiden. Hij verzocht
de minister hierop nader in te gaan, nadat de staatscommissie advies heeft
uitgebracht.</al>
      <al>De voortgangsrapportage Integraal waterbeheer is een helder stuk dat het
ook de Kamer mogelijk maakt te volgen wat er op de verschillende deelterreinen
gebeurt. Bij de bespreking van de vorige voortgangsrapportage zijn afspraken
gemaakt over de bunkerolie. De heer Esselink was benieuwd of de Noordzee-oeverstaten
op dat stuk iets kunnen doen, vooruitlopend op IMO-acties.</al>
      <al>Wordt wat de verdroging betreft de 25%-reductiedoelstelling uit de motie-Lansink,
ingediend bij het eerste NMP, nog reëel geacht en is er nog perspectief
op een voortgaande reductie na 2000? Er is ook helderheid nodig over het doorgaan
met de GEBEVE-regeling na 1998, omdat men nu moet plannen om er dan gebruik
van te kunnen maken.</al>
      <al>Een zuiveringschap heeft aangegeven dat het door koppeling met de gemeentelijke
administratie technisch mogelijk is om onderscheid te maken tussen één-,
twee- en meerpersoonshuishoudens. Zo dat echt goed mogelijk is, kan dan worden
nagegaan of er naast de huidige twee tariefcategorieën (één-
en meerpersoonshuishoudens) nog een derde categorie (tweepersoonshuishoudens)
kan worden ingevoerd?  </al>
      <tuskop letat="vet">Antwoord van de regering</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> stelde dat overal met enthousiasme en inzet wordt
gewerkt aan het realiseren van integraal waterbeheer.</al>
      <al>De eerste voortgangsrapportage over waterbeheer had vooral betrekking
op de actiepunten uit de derde nota Waterhuishouding. Mede op aandrang van
de Kamer zijn daarna, dus na 1991, alle volgende voortgangsrapportages over
onderdelen van het waterbeheer gebundeld tot één jaarlijkse
rapportage. Die rapportage is uitgegroeid tot een algemene rapportage over
àlle aspecten van het waterbeheer, inclusief de Noordzee. Dat neemt
niet weg dat er nog verbetering mogelijk is. Er wordt dit jaar naar gestreefd
om een betere afstemming te bereiken tussen de voortgangsrapportage en de
landelijke watersysteemrapportage, die voornamelijk handelt over de kwaliteit
van het oppervlaktewater. Uiteindelijk zullen beide rapportages worden geïntegreerd.
De voorbereiding van de voortgangsrapportage 1996 zal ter hand worden genomen
door de commissie Integraal waterbeheer, waardoor de kwaliteit van de informatie
nog beter zal worden. Naar verwachting zal de rapportage in november uitgebracht
kunnen worden.</al>
      <al>Dat de aanpak van diffuse bronnen van waterverontreiniging een weerbarstige
materie is, houdt in dat echte resultaten enige tijd op zich zullen laten
wachten. De minister was evenwel niet echt pessimistisch, omdat er al heel
wat initiatieven zijn genomen. Het is belangrijk dat er op veel fronten tegelijk
wordt gewerkt aan de bestrijding van de problemen. Er is internationaal overleg
en nationaal wordt samen met alle andere overheden en diverse sectoren die
belangrijke actoren zijn, zoals de landbouw, gewerkt aan een landelijk actieprogramma
om alles te doen wat kan. Dat vergt een grote inspanning van alle partijen.</al>
      <al>Jurisprudentie heeft geleerd dat het WVO-instrumentarium toegepast kan
worden op open-teeltlandbouw. Waar het om ongeveer 100 000 bedrijven
gaat, zal de hoofdlijn van het beleid in deze moeten zijn dat er algemene
regels worden opgesteld, maar voor een aantal sectoren lijkt vergunningverlening
het juiste instrument. Dat geldt in ieder geval voor de bollenteelt. Daarover
zijn al afspraken gemaakt in het convenant. Het geldt ook voor de boomteelt
waarvoor door de waterbeheerders al initiatieven zijn genomen. Het geldt misschien
ook voor de witlofteelt en de fruitteelt. In de tussentijd is er feitelijk
geen andere mogelijkheid dan de bestaande situatie passief te gedogen, omdat
de grote aantallen het verlenen van vergunningen en actief gedogen fysiek
onmogelijk maken. Dat betekent wel dat de rijksoverheid er haast mee heeft
en zo snel mogelijk regelingen zal proberen te bereiken. Bij het opstellen
van de algemene regels zal ook aandacht worden besteed aan spuit- en teeltvrije
zones.</al>
      <al>De minister zegde toe te zullen nagaan of er inderdaad voor een gebiedsgerichte
aanpak een ontsnappingsclausule moet worden opgenomen in de WVO. Bij haar
weten is er een afstemmingsconstructie gemaakt tussen de WVO en de Wet milieubeheer.
