﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="1" publtype="negeer">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19971998-25171-38b/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Eerste Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998 Nr. 38b</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.0__2.3" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST24898</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 171</nummer>
      <naam>Wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen in verband
met de invoering van het veilen van schaarse frequenties voor systemen van
digitale mobiele telecommunicatie (veilen frequenties mobiele telecommunicatie)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <titel>MEMORIE VAN ANTWOORD</titel>
      <datum>Ontvangen 3 november 1997</datum>
      <al>Ondergetekende is de leden van de verschillende fracties erkentelijk voor
de vragen en opmerkingen zoals vermeld in het voorlopig verslag van de Vaste
Commissie voor verkeer en waterstaat van 9 september 1997. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik u reeds schreef in mijn brief van 7 oktober 1997 (kamerstukken
I 1997/98, 25 171, nr. 38) heb ik mij genoodzaakt gezien om in reactie
op bezwaren van de Europese Commissie het voorliggende wetsvoorstel aan te
passen. Op 17 oktober 1997 heeft het kabinet een daartoe strekkende novelle
aanvaard en is deze met een verzoek om een spoedadvies naar de Raad van State
verzonden. Dat advies heb ik inmiddels op 29 oktober 1997 ontvangen. De novelle
is met het advies en nader rapport op 31 oktober aan de Tweede Kamer toegezonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om redenen van inzichtelijkheid is bij de beantwoording afgeweken van
de indeling en de volgorde van het voorlopig verslag. Daarom volgt hieronder
eerst een algemene inleiding over het gewijzigde beleid en de aanpassingen
die door middel van de novelle in dit wetsvoorstel worden aangebracht. Vervolgens
zullen de meer specifieke vragen van de verschillende fracties worden beantwoord.
Waar door meerdere fracties elkaar rakende vragen zijn gesteld, zijn de vragen
op onderwerp samengevoegd, en is bij de beantwoording getracht de vragen in
hun onderlinge samenhang te behandelen.</al>
      <al>Door het indienen van de novelle is de beantwoording van een aantal vragen
uit het voorlopig verslag niet meer relevant. Dit betreft dan met name de
vragen over de oorspronkelijk voorgestelde vergoeding door de GSM-vergunninghouders
en het oorspronkelijke voornemen de zogenaamde NOZEMA-frequenties pas in een
later stadium te veilen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik u bij brief van 20 augustus 1997 (kamerstukken I 1996/97, 25 171,
nr. 297a) heb gemeld, heeft Europees commissaris Van Miert mij op 20 juni
1997 een brief gestuurd over de vergunningverlening voor DCS 1800. In deze
brief verzoekt hij mij de beginselen van de nieuwe wet vooralsnog niet op
de selectie van de DCS 1800-aanbieders toe te passen, omdat hij verwacht dat
bestaande of nieuwe vergunninghouders klachten zullen indienen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 8 juli 1997 heeft Libertel een klacht bij de Europese Commissie ingediend
tegen het voorliggende wetsvoorstel. Vervolgens heeft Enertel op 15 juli 1997
ook een klacht bij de Commissie ingediend. Naar aanleiding van deze klachten
heeft de Nederlandse regering op verzoek van de Commissie haar standpunt hierover
schriftelijk meegedeeld. Vervolgens zijn er enkele gesprekken met de Commissie
gevoerd. In reactie daarop heeft de Commissie mij haar standpunt inzake de
klacht van Libertel doen toekomen op 18 september 1997.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Commissie heeft op drie punten bezwaren tegen mijn voornemens, zoals
neergelegd in het wetsvoorstel veilen frequenties mobiele telecommunicatie.
Het eerste bezwaar betreft de naheffing. De Commissie is van mening dat effectuering
van de naheffing jegens Libertel in strijd is met Europese regelgeving.</al>
      <al>Het tweede bezwaar van de Commissie betreft de duur van de exclusieve
periode, die in het oorspronkelijke beleid op drie jaar was gesteld. Gedurende
deze periode mogen de huidige GSM-vergunning-houders de door hen verworven
DCS 1800-frequenties niet gebruiken, tenzij de marktontwikkeling daardoor
belemmerd zou worden. De Commissie is van mening dat de Nederlandse regering
geen duidelijke redenen heeft aangevoerd waarom een dergelijke uitsluiting
drie jaar zou moeten bedragen, een periode, die, met name in acht genomen
de geografische kenmerken van Nederland, nogal lang lijkt.</al>
      <al>Het laatste bezwaar betreft het niet tegelijk veilen van alle DCS 1800-frequenties.
Volgens Libertel zou dit kunstmatige schaarste creëren. De Commissie
is van mening dat de noodzaak om nog tot afstemming te komen met België
en Duitsland over het gebruik van die frequenties in de grensgebieden en de
daaruit voortvloeiende onzekerheid wanneer de frequenties in die gebieden
daadwerkelijk gebruikt zullen kunnen worden, moeilijk aangevoerd kunnen worden
om de veiling van die frequenties uit te stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De grootste zorg van de Commissie is dat Nederland niet zou kunnen overgaan
tot de verlening van DCS 1800-vergunningen binnen de daartoe bepaalde termijn
van richtlijn 96/2/EG.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Commissie heeft aangegeven niet tegen veilen op zich te zijn. Onder
de huidige omstandigheden in Nederland (reeds twee vergunninghouders actief,
relatief veel frequenties beschikbaar) is echter geen aanvullende maatregel
in de vorm van een naheffing noodzakelijk om het level playing field te bewerkstelligen.
De Commissie is van mening dat de huidige situatie in Nederland niet te vergelijken
is met die van Spanje en Italië, waar de tweede GSM-vergunninghouder
een bedrag moest betalen om de vergunning te verwerven, terwijl de voormalige
monopolisten niet hoefden te betalen. Dat te betalen bedrag was bovendien
zo groot dat het een significant deel van de totale benodigde investeringen
betrof. In de Nederlandse situatie zijn er al twee vergunninghouders en is
er voldoende frequentieruimte beschikbaar voor minimaal twee nieuwe vergunninghouders.
