﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="1" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19961997-22600-346a/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Eerste Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997 Nr. 346a</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.0__2.3" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST23664</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>22 600</nummer>
      <naam>Wijziging van de Auteurswet 1912 inzake het reprografisch verveelvoudigen
van geschriften</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,<datum>8 september 1997</datum></al>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Bij brief van 29 januari 1997 heb ik u het eindrapport over het reprorecht
toegezonden* dat de commissie auteursrecht mij bij brief van 20 december 1996
heeft aangeboden. Ik heb in mijn brief al meegedeeld voornemens te zijn het
advies van de commissie, behoudens op enkele ondergeschikte punten, te volgen.
Hieronder wordt mijn standpunt nader uitgewerkt. Ter inleiding daarop het
volgende.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>* Eerste Kamer, stuknr. 346, 1996–1997</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik in mijn brief al uiteengezet heb, bouwde het eindrapport van
de commissie auteursrecht voort op een interimrapport (februari 1996) dat
u bij brief van 29 februari 1996 is aangeboden<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>;
aan het interimrapport was een rechtsvergelijkend onderzoek vooraf gegaan,
dat als bijlage 3 bij het interimrapport was opgenomen. De commissie heeft
het interimrapport voorgelegd aan belanghebbenden<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref>.
Het eindrapport van de commissie is opgesteld op basis van de commentaren
van belanghebbenden op het interimrapport.</al>
      <al>In het interimrapport stelde de commissie drie modellen voor een wettelijke
regeling van het reprorecht ter discussie:</al>
      <al>Model I («Een aangepast reprorecht») hield in dat de wettelijke
regeling van 1972 op een aantal punten zou worden aangepast om de uitvoerbaarheid
daarvan te verbeteren. Daarbij werd van onderdelen van wetsvoorstel 22 600
(Wijziging van de Auteurswet 1912 inzake het reprografisch verveelvoudigen
van geschriften) gebruik gemaakt.</al>
      <al>Model II (Heffing op apparatuur) had als belangrijkste element dat de
verplichting tot vergoeding zich oplost in een apparatuurheffing bij de fabrikant
of de importeur.</al>
      <al>In Model III («Privatisering») werd het reprorecht zoveel
mogelijk aan de onderhandelingen van partijen overgelaten. Die zouden bijvoorbeeld
in onderhandelingen tot overeenstemming moeten komen over de vraag hoe wordt
vastgesteld hoeveel auteursrechtelijk beschermd materiaal wordt gekopieerd
en over de hoogte van de te betalen vergoeding. De incasso zou plaats kunnen
vinden door een of meer bemiddelende instanties die zich een plaats op de
markt hadden verworven. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie heeft een kleine twintig commentaren ontvangen<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref>. De respondenten hebben vrijwel algemeen zowel model II als model
III afgewezen. Tegen de heffing op apparatuur werd als voornaamste bezwaar
aangevoerd dat het verband tussen heffing en auteursrecht ontbreekt: de heffing
moet voor ieder apparaat betaald worden, of met dat apparaat nu wel of niet
auteursrechtelijk beschermd materiaal wordt gekopieerd. Van een «geprivatiseerd»
systeem (model III) verwachtte men grote uitvoeringsproblemen in de praktijk.
De betalingsplichtigen willen bijvoorbeeld van de incasso-organisatie waarmee
ze onderhandelen een volledige vrijwaring ontvangen; maar die krijgen ze niet
in een situatie waarin verschillende incasso-organisaties naast elkaar proberen
zich te vestigen. Veel betalingsplichtigen willen trouwens het liefste één
betalingsadres. </al>
      <al>De respondenten hadden dus vrijwel algemeen een voorkeur voor model I,
een verbeterde versie van de huidige wettelijke regeling. Hoewel de commissie
zelf een voorkeur had voor model III en subsidiair voor (een variant van)
model II (p. 7, 8 eindrapport), heeft zij uiteindelijk geadviseerd tot een
stelsel dat op een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak kan rekenen.
