﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="1" publtype="mean">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-20062007-30601-C/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Eerste Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2006-2007</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="v2_9__3.8" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST104619</ordernr>
    <vergjaar>2006-2007</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>30 601</nummer>
      <naam>Wijziging van de Waterschapswet en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de bestuurlijke structuur
en de financieringsstructuur van waterschappen (Wet modernisering waterschapsbestel)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <nummer>C</nummer>
      <titel>MEMORIE VAN ANTWOORD</titel>
      <datum>Ontvangen 23 januari 2007</datum>
      <al>Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en vragen
van de leden van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat met betrekking
tot het onderhavige wetsvoorstel. Ik geef hierbij mede namens de Minister
van Financiën mijn reactie op de vragen en opmerkingen van de leden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de beantwoording van de vragen en opmerkingen is de volgorde van het
voorlopige verslag als uitgangspunt genomen. Vanwege de samenhang van een
aantal vragen en antwoorden is in enkele gevallen daarvan afgeweken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van het CDA, D66, OSF en de
CU maken opmerkingen over de toekomstbestendigheid van de voorgestelde Waterschapswet.
Deze leden vragen zich af waarop de verwachting gebaseerd is dat de wet voor
de komende 20 jaar voldoende robuust is en of op termijn niet ingrijpender
aanpassingen nodig zijn.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in de memorie van toelichting genoemde termijn van 1 à 2 decennia
is niet heel hard. Hij is gebaseerd op de volgende overwegingen. De nu voorgestelde
wijzigingen in de Waterschapswet zijn noodzakelijk vanwege de grote organisatorische
ontwikkelingen in de waterschapswereld sinds de inwerkingtreding van de wet
in 1992. In de memorie van toelichting is al geschetst dat er een aanzienlijke
schaalvergroting heeft plaatsgevonden, waarbij all-in waterschappen gevormd
zijn. Na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal de Waterschapswet toegesneden
zijn op de waterschapsorganisatie zoals die nu is. In de komende jaren zijn
niet veel fusies meer te verwachten. De komende 1 à 2 decennia staan
in het teken van de opgaven in het kader van de veiligheid en de implementatie
van de Kaderrichtlijn Water. De taakomschrijving van het waterschap, zoals
die nu wordt voorgesteld, biedt daarvoor de ruimte. De concrete invulling
van de taken vindt overigens plaats in de sectorale wetgeving, die geïntegreerd
wordt in de Waterwet. Daarbij wordt rekening gehouden met de samenhang met
andere beleidsterreinen, waar de leden van de fractie van het CDA terecht
op wijzen. De eigen belastingheffing stelt het waterschap in staat de uitvoering
van de wateropgaven te bekostigen, onder verantwoordelijkheid van het waterschapsbestuur
waarin de belangengroepen vertegenwoordigd zijn. Concrete indicatoren om de
toekomstbestendigheid van de wet te meten, waar de leden van de fracties van
D66 en OSF om vragen, zijn er niet. Er worden thans echter geen
grote wijzigingen in de organieke wet meer voorzien, omdat met deze nieuwe
wetgeving de huidige waterschapsorganisatie in staat gesteld wordt adequaat
uitvoering te geven aan de wateropgaven van de komende jaren.</al>
      <al>De leden van de fracties van de SGP en CU vragen een reactie op de stelling
dat op enige termijn ingrijpender aanpassingen nodig zijn. Het zal ongetwijfeld
zo zijn dat op de langere termijn behoefte ontstaat aan nieuwe aanpassingen.
Op welke onderdelen die betrekking zullen hebben en hoe ingrijpend die wijzigingen
zullen zijn, is op dit moment echter moeilijk te voorspellen. Ik kan daar
dan ook geen concrete uitspraak over doen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Naar aanleiding van de opmerkingen en vragen van de
leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de SP, GroenLinks, D66 en OSF
over de positie van waterschappen als zelfstandige functionele overheid merk
ik het volgende op.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De keuze voor de instandhouding van het waterschap als zelfstandige functionele
overheid is recent opnieuw gemaakt in het kabinetsstandpunt over het IBO naar
de bekostiging van het regionaal waterbeheer (Kamerstukken II, 2003/04, 29 428,
nr. 1). De waterschappen voeren hun taken in het algemeen slagvaardig
en efficiënt uit. Er is vanuit dat perspectief dan ook geen aanleiding
om de waterschappen op te heffen of om te vormen tot uitvoeringsorganisaties
onder verantwoordelijkheid van de provincie, zoals het Rathenau Instituut
betoogd heeft in het rapport waarnaar de leden van Groen Links verwijzen.
Ik word in dit standpunt gesterkt door het recente ROB-advies over het middenbestuur «Bestuur
op maat». De ROB laat hierbij de waterschappen buiten beschouwing: «...
