﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-17408-77/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1994-1995</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prodrg__1.11" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>5K0339</ordernr>
    <vergjaar>1994-1995</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>17 408</nummer>
      <naam>Harmonisatie Noordzeebeleid</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>21 250</nummer>
      <naam>Derde Nota Waterhuishouding</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>21 656</nummer>
      <naam>Saneringsprogramma waterbodem Rijkswateren 1991–2000</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>77</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 1 februari 1995</datum>
      <al>De vaste Commissie voor Verkeer en Waterstaat<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
heeft op 20 december 1994 overlegd met de Minister van Verkeer en Waterstaat
en de Minister van Defensie over:</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de uitvoering van de motie-Van Rijn-Vellekoop inzake een
studie naar een gebundelde kustwacht (17 408, nr. 70);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– het onderdeel Noordzee-aangelegenheden uit de voortgangsrapportage
integraal waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden (21 250, nr. 29)</nadruk>.</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Huys</nadruk> (PvdA) constateerde met tevredenheid dat de motie-Van
Rijn-Vellekoop (17 408, nr. 70) adequaat wordt uitgevoerd. De jaarlijkse
beleidsplannen voor dienstverlenende en toezichttaken, alsmede de verantwoordingsrapportage
worden ter kennisname aan de ICONA gezonden, maar wie hakt de knopen door
als er verschil van mening ontstaat over te stellen prioriteiten? Gezien de
hiervoor aangevoerde argumenten had hij geen bezwaar tegen onderbrenging van
het personeel van het KWC bij Defensie en vestiging van het nieuwe KWC in
Den Helder. Wel moet het personeel van het huidige KWC de mogelijkheid worden
geboden om deze overstap te maken. In verband met adequate controle van de
in te stellen exclusieve economische zone moeten voor douane- en bewakingstaken
schepen worden gestationeerd in Hoek van Holland, Den Helder en de Eemshaven.</al>
      <al>Omdat het de heer Huys opviel dat in de voortgangsrapportage integraal
waterbeheer slechts zijdelings de kwestie van de bijvangst ter sprake komt,
herinnerde hij aan zijn eerdere pleidooi om op Europees niveau de mogelijkheid
van verplichte aanlanding van alle gevangen, vermarktbare vis te onderzoeken.
Ook moet aandacht worden geschonken aan verbetering van vangsttechnieken.
Hij achtte het ondenkbaar om in het noordelijk deel van de Noordzee een zone
van 150 km bij 30 km te sluiten voor visvangst, gezien de desastreuze gevolgen
die dit kan hebben voor visserij en de aanverwante bedrijfstak in het Noorden
des lands. Selectief kunnen wel bepaalde, overzienbare gebieden worden gesloten, mits duidelijk is dat deze van constante kwaliteit zijn, bekend is
wie wat gaat onderzoeken en wie het betaalt. Er moeten geen nieuwe «ecoplots»
worden ingesteld als de resultaten van de bestaande nog niet bekend zijn.</al>
      <al>Uit de voortgangsrapportage begreep de heer Huys verder dat het aantal
illegale lozingen niet waarneembaar afneemt en dat het gebruik van haven-ontvangstinstallaties
niet echt toeneemt. Wordt in de voorbereiding van de vierde Noordzee-ministersconferentie
gewerkt aan maatregelen die moeten leiden tot een beter inzicht in de hoeveelheid
afval die schepen aan boord hebben en die in havens worden afgegeven? Gedacht
kan worden aan een verplichting tot afgifte van alle afvalstoffen alvorens
een schip de haven verlaat. Ook kunnen op Europees-regionaal niveau afspraken
worden gemaakt over verwerking van afgiftetarieven in de havengelden.</al>
      <al>Gezien de zeer zorgelijke toonzetting van de voortgangsrapportage over
verontreiniging van het Noordzeemilieu als gevolg van eutrofiëring en
verontreiniging door micro-organismen, vroeg de heer Huys de minister om zich
in haar beleid strikt te houden aan de uitgangspunten van het meerjarenplan