Zij heeft daarom model I, waarvoor in het interimrapport al een schets was
opgenomen, verder uitgewerkt in een unaniem advies. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Standpunt</tuskop>
      <al>Ik ben met de commissie van mening dat het van het grootste belang is
dat voor een nieuwe reprorechtelijke regeling maatschappelijk draagvlak bestaat.
Nu de overgrote meerderheid van de respondenten zich heeft uitgesproken voor
aanpassing van de huidige wettelijke regeling over het reprorecht, meen ik
dat volgens die lijn te werk gegaan moet worden.</al>
      <al>Dat wil niet zeggen dat niet ook voor de andere twee door de commissie
gepresenteerde modellen iets te zeggen is. Het heffingssysteem van model II
zou een eenvoudige oplossing geweest zijn, zij het dat het niet zo eenvoudig
geweest zou zijn uit te maken wat de hoogte van de heffing zou moeten zijn.
In de commentaren is er terecht op gewezen dat bij een heffing geen relatie
gelegd wordt met het gebruik dat van het apparaat gemaakt zal worden. Bij
bijvoorbeeld het onderwijs zal veel meer auteursrechtelijk relevant materiaal
gekopieerd worden dan bij bijvoorbeeld een ministerie of een bedrijf. Model
III («Privatisering») zou voor de wetgever aantrekkelijk geweest
zijn, omdat het weinig regelgeving van hem vraagt. Het gevaar was echter groot
dat zo'n «geprivatiseerd» systeem toch niet van de grond zou komen.</al>
      <al>Voor mij is doorslaggevend dat de belanghebbenden hun keuze niet op een
van deze modellen hebben laten vallen. Ik neem daarom de voorstellen die de
commissie voor een «aangepast reprorecht» doet over, met een enkele
uitzondering. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Hoofdlijnen «aangepast reprorecht»</tuskop>
      <al>In hoofdlijnen zou dit «aangepast reprorecht» er als volgt
uit komen te zien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>I. De wettelijke regeling zal slechts het reprograferen betreffen, het
reproduceren door middel van een fotokopieerapparaat. Zowel in de Eerste als
in de Tweede kamer is in verband met w.v. 22 600 de vraag aan orde geweest
of voor electronisch kopiëren dezelfde regeling moet gelden. Die vraag
is toen door mij ontkennend beantwoord. Om de volgende redenen meen ik dat
de reproregeling niet voor elektronisch kopiëren zou moeten gelden.</al>
      <al>Het rechtsvergelijkende onderzoek heeft uitgewezen dat in andere landen
het elektronisch kopiëren ook niet onder het reprorecht getrokken is.
Ook toont een EU-rapport over dit onderwerp aan<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref>
dat het bij elektro-nisch kopiëren deels om andere problemen
gaat dan bij fotokopiëren. En tenslotte, en dat is misschien wel de belangrijkste
reden, is uit de commentaren die op het interimrapport van de commissie auteursrecht
ontvangen zijn, gebleken dat de rechthebbenden ervan uitgaan dat ze elektronisch
kopiëren zelf kunnen regelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>II. De regeling zal voor de openbare dienst, instellingen van onderwijs
en/of van wetenschappelijk onderzoek en het bedrijfsleven gelden; openbare
bibliotheken zullen niet onder de categorie bedrijfsleven vallen, zoals ook
thans niet het geval is. Voor het kopiëren door privépersonen
voor eigen studie, oefening of gebruik zal, evenals thans, de vrijstelling
als neergelegd in artikel 16<nadruk type="cur">b</nadruk>, eerste lid, Auteurswet 1912 gelden.</al>
      <al>De regeling zal voor de verschillende groepen kopieerders hetzelfde zijn.