Er zou wel een probleem kunnen ontstaan als de vergunningverlener een andere
opvatting heeft dan de anderen die in het kader van een gebiedsgerichte aanpak
samenwerken, maar het is de vraag of dat probleem zou kunnen worden opgelost
met een ontsnappingsclausule.</al>
      <al>De minister beaamde dat een gezamenlijke aanpak door Rijk en regio en
in de regio noodzakelijk is. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft
daarbij inderdaad een coördinerende rol. De rijksoverheid en de regionale
overheden moeten samen de agenda bepalen. Getracht zal worden de wensen van
de regio in het rijksbeleid te honoreren. De aanpak van diffuse bronnen vraagt
van bedrijven soms ingrijpende maatregelen die lange uitvoeringstrajecten
vergen. Waar nodig zal men daarvoor de tijd moeten krijgen, maar waar mogelijk
zal moeten worden begonnen met maatregelen die al uitvoerbaar zijn. </al>
      <al>Op zich is de riolering geen diffuse bron. Er wordt hard gewerkt aan de
rioleringsplannen. Schriftelijk zal actuele informatie worden verstrekt over
het aantal gemeenten met een rioleringsplan. Of men zo'n plan kan afronden,
heeft ook iets te maken met de mogelijkheid om het uit te voeren en daarbij
treden nogal wat complicaties op. Het gaat om een omvangrijke en kostbare
operatie, ook voor de inwoners. Omdat zij de tarieven niet te snel kunnen
laten stijgen, stellen sommige gemeenten ook voor om wat langer te doen over
het aansluiten van nog niet-ontsloten percelen. Het is aan het ministerie
van VROM om op spoed aan te dringen. En dat gebeurt ook. De provincies zien
toe op de uitvoering van de plannen. Via de WVO-vergunning houdt ook de waterbeheerder
de vinger aan de pols. Voor de afweging van de kosten en baten van het aansluiten
in het buitengebied is de provincie verantwoordelijk. Er zijn nog delen van
het buitengebied waarin riolering rendabel kan zijn, maar er zijn ook delen
waarin dat niet het geval is.</al>
      <al>De toelating van bestrijdingsmiddelen is gebaseerd op een aantal criteria,
waaronder de schade voor het milieu. Daarom worden zeer schadelijke middelen
bij herbeoordeling niet langer toegestaan. Daarnaast treft de sector maatregelen
tot vermindering van de emissies tijdens het toepassen van bestrijdingsmiddelen.
De waterbeheerders en Verkeer en Waterstaat nemen steeds meer het initiatief
om in overleg met de sector te komen tot die maatregelen, enerzijds door mee
te praten over het bestrijdingsmiddelenbeleid in het kader van de uitvoering
van het meerjarenplan Gewasbescherming en anderzijds via het instrumentarium
van de WVO. De bewindsvrouwe deelde mee dat de minister van VROM mede namens
haar de Kamer voor de zomer zal informeren over de aanpak van niet-landbouwbestrijdingsmiddelen.