gewasbescherming en de derde fase van het mestbeleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Esselink</nadruk> (CDA) was ook tevreden over de uitvoering
van de motie-Van Rijn-Vellekoop. Welke gevolgen zal dit hebben voor de positie
van de Minister van Verkeer en Waterstaat als eerstverantwoordelijke voor
het Noordzeebeleid? Kan het huidige kustwachtpersoneel overstappen naar de
nieuwe organisatie en zijn er taken van de oude Kustwacht die niet door de
nieuwe organisatie worden behartigd? Mondt de nieuwe opzet uiteindelijk uit
in één gecombineerde begroting? Hij ging ervan uit dat de nieuwe
opzet verdergaande samenwerking met overeenkomstige diensten van omringende
landen niet in de weg zal staan. Eerder is reeds gepleit voor de vorming van
één kustwachtorganisatie voor het totale Noordzeegebied. Herinnerend
aan de gedachtengang die ten grondslag lag aan de motie-Van Rijn-Vellekoop
en verwijzend naar mogelijkheden van moderne communicatiemiddelen, vroeg hij
of verplaatsing van het KWC naar Den Helder onontkoombaar is.</al>
      <al>De heer Esselink vond de voortgangsrapportage over de uitvoering van het
integraal waterbeleid onvoldoende overzichtelijk, al erkende hij dat de Kamer
destijds zelf instemde met gebundelde rapportage. Te weinig blijkt eruit welke
voortgang met diverse actiepunten wordt geboekt. Ook zag hij graag dat gegroepeerder
werd gerapporteerd. Ten opzichte van 1992 zijn in 1993 50% meer verontreinigingen
geconstateerd. In hoeveel gevallen leidde dit echt tot vervolging en wat was
het resultaat ervan? Hoe staat het met de IMO-normen voor bunkerolie? Handhaving
van afspraken die in MARPOL/IMO-verband zijn gemaakt, vergt sluitende controle
van uitgaande schepen. Is het controlepercentage inmiddels opgevoerd? Welke
problemen verhinderen de tekening van het milieuconvenant met NOGEPA? Is het
inmiddels gesloten? Wie is verantwoordelijk voor de controle op de naleving
van de in dit convenant gemaakte afspraken en welke sanctie staat er op het
niet naleven ervan? In welke fase verkeert het wetgevingsproces in verband
met de instelling van een exclusieve economische zone? Is de route voor schepen
met gevaarlijke lading al verder van de Waddenkust afgelegd, zoals in een
vorig algemeen overleg werd bepleit? Hoe staat het met de voorbereiding van
de vierde Noordzee-ministersconferentie? Ten slotte vroeg hij de Minister
van Verkeer en Waterstaat om de Kamer ruim voor aanvang van deze conferentie
per brief te informeren over de Nederlandse inbreng.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Verkerk</nadruk> (AOV) uitte ook zijn tevredenheid over de uitvoering
van de motie-Van Rijn-Vellekoop en sloot zich aan bij vragen naar de positie
van de minister van Verkeer en Waterstaat. Welke voorzieningen zijn getroffen
voor het huidige personeel van de kustwacht? Hij ging ervan uit dat bundeling
bij Defensie de mogelijkheden tot internationale samenwerking
positief zal beïnvloeden. Welke gevolgen heeft de bundeling internationaal
op civiel en militair gebied? Leiden de mandatering en het sluiten van operationele
overeenkomsten niet tot problemen bij de uitvoering? Kan inzicht worden gegeven
in mandateringsbesluiten? Hoe is de inzet van niet-overheidsmiddelen (reddingswezen)
geregeld en hoe wordt dit betaald? Ook vroeg hij aandacht voor de relatie
tussen controles in de havens en de uitvoering van kustwachttaken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> (D66) sloot zich aan bij vragen en opmerkingen
over de voortgangsrapportage. Hij stemde in met bundeling van de Kustwacht,
die hij beschouwde als een logisch gevolg van het Evaluatierapport 1989 en
het toenemend aantal (controle)taken dat de overheid op de Noordzee verricht.
Heeft uitvoering van het advies uit het Evaluatierapport niet te lang op zich
laten wachten? Hij constateerde dat het kabinet heeft gekozen voor één
uitvoeringsorganisatie voor alle Noordzeetaken en dat het door de Dienstcommissie
Kustwachtcentrum aangedragen alternatief van een afzonderlijke kustwachtorganisatie,
als rijksdienst ressorterend onder Defensie, niet haalbaar is gebleken. Dit
laatste had waarschijnlijk slechts aanleiding gegeven tot ondoelmatige competitie.
