Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2008-2009
Kamerstuk 30696 nr. C

Gepubliceerd op 19 mei 2009

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



30 696
Wijziging van de Wet op de lijkbezorging

C
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 15 mei 2009

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis der Koningin van 4 november 2008. De leden van de fractie van de PvdA geven aan met belangstelling te hebben kennis genomen van de wijziging van de Wet op de lijkbezorging. Deze leden zijn er blij mee dat het wetsvoorstel na vele jaren eindelijk in het eindstadium van het wetgevingsproces is beland. De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennis genomen van dit wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de grafrusttermijn op tien jaar blijft staan. Zij kunnen begrijpen dat een verlenging van die periode naar vijftien jaar de nabestaanden meer zekerheid en emotionele rust kan bieden. Onder meer de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse Kerk in Nederland had om de verlenging van deze termijn gevraagd. Kan de regering toelichten waarom zij hierop niet is ingegaan, en waarom zij het hanteren van de termijn van vijftien jaar afhankelijk maakt van de inzichten van de houder van de begraafplaats?

De wet geeft in artikel 31 een minimale termijn van grafrust. Binnen die periode van tien jaar mogen graven niet geruimd worden. Dit is echter niet hetzelfde als de termijn van uitgifte van een algemeen graf, waar de wet over zwijgt. Niets hoeft er dan ook aan in de weg te staan dat de houder van de begraafplaats een langere termijn van uitgifte hanteert. Bovendien is het zo dat na afloop van de termijn er niet geruimd hoeft te worden. Ruimen is immers een bevoegdheid van de houder van de begraafplaats, geen verplichting. De houder kan er dus voor kiezen de graven na afloop van de periode van grafrust gedurende langere of kortere tijd nog ongemoeid te laten. Er kan echter een belang zijn de minimale wettelijke termijn van tien jaar aan te houden. Mogelijke redenen kunnen zijn ruimtegebrek op de begraafplaats of het bewust laag willen houden van de grafkosten, die in beginsel zullen toenemen naarmate de termijn van uitgifte langer is. Het is juist een goede zaak dit aan het inzicht van de houder over te laten, omdat hij de situatie ter plaatse het best kan beoordelen. Wij hebben bewust afgezien van verlenging van de minimale termijn van grafrust om de bestaande flexibele mogelijkheden niet te doorkruisen.

De leden van de fractie van de PvdA begrepen voorts dat de regering van oordeel is dat de specifieke eisen die aan gemeentelijk lijkschouwers en artsen moeten worden gesteld ten aanzien van de lijkschouw, via zelfregulering door de sector verankerd moeten worden. In de ogen van deze leden betreft kwaliteit ook de communicatie tussen professionals en met nabestaanden. Allereerst vragen zij zich af of er op dit punt inzicht bestaat in eventuele klachten of misstanden in de huidige praktijk. Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdA in hoeverre de zelfregulering in opleidingen en toezicht ook de uitwisseling van gegevens en communicatie tussen de beoordelend arts, de gemeentelijk lijkschouwer en de nabestaanden betreft, en of de regering kan bevorderen dat de sector hierover afspraken maakt.

Wij hebben geen aanwijzingen dat de communicatie tussen professionals en met nabestaanden niet goed verloopt. Daarbij zij overigens aangetekend dat het aantal klachten of misstanden niet (centraal) wordt geregistreerd. Zoals de aan het woord zijnde leden opmerken, is dit een verantwoordelijkheid van de beroepsgroep. Goede communicatie tussen artsen onderling en tussen arts en patiënt/nabestaanden is één van de vereisten in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) die onder de verzamelterm «goed hulpverlener» valt. De zelfregulering betreft ook de communicatie tussen de beoordelend arts, de gemeentelijk lijkschouwer en de nabestaanden. Ook hier geldt dus de eis van «goed hulpverlener» in de zin van de WGBO. Eventueel kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheden die het medisch tuchtrecht biedt. In het licht van het vorengaande zien wij dan ook geen noodzaak om een beroep op de sector te doen om specifiek over de communicatie afspraken te maken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af welke mogelijkheden de colleges van B&W hebben om, vanuit hun bevoegdheid gemeentelijk lijkschouwers te benoemen, eisen te stellen aan hun werkwijze. Deze leden menen dat dit van belang kan zijn bij falende zelfregulering door de beroepsgroepen en vragen of de regering die opvatting deelt.