De aanpak van de onkruidbestrijding door gemeenten is overigens onderdeel
van het meerjarenplan Gewasbescherming. Sinds de problemen in 1993 en 1994
met een onkruidbestrijdingsmiddel in de Maas is er een duidelijke kentering
ter zake in het gemeentelijk beleid. De minister van Landbouw is de eindverantwoordelijke
voor het beleid tot toelating van bestrijdingsmiddelen. Dat de toelating van
schadelijke middelen soms wordt verlengd, is een gevolg van het ontbreken
van alternatieven.</al>
      <al>Bij interruptie werd opgemerkt dat de drinkwaterleidingbedrijven serieuze
klachten op dit punt hebben en dat de minister van LNV er tot dusverre onvoldoende
aan heeft gedaan. Vandaar dat er een dringend beroep op de bewindsvrouwe werd
gedaan om met het oog op de waterkwaliteit aan te dringen op een strengere
aanpak. De minister wees erop dat in het meerjarenplan Gewasbescherming ook
doelstellingen voor het water zijn opgenomen. De Kamer kan ervan overtuigd
zijn dat de stukken die zij van een minister ontvangt in het kabinet aan de
orde zijn geweest en dus geïntegreerd zijn bekeken. Bij de oplossing
van deze problemen gaat het uiteraard niet alleen om de waterkwaliteit. </al>
      <al>De minister merkte op dat aanvullend nitraatbeleid op de zandgronden vooral
belangrijk is voor het grondwater, maar ook zin heeft voor het oppervlaktewater.
Dat aanvullende beleid is heel complex, omdat juist op de zandgronden veel
veehouderijen gevestigd zijn die toch al zoveel maatregelen moeten nemen in
het kader van het mest- en ammoniakbeleid. Zij kon helaas nog geen nadere
mededelingen in deze doen. Waar het drinkwater in Nederland aan alle normen
voldoet, is informatie op de waterrekening over het nitraatgehalte onnodig.
Voor dit onderwerp is overigens de minister van VROM de eerstverantwoordelijke.</al>
      <al>Er is geen sprake van dat de uitspraak van de Raad van State over het
Hollands Diep een vertraging van twee jaar veroorzaakt. Er is door derden
gekeken naar de locatie Tiengemeten. Tegen een depot daar bestaan zoveel bezwaren,
onder meer van LNV, dat mag worden aangenomen dat het nooit op tijd zal kunnen
worden gerealiseerd. Er zal zo snel mogelijk een oplossing moeten worden gezocht
in het kader van de uitspraak van de Raad van State, maar dat
is pas mogelijk als de complete informatie daarover beschikbaar is.</al>
      <al>Het heeft wel lang geduurd, maar binnenkort zal de Kamer de reactie van
de bewindsvrouwe en haar collega van VROM ontvangen op het verslag over de
ontwerp-inbouwwet waterbodemsanering. Er wordt hard gewerkt aan het operationeel
maken van zandscheiding als verwerkingstechniek en aan het ontwikkelen en
operationeel maken van andere reinigings- en verwerkingstechnieken voor baggerspecie.
In de vierde nota Waterhuishouding zullen op basis van een evaluatie van de
voortgang de beleidslijnen voor de toekomst verder worden ingevuld. Het zal
nog wel enige tijd duren voordat de Kamer de vierde nota ter afronding voorgelegd
krijgt, maar de eerste grove schetsen van deze nota zullen al op vrij korte
termijn beschikbaar komen. De minister zegde toe te zullen nagaan of de Kamer
er dan over kan worden geïnformeerd. Zij beaamde dat de samenhang tussen
de verschillende beleidsonderwerpen groot is. Om die reden wordt er dezer
dagen een strategische conferentie gehouden van medewerkers van de vijf ministeries
die zich met deze onderwerpen bezighouden. Het ministerie van VW heeft al
heel wat ontwikkeld op het terrein van het waterbeheer.</al>
      <al>Wat de doelstelling voor de verwerking van te verwijderen baggerspecie
betreft, deelde de minister mee dat er proeven worden gedaan met een zandscheidingsinstallatie
waarbij een deel van het aangeboden slib kan worden verwerkt. Het Programma
ontwikkeling saneringsprocessen waterbodems zal volgend jaar worden afgerond.
