﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="1" publtype="negeer">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19961997-23720-43/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Eerste Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997 Nr. 43</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K3143</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>23 720</nummer>
      <naam>Regels met betrekking tot de geestelijke verzorging in instellingen
in de zorgsector, in justitiële inrichtingen en in de krijgsmacht (Wet
geestelijke verzorging zorginstellingen, justitiële inrichtingen en krijgsmacht)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <titel>MEMORIE VAN ANTWOORD</titel>
      <datum>Ontvangen 18 oktober 1996 </datum>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd nog eens uit te leggen waarom
dit wetsvoorstel noodzakelijk is en wat de meerwaarde van deze wet is, in
het licht van de toekomstige, nieuwe regelingen over geestelijke verzorging
per deelterrein. Wij maken graag van de gelegenheid gebruik nogmaals onze
beweegredenen voor dit wetsvoorstel uiteen te zetten.</al>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel beoogt de geestelijke verzorging binnen zorginstellingen,
justitiële inrichtingen en de krijgsmacht, op een zo uniform mogelijke
wijze, wettelijk te verankeren. Het wetsvoorstel legt daartoe, op de met name
genoemde terreinen, minimum-waarborgen vast ten behoeve van de feitelijke
mogelijkheid om de in artikel 6 van de Grondwet neergelegde vrijheid van godsdienst
en levensovertuiging uit te kunnen oefenen. Hiervoor is reden omdat op de
door het wetsvoorstel bestreken terreinen sprake is van bijzondere omstandigheden,
waardoor de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing
enerzijds belemmeringen kan ondervinden (het min of meer langdurig verblijf
in instituties waardoor de band met een eigen geloofsgemeenschap onder spanning
kan komen te staan) en anderzijds juist van bijzonder belang kan zijn vanwege
specifieke ethische, religieuze en levensbeschouwelijke problemen die zich
kunnen voordoen in de situaties waarop het wetsvoorstel ziet (ziekte, detentie,
dienen in de krijgsmacht).</al>
      <al>De huidige regelgeving met betrekking tot geestelijke verzorging laat
aanzienlijke verschillen zien; zo is de geestelijke verzorging bijvoorbeeld
niet op alle deelterreinen wettelijk verankerd en is de inhoud van bestaande
regelingen niet op elkaar afgestemd. Het wetsvoorstel legt voor al deze deelterreinen
twee uitgangspunten vast waaraan met betrekking tot de geestelijke verzorging
moet worden voldaan. Door het vastleggen van deze uitgangspunten in een overkoepelende
wet, zouden de bestaande regelingen per deelterrein kunnen vervallen c.q.
kunnen worden voorkomen (jeugdhulpverlening, gezondheidszorg, bejaardenzorg,
gevangeniswezen). In die zin had het wetsvoorstel, zoals door de regering
ingediend, mede een deregulerend effect. Voor de justitiële sector zou
dit effect evenwel slechts tijdelijk zijn, omdat het steeds de bedoeling is
geweest de bepalingen over geestelijke verzorging in de nieuwe beginselenwetten
op te nemen, met het oog op de samenhang in deze regelgeving.
Voor de zorgsector is thans via een amendement de geestelijke verzorging eveneens
aan de Kwaliteitswet zorginstellingen toegevoegd, zodat voor de door laatstgenoemde
wet bestreken instellingen straks, na inwerkingtreding van de onderhavige
wet, op twee plaatsen een regeling van de geestelijke verzorging zal bestaan.