niet omdat waterzorg en waterbeheer geen belangrijke maatschappelijke opgaven
zouden zijn, integendeel. De Raad constateert dat in de afgelopen decennia
een forse schaalvergroting van de waterschappen heeft plaatsgevonden en dat
er in het algemeen sprake is van goed functionerend en doelmatig functioneel
bestuur binnen de provinciale randvoorwaarden.» De ROB beschouwt de
waterschappen als een functionele hulpstructuur voor de bestuurlijke hoofdstructuur,
die zijn waarde bewezen heeft. Dat neemt niet weg dat op onderdelen verbeteringen
in het stelsel noodzakelijk zijn. Met de voorgestelde verkiezingssystematiek
(lijstenstelsel, landelijke verkiezingsperiode) wordt beoogd de democratische
legitimatie te bevorderen. Met het lijstenstelsel wordt de herkenbaarheid
van de standpunten van de kandidaten voor de kiezers verhoogd. De specifieke
categorieën zijn via het systeem van de geborgde zetels van hun vertegenwoordiging
verzekerd. De introductie van internetstemmen kan de drempel voor de kiezer
verlagen. De zorg van de leden van de fractie van het CDA dat het voorgestelde
verkiezingsstelsel een hoofdargument zal worden in de discussie over de opheffing
van de waterschappen, wordt daarom door mij niet gedeeld.</al>
      <al>De leden van de fracties van de PvdA en de SP vragen hoe de invloed van
alle belanghebbenden geregeld is. Op de democratische legitimatie van het
bestuur is hierboven al ingegaan. Daarnaast zijn er wettelijke inspraakmogelijkheden,
en doen waterschappen ook moeite burgers te betrekken bij het waterbeheer
via voorlichtingsbijeenkomsten en jongeren- of burgerpanels. De interesse
daarvoor is, evenals de opkomst bij de verkiezingen, echter ook afhankelijk
van de gevoelde urgentie bij de burger: als het waterbeheer goed uitgevoerd
wordt, is dat gevoel van urgentie minder hoog.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bovenstaande laat onverlet dat er vanuit ander perspectief aanleiding
kan ontstaan om de positie van de waterschappen te bezien, bijvoorbeeld in
nieuwe discussies over de bestuurlijke organisatie van Nederland. Een dergelijke
discussie overstijgt het kader van dit wetsvoorstel. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of partiële
codificatie van de desbetreffende provinciale reglementen in de wet zich verstaat
met inhoud en strekking van artikel 133 Grondwet. Deze leden vragen voorts
of de betekenis van artikel 133 Grondwet een andere is geworden dan die in
1991.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 133, eerste lid, van de Grondwet is de constitutieve bevoegdheid
van provinciale staten met betrekking tot de waterschappen geregeld. Het provinciaal
bestuur is primair belast met de reglementering van de waterschappen. De provincie
is het primair verantwoordelijke gezag. Dit gezag is echter aan zekere grenzen
gebonden. In artikel 133, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat provinciale
staten bij de uitoefening van hun reglementerende en andere verordenende bevoegdheden
ten aanzien van de waterschappen moeten handelen met inachtneming van bij
de wet gestelde regels. In dat artikel is tevens het primaat van de aan provinciale
staten toekomende verordenende bevoegdheid geclausuleerd door de bepaling
dat daarvan bij wet kan worden afgeweken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet noopt deze bepaling
tot terughoudendheid bij het overhevelen van onderwerpen van het reglement
naar de formele wet. Dit uitgangspunt blijft valide. In de memorie van toelichting
is op blz. 9 aangegeven waarom er geen bezwaar is tegen de overheveling van
een aantal onderwerpen. De toelichting kan op dit punt evenwel worden verduidelijkt.
Bij onderwerpen waaraan provinciale beleidsopvattingen ten grondslag kunnen
liggen, dienen er zwaarwegende argumenten te zijn om deze over te hevelen
van reglement naar wet. In het wetsvoorstel worden enkele onderwerpen in de
formele wet geregeld. Deze hebben te maken met de motieven en de doelen die
ten grondslag liggen aan het onderhavige wetsvoorstel: vereenvoudiging van
de bestuurs- en de bekostigingsstructuur van waterschappen. Het kabinetsstandpunt
over het IBO naar de bekostiging van het regionale waterbeheer leidt tot deze
wijzigingen. Het gaat met name om de hoofdtaken van het waterschap en de samenstelling
van het bestuur en daarmee samenhangend de categorieën van belastingplichtigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van de huidige Waterschapswet dient de provincie te bepalen welke
van de in de wet genoemde categorieën van belanghebbenden in het waterschapsbestuur
vertegenwoordigd zijn. In dit wetsvoorstel komt deze provinciale bevoegdheid
te vervallen. Het belang van ieder van de nieuw gedefinieerde categorieën
wordt voor elk waterschap zo wezenlijk geacht dat deze in het bestuur vertegenwoordigd
dient te zijn. In paragraaf 8 van de memorie van toelichting zijn de
voorgestelde wijzigingen in de bestuursstructuur uitgebreid toegelicht. Deze
formele inperking van de bevoegdheid van de provincie heeft overigens voor
de praktijk geen grote gevolgen. De huidige waterschapsbesturen bestaan nagenoeg
allemaal uit dezelfde categorieën.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de wijziging die betrekking heeft op de taakomschrijving vloeit voort
uit het eerder genoemde kabinetsstandpunt. De waterschapstaken dienen in één
hand te worden gelegd om uitvoering te kunnen geven aan integraal waterbeheer.