Thans zijn er allerlei kleine verschillen tussen de regeling voor het bedrijfsleven
(artikel 17 Auteurswet 1912) en die voor de andere groepen kopieerders (artikel
16<nadruk type="cur">b</nadruk>, zesde lid, Auteurswet 1912 en het zogenaamde Reprobesluit
(Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351 inzake het kopiëren van auteursrechtelijk
beschermde werken)). Voor het bedrijfsleven is bovendien geen uitvoeringswetgeving
tot stand gebracht; de wettelijke regeling is daar een dode letter gebleven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>III. Evenals volgens de huidige regeling zal een vergoeding verschuldigd
zijn voor het fotokopiëren van artikelen uit tijdschriften, enz. en van
kleine delen van boeken en bladmuziek. Ook voor tekeningen en foto's enz.
die met artikelen en boeken meegekopieerd worden, zal een vergoeding verschuldigd
zijn.</al>
      <al>Volgens w.v. 22 600 zou de wettelijke regeling voor alle geschriften
gelden, dus ook bijvoorbeeld brieven en interne nota's. Een dergelijke bepaling
lijkt mij echter te ruim.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>IV. De vergoeding wordt betaald aan een door de Minister van Justitie
aan te wijzen incasso-organisatie. Thans geldt dat al voor de vergoeding die
de openbare dienst en het onderwijs verschuldigd zijn. Die regel zal dus ook
voor het bedrijfsleven gelden. Daarnaast zal het echter ook mogelijk zijn
om rechtstreeks met de maker of zijn rechtverkrijgende, bijvoorbeeld een uitgever,
te contracteren. Het ligt mijns inziens voor de hand dat opnieuw de Stichting
Reprorecht aangewezen zal worden, maar de aanwijzing is thans nog niet aan
de orde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>V. Voor iedere pagina waarop door een fotokopieerapparaat auteursrechtelijk
beschermde werken zijn gereproduceerd moet een vergoeding betaald worden.
Dat is ook het uitgangspunt van de huidige regeling. Om vast te stellen welk
bedrag een kopieerder verschuldigd is, moeten partijen het er over eens worden
hoeveel pagina's van het totale aantal gekopieerde pagina's auteursrechtelijk
beschermd materiaal betreft. Dat is immers slechts een deel van het totaal.</al>
      <al>In wetsvoorstel 22 600 waren met het oog daarop voor de kopieerder
administratieve verplichtingen opgenomen en was aan de incasso-organisatie
een aantal bevoegdheden gegeven. Ik zoek de oplossing thans liever in een
andere richting.</al>
      <al>Ik zou in de wet slechts willen bepalen – en dat is dan nieuw –
dat de kopieerder het totaal aantal kopieën dat hij jaarlijks maakt opgeeft.
Partijen moeten vervolgens contractueel overeenkomen welk percentage van dat
totaal geacht wordt auteursrechtelijk beschermd materiaal te betreffen. Dat
percentage kan aan de hand van steekproeven vastgesteld worden. De medewerking
aan steekproeven moet ook contractueel geregeld worden; denkbaar is dat de
incasso-organisatie als tegenprestatie voor medewerking aan steekproeven een
korting geeft. Deze methode wordt al vele jaren gevolgd in de contracten die
de rijksoverheid met de Stichting Reprorecht heeft en is werkbaar gebleken.
De opgave van het totaal aantal kopieën brengt hoegenaamd
geen administratieve rompslomp met zich mee, daar de meeste fotokopieerapparaten
van tellers voorzien zijn. De wet zal bovendien niet eisen dat de opgave jaarlijks
gedaan wordt. Denkbaar is dat een eenmaal gedane opgave enkele jaren lang
aangehouden wordt. In de reacties op het interimrapport van de commissie auteursrecht
had geen der respondenten bezwaar tegen een dergelijke opzet.</al>
      <al>Om kleine bedrijven of kleine onderwijs- of onderzoekinstellingen te ontlasten
kan bepaald worden dat de opgaveverplichting niet geldt als per jaar minder
dan bijvoorbeeld 50 000 kopieën gemaakt worden. Aan de betalingsverplichting
kan in dat geval voldaan worden door betaling van een lump-sum. De constructie
van een lump-sum mag echter niet prijsopdrijvend zijn. Voor kleine onderwijs-
en/of onderzoekinstellingen zal het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
worden geraadpleegd voordat voor die instellingen het maximum aantal wordt
vastgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>VI. Zoëven kwam het onderwerp «eigen gebruik» al ter
sprake. Het auteursrecht kent in artikel 16<nadruk type="cur">b</nadruk>, eerste lid, Auteurswet
1912 een vrijstelling voor eigen oefening, studie of gebruik, die ook voor
het reprorecht geldt. Volgens de huidige formulering in de wet geldt de vrijstelling
voor eigen gebruik ook voor kopieerders als de openbare dienst, het onderwijs
en het bedrijfsleven: volgens zowel het Reprobesluit als artikel 17 Auteurswet
1912 gelden die regelingen «onverminderd» het eerste lid van artikel
16<nadruk type="cur">b</nadruk> Auteurswet 1912.</al>
      <al>Daardoor is de vraag gerezen hoever de vrijstelling voor eigen gebruik
voor deze kopieerders gaat. Heeft de vrijstelling slechts betrekking op het
kopiëren door werknemers voor privédoeleinden op apparaten van
de werkgever of omvat die mede het kopiëren door werknemers voor dossiervorming?