Ook voor de krijgsmacht geldt, dat de regering er de voorkeur aan geeft, nu
de Tweede Kamer zich door middel van het amendement Apostolou (nr. 10) voor
een wettelijke verankering van de geestelijke verzorging heeft uitgesproken,
dit onderwerp in de Defensiewetgeving op te nemen, zodat het onderhavige wetsvoorstel
voor die sector eveneens een tijdelijk karakter heeft. Hoewel het deregulerend
effect uiteindelijk dus bescheidener uitvalt – naast deze wet zullen
ook enkele regelingen per deelterrein (blijven) bestaan –, is de winst
hiervan toch dat in elk geval sprake zal zijn van geharmoniseerde regelingen,
die van dezelfde uitgangspunten uitgaan.</al>
      <al>De leden van de VVD-fractie wezen voorts op de twee verschillende regelingen
over de geestelijke verzorging voor de zorginstellingen en verbonden daaraan
de vraag waaraan instellingen zich nu te houden hebben. In de Tweede Kamer
is de vraag naar de verhouding tussen de Kwaliteitswet zorginstellingen en
het voorliggende wetsvoorstel eveneens aan de orde geweest. Uit de algemene
beraadslagingen kan worden afgeleid dat de desbetreffende bepaling in de Kwaliteitswet
zorginstellingen kan worden gezien als een opdracht van algemene strekking
tot het bieden van geestelijke verzorging. Het onderhavige wetsvoorstel bevat
dan een verbijzondering van de wijze waarop de geestelijke verzorging gestalte
dient te krijgen door te bepalen dat deze toegankelijk en beschikbaar moet
zijn. Met andere woorden: de Kwaliteitswet stelt de algemene norm en de Wet
geestelijke verzorging is te zien als een uitwerking van deze norm.</al>
      <al>Met het antwoord op de eerste vraag van de leden van de VVD-fractie hebben
wij tevens een samenhangend beeld gegeven van de regelgeving die uiteindelijk
de geestelijke verzorging zal beheersen. De leden van de SGP-, RPF- en GPV-fractie
hadden daar behoefte aan. Meer concreet stelden deze leden de vraag hoe de
regering de amendering door de Tweede Kamer beoordeelt en welke gevolgen deze
amendering zal hebben voor de eigen voornemens met betrekking tot verdere
regelgeving. Voor zover de vragen van bovengenoemde leden betrekking hebben
op het bij amendement ingevoegde hoofdstuk betreffende de krijgsmacht hebben
de leden van de commissies zich bij deze vragen aangesloten.</al>
      <al>Door de aanvaarding van het amendement-Bremmer (nr. 9) blijft de geestelijke
verzorging eveneens opgenomen in de Kwaliteitswet zorginstellingen. Het amendement
is inhoudelijk gelijk aan een eerder amendement, waarvan de regering bij Nota
van wijziging voorstelde om het ongedaan te maken. Nu de Tweede Kamer zich
ten tweede male op dit punt heeft uitgesproken, leggen wij ons hierbij neer.
In het antwoord op de voorgaande vraag is al aangegeven dat het onderhavige
voorstel een verbijzondering vormt ten opzichte van de Kwaliteitswet en in
zoverre dus niet gemist kan worden. Daarnaast moet worden bedacht dat de reikwijdte
van het onderhavige voorstel ruimer is dan de Kwaliteitswet, aangezien de
jeugdhulpverleningsinstellingen wel onder de Wet geestelijke verzorging vallen
maar niet onder de Kwaliteitswet.</al>
      <al>Door de aanvaarding van het amendement-Apostolou (nr. 10) is de krijgsmacht
onder het wetsvoorstel gebracht. Zoals tijdens de behandeling van het wetsvoorstel
in de Tweede Kamer is uiteengezet, en daaropvolgend in de brief van de Minister
van Justitie en de Staatssecretaris van Defensie (nr. 11), was de regering
er geen voorstander van om de geestelijke verzorging in de krijgsmacht onder
de werking van het onderhavige voorstel te brengen. De geestelijke verzorging
bij Defensie kan naar onze mening niet op één lijn worden gesteld
met de geestelijke verzorging in zorginstellingen en justitiële
instellingen waar het veelal gaat om personen die zelf niet of minder goed
in staat zijn dan wel niet in staat (kunnen) worden gesteld om te voorzien
in de geestelijke verzorging van hun keuze. Geestelijke verzorging bij Defensie
wordt daarentegen gezien als onderdeel van de reguliere personeelszorg, samen
met maatschappelijke dienstverlening en psychologische begeleiding. Voor de
krijgsmacht geldt daarom hetzelfde argument als voor de penitentiaire wetgeving,
nl. dat men de geestelijke verzorging bij voorkeur regelt in de wetten waarin
de positie van het militaire personeel in de krijgsmacht is geregeld. De regering
zal dan ook met een daartoe strekkend wetsvoorstel komen.</al>
      <al>Met betrekking tot de geschatte levensduur van de diverse onderdelen van
het voorstel, waarnaar de genoemde leden vroegen, merken wij op dat van de
drie penitentiaire beginselenwetten reeds één bij de Eerste
Kamer aanhangig (Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden), en één
bij de Tweede Kamer in behandeling is (Penitentiaire beginselenwet), maar
dat het voorstel voor een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen,
alsook het voorstel met betrekking tot het militaire personeel in de krijgsmacht,
zich nog in de conceptfase bevinden.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Financiële consequenties</tuskop>
      <al>De leden van de VVD-fractie vroegen zich af wat de financiële consequenties
voor de instellingen zijn. Tevens vroegen zij of de instellingen nu moesten
gaan betalen voor geestelijke verzorging, daar waar tot nu toe ook kerkgenootschappen
en andere genootschappen op geestelijke grondslag een deel van de financiële
verantwoordelijkheid op zich nemen.</al>
      <al>De wet verplicht tot het beschikbaarstellen van geestelijke verzorging.
