Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201219637 nr. 1553

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1553 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2012

Tijdens het Algemeen Overleg Asiel en Terugkeer dat ik op woensdag 20 en donderdag 21 juni met uw Kamer had, heb ik een brief toegezegd over de uitkomst van de besprekingen die ik op 19, 20 en 21 juni heb gevoerd met de Irakese minister voor Migratie, Shafiq Duski. Ik had minister Duski uitgenodigd naar Nederland te komen mede naar aanleiding van de problemen die waren gerezen rondom het tentenkamp dat uitgeprocedeerde asielzoekers uit Irak recentelijk hadden opgeslagen in Ter Apel.

Minister Duski en ik hebben gedurende drie dagen een aantal uitvoerige en constructieve gesprekken gehad over de mogelijkheden voor intensivering van de bilaterale samenwerking op het gebied van terugkeer. Die gesprekken verliepen in een goede sfeer met wederzijdse erkenning van elkaars problemen.

Minister Duski heeft toegelicht dat Irak nog volop in een proces van wederopbouw verkeert en daarbij onder meer te kampen heeft met de opvang en herhuisvesting van grote aantallen ontheemde onderdanen. Bij de aanpak daarvan ligt de prioriteit bij de honderdduizenden ontheemden in eigen land. Ook wordt veel aandacht gegeven aan de tienduizenden Irakezen die in vaak slechte omstandigheden verkeren in buurlanden als Syrië, Jordanië en Jemen.

Mijn ambtgenoot heeft benadrukt dat zijn land zeer dankbaar is voor de grote inspanningen die Nederland heeft geleverd bij de wederopbouw van Irak en de langjarige gastvrijheid voor zijn onderdanen. Tegelijkertijd stelde hij dat terugkeer van Irakezen uit Nederland en andere Europese landen een grote druk legt op zijn land. Het is voor Irak vooral erg moeilijk om mensen op te nemen die gedwongen terugkeren, omdat juist zij vaak ongemotiveerd terugkomen, maar ook met weinig vooruitzicht op huisvesting, een baan en andere voorzieningen. Om die reden is het voor Irak belangrijk een zekere regie te hebben op de terugkeer van onderdanen.

Van mijn kant heb ik toegelicht dat Nederland groot respect heeft voor de enorme inzet van de Irakese overheid voor de wederopbouw van Irak en de resultaten die daarbij al zijn geboekt. Nederland onderkent dat Irak daarbij voor grote problemen staat met betrekking tot de re-integratie van de ontheemde Irakezen uit binnen- en buitenland.

Ik heb verder uitgelegd dat Nederland een Irakese gemeenschap kent van ongeveer 50 000 Irakezen. Voor een geloofwaardig migratiebeleid is het van belang dat vreemdelingen die geen verblijfsvergunning in Nederland krijgen, daadwerkelijk terugkeren naar hun land van herkomst. Bovendien werden door Irakezen zowel in 2010 als 2011 in Nederland circa 1 400 eerste asielaanvragen ingediend. Irak is daarmee nog altijd een van de grootste instroomlanden. Ongeveer de helft van de afgehandelde aanvragen in deze jaren betrof een inwilliging.

Een groep van circa 3 100 Irakezen heeft tussen 2003 en november 2008 een tijdelijke verblijfsvergunning ontvangen op basis van het categoriaal beschermingsbeleid (d-grond). Asielbescherming wordt in eerste instantie altijd tijdelijk geboden voor een periode van vijf jaar. Bij wie in deze periode de bescherming niet langer nodig is, zal de vergunning worden ingetrokken. In 2008 is als gevolg van de verbeterde situatie in Irak de categoriale bescherming beëindigd. Als gevolg daarvan zijn deze zaken heroverwogen en is van 1 300 Irakese vergunninghouders de vergunning ingetrokken. Voor hen, de zogenaamde «oude groep», geldt een vertrekplicht.

De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het vertrek. Ik acht die eigen verantwoordelijkheid in het kader van terugkeer ook passen voor deze situatie waarin deze Irakese burgers ruimhartig asielbescherming hebben gekregen in Nederland en waarin de situatie in Irak inmiddels sterk is verbeterd.

Voor de Nederlandse regering is vrijwillige terugkeer het uitgangspunt. Terugkeer dient op een menswaardige en op voor het land van herkomst beheersbare wijze dient te geschieden. Nederland biedt deze mensen daarom ondersteuning aan zodat zij op een duurzame manier kunnen re-integreren in hun land van herkomst1.

Ik heb minister Duski aangegeven dat de Nederlandse regering bereid is Irak in het bijzonder te ondersteunen bij de opvang en re-integratie van de groep die in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel op de d-grond en daarmee langere tijd rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Verder heb ik aangeboden Irak te helpen met het vinden van een oplossing voor het probleem van de vele binnenlandse ontheemden. Hiervoor is een substantieel bedrag van 5,5 miljoen euro beschikbaar gesteld door de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. De besteding zal uiteraard geschieden volgens de vigerende regels voor ontwikkelingsgelden. Ik heb daarbij aangegeven te denken aan uitgaven voor zaken als huisvesting, psychosociale zorg, gezondheid, werkgelegenheid en onderwijs. De uiteindelijke uitwerking zal in goed overleg met de Irakese autoriteiten worden bepaald.

