Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 90, item 4

4 Leenstelsel voor studenten

Aan de orde is het debat over de invoering van een leenstelsel voor studenten. 

De voorzitter:

Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom, net als de aanwezigen op de publieke tribune. Ik geef het woord aan de eerste spreker, mevrouw Schouten. De spreektijd is vier minuten. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Vorige week was het er dan: het akkoord over het studieschuldenstelsel. Kennelijk moesten eerst de verkiezingen gehouden worden voordat er een akkoord kon komen. En dat begrijp ik ook wel. Immers, hoe ga je aan jongeren uitleggen dat ze wederom de rekening gepresenteerd krijgen? "Stem groen, sta rood"? "Studieschulden? Ja!"? De enige conclusie is dat studenten straks vanaf dag één te maken krijgen met forse studieschulden, vooral degenen zonder vermogende ouders. Daar is niets sociaals aan. 

Een net afgestudeerde komt straks met een schuld van zo'n €30.000 de arbeidsmarkt en de woningmarkt op. Het zogenaamde studievoorschot is dan ook niets anders dan een hypotheek leggen op de toekomst van onze jongeren. Maar de VVD, de PvdA, D66 en GroenLinks stellen dat het rechtvaardig is dat de bakker straks niet meer hoeft te betalen voor de advocaat. Kan de minister precies aangeven hoeveel deze bakker straks terugkrijgt dankzij dit studieschuldenstelsel? Helemaal niets! De bedragen die ermee worden opgehaald, worden immers geïnvesteerd in het hoger onderwijs. Sterker nog, de zoon of de dochter van deze bakker zal er alleen maar flink op achteruitgaan. Hij of zij krijgt straks wel €100 meer aanvullende beurs. Maar als je eerst €80 wordt afgenomen, zal iedere aankomende student kunnen uitrekenen dat je er meer dan €2.100 per jaar op achteruit gaat. Het kind van de bakker is dus het kind van de rekening. 

De heer Van Meenen (D66):

Het lijkt mij goed om meteen aan het begin van dit debat dat verhaal over die verkiezingen en studenten die zich bedrogen of verrast moeten voelen, uit de wereld te helpen. In de afgelopen anderhalf jaar dat ik in deze Kamer mag zitten, heb ik zo'n 85 tot 100 keer een publiek debat gevoerd met studenten over dit leenstelsel. Het staat gewoon expliciet in een uitgebreide paragraaf in ons verkiezingsprogramma. Als student moet je wel onder een steen hebben geleefd als je niet wist dat D66 en GroenLinks bezig waren om met de VVD en de PvdA te spreken. 

De voorzitter:

En wat is uw vraag? 

De heer Van Meenen (D66):

Waarom wil de ChristenUnie dit aspect zo graag in dit debat halen? 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik kan uw vraag misschien met een wedervraag beantwoorden. Immers, als het dan allemaal zo voorspelbaar was en zo voor de hand lag, waarom lag er dan niet een week voor de Europese verkiezingen een akkoord? Het is toch wel heel bijzonder dat precies een week na de Europese verkiezingen er een akkoord ligt. Bovendien wijs ik erop — ik kan dat de heer Van Meenen niet aanrekenen — dat de heer Klaver, net als de fractievoorzitter van GroenLinks, Bram van Ojik, continu heeft geroepen: er zijn voorwaarden voor ons waaraan absoluut moet worden voldaan voordat wij kunnen instemmen met een studieschuldenstelsel. Een van de belangrijke punten waar ik de heer Van Ojik onlangs nog op bevraagd heb in een debat, namelijk een lager collegegeld, komt in deze plannen helemaal niet voor, zo constateer ik. Ik vind het dan wel zo eerlijk als partijen gewoon toegeven dat dit punt eigenlijk al was losgelaten voor de verkiezingen, maar dat het nog even moest wachten. 

De heer Van Meenen (D66):

Nu wordt mij een vraag gesteld. Volgens mij is dat niet de gebruikelijke gang van zaken, maar ik wil er best wel antwoord op geven. GroenLinks gaat over haar eigen woorden, maar volgens mij heeft de heer Van Ojik nog kort voor de verkiezingen een uitgebreid interview gegeven over deze onderhandelingen. Ik kan namens D66 alleen maar zeggen dat het belangrijkste was dat er een zorgvuldig besluit werd genomen, en niet een besluit dat per se voor of na bepaalde verkiezingen genomen moest worden. Ik heb er verder geen vragen over. Het stelt me alleen een beetje teleur. Ik ken de ChristenUnie niet als een partij die snel meegaat in goedkope beeldvorming. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat doe ik ook niet; ik constateer alleen maar iets. 

Ik ga verder met mijn betoog. We hebben het dan nog niet eens over de groepen die al heel veel moeite moeten doen om te kunnen studeren: de jongeren met een functiebeperking. Nu krijgen zij een jaar extra studiefinanciering, of ze nou uit- of thuiswonend zijn. Straks wordt het een kwijtschelding van €1.200. Kan de minister bevestigen dat dit inhoudt dat deze jongeren feitelijk alleen nog maar thuis kunnen blijven wonen, en ze er anders nog eens ruim €2.000 extra op achteruitgaan? Door dit studieschuldenstelsel wordt deze groep weer teruggeworpen wat de keuzevrijheid betreft. Ik snap oprecht niet dat partijen als de PvdA, maar vooral GroenLinks, hiermee hebben kunnen instemmen. 

Andere groepen als jongeren zonder een baan en alleenstaande moeders krijgen er ook een probleem bij. Zij moeten verplicht schulden gaan maken. Gemeenten sturen jongeren onder de 27 jaar nu al naar school als zij zich voor een uitkering melden. Sterker nog, zij krijgen onder de 27 jaar geen uitkering meer. Alleenstaande ouders raken hun eenoudertoeslag kwijt. Studeren zal voor deze groep heel erg moeilijk gaan worden. Hoe gaat de minister waarborgen dat de jongeren zonder een baan en alleenstaande moeders niet massaal af zullen haken omdat het voor hen financieel ondraaglijk wordt om te studeren? 

Ambitieuze studenten hebben ook niet veel te verwachten van dit stelsel. Wil je een meerjarige master doen? Dan betaal je de hoofdprijs. Terecht hebben de werkgevers hun zorgen al geuit over de gevolgen voor de bètatechnische studies. Ook studies als geneeskunde en theologie, en researchmasters worden straks voor de meer vermogenden. Hoe gaat de minister de groep die een meerjarige master wil doen, tegemoetkomen? Geld lenen kost op deze manier immers talent. 

Het geldt overigens niet alleen voor de meerjarige masters. Onderzoek heeft laten zien dat 10% van de studenten van een studie afziet als er een leenstelsel wordt ingevoerd. Ook komt er minder doorstroom van het mbo naar het hbo; dat gaat om wel 20%. Juist de voorzitter van de Vereniging Hogescholen, die tevens senator voor D66 is, waarschuwt dat de toegankelijkheid van het hbo voor lagere inkomensgroepen onder druk staat. Waarom stapt de minister hier toch steeds overheen? Als juist een Eerste Kamerlid van D66 constateert dat de instroom onder druk staat, snap ik niet dat de D66-woordvoerder in de Tweede Kamer hier overheen stapt. 

Ik heb nog één vraag. Er zijn berekeningen gemaakt van de gevolgen voor de rijksbegroting wegens oninbare schulden. Kan de minister aangeven voor hoeveel harde euro's er een risico voor de rijksbegroting wordt gelopen omdat schulden straks niet meer inbaar zijn? 

Afrondend merk ik op dat dit studieschuldenstelsel studenten in de schulden stort, dat het kwetsbare groepen op achterstand zet, dat het de toegankelijkheid van het hoger onderwijs belemmert en dat het de komende jaren netto nauwelijks extra investeringen in de kwaliteit oplevert. Ik heb daar maar één woord voor: onbegrijpelijk. Talent moet je benutten, niet beboeten. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik heb goed nieuws: mbo'ers krijgen een ov-kaart. Dat bepleiten wij al jaren. Studenten en docenten krijgen instemmingsrecht op de begroting, zeer terecht. Maar de prijs is hoog, heel hoog. De basisbeurs wordt afgeschaft, waardoor studenten zich diep in de schulden moeten steken, ongeveer €15.000 voor een vierjarige studie. 

Het is ongelooflijk dat het kabinet na de grootste schuldencrisis een studieschuldencrisis optuigt. Nu al bedraagt de studieschuld bijna 12 miljard euro. Het wordt na de hypotheekschuld de grootste schuldenberg van Nederland, mede mogelijk gemaakt door de Partij van de Arbeid, GroenLinks en onderwijspartij D66. Van de VVD hadden we dit kunnen verwachten, want daar gold altijd al: wie rijk is mag slim zijn. Maar dat GroenLinks en de PvdA dat steunen, is onvoorstelbaar. Het is een mes in de rug van studenten, en dat heel sluw precies een week na de verkiezingen, terwijl er allang een akkoord was; of niet? 

Dan kom ik bij het doel van de operatie. Er wordt gezegd dat de bakker onterecht meebetaalt aan de studie van de arts. Wat een onnozele redenering: de bakker wil toch ook een goede dokter? En de bakker wil toch ook dat zijn kinderen kunnen studeren, zonder torenhoge studieschuld? Bovendien, waarom gaat die 1 miljard dan niet naar het mbo, als die studenten zo weinig zouden krijgen? Het doel is simpelweg minder studenten. De minister zegt het ook: mbo'ers moeten niet verder leren, ze moeten gaan werken. Dat, terwijl er nauwelijks banen zijn, maar dat terzijde. De minister zegt dat het wel mooi is geweest met die verheffing. Nu al zegt een op de vijf mbo'ers af te zien van doorleren. De VVD ligt in een deuk dat GroenLinks en de PvdA daarin meegaan. Het doet een beetje denken aan die nuttige idioten van weleer. Althans, de jongeren van GroenLinks protesteren nog. Op een ledenraadpleging hoeven ze echter niet te rekenen, want die durft de partijtop niet aan; of wel, mijnheer Klaver? 

Het is prima om naar het aantal studenten te kijken, maar werp dan geen financiële drempels maar inhoudelijke drempels op. Stel hoge eisen en zorg voor uitdagend onderwijs. Stop met de outputfinanciering. Selecteer niet op centen, maar op talenten. 

Hoe zit het met bachelorstudenten die vanaf 2015 een masterstudie gaan doen? Zij worden tijdens hun studie geconfronteerd met een leenstelsel. Dat is onbehoorlijk bestuur, net als bij de langstudeerboete. Hoe zit het met de meerjarige masterstudies, bijvoorbeeld de bètastudies en geneeskunde? Krijgen die studenten compensatie voor het feit dat zij veel langer studeren en dus veel langer moeten afbetalen en hogere schulden maken? Hoe zit het met de gehandicapte studenten? Zij krijgen €1.200 wanneer zij afstuderen, in plaats van een heel jaar studiefinanciering. Dat is een forse verslechtering. Hoe zit het met het afbetalen? Als je 35 jaar lang afbetaalt, betaal je veel langer rente. Is dat ook een verslechtering ten opzichte van het huidige stelsel? En gaat nu werkelijk al het bespaarde geld terug naar het hoger onderwijs, of wordt het ook nog in andere zaken gestoken? Ik hoor graag een reactie. 

Het voorstel ligt op tafel, maar het is er nog niet door. Ik roep iedereen op om in verzet te komen. Bij de langstudeerboete heeft dat ook resultaat gehad. Maak van studeren geen elitekwestie en haal dit plan van tafel. 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. En die langstudeerboete deed het zo goed, dat was zo'n succesvolle maatregel ... We denken er nu met weemoed aan terug. 

Er drongen zich aan mij een paar mooie, ouderwetse woorden op, uit voorbije tijden, toen politieke partijen nog een ideologie hadden. Dat zijn de woorden "klassenstrijd" en "klassenverraad". Dat klassenverraad wordt niet gepleegd door de VVD; dat moet ik haar meegeven, en ook niet door D66. Dat zijn partijen die investeren in jezelf heel letterlijk nemen. Die partijen hebben een harde liberale boodschap aan de kiezer, maar wel een duidelijke boodschap: zorg voor jezelf, investeer in jezelf, want je zult na een studie in het hoger onderwijs anderhalf tot twee keer meer verdienen dan iemand met een mbo-opleiding. Ik vind het een beetje een armetierige boodschap, door de eenzijdige focus op de toekomstige beloningen, maar hij is niet oneerlijk. Je krijgt wat je stemt, ook al hebben veel studenten dat kennelijk niet doorgehad, want heel veel studenten hebben D66 gestemd en hebben kennelijk onder die steen geleefd waar mijn collega Van Meenen het net over had. 

Het zijn echter de Partij van de Arbeid en GroenLinks die ik dat klassenverraad verwijt. Die partijen prediken te pas en te onpas solidariteit met mensen in achterstandssituaties overal ter wereld, maar zijn niet solidair met de mensen om de hoek van de straat. Die partijen doen vanaf vandaag officieel niet meer aan het verheffingsideaal. Dat laten zij weten aan de kiezers die traditioneel bij hen zouden moeten horen: de Nederlanders in achterstandssituaties en in lage inkomensgroepen. "Verhef jezelf maar. Bildung? Doe het zelf maar." Als je het niet kunt, omdat je in een zogenaamde niet-talige omgeving bent geboren, omdat je niet kosmopolitisch bent, maar omdat je lower class bent of lower middle class, dan moet je je maar inkopen in die middenklasse via het leenstelsel. 

Dat evangelie van die neoliberale zelfredzaamheid van D66 en VVD is niet besteed aan onze kiezers. Bij onze kiezers heerst authentieke leenaversie. De wereldburgers van D66 en VVD kunnen zich dat bijna niet voorstellen, de zorgen van mensen die de eindjes aan elkaar moeten knopen, van mensen die bang zijn voor leningen die hen jarenlang zullen achtervolgen. Een jarenlange lening aangaan om bijvoorbeeld een onderwijzer te worden die op zijn 45ste bij een volledige weektaak €2.140 netto thuisbrengt. Hij kan ook nog eens drie schoolgaande kinderen hebben. 

Dit is niet zomaar een wetswijziging, dit is een stelselwijziging. Sterker nog: dit is een principiële breuk met het verleden. Het onderwijs werd, sinds het verheffingsideaal zijn intrede deed, gezien als het belangrijkste instrument voor de lagere klasse om te emanciperen en toegang te krijgen tot de middenklasse. Later gold dat ook voor de emancipatie van vrouwen en allochtonen. De basisbeurs is in 1986 ingevoerd, maar is nog lang niet overbodig. Voor de PVV-kiezer is het helemaal niet vanzelfsprekend dat de kinderen doorleren. Het is duur, het is investeren in een langdurig studieproject met een onzekere afloop. Dat stuit op bezwaren. 

Er was grote onrust onder de ouders en de studenten toen er alleen nog maar gesproken werd over het leenstelsel, ondanks dat bezwerende woordje "sociaal". Dat blijkt ook uit allerlei onderzoeken, zoals "Studeren moet kunnen" van de LSVb en FNV Jong. Niet minder dan 90% van de ouders met kinderen op de middelbare school of het mbo is bang grote schulden te moeten maken als het wordt ingevoerd. In de monitor beleidsmaatregelen, nota bene van de minister zelf, wordt letterlijk gesteld: "Het belangrijkste motief om niet te lenen heeft met name te maken met schulden". Zowel in het hbo als het wo is het percentage studenten dat om deze reden afziet van een studielening, gestegen; 84% van de hbo-studenten en 86% van de wo-studenten die niet lenen, geeft als motief aan geen grote schulden te willen maken. Het staat er steeds maar weer. Steeds meer jongeren tussen de 18 en 25 doen een aanvraag voor schuldhulpverlening, van 7% in 2007 tot 11% nu. Ouders met weinig draagkracht zijn vaker tegenstander van een studielening. Mijn vraag aan deze sociaaldemocratische minister is of zij de leenaversie niet onderschat. Die leenaversie heerst vooral bij de lagere inkomensgroepen, haar vroegere kiezerspubliek. Onderschat zij het remmende effect daarvan op de deelname aan het leenstelsel niet? 

De voorzitter:

U moet afronden. 

De heer Beertema (PVV):

Ja, ik zie het. Dat juist linkse partijen die verheffingsgedachte aan de wilgen hangen, is wat ons betreft een vorm van klassenverraad. Niet alleen de studenten uit de lagere klassen worden echter getroffen, maar ook de studenten uit de middenklasse, met ouders die net boven de €40.000 per jaar zitten. Zij krijgen de extra toeslagen net niet. 

De voorzitter:

U moet nu echt afronden. 

De heer Beertema (PVV):

Dat middenklasseverraad is wat ons betreft een gloednieuw woord in het politieke woordenboek van GroenLinks en de PvdA. Daar sta je dan, als ooit verheffingspartijen. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Er is veel gespeculeerd over hoe de verandering van de financiering eruit zou komen te zien, maar hier staan we dan om daar met elkaar over te debatteren. Ik ben blij dat we dit debat snel hebben kunnen inplannen, zodat eventuele resterende vragen vandaag beantwoord kunnen worden en zodat de minister een verdere toelichting kan geven. 

GroenLinks staat voor verandering. Vasthouden aan hoe het ooit was, zal ons niet door de 21ste eeuw helpen. We hebben altijd in ons programma gehad dat aanpassing van de studiefinanciering gewenst was, ook in ons laatste programma. Daarin gingen wij in op het belang van een sociaal leenstelsel, van een studievoorschot. Dat principe was gebouwd op het idee van een studietaks: hoe zorgen we ervoor dat rijke afgestudeerden straks gaan meebetalen aan het onderwijs voor iedereen? Hoe kunnen we dat zo goed mogelijk in het systeem brengen? Om dat te realiseren, had GroenLinks vier belangrijke wensen. Die wil ik graag langslopen. 

De eerste wens was een hogere aanvullende beurs. Wij zeiden: verhoog die aanvullende beurs met €100. Dat is gerealiseerd. Ik vind het heel belangrijk om te benadrukken dat die beurs een gift blijft. De aanvullende beurs, met een maximum van €350 voor kinderen met ouders met een inkomen tot €30.000, blijft een gift. Daar ben ik blij mee. 

Dan de ov-kaart. Wij zeiden: als je gaat studeren, hoort de ov-kaart daarbij. Je moet flexibel zijn, je moet stages kunnen lopen en je moet ook naar andere hogescholen of universiteiten kunnen om vakken te volgen. Daarvoor is zo'n ov-kaart onontbeerlijk. De ov-kaart blijft. Sterker nog: er komt ook een kaart voor de mbo'ers. De heer Van Dijk had het daarover en sprak van "een langgekoesterde wens". De SP heeft dat niet geregeld; wij wel. De directe investeringen in de eerste jaren zijn minder groot dan wij zouden willen, maar de opbrengst loopt op naar 800 miljoen tot 1 miljard. In de eerste jaren wordt er meteen ook al 200 miljoen geïnvesteerd in het onderwijs. Dan hadden wij nog een laatste wens: het zou goed zou zijn als de collegegelden verlaagd worden. Dat punt hebben wij niet binnengehaald. Wij hebben er echter iets heel moois voor teruggekregen. Ik begon mijn verhaal met de opmerking dat het systeem eerlijk moet zijn en dat de rijkere afgestudeerden moeten meebetalen aan het onderwijs voor iedereen. Op dit moment moeten de mensen hun studiefinanciering al terugbetalen als zij op het bijstandsniveau, 84% van het wettelijk minimumloon, zitten. Nu gaan zij terugbetalen vanaf het moment dat zij het wettelijk minimumloon verdienen. De drempel om terug te betalen wordt dus een stuk hoger. Daarnaast wordt de afbetalingstermijn verlengd en zorgen wij ervoor dat mensen nooit meer dan 4% van hun inkomen kwijt zijn aan de afbetaling. Dat komt neer op gemiddeld 1%. 

De heer Beertema (PVV):

Ik hoor GroenLinks nu vertellen welke fantastische dingen zij heeft binnengehaald, maar ik heb nog geen reactie gehoord op mijn verhaal dat zij als linkse partij eigenlijk het verheffingsverhaal aan de wilgen heeft gehangen. Wat de heer Klaver zegt, heeft GroenLinks in haar verkiezingsprogramma nergens gemeld. Het komt heel stiekem wel terug in de CPB-berekeningen, maar dat het in het verkiezingsprogramma van GroenLinks staat, zoals de heer Klaver vanmorgen zei op het Plein, is een leugen. Laat ik het anders zeggen: het is niet helemaal waar; het staat er gewoon niet in. Alleen in de CPB-berekeningen wordt het heel sneaky tussen de regels door als een pluspuntje genoemd. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik heb het paginanummer niet paraat, waarvoor mijn excuses. Ik zal het verkiezingsprogramma er straks even bij pakken, dan zal de heer Beertema zien dat het gewoon in ons verkiezingsprogramma staat. 

De heer Beertema (PVV):

Dan het volgende deel van de vraag, over het verheffingsideaal. Dat lag toch ooit heel dichtbij GroenLinks. GroenLinks heeft nota bene de CPN, de Communistische Partij Nederland, in haar gelederen. Dat is toch de partij van de echte klassenstrijd. Bestaat die klassenstrijd niet meer? Is de toegang tot de middenklasse niet meer belangrijk voor GroenLinks? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Wij kijken op een bepaalde naar de verzorgingsstaat en de wijze waarop wij die betaalbaar houden. Bij heel veel regelingen zeggen wij: laten wij ervoor zorgen dat de hogere inkomens daar wat meer aan gaan bijdragen. Dat doen wij bijvoorbeeld bij de kinderbijslag — ik kijk nu naar mevrouw Schouten — en ook bij de ziektekostenpremie. Dat principe passen wij overal toe. Volgens mij is dat een links principe. Dat doen wij ook bij de studiefinanciering. Wij zorgen ervoor dat de studiefinanciering toegankelijk blijft voor alle studenten. Wij zorgen ervoor dat voor de laagste inkomensgroep de studiebeurs een gift blijft. Wij zorgen ervoor dat er een afbetalingsregime is, waardoor niemand in de problemen hoeft te komen. Daarmee is er nog steeds voor iedereen de kans om te gaan studeren. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het is bijzonder om te horen dat de heer Klaver het als winst ziet dat iets compleet wordt afgebroken, maar dat er ergens wel een plusje is. Zonder GroenLinks was er geen akkoord geweest. 