De nu beoogde organisatie voorziet in een grotere samenhang en een beter gecombineerde
inzet van middelen voor civiele en niet-civiele operaties. Zij heeft als voordelen:</al>
      <al>– een duidelijke scheiding tussen beleid en uitvoering;</al>
      <al>– bundeling van beleidsmatige aansturing door de verantwoordelijke
departementen;</al>
      <al>– bundeling van de operationele uitvoering bij de Koninklijke marine. </al>
      <al>Naar aanleiding een recent artikel in het «Marineblad» vroeg
de heer Van Waning of in de huidige internationale situatie het onderscheid
tussen civiele en militaire taken en middelen vervaagt. Komt onder buitengewone
omstandigheden de verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van taken op de
Noordzee meer te liggen bij de Koninklijke marine? Is de gewijzigde internationale
situatie er debet aan dat de Koninklijke marine thans wel belangstelling heeft
voor structurelere betrokkenheid bij de Kustwacht? Maakt de betrokkenheid
van de Koninklijke marine bij civiele taken op de Noordzee het mogelijk om
te anticiperen op ontwikkelingen die militair optreden vergen? Welke rol hebben
de marines van andere Europese landen bij de uitvoering van kustwachttaken?
Hoe zijn de vooruitzichten voor een Euro-coastguard, zoals omschreven in de
resolutie die het Europees parlement in 1991 aanvaardde? Leent de kustwachttaak
zich voor de door de Minister van Defensie voorgestane internationale samenwerking?
Worden al gecombineerd taken uitgevoerd vanaf één platform?
Kan (eventueel met gebruikmaking van satellite remote sensing) vanuit het
gecombineerde KWC voldoende radarbeeld van de Noordzee worden verkregen? Wordt
het huidige kustwachtpersoneel voldoende functiezekerheid geboden om een snelle
overgang naar Defensie aantrekkelijk te maken? Hij complimenteerde overigens
het personeel van het KWC-IJmuiden met de inzet die vanaf 1987 onder organisatorisch
niet gemakkelijke omstandigheden is getoond. Ten slotte vroeg hij wanneer
het implementatieplan voor de realisering van het kabinetsbesluit gereed is
en of de Kamer over de inhoud ervan wordt geïnformeerd. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van den Berg</nadruk> (SGP) constateerde dat (zij het met vertraging
als gevolg van ambtelijke en bestuurlijke problemen) uitvoering is gegeven
aan de motie-Van Rijn-Vellekoop, maar betwijfelde of hiermee een oplossing
is gevonden voor de problemen bij de politiek-bestuurlijke aansturing van
de Kustwacht. Hij stemde in met de overdracht van de operationele leiding
aan de Koninklijke marine. Uit het besluit maakte hij op dat het kabinet het
door de stuurgroep-Lemstra geadviseerde groeimodel niet overneemt
en niet verder wil gaan dan bundeling van de huidige kustwachttaken. Dat er
geen verandering komt in de beleidsverantwoordelijkheden van de betrokken
ministeries, betreurde hij, omdat het daardoor erg moeilijk wordt om te komen
tot een doorzichtige, eenduidig opgezette en adequaat uitgeruste kustwachtorganisatie.
Zal de door het kabinet voorgestane bundeling een oplossing brengen voor de
problemen die in het verleden voortvloeiden uit het steeds weer blijkende
verschil in visie tussen departementen over het functioneren van de Kustwacht?
Is dit wel de meest aangewezen oplossing? Zal de systematiek van mandatering
en operationele overeenkomsten er niet toe leiden dat de discussie over competentie
blijft voortwoekeren? Zit in de overeenkomsten zelf niet al voldoende conflictstof
ingebouwd? Alles overziende hield hij vast aan de steeds door zijn fractie
uitgesproken voorkeur voor vorming van een zelfstandig bestuursorgaan met
eigen taken en bevoegdheden, aangestuurd door één departement.