In hun commentaren op het interimrapport van de commissie auteursrecht verzochten
de respondenten om duidelijkheid, welke invulling uiteindelijk ook gekozen
zou worden.</al>
      <al>De commissie auteursrecht heeft in het eindrapport voorgesteld de vrijstelling
te handhaven. Zij spreekt zich echter niet uit over de vraag hoever de vrijstelling
in haar opvatting zou moeten strekken. De commissie beveelt aan (p. 16) bij
algemene maatregel van bestuur een «franchise» te bepalen.</al>
      <al>Overeenkomstig het advies van de commissie handhaaf ik de vrijstelling
voor eigen gebruik. Het voorstel van de commissie om de vrijstelling in de
vorm van een franchise te regelen volg ik echter niet. Voor de bepaling van
de omvang van een dergelijke franchise ontbreekt ieder aanknopingspunt, mede
doordat in het midden blijft wat de vrijstelling omvat.</al>
      <al>Wat de vraag betreft wat de vrijstelling voor eigen gebruik moet inhouden
als het om kopieerders als de openbare dienst of instellingen van onderwijs
en/of van wetenschappelijk onderzoek of het bedrijfsleven gaat, meen ik dat
de vrijstelling beperkt dient te blijven tot het gebied waarvoor zij traditioneel,
ook buiten het reprorecht, geldt, het kopiëren voor privédoeleinden.
Kopieën die voor dossiervorming gemaakt worden vallen niet onder de vrijstelling
voor eigen gebruik. Wel zullen daar bijvoorbeeld onder vallen de kopieën
die particulieren voor eigen gebruik maken op zelfbedieningsapparaten in universiteiten
en copy-shops.</al>
      <al>Zoals hierboven al bleek, kon de vraag wat de vrijstelling naar huidig
recht inhoudt mede opkomen doordat de wettelijke formulering onduidelijk is.
In de nieuwe regeling zal daarom een redactie gehanteerd worden die onduidelijkheid
uitsluit.</al>
      <al>De vrijstelling voor eigen gebruik zal aldus een beperkte betekenis hebben
als het om het fotokopiëren van de openbare dienst, instellingen van
onderwijs en/of van wetenschappelijk onderzoek en het bedrijfsleven gaat.