Daarom wordt het «all-in» karakter van het waterschap in de wet
verankerd. In de nieuwe taakomschrijving wordt derhalve niet langer onderscheid
gemaakt tussen de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding,
zoals dat nu het geval is in de huidige Waterschapswet. De provincie kan derhalve
niet meer kiezen om één van deze taken aan een waterschap op
te dragen. De zorg voor het watersysteem wordt als eerste hoofdtaak in artikel
genoemd. Deze taak omvat zowel de zorg voor de waterkering als de zorg voor
de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. De wijziging
in de taakomschrijving wordt uitgebreid toegelicht in paragraaf 6 van
de memorie van toelichting. </al>
      <al>Ook deze wijziging heeft voor de praktijk geen grote gevolgen. Sinds 1 januari
2005 zijn er geen waterschappen meer die niet alle waterschapstaken in één
hand hebben. Voorts blijft in artikel 1 gehandhaafd de mogelijkheid om daarnaast
de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden op te dragen. De
provincie behoudt deze beleidsvrijheid. Tenslotte merk ik op dat de opheffings-,
instellings- en reglementeringsbevoegdheid primair bij de provincie blijft
liggen. Zoals ook uiteengezet in de nota naar aanleiding van het verslag komt
het grondwettelijk primaat van de provincies volgens de regering niet in het
geding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de voorgestelde
combinatie van verkiezingen en benoemingen van leden van het algemeen bestuur
wel past bij de ontwikkeling die de waterschappen thans doormaken. Deze leden
vragen zich voorts af het voorgestelde stelsel zich wel verstaat met de strekking
van artikel 4 Grondwet en artikel 3 eerste protocol bij het EVRM.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 4 Grondwet is geregeld dat iedere Nederlander gelijkelijk recht
heeft de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede
tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde
beperkingen en uitzonderingen. Dit artikel betreft alleen algemeen vertegenwoordigende
organen. Onder deze bepaling vallen alleen de Staten-Generaal, de provinciale
staten, de gemeenteraden en de deelraden. Het gaat om overheidsambten die
zware taken en bevoegdheden bezitten op een breed terrein. Het artikel is
niet van toepassing op waterschappen omdat hun bevoegdheden beperkt zijn tot
een specifieke taak. Dat de taakbehartiging van de waterschappen door een
aantal ontwikkelingen een stuk «algemener» is geworden, zoals
de leden van de CDA-fractie opmerken, doet daar niet aan af. Waterschappen
zijn functioneel-vertegenwoordigende organen en vallen derhalve niet onder
het artikel.</al>
      <al>Naar mijn mening is er ook geen sprake van strijd met artikel 3, eerste
protocol bij het EVRM. Uit de jurisprudentie rondom dit artikel kan worden
afgeleid dat organen op lokaal of regionaal niveau die de bevoegdheid hebben
om regelgeving te maken niet per definitie vallen onder het begrip wetgevende
macht waaraan in artikel 3 wordt gerefereerd. Gezien de beperkte taak van
het waterschap is de regering van mening dat waterschappen niet vallen onder
het begrip wetgevende macht als bedoeld in artikel 3, eerste protocol van
het EVRM. Bovendien is voor wat betreft waterschappen sprake van een bestuur
waarin de meerderheid van de leden direct worden gekozen door de ingezetenen.
Het enkele feit dat benoemde leden onderdeel uitmaken van een wetgevend orgaan
maakt nog niet dat sprake is van strijd met artikel 3, eerste protocol EVRM.
Immers in vele landen (bijvoorbeeld in het Britse Hogerhuis) maken benoemde
leden onderdeel uit van de wetgevende macht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen of het principieel
bezien juist is dat de overheid bij AMvB eisen kan stellen met betrekking
tot de registratie van een belangengroepering bij het stembureau. Deze leden
vragen voorts aan welke eisen worden gedacht.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de uitwerking van de regelgeving voor de waterschapsverkiezingen wordt
zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regeling van de Kieswet en het
Kiesbesluit en de regelgeving voor Kiezen op Afstand. In de Kieswet is voorgeschreven
dat alleen een politieke groepering met volledige rechtsbevoegdheid zich kan
laten registreren. In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een laagdrempelig
systeem: volledige rechtsbevoegdheid wordt niet voorgeschreven; iedere belangengroepering
waarvan de aanduiding is geregistreerd bij het stembureau kan een kandidatenlijst
inleveren. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor politieke groeperingen is in de Kieswet voorgeschreven dat een afschrift
van de notariële akte waarin de statuten van de vereniging zijn opgenomen,
moet worden overlegd. Voor deelname aan de waterschapsverkiezingen zullen
belangengroeperingen met volledige rechtsbevoegdheid ook kunnen volstaan met
het overleggen van zodanig afschrift, waaruit kan worden opgemaakt voor welke
doelstellingen zij staan. Voor belangengroeperingen zonder volledige rechtsbevoegdheid
zal in de algemene maatregel van bestuur worden voorgeschreven de doelstelling
van de belangengroepering op een formulier uiteen te zetten. Op deze wijze
wordt bereikt dat de belangstellende kiezer kennis kan nemen van de doelstellingen
van alle belangengroeperingen die zich hebben laten registreren en derhalve
bevoegd zijn tot kandidaatstelling. Met de leden van de fractie van het CDA
ben ik van mening dat het principieel onjuist zou zijn als het waterschap/het
stembureau zich een oordeel zou mogen vormen of de belangengroepering een
juiste behartiging van de waterschapsbelangen voorstaat. Daaraan vooraf gaat
echter de vraag wanneer sprake is van een belangengroepering, dat wil zeggen
van een groepering die op enigerlei wijze belang heeft bij de taakuitoefening
van het waterschap. Verkiezingen behoren een serieuze aangelegenheid te zijn.