In dit programma wordt een aantal reinigings- en verwerkingstechnieken onderzocht
op hun doelmatigheid. Naar verwachting zal er volgend jaar voldoende bekend
zijn om te beslissen over de toepassing van verwerkingstechnieken die geavanceerder
zijn dan zandscheiding. De definitieve besluitvorming zal worden neergelegd
in de vierde nota. Het grote verschil in kosten bij het omslagpunt voor natte
en droge sanering is een gevolg van het feit dat de gesaneerde droge bodem
een toegevoegde waarde heeft doordat gemeenten en projectontwikkelaars die
grond kunnen gebruiken. De toegevoegde waarde van natte sanering voor het
in stand houden van scheepvaart is moeilijker in geld om te zetten.</al>
      <al>Het beleidsstandpunt baggerspecie, waarin de 20% verwerkingsdoelstelling
is opgenomen, wordt momenteel geëvalueerd. Binnenkort wordt de zandscheiding
geoperationaliseerd. Of de doelstelling voor 2000 zal kunnen worden gehaald,
zal waarschijnlijk pas rond de totstandkoming van de vierde nota bekend zijn.
Vooralsnog zal er vooral moeten worden gestort, wat trouwens ook een belangrijk
milieurendement oplevert. Zelfs als er veel meer verwerkingsmogelijkheden
zijn ontwikkeld, dan nog zal het niet mogelijk zijn àlle verontreinigde
baggerspecie te verwerken tot nuttige produkten. Daarvoor zijn de hoeveelheden
te groot. Het VNG-rapport toont hoe groot het probleem is. In overleg met
de VNG wordt nagegaan in welke gemeenten de problemen het grootst zijn. Als
daarin inzicht bestaat, kan worden onderzocht hoe de problemen kunnen worden
opgelost. Als rijkswateren worden gesaneerd, wordt waar mogelijk tegelijk
daarvoor in aanmerking komend aangrenzend gemeentelijk water gesaneerd, zodat
de kosten voor de gemeente lager kunnen zijn dan bij een afzonderlijke saneringsoperatie
het geval zou zijn geweest. Over de baggerspecieproblemen van de artikel 12-gemeente
Den Haag zal de Kamer nadere informatie bereiken via het antwoord op schriftelijke
vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken.</al>
      <al>De minister sprak de hoop uit dat het baggerspeciedepot in Gelderland
conform de planning zal kunnen worden gerealiseerd. Voor de vergunningverlening
en de planologische procedures is zij evenwel afhankelijk van andere overheden
en burgers en daarbij is vertraging niet ondenkbaar. De stuurgroep inzake
de Hollandse IJssel heeft een startcontract voorbereid, dat een uitwerking
behelst van een in 1991 genomen principebesluit over de aanpak van het gebied.
Er worden projecten in genoemd die in de periode 1996–1997
moeten worden uitgevoerd en projectdoelen en verantwoordelijkheden voor de
langere termijn. Voor Rijkswaterstaat staat nu het noodzakelijke onderhoudsbaggerwerk
van delen van de vaargeul op het programma. De benodigde financiën zijn
ingepland. Vanaf 2000 komt de sanering van de waterbodem in verschillende
fasen aan de orde, maar daarmee kan pas worden gestart als het depot Hollands
Diep gereed is. Vandaar dat de minister de procedure voor het depot zo snel
mogelijk wilde afronden. De voor de sanering benodigde financiën (naar
schatting 100 mln.) moeten nog in het saneringsprogramma worden ingepast.
Zolang er geen stortcapaciteit is, zijn er ruim voldoende middelen, maar de
uitgetrokken gelden zullen als de sanering eenmaal echt op gang komt, absoluut
onvoldoende blijken te zijn. Waar er geen fonds watersanering is, worden niet
gebruikte voor de watersanering uitgetrokken gelden voor een ander doel aangewend.
De financiering van de grootschalige depots is rond. Dat geldt ook voor een
aantal kleinschalige depots. Bij de vierde nota zullen hierover langere-termijnafspraken
worden gemaakt. </al>
      <al>De evaluatie van de Wet op de waterhuishouding is niet van belang ontbloot.
Een belangrijke vraag waaraan ook in de vierde nota aandacht zal worden gegeven
is, of het huidige instrumentarium geschikt en toereikend is voor het voeren
van integraal waterbeheer. De Unie van waterschappen heeft gereageerd op de
belangrijkste aanbevelingen in het evaluatierapport. Met de Unie was de minister
van mening dat een en ander op een aantal punten nog moet worden uitgewerkt.
Het is dan ook te vroeg voor een definitief standpunt. Naar verwachting zal
de staatscommissie voor de zomer advies uitbrengen. Wanneer op bepaalde punten
besluitvorming mogelijk is voorafgaand aan de vierde nota, dan zal daartoe
worden overgegaan. Dat geldt ook voor mogelijke aanpassingen van de wetgeving.