Het onderhavige wetsvoorstel voorziet er in dat het college van B&W uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe bijgehouden register, benoemt tot gemeentelijk lijkschouwer (artikel 5). Daarmee is beoogd de kwaliteit van de gemeentelijk lijkschouwers aan te scherpen ten opzichte van de huidige situatie waarin zij «alleen maar» arts hoeven te zijn. De beroepsgroep blijft niettemin zelf verantwoordelijk voor de opleiding en kwaliteit. Het college is niet bevoegd eisen te stellen aan de werkwijze van de gemeentelijke lijkschouwers. Daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag. Hun handelen wordt, net als dat van andere artsen, gecontroleerd door de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ). Bij een eventueel «falende zelfregulering» is het dan ook aan de Inspectie om daarover aan de verantwoordelijke instanties te rapporteren en te adviseren om maatregelen te treffen, en niet aan het college.

De leden van de PvdA-fractie hebben begrepen dat de regering er weinig voor voelt een standaardprocedure in te stellen die het noodzakelijk maakt dat alle minderjarige overledenen aan een schouw worden onderworpen door een forensisch arts die niet de behandelend arts is. Deze leden zijn er blij mee dat de regering wel het belang met hen deelt van het achterhalen van eventuele mishandeling als doodsoorzaak bij minderjarigen. Kan de regering aangeven wat haar inschatting is over de omvang van de groep minderjarigen die sterven door mishandeling, alsmede op welke wijze het achterhalen van die groep kan worden verbeterd?

Jaarlijks overlijden gemiddeld ongeveer 200 kinderen als gevolg van een niet-natuurlijke doodsoorzaak dan wel is sprake van vooralsnog onverklaard overlijden. Volgens diverse onderzoeken is in ongeveer 50 gevallen sprake van overlijden als gevolg van kindermishandeling. Om eventuele gevallen van kindermishandeling te achterhalen, voorziet dit wetsvoorstel in verplicht contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer alvorens eerstgenoemde een verklaring van overlijden kan afgeven (artikel 10a). Hiermee wordt voorkomen dat een verklaring van overlijden wordt afgegeven louter op basis van het oordeel van de behandelend arts, die mogelijk minder alert is op «verborgen aanwijzingen» van kindermishandeling. Indien het overlijden vooralsnog onverklaard is, kan een nader onderzoek naar de doodsoorzaak (NODO) plaatsvinden onder regie van de gemeentelijk lijkschouwer. Het inzicht in de factoren die een rol spelen bij fatale kindermishandeling is beperkt. Mede daardoor zijn kinderen die overlijden als gevolg van mishandeling niet eenvoudig te achterhalen. Verbetering van inzicht in de demografische risicofactoren, verbetering van registratiegegevens en informatie-uitwisseling moeten bijdragen aan het beter achterhalen van fatale gevallen van kindermishandeling. De verwachting is voorts dat de invoering van het NODO-protocol hierin meer inzicht zal geven.

De leden van de fractie van de PvdA wijzen er op dat de regering aangeeft dat de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer moet informeren over zijn oordeel over de doodsoorzaak van overledenen. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandeld arts in deze overeind kan blijven. Zo nodig kan de gemeentelijk lijkschouwer zich op basis van eigen onderzoek een oordeel over de doodsoorzaak vormen. Deze leden vragen of de regering kan aangeven onder welke omstandigheden zij van de gemeentelijk lijkschouwer zou verwachten dat een nader onderzoek plaatsvindt.

Er is geen sprake van een standaardcontact tussen de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer. Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven, is de behandelend arts op grond van het onderhavige voorstel verplicht contact op te nemen met de gemeentelijk lijkschouwer indien de overledene minderjarig is, óók in de gevallen dat de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft (en hij dus een verklaring van overlijden mag afgeven). Thans dient hij reeds de gemeentelijk lijkschouwer te waarschuwen indien hij niet overtuigd is van een natuurlijke doodsoorzaak. Het valt niet in algemene zin aan te geven onder welke omstandigheden de gemeentelijk lijkschouwer zelf nader onderzoek naar de doodsoorzaak zal verrichten. Vast staat dat het om gevallen zal gaan waarbij de gemeentelijk lijkschouwer op basis van door hem aan de behandelend arts te stellen vragen niet direct is overtuigd van een natuurlijke doodsoorzaak. Dit moet echter worden overgelaten aan zijn medisch-professioneel handelen, gebaseerd op zijn ervaring.