Ik heb een vraag over een specifieke doelgroep: de mensen met een functiebeperking. GroenLinks is de partij die altijd voor deze groep is opgekomen. Nu krijgen deze studenten, uitwonend of thuiswonend, een jaar extra studiefinanciering. Straks krijgen zij een kwijtschelding van €1.200. Ik snap werkelijk niet hoe GroenLinks daarmee akkoord heeft kunnen gaan. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Die €1.200 is het bedrag dat de studenten hadden gekregen als zij thuis hadden gewoond. Dat is ook het bedrag dat hun straks zal worden kwijtgescholden. Op die manier zorgen wij ervoor dat zij er niet op achteruitgaan. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik heb hier debatten gevoerd met de collega van de heer Klaver, mevrouw Voortman. Zij heeft telkens voorbeelden aangehaald, onder meer in debatten over de Participatiewet, van succesvolle jonge mensen met een functiebeperking. Die woonden zelfstandig en konden zelfstandig hun keuzes maken. Die mensen krijgen straks een rekening van GroenLinks gepresenteerd. Zij krijgen immers straks alleen nog maar de kwijtschelding die de thuiswonenden met een functiebeperking ontvangen. De uitwonenden met een functiebeperking gaan inleveren en GroenLinks is daarmee akkoord gegaan. Ik vind het werkelijk onbegrijpelijk. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Deze groep houdt toegang tot de studiefinanciering en kan een voorschot ontvangen dat men later moet terugbetalen, zeg ik tegen mevrouw Schouten. Wij hebben ook een kwijtscheldingsregeling opgenomen, zodat de betrokken studenten in elk geval €1.200 kwijtgescholden krijgen, waardoor zij niet worden gedupeerd als zij, wat in de rede ligt, een jaar langer over hun studie doen. 

De heer Rog (CDA):

De studenten met een functiebeperking gaan er op achteruit. Studenten die gaan studeren krijgen een studieschuld, per definitie. Het gaat dan om €17.000 meer dan nu het geval is, bij een gemiddelde studieduur van vijf jaar als ze uitwonend zijn. Hoe rijmt de heer Klaver dat met de woorden van zijn partijleider dat het schuldenstelsel de toegankelijkheid van het hoger onderwijs zou verbeteren? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Allereerst de cijfers. Volgens mij gaat het niet over die €17.000. Iedereen die probeert dit stelsel te verkopen met de mededeling dat iedereen er op vooruit zal gaan, daarvan zeg ik: ik geloof niet dat dat waar is. Het klopt, mensen leveren straks in als het gaat om de basisbeurs. Er zullen mensen op achteruitgaan. Dit stelsel van studiefinanciering is eerlijker omdat straks de hogere inkomens gaan bijdragen aan de studiekosten voor iedereen. De terugbetaling wordt goed geregeld en daarom vinden wij dit eerlijker. 

De heer Rog (CDA):

Het is goed om te horen dat u dus erkent dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet voor iedereen verbetert. Ik heb nog één andere vraag omdat we beperkt zijn in het aantal interrupties. Die gaat over de ov-kaart. Hoe vaak hebt u de minister teruggestuurd naar de NS om door te onderhandelen en hoe zeker bent u ervan dat er 200 miljoen euro van de ov-kaart geïnvesteerd kan worden in het hoger onderwijs? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Als het gaat om de toegankelijkheid hebben we ervoor gezorgd dat de aanvullende beurs voor de laagste sociaaleconomische groepen blijft bestaan. De onderzoeken waaraan sommigen al hebben gerefereerd, laten zien dat daar juist de grootste problemen liggen rond de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, nu al en ook in de toekomst. Daar hebben we aandacht voor gehad. Met het geld dat beschikbaar is, kan ook geïnvesteerd worden in de kwaliteit van het onderwijs. Hbo-instellingen kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om betere schakelprogramma's met het mbo tot stand te brengen. Dat is de manier waarop wij de toegankelijkheid willen verbeteren. Want laten we wel zijn: op dit moment is het huidige systeem van de basisbeurs ook geen garantie voor mensen uit de lagere sociaaleconomische groepen om te gaan studeren. 80% van de mensen die al in het hoger onderwijs zitten, komt uit de hogere sociaaleconomische klasse. 

Dan wat betreft de ov-kaart. Hoe het proces precies is gegaan en hoe die onderhandelingen precies zijn verlopen, daarvan zeg ik: ik kijk naar het resultaat. Ik ben heel blij dat de ov-kaart blijft bestaan. Ik ben heel blij dat de mbo-kaart er komt. We hebben afgesproken dat er een taskforce komt die gaat kijken naar beter benutten. Ik heb er vertrouwen in dat wanneer alle partijen samenwerken, we ervoor kunnen zorgen dat er minder studenten in de spits gaan reizen waardoor gebouwen beter benut kunnen worden. Als dat leidt tot een financiële winst die gelijk doorstroomt naar het onderwijs, dan is dat voor iedereen winst. 

De heer Bisschop (SGP):

Ik hoorde nu voor de tweede keer het argument dat op deze manier de rijkeren, de mensen met een hoger inkomen, meer gaan betalen of meer gaan bijdragen aan de kosten van onderwijs. Ik weet niet zeker of dit nu een misverstand is of een drogreden. Volgens mij doen die mensen dat namelijk al. We kennen in Nederland niet voor niets een progressief belastingstelsel. Dus is de heer Klaver het met mij eens dat dit argument in elk geval in dit debat niet gebruikt kan worden? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Nee, dat ben ik niet met de heer Bisschop eens. Kijk bijvoorbeeld naar mijn collega van de SP. In onze beide programma's staat dat wij vinden dat de ziektekostenpremie inkomensafhankelijk moet worden. Mijn partij zegt verder dat niet de allerhoogste inkomens kinderbijslag behoeven te ontvangen. Dus ten aanzien van heel veel plekken in onze sociale zekerheid en onze verzorgingsstaat zeggen we: de hoogste inkomens kunnen best wat meer bijdragen. Dat is een lijn die we hierin doortrekken. 

De heer Bisschop (SGP):

Dan heb ik geen vraag meer, maar dan constateer ik wel dat er niet sprake is van een misverstand maar van een drogreden en dat bij dit plan de mensen met een hoger inkomen dus dubbel gepakt worden. Allerlei inkomensafhankelijke maatregelen, tot en met de krentenbollen toe, plus dat er ook nog eens via het progressieve belastingstelsel extra wordt betaald. Ik vind dat de partijen daar dan ook duidelijk over moeten zijn. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Eén feit heeft de heer Bisschop juist: wij hebben een progressief belastingstelsel. Ik ben daar heel blij mee. Het zou wat mij betreft nog een stuk progressiever kunnen, maar daar gaat dit debat niet over. Iemand die heeft gestudeerd, gaat gemiddeld anderhalf tot twee keer zoveel verdienen als iemand die dat niet heeft gedaan. Die mensen vragen we om na hun afstuderen een klein beetje extra bij te dragen aan het onderwijs voor iedereen. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Op verschillende punten kan ik GroenLinks, deze partij kennende, niet volgen. Over het meebetalen en dat wat de dochter van de bakker of de metselaar eraan zou hebben, hebben andere partijen al vragen gesteld. Mijn belangrijker bezwaar zit in het volgende. Ik wacht bijna tot ik de heer Klaver hoor zeggen dat je gewoon in je eigen kracht moet gaan staan als je wilt studeren. Hoe ziet GroenLinks die door de heer Beertema ook al beschreven effecten van gaan studeren als je opgroeit in een omgeving waarin dat niet vanzelfsprekend is? Is GroenLinks veranderd van de visie op de overheid wat betreft onderwijs, dat de overheid juist die jongeren zou moeten uitnodigen om te gaan studeren in plaats van afremmen? Als het antwoord is dat de overheid moet blijven uitnodigen, hoe kan GroenLinks dan instemmen met een systeem dat voor die jongeren inhoudt dat ze wel zeker moeten weten wat ze doen omdat ze alles moeten terugbetalen? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Mevrouw Ouwehand heeft het over "die jongeren". Díe jongere staat hier. Die jongere heeft een vmbo-diploma en heeft moeten stapelen. Die jongere komt uit een fantastisch, liefdevol gezin, maar dat had het niet heel breed thuis. Mijn moeder probeerde in de avonduren bij te klussen, zodat ze mijn studie kon betalen. Ik weet heel goed hoe het eraan toegaat in een omgeving waarin het niet vanzelfsprekend is om te gaan studeren. Ik denk in alle oprechtheid dat het systeem dat wij hier creëren, aan die jongeren de kans geeft en ook aan mij de kans zou hebben gegeven om te gaan studeren. Ik denk dat om een aantal redenen. Ten eerste was ik zo'n jongere die in aanmerking kwam voor de aanvullende beurs. Die blijft bestaan als gift. Dat is echt een heel belangrijke stap. Ten tweede zorgen wij ervoor dat de terugbetaling jongeren nooit in de problemen gaat helpen. Ze kunnen er een lange periode over doen en het is nooit meer dan een maximumpercentage van het inkomen. Daardoor, om een paar waarborgen te noemen, denk ik dat studeren ook voor deze groepen nog steeds mogelijk is. 

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Ouwehand. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar zit precies het probleem. Ik ken die omgeving, want zo'n jongere was ik ook. Waar GroenLinks de partij was die vond dat de overheid mensen moest stimuleren om te gaan studeren en zichzelf te ontwikkelen, zie ik GroenLinks hier nu staan met een uitgekleed VVD-verhaal: je moet in je eigen kracht gaan staan. De kansen die de heer Klaver omschrijft, zijn papieren kansen. Hij weet heel goed dat niet iedereen in die omgeving die kansen hetzelfde zal zien als de heer Klaver hier nu. Wij zullen dus meer moeten doen om ervoor te zorgen dat jongeren niet afhaken met hun wens om te studeren. Ik ben er echt van overtuigd dat dit leenstelsel, waar GroenLinks voor tekent, precies dat effect zal hebben. 

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, u hebt straks nog vier minuten spreektijd. Het gaat nu echt om interrupties en het is niet de bedoeling om een eigen betoog te houden. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik dacht dat we hadden afgesproken dat dat niet meer dan … 

Goed. Misschien mag ik hierop nog kort reageren. Ik geloof dat we het over een ding wel eens zijn, want dat is nu ook het probleem. Ik zei zojuist dat in het havo/vwo 80% tot 90% van de kinderen doorstroomt om te studeren. Daarbij valt het op dat de kinderen in het havo/vwo de kinderen uit de hogere sociaal-economische groepen zijn. Die gaan studeren en uit onderzoeken blijkt dat daar de minste problemen te verwachten zijn met welke verandering in de studiefinanciering dan ook. Het grootste gevaar zit bij de kinderen in het vmbo en vooral in het mbo en de manier waarop die doorstromen. Dat is nu al een probleem. Ik laat mij niet aanpraten — niemand hier moet dat doen — dat dit zou komen door de veranderingen die wij voorstellen. Het is nu al een probleem. De kans die ik zie, is niet de kans die de jongeren zelf moeten pakken. Ik zie de kans dat wij er nu voor zorgen dat er een bedrag, oplopend tot 1 miljard euro, vrijkomt om te investeren in de kwaliteit en wat mij betreft ook de toegankelijkheid van het onderwijs. Dat stelt bijvoorbeeld het hbo in staat om te zorgen voor een betere aansluiting op het mbo, bijvoorbeeld door schakelprogramma's. Dat zijn precies de stappen die wij moeten zetten om ervoor te zorgen dat deze jongeren niet uitvallen. Dat is namelijk een grote zorg die ik nu al heb en evenzeer in het nieuwe systeem. 

De voorzitter:

Mijnheer Klaver, ook voor u geldt: een kort antwoord. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Die mbo'ers die willen doorstromen naar het hbo, dat worden er straks 20% minder volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat is nu al een probleem. Het wordt alleen maar een veel groter probleem. De GroenLinksfractie heeft hier via de financieel woordvoerder — ik spreek de heer Klaver nu even aan … 

De heer Klaver (GroenLinks):

Niet de onderwijswoordvoerder dus. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Allebei. Zij heeft aangegeven grote zorgen te hebben over de oplopende particuliere schulden in Nederland. Europa wijst daarop. De GroenLinks-fractie heeft er een motie over ingediend. Waarom werkt GroenLinks dan mee aan een stelsel waarin de schulden van jongeren met zo'n €15.000 zullen toenemen? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Als ik spreek over die grote schuldenberg, dan ligt mijn grootste zorg bij Nederland. Daar ligt ook de zorg van de Europese Unie en van de OECD. Ik richt mij nu trouwens tot de financieel woordvoerder van de ChristenUnie-fractie. De zorg ligt bij de grote hypotheekschuldenberg die wij op dit moment in Nederland hebben. Dat is het grote gevaar voor de stabiliteit van de Nederlandse economie, van de Nederlandse financiële sector. Ik denk dat deze schuldenberg tot stand is gekomen doordat er veel te veel financiële producten zijn verkocht die ervoor zorgden dat je bijvoorbeeld niet hoefde af te lossen en dat de schuld niet meer in relatie staat tot het onderpand. Ik denk dat het heel anders ligt bij de studiekosten. Daarbij zorgen we ervoor dat mensen geen onverantwoorde schulden op zich nemen. Wij zorgen voor een manier waarop mensen ze kunnen afbetalen. Uiteindelijk worden de schulden kwijtgescholden als dit niet lukt. Daarmee ben ik niet bang dat dit voorstel tot de gevolgen gaat leiden die we zien bij de hypotheekschuld, die wel tot problemen heeft geleid. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Aan de ene kant pleit de GroenLinksfractie heel hard voor het afbouwen van de schulden, bijvoorbeeld in verband met de hypotheken. Daarmee ben ik het helemaal eens. Het is een probleem. Aan de andere kant zorgt de GroenLinksfractie ervoor dat de particuliere schulden van de Nederlanders, met name van de jongeren, enorm gaan toenemen. Ik snap het wederom niet. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Deze interruptie was voor mij niet geheel nieuw. Ik heb ook in een eerder debat aangegeven dat er op zich niets mis is met het aangaan van een lening, met het aangaan van een schuld, omdat je een bedrijf wilt opbouwen of een huis wilt kopen. Het punt zijn de gevallen waarin je niet afbetaalt, waarin je de schulden laat oplopen en waarin de schuld niet meer in relatie staat tot het onderpand. Dat is het grote probleem bij de hypotheken. Dat gaat niet het probleem worden bij het systeem dat we nu hebben ontwikkeld. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vond dat GroenLinks de laatste tijd best goed bezig was. De partij sloot geen akkoorden die aantoonbaar een verslechtering zijn, zoals andere gedoogfracties de laatste tijd wel deden. Maar wat doet ze nu? Ze sluit één akkoord, te weten het allerslechtste akkoord, een studieschuldenakkoord. Studenten worden snoeihard gepakt, terwijl het altijd een harde eis was dat het collegegeld flink omlaag moest. Dat haalt GroenLinks niet binnen, heeft de heer Klaver net gezegd. Hij weet ook dat dit binnen zijn partij een omstreden onderwerp is. Er vindt binnen onze partij een levendige discussie plaats, zegt hij zelf. 

De voorzitter:

Uw vraag is? 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Als dit zo is, waarom legt hij dit voorstel dan niet voor aan zijn leden? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Dat is een vraag die de heer Van Dijk aan het partijbestuur moet stellen. Dat is er heel helder over geweest. We hadden het er eerder over. Er komt geen referendum omdat het in het verkiezingsprogramma staat, heeft het partijbestuur aangegeven. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Is dat niet een beetje laf? Ik vind dit ook niets voor de heer Klaver, die altijd graag het debat aangaat met zijn tegenstanders. Hij was ook op het Plein. Dat vind ik hartstikke goed. De andere voorstanders van dit akkoord heb ik daar niet gezien. De partijtop zegt inderdaad: het staat al in het verkiezingsprogramma, dus dan hoeven we het niet aan de leden voor te leggen. Maar dat is natuurlijk niet helemaal waar. In het verkiezingsprogramma stond dat het collegegeld omlaag gaat. Dat heeft GroenLinks niet binnengehaald. Eigenlijk was het idee van GroenLinks altijd een studietaks. Dat heeft de partij niet binnengehaald. Ze is overgegaan op een leenstelsel. Het is een omstreden voorstel. De heel Klaver kan dan toch als woordvoerder zeggen dat hij het uitstekend vindt als dit binnen de partij aan de leden wordt voorgelegd? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Bij de SP werkt het misschien zo dat je een centraal geleide partij hebt waarin één persoon het voor het zeggen heeft. Bij ons gaat het partijbestuur over dit soort zaken. Dat is er helder over geweest. Daarbij wil ik het graag laten. 

De heer Beertema (PVV):

Ik raakte even aan het twijfelen over het verkiezingsprogramma van GroenLinks. De heer Klaver heeft gelijk. Het staat wel degelijk op pagina 7, kan ik hem nu meegeven. Maar op die pagina staat niet dat de basisbeurs gaat verdwijnen. Er staat iets heel vaags over dat er wat meer komt voor aanvullende beurzen en dat soort dingen. Nergens staat dat er een stelselwijziging komt. Dat wil ik hier hebben meegegeven. 

Ik heb nog een vraag aan de heer Klaver. Volgens onderzoek zullen 15.000 studenten niet de weg naar de middenklasse vinden omdat ze geen gebruik zullen maken van het hoger onderwijs. Dat is wetenschappelijk onderzoek. Dat is gebaseerd op feiten, op interviews enzovoort. Wordt dit nou gewoon door de minister en door mijnheer Klaver van GroenLinks naar de prullenmand verwezen, omdat het politiek niet opportuun is, omdat het politiek niet uitkomt, of doen wij hier echt aan magisch denken? 

De heer Klaver (GroenLinks):

De heer Beertema doet er goed aan om ons programma nog veel vaker te lezen, niet alleen pagina 7 maar ook al die andere pagina's. Ik meen dat er in de eerste of de tweede zin onder dit kopje staat dat er echt een stelselwijziging komt. Ik zal het in de tweede termijn volledig uitspellen voor de heer Beertema. 

Er zijn tal van onderzoeken gedaan. De uitkomsten waren verontrustend. Er blijkt een grote uitval te zijn. Het valt mee voor havo- en vwo-studenten, maar het is het meest verontrustend voor mbo-studenten. Het zijn onderzoeken van onder andere het SCP op basis van vraaggesprekken met interviews. Er zijn ook onderzoeken gedaan naar de situatie in andere landen waar een verandering in de studiefinanciering is doorgevoerd. Daarin zie je een soort cohorteffect. In de eerste twee jaar zie je een effect — er gaan minder jongeren studeren — en daarna trekt dat aan en stromen die jongeren gewoon weer in het hoger onderwijs in. Als de heer Beertema vraagt wat er met die onderzoeken is gebeurd, dan zeg ik hem dat wij ze zo ongeveer hebben uitgespeld. Wij hebben gekeken waar de grote knelpunten zitten. Als die zitten bij het mbo en de lagere sociaaleconomische groepen, dan moet die aanvullende beurs omhoog. In andere landen hebben wij dat tijdelijk inzakken gezien, maar dat trekt gewoon weer aan. Straks kan iedereen weer gaan studeren. Als de heer Beertema vraagt of ik zorgen heb of al die jongeren ook echt gaan studeren, dan zeg ik: ja natuurlijk. 

De heer Beertema (PVV):

Dan stel ik vast dat GroenLinks er wel heel erg heilig van overtuigd is dat de eigen overtuigingskracht van de voortreffelijke mijnheer Klaver al die mensen over de streep gaat trekken en dat er eigenlijk niks aan de hand is. De heer Klaver ontkent de gevaren en de uitkomsten van het onderzoek. Hij doet aan wishful thinking. Dat noemen wij magisch denken. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Hier heb ik bezwaar tegen. Ik probeer het hier in alle redelijkheid niet veel mooier te maken dan het is, maar zeker ook niet slechter. Als het gaat over de effecten van welke stelselwijziging dan ook, dan kom je op de gedragseffecten. En dan weet je nooit precies hoe het zal uitwerken. Wij hebben geprobeerd die onderzoeken uit te spellen. Wij hebben bekeken bij welke groepen de grootste problemen zitten. Wij hebben geprobeerd daar maatregelen op te treffen. Er ligt een motie-Slob die pleit voor het monitoren van de effecten. Dat moeten wij de komende jaren gaan doen. Het eerlijke verhaal is dat noch de heer Beertema noch ik het precies weet. Wij moeten dat goed in de gaten houden. 

Door alle interrupties heb ik de meeste punten kunnen noemen. Ik heb nog twee vragen. De eerste heeft mevrouw Schouten ook gesteld. Hoe kijkt de minister aan tegen gemeentes die jongeren dwingen om te gaan studeren om te zorgen dat zij niet in de bijstand of de WIJ komen? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er geen afvloeiing naar de studiefinanciering plaatsvindt? Dat vond ik al verkeerd mét de basisbeurs, maar dat vind ik zeker verkeerd als die beurs er niet meer is. 