Door de sterkere concurrentie zal de investeringsruimte die er is om te betalen
voor de frequenties, beperkt worden. Dit wordt nog eens versterkt door het
feit dat het met de huidige hoeveelheid frequenties mogelijk is om meer dan
twee vergunningen te verlenen. Het gevolg zal uiteindelijk zijn dat de te
betalen vergoeding voor de frequenties een veel geringer deel van de totaal
benodigde investeringen zal uitmaken.</al>
      <al>Bij deze overwegingen moet meegenomen worden dat maatregelen tot bevordering
van de mededinging, die bepaalde marktpartijen benadelen of belemmeren in
hun mogelijkheden, met terughoudendheid moeten worden gehanteerd. De positie
van de partijen in de markt is van groot belang. In dit verband dient betrokken
te worden in welke mate de partijen vooraf rekening konden houden met de hoogte
of wijze van berekening van een dergelijke naheffing. </al>
      <al>De Commissie stelt in dat verband dat hij «betwijfelt dat de noodzaak
om een eerlijke mededinging in de mobiele telecommunicatiemarkt te verzekeren
zwaarder zou kunnen wegen dan de doorzichtigheidsverplichting, gegeven het
feit dat Libertel geen dominante machtspositie heeft in deze markt.»</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In eerdergenoemde brief van 7 oktober 1997, waarin ik aankondigde dat
ik een novelle zou indienen, heb ik al aangegeven dat het tot dan toe door
mij gevoerde beleid mijns inziens zeer wel te verdedigen is. Echter, gezien
het standpunt van de Commissie, zou doorgaan op de ingeslagen weg betekenen
dat de Commissie juridische stappen tegen Nederland zal zetten. Dit zou kunnen
leiden tot een procedure voor het Hof in Luxemburg, waarvan de uitkomst onzeker
is. Een dergelijke procedure zou nog vele jaren onzekerheid in de markt voor
mobiele telecommunicatie opleveren, hetgeen grote nadelige gevolgen voor de
marktontwikkeling zou kunnen hebben. Omdat ik dit een te groot risico acht,
heb ik besloten een beleidswijziging door te voeren om tegemoet te komen aan
de bezwaren die de Commissie heeft. Dit betekent in de eerste plaats dat van
de voorgestelde naheffing voor de bestaande GSM-vergunninghouders wordt afgezien.
Verder zullen wettelijke voorzieningen worden getroffen om de extra 50 MHz
aan DCS 1800-frequenties, waarvan sinds het indienen van het wetsvoorstel
zeker gesteld is dat deze op 24 april 1998 beschikbaar komen, gezamenlijk
met de reeds thans beschikbare frequenties ruim voor 24 april 1998 in vergunningen
uit te geven, waarbij het verkregen gebruiksrecht voor die extra 50 MHz vanzelfsprekend
eerst per 24 april 1998 kan worden uitgeoefend.</al>
      <al>KPN en Libertel blijven uitgesloten van de landelijke vergunningen. Wel
zullen zij mee mogen dingen naar de extra DCS 1800-frequenties die nu verdeeld
worden. Daarbij ben ik voornemens om de bestaande GSM-vergunninghouders vooreerst
uit te sluiten van het gebruik van door hen verkregen DCS 1800-frequenties
voor een periode van twee jaar op grond van mijn uit eerdergenoemde richtlijn
voortvloeiende verplichting om daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen,
met mogelijkheid van verlenging tot maximaal drie jaar indien dit noodzakelijk
blijkt.</al>
      <al>In reactie op de brief van de Europese Commissie van 18 september 1997,
heb ik mijn voorgenomen aanpassingen gemeld aan de Europese Commissie. Daarop
heb ik op 16 oktober 1997 een positieve reactie ontvangen. Inmiddels heeft
de Commissie mij een afschrift gestuurd van haar brief aan Libertel, waarin
zij meldt dat de klacht van Libertel door de Commissie is afgehandeld. De
correspondentie met de Europese Commissie wordt u separaat toegezonden.<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is door KPN en Libertel een verzoek om additionele frequenties gedaan.
In hun vergunning is aangegeven onder welke voorwaarden zij additionele GSM-frequenties
kunnen verwerven. Die frequenties gaan dan ten koste van ATF 3. In dit verband
lijkt het mij zinvol een kort overzicht van de stand van zaken en de relevante
regelgeving te geven. Voor een meer uitvoerig overzicht van de relevante regelgeving
verwijs ik naar de Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer
(kamerstukken II 1996/97, 25 171, nr. 5).</al>
      <al>KPN heeft een machtiging voor het aanbieden van ATF 3-diensten; deze machtiging
is als zodanig niet in de tijd beperkt. De minister kan echter op grond van
de Wtv om frequentietechnische redenen op ieder moment besluiten frequenties
bij ATF 3 weg te halen ten gunste van Libertel, ofwel van KPN in zijn hoedanigheid
van GSM-vergunninghouder.</al>
      <al>Zowel Libertel als KPN hebben inmiddels een aanvraag voor aanvullende
frequenties ingediend. Deze aanvragen zijn op mijn verzoek door een onafhankelijk
onderzoeksbureau getoetst. De resultaten hiervan zijn, voor zover het hun
eigen aanvraag betreft, aan Libertel en KPN overhandigd. Ik kom hier nog op
terug. </al>
      <al>Naar aanleiding van de toetsing is de aanvraag van Libertel inmiddels
aangepast. Thans wordt met KPN als ATF 3-machtiginghouder overlegd, op welk
moment welke hoeveelheid frequenties uit ATF 3 ter beschikking wordt gesteld
ten behoeve van GSM. Hierbij is leidend uitgangspunt dat ATF 3 de verdere
ontwikkeling van GSM niet in de weg mag staan. Deze gefaseerde afbouw van
ATF 3 heeft als bijkomend voordeel dat de ATF 3-abonnees de tijd en mogelijkheid
gegeven kan worden voor een overstap.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in de Tweede Kamer is toegezegd, is inmiddels een consultatie gehouden
over de wensen van de markt betreffende de mogelijke verdeling van de frequenties
die volgend jaar april beschikbaar komen.</al>
      <al>Uit deze consultatie is gebleken dat er vooral belangstelling is voor
landelijke vergunningen. Hoewel er ook enige belangstelling is getoond voor
regionale toepassingen, kon niet worden aangegeven hoeveel frequentieruimte
daarvoor gereserveerd zou moeten worden.</al>
      <al>Gezien de indicaties van potentiële gegadigden voor deze frequenties,
inclusief de GSM-vergunninghouders, moet verwacht worden dat er in totaal
meer frequenties worden aangevraagd dan er nu daadwerkelijk beschikbaar komen.
In dat geval is er dus sprake van schaarste.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zullen twee grote pakketten van ieder 5 MHz GSM-frequenties en 15 MHz
DCS 1800-frequenties worden aangeboden. De resterende frequentieruimte wordt
opgedeeld in kleine pakketten. Aan de grote pakketten wordt de verplichting
gekoppeld dat een landelijk dekkend net wordt opgebouwd. Aan de kleine pakketten
wordt geen dekkingsplicht gekoppeld. De houders van een vergunning waaraan
geen landelijke dekkingsplicht is gekoppeld, kunnen geen gebruik maken van
de mogelijkheden van artikel 13x. Hierdoor wordt voorkomen dat vergunninghouders
die geen verplichting tot het opzetten van een landelijk dekkend net, via
genoemd artikel op een relatief eenvoudige wijze tot landelijke dekking zouden
kunnen komen.</al>
      <al>KPN en Libertel worden als huidige vergunninghouders uitgesloten van de
twee «grote» pakketten, maar mogen wel meedingen naar de kleine
pakketten. Dit laat onverlet mijn voornemen om de bestaande GSM-vergunninghouders
gedurende een periode van twee jaar uit te sluiten van het gebruik van de
verworven DCS 1800-frequenties.</al>
      <al>Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal kleine pakketten dat een partij
mag verwerven. Door het ontbreken van een plicht om de diensten landelijk
aan te bieden, ontstaat ook de mogelijkheid om de frequenties uit de kleine
pakketten regionaal, voor bijvoorbeeld een draadloze verbinding tussen een
huisaansluiting en een centrale (de zg. radio in de local loop), te exploiteren.
Tenslotte kunnen de GSM-vergunninghouders en de partijen die uiteindelijk
een van de grotere pakketten verwerven, ook bieden op deze kleine pakketten
ter aanvulling van hun overige frequenties. Op deze manier kan de markt zelf
bepalen waar de meeste behoefte aan bestaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Thans zal ik de meer specifieke vragen van de diverse fracties beantwoorden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie vragen mij aan te geven of zij correct concluderen
dat er in totaal zo'n 90 tot 100 MHz beschikbaar is voor nieuwe vergunningen.
Verder vragen zij of, indien dat juist is, er nog wel gesproken kan worden
over schaarste.</al>
      <al>In de procedure die nu gevolgd gaat worden, zullen 72 MHz DCS 1800-frequenties
en 10 MHz GSM-frequenties verdeeld kunnen worden. Zoals reeds gezegd, garandeert
dit echter niet dat er geen schaarste zal zijn. Bovendien ga ik er, afgaande
op de berichten uit de markt en op grond van de in juli gehouden consultatie
over DCS 1800-frequenties, nog steeds van uit dat er schaarste
is. Of er daadwerkelijk schaarste is, zal moeten blijken uit het aantal aanvragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie vragen of, indien er geen sprake is van schaarste,
het onderhavige wetsvoorstel zo urgent is dat het niet kan wachten tot de
algehele herziening van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, die binnenkort
mag worden verwacht.</al>
      <al>Het wetsvoorstel is in eerste instantie bedoeld om een wettelijke basis
te creëren voor het kabinetsbesluit van juli 1995 om het instrument «veilen»
toe te passen bij de verdeling van schaarse frequenties voor mobiele telecommunicatie.
Uit destijds uitgevoerd onderzoek bleek dat er meer belangstellenden waren
dan beschikbare vergunningen. In de zin van dit wetsvoorstel was dan ook sprake
van schaarste. Is er geen schaarste, dan wordt er ook niet geveild. Maar als
er überhaupt geen wettelijke basis voor het veilen is, dan zou het kabinetsbesluit
niet kunnen worden uitgevoerd. Bovendien ga ik er, zoals hiervoor aangegeven,
van uit dat er sprake zal zijn van schaarste.</al>
      <al>In mijn brief van 20 oktober 1997 (kamerstukken I 1997/1998, 25 171,
nr. 38a) en tijdens het algemeen overleg met uw Vaste Commissie voor verkeer
en waterstaat op 28 oktober 1997 heb ik uiteengezet waarom ik van mening ben
dat de grootst mogelijke spoed moet worden betracht met de toewijzing van
de betreffende vergunningen voor mobiele telecommunicatie. Kortheidshalve
verwijs ik dan ook naar deze brief en naar voornoemd overleg.</al>
      <al>Het nu intrekken van het wetsvoorstel en het wachten op de inwerkingtreding
van de nieuwe Telecommunicatiewet brengt te veel onzekerheden met zich mee,
en zou opnieuw tot vertraging van de vergunningverlening kunnen leiden. Ik
wijs er op dat de ontwerp-Telecommunicatiewet nog maar sinds kort aanhangig
is bij de Tweede Kamer (kamerstukken II, 1996/1997, 25 533, nrs. 1 tm
3). Overigens zouden de betreffende vergunningen onder het regime van de nieuwe
Telecommunicatiewet in beginsel ook voor veiling in aanmerking komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering dit wetsvoorstel
zou hebben ingediend, indien zij geweten had dat er in totaal zo'n 90 tot
100 MHz beschikbaar zou zijn.</al>
      <al>Ik zou voor een antwoord op deze vraag willen verwijzen naar hetgeen ik
hiervoor opmerkte inzake de consultatie die is gehouden naar de wensen van
marktpartijen rond de mogelijke verdeling van de frequenties die volgend jaar
april beschikbaar komen. Zoals gezegd bleek dat er ook nu nog meer vraag naar
frequenties zal zijn dan dat er aanbod is. Ook onder de huidige omstandigheden
zou de regering dit wetsvoorstel hebben ingediend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie vragen nog eens in te gaan op de aanvankelijke
bezwaren tegen het amendement van de Tweede Kamerleden Kamp en Van Zuijlen
over het delen van antenne-opstelpunten (kamerstukken II 1996/97, 25 171,
nr. 21).</al>
      <al>In de eerste plaats merk ik op dat mijn bezwaren vooral betrekking hadden
op de oorspronkelijke versie van dit amendement. Dit amendement is tijdens
de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer in overleg met mij
aangepast. Nu het betreffende amendement door de Tweede Kamer met algemene
stemmen is aangenomen en inmiddels onderdeel uitmaakt van het onderhavige
wetsvoorstel, en bovendien is opgenomen in het wetsvoorstel voor een nieuwe
Telecommunicatiewet (thans aanhangig bij de Tweede Kamer), acht ik het niet
zinvol op mijn aanvankelijke bezwaren terug te komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat ik in het voorjaar
een onafhankelijk onderzoeksbureau het bereiken van de contractueel vastgelegde
norm betreffende frequentie-economie heb laten onderzoeken. Tevens vragen
zij wat de uitkomst van dat onderzoek was en waarom ik niet formeel gereageerd
heb op het verzoek van Libertel op aanvullende frequenties.</al>
      <al>Zoals in de inleiding reeds gemeld, heeft er inderdaad een onafhankelijk
onderzoek plaatsgevonden naar de frequentie-economie. Dat gebeurde in reactie
op het verzoek van Libertel om aanvullende frequenties van 17 april 1997,
dat een reactie was op een formeel antwoord op hun brief van 31 oktober 1996.</al>
      <al>Uit dit onderzoek blijkt op welke momenten de beide GSM-vergunninghouders
volgens hun vergunning recht hebben op aanvullende frequenties. Gezien het
feit dat zij voor de onderbouwing van hun respectievelijke verzoeken bedrijfsvertrouwelijke
informatie hebben overgelegd, kan ik daar verder niet op ingaan. Zoals gezegd
wordt er nog nader met KPN en met Libertel overlegd over het tijdstip van
het ter beschikking stellen.</al>
      <al>Hierbij wil ik nog opmerken dat in de respectievelijke beschikkingen van
de minister houdende toekenning van frequenties aan de GSM-vergunninghouders,
welke onderdeel uitmaken van de vergunning, is vermeld dat:</al>
      <al>«Een aanvraag ... om toekenning van aanvullende frequenties ...
wordt slechts toegewezen indien:</al>
      <al>a. de aanvrager de gevraagde frequenties nodig heeft voor de ontwikkeling
van de capaciteit en kwaliteit van de telecommunicatie-infrastructuur ten
einde nieuwe gebruikers te kunnen aansluiten, en</al>
      <al>b. de frequentie-economie boven de 50 ligt.»</al>
      <al>De frequentie-economie is daarbij een maat voor de hoeveelheid verkeer
die per frequentie wordt afgewikkeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tenslotte wil ik in dit verband nog in antwoord op een vraag van het CDA
melden dat de besprekingen met KPN er toe hebben geleid dat deze voor de best
lopende dienst van ATF 3, «Hi» – een dienst gericht op jongeren –
de advertentiecampagne heeft stopgezet. Sinds afgelopen zomer heeft KPN een
vergelijkbare dienst, «Hi GSM», geïntroduceerd op GSM. Het
abonnee-aantal op ATF 3 loopt dan ook, zij het nog slechts licht, terug.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen hoe ik kan verdedigen dat Libertel
voorlopig genoegen moet nemen met 7,2 MHz, terwijl de twee nieuwe toetreders
meteen 15 MHz krijgen toegewezen.</al>
      <al>Op dit moment heeft Libertel 38 GSM-kanalen ter beschikking, die in totaal
samen 7,6 MHz beslaan. Voor het opzetten van een GSM-net zijn beduidend minder
opstelpunten nodig dan voor een DCS 1800-net. Algemeen wordt aanvaard dat
bij een dubbele hoeveelheid beschikbare frequenties voor een DCS 1800-net
anderhalf tot twee maal zoveel antenne-opstelpunten nodig zijn om een nationaal
dekkend net op te bouwen.</al>
      <al>Verder zijn er thans in totaal beduidend meer DCS 1800-frequenties beschikbaar
dan er GSM-frequenties beschikbaar waren toen Libertel de vergunning toegewezen
kreeg. Om die redenen krijgen de DCS 1800-vergunninghouders meer frequenties
toegewezen dan Libertel indertijd. Daarnaast kan Libertel een beroep doen
op additionele GSM-frequenties, zoals reeds in de inleiding uitgebreid is
toegelicht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen mij aan te geven welke «market
type mechanisms» door de OECD worden onderscheiden in het uit 1993 stammende
rapport getiteld «Managing with market-type mechanisms». Dit rapport
bevat de resultaten van een onderzoek naar de mogelijkheden van toepassing
van marktconforme mechanismen in en door de publieke sector. De door de OECD
gehanteerde definitie van een marktconform mechanisme is zeer
breed: een bepaald mechanisme hoeft slechts te beschikken over één
enkele marktconforme karakteristiek. Het veilingmechanisme, als verdelingsinstrument
waarbij de prijs en daarmee de allocatie worden bepaald door de markt, valt
hierdoor zonder meer binnen de door de OECD gehanteerde definitie van een
«market type mechanism».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen naar de onderbouwing voor de stelling
dat de veilingprijs, evenals de door de bestaande partijen te betalen vergoeding,
niet zonder meer doorwerkt in de consumententarieven. Ook de leden van de
D66-fractie vragen of de dienstverlening die uiteindelijk wordt doorberekend
aan de klant niet onnodig duur wordt als de Nederlandse Staat als verkoper
van de vergunningen een zo hoog mogelijke prijs krijgt.</al>
      <al>Ten antwoord wil ik hier graag verwijzen naar de uitgebreide behandeling
van dit punt in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer.
Het daar vermelde geldt evenzeer in de nieuwe situatie, waarin niet langer
sprake is van de door de bestaande partijen te betalen vergoedingen. Voor
zover de leden van de CDA-fractie in dit verband vragen naar de prijstheoretische
werken waarop de stelling is gebaseerd, wil ik verwijzen naar de marginale
kostentheorie, waaruit dit volgt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen mij tevens aan te geven wat de invloed
is van het vaste kosten-karakter van de veilingprijs en de te betalen vergoedingen
op eventuele rentelasten en op de beursnotering. Vooropgesteld moet worden
dat deze vraag moeilijk eenduidig is te beantwoorden, gegeven de vele factoren
die hier een rol spelen. Wel duidelijk is dat de aan de veiling deelnemende
partijen hun biedingen zullen baseren op een ondernemingsplan waarin de maximale
rentelasten en de gewenste winstgevendheid van de investering zullen zijn
bepaald. De door de leden van de CDA-fractie bedoelde invloed van de vaste
lasten zal zich daarom beperken tot een binnen het opgestelde ondernemingsplan
verantwoord niveau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de druk op de winsten die
volgt uit de veilingprijs en de door de bestaande partijen te betalen vergoeding,
wel ten goede komt aan de internationale concurrentiepositie van in Nederland
zich ontwikkelende telecommunicatiebedrijven. Kortheidshalve verwijs ik naar
mijn antwoord op een identieke vraag in de nota naar aanleiding van het verslag
van de Tweede Kamer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen of een combinatie van DCS 1800 en GSM
niet de meest geschikte is voor de toekomst. Als dat zo is, vragen zij of
het level playing field, waar ook zij aan hechten, niet in gevaar komt door
de tijdelijke uitsluiting van Libertel uit de DCS 1800-band.</al>
      <al>Zoals eerder gemeld, is in beginsel de combinatie van frequenties in de
900 MHz-band en de 1800 MHz-band, dus van GSM en DCS 1800-frequenties, ideaal
voor het opzetten van een net dat zowel grote dekking als hoge capaciteit
kan bereiken. Daartoe moet echter wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan.
Zo moet er zowel geschikte apparatuur voor het net zijn als geschikte apparatuur
voor de gebruiker. Bovendien mogen de prijzen niet of niet veel hoger zijn
dan die van apparatuur voor een net dat slechts in één frequentieband
werkt. Voor de nieuwe vergunninghouders geldt dat er op dit moment nog geen
grote markt is voor apparatuur die geschikt is voor zowel de nieuwe GSM-frequenties
als voor de DCS 1800-frequenties. Daar kleven dus wel degelijk behoorlijke
risico's aan. Bovendien moeten die nieuwe vergunninghouders hun net nog opbouwen.
Als de huidige GSM-vergunninghouders nu direct zouden mogen beginnen met het
exploiteren van deze DCS 1800-frequenties, zouden zij juist hun voorsprong
op de nieuwkomers verder kunnen vergroten. Dat laatste zou dus
het level playing field verslechteren in plaats van verbeteren.</al>
      <al>In de tijd dat KPN en Libertel deze DCS 1800-frequenties niet mogen gebruiken
voor het aanbieden van diensten, zullen zij al wel hun net mogen aanpassen
om voorbereid te zijn op het aflopen van deze periode. Op die manier kunnen
zij zekerstellen dat ze direct na die periode diensten kunnen aanbieden die
gebaseerd zijn op de gecombineerde techniek.</al>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen of het level playing field niet wordt
verstoord doordat Libertel de beschikking heeft gekregen over een klein kavel
en daarbij allerlei verplichtingen op zich heeft genomen, welke niet worden
vastgelegd voor de nieuwkomers. Bovendien heeft Libertel te maken met een
moeizame procedure voor het verkrijgen van meer frequenties. Ook de leden
van D66 vragen of het niet wenselijker is om een eenvormig kwaliteitsregime
te handhaven.</al>
      <al>In dit verband zou ik willen verwijzen naar de antwoorden in de nota naar
aanleiding van het verslag, op vergelijkbare vragen van de CDA-fractie en
de RPF-fractie van de Tweede Kamer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van het CDA vragen welke financiële last het gevolg kan
zijn van de consequenties van roaming. Tevens vragen zij of het denkbaar is
dat bijvoorbeeld Libertel door abonneehouders van de nieuwe vergunninghouders
de beschikbare capaciteit overschrijdt.</al>
      <al>Ik zou hier in grote lijnen willen herhalen wat ik in de nota naar aanleiding
van het verslag van de Tweede Kamer reeds op vragen van VVD, PvdA en CDA heb
geantwoord.</al>
      <al>Op grond van dit wetsvoorstel wordt het mogelijk KPN en Libertel te verplichten
mee te werken aan nationale roaming op hun netten ten behoeve van de nieuwe
vergunninghouders die verplicht zijn hun diensten landelijk aan te bieden,
indien deze daartoe een verzoek indienen bij de minister. Uiteraard is het
ook mogelijk dat partijen op vrijwillige (commerciële) basis gebruik
maken van roaming op elkaars netten. Het gebruik van nationale roaming is
mogelijk gedurende een beperkte, door de minister vast te stellen periode.
Het doel van het bieden van deze mogelijkheid is dat de nieuwe vergunninghouders
die hun diensten landelijk dekkend moeten aanbieden in een zo vroeg mogelijk
stadium diensten kunnen aanbieden via de reeds bestaande netten. Aangezien
het de bedoeling is dat deze nieuwe vergunninghouders zo snel mogelijk zelf
een net opbouwen, wordt deze mogelijkheid slechts voor een beperkte tijd geboden.</al>
      <al>Beide GSM-vergunninghouders hebben ten behoeve van hun abonnees reeds
vele roamingovereenkomsten met buitenlandse vergunninghouders gesloten. Een
roamingovereenkomst met de DCS 1800-vergunninghouder is derhalve geen zware
extra last voor de GSM-vergunninghouders. Het enige verschil is dat het hier
gaat om een roamingovereenkomst met een vergunninghouder uit het eigen land
in plaats van uit het buitenland. Daar staat tegenover dat de GSM-vergunninghouders
inkomsten verwerven wanneer er daadwerkelijk abonnees roamen op hun net. De
GSM-vergunninghouders hoeven geen investeringen te plegen voor dual band-apparatuur.
Het is immers aan de nieuwe vergunninghouders om hun abonnees te voorzien
van dual band-toestellen.</al>
      <al>De extra drukte op de netten van KPN en Libertel zal in eerste instantie
gering zijn. Bovendien zullen de abonnees die de nieuwe partijen verwerven,
voor een deel ook ten koste gaan van de aanwas van abonnees van KPN en Libertel.
Zelfs indien deze roaming geruime tijd duurt, zal de extra capaciteit die
KPN en Libertel daarvoor nodig hebben, bij de huidige groeicijfers van de
mobiele markt, na afloop van de roamingperiode binnen korte tijd weer gebruikt
worden door nieuwe eigen abonnees. Gezien het feit dat Libertel met eenzelfde
frequentieruimte nog aanzienlijk minder abonnees bedient dan KPN, verwacht
ondergetekende niet dat Libertel hierdoor echte problemen met de beschikbare
capaciteit zal ondervinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de leden van de CDA-fractie bestaat kennelijk nog enige onduidelijkheid
omtrent de volgtijdigheid van toetsing, veiling en vergunningverlening, naar
aanleiding van het voorgestelde artikel 13h, derde lid.</al>
      <al>Om deze onduidelijkheid weg te nemen schets ik nog eens, zeer kort, de
vergunningverleningsprocedure, zoals in het onderhavige wetsvoorstel is neergelegd:</al>
      <al>Nadat de minister op grond van artikel 13a, derde lid, heeft bepaald dat
vergunningverlening plaatsvindt na veiling van het gebruiksrecht op de betreffende
radio-frequenties, start de vergunningverleningsprocedure door middel van
een bekendmaking. Vervolgens kan een aanvraag om een vergunning worden ingediend.
Dan toetst de minister de aanvragen op de zogenoemde minimumeisen. Deze eisen
zijn vastgelegd in artikel 13h, derde lid. Anders dan de leden van de CDA-fractie
veronderstellen, vindt de toetsing aan de minimumeisen derhalve plaats voorafgaand
aan de veiling, en voorafgaand aan de vergunningverlening.</al>
      <al>Indien er geen sprake is van schaarste, zullen de vergunningen direct
worden verleend. Voor alle duidelijkheid: in dit geval vindt er geen tenderprocedure
plaats.</al>
      <al>Hiermee zijn tevens de vragen van de leden van de fracties van de PvdA
en van D66 op dit punt beantwoord.</al>
      <al>Indien er wordt geveild, en een aanvrager verwerft het gebruiksrecht op
de benodigde frequenties, dan verleent de minister onverwijld aan hem de vergunning.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen om de oude en de nieuwe tekst van de
Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Wtv), om het wetsvoorstel beter te
kunnen bestuderen.</al>
      <al>Als bijlage bij deze memorie van antwoord is de tekst van de thans vigerende
Wtv gevoegd<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref>. Hierin is door middel van doorhalingen
en renvooieringen aangegeven welke wijzigingen het wetsvoorstel veilen frequenties
mobiele telecommunicatie daarin aanbrengt. Deze tekst is vervaardigd ten behoeve
van intern gebruik op mijn departement. Voor alle duidelijkheid wijs ik erop
dat de novelle niet in deze tekst is verwerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen om verduidelijking van de redactie
van artikel 13oa, betreffende het delen van antenneopstelpunten.</al>
      <al>Aan het verzoek om verduidelijking voldoe ik gaarne. In het tweede lid
wordt met «derde», «deze» en «hij» inderdaad
steeds dezelfde partij, namelijk de «derde» bedoeld. Met deze
redactie wordt voorkomen dat het begrip «derde» driemaal herhaald
moet worden, waardoor de zin moeilijk leesbaar zou worden.</al>
      <al>Zoals in de toelichting op dit amendement is aangegeven, zal de derde
partij doorgaans de eigenaar van de grond of van het gebouw zijn, waarop het
antenneopstelpunt van de vergunninghouder zich bevindt. Deze derde zal in
de regel daartoe een overeenkomst sluiten met een vergunninghouder. Indien
deze derde geen toestemming verleent voor medegebruik van het opstelpunt door
een tweede vergunninghouder, waarmee de derde geen overeenkomst heeft gesloten,
dan kan die weigering in beginsel niet aan de eerste vergunninghouder worden
toegerekend. Twee vergunninghouders kunnen bijvoorbeeld overeenstemming bereiken
over medegebruik, maar als de derde niet van plan is de tweede vergunninghouder
op zijn grond toe te laten, dan is de eerste vergunninghouder daar niet voor
verantwoordelijk.</al>
      <al>Om te voorkomen dat «derden» die een economisch belang hebben
in de eerste vergunninghouder, tot wie een verzoek om medegebruik wordt gericht,
zich door deze bepaling aan de verplichting tot medegebruik zouden kunnen
onttrekken, ten gunste van de concurrentiepositie van de eerste vergunninghouder,
is het tweede lid aan artikel 13oa toegevoegd. Op deze wijze
wordt, als puur fictief voorbeeld, voorkomen dat PTT Post BV andere vergunninghouders
dan PTT Telecom BV kan weren van antenneopstelpunten op postkantoren.</al>
      <al>Gelet op het voorgaande acht ik aanpassing van de redactie van artikel
13oa niet gewenst, noch noodzakelijk. Bovendien kan het wetsvoorstel, nu het
door de Tweede Kamer is aanvaard, niet meer worden gewijzigd, tenzij door
middel van een novelle. Hoewel zich in dit geval de situatie voordoet dat
er een novelle is ingediend, lijkt het mij niet juist deze gelegenheid aan
te grijpen om de redactie van artikel 13oa, aan te passen. Het betreffende
artikel, met de daarbij behorende toelichting, is eveneens letterlijk opgenomen
in de ontwerp-Telecommunicatiewet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen wat het bedrag is dat in het businessplan
of het contract van Libertel is genoemd voor de te betalen kosten voor toezicht
en bemoeienis van de Staat.</al>
      <al>In 1995 is door de Rijksdienst voor de Radiocommunicatie (RDR) bij Libertel
in totaal f 187 500 in rekening gebracht, zijnde 9/12 van de jaarlijks
verschuldigde vergoeding; de vergunning is per 1 april in werking getreden.
KPN diende in 1995 een bedrag van f 250 000 te voldoen voor het
toezicht en bemoeienis van de Staat.</al>
      <al>Door de OPTA is in 1996 f 500 000 in rekening gebracht bij beide
vergunninghouders. De RDR heeft per vergunninghouder f 250 000 in
rekening gebracht.</al>
      <al>In 1997 werd hiervoor per vergunninghouder door de RDR f 250 000
in rekening gebracht en door de OPTA f 250 000. Hierbij moet aangetekend
worden dat eventueel nog vergoedingen verschuldigd kunnen zijn voor straalverbindingen
of nummerblokken.</al>
      <al>De bedragen die de vergunninghouders dienen te betalen, moeten kostendekkend
zijn voor zowel de RDR als de OPTA. Indien een vergunninghouder het niet eens
is met de hoogte van een verschuldigde vergoeding, kan hij daartegen bezwaar
en eventueel beroep aantekenen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie willen vernemen welke algemene beleidslijn
aan het liberaliseren van (aanvankelijk) gereserveerde markten op het gebied
van mobiele telecommunicatie ten grondslag ligt.</al>
      <al>Toen besloten werd om de markt voor mobiele telecommunicatie te liberaliseren,
was de eerste doelstelling om er voor te zorgen dat de concurrentie zo snel
mogelijk van de grond zou komen. Komend vanuit een monopolistische situatie,
is een tenderprocedure met een vergelijkende toets een uitstekend middel om
te verzekeren dat er snel een volwaardig net wordt opgebouwd. Voorwaarde daarbij
is wel dat de aanvragen eenduidig met elkaar vergeleken kunnen worden. In
het geval van de GSM-vergunningen was dat het geval, dus is voor een vergelijkende
toets gekozen. Een belangrijk nadeel van een vergelijkende toets is wel dat
het totale traject van beoordeling niet transparant is, omdat er veel vertrouwelijke
bedrijfsinformatie beoordeeld moet worden. Verder zal de overheid vooraf moeten
bepalen wat het meest gewenst is voor de markt. Hierdoor ontbreekt een belangrijk
stuk van de marktwerking.</al>
      <al>Om transparantie en marktwerking te waarborgen, is in de Nota Frequentiebeleid
vastgelegd om bij de verdeling van schaarse frequenties voor zakelijk gebruik
het middel van veilen te hanteren voor de verdeling. Daar is dan ook van uitgegaan
in dit wetsvoorstel. Ook in de nieuwe Telecommunicatiewet wordt ervan uitgegaan
dat frequenties voor zakelijk gebruik, bij gebleken schaarste, worden geveild.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen de regering te waarborgen dat het
nu ingezette beleid wel consequent zal worden voortgezet en dat de uit een
vorige fase verkregen rechten worden gerespecteerd.</al>
      <al>Kennelijk wordt hier door deze leden gedoeld op de schaarstevergoeding
voor de bestaande vergunninghouders. In dit verband acht ik het
dan ook niet noodzakelijk op dit punt in te gaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen zich af met hoeveel zekerheid de voorgestelde
concurrentiebevorderende maatregelen, bedoeld worden de schaarstevergoeding
en de exclusieve periode, daadwerkelijk zullen leiden tot een «level
playing field». In dit verband zal duidelijk zijn dat ook ik niet in
de toekomst kan kijken. Wel ben ik ervan overtuigd dat de voorgestelde maatregelen,
waaronder ook zijn te scharen de door de nieuwe landelijke vergunninghouders
afdwingbare roaming op de bestaande netten en de verplichting tot het delen
van antenneopstelpunten, een voldoende mate van zekerheid garanderen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie zouden het op hoge prijs stellen indien de
overeenkomst terzake het gebruik van de frequenties in de DCS 1800-band voor
de straalverbindingen van NOZEMA, eventueel vertrouwelijk, ter inzage zou
kunnen worden gegeven.</al>
      <al>Zoals reeds aangegeven, worden alle frequenties in de DCS 1800-band, dus
inclusief de zogeheten NOZEMA-frequenties, nu in één en dezelfde
procedure geveild. Op dat punt is het oude contract tussen KPN en NOZEMA dus
al achterhaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen of het, bij uiterste inspanning van
de regering, toch niet mogelijk is vóór 1 januari 1998 een gecombineerde
veiling van de gehele DCS 1800-band te houden.</al>
      <al>Zoals in de inleiding is gezegd, zullen alle beschikbare DCS 1800-frequenties
tegelijkertijd worden geveild. Alle inspanningen zijn er op gericht de procedure
voor vergunningverlening nog in december van dit jaar te laten starten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen of de prospectussen met betrekking
tot de beursgang van KPN voldoende informatie bevatten over de latere naheffing
en over een tijdelijke uitsluiting van DCS 1800-radio-frequenties. Ook vragen
deze leden naar de eventuele aansprakelijkheid van de minister voor deze prospectussen.</al>
      <al>In de prospectussen is in vergelijkbare bewoordingen als in het tenderdocument
voor GSM aangekondigd dat het toekomstige frequentiebeleid, met de mogelijkheid
van veiling van schaarse frequenties, kan leiden tot financiële gevolgen
voor de bestaande vergunninghouders. Ook is in de prospectussen vermeld dat
KPN, anders dan bij GSM en ERMES, niet noodzakelijk een vergunning voor DCS
1800 zal worden verleend. Op dat moment kon uiteraard niet in de details van
de (wijze van) uitsluiting van KPN worden voorzien.</al>
      <al>In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de minister aansprakelijk
is voor de prospectussen. Of een eventuele vordering tot schadevergoeding
door de rechter zal worden gehonoreerd is echter van zoveel diverse factoren
afhankelijk dat deze vraag niet met een eenvoudig ja of neen kan worden beantwoord.
Naar mijn mening voert het te ver om hier in juridische details te treden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen of het, om kunstmatige schaarste te
voorkomen, aanbeveling zou kunnen verdienen om bij de veiling aan die bieder
de vergunning te verlenen, die het hoogste bod doet en daarbij beroep doet
op de laagste capaciteit.</al>
      <al>Zonder de bieders sterk te beperken in hun mogelijkheden, is het niet
mogelijk om te verzekeren dat dezelfde partij zowel het hoogste bod doet en
tegelijkertijd een beroep doet op de laagste capaciteit. Het is heel goed
mogelijk dat een partij een hoger bod wil uitbrengen, maar daarbij meer frequenties
wil verwerven dan de andere partijen. Ook is heel goed mogelijk dat een partij
met weinig frequenties genoegen wil nemen, maar daar dan ook weinig voor wil
betalen. Ook als de biedingen omgerekend worden naar een bedrag
per MHz, is het bovenstaande van toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA willen vernemen of aan het voorlopig
reserveren voor nieuwkomers van de 1800-technologie ook nadelen of risico's
verbonden zijn.</al>
      <al>Aangezien alle beschikbare frequenties nu worden verdeeld, is er geen
sprake van het reserveren van frequenties voor nieuwe vergunninghouders. Het
reserveren van frequenties zou ook tot gevolg hebben dat er kunstmatig schaarste
wordt gecreëerd. Dat zou mogelijk ook op gespannen voet kunnen staan
met richtlijn 96/2/EG, waarin wordt gesteld dat het aantal te verlenen vergunningen
alleen mag worden beperkt op grond van het beschikbare aantal frequenties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de D66-fractie vragen of er wel daadwerkelijk schaarste is
of dat de schaarste bewust is gecreerd omwille van een eventuele veiling.</al>
      <al>Schaarste is nooit bewust gecreëerd. Dit is ook duidelijk aangetoond
door het feit dat zodra de nieuwe GSM-frequenties beschikbaar kwamen, is besloten
om die tegelijkertijd te verdelen en dat ook alle frequenties die in april
volgend jaar beschikbaar komen, nu worden verdeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de D66-fractie vragen naar de criteria die gehanteerd zullen
worden bij de beoordeling of de asymmetrie die wordt toegepast, niet in strijd
zijn met Fair-Play.</al>
      <al>De maatregelen die worden genomen om het level playing field of de onderlinge
verhoudingen tussen de vergunninghouders te waarborgen, zullen alle in overeenstemming
moeten zijn met het Europese (mededingings)recht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de D66-fractie vragen of het niet zo is dat Libertel inmiddels
een zodanig groot aandeel in de Nederlandse markt heeft verworven, dat zij
niet meer in bescherming genomen hoeft te worden.</al>
      <al>Met de huidige beleidsvoornemens wordt Libertel niet meer in bescherming
genomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de D66-fractie vragen zich af in hoeverre, en op basis van
welke criteria, de nieuwe actoren op de Nederlandse markt bedrijven zijn die
van asymetrische maatregelen zouden mogen profiteren. Dit wetende dat drie
van Europa's grootste telecommunicatiebedrijven reeds hun interesse hebben
getoond. In dit verband zou ik willen opmerken dat de asymetrische maatregelen
niet tot doel hebben om kleine, onvermogende ondernemingen een plaats op de
Nederlandse markt voor mobiele telecommunicatie te geven. Het doel is veeleer
om partijen, van welke grootte dan ook, een kans te geven om zich op een reeds
ontwikkelde duopoloïde markt te ontwikkelen tot concurrerende aanbieders.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fracties van SGP, RPF en GPV vragen waarom wordt vastgehouden
aan veilen, als de Commissie dit ontraadt en dit principe in de meeste Europese
landen niet wordt toegepast.</al>
      <al>Zoals in de inleiding reeds is aangegeven, is de Commissie op zich niet
tegen veilen.</al>
      <al>In een aantal Europese landen wordt er steeds meer aan gedacht om veilen
als verdelingsmiddel te gaan gebruiken. Juist met de ontwikkelende markt wordt
het steeds moeilijker om objectieve criteria te ontwikkelen op basis waarvan
de verschillende aanvragen in een vergelijkende toets met elkaar kunnen worden
vergeleken. Juist in een veiling kan dat op een transparante wijze gebeuren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op de vraag van de leden van de fracties van SGP, GPV en RPF
over het moment van betalen van het veilingbod, kan ik meedelen dat in de
lagere regelgeving wordt voorzien in een betaling op korte termijn na
de verlening van de vergunning. Deze regeling geldt ook voor de bestaande
vergunninghouders, indien zij frequenties verwerven, die zij op zijn vroegst
na twee jaar mogen gebruiken. De waarde van de frequenties wordt op het moment
van de veiling door de marktpartijen zelf bepaald. De vraag of de frequenties
op een later moment wellicht meer of minder waard zullen zijn, is dan ook
niet relevant. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd op het Centraal Informatiepunt onder griffienr. 119318.15.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>Deze bijlage is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt onder
griffienr. 119318.16</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>