De voornoemde leden constateren dat de wetswijziging de verantwoordelijkheid van de rechthebbenden op het graf verder aanscherpt, onder meer om verwaarlozing van het graf te voorkomen. Zij begrepen dat het niet langer de verantwoordelijkheid van de houder van de begraafplaats is om de adresgegevens van rechthebbenden op een graf bij te houden en te achterhalen. Deze leden begrijpen dat dit de administratieve last en veel uitzoekwerk aan de kant van de houder van de begraafplaats sterk vermindert, maar op welke wijze zal de communicatie hierover met rechthebbenden op graven plaatsvinden? Op welke wijze kan de regering er zeker van zijn dat de rechthebbenden op graven hiervan tijdig kennis hebben kunnen nemen?

Bij particuliere graven behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de rechthebbenden om de houder van de begraafplaats op de hoogte te houden van hun actuele adres, zodat deze hen kan verwittigen bij het verstrijken van de termijn van uitgifte. Dit behelst in de praktijk niet meer dan het sturen van één extra verhuiskaart. De inspanning voor de rechthebbenden is dus betrekkelijk laag. Daarnaast is als gevolg van een amendement-Knops (nr. 13) nu aan het wetsvoorstel toegevoegd dat de houder van de begraafplaats ook bij het verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf daarvan schriftelijk mededeling doet aan de belanghebbende bij dat graf wiens adres hem bekend is (artikel 27a). Het eerste contact dat nabestaanden hebben over de wijze van begraven is met de uitvaartondernemer. Van hem mag worden verwacht dat hij de nabestaanden wijst op de verschillen in soorten graven en de mogelijke gevolgen daarvan voor het ruimen van graven. Voorts zouden ook de gemeenten hierbij een rol kunnen vervullen. Immers, zij zijn verantwoordelijk voor het verwerken van de aangifte van overlijden en zouden daarbij tevens, in ieder geval daar waar het gemeentelijke begraafplaatsen betreft, voorlichting kunnen geven over de verschillende graven en het eventueel ruimen daarvan. Wij verwachten dat de recente publiciteit rond het ruimen van graven en rond de komende wetswijziging alle betrokkenen alert maakt op deze kwestie. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat niets de houder belet zelf de adressen van rechthebbenden op particuliere graven en belanghebbenden bij algemene graven bij te houden. Indien hij dus meer service wil bieden dan hetgeen waartoe hij wettelijk verplicht is, staat hem dat vrij. Hij kan zelf de afweging maken of dit opweegt tegen de administratieve inspanningen die dit vergt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts of de regering kan aangeven hoe vaak in geval van overlijden in het buitenland de gestelde termijn voor lijkbezorging niet gehaald wordt. Wat zijn daarvoor de oorzaken? Welke internationale afspraken maakt de regering om vervoer van de overledene naar Nederland te bespoedigen? Wiens verantwoordelijkheid is het om de overbrenging zo spoedig mogelijk plaats te laten vinden?

De regering is niet bekend met gevallen van termijnoverschrijding nu hier geen centrale registratie van bestaat. Het Besluit op de lijkbezorging bepaalt in artikel 13 dat indien een lijk Nederland is binnengebracht op een zodanig tijdstip dat begraving of crematie binnen de door artikel 16 van de Wet op de lijkbezorging gestelde termijn van de vijfde dag na die van het overlijden niet mogelijk is, begraving of crematie zo spoedig mogelijk daarna plaatsvindt. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt de termijn voor begraven en cremeren als gevolg van een amendement-Knops (nr. 19) verlengd tot de zesde werkdag na het overlijden. De kans op overschrijding van die termijn neemt daarmee af. De AMvB zal hierop worden aangepast. Over het vervoer van lijken zijn in internationaal verband afspraken gemaakt. De belangrijkste daarvan is de Overeenkomst van Straatsburg van 26 oktober 1973 inzake het vervoer van lijken. Het betreft hier een verdrag van de Raad van Europa. Hoofdregel is dat het vervoer van lijken ongehinderd geschiedt, mits een laissez-passer is bijgevoegd; zie ook artikel 11 van het Besluit op de lijkbezorging. De opdrachtgever voor de uitvaart is verantwoordelijk voor de spoedige overbrenging naar Nederland. In de praktijk zullen de nabestaanden dit door een uitvaartondernemer laten verzorgen.