Ik heb de laatste tijd veel vragen gehad over deze plannen. Een van die vragen was wat het betekent voor afgestudeerden die een huis willen kopen. Zoals ik het systeem voor mij zie, kan ik mij voorstellen dat het niet moeilijker wordt om straks een huis te kopen en in aanmerking te komen voor een hypotheek, maar makkelijker. Graag hoor ik van de minister of die veronderstelling juist is. 

De heer Duisenberg (VVD):

Voorzitter. Halverwege 2012 verliet ik het bedrijfsleven, omdat ik een diepgewortelde wens had: helpen Nederland beter te maken. Afgelopen woensdag hebben wij met het studievoorschot een enorme stap gezet in het sterker en beter maken van Nederland. Ik sprak in het voorgaande debat over dit onderwerp over de Solar Challenge: 3.000 kilometer dwars door Australië op zonne-energie. De studenten van de TU Delft, de Universiteit Twente en de Technische Universiteit Eindhoven flikten het toch maar even. Ze kwamen, ze zagen en ze overwonnen. Deze grenzeloze creativiteit, deze kennis en ondernemersdrift, in combinatie met een ongeremde durf, ambitie en wilskracht hebben mij en misschien ook de andere partijen geïnspireerd om met diezelfde durf, ambitie en wilskracht de studiefinanciering na 30 jaar te hervormen. Wij zetten een enorme stap op weg naar toponderwijs. Als ons onderwijs tot de top behoort, kunnen leerlingen en studenten zich op de arbeidsmarkt meten aan de wereldtop. Als onze leerlingen en studenten tot de top behoren, floreren de Nederlandse samenleving en het bedrijfsleven. De internationale positie van onze mensen bepaalt onze internationale successen van de toekomst. Net zoals dat vandaag het geval is en zoals dat in het verleden het geval was. Het kleine landje Nederland drukt meer dan zijn gewicht in de wereld. 

Met de hervorming van de studiefinanciering gaat een langgekoesterde wens van de VVD in vervulling. Onderwijsgeld gaat niet naar levensonderhoud, maar naar onderwijs. Het bedrag dat vrijkomt om te investeren in hoger onderwijs loopt op tot maximaal 1 miljard euro in 2026. Het budget voor hoger onderwijs gaat daarmee met 20% omhoog. Dat is een ongekende impuls voor de onderwijskwaliteit, de onderwijsmentaliteit en het onderwijsbewustzijn. 

In het verlangen om de studiefinanciering te hervormen staan wij gelukkig niet alleen, maar samen met GroenLinks, D66 en de PvdA. Ik doel echter ook op de rest van de Kamer, want hebben wij niet allemaal het rapport van de commissie-Veerman met warme woorden onthaald en omarmd? Ik neem de Kamer dan ook graag even mee terug naar het betreffende rapport van de commissie-Veerman, om precies te zijn naar bladzijde 59. Daar staat: "Als we ervan overtuigd zijn dat kennis dé concurrentiefactor in de 21e eeuw is en dat daarvoor een sterk en toekomstbestendig hoger onderwijsstelsel nodig is, dan moeten we de ambities in dit advies ondersteunen met voldoende investeringen" (…) "De commissie sluit niet uit dat het geld binnen het hoger onderwijs anders moeten worden ingezet, of dat de verhouding tussen publieke en private bijdragen verschuift." 

Voor studenten betekent het studievoorschot een verandering. Het geld van de basisbeurs gaat voortaan naar je onderwijs en niet naar je levensonderhoud. Echter, het uitgangspunt was, is en blijft dat studie de beste investering in jezelf is. Iedereen die wil studeren, kan ook studeren. Van een goed opgeleide bevolking profiteren wij allemaal en daarom blijft de overheid, ook in het nieuwe stelsel, het overgrote deel van de studie betalen. Overigens zullen studenten door het studievoorschot meer geprikkeld worden om zich te verdiepen in de kansen op de arbeidsmarkt, de slagingspercentages en de kwaliteit van de studie. Van hogescholen en universiteiten eist dat dan weer dat zij goed onderwijs en betere studievoorlichting bieden. 

De ov-kaart blijft bestaan. De VVD heeft zich ingezet om een alternatief te zoeken waardoor de kosten niet de perken te buiten gaan. Door een maximaal bedrag af te spreken, maken wij geld vrij om te investeren. Waarin investeren? U raadt het al: in onderwijs! 

Tot slot wil ik de andere partijen en de minister danken voor het constructieve proces tot nu toe. Ik hoop dat wij bij de behandeling van het wetsvoorstel ook nog een enkele andere partij kunnen verwelkomen die de keuzes qua vormgeving van het studievoorschot steunt, waardoor het mogelijk wordt tot 1 miljard euro extra per jaar in het hoger onderwijs te investeren. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zei al dat dit me niet zo verbaast van de VVD, want voor die partij gold altijd al: wie rijk is, mag slim zijn. Toen dit voorstel naar buiten kwam, viel mij op dat de vrienden van de VVD, de werkgevers uit het bedrijfsleven, ook niet blij waren. De FME, de heer Wientjes en mevrouw Dezentjé, oud-Kamerlid voor de VVD, zeggen allemaal: dit is niet slim, want wij hebben bètastudenten nodig. Bètastudenten studeren wat langer en zij hebben hogere schulden. De Kamer heeft daarover ook de heer Hoekstra gehoord tijdens de hoorzitting. Wij zagen in zijn staatje dat het dan niet meer gaat om €15.000, maar om €40.000, €50.000 of misschien zelfs €60.000. Waarom laat de VVD de vrienden van het bedrijfsleven en ook de bètastudenten keihard vallen? 

De heer Duisenberg (VVD):

Ik weet niet waar de heer Van Dijk zijn quotes vandaan haalt, want ik heb heel andere berichten gehoord. Het bedrijfsleven ondersteunt deze richting. In dezelfde hoorzitting als die waaruit de heer Van Dijk de quote haalt, zat ook het VNO-NCW aan tafel die deze beweging naar het studievoorschot, dat toen nog leenstelsel heette, ruimschoots ondersteunde. Het gaat om het investeren in onderwijs. Het bedrijfsleven is er in de allereerste plaats bij gebaat dat wij dit doen en dat wij de beste mensen afleveren. Er loopt nog een verkenning waarin gekeken wordt wat goed is om te doen voor het techniekonderwijs. Ook voor techniekstudenten, of misschien wel met name voor hen, geldt dat een studie de beste investering is in jezelf. Dat zal ook voor hen gaan gelden. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mevrouw Dezentjé heeft het voorstel contraproductief genoemd. Dat is gewoon terug te vinden op internet. Ook de heer Wientjes was hier kritisch over. Dat erkent u ook impliciet door te zeggen: we zijn nog aan het verkennen wat we daarmee moeten doen. Er zullen nu veel studenten zijn die zeggen: eigenlijk zou ik wel in Delft een mooie bètastudie willen doen, maar ja, dan zit ik daarna met een studieschuld van rond de €40.000 of €50.000; dan doe ik wel een makkelijke studie, of ik ga helemaal niet studeren. Met dank aan de heer Duisenberg. Wat hebt u die ambitieuze jongeren te bieden, die nu in het pak worden genaaid? 

De heer Duisenberg (VVD):

Ik blijf erbij: een studie is en blijft de beste investering in jezelf. Die afweging waar de heer Van Dijk het over heeft, maakt de techniekstudent vandaag ook al. Ik was in Delft. Met die investering kun je ervoor zorgen dat de student een nog veel betere studie kan doen. Ik heb daar een college bijgewoond, waarbij je met honderden studenten in dezelfde collegezaal zat, bij een van de moeilijkste vakken die je kunt krijgen, non-lineaire mechanica, waar het slagingspercentage minimaal is. Met deze investering maak je ruimte om dat onderwijs intensiever te maken. Uiteindelijk is dit voor de student echt de beste investering die hij kan doen. 

De heer Rog (CDA):

Vandaag heeft de Rekenkamer laten zien dat huidige economiestudenten via de inkomstenbelasting al in acht jaar tijd hun eigen studie terugbetalen. De overige pakweg 35 à 40 jaar van hun leven betalen zij dus extra belasting om de studie van de zoon van de bakker te betalen. Vindt de heer Duisenberg niet ook dat we met dit leenstelsel en de extra studiebelasting de middengroepen onevenredig aanpakken? 

De heer Duisenberg (VVD):

Wat we doen is onderwijsgeld weer aan onderwijs besteden. Het werd besteed aan een bijdrage in het levensonderhoud. Nu wordt het weer een bijdrage aan het onderwijs van de student. Het is een beetje voorspelbaar, ik zag het CDA al komen met dit punt. We hebben een enorme kans gehad om er met elkaar voor te zorgen dat onderwijsgeld weer naar het onderwijs zou gaan. Dat was een paar jaar geleden, met de langstudeermaatregel. Toen was het CDA opeens weg. U rook de verkiezingen, mijnheer Rog, en opeens was het CDA om. Een biertje op een plein met studenten en het CDA zei vaarwel tegen de maatregel. Daarmee hebben we een kans gemist om het beter te maken. Dan had u toen moeten aanschuiven en aangeschoven moeten blijven. 

De voorzitter:

De heer Rog, tot slot. 

De heer Rog (CDA):

Nee, voorzitter, ik wil eerst dit punt rechtzetten. Eerst heeft de VVD in de verkiezingscampagne afstand genomen van de langstudeermaatregel. Dat heeft het CDA ook gedaan. Wij hebben ook boter bij de vis gegeven. Dat hebben we beide gedaan. Ik wil doorgaan op het punt dat de heer Duisenberg maakt. Hij zegt: wij gaan nu geld voor onderwijs aan onderwijs besteden. Kan de heer Duisenberg ons eens voorrekenen hoe het zit met dat miljard? Volgens mij gaat 300 miljoen euro naar inkomensondersteuning, om het nivelleringsfeestje van de Partij van de Arbeid te vervolmaken, en vervolgens is er van 200 miljoen onduidelijk of dat geld er komt, want dat is geld voor de ov-kaart. Kan hij ons voorrekenen hoeveel geld er nu daadwerkelijk in hoger onderwijs wordt geïnvesteerd? 

De heer Duisenberg (VVD):

Ik zou zeggen: u hebt de staatjes gekregen. Het miljard dat ik noem, kunt u letterlijk aflezen uit de staten die aan iedereen zijn verstrekt. Dat ga ik u niet plenair uitleggen. Dat wil ik graag even doen in een pauze of zo, maar u kunt het zelf lezen. Nog even over die investering van 1 miljard. Zijn er partijen die een beter programma hebben, waarmee er beter wordt geïnvesteerd in onderwijs en in de toekomst van Nederland? Als ik dat opzoek, zie ik bij het CDA nul investering staan. Het CDA is in heel goed gezelschap trouwens, samen met de SP, die bezuinigt en met de PVV, die bezuinigt. Het CDA, de SP en de PVV bungelen echt ver onderaan met nul opbrengsten voor het onderwijs. 

De voorzitter:

Dat is uitlokking. De heer Rog. 

De heer Rog (CDA):

Ja, ook hier moeten we toch weer wat rechtzetten, want het was de VVD met de Partij van de Arbeid die in het regeerakkoord, ondanks investeringsbeloftes in de verkiezingsprogramma's, met nul euro investering kwamen. Deze investering is geen investering maar een ombuiging. Ook in het programma van het CDA staat een ombuiging, alleen voor een veel lager bedrag. Dat bedrag is ook rechtvaardiger, want dat voorkomt aan de voorkant dat 15.000 jongeren niet beginnen aan een studie. Dat is de werkelijkheid. Dat moet even rechtgezet worden. 

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt. Mijnheer Duisenberg, u mag daarop reageren, maar dat hoeft niet. 

De heer Duisenberg (VVD):

Ik kan alleen herhalen wat ik heb gezegd. Afsluitend merk ik op dat het programma van het CDA echt helemaal niets doet voor het onderwijs en de toekomst van Nederland. Verder zeg ik tegen de heer Rog: u hebt een kans gehad, u had gebeld kunnen worden, maar u was even op verantwoordelijkheidsvakantie. 

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Als je dit zo hoort, dan denk je met heimwee terug aan die langstudeerdersmaatregel, die zo effectief was en die zo volslagen onverwacht nadat hij was ingevoerd, weer is ingetrokken. Een sprekend staaltje van geen goed bestuur. Die maatregel had gehandhaafd moeten worden. Ik herinner mij dat toen dit punt aan de orde was, de SGP al zei: mensen, als je dit doet, roep je het leenstelsel op je af. Dat werd toen niet weerlegd, maar daarop werd ook niet ingegaan. En nu staan we dan hier, om te spreken over het leenstelsel. 

Ik heb waardering voor de verwoede pogingen die worden gedaan om een andere naam voor dit systeem te bedenken, zoals het studievoorschot. Ik geloof niet dat dat echt helpt. Het is lood om oud ijzer. Ik zou gewoon willen blijven spreken over het leenstelsel. 

Voorzitter. Toen de tekst van het studievoorschot, het leenstelselakkoord van de coalitie plus D66 en GroenLinks, naar buiten kwam, heeft de SGP afhoudend gereageerd; "gereserveerd" was de term die we toen hanteerden. We hebben aangegeven dat we het akkoord in deze vorm niet kunnen steunen. De SGP is op zich al geen groot voorstander van het leenstelsel, hoewel mijn partij er ook geen massief en principieel tegenstander van is. Voor ons was de uitwerking cruciaal. We hebben dat in de eerdere fase van dit proces ook een- en andermaal aangegeven. Voor ons zijn belangrijk: de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, de aflosbaarheid van de opgebouwde studieschuld en het voorkomen van cumulatie van schulden door stapeling van maatregelen. Daarnaast was voor ons een belangrijke randvoorwaarde: inzicht in de wijze waarop de gelden die beoogd waren voor een kwaliteitsverbetering worden ingezet. 

Nu ligt de vraag voor in hoeverre het voorliggende voorstel hiermee spoort, in hoeverre het aan de randvoorwaarden tegemoetkomt. Die afweging heeft de SGP gemaakt. Ik noem de pluspunten: de aflosbaarheid is duidelijk verbeterd ten opzichte van eerdere voorstellen. Ik denk dan aan de termijn en aan de inkomensgerelateerdheid. Dat is een pluspunt. Een pluspunt is ook dat cumulatie voorkomen wordt doordat de ov-kaart in enigerlei vorm behouden blijft. We hebben echter twijfels bij de uitwerking in relatie tot de kwaliteitsimpuls. Het voorstel dat er nu ligt, blijft wat dat betreft op onderdelen toch wat te vaag. Er worden randvoorwaarden genoemd in de sfeer van het maken van kwaliteitsafspraken. Wij zien op dit moment in het beleid te veel maatregelen die onder de noemer "kwaliteitsafspraken" opgelegd worden aan of afgesproken worden met de onderwijssectoren. Het vertrouwen dat die op een goede manier worden uitgewerkt is groter dan wij daarin zouden hebben. Op dat punt is de duidelijkheid ontoereikend. 

Negatief voor ons in dit voorstel is dat zowel de bachelor als de master daarin wordt betrokken. De knip in een eerder stadium om de bachelor uit te zonderen en te beginnen met de master, was voor ons redelijk acceptabel. Wij hadden ook graag een relatie hebben gelegd met verlaging van het collegegeld, maar dat is niet aan de orde. 

Daarnaast vinden wij de regeling voor de aanvullende beurs een wat merkwaardige regeling. Het spijt mij dat ik dat moet zeggen in de richting van collega Klaver. De dochter van de docent kan geen aanspraak maken op een aanvullende beurs en moet dus wel de studieschuld 35 jaar lang aflossen. 

De voorzitter:

U moet afronden. 

De heer Bisschop (SGP):

Ja, ik kom tot een afronding. 

De zoon van de vrachtwagenchauffeur kan wel aanspraak maken op een aanvullende beurs. Die dochter van de docent wordt ook docent, zoals dat een goede onderwijsfamilie betaamt. De zoon van de vrachtwagenchauffeur wordt minister. Hij zit dus in de hoogste regionen, maar krijgt vrijstelling van terugbetaling van de aanvullende beurs. 

De voorzitter:

Dank u wel. 

De heer Bisschop (SGP):

Ik waardeer het en vind het ook terecht dat ministers een goed salaris hebben. Maar als zij dan deze steun krijgen, moet die ook terugbetaald worden. 

De voorzitter:

U moet afronden. Dank u wel. 

De heer Bisschop (SGP):

Alles afwegend kan de SGP dit voorstel, zoals het nu voorligt, niet steunen. 

De heer Van Meenen (D66):

Wij hebben het debat in de Kamer om te kijken of wij elkaar kunnen vinden. Ik wil vooral even kijken naar de aarzelingen van de heer Bisschop bij de investeringen in de kwaliteit. Hij verzuimt één punt te noemen dat in ieder geval in mijn ogen zeer belangrijk is voor een garantie dat het geld daar landt waar de kwaliteit het beste gediend is, wat per instelling verschillend is. Dat is namelijk het instemmingsrecht van studenten en docenten op de hoofdlijnen van de begroting. Hoe kijkt de heer Bisschop daarnaar? 

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb daar bewust geen opmerkingen over gemaakt. Ik vind het altijd heel complex hoe de gezagsverhoudingen in zo'n instelling precies moeten liggen. Op dat punt zou dit wel een garantie kunnen vormen. Als dat tegelijkertijd gepaard gaat met een uitgewerkt subsidiestelsel met allerlei randvoorwaarden, verantwoordingsplicht enzovoorts, dan ben je echter weer bezig dingen dubbel te doen. Vandaar dat ik hier een plusminus voor heb gezet. Ik ben nog niet helemaal gerustgesteld. 

De heer Van Meenen (D66):

De heer Bisschop noemt terecht dat kwaliteitsafspraken verder uitgewerkt moeten worden. Deelt hij met mij de zorg dat wij te veel vanuit Den Haag gaan voorschrijven hoe het allemaal moet en dat wij het vertrouwen toch vooral bij zowel de instellingen zelf als de studenten en docenten moeten leggen? 

De heer Bisschop (SGP):

Dank voor deze uitnodiging. Wij wachten de besluitvorming rondom dit traject af. Het is de traditie van de SGP om wanneer dat mogelijk is constructief te blijven meepraten. Zeker op dit punt zullen wij graag zij aan zij met de heer Van Meenen van D66 optrekken, zoals onze ervaring tot nu toe tenminste steeds is geweest. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Vindt de SGP het ook belangrijk dat juist kinderen uit omgevingen, uit gezinnen waarin studeren niet vanzelfsprekend is gaan studeren? 

De heer Bisschop (SGP):

Toen collega Klaver vertelde hoe hij daar persoonlijk in stond, dacht ik: hé, het lijkt wel mijn verhaal. In die zin ondersteun ik dat van harte. Ik kan volledig billijken dat er een aanvullende beurs is, als de heer Klaver daarop doelt. Alleen is de terugbetaling niet inkomensafhankelijk gemaakt. Dat zou een versterking van het systeem en ook de denkwijze, de linkse denkwijze van de heer Klaver, zijn geweest. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik was geïntrigeerd door het voorbeeld dat de heer Bisschop gaf, want volgens mij gaf dat aan waarom die aanvullende beurs werkt. Als die aanvullende beurs ervoor zorgt dat de zoon of de dochter van de vrachtwagenchauffeur, uit een gezin waarin niet is gestudeerd, gaat studeren en dat die straks in vak-K het ons hier in de Kamer ontzettend moeilijk maakt, dan heeft die namelijk gewerkt. Zoals de heer Bisschop aangeeft, gaat de zoon of de dochter van de docent studeren. De aanvullende beurs is er toch juist voor bedoeld dat mensen die uit een omgeving komen waar studeren niet vanzelfsprekend is, worden aangemoedigd om te gaan studeren? Dat is toch het belang van die aanvullende beurs? 

De heer Bisschop (SGP):

Ja, maar om dit dan gelijk als een soort premie te verstrekken aan degenen die gaan studeren, zou een vervuilende prikkel zijn. Dat is niet de prikkel die er moet zijn. In de lijn van het denkpatroon van de heer Klaver zou de terugbetaling juist heel goed inkomensafhankelijk gemaakt kunnen worden. Dan zou het een billijker systeem zijn. 

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. 15.000 jongeren zullen afzien van een studie in het hoger onderwijs. Bedenk even wat dat betekent. Dat zijn evenveel jongeren als er in totaal op dit moment aan de Technische Universiteit in Delft studeren. 15.000 jongeren die niet gaan studeren dankzij deze leenstelselcoalitie van PvdA, VVD en de zogenaamde studentenpartijen GroenLinks en D66. Honderdduizenden vwo'ers, havisten en mbo'ers die wel gaan studeren zien straks op tegen een schuldenberg van €30.000 tot wel €50.000 bij meerjarige masters. Een leven lang leren wordt door deze leenstelselcoalitie een leven lang lenen. 

De minister en haar leenstelselcoalitie spreken met bijna onverholen afschuw over het feit dat afgestudeerden zomaar anderhalf tot twee keer meer verdienen dan lager opgeleiden. Daarom voert dit nivelleringskabinet een studiebelasting in. Middengroepen krijgen de rekening gepresenteerd. Voor hen is er voor de komende 35 jaar een extra studietaks van 4% en hun kinderen krijgen een lagere aanvullende beurs. De echte minima worden ontzien, de rijken kunnen hun studie blijven betalen en de middengroepen hebben het nakijken. 

Ondanks de politieke steun van de studentenpartijen D66 en GroenLinks is er voor dit schuldenstelsel geen draagvlak. De studentenorganisaties zijn woest. Thom de Graaf van de Vereniging Hogescholen heeft aangegeven dat dit geen oplossing is voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, met name niet voor die kwetsbare groepen. Daar zit voor het CDA ook de grootste pijn. In zeer veel onderzoeken, van het CPB, van het SCP, van de Vereniging Hogescholen en, onlangs weer, in opdracht van minister Blok, van ABF Research is voorgerekend dat 15.000 jongeren door dit schuldenstelsel niet zullen gaan studeren. 