Partijen zullen in de onderhandelingen tot overeenstemming moeten komen over
de vraag om welke aantallen het gaat. Grote aantallen kan dit echter
niet betreffen, zodat niet te verwachten is dat dit onderwerp de onderhandelingen
over de vergoeding zal belasten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>VII. De repartitie is niet in de wet geregeld. Deze is in de tachtiger
jaren door de Stichting Reprorecht ingericht, zoals ook de voor andere gebieden
bestaande incasso-organisaties zelf de repartitie ingekleed hebben. Het repartitiereglement
wordt door de Minister van Justitie goedgekeurd.</al>
      <al>De repartitie vindt grotendeels via de uitgevers plaats. De Stichting
Reprorecht betaalt in de meeste gevallen uit aan de uitgevers en die betalen
tenminste 50% door aan de auteurs. De commissie auteursrecht stelt dat het
in de rede ligt dat deze repartitiepraktijk gehandhaafd wordt. Ik ben het
daarmee eens. Uit het rechtsvergelijkende onderzoek is gebleken dat ook in
andere landen de uitgevers meedelen, meestal ook voor 50%. De commissie merkt
verder terecht op dat een auteur niet zonder uitgever kan: als de uitgave
van het werk niet loont, verschijnt die uitgave niet en zal daaruit ook niet
gekopieerd kunnen worden. De inrichting van de repartitie heeft in de commentaren
ook weinig kritiek opgeroepen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>VIII. Evenals thans het geval is, zullen de tarieven door de overheid
vastgesteld worden. Uit de reacties op het interimrapport is gebleken dat
de respondenten er niet voor voelden om de tarieven onderwerp van onderhandeling
te maken. Over de hoogte van de tarieven het volgend.</al>
      <al>Het huidige tarief, voor de openbare dienst en het onderwijs, is in 1974
bij algemene maatregel van bestuur<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref> geregeld.
Het is toen gesteld op f 0,10 per pagina en voor delen van het onderwijs
op f 0,025 per pagina. Een degelijke onderbouwing van die tarieven ontbreekt
echter. Blijkens de toelichting op het besluit is onder meer de prijs in beschouwing
genomen die de koper of abonnee in doorsnee per pagina van een boek of tijdschrift
pleegt te betalen, maar tevens werd vastgesteld dat in die prijs in belangrijke
mate factoren aanwezig zijn die geen rol spelen bij de vergoeding voor het
kopiëren. Ook werd opgemerkt dat daarnaast sprake is van elementen die
moeilijk of in het geheel niet te kwantificeren zijn, zoals bijvoorbeeld het
feit dat degene die een gedeelte van een geschrift kopieert daardoor wellicht
zal afzien van de aanschaf van het werk in zijn geheel.</al>
      <al>De commissie auteursrecht heeft zich beraden over de grondslag van de
vergoeding. Zij stelde voor de vergoeding te relateren aan het honorarium
dat een auteur gemiddeld ontvangt per gepubliceerde pagina in boeken, kranten
en tijdschriften. De commissie stelde voor dat onderzocht wordt waarop de
vergoeding met deze grondslag uit zou komen. Zijzelf schatte dat dit twee
tot drie cent per pagina zou zijn (p. 14). </al>
      <al>Zoals hierboven al bleek, delen de uitgevers voor de helft mee in de repartitie.
De commissie adviseerde, waarschijnlijk omdat de helft van twee of drie cent
wel heel weinig oplevert voor auteurs en uitgevers, om het bedrag waarop het
gemiddelde auteurshonorarium volgens het onderzoek zou uitkomen te verdubbelen
met het oog op een toedeling aan auteurs en uitgevers voor gelijke delen.</al>
      <al>Ik neem deze voorstellen van de commissie niet over. Op zich is de gedachte
om de vergoeding te relateren aan het gemiddelde auteurshonorarium aantrekkelijk.
De vergoeding heeft dan immers een duidelijke grondslag en ook nog in het
auteursrecht. Maar er is nu eenmaal ook een uitgeversbelang. De commissie
ontkent dat ook niet. Zij stelt immers voor om het gemiddelde auteurshonorarium
te verdubbelen met het oog op een toedeling aan auteurs en uitgevers. Maar
daarmee ondergraaft de commissie in feite haar eigen grondslag voor de vergoeding.