Met het amendement-Anker (nr. 15) wordt beoogd het voor meer mensen mogelijk te maken om te kiezen voor een particulier graf. De leden van de fractie van de PvdA vragen of de regering kan aangeven wat haar verwachtingen zijn over de groei van het aantal particuliere graven. Welke consequenties heeft dit naar verwachting in ruimtelijk en financieel opzicht, zo vragen deze leden. Als gevolg van dit wetsvoorstel ontstaat voor de houder van een begraafplaats de mogelijkheid om een particulier graf voor tien jaar uit te geven, waar dit thans nog twintig jaar is. Op dit moment valt moeilijk te voorspellen of de begraafplaatshouders op grote schaal van deze bevoegdheid – het betreft geen verplichting – gebruik zullen maken en of als gevolg daarvan het aantal particuliere graven zal toenemen. Thans is het aantal particuliere graven ongeveer even groot als het aantal algemene graven. De vraag naar particuliere graven zal voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de hoogte van het grafrecht. Grafrechten mogen zoals bekend maximaal kostendekkend zijn. Uit onderzoek blijkt dat (nog) maar in één derde van de gemeenten de exploitatie kostendekkend is.1 Het aanbod van particuliere graven zal overigens voor een belangrijk deel worden bepaald door de capaciteit van de begraafplaatsen. Uit onderzoek blijkt dat 42% van de gemeenten beperkte capaciteitsproblemen verwacht; slechts 9% van de gemeenten voorziet grote problemen.2 Mogelijke oplossingen zijn het ruimen van graven, het uitbreiden van begraafplaatsen of het aanleggen van nieuwe begraafplaatsen. De te verwachten capaciteitsproblemen zijn weer van invloed op de grafkosten.

In het wetsvoorstel wordt over de verantwoordelijkheid van de colleges van B&W gesproken waar het gaat om de gemeentelijk lijkschouwer. Kan de regering aangeven, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA, wat haar visie is op de situatie dat veel kleinere gemeenten die verantwoordelijkheid regionaal hebben ondergebracht, bijvoorbeeld bij de regionale GGD. Veel gemeenten, niet alleen kleine maar ook grote, hebben er voor gekozen de functie van gemeentelijk lijkschouwer in regionaal verband te organiseren. Bij de regionale GGD’s is veel expertise aanwezig. Wij achten het een goede zaak dat gemeenten voor samenwerking kiezen om te waarborgen dat er professionele gemeentelijk lijkschouwers zijn die hun werk op adequate wijze kunnen verrichten. De Wet op de lijkbezorging staat hier geenszins aan in de weg.

De leden van de SP-fractie vragen of de in de memorie van toelichting (en tevens in de nota naar aanleiding van het verslag) aangekondigde samenwerkingsrichtlijn voor de lijkschouw door de behandelend arts, welke via ZonMw aan de medische en forensische beroepsgroepen gevraagd zou worden, inmiddels gereed is, en zo ja, of deze ook geïmplementeerd is. Is er al informatie over de ervaringen met het werken met deze samenwerkingsrichtlijn? Hoe pakken in de praktijk de nadere afspraken over onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling rond de uitvoering van de lijkschouw uit? De aanvraag van de KNMG voor het ontwikkelen van een multidisciplinaire richtlijn inzake samenwerking bij de lijkschouw is door ZonMw in juni 2008 conform de geldende procedures beoordeeld om te bezien of deze in aanmerking komt voor subsidie binnen het programma Kennisbeleid Kwaliteit Curatieve Zorg. De aanvraag is afgewezen omdat de kwaliteit van de aanvraag tekort schoot. Alle betrokken partijen zijn er echter van overtuigd dat deze richtlijn er moet komen. In een gezamenlijk overleg op 30 oktober 2008 zijn er nadere afspraken gemaakt over de inhoud van deze te ontwerpen richtlijn. Daarbij heeft men besloten dat er eerst een knelpuntenanalyse moet komen. Het Nederlandse Huisartsen Genootschap gaat het voortouw nemen bij het opstellen van een nieuwe aanvraag. Tevens is besloten om een projectgroep in het leven te roepen, bestaande uit diverse disciplines, die zich gaat verdiepen in de juridische en ethische aspecten, het realiseren van draagvlak, de verspreiding van informatie en de implementatie.