Door de generieke hoge schuldenberg waar studenten mee worden geconfronteerd ontstaat er natuurlijk leenangst, met name bij de lagere-inkomensgroepen. Kinderen van ouders die zelf niet hebben gestudeerd, mbo'ers, zullen afzien van hun studie. 

De heer Klaver (GroenLinks):

De heer Rog is stevig en helder in zijn benadering. Hij neemt de partijen die deze deal hebben gesloten de maat. Hij vindt verandering niet goed. Er moet draagvlak zijn in de samenleving. Kan de heer Rog mij dan uitleggen waarom er in het programma van het CDA nog steeds een soort van langstudeerboete staat en waarom de ov-kaart wordt afgeschaft? Kan de heer Rog mij vertellen wat voor bezuinigingen dat in totaal met zich brengt? 

De heer Rog (CDA):

Daar ga ik graag op in. Ik heb bij meerdere gelegenheden hier aangegeven — ik geef meteen maar repliek op de opmerking van de heer Duisenberg in het interruptiedebatje zojuist — dat het CDA wel degelijk bereid is om te kijken naar een goed alternatief voor de langstudeermaatregel en dit leenstelsel. Een alternatief waar draagvlak voor is. Een alternatief waarmee we studenten inderdaad een duwtje in de rug geven en dat studiefinanciering, de maatschappelijke investering in de ontplooiing van hun talenten, afhankelijk maakt van het studierendement dat zij daarvoor leveren. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Dat is precies wat in het verkiezingsprogramma staat en in Keuzes in Kaart, namelijk dat het CDA een soort prestatiefinanciering wil. Als studenten niet snel genoeg studeren, krijgen ze een boete. Daarvoor staat 300 miljoen ingeboekt. Tegelijkertijd moet ook de ov-kaart veranderen. Daarvoor is 500 miljoen ingeboekt. Dat is toch een ombuiging van 800 miljoen? Dat is toch ongeveer hetzelfde bedrag als het bedrag dat in dit akkoord is afgesproken? 800 miljoen wordt omgebogen op de studiefinanciering. De heer Rog maakt een andere keuze. Hij doet het via een langstudeerboete. Hoe je het ook vormgeeft, het gaat bij deze afspraken toch om hetzelfde bedrag? Of zie ik dat totaal verkeerd? Ik wil graag de nuance bewaren in dit debat. 

De heer Rog (CDA):

Het is ook heel goed dat u dat doet. Ik kan die nuance ook aanbrengen. Het gaat bij de studiefinanciering precies zoals u zegt om een bedrag van 300 miljoen euro, en niet om 800 miljoen, zoals u per abuis net zei. Net als de regeringspartijen, had het CDA ook in zijn verkiezingsprogramma staan — dit is ook doorgerekend in Keuzes in Kaart — dat het een bezuiniging wilde realiseren op de ov-jaarkaart. Ik heb daar nimmer ondoorzichtig over gedaan. Die keuzes hebben wij inderdaad gemaakt. Ze wijken in zoverre af van de keuzes in uw leenstelselcoalitie dat wij ze koppelen aan het rendement van studeren en niet per definitie iedere student met een enorme schuld van €30.000 tot €35.000 opzadelen. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. 

De voorzitter:

U wilt iets verhelderen? 

De heer Klaver (GroenLinks):

Exact. De heer Rog stelt dat ik abuis was omdat ik het in het kader van de studiefinanciering had over 800 miljoen. Bij de langstudeerboete gaat het om 300 miljoen. Ik betrok de ov-kaart erbij. Dat leek mij een eerlijke vergelijking. Daarvoor is 500 miljoen als bezuiniging ingeboekt in het totale pakket. Dat bij elkaar is 800 miljoen. Dat is het enige dat ik wilde verhelderen. 

De heer Mohandis (PvdA):

De heer Rog wijst op de pijn bij het CDA over studenten behorend tot de lagere inkomensgroepen. 

De heer Rog (CDA):

En mbo'ers, zo heb ik uitdrukkelijk aangegeven. 

De heer Mohandis (PvdA):

Als u toegankelijkheid voor deze groep heel belangrijk vindt, waarom kiest u er dan voor om de ov-kaart af te schaffen? Vindt u de ov-kaart geen belangrijke vorm van toegankelijkheid? 

De heer Rog (CDA):

Net zoals de PvdA en de VVD waren overeengekomen in het regeerakkoord, had ook het CDA een bezuiniging op de ov-kaart staan. Wat dat betreft is er ten aanzien van het ov-recht geen verschil tussen het oorspronkelijke regeerakkoord en het CDA-standpunt. Wij wilden daarop inderdaad bezuinigen. Overigens gaat het om een bezuiniging waarvan de eerste 200 miljoen al gerealiseerd had kunnen worden door de minister nog eens naar de onderhandelingstafel terug te sturen. De heer Klaver heeft er uitgebreid over gerapporteerd in De Telegraaf. 

De heer Mohandis (PvdA):

De heer Rog beantwoordt mijn vraag niet. Hij hinkt op twee gedachten. Eerder in zijn betoog had hij het over een nivelleringsfeestje. Vervolgens had hij het over lagere inkomensgroepen. Mijn vraag is heel simpel. Mijnheer Rog, u kiest ervoor om de ov-kaart af te schaffen. U moet hier uitleggen waarom u dat geen belangrijke vorm van toegankelijkheid vindt, in plaats van de bal terug te spelen. Leg dat eens uit. Waarom vindt u de toegankelijkheid met betrekking tot de ov-kaart niet belangrijk voor de studenten uit deze lagere inkomensgroepen, die vaker thuis wonen? 

De heer Rog (CDA):

De heer Mohandis geeft geen blijk van begrijpend luisteren. Ik heb precies gezegd wat ik heb gezegd. Net als de regering was het CDA voornemens om 500 miljoen euro te bezuinigen op de ov-kaart. Dat betekent niet dat je hem afschaft. Met de heer Mohandis constateer ik dat daarvan 200 miljoen neutraal kan worden gerealiseerd met een ander, zelfs beter pakket. Dan zou er 300 miljoen euro overblijven aan extra bezuinigingen. Ik zeg het maar heel duidelijk, 300 miljoen euro bezuinigen op de ov-jaarkaart doet heel veel minder pijn voor studenten dan een studieschuld van €17.000 bovenop de bestaande €15.000. 

De heer Van Meenen (D66):

Het wordt mij nu even te veel. De heer Rog, die ik toch ken als een redelijke en verstandige man, zegt bij herhaling dat alle studenten schulden krijgen tussen €30.000 en €50.000. Nu zegt hij weer dat iedere student €17.000 extra schuld krijgt. Daarvoor haalt hij geen onderzoeken aan. Als het hem uitkomt, wordt het CPB geciteerd, maar het CPB heeft ook vastgesteld dat de gemiddelde toename van de schuld als gevolg van dit stelsel naar zijn verwachting €6.000 zal zijn. 

De voorzitter:

Wat is uw vraag? 

De heer Van Meenen (D66):

Hoe reageert de heer Rog daarop? 

De heer Rog (CDA):

Ik wil markeren dat dit een interessant moment in het debat is. De heer Van Meenen zegt dat het CPB heeft voorgerekend dat er voor bestaande studenten €6.000 extra schuld zal komen, bovenop €15.000, waardoor je op ruim €21.000 komt. Voor nieuwe studenten heeft het €6.000 tot €9.000 extra voorgerekend. Dat klopt; dat staat inderdaad in het CPB-onderzoek. Ik zeg dan tegen de heer Van Meenen: stop met het selectief shoppen. Ook tegen de minister zeg ik dat zij hierover eerlijk moet zijn. Als zij hieraan refereren, zullen zij ook moeten refereren aan het CPB, dat zegt dat iedere €1.000 extra studieschuld leidt tot 0,6% minder studenten. Dan kom je op een hoog aantal jongeren dat van een studie zal afzien. Het is dus van tweeën één. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb nog in het geheel niet geshopt in het onderzoek van het CPB en andere onderzoeken. De heer Rog is de enige die dat hier aanhaalt. Hij shopt zelf zeer selectief, zelfs buiten proportie. Daar zit mijn bezwaar in. Een van de problemen is dat wij de toekomst niet exact kennen. De heer Klaver heeft daar buitengewoon verstandige woorden over gesproken. De heer Rog doet het nu voorkomen alsof hij in de glazen bol van het CDA exact kan voorspellen hoeveel studenten er niet zullen gaan studeren. Hij maakt er met zijn tekst eigenlijk een selffulfilling prophecy van. Daar maak ik bezwaar tegen. Ik heb er geen vraag over, maar het valt me erg tegen. Als de heer Rog lid zou zijn geweest van de PVV of de SP, was het een ander verhaal. Dan had ik het hem allemaal niet kwalijk genomen, maar nu valt het me gewoon tegen. Dat moest ik even kwijt. 

De heer Rog (CDA):

Ik sta hier echt versteld van. D66 wil linksom of rechtsom meer geld voor onderwijs en het maakt de partij niet uit wat de effecten zijn. Maar ga mij er niet op aanspreken dat ik selectief zou shoppen uit rapporten. De rapporten van het CPB, SCP en onlangs weer van ABF Research geven allemaal aan dat er 10% minder jongeren zullen gaan studeren. Dat zijn de feiten. Als die feiten worden erkend, ben ik prima bereid om te erkennen dat de studieschuld door allerlei omgevingseffecten misschien tot €21.000 zal oplopen. Maar ga niet vertellen dat ik selectief shop. Dat is wat de minister doet, als zij vandaag op haar blog schrijft dat wij de onderzoeksrapporten niet mogen aanhalen omdat we dan leenangst aanjagen. Houd toch op. 

De heer Mohandis (PvdA):

Het verbaast me. De heer Rog citeert wel degelijk heel selectief uit allerlei rapporten. In het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau bijvoorbeeld staat iets over die groep mbo'ers. In dat rapport staat echter ook dat die groep de ov-kaart een belangrijk instrument voor de toegankelijkheid vindt. Waarom kijkt de heer Rog niet vanuit het voorstel, het akkoord, zoals het er nu ligt, om vervolgens naar die rapporten te redeneren? Hij pakt rapporten die gebaseerd zijn op een oudere situatie en refereert niet aan het huidige akkoord. Dat neem ik hem wel kwalijk; trek het dan iets breder. 

De heer Rog (CDA):

Sorry, voorzitter, ik hoor een hoop woorden maar geen vraag. Ik zou er ook niet eens een vraag uit kunnen destilleren. Als u het goed vindt, ga ik dus door met mijn betoog. 

De heer Mohandis (PvdA):

Het is makkelijk om een vraag niet te beantwoorden; dat deed de heer Rog zojuist ook al. Het gaat mij om het volgende. Neem bijvoorbeeld het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat stelt dat de ov-kaart door de groep studenten die welllicht erover twijfelden om te gaan studeren als ze de mbo-opleiding hebben afgerond, als een heel belangrijke maatregel voor de toegankelijkheid wordt ervaren. Dat noemt de heer Rog niet. Hij refereert aan allerlei percentages die gebaseerd zijn op de oude situatie. Er ligt nu echter een akkoord, en het zou de heer Rog sieren als hij alle cijfers die hij noemt relateert aan het akkoord dat wij hebben gesloten. Graag een reactie. 

De heer Rog (CDA):

Die reactie heb ik net al gegeven. Ik denk dat een nettobezuiniging van 300 miljoen euro op de ov-kaart zeer te prefereren is boven het leenstelsel met de studiebelasting die dit kabinet met GroenLinks en D66 is overeengekomen. 

Ik vervolg mijn betoog. De minister ontkent de uitkomsten van al die onderzoeken waaruit blijkt dat er steeds minder jongeren zullen gaan studeren. Sterker nog, zij beweert rustig dat iedereen er op vooruit zal gaan. Ik vraag de minister hoeveel studenten er straks zijn die meer studiefinanciering gaan krijgen en hoeveel studenten er minder studiefinanciering gaan krijgen. Wat verbetert er nou voor die mbo'er die afziet van een studie in het hoger onderwijs? Wat verbetert er voor een meerjarigemasterstudent? Wat verbetert er voor een student met een functiebeperking, die nu nog een extra jaar basisbeurs krijgt en straks wordt afgescheept met een fooi? Er komt extra geld voor hoger onderwijs, maar wat hebben de 15.000 jongeren hieraan die af zullen zien van een studie? Wat hebben die 40% hbo-bachelors eraan die zullen afzien van een master? Het lijkt erop dat deze leenstelselcoalitie meer oog heeft voor het creëren van extra geld dan dat zij aandacht heeft voor de studenten. 

Ik heb nog twee korte vragen. De minister vergelijkt in haar gewraakte blog deze ochtend de schuld van het leenstelsel met een krediet voor een nieuwe keuken. Ik vind het een absurde vergelijking, maar ik laat die bij de minister. Deelt de minister echter de opvatting van het CDA dat in dat geval het leenstelsel zou moeten vallen onder de Wet financieel toezicht? En wat betreft de ov-bezuiniging van 200 miljoen euro: wat is de reactie van de minister op de opmerking van hogeschoolbestuursleden, dat zij niet van zins zijn om hun colleges voortaan in de middag te laten plaatsvinden en niet meer gedurende de spits? 

De heer Mohandis (PvdA):

Voorzitter. Dit is een mooi akkoord tussen vier partijen: D66, GroenLinks, de VVD en de Partij van de Arbeid. Na goede gesprekken, veel vergelijken en veel uitzoekwerk zijn zij tot een mooi akkoord gekomen. Een akkoord waarmee geïnvesteerd wordt in onderwijs. Die investeringen zijn nodig, gelet op het laatste tevredenheidsonderzoek van de LSVb, waaruit bleek dat er behoefte is aan uitdagender onderwijs, meer aandacht, meer contacturen, betere docenten et cetera. 

Naast de investeringen wordt er in het akkoord gezorgd voor een toegankelijk stelsel, een eerlijker stelsel, een stelsel waarin de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. We behouden de aanvullende beurs niet alleen — iets waar ik trots op ben — maar we verhogen deze ook met €100 voor de lagere inkomensgroepen. Ik hoorde ook bij die jongeren uit een lagere sociaaleconomische klasse. Die jongeren wonen vaker thuis. Juist voor die groep is het van belang om de financiële middelen om te studeren te verhogen. 

Er zijn echter ook sociaal-culturele drempels die de toegang tot een studie beperken. Die drempels zijn er al in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs. Om sociaal-culturele drempels te kunnen nemen en het vanzelfsprekend te vinden om te studeren is louter het hebben van voldoende financiële middelen niet genoeg. Om dat te doen is veel meer nodig en daar hebben wij al vaker aandacht voor gevraagd. 

Een andere vorm van toegankelijkheid is de ov-kaart. Die kaart is voor mij sowieso een heel belangrijke maatregel. Nog belangrijker is echter de langgekoesterde, sociale wens om die ov-kaart uit te breiden. De SP haalde deze wens ook al aan, maar de Partij van de Arbeid heeft die nu mede kunnen realiseren door dit mooie akkoord. We hebben het kunnen realiseren voor al die minderjarige mbo'ers en voor al die ouders die deze jongeren financieel moeten helpen, omdat zij van hun woonplaats naar hun studieplaats moeten reizen. Ik ben er trots op dat die ov-kaart wordt uitgebreid. 

De heer Rog (CDA):

Die uitbreiding van de ov-kaart naar het mbo is een groot goed. Ik vind dat hartstikke mooi. Ook het CDA wilde laten onderzoeken of dit kon. Het is gelukt en zelfs kostenneutraal. Is de heer Mohandis het met mij eens dat, net als voor de extra democratisering op de hogescholen, deze uitbreiding van het ov-recht helemaal niet in samenhang hoeft te gaan met het leenstelsel? Dit hadden we toch ook kunnen doen zonder dat leenstelsel in te voeren? 

De heer Mohandis (PvdA):

Ik ben blij dat we niet alleen maar hebben gepraat over een leenstelsel. Wij zijn juist met z'n vieren gaan zitten omdat we echt iets willen met het onderwijs. Collega Duisenberg heeft daarnaar verwezen. Dan kijk je veel breder dan naar wat er nu ligt. Mijn fractie kon het al jarenlang niet uitleggen — daarom stond het vaak in onze verkiezingsprogramma's — dat mbo-minderjarigen die kaart niet hadden. Dat we hem nu regelen is ook een vorm van toegankelijkheid. Toegankelijkheid hoort bij deze discussie; daar hebben we al eerder een debatje over gevoerd. Daar draait het om: toegankelijkheid. Ook op het mbo zitten studenten. 

De heer Rog (CDA):

Het is dus duidelijk dat de PvdA erkent dat we die uitbreiding van het ov-recht hadden kunnen realiseren zonder dit leenstelsel. Uit een SCP-rapport blijkt dat het aantal mbo-studenten met 20% zal afnemen. Is de heer Mohandis het met mij eens dat door het leenstelsel sec de toegankelijkheid voor die mbo-studenten juist veel minder wordt? 

De heer Mohandis (PvdA):

Er is al eerder gedebatteerd over wat de werkelijke effecten zullen zijn. Niemand van ons kan in een glazen bol kijken. Ik ben ervan overtuigd dat we goed hebben gekeken naar toegankelijkheid. De aanvullende beurs wordt behouden en verhoogd voor bepaalde inkomensgroepen. Ik ben ervan overtuigd dat elke gemotiveerde student die wíl studeren, kán studeren. Dat past juist in het brede pakket van een mooi onderwijsakkoord — of hoe je het ook noemt — dat hier voorligt, ook als het gaat om het instemmingsrecht op de begroting, als u daarop doelt, en de ov-kaartuitbreiding. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

U roept steeds dat de aanvullende beurs omhoog gaat. Maar als u een eerlijk politicus wilt zijn, zegt u erbij dat u de basisbeurs weghaalt. Per saldo gaat die student er dus €180 op achteruit. Een uitwonende student verliest zijn basisbeurs en krijgt daar een iets hogere aanvullende beurs voor terug. Ik wil graag dat de heer Mohandis, die veel geeft om verheffing, reageert op dit bericht van studente Simone van der Beek: "Het is opeens een heel spannend jaar voor mij geworden. Ik doe nu mbo facilitair management en wil dolgraag doorstromen naar het hbo, maar zonder studiebeurs wordt dat te duur". 

De heer Mohandis (PvdA):

Uw eerste vraag ging vooral over de aanvullende beurs. Wij houden de aanvullende beurs overeind voor de lagere inkomensgroepen. Daar sta ik voor en dat is een heel belangrijke vorm van toegankelijkheid. Er waren partijen die sterk aandrongen op verhoging van de aanvullende beurs als de basisbeurs wegvalt. In goed overleg en in goede onderhandelingen zijn wij gekomen tot waartoe wij zijn gekomen. Daar ben ik trots op. Ik ken niet de exacte situatie waarop in de door u voorgelezen mail wordt ingegaan. Ik vind het lastig om precies te weten wie deze mevrouw is en wat haar situatie is, maar als degene die u heeft gemaild, bijvoorbeeld behoort tot een gezin met een lager inkomen, krijgt zij die aanvullende beurs, die wellicht hoger is. Ik ben ervan overtuigd dat het uiteindelijk een bewuste keuze moet zijn om verder te studeren. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

U blijft erop hameren dat de aanvullende beurs omhoog gaat, maar zeg daar dan bij dat de basisbeurs wegvalt en dat de student per saldo dus fors verliest. De minister draait daar eigenlijk al niet meer omheen. Zij zegt dat het helemaal niet zo erg is als die mbo'er niet naar het hbo wil, want we hebben genoeg studenten in het hoger onderwijs; ga nou gewoon werken, mbo-student; het is wel klaar met die verheffing. Deelt u die mening? Vindt ook u dat de mbo'ers gewoon niet door moeten studeren en legt u de mbo'ers dus een financiële drempel op? 

De heer Mohandis (PvdA):

Wij doen dit om een kwaliteitsverbetering te realiseren. Daar gaat het met het leenstelsel om: investeren en zorgen voor toegankelijkheid. De ov-kaart blijft overeind en de aanvullende beurs blijft een gift. Het zou u sieren als u ook dat uitspreekt. Ik ben ook eerlijk: ja, de basisbeurs komt te vervallen. Daarom hebben we er juist voor de lagere inkomens, waarbij het vaak gaat om thuiswonende studenten — ik heb zojuist gerefereerd aan mijzelf — alles aan gedaan om te proberen om dit voor die iets kwetsbaardere groepen te tackelen met het oog op het sociaal-cultureel besluit om wel of niet te gaan studeren. Dat is geen garantie, maar wij hebben er wel alles aan gedaan om dit probleem te tackelen voor deze groep, die naar mijn mening iets kwetsbaarder is, zeker als het gaat om een eventueel sociaal-cultureel bepaald besluit om wel of niet te gaan studeren. Dat is geen garantie, maar wij hebben wel alles gedaan om het pakket zo evenwichtig te maken dat iedereen die behoort tot de lagere-inkomensgroepen en gemotiveerd is om te studeren, ook kan studeren. Daar gaat het om. Zo-even werd het woord "verheffing" gebruikt. Daar sta ik voor. Daarom moeten wij alles doen aan een goede toegankelijkheid, maar mogen wij niet wegkijken van de noodzakelijke investeringen die nodig zijn in het hoger onderwijs. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het is mogelijk om te investeren in het hoger onderwijs zonder een leenstelsel in te voeren. Dat hebben wij gezien toen het Herfstakkoord werd gesloten, 600 miljoen. Wij hebben het ook laten zien in ons verkiezingsprogramma. 