Juist in crisissituaties is het van belang dat bevelslijnen kort en doorzichtig
zijn en dat verantwoordelijkheden duidelijk zijn verdeeld. Dan moet men zich
niet tot verschillende departementen behoeven wenden om antwoord te krijgen
op beleidsvragen. Ook hij vroeg naar de onontkoombaarheid van verplaatsing
van het KWC naar Den Helder. Hij ging ervan uit dat personele aspecten worden
geregeld in het implementatieplan. Wanneer komt dit? Hoe functioneert de Kustwacht
in de periode tot 1 juni 1995? Hoe wordt gegarandeerd dat de Kustwacht te
allen tijde kan beschikken over het voor taken benodigde materieel? Is materieel
van de Koninklijke marine optimaal geschikt voor het uitvoeren van kustwachttaken
of moet er aangepast materieel worden aangeschaft? Eventuele voorstellen daartoe
wilde hij welwillend in overweging nemen. </al>
      <al>Ten slotte vroeg de heer Van den Berg naar de stand van zaken bij de voorbereiding
van de vierde Noordzee-ministersconferentie. Ook hij pleitte voor betrokkenheid
van de Kamer hierbij. Overigens was hij wel blij met de gebundelde vorm van
de voortgangsrapportage over integraal waterbeheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Blaauw</nadruk> (VVD) herinnerde eraan dat tot 1979 de Kustwacht
vrijwel volledig werd verzorgd door de Koninklijke marine en dat de competentiestrijd
over deze dienst begon toen het loodswezen ervan werd afgesplitst. Hij constateerde
dan ook tot zijn genoegen dat na tien jaar strijd thans weer wordt teruggekomen
op het uitgangspunt. Nu een duidelijke scheiding is aangebracht tussen operationele
leiding en politieke aansturing hoopte hij dat fricties in de organisatie
tot het verleden behoren. De Kustwacht moet nu toegroeien naar een organisatie
die is toegerust om de taken van de 21ste eeuw aan te kunnen. In dit verband
drong hij aan op tijdige evaluatie van de voortgang op materieel en financieel
gebied. Van welke filosofie wordt uitgegaan bij het inbedden van de Nederlandse
Kustwacht in Europees verband? Gezien de grote onderlinge verschillen tussen
de diverse Europese kustwachtorganisaties zag hij geen heil in een streven
naar één Europese kustwacht. Overigens complimenteerde hij de
Minister van Defensie ermee dat nu ook in het Caribisch gebied een kustwacht
in operatie komt. Hij drong aan op een goede uitwisseling van informatie met
het openbaar ministerie in dit gebied.</al>
      <al>Uit de voortgangsrapportage integraal waterbeleid begreep de heer Blaauw
dat eind 1994 meer inzicht wordt verwacht in emissies door de scheepvaart.
Hoe staat het daarmee? Is het convenant met NOGEPA al gesloten? Is de voor
eind 1994 aangekondigde inventarisatie van mogelijk milieubelastende militaire
activiteiten op de Noordzee en de Waddenzee inmiddels gereed? Ten slotte vroeg
hij of de Kamer inzicht kan krijgen in het concept-handhavingsplan voor het
toezicht op de naleving van regels voor bedrijfsinterne milieuzorgsystemen
van mijnbouwondernemingen.  </al>
      <tuskop letat="vet">Het antwoord van de ministers</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">Minister van Verkeer en Waterstaat</nadruk> complimenteerde het personeel
van het KWC met het goede functioneren, ondanks de soms demotiverende omstandigheden,
en constateerde met genoegen dat het KWC ook naar internationale maatstaven
van zeer hoge kwaliteit is. Zij hoopte dat het kabinetsbesluit een eind zal
maken aan de slepende onzekerheid, ook voor het personeel. In dat licht bezien
wenste zij niet te lang stil te blijven staan bij de lange tijd die nodig
was om zover te komen. Het nu genomen besluit is gericht op vergroting van
effectiviteit en doelmatigheid en moet beslist niet worden gezien als een
bezuinigingsoperatie. Eventuele besparingen kunnen wellicht worden gebruikt
om wat meer te doen. Van groot belang vond zij de geest van samenwerking die
spreekt uit het besluit. De Koninklijke marine wordt niet alleen belast met
de coördinatie van de uitvoering van kustwachttaken, maar krijgt ook
een belangrijke bevoegdheid bij het leiden van operaties die worden uitgevoerd
door de ter beschikking gestelde eenheden. Dientengevolge worden commandolijnen
veel korter en kan veel doeltreffender worden opgetreden. Stroomlijning van
de beleidsmatige en operationele aansturing is mogelijk doordat de betrokken
ministeries inmiddels inzien dat zij afstand moeten nemen van de uitvoering