De leden van de fractie van de SP vragen welke de laatste jaren de ervaringen zijn met pilots voor de NODO-procedure. Hoe vaak wordt ervan gebruik gemaakt? In hoeveel procent van die gevallen blijkt dan toch sprake te zijn van natuurlijk overlijden? En hoe vaak wordt alsnog de officier van justitie verwittigd van mogelijk niet-natuurlijk overlijden van een minderjarige? Ondanks eerdere berichten over pilots met de NODO-procedure, bijvoorbeeld in Dordrecht, hebben er geen pilots plaatsgevonden. Hiervoor ontbreekt immers de wettelijke grondslag. Er is dus nog geen ervaring met de NODO-procedure opgedaan. Het ministerie van Justitie werkt in samenspraak met de KNMG aan de implementatie van de procedure.

De leden van de SP-fractie vragen naar aanleiding van Kamervragen van Tweede Kamerlid Agema aan de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie dd. 17 oktober 2008 over het overlijden van mevrouw E. in de koelcel van het verpleeghuis waar zij woonde of de regering van mening is dat de Wet op de lijkbezorging aangepast zou moeten worden met een aanvulling dat de lijkschouwing door een behandelend arts moet worden verricht voordat iemand naar een mortuarium wordt overgebracht, of dat dit thuis hoort in de Handreiking lijkschouwing voor artsen (KNMG 2005). Voornoemde vragen zijn op 25 november 2008 beantwoord.1 Wij hebben mede naar aanleiding van het hier aangeduide voorval in het wetsvoorstel opgenomen dat de lijkschouw zo spoedig mogelijk na het overlijden plaatsvindt (artikel 3). Een meer concrete normstelling zoals hier door de aan het woord zijnde leden gesuggereerd, leent zich naar ons oordeel niet voor een wettelijke regeling.

Voorts vragen de leden van de SP-fractie of de regering kan toelichten hoe de huidige stand van zaken is met betrekking tot de elektronische informatie-uitwisseling of dat de huidige communicatie na overlijden nog steeds op papieren formulieren (verklaring van overlijden en de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek geschiedt) berust. De minister van Justitie werkt aan een wetsvoorstel elektronische burgerlijke stand, een wijziging van het Burgerlijk Wetboek. Dit zal onder andere voorzien in de elektronische aangifte van overlijden door uitvaartondernemers. Ook de door de behandelend arts af te geven verklaring van overlijden en het door de ambtenaar van de burgerlijke stand af te geven verlof tot begraving of crematie zullen in de toekomst elektronisch afgegeven kunnen worden. Om ook dit deel van het proces digitaal te kunnen laten verlopen, zal het eerder genoemde wetsvoorstel tevens voorzien in een wijziging van de Wet op de lijkbezorging. Voorts wordt in samenspraak met het CBS bezien hoe de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek het beste geregeld kan worden. Het voornemen bestaat ook hier elektronische informatie-uitwisseling mogelijk te maken. Digitalisering van deze processen en formulieren draagt bij aan de reductie van de administratieve lasten.

De leden van de fractie van de SP wijzen er op dat de Inspectierichtlijn Lijkbezorging zal worden vervangen door een geactualiseerde Handreiking Lijkbezorging, op te stellen door het ministerie van BZK, de VROM-Inspectie en de VNG in samenspraak met de branche. De parlementaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel zal worden afgewacht alvorens de Inspectierichtlijn in een Handreiking wordt omgezet. Wanneer zal deze Handreiking naar verwachting beschikbaar zijn? Naar verwachting zal de Handreiking eind 2009 beschikbaar zijn. Ons is niets gebleken van zodanige problemen in de praktijk dat onmiddellijke omzetting van de Inspectierichtlijn geboden is.