De heer Mohandis heeft het steeds over de kwetsbare groepen die niet mogen lijden onder een verminderde toegankelijkheid. Inderdaad is de casus-Simone misschien lastig. Gisteren heeft de heer Mohandis echter een brief gekregen van de vereniging die opkomt voor de belangen van alleenstaande ouders. Die vereniging luidt de noodklok. Zij zegt dat het door dit stelsel voor jonge alleenstaande moeders nog moeilijker wordt om zorg en studie te combineren, waardoor zij van het volgen van een studie zullen afzien. Wij hebben gesproken over de jongeren in de bijstand die door de gemeente van het loket worden weggestuurd met de mededeling dat zij moeten gaan studeren. Is de heer Mohandis bereid om ervoor te zorgen dat bijvoorbeeld de eenoudertoeslag behouden blijft, waardoor kan worden bewerkstelligd dat straks de jonge alleenstaande ouders de kansen krijgen die wij ook de andere jongeren gunnen? 

De heer Mohandis (PvdA):

Graag wil ik een keer in discussie gaan met mevrouw Schouten over de wijze waarop het wetsvoorstel dat naar de Kamer zal komen precies zal worden ingevuld. Ik zal nog even ingaan op haar vraag over de e-mail die wij ontvangen hebben. Ik wil niet voorbijgaan aan de zorgen en de angst — dat zijn terechte gevoelens als je hoort dat de studiefinanciering wordt afgeschaft — maar in het verhaal miste ik de aanvullende beurs, die een gift blijft en die wellicht voor deze groep omhooggaat, afhankelijk van de achtergrond van betrokkenen. Mevrouw Schouten spreekt over jongeren die worden weggestuurd bij het gemeenteloket. Ik heb er veel gesproken. Tegen deze jongeren wordt gezegd dat zij maar moeten gaan studeren, maar het probleem is dat de prikkel om dat te doen afwezig is, omdat zij niet worden gestimuleerd door hun omgeving. Dat heeft niets te maken met een financiële prikkel. Juist deze groep behoudt de aanvullende beurs. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik denk nu zwaar na over de redenering van de heer Mohandis, want die klopt voor geen meter. Hij zegt dat de jongeren geen prikkel hebben om te gaan studeren, maar dat zij straks wel de aanvullende beurs houden. Zij worden weggestuurd door de gemeente met de boodschap om te gaan studeren. Er is geen werk voor hen, zij krijgen geen uitkering meer en straks hebben zij een lening aan hun broek. 

Wij kunnen de contouren meegeven voor het wetsvoorstel over de eenoudertoeslag. Ik constateer dat de PvdA niet aan deze groep heeft gedacht. Als de PvdA steeds zegt ervoor te staan dat het hoger onderwijs voor iedereen toegankelijk moet zijn, dan pleit ik ervoor om die toeslag te behouden. Ik hoop dat ook de heer Mohandis die boodschap aan de minister wil geven. 

De heer Mohandis (PvdA):

Ik kom nog even terug op het eerste punt van mevrouw Schouten over de jongeren die worden weggestuurd bij het gemeenteloket. Ik ben zelf zeven jaar gemeenteraadslid geweest in Gouda en heb mij daar met het jeugdbeleid beziggehouden. De meeste van deze jongeren worden vaak en soms terecht weggestuurd omdat men die niet nu al in een uitkering wil hebben. Zij komen vaak weer in het mbo terecht. Voor het mbo verandert er niets. Dat is een belangrijke constatering, want mevrouw Schouten refereert al meteen aan het nieuwe stelsel. Wat het punt van de eenoudertoeslag betreft: ik wacht het wetsvoorstel af. Ik denk echter dat er een evenwichtig akkoord ligt. 

De heer Beertema (PVV):

De heer Van Dijk van de SP raakte zojuist aan een heel belangrijk punt. De mbo'ers voelen zich nu bezwaard om door te stromen naar het hbo. De minister heeft eerder laten vallen dat dit niet zo heel erg is, omdat de toestroom van de mbo'ers naar het hbo lastig is — de kennisachterstand speelt hierbij een rol — en het mbo toch mooi eindonderwijs is. Wij hebben daar weleens een debat over gehad. Deelt de heer Mohandis de conclusie van de minister dat het eigenlijk een bijkomend voordeel is als er wat minder mbo'ers naar het hbo gaan? 

De heer Mohandis (PvdA):

Als er mbo'ers zijn die gemotiveerd zijn om te studeren en dat niet gaan doen, zou ik die conclusie niet willen delen. Kijkend ook naar datgene wat er nu ligt, denk ik echt dat de mbo'er — ik heb zelf ook mbo gedaan — vaker de afweging gaat maken om wel of niet te studeren. Als je omgeving je daarin niet stimuleert, is het niet vanzelfsprekend, maar als die motivatie er is en je weet wat je te wachten staat als het gaat om het leenstelsel, dan ben ik ervan overtuigd dat we hier iets hebben liggen waarin dat probleem niet behoeft voor te komen. 

De heer Beertema (PVV):

Want die aanvullende beurs doet allemaal wonderen ... 

De heer Mohandis (PvdA):

Dit is echt belangrijk … 

De voorzitter:

Nee, mijnheer Beertema heeft het woord. 

De heer Beertema (PVV):

Ik denk dat we het er allemaal in dit huis over eens zijn dat het mbo veel meer gezien zou moeten worden als prachtig eindonderwijs, als het dat inderdaad ook een keertje wordt, want dat is het nog lang niet. Maar bij die doorgang naar de middenklasse gaan natuurlijk ongelukken gebeuren, ondanks uw juichverhalen over de aanvullende beurs. Wat gaat u nu doen met de mensen die net op of boven die €40.000 zitten, die lagere middenklasse die door hard werk eindelijk daar gekomen is en nu door u weer gestraft gaat worden doordat ze verwezen wordt naar het leenstelsel? Wat gaat u tegen die mensen zeggen? Horen die ook niet meer bij de PvdA thuis? 

De heer Mohandis (PvdA):

Zeker wel. Iedereen die ons een warm hart toedraagt, zal ons ook blijven steunen met dit stelsel. Het is echt mijn intentie geweest om iets voor elkaar te krijgen waarbij ik kan zeggen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. U veronderstelt in uw betoog dat mbo'ers niet zouden horen tot die middenklasse. Ook dat is natuurlijk niet helemaal waar. Als men straks een X-bedrag gaat verdienen — u refereerde aan €40.000 — dan zijn er lagere maandlasten omdat de aflosperiode langer wordt. Je betaalt pas vanaf het wettelijk minimumloon. Dus met al die sociale waarborgen ben ik ervan overtuigd dat elke gemotiveerde student, ook die van het mbo, die graag wil studeren, ook kan studeren. 

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat met uw betoog. 

De heer Mohandis (PvdA):

Er zijn nog heel wat punten die ik wilde maken, maar die zijn bij de interrupties al aan de orde geweest. Ik wilde nog aanstippen welke sociale randvoorwaarden wij overeengekomen zijn, maar die kunnen alle collega's ook oplepelen uit het akkoord. 

Voorzitter. Hiermee hebben we mijns inziens een eerlijk en evenwichtig akkoord dat iedereen die wil studeren de mogelijkheid geeft om te gaan studeren. Deze balans hebben we gevonden tussen toegankelijkheid van het onderwijs en investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Ga eens kijken op een hogeschool. Dan zie je dat het echt noodzakelijk is om stappen te gaan zetten. En dat is goed, want alleen zo komen we tot het beste onderwijs waar iedere student van kan profiteren. 

Ten slotte heb ik nog een korte vraag aan de minister. Kan zij al aangeven wanneer de Kamer het wetsvoorstel kan verwachten? Ik wens haar verder succes met het maken van dat wetsvoorstel. 

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Allereerst mijn verontschuldigen aan de studenten op het Plein zo-even. Ik zat in een hoorzitting van de commissie ICT met de heer Eurlings te spreken, dus vandaar dat ik er niet bij kon zijn. Het is echt waar; het is ook na te zien op YouTube. 

Vorig jaar maakte D66 650 miljoen per jaar vrij voor beter onderwijs, extra geld voor de basisscholen, voor het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs en ook voor het hoger onderwijs. En nu sluit D66 opnieuw een akkoord voor een forse investering in de kwaliteit van onderwijs en daar ben ik blij mee. Deze afspraken zorgen namelijk voor extra geld voor beter onderwijs, een bedrag dat oploopt tot uiteindelijk ongeveer 1 miljard per jaar, meer inspraak voor studenten en docenten via het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting waarmee we waarborgen dat het ook in kwaliteit gestopt wordt, en een betere ov-kaart die we zelfs uitbreiden naar de minderjarige mbo-studenten. De belangrijkste eisen van D66 vooraf blijven overeind. De opbrengsten gaan naar het hoger onderwijs, het hoger onderwijs blijft voor iedereen toegankelijk en studenten krijgen ruim de tijd om in een verantwoord tempo hun lening af te lossen. Gemiddeld zijn ze maar 1% van hun inkomen hieraan kwijt en nooit meer dan 4%. De afbetaling begint pas boven het niveau van het wettelijk minimumloon. Nu al ben je tot 12% van je inkomen kwijt boven een niveau van 84% van het wettelijk minimumloon, wat de bijstandsnorm is. 

Laten wij ook niet vergeten dat dit pakket bij uitstek sociaal is. De aanvullende beurs gaat omhoog voor studenten die het van huis uit niet breed hebben, mensen hoeven pas terug te betalen vanaf minimumloonniveau en niet zoals nu vanaf bijstandsniveau en — heel belangrijk voor D66 en anderen — de bezuiniging op de studiefinanciering voor studenten met onvindbare of weigerachtige ouders wordt teruggedraaid. Zij houden dus het recht op een aanvullende beurs. 

De heer Rog (CDA):

Studenten met weigerachtige ouders krijgen nu gewoon een beurs. Als u geen akkoord had gesloten, was er niets veranderd. Als u democratisering in het onderwijs had gewild, had u dat kunnen regelen. Dat geldt voor heel veel zaken waar u nu mee komt. U koppelt dat alleen … De heer Van Meenen, moet ik zeggen, voorzitter, koppelt dat alleen aan een leenstelsel. Dat is helemaal niet nodig. Dat leenstelsel zorgt voor 15.000 jongeren die niet gaan studeren. Wat hebben die jongeren aan dit leenstelsel dat hij per se door wil drukken? 

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb net al gerefereerd aan glazen bollen en dergelijke. Dat ga ik niet herhalen. Ik wil de heer Rog toch wel duidelijk maken dat als je in deze Kamer iets wilt bereiken, bijvoorbeeld het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting waar ik vanaf dag 1 in de Kamer voor gestreden heb, je daarvoor ook een keer het moment zoeken. Dat lukt je niet door het alleen in deze Kamer te roepen. Het is jammer dat het CDA in de afgelopen anderhalf jaar nooit de gelegenheid heeft genomen om voorstellen beter te maken of om de eigen ideeën uit te voeren. Ik ben alleen maar bezig, mijnheer Rog, met de uitvoering van ons verkiezingsprogramma. Daar staat gewoon in wat wij willen. Dat heb ik nu bereikt. Daar ben ik trots op en dat is iets wat u niet kunt zeggen. 

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Rog. 

De heer Rog (CDA):

Inderdaad, ik draag geen verantwoordelijkheid voor dit leenstelsel. De heer Van Meenen kan echter niet ontkennen dat de mbo-kaart en de democratisering van het onderwijs ook mogelijk waren geweest zonder het leenstelsel. Mijn vraag aan de heer Van Meenen is de volgende. Hij liep hier te hoop toen het vorige kabinet de langstudeermaatregel introduceerde. Het huis was te klein, het was de olifant door de porseleinkast en er zou met een bazooka worden gericht op studenten. Het ging echter alleen om studenten die langer studeerden dan nominaal, die in het vijfde of zesde jaar €3.000 schuld zouden opbouwen. Waarom komt de heer Van Meenen nu met een schuld voor alle studenten, dus generiek, van €17.000 extra als zij nominaal plus één studeren? Is dat dan geen grove maatregel? 

De heer Van Meenen (D66):

Het probleem met de langstudeermaatregel was vooral gelegen in het feit dat deze onverhoeds werd ingevoerd en direct studenten trof die daar op geen enkele manier op vooruit hadden kunnen lopen. Dat is een groot verschil met dit stelsel. De huidige studenten worden er niet door getroffen. Naar de masterstudenten loopt nog een onderzoek, zoals al eerder is gezegd. Wij zullen zien wat daaruit komt. De minister heeft direct bij de persconferentie al gezegd dat als er maatregelen nodig zijn, deze overwogen worden. Alles is dus nog mogelijk. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Studenten die nu al begonnen zijn aan een studie, lopen wel degelijk het risico dat zij de klappen ervan mogen verwerken en dat tijdens het spel de spelregels veranderd worden. Het verbaast mij dat D66 … 

De heer Van Meenen (D66):

Namelijk? 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Neem de masterstudenten, over wie de heer Van Meenen zelf zegt dat er nog een onderzoek loopt en dat wij het wel zien. Er is toch geen enkele garantie dat dit wordt opgelost? Mijn vraag sluit aan op dat waarover CDA, ChristenUnie en SP ook al vragen hebben gesteld. Er zijn zoveel mogelijkheden geweest voor D66 om de veranderingen die zij wilde door te voeren zonder dit leenstelsel door te voeren, wat is daarin overwegend geweest? Is de visie van D66 op onderwijs dan echt definitief veranderd in "studenten moeten bouwstenen zijn voor onze economie en een investering, klaar" of is het zucht naar macht? Wat is het? 

De heer Van Meenen (D66):

Geen van beide. Het leenstelsel staat gewoon als punt in ons verkiezingsprogramma, net als het instemmingsrecht. Wij hebben het leenstelsel niet moeten accepteren om daarvoor iets anders terug te krijgen. Nee, het staat gewoon in ons verkiezingsprogramma. Mevrouw Ouwehand kent dat en zij weet dat. Waarom staat het daarin? Om investeringen in onderwijs mogelijk te maken. Dat is de reden waarom het nodig is. Het is ook de enige rechtvaardiging voor deze stelselwijziging. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar gaat mijn vraag dus over. Wat is daarvoor de diepere motivering? D66 vond dat minister Plasterk, die destijds overwoog om een leenstelsel in te voeren, de problemen in het onderwijs niet mocht oplossen door studenten te pakken. D66 doet dit nu wel en schrijft dit keurig in zijn verkiezingsprogramma. Wat is er veranderd in de fundamentele kijk van D66 op onderwijs en de rol die de overheid daarin speelt? Kan de heer Van Meenen dat hier toelichten? Ik ben namelijk van mening dat dit de VVD-agenda is en dat D66 graag de VVD-kiezers zijn kant op wil krijgen. 

De heer Van Meenen (D66):

Mevrouw Ouwehand geeft er een enorme swing aan, maar er is helemaal niets veranderd in de agenda van D66. Die agenda behelst namelijk het volop investeren in de kwaliteit van onderwijs. Dat is voor iedereen van het hoogste belang. Dat geldt voor studenten die nu studeren, maar voor de groep jongeren die ik links op de publieke tribune zie, is het nog het allerbelangrijkst dat de kwaliteit van onderwijs verder wordt verbeterd. Dat is in hun belang en in het belang van ons land. Elke onderwijseuro die niet wordt besteed aan de kwaliteit van onderwijs, is in feite een niet goed bestede euro. Daarom kijken wij ook naar dit soort wijzigingen. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik geef een kleine correctie op de inbreng van de heer Van Meenen. Het was niet alleen D66 dat 650 miljoen had vrijgemaakt, maar dat even terzijde. 

De heer Van Meenen (D66):

Nee, maar het gebeurde wel op ons voorstel. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het is een gezamenlijk akkoord, denk ik, maar ik ga die discussie hier niet voeren, wel die over de investeringen. Wij kennen D66 als een partij die grote waarde hecht aan de investeringen in het hoger onderwijs. Als de heer Van Meenen bekijkt waar al dat geld voor die investeringen vandaan gaat komen, onderkent hij dan ook dat in ieder geval 600 miljoen al het koekje van eigen deeg is vanuit de instellingen zelf? Het is geld dat ze niet extra krijgen, maar dat ze zelf reserveren voor extra investeringen. Onderkent hij ook dat de Vereniging Hogescholen, met een voor de heer Van Meenen bekende voorzitter, in haar brief constateert dat er in 2019 netto nog maar 5 miljoen aan extra investeringen overblijft? Daarmee moet de D66-fractie toch niet tevreden kunnen zijn? 

De heer Van Meenen (D66):

Wij zijn ook nog helemaal niet tevreden. Wij willen nog veel meer investeren in onderwijs, als mevrouw Schouten dat bedoelt. De 600 miljoen die de instellingen investeren, bestaat in de eerste drie jaar vanaf 2015 uit telkens 200 miljoen, omdat wij willen dat ook de studenten die nu studeren al profiteren van deze wijziging. Die afspraak is met de hogescholen en de universiteiten gemaakt, waardoor ook de zittende studenten al meeprofiteren van een verbetering van de kwaliteit. Daarmee ben ik heel blij, want de opbrengst van een leenstelsel laat nu eenmaal per definitie lang op zich wachten. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Mijn punt is dat de Vereniging Hogescholen zegt dat het de eerste jaren de hogescholen zijn die investeren en niet het Rijk. De vereniging ziet vervolgens in het meerjarenperspectief een probleem ontstaan. De heer Van Meenen kan dan toch niet zeggen dat dit een fantastische investering van een 1 miljard is? Dan is het toch vooral een probleem dat straks bij de instellingen gaat ontstaan? 

De heer Van Meenen (D66):

Ik respecteer zeer de brief van de hogescholen. Ook hier geldt dat niemand de toekomst kan voorspellen, maar financieel gezien kan dat wel. Ook de hogescholen zullen zien dat de opbrengst uiteindelijk oploopt tot vrijwel 1 miljard structureel per jaar. Daarvan zullen ook de hogescholen in de toekomst profiteren. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Aldus de heer Van Meenen van de onderwijspartij, maar nu even niet. Laten we er de weg-met-studentenpartij van maken. Ik herinner mij de heer Pechtold die zei: een leenstelsel mag best, maar dan moet er fors geïnvesteerd worden in hoger onderwijs. Nou, mevrouw Schouten heeft daarnet al uitgelegd dat dat bar tegenvalt. 

Mijn vraag gaat over die bachelorstudenten. Er was daarnet verwarring. De heer Van Meenen sprak over onderzoek voor bètastudenten, voor meerjarige masters. Dat klopt, daar wordt nog naar gekeken. Maar mij gaat het om de zittende bachelorstudent die een volwaardige bachelor-masterstudie had gepland, maar nu dankzij D66 in 2015 wordt geconfronteerd met het schuldenstelsel. Is dat geen onbehoorlijk bestuur? 

De heer Van Meenen (D66):

Nee, dat is het niet. Ook voor die studenten geldt dat hun diploma hen een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt geeft. Ook zij zullen daarvan profiteren. Ook zij zullen profiteren van de verbetering van het onderwijs. Het moet mij van het hart dat de woorden van de SP, de partij die nu zegt op te komen voor de belangen van de studenten, in een schril contrast staan met haar voornemen om een miljard sec op onderwijs te bezuinigen. Geen euro erbij. Dat is de agenda van de SP. Dat mag hier in dit huis ook weleens een keer gezegd worden. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

De SP bezuinigt fors op management en bureaucratie. D66 bezuinigt op studenten. Het antwoord vind ik behoorlijk zwak. De heer Van Meenen zegt dat de huidige bachelorstudent blij moet zijn met zijn bachelordiploma. Waar is de ambitie, mijnheer Van Meenen? De kenniseconomie wordt door D66 altijd bejubeld. Een bachelorstudent in Delft die de ambitie heeft om een masterstudie te volgen, wordt genadeloos door de heer Van Meenens partij gepakt. Hij wordt niet ontzien. Het is mogelijk om voor deze studenten een uitzondering te maken en het leenstelsel later in te voeren. Nee, zittende studenten worden gepakt en dat is onbehoorlijk bestuur. 

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb geen vraag gehoord. Terugkomend op die managers, dat debat hebben wij vaker gevoerd, maar het kan niet vaak genoeg gedaan worden. Er wordt in totaal 1,9 miljard door de SP bezuinigd. Een deel daarvan wordt teruggesluisd, maar per saldo blijft er een bezuiniging van 800 miljoen over. Dat is ongeveer het bedrag dat wij juist willen investeren. Zo'n wijziging als deze breng je uiteindelijk aan om in de toekomst, ook in de verdere toekomst, te investeren in de kwaliteit van onderwijs. Dat is waar wij voor staan. 

Al met al is het een mooi pakket, waar D66 trots op is. Het betekent dat wij een enorme kwaliteitsslag in het hoger onderwijs kunnen maken. Er komen meer docenten voor kleinschaliger onderwijs. Er komt meer ruimte voor maatwerk. Er komen moderne en ruime faciliteiten. Geen 20 afstudeerders op 1 begeleider. Geen studentassistenten maar docenten voor de collegezaal. Geen twee weken wachten op een afspraak met de studiebegeleider, maar ruimte en budget om het beste onderwijs aan onze studenten te kunnen geven. 

De afgelopen jaren is er veel debat geweest over het hervormen van de studiefinanciering. De basisbeurs wordt een lening in plaats van een gift, maar dit geld investeren wij voor 100% in studenten, omdat wij geloven dat deze investering de beste investering voor hen en voor ons land is, omdat wij geloven dat je meer hebt aan een waardevoller diploma dat jou het beste biedt, aan een investering die zich in de toekomst dubbel en dwars zal terugverdienen. 