De wijze waarop aan die zorgplicht voor de beschikbaarstelling wordt voldaan
en hoe deze wordt gefinancierd is een zaak van de zorginstellingen zelf. Zij
kunnen daar de (kerk)genootschappen bij betrekken. De feitelijke situatie
is, dat sinds de jaren '70 de kosten van geestelijke verzorging volledig door
de instellingen worden gedragen. In die tijd golden er voor de instellingen
voor allerlei personeelscategorieën specifieke COTG-richtlijnen. Zo was
er voor de ziekenhuizen een richtlijn voor het totaal van de kosten van de
ziekenhuishygiëniste, het medisch-maatschappelijk werk en de geestelijke
verzorging. Binnen dit bedrag kon het ziekenhuis zelf beslissen waar het geld
aan werd uitgegeven. Het management was geheel vrij in de verdeling van de
middelen voor geestelijke verzorging over de verschillende denominaties. Bij
de introductie van de budgettering zijn deze meegenomen in de budgetten, en
is de substitutievrijheid uitgebreid tot het totale budgetbedrag. Het management
van de instelling kon dus meer, maar ook minder aan geestelijke verzorging
besteden. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt geestelijke verzorging als een
verplichte activiteit te integreren binnen de organisatie en het takenpakket
van de instelling. Het geeft daarmee de verplichting aan geestelijke verzorging
een dusdanige prioriteit toe te kennen dat de instelling binnen het budget
de geestelijke verzorging bekostigt. Binnen het budget van de zorginstellingen
is met de kosten voor geestelijke verzorging rekening gehouden zodat op dat
punt geen problemen worden verwacht. Het staat een (kerk)genootschap uiteraard
vrij om zelf financieel bij te dragen aan geestelijke verzorging binnen de
desbetreffende instelling.</al>
      <al>Een andere vraag die de leden van de VVD-fractie stelden betreft de gevolgen
voor de instellingen van de inwerkingtreding van allerlei wetten, die naar
de mening van de leden van deze fractie tot een lastenverzwaring leiden. De
leden van de VVD-fractie spreken zelfs hun bezorgdheid uit dat dit mogelijk
kan leiden tot kwaliteitsverlies. In reactie hierop kan men stellen dat de
bovengenoemde voorstelling van zaken enigszins paradoxaal overkomt. De verschillende
wetten die worden opgesomd zijn er juist op gericht de kwaliteit
van zorg te verbeteren. Van vele kanten, onder andere door de verschillende
woordvoerders in de Tweede Kamer, is erop gewezen dat ook geestelijke verzorging
een integraal onderdeel uitmaakt van de kwalitatieve zorg. De stelling dat
een en ander mogelijk zou kunnen leiden tot kwaliteitsverlies kunnen wij dan
ook niet onderschrijven. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>W. Sorgdrager</naam>
        <functie>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</functie>
        <naam>E. Borst-Eilers</naam>
        <functie>De Staatssecretaris van Defensie,</functie>
        <naam>J. C. Gmelich Meijling </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>De vorige stukken inzake dit wetsvoorstel zijn verschenen onder de nrs.
208 en 208a, vergaderjaar 1995–1996.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>