Daarna zal de Kamer over de toekomstige gang van zaken worden geïnformeerd.
De kanttekeningen ten aanzien van de planvorming zullen worden meegewogen
als verdere integratie aan de orde is. De minister zei ook oog te hebben voor
de nadelen van verdergaande integratie. De mogelijkheid wordt onderzocht tot
modernisering van de WVO in relatie tot de Wet verontreiniging zeewater. In
samenhang daarmee zal de nodige aandacht worden besteed aan de afstemming
van de procedures. Voor zover zij daarop betrekking hebben, zullen de aanbevelingen
worden betrokken bij de vierde nota Waterhuishouding. Zodra duidelijk is hoe
aanbevelingen kunnen worden uitgevoerd, zal daartoe overgegaan worden.</al>
      <al>In de Milieubalans 1995 wordt voorspeld dat de uitvoering van op stapel
staande herstelprojecten zal leiden tot een reductie van de verdroging in
2000 van 3% tot 5%. Bij die schatting is maar ten dele rekening gehouden met
versnelling van de bestrijding van de verdroging tengevolge van de totstandkoming
van de provinciale plannen van aanpak en een voortvarender uitvoering van
de GEBEVE-regeling. Aan het eind van het jaar zullen àlle provincies
beschikken over een plan van aanpak. De reductie van het areaal verdroogde
gebied zal naar 's ministers verwachting belangrijk groter kunnen zijn dan
in de Milieubalans wordt aangegeven, maar een reductie met 25% lijkt niet
haalbaar in 2000; wel een paar jaar later. Over de haalbaarheid van de 40%-doelstelling
in 2010 kan nog geen uitspraak worden gedaan. Om zoveel mogelijk te bereiken,
moeten de doelstellingen worden gehandhaafd en niet naar beneden worden bijgesteld,
tenzij dat niet anders kan. Uiteraard is het vaststellen van een landelijke
doelstelling voor het Rijk eenvoudiger dan de verwezenlijking ervan door provincies,
waterschappen en waterleidingbedrijven gezamenlijk. De bestrijding van de
verdroging wordt nu, zij het trager dan gewenst, door deze instanties opgepakt.
Vele waterschappen zijn bezig met het ontwikkelen en uitvoeren van concrete
projecten. De indruk bestaat dat op dit moment het bestuurlijke probleem het
belangrijkste probleem is. In het kader van de vierde nota zal, afhankelijk
van het resultaat van de evaluatie die momenteel door het RIZA
wordt uitgevoerd, worden beoordeeld of er meer instrumenten nodig zijn om
de doelstelling te bereiken en of er meer mogelijk is. Er komt steeds meer
overeenstemming tussen de provincies over de onderscheiden definities. Doordat
de provinciale plannen van aanpak later dan voorzien worden afgerond, zal
ook de evaluatie later worden uitgevoerd dan in de voortgangsrapportage is
vermeld. De evaluatieresultaten zullen worden opgenomen in de volgende voortgangsrapportage.</al>
      <al>Sinds eind 1994 wordt door een interdepartementaal projectteam gewerkt
aan de vierde nota Waterhuishouding. Daarbij wordt het zogenaamde open planproces
gehanteerd, waarbij het projectteam via het systeem van hoor en wederhoor
wil komen tot het opstellen van de nota die de basis moet vormen voor het
waterhuishoudkundige beleid voor de komende eeuw. Door middel van het open
planproces wordt een veel groter draagvlak gecreëerd dan in het verleden
mogelijk was. In het begin kost dat meer tijd en investering, maar die worden
aan het einde van het traject ruimschoots terugverdiend. Inderdaad bestaat
bij veel gebruikers en beheerders van water de wens om de relatie tussen de
beleidsterreinen water, milieu en ruimtelijke ordening te versterken. Samen
met RPD en DGM worden wegen gezocht om dit te bereiken. Binnen het ministerie
zijn de onderwerpen kustzonebeheer, beveiliging tegen overstroming, de aanpak
van diffuse verontreiniging en de waterproblematiek aan de orde in het kader
van de vierde nota. Om de discussie over het toekomstige beleid te stimuleren
heeft het projectteam in oktober de notitie Ruimte voor water uitgebracht.