Ik heb mijn hele leven tot nu toe, de afgelopen 35 jaar, besteed aan kansen voor kinderen. Ik heb dat in het onderwijs gedaan en doe dat nu in de politiek. Ik zou mijn handtekening nooit onder een akkoord gezet hebben als ik er niet heilig van overtuigd was dat de kansen van jonge mensen hierdoor verbeteren. Ik heb het dan ook over de kinderen op de publieke tribune. Ga studeren! Laat je geen leenangst aanpraten! Luister goed naar de docenten die je dat gaan vertellen en laat je niet gek maken door de politiek! Ik heb nog 17 seconden om mijn hart uit te storten. Ik maak mij echt zorgen om het beeld dat de politiek hier af en toe creëert. Het is en blijft echt van het grootste belang dat jongeren gaan studeren, dat zij investeren in zichzelf en dat ook deze samenleving dat doet. En dat doen wij met dit akkoord. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik zou daaraan nog willen toevoegen: … en dat je niet meer D66 stemt als een goed onderwijssysteem je wat waard is. 

Youp van 't Hek zei in 1984 al: "lenen lenen, betalen betalen". Het eerste wat onze kinderen in het hbo en wo gaan leren, is dat het maken van schulden vanzelfsprekend wordt gevonden door een overheid die zelf zodanig in de schulden zit, dat fatsoenlijk kosteloos onderwijs er niet meer in zit. Een "sociaal leenstelsel" is exact het soort begrip waardoor kiezers zich in de steek gelaten voelen door de politiek. Natuurlijk kun je op iets wat asociaal is een sticker plakken alsof het wel sociaal zou zijn, maar ook in dit geval is dat niet meer dan een vlag om een zeer bedenkelijke lading te dekken. Sociaal leenstelsel klinkt net zo mooi als diervriendelijk vlees, maar allebei bestaan niet. Hoe biologisch de kalkoen ook heeft geleefd, dood wilde hij niet. Hoe sociaal de student ook heeft geleend, het blijft een molensteen totdat hij moet nadenken over de vraag hoe hij zijn eigen kinderen kan laten studeren. 

De Partij voor de Dieren vindt dat iedereen recht heeft op onderwijs en dat studeren voor iedereen betaalbaar moet zijn. Veel jongeren uit arme en modale gezinnen zullen er, met een immense studieschuld in het vooruitzicht, eerder voor kiezen om na de middelbare school niet verder te leren. Wij vinden dat het recht op onderwijs niet mag verworden tot iets wat afhankelijk is van de portemonnee van de ouders. Een systeem waarmee de sociale ongelijkheid wordt vergroot, is geen sociaal systeem, maar een asociaal systeem dat wij niet zullen steunen. 

Er zijn al veel interruptiedebatjes geweest over de waanzinnige uitspraken die in dit kader zijn gedaan. Ik wil graag naar een meer fundamentele vraag. Toegankelijk onderwijs heeft een waarde in zichzelf. Wij vinden dat de overheid moet staan voor de intrinsieke waarde van onderwijs, dat voor iedereen toegankelijk is, juist ook voor de mensen die opgroeien in een omgeving waarin studeren niet vanzelfsprekend wordt gevonden. De overheid moet dus extra inspanningen doen om juist deze groep uit te nodigen en te faciliteren om die stap wel te maken. De verbetering van de toegankelijkheid van het onderwijs was al een opdracht aan ons allen. Het invoeren van een leenstelsel helpt daar niet bij, ook al zitten er een paar kraaltjes in het pakket om het gehele pakket te kunnen verkopen. Als wij op de VVD-manier naar onderwijs kijken, raken wij fundamentele waarden zoals ruimte om te studeren, ruimte om jezelf te ontwikkelen en ruimte om een fout te maken, want ook dat hoort bij het leven, wel kwijt. Het is kil rendementsdenken geworden: studeren is een systeem van input en output en de output moet wel bijdragen aan onze economie, alstublieft. Dan kom je terecht in versimpelde modellen, want in een systeem van input en output kun je nu eenmaal niet alle waarden vangen. Onderwijs wordt zo steeds verder gedegradeerd tot een plat instrument. Dat zou de verklaring kunnen zijn voor de handtekening van de zelfverklaarde onderwijspartijen D66 en GroenLinks: een verschuiving in de motivatie voor hun steun aan het onderwijs. Die lijkt te verschuiven van een visie op de intrinsieke waarde, het belang van de samenleving dat daarmee wordt gediend, naar een instrumentele visie. Leren zul je, lenen zul je en leveren zul je. Onderwijs als dienend instrument voor onze economie in plaats van intrinsiek waardevol in de samenleving, in het leven van mensen zelf, in hun eigen ontwikkeling, zowel persoonlijk als de ontwikkeling van de samenleving als geheel. Die laat zich niet verknippen tot een simpele som van contacturen plus arbeidsmarktgericht aanbod plus ambitie is rendement. 

Burgers, en ook jonge burgers, zijn meer dan bouwstenen voor onze economie. Het is de Partij voor de Dieren een lief ding waard als wij de kern van de waarde van het onderwijs weer centraal stellen en afstand nemen van het totaal rendementsgericht denken over onderwijs. 

De voorzitter:

Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. 

De vergadering wordt van 12.13 uur tot 12.20 uur geschorst. 

Voorzitter: Bosma

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Het is goed om vandaag met elkaar van gedachten te kunnen wisselen over het akkoord dat VVD, PvdA, D66 en GroenLinks met het kabinet hebben gesloten over de verandering van de studiefinanciering. Het is ook goed dat dit op korte termijn kan gebeuren. Sinds wij dat akkoord vorige week hebben gepresenteerd, heeft zich ook in de media een uitgebreid debat ontwikkeld, waarin heel veel verschillende perspectieven naar voren zijn gekomen. Gelukkig maar. Steun, nuancering, maar ook kritiek. Die kritiek begrijp ik ook, zeker als die van studenten komt. Ik snap dat het nooit leuk is als een geliefd onderdeel van de studiefinanciering verdwijnt. Dat is voor hen natuurlijk vervelend, maar het is wel nodig. Het is ook goed verdedigbaar, daarvan ben ik overtuigd. 

Ons voorstel komt niet uit de lucht vallen, maar is een logische stap in een debat dat al veel langer wordt gevoerd dan de afgelopen dagen. Het was er al ten tijde van de invoering van de prestatiebeurs in 1994. Toen werd al door een aantal Kamerleden — ik noem de leden Poppe van de SP en Rabbae van GroenLinks — gepleit voor een alternatief in de vorm van een academicibelasting, een studietaks. We hadden de commissie-Hermans in 1997 met De kost gaat voor de kennis uit, en de commissie-Vermeend in 2003 met Leren investeren, investeren in leren. We hadden de LSVb, die samen met de Kamerleden Van Dam van de PvdA en Vendrik van GroenLinks in 2003 een pleidooi voor een studietaks en een academicibelasting hielden. 

In de vorige periode hadden we, het is gememoreerd, VVD, CDA en PVV die niet alleen de langstudeermaatregel, maar ook een leenstelsel in de masterfase wilden. In de afgelopen campagne bleek dat vier partijen, namelijk VVD, PvdA, D66 en GroenLinks, een variant van een leenstelsel in het verkiezingsprogramma hadden staan. Deze partijen doen naar mijn idee dus ook niet iets heel raars. Ze voeren hun verkiezingsprogramma uit. Dat lijkt mij vanuit parlementair oogpunt een goed streven. 

De geschiedenis is dus lang. Als er dan grootscheepse maatregelen zijn zoals ook in dit akkoord, moet je niet over één nacht ijs gaan. Dat hebben we dan ook niet gedaan. De lange geschiedenis heeft echter ook een keerzijde, want in het debat van nu worden alle argumenten van toen weer uit de kast gehaald en afgestoft. Soms worden ze ook geplakt op oude ideeën en eerdere varianten, terwijl ik denk dat dit akkoord echt verbeterd en evenwichtig is. We moeten oppassen met al te snel conclusies trekken die niet passen bij dit akkoord. 

Dit is een akkoord over het afschaffen van de basisbeurs, laat ik daar helder over zijn, maar het is een akkoord over veel meer. Het is een akkoord van partijen die willen investeren in het hoger onderwijs, in ons menselijk kapitaal. Ze willen bouwen aan de toekomst, met het beste onderwijs dat er te krijgen is, zonder te tornen aan de toegankelijkheid. Het is een akkoord dat gaat over een ambitieuze onderwijsagenda, door investeringen die oplopen tot 1 miljard en zo de uitvoering van de agenda Veerman mogelijk maken. Een akkoord over excellentietrajecten, innovatieve onderwijsvormen en internationale studiekansen, over het belang van bildung. Het is ook een akkoord over het leven lang leren, met vouchers en collegegeldkrediet. Ik ben het niet eens met de heer Rog, die daar een andere benaming aan gaf. 

Het akkoord gaat over nieuwe kansen voor de 30-, 40- en 50-plussers die zich willen blijven ontwikkelen en die mee willen blijven doen op de arbeidsmarkt, die hun handen uit de mouwen willen steken. Het is een akkoord voor de doorstromers, voor de kinderen die niet direct aan het hoger onderwijs denken, omdat hun omgeving dat niet gewend is en ze misschien ook niet aanmoedigt, maar die wel via het mbo in het hoger onderwijs terecht kunnen komen. Zij kunnen dat ook blijven doen, via stapelen en schakelen. Het is het akkoord van een echt soepele terugbetalingstermijn en van de hogere aanvullende beurs voor de lage inkomens. Het is een akkoord dat gaat over de inspraak van studenten, over hun mobiele ontwikkeling en over stagekansen voor mbo'ers. 

Het is dus wat mij betreft een akkoord van vandaag en een akkoord voor de toekomst. Een akkoord dat ervoor zorgt dat eigenlijk de hele maatschappij erop vooruitgaat. De heer Rog vroeg daarnaar, want in een interview heb ik ergens gezegd dat iedereen erop vooruitgaat. Ik bedoelde daarmee dat het onderwijs erop vooruitgaat en dat het onderwijs van ons allemaal is. Ik heb erkend, dat zeg ik ook eerlijk, dat het natuurlijk niet leuk is voor studenten als de basisbeurs verdwijnt. Dat is echter wel alleszins redelijk en ze krijgen er ook veel voor terug. 

De voorzitter:

Een aantal leden wil interrumperen en daar wil ik even iets over zeggen. De leden hebben nog twee interrupties per persoon over. Dat is niet zo heel erg veel, dus zij moeten daar zuinig mee zijn. Verder heb ik begrepen dat we om 13:30 uur met dit debat klaar moeten zijn. Aangezien de regering net is begonnen met de beantwoording, gaan we dus ergens een probleem krijgen. We zien wel waar dat is. Ik wijs erop dat het klokje van gehoorzaamheid tikt omdat de minister weg moet. 

Ik geef de heer Van Dijk gelegenheid tot interrumperen. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik stel voor dat we de tweede termijn dan zo rond 2016 doen. 

De voorzitter:

Dat zal ik in stemming brengen. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Uitstekend. Voorzitter, de minister deed twee omstreden uitspraken waarvan ik het waarheidsgehalte in twijfel trek. Ten eerste zei ze dat iedereen erop vooruit zal gaan; daar ging zij zelf al op in. Dat trek ik in twijfel. Ten tweede zei de minister in de inleiding: we gaan niet tornen aan de toegankelijkheid. De minister kan dat helemaal niet zo stellig zeggen. Er zijn heel veel onderzoeken in omloop en daar hebben wij al over gediscussieerd. De een zegt dat een op de tien studenten zal afzien van verder studeren, de ander zegt dat het er meer zullen zijn, weer een ander zegt dat het er nog minder zullen zijn. De minister kent hen waarschijnlijk. Zij kan echter niet zo hard zeggen: we tornen niet aan de toegankelijkheid. Ik heb de reactie van een student voorgelezen aan de heer Mohandis: zonder studiebeurs wordt verder studeren te duur. Dat is een mbo-student die door wil gaan naar het hbo. Erkent de minister dat zij de stelling dat niet wordt getornd aan de toegankelijkheid niet hard kan maken? 

Minister Bussemaker:

Ik heb net al gezegd dat het een evenwichtig pakket aan maatregelen is. We hebben maatregelen toegevoegd om het afschaffen van de basisbeurs te compenseren, met name voor de groep studenten met ouders met lage inkomens, om te garanderen dat zij ook kunnen blijven studeren. Daarbovenop doen we met schakel- en doorstroomprogramma's van alles om mbo'ers te laten doorstromen naar het hbo en hbo'ers te laten doorstromen naar het wo. Ik denk dus dat het alles bij elkaar een evenwichtig programma is. Het is een programma van maatregelen. Ik ben niet op voorhand bang dat de toegankelijkheid in het geding is. 

Er moet echter wel goede voorlichting worden gegeven. Ik constateer namelijk ook, en daar kom ik straks uitgebreider op terug, dat er heel veel mensen zijn die denken dat zij straks geen beurs meer krijgen of enorm veel moeten gaan betalen; zij denken dat ze nu alles krijgen maar straks alles moeten lenen. Niks is minder waar. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik krijg een heel lange reactie maar geen antwoord op mijn vraag. De minister stelde in haar inleiding dat ze niet tornt aan de toegankelijkheid. Ik heb gevraagd of zij dat hard kan maken. Mijn stelling is dat zij dit niet hard kan maken als er ook maar één student zegt: door dit schuldenstelsel ga ik niet meer studeren. Per saldo beperkt zij daarmee de toegankelijkheid. Erkent de minister dat of gaat zij door met deze demagogie? 

Minister Bussemaker:

Ik heb net al gezegd dat dit maatregelen zijn op macroniveau. Als er één student niet gaat studeren, dan hoor ik graag waarom hij niet gaat studeren. Natuurlijk kan er altijd één student zijn die zegt: ik doe het nu niet. Misschien heeft die student echter andere perspectieven. Misschien heeft hij daarvoor goede redenen. Misschien moet hij beter voorgelicht worden. Het gaat om het feit dat we een investering in onderwijs mogelijk maken waar uiteindelijk nieuwe generaties, de samenleving, van profiteren. 

De heer Rog (CDA):

Het is goed dat de minister ruiterlijk toegeeft dat zij een onjuiste uitspraak heeft gedaan toen zij zei dat iedereen erop vooruit zou gaan met dit schuldenstelsel. Dat is goed. Ik had echter ook verwacht dat de minister haar excuses zou maken voor haar weblog van vanochtend, waarin zij schreef dat partijen als het CDA aan bangmakerij doen in relatie tot de toegankelijkheid van het onderwijs. Uit alle rapporten die in de Kamer beland zijn, waarover niet is gesproken omdat debatten werden geblokkeerd door de PvdA en de VVD, komt glashelder naar voren dat ongeveer 10% van de jongeren zal afzien van een studie, met name in het mbo en met name jongeren uit de lagere inkomensgroepen. Is de minister het met mij eens en gaat zij alsnog dat excuus maken? 

Minister Bussemaker:

Nee, dat ga ik niet doen. Laat ik dan maar gelijk over de toegankelijkheid beginnen. Ik vind het heel belangrijk dat we de juiste feiten gebruiken. De heer Klaver zei het net duidelijk en terecht: we weten nooit precies hoeveel studenten gedragseffecten zullen vertonen. Er zullen altijd studenten zijn — de heer Rog had het over één student — die misschien een andere conclusie trekken. De vraag is wat je op grond van alle onderzoeken redelijkerwijs mag verwachten dat er gaat gebeuren. Ik constateer dat hier soms heel grote cijfers worden gebruikt en ik vind dat gevaarlijk. De heer Rog sprak zelf over een uitval van 15.000 tot 20.000 en een studieschuld van €30.000 tot €50.000. Ik constateer dat dit niet van toepassing kan zijn op het huidige akkoord en dat dit ook niet kan worden geconcludeerd op basis van de aanwezige onderzoeken. Wij hebben er veel. We hebben CHEPS, het CPB, het SCP en het CBS en die hebben we allemaal goed geanalyseerd. Daaruit kun je constateren dat een deel van die cijfers echt niet klopt met de feiten. Ik geef een voorbeeld. De uitspraak dat 40% van de hbo'ers geen master zou volgen, komt uit een onderzoek van Kences. Ik ken dat onderzoek goed. Daarin is niet gevraagd of deze hbo'ers nu al een master zouden overwegen. Deze vraag is relevant, want slechts een op de tien hbo'ers doet nu een master. Die hoge score is voor mij dus geen verrassing. 

Dan is er de bewering dat 10% van de jongeren niet gaat studeren bij invoering van een leenstelsel. Ik heb die even nagezocht. Die komt uit het SCP-rapport De sociale staat van Nederland 2013. Daarin staat dat de studenten bij het vervallen van de basisbeurs naar verwachting niet zullen afzien van een studie in het hoger onderwijs. Dat geldt natuurlijk met name ook voor de studenten van havo en vwo. Dit strookt ook met alle andere onderzoeken die ik heb laten uitvoeren. Die onderzoeken laten zien dat studenten in onverminderde aantallen blijven studeren, dat we niet tornen aan de toegankelijkheid van het onderwijs en dat eventuele veranderingen in de deelnamepatronen zich na een à twee jaar weer herstellen. Dus hoeveel studenten een ander besluit zullen nemen, kunnen we nooit tot op het detailniveau van één student afstemmen. Wij kunnen wel redelijkerwijs op grond van de maatregelen die we nemen, verwachten wat de gedragseffecten op macroniveau zijn. Als ik daarnaar kijk, dan kan ik maar één ding concluderen. De maatregelen die wij hebben genomen, zorgen ervoor dat de toegankelijkheid in zijn algemeenheid geborgd is, dat studenten kunnen doorstuderen en dat de kwaliteit van het onderwijs kan worden verbeterd door de extra investeringen. Wij moeten elkaar dus niet aanpraten dat studenten met torenhoge schulden van €50.000 zouden komen te zitten. We moeten niet, omdat in één onderzoek een bepaalde veronderstelling is gedaan en daaruit naar voren kwam dat 10% van de studenten onder die veronderstelling zou stoppen, dat hier heel groot presenteren. 

De heer Rog (CDA):

Het is duidelijk dat de onderzoeksresultaten de minister niet zinnen en dat zij liever had gezien dat die anders waren. Ook uit onderzoek dat onlangs is uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van haar collega Blok blijkt dat er sprake zal zijn van 10% minder studenten. Dat geldt ook voor het CPB en het SCP. De minister kan dat hier wegredeneren en gaan goochelen met cijfers, maar zo is de werkelijkheid niet. Ik neem haar dat kwalijk. Zij zet een groep mensen weg die daar serieus onderzoek naar hebben gedaan. Omdat de resultaten haar kennelijk niet bevallen, redeneert zij dat weg. Ik vind dit echt onbehoorlijk en ook ongelooflijk. Eerlijk gezegd ben ik een beetje sprakeloos van de reactie van de minister. 

Minister Bussemaker:

Ik nodig de heer Rog graag uit om nog eens bij mijn departement langs te komen en om al die onderzoeken met hem door te nemen. Als wij het hebben over leenangst, over leenaversie, dan moeten wij daar wel helder over zijn. Dan moeten wij wel over de feiten blijven praten in het belang van de studenten, die wij goed moeten voorlichten. Nogmaals, aan die feiten kun je andere politieke conclusies verbinden. Natuurlijk. Maar laten we wel de feiten uit die onderzoeken laten spreken. Ik herhaal ze met alle liefde nog een keer. In het CHEPS-onderzoek staat dat deelname aan het hoger onderwijs heel weinig prijsgevoelig is en dat traditionele deelnamepatronen zich na een à twee jaar herstellen. Dat leren we ook uit andere landen. In het SCP-onderzoek zeggen maar heel weinig respondenten zich door een leenstelsel te laten weerhouden van een studie. Dat geldt ook voor scholieren uit gezinnen met lage inkomens. Alle havisten en vwo'ers geven aan door te gaan. Er is, stelt het SCP, alleen kans op enige uitval onder stapelaars uit het mbo. Laten we daar nu net extra maatregelen voor genomen hebben. Het CPB heeft op basis van een rekenregel — daar valt best wel iets op af te dingen — geconstateerd dat in totaal iets van 2.500 jongeren per jaar minder zouden kunnen gaan studeren. Dat is gebaseerd op het oude voorstel. Ook het CPB heeft geen rekening gehouden met de verandering. Het CBS constateert dat uit de hoogste inkomensgroepen jongeren nu al doorstromen en waar dit niet gebeurt, de verschillen eigenlijk al in het po en in het vo naar voren komen. Bij de overstap naar het hoger onderwijs zijn de verschillen kleiner. Dit zijn belangrijke onderzoeksinstellingen waar ik mij op baseer. 

We hebben deze discussie vorig jaar al met elkaar gehad en volgens mij met elkaar geconstateerd dat we alles wat we kunnen doen aan onderzoek hebben gedaan. We blijven het volgen, conform de motie-Slob. We moeten echter wel redelijk blijven in wat we kunnen verwachten en over wat de onderzoeken aangeven. We moeten vooral niet de onderzoeken misbruiken om nieuwe generaties bang te maken. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben ook een beetje verbijsterd over het gemak waarmee de minister risico's wil gaan lopen met de toegang tot het onderwijs. Ik viel ook een beetje over de manier waarop zij spreekt over het afschaffen van de basisbeurs. Ze zei: dat is niet leuk voor studenten. Ik vraag me af of de minister hiermee duidelijk wil maken dat, zoals de VVD het in haar termijn bracht, de basisbeurs als een extraatje werd gezien, terwijl die met goede reden in het leven is geroepen, namelijk om studenten de gelegenheid te geven om los van de druk van bijbaantjes of nu een lening, ruimte voor zichzelf te creëren om te studeren en voor hun eigen ontwikkeling. Doet de minister dit nu echt af als "dat was een aardigheid, en is het is niet leuk als je dat verliest"? Of is zij nog wel bereid om te erkennen dat wij hier een grote verworvenheid loslaten? 