Het kan niet zo zijn dat groeperingen zonder enig aanwijsbaar belang zouden
deelnemen aan de waterschapsverkiezingen. Ik ben van oordeel dat een marginale
toetsing mogelijk moet zijn, waarbij uiteraard het laatste woord is aan de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen naar de wijze waarop
de nummering van de lijsten wordt bepaald door het stembureau.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald dat de nummering
van aan de waterschapsverkiezing deelnemende lijsten de eerste keer geschiedt
door loting. Bij daaropvolgende verkiezingen wordt de systematiek van de Kieswet
gevolgd: in dat geval worden eerst de lijsten genummerd van belangengroeperingen
waaraan bij de eerste verkiezingen op basis van dit wetsvoorstel een of meer
zetels zijn toegekend, in de volgorde van de op de desbetreffende lijsten
uitgebrachte aantallen stemmen. Loting komt mij eerlijker voor dan de genoemde
alfabetische volgorde, omdat dan door het kiezen van de naam/aanduiding de
volgorde van de lijsten zou kunnen worden beïnvloed.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen naar de minimale
en maximale omvang van een in te dienen kandidatenlijst.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de maximale omvang van de kandidatenlijst wordt gedacht aan vijftien
kandidaten. In artikel H6 van de Kieswet is sprake van ten hoogste dertig
kandidaten, welk aantal kan worden verhoogd tot het dubbele aantal als bij
de voorgaande verkiezingen meer dan vijftien zijn behaald, met een maximum
van tachtig. Gelet op het feit dat bij de waterschapsverkiezingen op basis
van het voorliggende wetsvoorstel het maximum aantal zetels drieëntwintig
bedraagt, lijkt een aantal van vijftien zetels alleszins redelijk. In de algemene
maatregel van bestuur zal worden bepaald dat bij het behalen van meer dan
acht zetels bij de volgende verkiezingen het dubbele aantal kandidaten op
de lijst mag worden geplaatst met een maximum van dertig.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen of er een rechtsgang
open staat tegen een besluit van een provincie waarin de zetelverdeling niet
overeenstemt met de normstelling in artikel 13, tweede lid.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik wil vooropstellen dat ik het niet aannemelijk acht dat een zodanige
situatie zich zal voordoen. Ingevolge de artikelen 3 en 4 van de Waterschapswet vindt overleg plaats met het betrokken waterschap. Gedeputeerde
staten zijn gehouden de zienswijzen van het waterschap te voegen bij hun voorstel
aan provinciale staten, die in een openbare vergadering over het voorstel
besluiten. Ingevolge artikel 5 van het wetsvoorstel is het reglement alleen
nog aan goedkeuring door de Minister van Verkeer en Waterstaat onderworpen
voor zover dit betreft de taak of het gebied van een waterschap. Voor wat
betreft de bestuurssamenstelling is er dus geen sprake van een besluit inzake
goedkeuring waartegen beroepsmogelijkheden openstaan. Wel bestaat de mogelijkheid
van schorsing en vernietiging van het besluit van de provincie indien sprake
zou zijn van strijd met de wet of het algemeen belang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen waarom de minister
zich gekeerd heeft tegen het amendement onder nr. 17 dat erop gericht was
enige specifieke categorieën van belanghebbenden een stevigere positie
te geven in het dagelijks bestuur van een waterschap.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het amendement beoogde minimaal twee zetels in het dagelijks bestuur (DB)
te reserveren voor vertegenwoordigers van de specifieke categorieën.
Bij een DB van vijf of meer leden is een aantal van twee leden uit de specifieke
categorieën wellicht voor de hand liggend, maar bij een eveneens veel
voorkomende samenstelling van drie of vier leden zou dit leiden tot oververtegenwoordiging
van de specifieke categorieën. De samenstelling van het DB is de bevoegdheid
van het algemeen bestuur (AB). Het AB zal zich bij de keuze van DB-leden,
behalve door hun achtergrond, ook laten leiden door praktische zaken als geschiktheid
en bereidheid van AB-leden om in het DB zitting te nemen. De wetgever heeft
deze bevoegdheid zo min mogelijk willen inperken. Echter, naar analogie van
de geborgde zetels in het AB, is er gekozen voor enige borging van diversiteit
in het DB, in die zin dat ten minste één lid van het dagelijks
bestuur gekozen moet worden uit de bestuursleden die de specifieke categorieën
vertegenwoordigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De suggestie van de leden van D66 en OSF dat het betreffende DB-lid de
uiteenlopende belangen van de specifieke categorieën vertegenwoordigt,
verdient enige nuancering. DB-leden behartigen primair hun portefeuille en
nemen daarbij de belangen van het waterschap als geheel in acht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vinden het niet duidelijk
waarom de door de ingezetenen gedragen kosten aangemerkt zouden moeten worden
als het solidariteitsdeel van de kosten van het watersysteembeheer.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik constateer dat de term «solidariteitsdeel» onbedoelde associaties
oproept. Deze term is gebruikt, omdat hij voorkomt in het IBO-rapport «Bekostiging
waterbeheer» en het daarbij behorende kabinetsstandpunt. Hij is slechts
bedoeld als synoniem voor het ingezetenenaandeel van de kosten. Dit betreft
de kosten van maatregelen die eenieder in het gebied min of meer gelijkelijk
ten goede komen. Niet bedoeld is te suggereren dat de ingezetenen kosten moeten
dragen ten behoeve van anderen, nl. de specifieke categorieën.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen hoe de minister
de omstandigheid beoordeelt dat door het aannemen van amendement nr. 11
het voortzetten van de 50%-reductieregeling in artikel 24 van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren wordt voortgezet. Deze leden vragen of
de minister de stellingname van derden kan voorstellen die zulks aanduiden
als het «ten onrechte en ongemotiveerd discrimineren van bedrijven «als
het gaat om lozing van gezuiverd water op rijkswateren».</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft dit amendement ontraden, evenals
amendement nr. 13, dat voorziet in een vrijstelling voor de lozingen
van effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) in beheer
bij een waterschap op oppervlaktewater in beheer bij dat waterschap. Deze
beide aanvaarde amendementen hangen voor mijn beoordeling van de situatie
samen.</al>
      <al>De regering achtte het – ondermeer – onwenselijk dat voor
lozingen van effluent op rijkswater een heffing verschuldigd zou zijn aan
het Rijk en in het geheel geen heffing voor zodanige lozing op waterschapswater.
Daarom was in het oorspronkelijke wetsvoorstel ook voorzien in een bepaling
die het waterschap verplichtte aan zichzelf een aanslag voor de verontreinigingsheffing
op te leggen voor de lozing van effluent op waterschapswater. Daarnaast zou
de reductie van 50% op het rijkstarief voor lozingen vanuit RWZI’s
vervallen. Bijkomend effect daarvan was dat, bij gelijkblijvende opbrengst,
het tarief voor alle heffingplichtigen kon worden verlaagd tot € 25.