Als onderdeel van dat pakket is Nederland bereid Irakese vreemdelingen die behoren tot de groep voormalige vergunninghouders, maar die een opleiding zijn gestart aan een hoger onderwijsinstelling in Nederland, de gelegenheid te bieden die opleiding af te maken, indien nodig ondersteund met een beurs. Ook is Nederland bereid jaarlijks een aantal Irakese burgers te faciliteren die vanuit Irak een studie willen volgen aan een opleiding bij een hoger onderwijsinstelling in Nederland. En ook hiervoor geldt, indien nodig met een beurs. Het totaal aantal te verstrekken beurzen zal maximaal vijftig bedragen.

Tegelijkertijd heb ik minister Duski laten weten dat dit aanbod zeker niet vrijblijvend is. De intrekking van de eerder verleende verblijfsvergunningen kan uiteindelijk niet zonder consequenties blijven. Ik heb minister Duski er dan ook op gewezen dat Irak in ruil voor deze middelen en ondersteuning de gedwongen terugkeer van Irakese onderdanen moet accepteren voor wie op basis van de aangeboden ondersteuning vrijwillige terugkeer voor de hand zou liggen, maar die dat blijven weigeren.

Minister Duski zegde mij toe dit pakket in Irak te zullen presenteren aan de regering en het parlement, inclusief het ultimum remedium van alternatieven voor vrijwillige terugkeer wanneer de betrokken uitgeprocedeerde Irakezen in Nederland de geboden ondersteuning niet accepteren.

Samenvattend komt het erop neer dat ik met minister Duski het volgende heb afgesproken:

  • 1. Nederland stelt 5,5 miljoen euro beschikbaar voor een oplossing van de problematiek met betrekking tot de binnenlands ontheemden en voor de terugkeer en re-integratie van de groep van circa 1 300 Irakezen die van 2003 tot 2009 een tijdelijke verblijfsvergunning ontving op basis van het categoriaal beschermingsbeleid (d-grond), maar die na intrekking van die vergunning nu moeten terugkeren naar Irak.

  • 2. Dit bedrag krijgt in goed overleg met de Irakese overheid een bestemming die voldoet aan de vigerende regelgeving voor besteding van ontwikkelingsgelden.

  • 3. Nederland biedt Irakese migranten uit de «oude» groep die Nederland moeten verlaten, maar die een opleiding zijn gestart aan een hogere onderwijsinstelling in Nederland, de gelegenheid die opleiding af te maken, indien nodig met verstrekking van een beurs.

  • 4. Nederland faciliteert Irakese burgers die zich aanmelden voor het volgen van een opleiding bij een hoger onderwijsinstelling in Nederland. Indien nodig eveneens met een beurs.

  • 5. Het totaal aantal van de onder 3. en 4. genoemde studenten dat een beurs kan ontvangen bedraagt maximaal vijftig.

  • 6. Irak werkt mee aan het ultimum remedium van alternatieven voor vrijwillige terugkeer wanneer Irakese vreemdelingen uit de «oude» groep geen gebruik maken van de aangeboden ondersteuning.

  • 7. De onder 6. genoemde medewerking is voorwaardelijk voor de punten genoemd onder 1. tot en met 5.

Over uitgeprocedeerde asielzoekers uit Irak die ná november 2008 in Nederland zijn aangekomen, is afgesproken dat deze groep zo snel mogelijk, en bijvoorkeur vrijwillig, zou moeten terugkeren. Ik heb voorts met minister Duski besproken dat zij gebruik kunnen blijven maken van de bestaande ondersteuningsregeling teneinde vrijwillige terugkeer naar Irak te stimuleren en dat gedwongen terugkeer van deze vreemdelingen mogelijk is als zij beschikken over een geldig paspoort. Voor personen zonder geldig paspoort zal in gezamenlijk overleg een oplossing worden gevonden.

Ik ben van mening dat hiermee een goede stap is gezet richting een structurele oplossing. Minister Duski en ik zijn overeengekomen dat we intensief met elkaar in gesprek blijven over dit moeilijke onderwerp waarvoor we een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben. Op basis van de uitkomst van interne besprekingen in Irak worden vervolgafspraken gemaakt die als uitgangspunt zullen dienen om in gesprek te gaan met de «oude» groep. Daarvoor wordt een periode van drie maanden aangehouden.

Mijn gesprekken met minister Duski hebben bevestigd dat Irakezen die niet in Nederland mogen blijven, kunnen terugkeren naar Irak. Dat betekent dus dat er geen reden is het onderdak voor de uitgeprocedeerde asielzoekers uit het tentenkamp eindeloos voort te zetten. Ik acht het gepast om de uitgeprocedeerde Irakese asielzoekers uit het tentenkamp het geboden onderdak voorlopig te laten behouden totdat de vertrekprocedure met de Dienst Terugkeer en Vertrek is afgerond en mits zij zich houden aan de toezichtmaatregelen die aan hen zijn opgelegd.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

Zie ook de brief Terugkeerbeleid die de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en ik op 5 december 2012 naar uw Kamer stuurden: Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 29 344, nr. 84.