Minister Bussemaker:

Ik doe het niet af als een aardigheidje; dan had ik dat wel gezegd. Ik ben eerlijk tegen aankomend studenten, scholieren. Als er iets verdwijnt waar je eerder recht op had, wordt dat meestal niet als iets heel positiefs gezien. Dus heb ik gezegd: maar het is wel alleszins redelijk. Er staat ook veel tegenover. Het is dus in balans. Ik heb ook niet voor niets gewezen op de langdurige geschiedenis die eraan vooraf is gegaan. We hebben geconstateerd dat het stelsel rechtvaardiger en doelmatiger kan. Verschillende woordvoerders hebben daar ook aan gerefereerd. We kunnen het geld dan meer uitgeven aan wat we willen, namelijk aan onderwijs. Want ik vind het wel zorgelijk dat we van de 7 miljard die we hebben voor hoger onderwijs 3 miljard aan studiefinanciering uitgeven en 4 miljard aan onderwijs. Wat we doen is ervoor zorgen dat iedereen kan studeren, met garanties om de toegankelijkheid te borgen, met een langere aflossingstermijn, met een percentage van je inkomen waarmee je moet afbetalen. Studenten gaan er daarmee allemaal op vooruit. Daarmee kunnen we het onderwijs voor iedereen beter maken. Dát is zeker geen kleinigheidje, maar een heel belangrijk winstpunt voor alle toekomstige studenten. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dit antwoord stelt me toch niet gerust, want nu doet de minister het weer. Zij doet alsof studiefinanciering een belachelijk idee was, want die steek je niet in de docent die voor de collegezaal staat. Het stelsel is juist in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat studenten ruimte hebben om de kwaliteit van onderwijs die hun wordt geboden, ook te kunnen verwerken en zichzelf te ontwikkelen en echt iets met hun studie te doen, zonder drie avonden in de week in de kroeg te hoeven werken of een schuld op de hals te halen. Rationeel bezien — wat levert het me op? —wil je zo'n schuld zo klein mogelijk houden. Ik ben echt verbaasd dat de minister dit zo laatdunkend afdoet, als zou het de stomste fout zijn die we in de geschiedenis van het onderwijs in Nederland hadden kunnen maken. 

Minister Bussemaker:

Mevrouw Ouwehand legt me woorden in de mond die ik helemaal niet heb uitgesproken. Ze doet het ook nog eens voorkomen alsof er nu een basisbeurs is die genoeg is om van te leven. Die zou worden afgeschaft zonder dat daar iets voor in de plaats komt. Dat klopt niet. Nu stelt de overheid per student een bedrag beschikbaar voor levensonderhoud. Daarvan is een deel een gift, dat weten we allemaal: €280 voor uitwonenden en €100 voor thuiswonenden. De rest bestaat uit de ouderlijke bedrage, een aanvullende beurs of een eigen investering van de student via spaargeld, een lening of werken. Dat bedraagt zo'n 45%. Het enige dat we nu doen, is een deel van de basisbeurs, uiteindelijk 28% van het geheel dat studenten nu krijgen, omzetten in een lening. In aanvulling daarop zorgen we ervoor dat die lening toegankelijker wordt. De terugbetaaltermijn wordt verlengd en het maximumpercentage van het inkomen dat moet worden terugbetaald wordt verlaagd van 12 naar 4. Dat maakt het uiteindelijk allemaal makkelijker voor de afgestudeerde om de lening af te betalen. Daardoor kunnen we investeren in onderwijs en daarmee ook in toekomstige generaties. En ja, inderdaad, studeren is investeren in jezelf. Misschien is het ook wel de investering met het best denkbare rendement dat er is. 

Er bestaat blijkbaar een misverstand dat mbo's ook onder het leenstelsel of het studievoorschot zouden vallen. Dat is niet waar, de basisbeurs voor mbo'ers blijft gewoon bestaan. Sterker nog, de minderjarige mbo'ers krijgen er een ov-kaart bij, zoals al werd gezegd. De studenten uit de lagere inkomensgroepen krijgen voor hun huidige beurs een hogere aanvullende beurs terug, met ongeveer €100 extra voor de laagste inkomensgroepen. Dus kan de rest van de studenten blijven lenen. Men heeft voldoende inkomen om te kunnen studeren en zich daarnaast op tal van andere terreinen te kunnen ontwikkelen. Ik verwees net niet voor niks naar het thema Bildung. 

De heer Rog, de heer Van Dijk en mevrouw Schouten vroegen specifieke aandacht voor mbo'ers. Ik denk dat het wel terecht is om daarvoor specifiek de aandacht te vragen. Ik verwijs naar de verschillende onderzoeken, in het bijzonder het SCP-onderzoek. Daaruit blijkt dat voor een beperkte groep wellicht een andere afweging moet worden gemaakt. We moeten ervoor zorgen, vandaar die aanvullende beurs en schakel- en doorstroomprogramma's, dat mbo'ers die dat kunnen en willen, door kunnen blijven stromen. Het is niet zo, zoals ik mevrouw Schouten hoorde zeggen, dat 20% van de mbo'ers dan zou afzien van een hbo-opleiding. Wat zegt het SCP? Dat er een beperkte groep is die misschien niet gaat studeren. Men zegt er ook bij dat mbo'ers andere mogelijkheden hebben. Ze kunnen namelijk gaan werken. Ze hebben een afgeronde opleiding en daarmee een startkwalificatie. Voor hen is de arbeidsmarkt ook aantrekkelijk. Bovendien, en ik vind dat van belang, kunnen mbo'ers later ook op een andere manier naar het hbo, bijvoorbeeld doordat we ondertussen de 2-jarige hbo-opleiding associate degree hebben en we het collegeldkrediet ook voor mbo'ers gaan verruimen. Dat zijn allemaal manier om ook voor mbo'ers doorstroom mogelijk te maken. 

Ik neem dan ook ver afstand van de heer Van Dijk als hij zegt dat ik zou menen dat mbo'ers niet meer moeten doorstuderen, of dat het genoeg is geweest met de doorstroom. Ik heb alleen gezegd dat ik niet de indruk wil wekken dat je pas een goede opleiding hebt als je minimaal een hbo-opleiding hebt. Dat is echt een verkeerd beeld. Ik wil ook proberen — dat is echter een ander verhaal — te laten zien dat je juist ook in het mbo excellent vakmanschap kunt ontwikkelen en dat dat niet alleen via het hoger onderwijs hoeft. Maar voor de jongeren die dat kunnen en willen, moeten we altijd de mogelijkheid behouden om dat te doen. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nu was de minister bijna eerlijk, maar toch weer niet. In mijn handen houd ik een opinieartikel uit januari 2014 waarin staat: "Zonde voor arbeidsmarkt als mbo'ers doorstuderen". Dat was getekend minister Bussemaker. Dat is het eerlijke verhaal van de Partij van de Arbeid. Het is klaar met die verheffing; de minister wil niet meer dat mbo'ers naar het hbo gaan. Minister, houd dus geen praatjes dat de toegankelijkheid in stand blijft et cetera. U bent er klaar mee, u wilt liever dat mbo'ers gaan werken in plaats van studeren. Maar zeg daar dan eerlijk bij dat het is afgelopen met die verheffing, en dat u dat doet door middel van het opwerpen van een financiële drempel in plaats van inhoudelijke eisen. 

Minister Bussemaker:

De heer Van Dijk geeft mijn woorden totaal verkeerd weer, en dat weet hij. Ik neem afstand van een rendementsstreven om minimaal 40% of 50% van de mensen per se in het hoger onderwijs te krijgen; volgens mij zou de SP dat moeten aanspreken. Ik wil dat mensen met een afgeronde mbo-opleiding zich gewaardeerd voelen. Inderdaad, we hebben die mensen nodig. De tekorten in heel veel sectoren, zoals de techniek, zijn in het mbo veel groter dan in het hbo en het wo. We moeten ervoor zorgen dat we het voor mensen, dus ook mbo'ers, aantrekkelijk maken om de arbeidsmarkt te kunnen betreden. Als ze willen, kunnen ze direct of veelal later — ik merk bij mbo'ers namelijk dat ze liever eerst aan de slag gaan — de stap naar een vervolgopleiding maken. Dat moeten we faciliteren, en dat is precies wat wij doen. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Maar minister, geef dat dan toe. Geef toe dat u klaar bent met de verheffing; dat u tegen mbo'ers zegt: ga niet naar het hbo, ga gewoon werken. Geef toe dat u studeren duurder, ontoegankelijker maakt, en dat u het moeilijker maakt voor mbo'ers om naar het hbo te gaan. Geef dan ook toe dat de Partij van de Arbeid niet meer de partij van de verheffing maar de partij van de tweedeling is, en dat voor haar voortaan geldt: wie rijk is, mag slim zijn. 

Minister Bussemaker:

Nee, voorzitter, ik zou tegen de heer Van Dijk willen zeggen: uw partij zou juist aandacht voor het vakmanschap van mbo'ers moeten hebben. Wat ik niet wil, is dat studenten het gevoel hebben dat zij er eigenlijk alleen maar toe doen als zij een hbo-diploma hebben. We weten ook hoeveel mbo'ers al in het eerste jaar uitvallen. Dat is frustrerend. We moeten ze er goed op voorbereiden. We moeten ze goed laten weten wat het betekent om een opleiding in het hoger onderwijs te volgen. We moeten ze echter ook het gevoel geven dat ze ook kunnen doorleren als ze een andere keuze maken en eerst aan de slag willen. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

De minister gaf net aan dat er in het SCP-onderzoek staat dat er een grote hobbel is voor mbo-studenten, maar dat het percentage van 20 daar niet in staat. Dat staat op pagina 40. 

Minister Bussemaker:

Nee, dat heb ik niet gezegd. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Oké. Maar de minister bagatelliseerde dat wel. Op pagina 40 van het onderzoek De studie waard van het SCP staat het volgende: "Mbo-studenten lijken volgens het onderzoek anders te reageren op de studiefinancieringsplannen van het kabinet dan havo- en vwo-scholieren. Van de groep mbo-studenten verwacht 20% niet meer te gaan doorstromen of studeren. Ouders van mbo-studenten geven ook vaker aan dat zij niet bereid zijn bij te dragen aan de studiekosten van hun kind, met als de meest genoemde reden dat zij daarvoor een te laag inkomen hebben". Dit is gewoon een objectief onderzoek. Ik heb het niet uitgevoerd; dat heeft het SCP gedaan. Het moet de minister toch angst aanjagen als kansrijke mbo-studenten met ouders met een laag inkomen overwegen om niet door te stromen vanwege de kosten. 

Minister Bussemaker:

Daarom heb ik die groep ook zelf benoemd en heb ik een onderscheid gemaakt tussen havisten/vwo'ers en mbo'ers. Daarom hebben we in het akkoord ook extra maatregelen voor mbo'ers opgenomen om die toegankelijkheid te borgen. Daarom staat er in het akkoord ook heel helder dat wij ervoor gaan zorgen dat schakelen, doorstromen en studiesucces hoog op de agenda komen. Daar gaan wij voorlichting over geven, en daarom gaan wij in het vo en het mbo de onderwijs- en loopbaanoriëntatie verbeteren. Wij gaan daar met de instellingen afspraken over maken. Daarom is het van groot belang dat we dat ook goed gaan doen. Dat moeten we nog wel uitwerken. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

In het SCP-onderzoek stond niet dat de schakelprogramma's, de aansluiting en de extra mogelijkheden voor aansluiting de bottleneck waren. In het rapport gaat het over het inkomen van de ouders en de angst om te lenen. Dat zijn de feiten. Ik snap best dat de minister van alles wil doen om dat doorstromen makkelijker te maken, maar straks gaan we het doorstromen makkelijker maken voor een groep die besluit om helemaal niet meer door te stromen. Daarmee gooien we het kind met het badwater weg. 

Minister Bussemaker:

Ik verval in herhaling. Laat ik dan zeggen wat we nog meer gaan doen. We zorgen ervoor dat de aanvullende beurs voor die groep studenten omhoog gaat, dat er goede voorlichting gegeven zal worden en dat mbo-studenten weten waar ze aan toe zijn wanneer ze gaan studeren. Het wordt voor hen inderdaad ook aantrekkelijk gemaakt om een andere keuze te maken, bijvoorbeeld om te gaan werken en vanuit die positie door te groeien. Bij die 20% zitten namelijk ook veel studenten die uiteindelijk de keuze maken om de arbeidsmarkt op te gaan. Daar is niks mis mee, zolang het een bewuste en afgeronde keuze is. De les die ik daar echter wel uit trek, is dat we in het bijzonder bij mbo'ers de voorlichting zullen moeten intensiveren, om ervoor te zorgen dat ze geen onterechte leenaversie ontwikkelen. We doen er alles aan om juist bij die groep goede voorlichting te geven. Zij moeten weten waar zij aan toe zijn en wat de gevolgen zijn van hun keuze, wat betreft hun inkomen op termijn en hun afbetalingsregime en wat betreft de inhoudelijke verwachtingen van wat een hbo-opleiding van hen vraagt. Ik vind het net zo frustrerend dat van het aantal mbo'ers die doorgaan, 20% in het eerste jaar uitvalt en niet meer terugkomt. Ook dat is een probleem. 

Op het gebied van de toegankelijkheid zijn nog een paar vragen gesteld, die ik nu wil beantwoorden. De SP en het CDA noemden het aspect van de functiebeperking. Deze fracties zeiden dat studenten met een functiebeperking nog maar €1.200 krijgen als zij afstuderen en dat zou veel minder zijn dan het ene jaar stufi dat zij voorheen kregen. Volgens mij is die interpretatie van de voorgestelde maatregel echter niet geheel juist. Aan alle bestaande maatregelen voor studenten met een functiebeperking voegen we alleen een nieuwe maatregel toe, omdat wij die studenten aanvullend tegemoet willen komen ten opzichte van de studenten zonder functiebeperking. De groep met een functiebeperking krijgt kwijtschelding van €1.200 schuld in het geval van het vertraagd behalen van een diploma. Dat bedrag is gelijk aan wat zij als beurs zouden krijgen wanneer zij thuis zouden wonen. Alle voorzieningen die nu in de wet staan voor studenten met een functiebeperking, blijven daarnaast ook bestaan. Denk daarbij aan aanvulling van de diplomatermijn. Denk aan de kwijtschelding van de prestatiebeurs, die onder andere betrekking heeft op de ov-kaart. Sommige van die voorzieningen krijgen dus weliswaar minder impact, omdat de basisbeurs er geen onderdeel meer van zal zijn, maar daar hebben we nu die kwijtschelding van €1.200 voor opgenomen. Dat is inderdaad anders dan niet thuis wonen, zoals mevrouw Schouten zei. Dit geldt echter voor alle studenten. Het lijkt mij dan niet terecht daar een onderscheid in aan te brengen. 

Mevrouw Schouten zei dat het voor studerende moeders niet meer aantrekkelijk wordt om te studeren. Ik zou echt niet weten waarom. Voor alle studenten wordt de terugbetaaltermijn flink verlengd. Er hoeft pas afbetaald te worden vanaf 100% WML in plaats van vanaf 84% WML. Er komt een aanvullende beurs voor lagere inkomens die hoger is dan nu het geval is. Dat zijn allemaal maatregelen waar alleenstaande ouders van profiteren. Daarbovenop blijft, anders dan mevrouw Schouten suggereerde, de eenoudertoeslag gewoon bestaan. Die wordt niet afgeschaft. Ook aan die groep hebben we dus goed gedacht. Daarnaast zijn er, dankzij de overige kindregelingen die worden hervormd, ook voor alleenstaande moeders en ouders inkomensvoorzieningen waardoor ze goed rond kunnen komen tijdens hun studie. Ik zie die zorg dus vooralsnog niet. 

Verschillende fracties hebben hun zorg geuit over de meerjarige masters. Die studenten maken inderdaad langer gebruik van hoger onderwijs. Zij doen daar een jaar of soms nog langer over. Daar staan dus ook hogere kosten tegenover. Laat ik allereerst opmerken dat de overheid dus ook langer in deze studenten investeert. De overheid blijft ook nu €6.500 per jaar per student investeren en investeert dus meer in deze groep. De studenten investeren zelf ook langer. Ook voor hen geldt dat ze kunnen profiteren van het voordelige afbetalingsregime. Of het nodig is om voor deze groep studenten toch nog extra maatregelen te nemen via de studiefinanciering, is nog een vraag. Zo hebben we het ook in het akkoord opgenomen. Dat verkennen we nog; we hebben er nog geen definitief standpunt over ingenomen. Ik zal de Kamer te zijner tijd informeren over de uitkomst van die verkenning. In dit kader hebben de heer Klaver en de heer Rog gevraagd naar de relatie met wat gemeenten zouden doen. De gemeenten krijgen namelijk een grote verantwoordelijkheid voor de bijstand en dat zou kunnen betekenen dat zij tegen jongeren gaan zeggen dat zij maar moeten gaan studeren in plaats van bijstand aan hen te geven. Dat is een terechte en goede vraag. Ik zeg eerlijk dat ik daar niet direct een antwoord op heb. Gisteren of vandaag zag ik dit ook in een krant langskomen. Daar moet ik mij echt even op beraden en ik moet daar ook met collega's over overleggen, want dit ligt zowel bij SZW als bij BZK. Ik ga bekijken wat de gevolgen kunnen zijn. Over de uitkomsten van dat overleg zal ik de Kamer nader informeren. 

Er zijn ook vragen gesteld over schulden en terugbetaling. Ik heb daar al het nodige over gezegd. Ook op dat punt wil ik angstbeelden wegnemen, want ik heb gehoord dat schulden van €40.000 worden gepresenteerd als een realistisch toekomstbeeld. Die verhalen herken ik niet. Ook op dit punt moeten we zorgvuldig zijn en moeten we aankomende studenten geen leenangst aanpraten. Want wat zijn de feiten? Laten we allereerst vaststellen dat een derde van het aantal studenten de studie afmaakt zonder schuld. De gemiddelde schuld van studenten die wel lenen, bedraagt €15.000. Dat zijn de feiten die we nu kennen; dat is zeker. We weten niet wat er precies gaat gebeuren na invoering van een nieuw stelsel. Het CDA zei dat de schuld zal gaan naar €30.000 tot €50.000 en dat de schuld met €17.000 zal toenemen. Ook de ChristenUnie had het over €30.000. Op grond van de verwachtingen voorspelt het CPB dat de gemiddelde extra schuld als gevolg van het invoeren van het studievoorschot €6.000 zou bedragen. Daarbij hoort een maandlast van €22, uitgaande van een rente van 2,5% en dus niet van de huidige zeer lage rente van 0,8%. Ik denk dat we met die gegevens kunnen constateren dat iedereen kan lenen; inderdaad, ook de zoon van de bakker. 

Zelfs als we een minder optimistisch scenario hanteren en ervan uitgaan dat het hele bedrag van de basisbeurs wordt geleend — daar gaat het CPB niet van uit, want dat denkt dat er gemiddeld €6.000 bij komt en dat het gemiddelde bedrag dus uitkomt op €21.000 — is er sprake van een extra schuld van €9.000. Daarbij hoort een extra maandlast van €32. Hierbij is gerekend met een rente van 2,5%. Dat bedrag wordt niet rücksichtslos geïnd, zonder rekening te houden met het bedrag dat iemand kan betalen. Nogmaals, je hoeft pas te betalen als je een inkomen gelijk aan of hoger dan het minimumloon verdient. Terecht zei de heer Klaver dat cijfers relatief zijn en dat gedragseffecten tot op zekere hoogte onzeker zijn, maar wat wij weten, is naar mijn mening niet alleen aannemelijk, maar ook te verantwoorden. Daarom moeten wij voorzichtig zijn met het vertellen van al te grote verhalen. Ik hoor bijvoorbeeld dat schulden in geval van werkloosheid of pensionering terugbetaald zouden moeten worden, en dat sommige mensen door de verlenging van de terugbetaaltermijn hun hele leven aan een studieschuld zouden vastzitten en zelfs als zij AOW ontvangen nog moeten afbetalen. Daarvan is niets waar. Na 35 jaar is het afgelopen en je moet alleen betalen als je voldoende inkomen hebt. 

De heer Rog (CDA):

Het is niet goed gesteld met ons rekenonderwijs, daarom zal ik de minister helpen door toe te lichten hoe er een schuld van €17.000 ontstaat. De basisbeurs voor uitwonenden bedraagt €280 per maand. Dit bedrag keer 12, keer 5 — de gemiddelde studieduur — leidt tot een bedrag van €16.800. Ik rond dit bedrag even af op €17.000 schuld. Daar komt de huidige schuld van €15.000 bovenop, wat de totale schuld op €32.000 brengt. Daarbovenop komt voor de meerjarige masters nog één of twee jaar een jaarlijkse schuld van €3.000. Dan kom ik uit op een bedrag van €40.000. Dit is een reële schuld voor de gewone student uit een normaal gezin uit de middengroepen. 

Minister Bussemaker:

Het lijkt mij goed dat wij ons baseren op de gegevens waarover wij beschikken. Ik baseer mij op de gegevens van het CPB, omdat ik geen betere gegevens heb, en op gemiddelden. De heer Rog doet nu het omgekeerde. Hij maakt een rekensom voor één individueel geval en die presenteert hij vervolgens als een gemiddelde. Dat verhoudt zich niet tot de huidige situatie. Voor het vijfde jaar van de studie ontvangt men ook nu geen beurs. Het is dus niet juist om te doen of dat allemaal anders wordt. De heer Rog gaat uit van een uitwonende student, maar niet alle studenten zijn uitwonend. Ik spreek over de gemiddelden die wij zien. Wij moeten inderdaad constateren dat wij geen betere gegevens hebben dan die van het CPB. Het CPB verwacht dat de gemiddelde studieschuld met €6.000 omhoog zal gaan, van €15.000 naar €21.000. 