Door aanvaarding van beide amendementen blijft de facto de huidige situatie
bestaan. Ook al heeft deze situatie, mede in het licht van de in het wetsvoorstel
voorgestelde belastingsystematiek – zo moge duidelijk zijn – niet
mijn voorkeur,acht ik deze situatie niet onacceptabel. Overigens zal het vrijstellingenbeleid
voor de verontreinigingsheffing bij de invoering van de Waterwet in z’n
totaliteit opnieuw aan de orde kunnen komen. Tevens zal het tarief voor de
rijksheffing nog moeten worden aangepast als gevolg van de aanvaarding van
amendement nr. 11.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van de vraag of sprake zou kunnen zijn van «ten
onrechte en ongemotiveerd discrimineren van bedrijven» merk ik op dat
hiervan naar mijn oordeel geen sprake is. Op 1 oktober 2004 heeft de
Hoge Raad (LJN: AP5910, Hoge Raad, Nr. 37.877), in een zaak over een aanslag
verontreinigingsheffing rijkswateren, geoordeeld dat de wetgever te dezen
een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en dat de wetgever in redelijkheid
heeft kunnen kiezen voor het in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
vervatte tariefsverschil. Er is geen sprake van een verboden ongelijke behandeling.
Ik zie geen aanleiding te veronderstellen dat de Hoge Raad, nadat het voorliggende
wetsvoorstel tot wet is verheven, op basis daarvan tot een ander oordeel komt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van de PvdA en SP merken op
dat van verschillende kanten er op is gewezen dat het wetsvoorstel ernstig
tekort schiet als het gaat om de aanpak van regenwater. Deze leden vragen
hoe de minister aankijkt tegen het opnemen van een regenwatercomponent in
de watersysteemheffing.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beleid voor de aanpak van regenwater is vastgelegd in de brief inzake
herijking regenwaterbeleid, die in juni 2004 naar de Tweede Kamer is gestuurd
(Kamerstukken II, 2003/04, 28 966 nr. 2). Afkoppelen is onderdeel
van het beleid. Afkoppelen kan inderdaad de werking van de RWZI verbeteren,
zoals de leden van de fracties van de PvdA en de SP stellen, maar er spelen
meer overwegingen mee. Daarbij moet gedacht worden aan de kwaliteit van het
afgekoppelde regenwater, en praktische mogelijkheden om het water af te voeren.
Afkoppelen is derhalve geen automatisme. Regenwater dat in het riool belandt,
wordt onderdeel van de waterketen en daarmee ligt bekostiging van de verwerking
uit de zuiveringsheffing voor de hand. Na afkoppeling gaan de kosten voor
de afvoer van regenwater vanzelf naar de systeemheffing, omdat het regenwater
dan in het watersysteem blijft. In de loop van de tijd zal dus het aandeel
voor regenwater in de zuiveringskosten kleiner worden. Een splitsing van de
heffing vooruitlopend op fysieke afkoppeling maakt het heffingenstelsel erg
ingewikkeld en ondoorzichtig, en zal een stijging van de inningkosten met
zich meebrengen (met voortschrijdende afkoppeling moet immers periodiek vastgesteld
worden hoe groot het aandeel regenwater is). De stelling dat opnemen van de
regenwatercomponent de afkoppeling van het regenwater bevordert,
hangt af van de wijze waarop de heffing dan wordt vormgegeven en vooral wie
die heffing gaat betalen. In het algemeen acht ik het introduceren van een
heffing die afkoppelen van regenwater bevordert ongewenst. Afkoppelen dient
altijd weloverwogen en zeker niet in alle gevallen plaats te vinden. Het introduceren
van een financiële prikkel zal een goede afweging in de weg staan en
kunnen leiden tot hogere maatschappelijke kosten en ongewenste effecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen naar de uitoefening
van provinciale taken en bevoegdheden bij die waterschappen die meer dan één
provincie bestrijken, in het bijzonder waar het de reglementering van het
bestuur betreft.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De reglementering en het toezicht als hier bedoeld worden door dit wetsvoorstel
niet gewijzigd. De huidige situatie blijft dus gehandhaafd: artikel 6 van
de Waterschapswet bepaalt dat het reglement van een waterschap, waarvan het
gebied in twee of meer provincies is gelegen, wordt vastgesteld bij gemeenschappelijk
besluit van provinciale staten van de desbetreffende provincies. Voor wijzigingen
van beperkte strekking kan in het reglement worden bepaald dat dit wordt opgedragen
aan provinciale staten van één provincie. In artikel 7 van de
Waterschapswet is vervolgens een regeling opgenomen voor het geval twee of
meer provincies niet of niet binnen een redelijke termijn tot overeenstemming
komen over de vaststelling of wijziging van het reglement. De Minister van
Verkeer en Waterstaat kan dan – na overleg met het waterschap en gehoord
de desbetreffende provincies – bij algemene maatregel van bestuur, met
overeenkomstige toepassing van artikel 18a van de Wet op de Raad van State,
een reglement vaststellen of wijzigen. Artikel 164 van de Waterschapswet bevat
soortgelijke bepalingen voor het toezicht op interprovinciale waterschappen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD misten in de toelichting
over de lastenverschuiving in de nota naar aanleiding van het verslag elke
indicatie dat de modernisering en vereenvoudiging enige kostenbesparing oplevert.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD constateren terecht dat er in de nota naar aanleiding
van het verslag niet ingegaan is op de kostenbesparingen die samenhangen met
het wetsvoorstel. Dit komt omdat de leden van de Tweede Kamer geen nadere
vragen hebben gesteld bij paragraaf 15 van de memorie van toelichting,
die wel ingaat op de verwachte kostenbesparing. De voorstellen voor de nieuwe
verkiezingssystematiek plus de maximering van de omvang van het bestuur leiden
tot een besparing van ongeveer € 3 miljoen per jaar. De vereenvoudiging
van de heffingenstructuur leidt tot een vermindering van de perceptiekosten.