Dat alleen al pleit er mijns inziens tegen te laten onderzoeken wat het gemiddelde
auteurshonorarium is. Ik heb echter nog een ander bezwaar. Ik ben van mening
dat de diversiteit bij de auteursbeloningen zodanig is dat de resultaten van
een onderzoek geen deugdelijk fundament zouden leveren voor de
bepaling van de hoogte van de vergoeding.</al>
      <al>De beloningen van auteurs lopen enorm uiteen. Boekenauteurs ontvangen
gewoonlijk – maar niet altijd – een royalty, van ongeveer 7% tot
15% van de verkoopprijs van het boek. Auteurs van tijdschriftenartikelen moeten
soms – bij buitenlandse tijdschriften en in de exacte wetenschappen
komt dat wel voor – betalen voor publikatie; maar soms ontvangen zij
niets en soms wordt hen een bedrag per gepubliceerde pagina betaald. De fotografen
en illustratoren worden nog weer anders, en afzonderlijk, gehonoreerd.</al>
      <al>In haar interimrapport (p. 10, 11) heeft de commissie auteursrecht al
vastgesteld dat de overheid voor de vaststelling van de tarieven weinig aanknopingspunten
heeft. In 1995 heeft de Stichting Economisch Onderzoek van de Universiteit
van Amsterdam een onderzoek gedaan naar de vraag wat een redelijke reprovergoeding
zou zijn<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref>. Daaruit blijkt (p. 86 e.v.) dat, ook
in andere landen, eenduidige parameters ontbreken. Ook in het rechtsvergelijkende
onderzoek dat aan het interimrapport is voorafgegaan, is het niet gelukt een
antwoord te vinden op de vraag waarom tarieven een bepaalde hoogte hebben
en hoe ze zijn opgebouwd<voetref refid="v6.2" nr="2"></voetref>. Het is echter de wens
van de belanghebbenden dat de overheid de tarieven vaststelt.</al>
      <al>De thans geldende tarieven zijn in 1974 vastgesteld. Ook al waren deze
toen misschien weinig gefundeerd, voor een verlaging, na bijna 25 jaar, van
die tarieven, waarvoor de commissie auteursrecht lijkt te pleiten, ontbreken
eveneens overtuigende argumenten. Daar komt bij dat, bij de overheid en het
onderwijs, al jaren geïncasseerd wordt. Ik heb ook geen aanwijzingen
dat de markt de tarieven onacceptabel vindt.</al>
      <al>Evenals de commissie auteursrecht meen ik dat in de reprovergoeding zowel
de belangen van de auteur als die van de uitgever tot uitdrukking dienen te
komen. Elementen die een rol spelen zijn de exploitatie-opbrengst per pagina
voor uitgever en auteur, redactie-, productie- en distributiekosten en het
feit dat vanwege de kopieermogelijkheden geen abonnement op een tijdschrift
wordt genomen of een boek niet wordt gekocht. Het is niet mogelijk elk van
die elementen nauwkeurig te kwantificeren. Om praktische redenen stel ik voor
de huidige tarieven te handhaven. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Tenslotte</tuskop>
      <al>Ik ben tot de conclusie gekomen dat het niet mogelijk is de voorstellen
van de commissie auteursrecht te verwerken middels een novelle op het nog
aanhangige wetsvoorstel 22 600 (Wijziging van de Auteurswet 1912 inzake
het reprografisch verveelvoudigen van geschriften). Daarom zal een nieuw wetsvoorstel
voorbereid worden volgens de hierboven aangegeven hoofdlijnen. In het kader
van de operatie Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit is besloten
dat in de toelichting op dit wetsvoorstel de bedrijfseffecten en de uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid van de nieuwe regeling geschetst zullen worden. Ik hoop
het wetsvoorstel in november van dit jaar aan de ministerraad aan te kunnen
bieden.</al>
      <al>Ik zal bevorderen dat w.v. 22 600 wordt ingetrokken. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>W. Sorgdrager</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Het interimrapport is nogmaals in het eindrapport opgenomen als bijlage
2. </al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>In bijlage 4 van het interimrapport is de verzendlijst opgenomen. Ook
is in de Staatscourant een verzoek om commentaar geplaatst.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>In bijlage 1 van het eindrapport is een lijst van respondenten opgenomen.
 </al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>Dr. P. Bernt Hugenholtz en Dirk J. G. Visser, Copyright Problems of electronic
document delivery, 1995.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Het hierboven al genoemde zogenaamde Reprobesluit (Besluit van 20 juni
1974, Stb. 351).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Op zoek naar een volgens de betrokken partijen aanvaardbare vergoeding.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.2" nr="2">
    <al>P. 32.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>