van een aantal operationele Noordzeetaken. Dit alles overziende was zij ervan
overtuigd dat het kabinetsbesluit ertoe zal leiden dat aansturingsproblemen
tot het verleden zullen behoren. Overigens deelde zij nog mede dat de noot
op blz. 5 van het kabinetsbesluit als vervallen kan worden beschouwd, omdat
is besloten om de Vaarwegmarkeringsdienst niet te privatiseren. Over de beschikbaarheid
van betonningsvaartuigen is tussen deze dienst en het KWC een heldere operationele
samenwerkingsovereenkomst gesloten. Ook nu al worden schepen van de Vaarwegmarkeringsdienst
ingezet bij de uitvoering van handhavingstaken en bij oliebestrijding en worden
marinevliegtuigen ingezet voor gecombineerde acties. De Kustwacht verricht
geen controles in havens. Wel wordt hierover informatie uitgewisseld en in
voorkomende gevallen wordt ook samengewerkt.</al>
      <al>Tegen de door de heer Van den Berg uitgesproken voorkeur voor een zelfstandig
bestuursorgaan bracht de minister naar voren dat uiteindelijk de beleidsverantwoordelijkheid
altijd blijft berusten bij de betrokken minister. Gezien de ervaringen met
verzelfstandiging van organisaties was zij er niet rouwig om dat niet is gekozen
voor mandatering van bevoegdheden aan een zelfstandig bestuursorgaan. In dit
verband releveerde zij, het functioneren van een aantal reeds verzelfstandigde
organisaties zeer kritisch te bezien en gaf zij aan, soms zelfs enige aarzeling
te hebben bij het nemen van politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren
ervan. Tegen de keuze voor een zelfstandig bestuursorgaan verzet zich ook
dat de Kustwacht belast is met taken die worden gerekend tot de kerntaken
van de overheid. Het relatief kleine Nederlandse kustgebied rechtvaardigt
het niet om voor dit doel zo'n omvangrijke organisatie op te zetten.</al>
      <al>De minister bevestigde dat de coördinatie van het Noordzeebeleid
bij haar blijft berusten en dat zij derhalve als eerste verantwoordelijk is
voor het functioneren van het geheel van de Kustwacht en voor de resultaten
ervan. Afstemming vindt plaats via ICONA en MICONA. De overige betrokken ministers
zijn ieder op hun eigen beleidsgebied zelf verantwoordelijk voor het maken
van beleidsafspraken, de toedeling van middelen en de uitvoering van taken.
Er wordt naar gestreefd om de nieuwe organisatie per 1 juni 1995 van start
te laten gaan. Tot die tijd functioneert de Kustwacht volgens het oude model.
Via de voortgangsrapportage over het integraal waterbeheer wordt de Kamer
geïnformeerd over de voortgang met het implementatieplan. De ICONA kan
zich buigen over problemen rond de op te stellen jaarplannen; echt grote conflicten
worden voorgelegd aan de ministerraad. Het personeel kan kiezen tussen overgang naar de Koninklijke marine of herplaatsing binnen Verkeer
en Waterstaat. Het georganiseerd overleg houdt zich bezig met eventuele problemen
op dit gebied.</al>
      <al>Door extra bemanning in te zetten op de schepen die vanuit Hoek van Holland
en Den Helder opereren, kan de capaciteit gehandhaafd blijven op 5800 vaaruren.
Zodoende kan vanuit de basis Den Helder worden voorzien in voldoende douanetoezicht
ten noorden van de Waddeneilanden. Los hiervan opereert in het Waddengebied
ook een (niet zeewaardig) douanevaartuig. De opzet van de nieuwe kustwachtorganisatie
heeft geen gevolgen voor de zelfstandigheid van het reddingswezen.</al>
      <al>Voor de uitvoering van operationele taken is het niet echt nodig dat het
KWC beschikt over een radarbeeld van de totale Noordzee. Daarom achtte de
minister het thans niet gerechtvaardigd om hierin enorme investeringen te
doen. Wel nam zij met interesse kennis van suggesties voor civiel gebruik
van WEU-satellietsystemen en inzet van Orion-vliegtuigen van de marine. Satellite
remote sensing zag zij nog niet als alternatief.</al>
      <al>Op korte termijn is instelling van een Europese kustwacht niet haalbaar,
gezien de grote verschillen in taakstelling en organisaties per land. Goede
operationele samenwerking vond de minister van groter belang. Waar mogelijk,
moeten bestaande samenwerkingsverbanden worden uitgebreid.</al>
      <al>Op vragen over de voortgangsrapportage integraal waterbeheer merkte de
minister op dat in EU-verband wordt gewerkt aan aanscherping van vangstregulering,
reductie van bijvangst van niet-commerciële vissoorten door middel van
technische voorzieningen en het instellen van gesloten seizoenen en gebieden.