Samen met een verdere efficiencyverbetering moet dit naar verwachting een
besparing van ca. € 20 miljoen per jaar opleveren ten opzichte van
de kosten in 2002, het ijkjaar van het IBO-rapport. Ook de vereenvoudiging
van de objectafbakening leidt tot kostenbesparingen bij de WOZ-taxaties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van GroenLinks zouden graag
toegelicht zien waarom voor de mogelijkheid van het instellen van kiesdistricten
is gekozen en vroegen zich af of deze optie niet haaks staat op de beoogde
vereenvoudiging van het waterschapsbestuur en de voor de categorie ingezetenen
gewenste evenredige vertegenwoordiging. Ook de leden van de fracties van D66
en OSF hebben hier vraagtekens bijgeplaatst en verzocht met concrete voorbeelden
duidelijk te maken dat de instelling van kiesdistricten de voorkeur zou verdienen,
mede gelet op het feit dat de vertegenwoordigers van de specifieke taakbelangen
al afzonderlijk in het waterschapsbestuur zitting hebben.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik wil voorop stellen dat na invoering van het lijstenstelsel verkiezingen
voor het hele waterschapsgebied mijn voorkeur hebben. In het voorontwerp van
de Wet modernisering waterschapsbestel was dan ook nog niet voorzien in de
mogelijkheid van het instellen van kiesdistricten. Op verzoek van de Unie
van Waterschappen is de mogelijkheid van het instellen van kiesdistricten
opgenomen, mede ingegeven door het feit dat in veel waterschappen bij de laatstgehouden
verkiezingen (nog met het personenstelsel) kiesdistricten werden gehanteerd.
Er zijn situaties denkbaar dat mogelijk niet gesproken zou kunnen worden van
een evenwichtige vertegenwoordiging van de binnen een waterschap bestaande
belangen als bedoeld in artikel 17 van het wetsvoorstel, bijvoorbeeld als
in een verstedelijkt gebied met een relatief klein oppervlak een ruime meerderheid
van de kiesgerechtigden woont. De kans is dan aanwezig dat lijsten ingediend
door belangengroeperingen afkomstig uit kleine kernen van het grootste deel
van het waterschapsgebied de kiesdeler niet halen en dus geen enkele kandidaat
van die lijsten in het bestuur van het waterschap zal zijn vertegenwoordigd.
Ik heb op dit moment nog geen inzicht in de vraag of, en zo ja, de mate waarin
in de waterschapsreglementen de opdeling van het waterschapsgebieden in kiesdistricten
zal gaan plaatsvinden. Het overleg tussen provincies en waterschappen als
bedoeld in artikel 3 en 4 van de Waterschapswet over de nieuwe waterschapsreglementen
wordt deze maanden opgestart. Het is mij bekend dat het Interprovinciaal Overleg
(IPO) geen voorstander is van het instellen van kiesdistricten. Het is dan
ook niet mijn verwachting dat bij de landelijke waterschapsverkiezingen in
2008 op grote schaal verkiezingen met toepassing van kiesdistricten zullen
plaatsvinden. In de evaluatie van de waterschapsverkiezingen zal het onderwerp
kiesdistricten worden meegenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Naar aanleiding van de opmerkingen en vragen van de
leden van de fracties van het CDA, D66, OSF, SGP en CU over het onderbrengen
van infrastructurele werken bij de categorie ongebouwd, merk ik het volgende
op.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingevolge artikel 117, vijfde lid Waterschapswet, worden infrastructurele
werken zoals openbare land – en vaarwegen, banen voor openbaar vervoer
per rail, met inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken ook
thans reeds als ongebouwde eigendommen aangemerkt.</al>
      <al>Deze bepaling die destijds bij amendement door de Tweede Kamer is ingebracht,
was enerzijds bedoeld om duidelijkheid te verschaffen over de vraag of het
hier gebouwde dan wel ongebouwde onroerende zaken betreft en anderzijds omdat
de waarde van de desbetreffende infrastructurele werken voor de heffing van
de onroerende zaakbelastingen buiten beschouwing blijft en door de gemeente
derhalve geen waarde voor deze objecten wordt vastgesteld. Dit uitgangspunt
heeft tot nu toe niet tot problemen geleid. Ook in de voorgestelde heffingstructuur
waarbij de waterschapsbelasting wordt gebaseerd op de waarde in het economisch
verkeer zijn de hiervoor genoemde overwegingen om de infrastructurele werken
als ongebouwd aan te merken, onverminderd van kracht.</al>
      <al>In de zogenoemde methode Delfland die inmiddels reeds door de meeste waterschappen
wordt gehanteerd, worden de infrastructurele werken eveneens als ongebouwd
eigendom aangemerkt. Deze methode is inmiddels door de rechter getoetst en
akkoord bevonden als methode waarin de lasten op evenwichtige wijze worden
toegerekend.</al>
      <al>Mede om die reden wordt in het wetsvoorstel aangesloten bij deze methode
om zo te komen tot een evenwichtige toedeling van de verschillende belangen
aan de verschillende categorieën en het door die categorieën te
betalen aandeel in de kosten die het waterschap maakt voor zijn taakuitoefening.