Begin mei zal de discussie daarover worden afgesloten. De resultaten van de
discussie zullen worden gepubliceerd. Een volgende discussieronde zal in het
najaar starten en daarin zal in ruwe vorm de basis voor de vierde nota worden
gelegd. De minister wilde nadenken over de mogelijkheid de Kamer in wat meer
formele zin, bijvoorbeeld in de informatieve sfeer, bij het hele proces te
betrekken zonder dat deze dan aan het eind niet meer de handen vrij zou hebben
bij de beoordeling van de nota.</al>
      <al>Bij de start van het project heeft het IPO deelname afgewezen. Wel nemen
IPO-vertegenwoordigers deel aan de klankbordgroep en de bestuurlijke begeleidingscommissie.
Voorts nemen provinciale ambtenaren deel aan de verschillende voorbereidende
onderzoeken.</al>
      <al>Bij de behandeling van het peilbesluit is rekening gehouden met het chloridegehalte
van het Volkerak en het Zoommeer en de effecten daarvan op de landbouw. Er
zijn inderdaad helaas enkele tegenvallers bij het onderhoud van de Oosterscheldekering.
Er is niet zozeer scherp gecalculeerd als wel scherp ontworpen, waarbij niet
is geprobeerd om elk mogelijk risico te vermijden. Bij het gebruik van een
volledig nieuwe techniek in combinatie met een zo dynamische onderwaterbodem
mag men ervan uitgaan te worden geconfronteerd met onverwachte dingen.</al>
      <al>De Kustnota komt de komende week in de ROM aan de orde en daarna in het
kabinet, waarna de nota aan de Kamer zal worden toegezonden. Voor de korte
termijn is er geen sprake van een financieel probleem. Wel zal voor de periode
na 2000 rekening moeten worden gehouden met een toename van de kosten van
kustonderhoud als gevolg van de zeespiegelstijging en versteiling van de kust.</al>
      <al>Hoewel de samenwerking tussen de betreffende instituten al sterk is, zijn
de ministers van OCW, van EZ en van VW zeer geporteerd voor de vorming van
een topinstituut waterbouw, waarin de specialistische krachten op het gebied
van onderzoek, onderwijs en bedrijfsleven zullen worden gebundeld, ook om
de Nederlandse exportpositie op het gebied van de waterbouw verder te versterken.
Rijkswaterstaat is er zeer actief bij betrokken. Nederland wordt in de wereld
gezien als hèt land van de waterbouw en moet die positie zien te handhaven.</al>
      <al>Voor nadere informatie betreffende het internationale overleg over waterbeheersing
verwees de minister naar de notitie van de hoogwaterwerkgroep
van de Internationale Rijncommissie. In deze onlangs aan de Kamer aangeboden
notitie staat hoe complex het probleem is en dat slechts geleidelijk het vasthouden
van water in het stroomgebied kan worden verbeterd. Met de Maascommissie wordt
nagedacht over de wijze waarop dit vorm kan worden gegeven.</al>
      <al>Het wetsontwerp tot instelling van een exclusieve economische zone is
door de Raad van State beoordeeld en ligt nu, een ontwerp-rijkswet zijnde,
ter beoordeling voor bij Aruba en de Nederlandse Antillen. Het wetsontwerp
zal door de minister van Binnenlandse Zaken worden ingediend, aldus de bewindsvrouwe.
 </al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Biesheuvel</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Coenen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:  Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP),
Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Versnel-Schmitz
(D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Van
Rooy (CDA), Poppe (SP), Van 't Riet (D66), Duivesteijn (PvdA), H. G. J. Kamp
(VVD), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66), M. B. Vos (GroenLinks),
Verkerk (AOV), Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66), Keur (VVD), Hofstra (VVD),
Assen (CDA).  </al>
    <al>Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA),
Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Jeekel (D66), Swildens-Rozendaal
(PvdA), Terpstra (CDA), Huys (PvdA), Korthals (VVD), Esselink (CDA), Hillen
(CDA), H. Vos (PvdA), Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga
(PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Boogaard (groep-Nijpels),
Valk (PvdA), Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van der
Linden (CDA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>