Gelet op het ingrijpende karakter van het vervallen van grafrechten is voor een wettelijke regeling gekozen boven een regeling bij gemeentelijke verordening. De leden van de SP-fractie zijn met de regering van mening dat ook ten aanzien van eeuwigdurende grafrechten de uiterste zorgvuldigheid moet worden betracht, wil men recht blijven doen aan de wens van de overledene en zijn nabestaanden. Is er een inzicht in de omvang en het soort van problemen bij eeuwigdurende grafrechten die begraafplaatshouders zouden ondervinden? En is anderzijds bekend hoeveel en welk soort problemen nabestaanden ondervinden van beheersproblemen van begraafplaatshouders met graven waarop eeuwigdurende grafrechten rusten? Uit onderzoek blijkt dat van de gemeenten die in de toekomst capaciteitsproblemen op hun begraafplaatsen verwachten, een ruime meerderheid aangeeft dat eeuwigdurende graven hiervan de oorzaak zijn. Ook leiden eeuwigdurende graven in een ruime meerderheid van de gevallen tot beheersproblemen.1 Het is om die reden dat de VNG gemeenten afraadt nog langer eeuwigdurende graven uit te geven. Bij eeuwigdurende graven is het onderhoud van het graf dikwijls bij de prijs inbegrepen. Nabestaanden hebben hier dan verder geen zorg aan.

De leden van de fractie van de SP wijzen er op dat gemeenten tot één jaar na de inwerkingtreding van deze wet de gelegenheid krijgen nadere regels te stellen met betrekking tot het ruimen van graven en hoe omgegaan wordt met verzamelgraven. Mochten zij dit niet doen, dan zal de regering hierover nadere regels stellen in een AMvB. Is de regering bekend hoever momenteel de gemeenten, afzonderlijke of gezamenlijk via de VNG, gevorderd zijn in het opstellen van genoemde nadere regels? Als gevolg van een amendement-Van Raak/Knops (nr. 23) kent het wetsvoorstel aan de regering de bevoegdheid toe bij AMvB regels te stellen over het ruimen van graven. Zoals bekend hebben wij geen behoefte aan het stellen van regels over het ruimen van graven. De houder van de begraafplaats is zelf in staat hier op verantwoorde wijze mee om te gaan. De VNG werkt aan een wijziging van de modelbeheersverordening begraafplaatsen. Het ruimen van graven en de omgang met stoffelijke resten zal daarbij de nodige aandacht krijgen.

Ten slotte vragen de leden van de SP-fractie of de regering naar aanleiding van de motie-Anker/Van der Staaij (nr. 28) de VNG al heeft gevraagd een model te ontwikkelen dat een reële kostenopbouw en -vergelijking tussen gemeenten mogelijk maakt, en zo ja, op welke termijn mag worden verwacht dat dit model gereed zal zijn. Of staat dit model op het lijstje van de regering om, zoals aangegeven in het debat met de Tweede Kamer op 4 september 2008, na afhandeling van dit wetsvoorstel door de Eerste Kamer, wat uitgebreider met de VNG te bespreken?

Na aanvaarding van het onderhavige wetsvoorstel zullen de desbetreffende onderwerpen in een overleg met de VNG aan de orde komen. De VNG werkt inmiddels aan een stappenplan waarmee gemeenten een goede kostenonderbouwing kunnen maken voor heffingen die zijn gebaseerd op het verhalen van kosten. Wanneer dit gereed zal zijn, is nog niet bekend. De uitvoerende maatregelen die als gevolg van dit wetsvoorstel geboden zijn, hebben overigens geen bijzondere urgentie. Dat geldt ook de ontwikkeling van een model inzake grafkosten. Daar komt nog bij dat de hoogte van de grafkosten, die maximaal kostendekkend mogen zijn, een gemeentelijke aangelegenheid is.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink


XNoot
1

SGBO, De Wet op de lijkbezorging door gemeenten uitgevoerd, Den Haag 2007, p. 8.

XNoot
2

Ibidem, p. 14.

XNoot
1

Aanhangsel Handelingen II 2008/09, nr. 751.

XNoot
1

SGBO, De Wet op de lijkbezorging door gemeenten uitgevoerd, Den Haag 2007, p. 15.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl