﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="1" publtype="negeer">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19961997-24245-3a/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Eerste Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997 Nr. 3a</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K3935</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 245</nummer>
      <naam>Bepalingen met betrekking tot de militaire dienstplicht alsmede wijziging
van enige wetten en overgangsrecht (Kaderwet dienstplicht)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <titel>MEMORIE VAN ANTWOORD</titel>
      <datum>Ontvangen 3 december 1996 </datum>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <al>De ondergetekenden zeggen de vaste commissie voor Defensie dank voor haar
in het voorlopig verslag opgenomen vragen en opmerkingen met betrekking tot
het wetsvoorstel. De ondergetekenden constateren met genoegen dat, zij het
met nuances in de toonzetting, de fracties van de VVD en het CDA alsmede het
lid Hendriks op hoofdlijnen kunnen instemmen met het voorstel. In reactie
op de opmerkingen en vragen volgen ondergetekenden zoveel mogelijk de indeling
van het voorlopig verslag. Op enkele onderdelen echter hebben zij verwante
vragen samengebrachte en gezamenlijk beantwoord.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de commissie voor Defensie stellen vast dat, alvorens het
onderhavige wetsvoorstel is vastgesteld, de uitvoering daarvan met grote voortvarendheid
ter hand is genomen. Zij hebben er begrip voor om tot spoedige uitvoering
van het wetsvoorstel over te gaan uit hoofde van de ondervonden aandrang,
maar vanuit de positie van de Eerste Kamer en vanuit het proces van wetgeving
kunnen zij deze handelwijze niet billijken.</al>
      <al>De ondergetekenden zijn het niet eens met de stelling dat de uitvoering
van het onderhavige wetsvoorstel nu reeds ter hand zou zijn genomen. Aan de
orde is het gehanteerde oproepingsbeleid in de afbouwfase van de opkomstplicht
binnen het huidige wettelijke regime. In dat verband zou weliswaar kunnen
worden gesteld dat de Dienstplichtwet uitgaat van een stelsel met dienstplichtigen
in werkelijke dienst, maar in die wet kan geen verplichting worden gelezen
om te allen tijde iedere beschikbare dienstplichtige voor het vervullen van
werkelijke dienst op te roepen. Dit vloeit voort uit het oproepingssysteem
dat nu eenmaal is afgestemd op de bij de krijgsmacht bestaande behoefte aan
dienstplichtigen. In die zin vormt de situatie tijdens de overgang van een
deels uit dienstplichtigen bestaande krijgsmacht naar een louter uit vrijwilligers
bestaande en bovendien kleinere krijgsmacht dan ook geen breuk met het verleden.
In herinnering behoeft bijvoorbeeld slechts te worden gebracht dat in het
verleden soms hele jaarlichtingen buitengewoon dienstplichtig zijn verklaard.
Het moge voorts duidelijk zijn dat het onvermijdelijk is dat tijdens de periode
van omvorming tot een vrijwilligerskrijgsmacht de afnemende behoefte aan dienstplichtigen
een rol speelt bij het gehanteerde oproepingsbeleid; de krijgsmacht
kan immers slechts naar behoren blijven functioneren als de reorganisatie
bovenal beheersbaar wordt doorgevoerd. Dat tijdens deze overgangsperiode in
sterk afnemende mate een beroep wordt gedaan op dienstplichtigen, ook al is
dat in de laatste fase voorafgaand aan de opschorting van de opkomstplicht,
is daarbij een factor van belang (verwezen zij bijvoorbeeld naar p. 31 en
32 van de Prioriteitennota, kamerstukken II 1992/93, 22 975, nr. 2).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dat verband zij wellicht ten overvloede opgemerkt dat op dit moment
nog steeds dienstplichtigen werkelijke dienst vervullen. Vanaf 31 augustus
jl. geldt, zoals bekend, weliswaar een generaal pardon voor de dienstplichtigen
die op die datum nog hun eerste oefening vervulden, doch degenen die te kennen
hebben gegeven hun diensttijd geheel te willen uitdienen, zijn daartoe in
de gelegenheid gesteld. Verder geldt het generaal pardon niet voor de dienstplichtige
mariniers (verwezen zij naar kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 63).
Aan de overgangsperiode komt een einde bij de beoogde datum inwerkingtreding
van de Kaderwet dienstplicht op 1 januari 1997, waarbij onder meer de opkomstplicht
van dienstplichtigen van rechtswege zal worden opgeschort. </al>
      <tuskop letat="vet">Voorwaarden en omstandigheden van eventuele mobilisatie</tuskop>
      <al>De leden van de fractie van de VVD vragen zich af op basis van welke signalen
de regering vooraf realistisch kan inschatten of er op of binnen een termijn
van twee jaar een situatie zal ontstaan waarin, gezien de verslechterde veiligheidssituatie,
dienstplichtigen benodigd zijn. Voorts vragen deze leden of de regering een
aantal militaire en politieke toetsingscriteria kan ontwikkelen die de basis
zouden kunnen vormen voor de beslissing om al dan niet de opschorting van
de opkomstplicht ongedaan te maken. Tevens vragen deze leden of de mobilisatietermijn
van twee jaar niet te optimistisch is en of er voor dit traject een plan in
de kast ligt respectievelijk of de personele en materiële voorzieningen
die nodig zijn voor de activering van de opkomstplicht zijn geïnventariseerd.
De leden van de fractie van het CDA constateren dat ten behoeve van mogelijke
buitengewone omstandigheden een reserve-component wordt gevormd, in eerste
aanleg bestaande uit dienstplichtigen, die in werkelijke dienst zijn geweest
en vervolgens in toenemende mate uit gewezen beroepspersoneel en ander reservepersoneel.
In dat verband vragen zij of kan worden aangegeven over welke middelen Defensie
beschikt om deze mensen bij te scholen en voldoende te trainen ten behoeve
van een mogelijke mobilisatie. Tevens vragen deze leden of er ten behoeve
van een dergelijke situatie voldoende materieel beschikbaar zal zijn. Voorts
vragen deze leden of nog eens duidelijk aangegeven kan worden of de veiligheid
van Nederland, alsmede de veiligheid in bondgenootschappelijk verband, optimaal
wordt gegarandeerd, gelet op de termijnen, de omvang van de krijgsmacht en
de middelen. Voorts willen deze leden vernemen waarom er geen herhalingsoefeningen
meer worden gehouden.</al>
      <al>In de eerste plaats willen ondergetekenden nogmaals benadrukken dat de
stap naar de vorming van een vrijwilligerskrijgsmacht impliceert dat alle
voorziene taken door de parate eenheden, waar nodig aangevuld met reservisten,
zullen worden uitgevoerd. Voor die taken beschikt de krijgsmacht over het
daarvoor benodigde materieel. De organisatie en infrastructuur zijn daarop
afgestemd. Een reactivering van het dienstplichtsysteem is eerst aan de orde,
indien primair naar aanleiding van de periodieke evaluatie van de veiligheidssituatie,
duidelijk wordt dat de huidige omvang van de vrijwilligerskrijgsmacht daarop
niet is berekend. Met een mogelijke reactivering van de opkomstplicht van
dienstplichtigen wordt alsdan een aanvulling op de reeds aanwezige parate
en reservecapaciteit van de krijgsmacht beoogd. Hoewel de omvang
van die aanvulling niet bij voorbaat kan worden aangegeven, vormt de termijn
van ongeveer twee jaar, naar het oordeel van ondergetekenden, niettemin een
redelijke inschatting voor het wederom kunnen keuren en opleiden van dienstplichtigen
na beëindiging van de opschorting van de opkomstplicht. De aanschaf van
materieel en de bouw of verwerving van infrastructuur zullen tegen de achtergrond
van de op dat moment bij de krijgsmacht bestaande behoefte binnen de zich
dan voordoende (organisatorische, financiële en maatschappelijke) mogelijkheden
en omstandigheden moeten worden gerealiseerd, daarbij tevens rekening houdend
met bondgenootschappelijke afspraken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om de parate eenheden aan te vullen, worden in eerste aanleg reservisten
ingezet wanneer dat in buitengewone omstandigheden, vooral in het geval van
een groot conflict, nodig is. De voorbereiding van reservisten is vooral daarop
gericht. Gelet op de reactietijden, die langer zijn dan voorheen, is het niet
nodig alle reservisten altijd op een niveau van geoefendheid te houden dat
nodig is om hen direct te kunnen inzetten. Om die reden zullen reservisten
in beginsel niet periodiek aan herhalingsoefeningen worden onderworpen. Mocht
de veiligheidssituatie zich wijzigen, dan is er voldoende tijd om de reservisten
die nodig zijn op het gewenste peil van geoefendheid te brengen. Dit zal overigens
naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst minder inspanning vergen dan vroeger,
aangezien de reservist «nieuwe stijl» meer kennis en ervaring
heeft bij een van de krijgsmachtdelen en die weer gemakkelijker zal ophalen
dan de dienstplichtige van vroeger (verwezen zij verder naar de nota Reservistenbeleid,
kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 104). Als aanvulling op het reservistenbestand
kan tot circa 2010 zonodig worden teruggevallen op personeel uit de laatste
lichtingen geoefende dienstplichtigen met een mobilisatiebestemming. Het onderhavig
wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om deze groep dienstplichtigen tot
genoemd tijdstip te mobiliseren zonder dat daartoe eerst de opschorting ongedaan
behoeft te worden gemaakt. Tegen de achtergrond van de huidige internationale
veiligheidssituatie is het niet noodzakelijk – ook al biedt het wetsvoorstel
daartoe wel de mogelijkheid – om dit personeel, dat is ingedeeld op
relatief eenvoudige functies, tot genoemd tijdstip periodiek aan een verplichting
tot herhalingsoefeningen te onderwerpen. De langere reactietijden kunnen,
zoals ook in de memorie van toelichting (kamerstukken II 1995/96, 24 245,
nr. 3, p. 16) is gesteld, volledig worden benut om het kennisverval bij deze
groep dienstplichtigen teniet te doen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder welke omstandigheden en op basis van welke signalen of op welke
schaal een mogelijke beëindiging van de opschorting van de opkomstplicht
van dienstplichtigen aan de orde is, is op voorhand niet eenduidig aan te
geven. De huidige inschatting van de internationale veiligheidssituatie voor
de komende jaren, waarop de Prioriteitennota is gebaseerd en welke sindsdien
niet substantieel is gewijzigd (in dat verband zij ook verwezen naar de evaluatie
van de internationale veiligheidssituatie zoals opgenomen in het supplement
bij de Defensiebegroting 1996; kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr.
3, p. 66 e.v.) geeft geen aanleiding te veronderstellen dat de komende jaren
behoefte bestaat aan een krijgsmacht van een aanmerkelijk grotere omvang dan
in de Prioriteitennota is voorzien. In het geval dat moet worden opgetreden
in het kader van een bondgenootschappelijke verdediging, zal de krijgsmacht
na mobilisatie van de reserve-component, over voldoende gevechtskracht beschikken
om hieraan een bijdrage te kunnen leveren. Bij de periodieke evaluatie van
de veiligheidssituatie zal bovendien telkens opnieuw moeten worden afgewogen
of de omvang van de krijgsmacht ook voor de toekomst adequaat zal zijn. Er
bestaat aldus de gelegenheid om op grond van verwachtingen ten aanzien van
de internationale veiligheidssituatie tussen regering en Staten-Generaal van
gedachten te wisselen over de maatregelen die genomen moeten worden
om de verandering in die veiligheidssituatie het hoofd te bieden. Hierbij
zullen ook de inschattingen van de bondgenoten een rol spelen. Het is evenwel
niet mogelijk om in het licht van het dynamische karakter van de ontwikkeling
van de internationale veiligheidssituatie voor de toekomst reële scenario's
van conflictontwikkeling te schilderen met een min of meer algemene geldigheid
die aanleiding kunnen geven tot een mogelijke reactivering van het dienstplichtstelsel.
Het is juist daarom dat de internationale veiligheidssituatie periodiek wordt
geëvalueerd. Verder gaat het bij de beslissing om de opschorting (geheel
of gedeeltelijk) te beëindigen altijd om een politiek-militaire beoordeling
van feitelijke omstandigheden en gebeurtenissen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarbij is het aan de regering en de Staten-Generaal om op grond van verwachtingen
ten aanzien van de ontwikkelingen van de veiligheidssituatie in een bepaalde
situatie de balans op te maken en eventueel te besluiten tot een reactivering
van de opkomstplicht. Omdat, zoals gezegd, geen voorspellingen kunnen worden
gedaan over de omstandigheden waaronder en de schaal waarop tot een mogelijke
(al dan niet gefaseerde) beëindiging van de opschorting van de opkomstplicht
zal worden overgegaan, zijn hiervoor thans, mede gelet ook op de inschatting
van de huidige internationale veiligheidssituatie, geen concrete plannen uitgewerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de VVD vragen zich af waarom er geen dienstplichtkeuring
in enigerlei vorm wordt gehandhaafd.</al>
      <al>Dienaangaande zij opgemerkt dat de verwachte waarschuwings- en voorbereidingstijden
vanaf het moment waarop een beslissing tot reactivering van het dienstplichtstelsel
in gewone omstandigheden door regering en Staten-Generaal wordt genomen tot
het moment van daadwerkelijke inzet van dienstplichtigen in buitengewone omstandigheden
in het licht van een verandering in de veiligheidssituatie voldoende wordt
geacht voor keuring, indeling, opleiding en oefening van «nieuwe»
dienstplichtigen. Handhaving van de keuring leidt niet alleen tot onnodige
financiële lasten, maar betekent voorts een overbodige belasting voor
de te keuren personen. Nog los van het feit dat keuringsgegevens momentopnamen
zijn en uit dien hoofde slechts in beperkte mate bruikbaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het lid Hendriks vraagt naar de inhoud van de term «buitengewone
omstandigheden» en naar de termijn voor de overgang van «gewone»
naar «buitengewone» omstandigheden. Tevens vraagt het lid Hendriks
of het juist is dat in de praktijk Nederland uitsluitend bij een grootschalig
conflict zou kunnen worden betrokken en derhalve zou overgaan tot het uitroepen
van «buitengewone omstandigheden», indien Nederland daar als deel
van een bondgenootschap reden voor zou hebben.</al>
      <al>In reactie hierop zij het volgende opgemerkt. Met de term «buitengewone
omstandigheden» wordt aangegeven dat, voordat een noodtoestand kan worden
afgekondigd zich feitelijke gebeurtenissen moeten voordoen die tot toepassing
van buitengewone bevoegdheden nopen, omdat de normale wettelijke bevoegdheden
te kort schieten. In de artikelen 19 en 20 van de Kaderwet dienstplicht is
voor wat betreft de terminologie en de procedure tot oproeping van dienstplichtigen
in buitengewone omstandigheden aansluiting gezocht bij hetgeen daaromtrent
is geregeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Wanneer gewone
omstandigheden in buitengewone omstandigheden overgaan, is niet op voorhand
aan te geven. Om die reden is gekozen voor een procedurele benadering. Anders
gezegd, de vraag of feitelijke gebeurtenissen zullen noodzaken tot inwerkingstelling
van artikel 20 wordt door de regering in samenspraak met de Staten-Generaal
beoordeeld. Uiteraard dient daaraan voorafgaand de opschorting van de opkomstplicht
te zijn beëindigd. Het ligt in de rede dat Nederland geen
besluit neemt tot mobilisatie dan nadat in bondgenootschappelijk verband zou
worden besloten tot het nemen van maatregelen die leiden tot het op volledige
sterkte brengen van de strijdkrachten van het bondgenootschap. </al>
      <tuskop letat="vet">Toerusting en inpassing van een beroepsleger</tuskop>
      <al>De leden van de fractie van het CDA vragen naar de werkdruk voor het personeel,
mede in verband met de frequente uitzendingen. Voorts vragen deze leden of
kan worden aangegeven wanneer de prioriteiten worden bijgesteld respectievelijk
de krijgsmacht in de toekomst over wat ruimere middelen zal kunnen beschikken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het deelnemen aan crisisbeheersingsoperaties terwijl de herstructurering
van de krijgsmacht nog niet is afgerond, is een belangrijke oorzaak van de
personele knelpunten bij uitzendingen. Naarmate het proces van herstructurering
verder wordt voltooid, is er meer sprake van organieke eenheden die elkaar
in het patroon van uitzending, zes maanden per anderhalf jaar, kunnen aflossen.
Slechts in individuele gevallen zal daarvan worden afgeweken. Bij de actualisering
van de Prioriteitennota zal onder meer aandacht worden besteed aan het vermogen
van de krijgsmacht om crisisbeheersingsoperaties gedurende langere tijd vol
te houden. De resultaten daarvan zullen worden opgenomen in de memorie van
toelichting bij de Defensiebegroting 1998. Vooruitlopend hierop is de genieconstructiecapaciteit
alvast uitgebreid om uitzendingen op het huidige niveau te kunnen handhaven
(kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 119).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fracties van CDA en PvdA spreken over de maatschappelijke
verankering van de krijgsmacht. Ondergetekenden zijn ervan overtuigd dat met
de opschorting van de opkomstplicht de band met de samenleving niet in gevaar
komt. De krijgsmacht is in de loop van de jaren sterk vermaatschappelijkt
en de militair staat met beide benen in de maatschappij. Verder zullen de
centrales van overheidspersoneel, de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht
en uiteraard de Staten-Generaal de vinger aan de pols houden. De blijvende
band tussen maatschappij en krijgsmacht wordt tevens gewaarborgd door respectievelijk
de grote aantallen beroepsmilitairen voor bepaalde tijd die jaarlijks instromen
en de intermediaire rol die reservisten vervullen tussen de krijgsmacht en
de samenleving. </al>
      <tuskop letat="vet">Dienstweigeraars</tuskop>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of en in hoeverre de
bewindslieden van Defensie betrokken zijn bij de problematiek van de dienstweigeraars.
Voorts stellen deze leden het op prijs de notitie van het Ministerie van Justitie
met betrekking tot het te voeren beleid ten aanzien van dienstweigeraars te
ontvangen.</al>
      <al>Naar aanleiding hiervan zij opgemerkt dat het strafvorderingsbeleid ten
aanzien van weigeraars van (vervangende) dienstplicht niet valt onder de verantwoordelijkheid
van de bewindslieden van Defensie, maar onder de verantwoordelijkheid van
de minister van Justitie. De laatste ondergetekende heeft de minister van
Justitie verzocht de leden van de vaste commissie voor Defensie een afschrift
te doen toekomen van bovenbedoelde notitie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van het CDA vragen of kan worden aangegeven hoeveel
gewetensbezwaarden nu nog vervangende dienst doen en wanneer dat definitief
een einde neemt.</al>
      <al>Bij brief van 9 februari 1996 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kamerstukken II 1995/96, 24 400 XV, nr. 36) de
Tweede Kamer geïnformeerd over zijn besluit om per 1 februari jl. niet
langer erkende gewetensbezwaarden op te roepen voor het vervullen van de vervangende
dienst. Bovendien geldt met ingang van 31 augustus jl. een generaal pardon
voor alle op die datum nog in vervangende dienst zijnde erkende gewetensbezwaarden,
zij het dat degenen die te kennen hebben gegeven hun vervangende dienst vrijwillig
te willen afmaken daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. Het verloop van
het aantal tewerkgestelde gewetensbezwaarden vanaf de peildatum 31 juli jl.
tot aan het einde van dit jaar ziet er als volgt uit: </al>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="7" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="22.5mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c6" colnum="6" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c7" colnum="7" colwidth="15mm"></colspec>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0"> peildatum</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">31-07</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">31-08</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">30-09</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">31-10</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">30-11</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">31-12</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">aantal tewerkgestelden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">292</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">134</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">109</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">91</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">62</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">0</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <witreg></witreg>
      <al>Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat de opkomstplicht van erkende
gewetensbezwaarden voor de vervangende dienst evenals de opkomstplicht van
dienstplichtigen bij de inwerkingtreding van het onderhavig wetsvoorstel van
rechtswege zal worden opgeschort. </al>
      <tuskop letat="vet">Vrouwen in de krijgsmacht</tuskop>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen of de werving van het aandeel vrouwen
in de krijgsmacht goed verloopt. Zij vragen voorts waarop het percentage van
acht procent vrouwelijke militairen, genoemd in de memorie van toelichting,
is gebaseerd en of dit percentage wordt gehaald. In reactie hierop zij allereerst
opgemerkt dat in de memorie van toelichting behorende bij het onderhavig wetsvoorstel
geen streefpercentage van acht procent voor het aandeel vrouwen in het bestand
van militair beroepspersoneel wordt genoemd. Deze doelstelling is oorspronkelijk
afkomstig uit de beleidsnota Vrouw in de Krijgsmacht (kamerstukken II 1985/86,
16 565, nrs. 3 en 4). Op advies van de Emancipatieraad is destijds een
streefpercentage bepaald van 8%, te behalen in 1993. De realisatie in 1993
bleek niet haalbaar. Het streefdoel werd daarom, aldus de memorie van toelichting
bij de Defensiebegroting 1994, uitgesteld naar eind 1996 (kamerstukken II
1993/94, 23 400 X, nr. 2, p. 33). Op dit moment is bij de Koninklijke
Marine de doelstelling van acht procent vrouwelijke militairen bereikt. Dit
lijkt, gelet op de huidige instroom van vrouwen, voor de andere krijgsmachtdelen
aan het einde van 1997 haalbaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ondergetekenden hopen met het vorenstaande voldoende te zijn ingegaan
op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,</functie>
        <naam>W. Kok</naam>
        <functie>De Minister van Defensie,</functie>
        <naam>J. J. C. Voorhoeve</naam>
        <functie>De Staatssecretaris van Defensie,</functie>
        <naam>J. C. Gmelich Meijling  </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>