Nederland heeft voorgesteld de «scholbox» het gehele jaar te sluiten.
Tijdens de vierde Noordzee-ministersconferentie zal worden gepoogd een groter
draagvlak te krijgen voor het op experimentele basis instellen van gesloten
gebiedjes in de Noordzee. Sluiting van een groot gebied, als door de heer
Huys bedoeld, wordt niet overwogen.</al>
      <al>De minister was gaarne bereid de Kamer in een brief te informeren over
de voorbereiding van de vierde Noordzee-ministersconferentie. Deze zal zich
onder andere buigen over de mogelijkheden tot het terugdringen van illegale
afvallozingen door middel van verplichte afgifte van afvalstoffen alvorens
de haven wordt verlaten en het maken van afspraken op regionaal niveau over
het verwerken van afgiftetarieven in de havengelden. Nederland stelt zich
in dezen ten doel om alle operationele lozingen van olie en andere schadelijke
stoffen door de scheepvaart te doen beëindigen. Tijdens de conferentie
zal erop worden aangedrongen om onderzoek te verrichten naar de haalbaarheid
van een concept dat uitgaat van nullozing, in combinatie met een verplichting
tot afgifte van afvalstoffen. Op basis van de uitkomsten van die studie kunnen
de Noordzeestaten in IMO-kader trachten verder actie te nemen, waarbij de
nadruk zou moeten liggen op het ontwikkelen van structurele maatregelen ter
voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen en op introductie van kringloopprocessen.
Dit onderwerp komt ook aan de orde in het in voorbereiding zijnde tweede milieubeleidsplan
voor de scheepvaart.</al>
      <al>De minister bevestigde dat het aantal waarnemingen van illegale lozingen
van 1992 op 1993 steeg van 52 naar 90, maar tekende hierbij aan dat dit vooral
is veroorzaakt door de stijging van het aantal vlieguren van het kustwachtvliegtuig
van 600 naar 900. De trendanalyse duidt dan ook niet op een toename van het
aantal illegale lozingen. Van alle illegale lozingen is een proces-verbaal
opgemaakt en aan de vlaggestaat gezonden. Afhandeling ervan is echter zeer
tijdrovend. In Nederland zijn thans 15 processen-verbaal in behandeling. Daarbij
is een toename van het aantal schikkingen te constateren. Gezien de zorgelijke
situatie op dit gebied, zal op korte termijn een strategisch plan worden opgesteld
voor de naleving van lozingsregels op de Noordzee. Instelling van de exclusieve
economische zone kan bijdragen aan de handhaving van regelgeving
op dit gebied. Aanbieding van een desbetreffende (Rijks)wet aan de (Rijks)ministerraad
is vooralsnog tot begin 1995 aangehouden, hangende een samenhangende wijziging
van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. Ratificatie van het op
16 november jl. in werking getreden VN-zeerechtverdrag wordt voorbereid. Het
ontbreken hiervan staat instelling van een exclusieve economische zone niet
in de weg.</al>
      <al>Tijdens de laatste Rijn-ministersconferentie is uitgebreid gesproken over
het grote belang van het terugdringen van de diffuse lozingen voor het behoud
van het Noordzeemilieu. Tegen deze achtergrond was de minister voornemens
om onverkort vast te houden aan de beleidslijnen van het meerjarenplan gewasbescherming
en de derde fase van het mestbeleid.</al>
      <al>Op 7 november jl. werd een IMO-aanbeveling van kracht die grote tankers
aanbeveelt om de ver uit de Waddenkust gelegen diepwaterroute te volgen. Deze
aanbeveling kan in 1997 worden omgezet in een verplichting. Daartoe wordt
een wijziging van het SOLAS-verdrag voorbereid.</al>
      <al>Naar aanleiding van vragen over aan bunkerolie te stellen kwaliteitseisen
releveerde de minister dat de IMO naar verwachting in 1995 overeenstemming
zal bereiken over een nieuwe bijlage bij het MARPOL-verdrag. Op dit punt wordt
goede vooruitgang geboekt. Ten slotte deelde zij mede dat haar collega van
Economische Zaken het inmiddels gereed zijnde milieu-convenant met NOGEPA
aan de Kamer zal toezenden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">Minister van Defensie</nadruk> bevestigde op zijn beleidsgebied verantwoordelijk
te zijn voor het beheer en de taakuitoefening van het KWC en voor de operationele
leiding van de Kustwacht door de Koninklijke marine. De eenduidige operationele