De relatie tussen belang en betaling voor agrariërs, waar de leden van
de fracties van de SGP en de CU op wijzen, wordt daarmee wel
degelijk recht gedaan. Sterker, het aanbrengen van wijziging in dit systeem
zou leiden tot fundamentele verschuivingen waardoor geen recht meer zou worden
gedaan aan de belangenverhouding van de verschillende categorieën binnen
het waterschap en in het bijzonder die van het ongebouwd.</al>
      <al>De voorgestelde structuur, waarin tevens nog een mogelijkheid voor tariefdifferentiatie
is opgenomen die verder maatwerk mogelijk maakt, zal ertoe leiden dat het
belang van de verschillende categorieën van belanghebbenden binnen het
waterschap en het door die categorieën te betalen aandeel in de kosten
met elkaar in balans zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van D66 en OSF vragen naar
een beknopt overzicht van de bestuurlijke en financieringstructuur in een
aantal andere landen van taken die hier in Nederland door waterschappen worden
uitgevoerd.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een recent en compleet overzicht is niet voorhanden. De organisatie van
het waterbeheer is te divers om eenvoudig samen te vatten. Wel valt te vermelden,
dat in een groot aantal (West-)Europese landen organisaties voorkomen die
te vergelijken zijn met de Nederlandse waterschappen, d.w.z. decentrale functionele
bestuurslichamen met uitsluitend taken op het terrein van de waterstaatszorg.
Dit geldt onder meer voor België, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Spanje
en Italië, maar ook voor landen als Hongarije en Polen. Alhoewel de bestuurlijke
en financiële structuur van deze lichamen op onderdelen afwijkt van die
van de Nederlandse waterschappen, gaat het ook in genoemde landen steeds om
de decentrale functionele behartiging van elementen van de waterstaatszorg,
is er sprake van vertegenwoordiging van belangengroepen (stakeholders) in
het bestuur en van financiële bijdragen van belangengroepen, doorgaans
in de vorm van decentrale belastingen. Dit laatste sluit zoals bekend ook
goed aan bij het in artikel 9 Europese Kaderrichtlijn Water opgenomen beginsel
van de kostenterugwinning van waterdiensten. In de meeste nieuwe EU-lidstaten
is het operationele waterbeheer echter (nog) bij de centrale overheid ondergebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook elders in (West-)Europa komen dus bestuurslichamen voor die zich goed
laten vergelijken met de Nederlandse waterschappen. Het decentrale functionele
karakter, de bestuurlijke betrokkenheid en de financiële bijdragen vormen
immers centrale elementen van het waterschapsinstituut. Binnen de European
Union of Water Management Associations (EUWMA), waarvan het secretariaat bij
de Unie van Waterschappen berust, werken de nationale koepelorganisaties van
deze bestuurslichamen samen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van D66 en OSF vragen of de
regering in kaart kan brengen welke administratieve, organisatie- en managementkosten
gemoeid zijn met de huidige structuur en wat de kosten zijn in een afgeslankte
opzet.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kosten die samenhangen met de zelfstandige functionele democratie van
het waterschap zijn de kosten van de verkiezingen en de kosten van het bestuur.
Deze kosten zouden vervallen bij een opzet zoals de leden van de fracties
van D66 en OSF bedoelen. Zoals in antwoord op de vraag van de leden van de
VVD al is aangegeven, brengt het wetsvoorstel op beide posten al een kostenbesparing
met zich mee, o.a. door het vervallen van de stembiljetten voor huiseigenaren,
door introductie van het internetstemmen en door maximering van het aantal
bestuursleden. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bedragen deze kosten
ca. € 4 miljoen per jaar voor de verkiezingen (€ 15 miljoen
tot € 18 miljoen per 4 jaar, waarbij nog geen rekening is gehouden
met grootschalig gebruik van internetstemmen). Met de bezoldiging
van de waterschapsbestuurders is € 10 miljoen tot € 15
miljoen per jaar gemoeid (schatting mede afhankelijk van de omvang van de
besturen). Dit laatste bedrag zal, in verband met rechten op wachtgeld, niet
in een keer volledig bespaard kunnen worden. De uitvoeringskosten van het
waterbeheer blijven in beide opties in stand, evenals de perceptiekosten voor
de heffing. Dit laatste is het gevolg van het feit dat het waterbeheer beschouwd
wordt als een waterdienst, waarvoor op grond van de Kaderrichtlijn Water kostenterugwinning
plaatsvindt via een zelfstandige heffing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van D66 en OSF vinden dat
het democratisch verkiezen van het bestuur van waterschappen het hebben van
beleidsvrijheid veronderstelt. Deze leden vragen of de regering kan meedelen
hoe die beleidsvrijheid vertaald wordt naar voor inwoners concrete zichtbare
verschillen in beleid en waaruit blijkt dat die verschillen voortkomen uit
politiek gedreven waarden. Deze leden vragen ten slotte of «zeggenschap»
vooral vertaald moet worden in het uitoefenen van toezicht.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanwege de functionele taak van het waterschap is de beleidsvrijheid van
het waterschapsbestuur uiteraard beperkter dan die van het algemeen bestuur.
Het waterschapsbestuur dient zich bij de besluitvorming bovendien te houden
aan het kader dat gesteld wordt door de provinciale plannen. Toch zijn er
wel degelijk onderwerpen die kunnen leiden tot uiteenlopende standpunten en
keuzes. Deze verschillen zullen echter niet altijd lopen langs de lijnen van
linkse en rechtse politieke waarden. Het waterschapsbestuur is immers een
belangendemocratie. Politieke partijen kunnen weliswaar gerekend worden tot
de belangengroepen, maar zij zijn zeker niet de enige. Op het gebied van de
heffingen zijn diverse voorbeelden te geven van keuzes met consequenties voor
de heffingplichtigen. Zo is de vaststelling van het ingezetenenaandeel zeer
bepalend voor de kostenverdeling tussen de categorieën heffingplichtigen.