leiding zal een adequaat functioneren van de Kustwacht zeer bevorderen. Er
is overeenstemming over de functies die nodig zijn voor de uitvoering van
taken door de nieuwe organisatie. De begroting, die uitgaat van het huidige
takenpakket, wordt gefinancierd door de diverse participanten. Uitbreiding
van het pakket kan niet ten laste komen van het defensiebudget. De participanten
zullen hiervoor additionele middelen beschikbaar moeten stellen. Ook kan Defensie
bezuinigingen door een van de participanten niet opvangen. Het is derhalve
van groot belang om gemaakte afspraken na te komen, zeker ook omdat de rechtspositionele
zekerheid van het personeel ermee gemoeid is. Bij de personele opzet van de
nieuwe organisatie wordt uitgegaan van het principe dat het personeel de functies
volgt. Degenen die overstappen naar Defensie, vallen onder het rechtspositiereglement
van dit departement. Zij die niet overstappen vallen terug op de rechtspositionele
regelingen van het departement van afkomst. Instandhouding van twee KWC's
op korte afstand van elkaar vond de minister zeer inefficiënt en in strijd
met de gedachte achter de totstandkoming van een gebundelde kustwacht. Niet
alleen vergt zo'n opzet meer personeel, maar ook gaat het voordeel verloren
dat wordt verkregen door combinatie van functies. Dit laatste speelt vooral
een rol bij internationale samenwerking en bij de snelle inzet van extra marinemiddelen
bij calamiteiten. Hoewel er grote verschillen per land zijn, ging de minister
ervan uit dat de voorgestelde bundeling van de Kustwacht internationale samenwerking
vergemakkelijkt. Verdergaande samenwerking tussen vooral de landen rond de
Noordzee wordt nagestreefd, maar tot nu toe gebeurt het alleen bij «search-and-rescue-operaties».
De Nederlandse en Belgische marine beschikken sinds kort in Den Helder over één
operationeel centrum. Het bereiken van besparingen via internationale samenwerking
achtte hij niet echt relevant.</al>
      <al>Hoewel het doelmatig is om een aantal overheidstaken mede uit te voeren
met middelen en personeel van Defensie, blijft het onderscheid tussen civiele
en militaire taken gehandhaafd. In beginsel wordt niet militair opgetreden
bij de uitvoering van civiele taken. Op verzoek van de Minister
van Justitie kan in bijzondere gevallen militaire bijstand worden verleend.
In oorlogsomstandigheden worden de taken op de Noordzee vooral uitgevoerd
door Defensie. </al>
      <tuskop letat="vet">Aanvullende gedachtenwisseling</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> vroeg een nadere toelichting op de rechtspositie
van kustwachtpersoneel dat overgaat naar Defensie, gezien de onzekere situatie
waarin het defensiepersoneel thans verkeert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">Minister van Defensie</nadruk> benadrukte dat personeel dat overstapt
volledig wordt beschouwd als defensiepersoneel en ook die rechtspositie krijgt.
Ervan uitgaande dat de participanten hun bijdrage zullen blijven leveren,
wordt de nieuwe kustwachtorganisatie niet betrokken bij verdere bezuinigingen
op Defensie.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Biesheuvel </naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Tielens-Tripels </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP),
Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Brinkman (CDA),
Versnel-Schmitz (D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA),
Verbugt (VVD), Van Rooy (CDA), Poppe (SP), Van 't Riet (D66), Duivesteijn
(PvdA), H.G.J. Kamp (VVD), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66),
M.B. Vos (GroenLinks), Verkerk (AOV), Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66),
Keur (VVD) en Hofstra (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA), Soutendijk-van
Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Van der Linden (CDA), Zijlstra (PvdA), Terpstra
(CDA), Huys (PvdA), Korthals (VVD), Esselink (CDA), Hillen (CDA), H. Vos (PvdA),
Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga (PvdA), Augusteijn-Esser
(D66), Rosenmöller (GroenLinks), Aiking-van Wageningen (AOV), Valk (PvdA),
Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD) en Te Veldhuis (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>