Ook de keuze voor wel of niet tariefdifferentiatie is een voorbeeld. En hoewel
het inmiddels wel uitgekristalliseerd is, is in het verleden het kwijtscheldingsbeleid
een belangrijk discussiepunt geweest. Bij het zuiveringsbeheer heeft het waterschap
de keuze om zo goedkoop mogelijk te zuiveren, net tot aan het wettelijk vereiste,
of te kiezen voor verdergaande zuivering vanwege waterkwaliteit of de wens
tot hergebruik van het gezuiverde water voor bijvoorbeeld verdrogingsbestrijding.
Voor agrariërs en natuurterreinbeheerders zijn peilbesluiten zeer van
belang. De vaststelling van beheersplannen moet genoemd worden, evenals de
inzet van het waterschap voor recreatief medegebruik van waterstaatsobjecten,
natuurontwikkelingsprojecten (aanpak van verdroging, hermeandering beken,
vistrappen etc.) en aandacht voor cultuurhistorie in de vorm van molens of
oude gemalen. Deze voorbeelden geven aan dat zeggenschap in het waterschapsbestuur
meer is dan het uitoefenen van toezicht op de uitvoering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van de SGP en de CU vragen
of er voldoende flexibiliteit zit in de systematiek van de watersysteemheffing,
vooral als het gaat om de mogelijkheid van tariefdifferentiatie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik constateer met genoegen dat deze leden positief zijn over de vormgeving
van de watersysteemheffing. De vraag of er voldoende flexibiliteit in het
systeem zit, zou ik bevestigend willen beantwoorden. Een van de doelstellingen
van het wetsvoorstel was te komen tot een robuuste en eenvoudiger vormgeving
van de heffing. Dat gaat onvermijdelijk ten koste van de mate waarin met bijzondere
omstandigheden en uitzonderingen rekening kan worden gehouden. Er is wel ruimte
voor eigen afweging door het waterschapsbestuur via de bandbreedte voor het
ingezetenenaandeel en de tariefdifferentiatie. De amendementen van de Tweede
Kamer hebben deze ruimte nog aanzienlijk vergroot: de bandbreedte is bijvoorbeeld verruimd van 10 procentpunten naar 20 procentpunten.
Ook heeft de Tweede Kamer de mogelijkheid om tariefdifferentiatie toe te passen
verruimd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een verdere flexibilisering is niet wenselijk omdat die ten koste gaat
van de gewenste vereenvoudiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van de SGP en de CU hebben
moeite met de mogelijkheid voor politieke partijen om met een eigen lijst
aan de waterschapsverkiezingen mee te doen. Deze leden vragen of dit niet
bedreigend kan werken voor het bestaansrecht van de waterschappen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de regering heeft stilgestaan bij de positie van politieke partijen
in het waterschapsbestuur. Daarom waren in het oorspronkelijke voorstel voorwaarden
verbonden aan het indienen van een lijst door een politieke partij. De Raad
van State heeft echter in zijn advies aangegeven dat dergelijke beperkingen
niet passend worden geacht in het stelsel van een vertegenwoordigende democratie.
De regering heeft het advies van de Raad op dit punt overgenomen en de beperkingen
geschrapt. Overigens was de oorspronkelijk opgenomen beperking vooral bedoeld
om verwarring bij de kiezer te voorkomen. De vrees dat deelname van politieke
partijen haaks zou staan op het functionele karakter van de waterschappen,
deel ik niet. Ook politieke partijen dienen in het waterschapsbestuur immers
te handelen binnen de functionele taak van het waterschap en de door de provincie
gestelde kaders. Het lidmaatschap van een politieke partij, waarmee veel van
de huidige waterschapsbestuurders zich bij hun verkiezing geprofileerd hebben,
levert in de huidige praktijk ook geen problemen op.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van de SGP en de CU vragen
naar de stand van zaken in de discussie over een mogelijke rekenkamerfunctie
voor waterschappen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze leden merken terecht op dat de ontwikkeling van de rekenkamerfunctie
primair een zaak is van de waterschappen zelf. Toch volg ik de ontwikkelingen
op dit terrein met belangstelling en juich ik de voortgang toe, zoals ook
blijkt uit de nota naar aanleiding van het verslag. Over de stand van zaken
valt het volgende te melden. Eind 2005 heeft de ledenvergadering van de Unie
van Waterschappen besloten om de waterschappen zelf te laten beginnen met
de invoering van rekenkamercommissies of uitgebreide rekeningencommissies.
Het zal dan afhangen van de ambities en de mogelijkheden om direct al een
rekenkamercommissie op te richten of eerst een rekeningencommissie met uitgebreide
bevoegdheden. Gesproken is van een groeimodel. De algemene besturen van de
waterschappen hebben in 2006 nader gediscussieerd over het traject en de inrichting
van dergelijke commissies. Het beeld van eind 2006 is dat de sector al goed
in beweging is gekomen. In veel waterschappen komen er commissies met interne
leden. Enkele waterschappen zijn overgegaan tot de oprichting van een gezamenlijke
rekenkamercommissie, waarvoor externe leden zijn geworven. Daarentegen zijn
er ook waterschappen die nu nog de voorkeur geven aan eigen onderzoeken van
de algemene besturen. Al met al is de aandacht voor de bestuurlijke controle
sterk toegenomen in het waterschapsbestel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vaste commissie vraagt nogmaals in te gaan op de onderwerpen die het
bedrijfsleven (VNO/NCW, MKB, LTO, Kamers van Koophandel, VEMW) en de Stichting
Natuur en Milieu in hun brieven behandelen. Op alle genoemde onderwerpen is
hierboven al ingegaan in antwoord op de vragen van de leden van uw commissie.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>