De heer Rog (CDA):

Ik heb de minister willen helpen door haar duidelijk te maken dat het niet zo gek is dat een jongere met ouders die een gewoon middeninkomen hebben, uitkomt op een extra schuld van €17.000 en met een totale schuld wordt geconfronteerd van €30.000 tot €40.000. Dat is heel normaal; daar hoef je niets geks voor te doen. Dat is het gevolg van dit beleid. De minister beperkt zich vervolgens selectief tot de gegevens van het CPB. Het CPB spreekt over een schuld van €21.000, maar ik vraag de minister om dan ook te erkennen dat het CPB zegt dat er bij iedere €1.000 extra schuld sprake zal zijn van 0,6% extra uitval. Wellicht is het bedrag anders dan €15.000, maar de minister kan, gewoon op basis van de cijfers van het veelgeroemde CPB, toch niet volhouden dat er geen grote uitval zal zijn en er niet heel veel minder jongeren zullen gaan studeren in het hoger onderwijs? 

Minister Bussemaker:

In het CPB-onderzoek gaat men uit van veronderstellingen, gebaseerd op gegevens uit de Verenigde Staten, niet rekening houdend met alle sociale voorwaarden die in het akkoord zitten, en komt men dan tot de conclusie dat er wellicht 2.500 studenten per jaar minder zullen komen. Het is maar helemaal de vraag of dat inderdaad klopt en, zo ja, waarom dat zo is. Ik heb zojuist bewust een voorbeeld gebruikt dat niet het meest voordelig is. Ik ben uitgegaan van 2,5% rente en niet van 0,8%. Ook ben ik uitgegaan van een extra studieschuld van €9.000, als het gehele bedrag van de basisbeurs wordt geleend. Dan kom ik nog steeds uit op een extra maandlast van €32. Ik vind dat we daar ook reëel over moeten zijn. Dat is de rekensom die ik maak. Ik geef toe dat het een individueel geval is. In z'n totaliteit moet ik het over gemiddelden hebben en dan kom ik bij dat bedrag van €21.000. 

Laten we ook vaststellen dat lenen van de overheid niet eng is. Ook daar hebben we met elkaar een verantwoordelijkheid om die boodschap helder over te brengen. Het lenen voor een huis vinden we in Nederland allemaal normaal; daar hoor je niemand over. Ik denk dat het lenen voor een studie ook al steeds gewoner is geworden; de afgelopen decennia wordt ook al geleend. Het is dus niet iets totaal nieuws wat we invoeren. Een heel groot deel van de studenten, twee derde deel, leent al. Misschien dat we het over tien jaar helemaal normaal vinden. Kijk ook naar de andere landen waar een leenstelsel is ingevoerd. Daar gaat het eigenlijk vrij rustig en vanzelfsprekend. 

Ik maak dat verschil omdat de terugbetaalregelingen bij de overheid echt anders zijn vergeleken met een consumptief krediet of een hypotheek. Mocht je inkomen niet toereikend zijn, dan behoef je niet je hele lening terug te betalen. Met een inkomen onder het minimumloon betaal je niets terug. Over alles wat je meer verdient dan het minimumloon betaal je maximaal 4%. Ik geef nog maar een keer aan dat dit een wezenlijk verschil is met de huidige situatie waarin je 12% moet afbetalen. Gemiddeld lost de student 1% van zijn inkomen af. Mocht je als oud-student boven dit alles geen baan vinden, werkloos raken of niet veel verdienen, dan wordt het restant van de studieschuld na 35 jaar kwijtgescholden. Studenten zijn dus verzekerd en met de nieuwe terugbetaalvoorwaarden is leenangst absoluut niet nodig. 

Dat moeten we dan dus wel goed gaan uitleggen met elkaar. Het is van het allergrootste belang om daarmee vroeg te beginnen. Ik kan alleen maar de woorden van de heer Van Meenen herhalen die hij via u, voorzitter, richting de studenten sprak: laat je niet gek maken en weet dat het een investering in jezelf is als je een studievoorschot krijgt, en weet dat je dat onder sociale voorwaarden kunt aflossen en dat je het ook heel snel kunt terugbetalen. Volgens mij krijgen we daar vandaag via de Rekenkamer interessante voorbeelden van. Het betekent wel dat we fors zullen moeten investeren in het voorlichten van aankomende studenten. Daarom zijn we bezig om een campagne te maken om het akkoord over het voetlicht te brengen bij aankomende studenten, scholieren, ouders, instellingen en scholen. We zijn ook al zeer intensief met DUO bezig om ervoor te zorgen dat via bijvoorbeeld de website financieelstudieplan.nl die mede wordt ontwikkeld met het Nibud, de Nationale Jeugdraad, mijn ministerie en DUO, men goed geïnformeerd is. Er komt een rekenhulp op de DUO-website. Ook gaan we ervoor zorgen dat alle eindexamenkandidaten een brief krijgen met de nodige informatie. Op tal van manieren zullen we die voorlichting goed moeten regelen. 

De heer Beertema (PVV):

Een rekenhulp op de site van DUO gaat het allemaal goedmaken. Ik hoor de minister zeggen dat het in het buitenland allemaal heel rustig en kalm verloopt en dat het daar allemaal heel vanzelfsprekend is. Dat brengt mij enigszins in verwarring. Ik herinner mij namelijk dat het in het Verenigd Koninkrijk toch een stuk minder rustig en soepel verloopt. In The Guardian — dat is toch uw krant zou ik zeggen — lees ik dat er dit jaar studenten afstuderen met een gemiddelde studieschuld van meer dan 44.000 pond, die ze tot na hun 50ste verjaardag moeten aflossen. De verwachting is bovendien, zegt The Guardian, dat bijna de helft van de ieder jaar uitgeleende 10 miljard pond niet wordt terugbetaald. Dat is toch geen rustig beeld waarnaar wij moeten verlangen? 

Minister Bussemaker:

Volgens mij verwees ik naar andere landen in zijn algemeenheid en met name naar de overgang. In Engeland heeft men het collegegeld verviervoudigd. Ik meen dat dat dit daar nu 9.000 pond is. Dat is dus een totaal ander bedrag dan dat wat wij hier vragen. Ze hebben ook een leenstelsel dat nog veel meer private bijdragen vraagt van studenten. In die zin is het Engelse stelsel echt niet te vergelijken met het voorstel dat hier voorligt. Wij hebben berekeningen gemaakt van het bedrag van de lening dat bij dit systeem uiteindelijk afbetaald zal worden. Dat is ongeveer 90%. Bij het wetsvoorstel dat de Kamer krijgt, kan ik dit veel meer gedetailleerd aangeven. 

De heer Beertema (PVV):

Aan welke landen refereert de minister dan, waar het zo soepel en vanzelfsprekend zou verlopen? Wat is dan het lichtende voorbeeld waar wij ons straks aan kunnen spiegelen? 

Minister Bussemaker:

Ik zei dat in landen die het leenstelsel hebben ingevoerd, het lenen zelf niet leidt tot een vermindering van het aantal studenten. In veel van die landen is het aantal studenten dat na de invoering van een studievoorschot is gaan studeren, alleen maar toegenomen. Je moet er wel goed voor zorgen dat studenten de lening afbetalen. Daarbij hebben wij geleerd van de lessen uit andere landen, uit Engeland, de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland. Wij hebben aan de hand daarvan kunnen bekijken hoe wij ervoor kunnen zorgen dat studenten gestimuleerd worden om af te dragen. In de combinatie van een langere afbetalingstermijn en een laag rentepercentage, maar wel een rentepercentage, hebben wij lessen uit andere landen geleerd. 

De voorzitter:

Ik zou graag naar de tweede termijn willen gaan. 

Minister Bussemaker:

Ik weet niet of u wilt dat ik de resterende vragen nog beantwoord. 

De voorzitter:

Kunt u dat een beetje staccato doen? 

Minister Bussemaker:

Ja. 

De SP vroeg nog of studenten dan veel langer rente moeten betalen. Dat is niet noodzakelijk, want de studenten kunnen ook eerder en sneller aflossen. Wij gaan dat dus ook veel meer mogelijk maken. In individuele gevallen zal 35 jaar dus lang niet altijd 35 jaar zijn. Ook nu gebeurt het al. Het mag in vijftien jaar, maar het gebeurt meestal in zeven jaar. Dat zal straks ook zo zijn. 

Het CDA vroeg bij monde van de heer Rog of het leenstelsel moet vallen onder de Wet financieel toezicht. Nee, want de Wet financieel toezicht is niet van toepassing op overheden. Het gaat hier om een lening die de overheid garandeert. 

Mevrouw Schouten vroeg of ik kan aangeven welk risico de Staat neemt op de begroting vanwege de toename van het aantal kwijtscheldingen. In de opbrengst van het nieuwe leenstelsel is rekening gehouden met kwijtscheldingen. Dat is ook een bewuste keuze, want het is onderdeel van de sociale elementen, zoals zorgen voor kwijtschelding na 35 jaar als je het zelf niet kunt terugbetalen. Dat loopt dus mee. 

De heer Klaver vroeg naar de relatie met hypotheken. Studieschulden moeten worden meegenomen bij de hypothecaire kredietverlening. Dat is vastgelegd in wetgeving. In 2012 zijn daarover al afspraken gemaakt met de hypotheekverstrekkers. Studieschulden worden sindsdien dus wel anders meegewogen dan consumptieve leningen, en terecht. Met de banken is ook afgesproken dat de afspraken over de weging van studieleningen worden herzien bij grote veranderingen. Dit akkoord is voor mij aanleiding om opnieuw met de banken om tafel te gaan zitten, opdat het percentage van het inkomen dat afbetaald moet worden, lager wordt. Door de langere terugbetaaltermijn dalen de maandbedragen fors en verlaging van de 0,75% ligt wat mij betreft dan ook in de lijn der rede. Ik heb ook vernomen dat de Nederlandse Vereniging van Banken verwacht dat het aangaan van een hypotheek juist makkelijker wordt als gevolg van de voorgenomen wijzigingen, dus hierover zal nog overleg gevoerd worden en wij zullen de Kamer sowieso berichten als daarvoor aanleiding is. 

Heel kort nog iets over de ambitieuze onderwijsagenda. De partijen die het akkoord gesloten hebben, zijn het erover eens dat wij echt iets moeten doen in het belang van aankomende studenten om meer te investeren. Het aantal studenten in het hoger onderwijs is de afgelopen decennia gegroeid met 40%. Het aantal docenten is nauwelijks gegroeid. Als wij dus iets willen doen voor de studenten, met name bij de grote groepen studenten rechten, psychologie en economie die vaak met meer dan 100 bij elkaar zitten, moeten wij daar ook in investeren. De commissie-Veerman — de heer Duisenberg verwees daar terecht naar — zei dat de studie-uitval te hoog is, dat het talent te weinig wordt uitgedaagd, dat er te weinig flexibiliteit is in het systeem en dat, alles bij elkaar, het stelsel niet toekomstbestendig is. Daarin willen wij verandering aanbrengen. Tegen mevrouw Schouten zeg ik dat wij dit ook specifiek gaan doen, bijvoorbeeld met honours tracks en excellentietrajecten. Dit is de manier om studenten die meer uitdaging willen, tegemoet te komen. Tot de fractie van de Partij voor de Dieren zeg ik dat we hierbij geen simpele output gaan hanteren. Behalve over die honors tracks gaat het over proefstuderen, een flexibel en gedifferentieerd aanbod, meer mogelijkheden voor individuele feedback, schakelprogramma's, professionaliteit et cetera. Dat is wat er nodig is om het onderwijs toekomstbestendig te maken. 

Dat doen we via afspraken die we met de instellingen gaan maken, zeg ik tot de heer Bisschop. Dat zijn kwaliteitsafspraken, maar daarin gaan we wel de lessen meenemen van de prestatieafspraken die nu lopen. Dus over de precieze vorm daarvan zeggen wij in dit akkoord nog niets. We willen echter wel dat die middelen bij de studenten terechtkomen en inderdaad niet ergens bij zaken waarvan studenten geen voordeel hebben. De heer Bisschop kan zich daarvan wel een voorstelling maken. 

De SP-fractie vroeg of alles wordt geïnvesteerd in het hoger onderwijs. Ja, alles wordt geïnvesteerd in het hoger onderwijs en in aan het hoger onderwijs gekoppeld onderzoek. 

Tot slot beantwoord ik nog twee vragen. De heer Rog vroeg naar het ov en of we die 200 miljoen kunnen halen, want de hogescholen zouden niet meedoen. Een taskforce gaat aan de slag met het verkennen van mogelijkheden om ervoor te zorgen dat de lestijden en de reistijden van studenten beter op elkaar worden afgestemd. Dat vraagt maatwerk. Er bestaat niet één simpele oplossing voor. Anders dan nu door een aantal hogescholen wordt gesuggereerd, is het absoluut niet de bedoeling dat studenten nooit meer in de spits mogen reizen, maar we willen wel het een en ander beter spreiden. Dat moet samen met de hogescholen, de mbo-instellingen en de universiteiten gebeuren. Dat zal voor een deel regionaal moeten plaatsvinden, want niet elk probleem en niet elke druk op het ov doet zich in elke regio op dezelfde manier voor. Het gaat dus om maatwerk voor instelling, regio en onderwijstype. Er is natuurlijk wel een duidelijke prikkel voor instellingen om daaraan mee te werken, want ze krijgen het geld terug dat daar wordt uitgeslagen en kunnen dat investeren in beter onderwijs. 

De heer Mohandis vroeg wanneer het wetsvoorstel komt. Ik houd een kleine marge aan, want ik ben afhankelijk van de Raad van State, maar ik ga ervan uit dat de Kamer het wetsvoorstel heeft als zij terugkeert van haar zomerreces. Dat zal om en nabij 2 september zijn. 

De voorzitter:

Dan hebben wij iets om naar uit te zien tijdens onze vakanties. Dan is nu de tweede termijn van de Kamer aangebroken. Mevrouw Schouten staat al klaar. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. De minister heeft ons niet overtuigd van het nut en de noodzaak van dit stelsel. Wij zullen dan ook tegen dit stelsel blijven, maar om het nog een beetje sociaal te maken, dien ik drie moties in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat studenten met een functiebeperking die studievertraging oplopen op dit moment verlenging van de prestatiebeurs ontvangen, ook als zij uitwonend zijn; 

constaterende dat het kabinet kwijtschelding van €1.200 wil geven in het geval van studievertraging bij studenten met een functiebeperking, maar dat uitwonende studenten er €2.100 op achteruit zullen gaan; 

overwegende dat studenten met een functiebeperking meer zullen moeten lenen, omdat zij vaak langer over hun studie doen en minder vaak een bijbaan kunnen nemen; 

van mening dat studenten met een functiebeperking niet financieel gedwongen mogen worden om thuis te blijven wonen; 

verzoekt de regering om ook uitwonende studenten met een functiebeperking te compenseren op basis van de huidige beurs voor uitwonenden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schouten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 124 (24724). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het kabinet voornemens is om een leenstelsel voor studenten in te voeren; 

overwegende dat studenten met een meerjarige master een hogere schuld opbouwen ten opzichte van studenten met een eenjarige master, waardoor de drempel tot arbeidsmarktrelevante opleidingen wordt verhoogd; 

overwegende dat het Nederlandse bedrijfsleven de komende jaren een tekort heeft van tienduizenden hoogopgeleide technici; 

verzoekt de regering, een substantiële financiële tegemoetkoming toe te kennen voor studenten die een meerjarige master van een bètatechnische opleiding volgen, ter hoogte van een jaar basisbeurs, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schouten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 125 (24724). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat alleenstaande ouders de eenoudertoeslag straks moeten gaan lenen; 

overwegende dat alleenstaande studerende ouders geen of minder mogelijkheden hebben om tijdens de studie bij te verdienen; 

van mening dat jonge alleenstaande ouders alle steun verdienen om de combinatie zorg en onderwijs mogelijk te maken; 

verzoekt de regering, de eenoudertoeslag als gift te behouden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schouten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 126 (24724). 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Eerst een vraag rond die toezegging over mensen in de bijstand die gedwongen worden om te studeren. Wanneer krijgen wij daarover bericht van de minister? Het is een schrijnend punt. 

De minister zei: al het geld, elke euro, uit dit leenstelsel gaat naar het hoger onderwijs. Is dat waar? Ik las op ScienceGuide dat er al 200 miljoen naar andere zaken gaat. Graag een reactie. 

Deze Kunduzcoalitie 2.0 wil studenten graag in de schulden storten. Er wordt een hele stroom argumenten verzonnen om dit goed te praten, maar het is allemaal bijzaak, want de regering zegt: wij willen minder studenten en dat doen wij door middel van een financiële drempel. Er wordt geselecteerd op centen in plaats van op talenten. Dat moet pijn doen bij partijen die zichzelf sociaal noemen. Daarom heb ik een simpele motie, die ons heel veel werk kan besparen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

verzoekt de regering, af te zien van het leenstelsel voor studenten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 127 (24724). 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Tegen partijen die menen dat er geen drempels worden opgeworpen, zeg ik: denk goed aan student Simone, die symbool staat voor veel andere studenten die zeggen dat doorleren zonder studiebeurs te duur wordt. 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar eerste termijn. Het ging in die eerste termijn heel veel over glazen bollen. Als het gaat om klimaatverandering, CO2-uitstoot en de zegeningen van windturbineparken voorspellen de glazen bollen van GroenLinks en de PvdA keiharde waarheden. Dan is het ineens harde wetenschap met vaststaande uitkomsten. Als het gaat om uitkomsten van onderzoek van het SCP, waaruit blijkt dat vooral die doorstroom van het mbo naar het hbo in het gedrang komt, dan worden het ineens selffulfilling prophecies, die bovendien overdreven zijn. Het zou allemaal wel goed komen. Ook als kinderen uit niet-talige milieus goed luisteren naar de voortreffelijke plannen, dan zijn ze om. Dan gaan ze leningen aan om in te stromen in het hoger onderwijs. Wij gaan het monitoren. Dat dan weer wel. Maar wat gaat de minister doen als het straks niet meevalt, als er wel degelijk sprake is van verloren cohorten? 

Tot slot een fundamentele vraag aan de minister. Is dat verheffingsideaal, dat in 1986 zijn beslag kreeg met de invoering van de basisbeurs, gewoon een foute keus geweest? Zou het leenstelsel toen, toen de voorgangers van de minister nog rond de meiboom dansten in Vierhouten, ook al een prima idee zijn geweest? Zou de emancipatie van de kleine luyden, als zij toen ook al hadden moeten lenen om zichzelf te verheffen, net zo voorspoedig zijn verlopen? Dat wil ik graag van de minister horen. 

Ik heb een motie die minder ver gaat dan die van de SP. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het kabinet voornemens is de basisbeurs af te schaffen voor het gehele hoger onderwijs; 

van oordeel dat hierdoor de "verheffing" en de sociale mobiliteit van studenten uit de lagere klasse en de lagere middenklasse bemoeilijkt wordt; 

van mening dat het hoger beroepsonderwijs vanouds geldt als emancipatiemotor bij uitstek; 

verzoekt de regering om in ieder geval de basisbeurs in stand te houden voor de bachelorfase, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 128 (24724). 

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik los een belofte in. In mijn termijn heb ik beloofd dat ik het verkiezingsprogramma van GroenLinks zou uitprinten. De heer Beertema had er bijzondere interesse in. Ik vind dat je dat moet aanwakkeren. Ik zal dit exemplaar zo dadelijk aan hem aanbieden. Op pag. 22 staat: "De huidige studiefinanciering wordt aangepast, de basisbeurs afgeschaft. In plaats daarvan krijgen studenten de mogelijkheid om hun levensonderhoud te bekostigen met een studie-inkomen dat zij tegen gunstige voorwaarden en naar draagkracht terugbetalen." 

De heer Beertema (PVV):

Weg met de verheffing, dat is uiteindelijk toch de conclusie. 

De voorzitter:

U gaat nu uw termijn doen, mijnheer Klaver, maar dan moet u wel deze kant opkomen, want de seconden tikken weg. 

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Wij hebben hier volgens mij een goed debat met elkaar gevoerd. Het zal ook zeker niet het laatste debat zijn dat wij hierover voeren, want wij moeten het hier nog uitgebreid met elkaar over hebben als het wetsvoorstel straks naar de Kamer komt. 

Wij hebben het gehad over gemiddelden, maar wij hebben het ook gehad over casussen. Het is goed om te proberen die uit elkaar te houden en in alle redelijkheid het debat met elkaar te voeren en op zoek te gaan naar feiten die relevant zijn om ervoor te zorgen dat wij een zorgvuldig wetgevingsproces ingaan. Dit is een belangrijke stelselwijziging en stelselwijzigingen moeten nauwkeurig gebeuren om fouten te voorkomen. Het voorbeeld van Simone is onder andere genoemd, maar onlangs kwam Laura naar mij toe met een heel andere casus. Laura komt uit een gezin dat ook niet zo draagkrachtig was. Ze heeft een aanvullende beurs gekregen en een fikse studieschuld opgebouwd in het huidige systeem. Per maand betaalt zij op dit moment €280 terug. Toen ik haar vertelde van onze plannen en haar uitlegde hoe de nieuwe studiefinanciering eruit zou komen te zien, kwam zij erachter dat zij straks niet €280 per maand hoeft terug te betalen, maar €90 per maand. Zij vroeg dan ook of wij het niet met terugwerkende kracht zouden kunnen invoeren. Met dit voorbeeld wil ik niet zeggen dat het nu allemaal in een keer goed moet zijn. Ik denk ook niet anderen daarmee te overtuigen. Echter, wij moeten zorgvuldig zijn, want tegenover alle voorbeelden die wij noemen, staan weer andere voorbeelden. Wij moeten die blijven combineren met de gemiddelden en de cijfers die er zijn. 

Ik wil nog extra onder de aandacht van deze minister brengen dat communicatie nu van het grootste belang is. Ik wil dat deze stelselwijziging zorgvuldig wordt ingevoerd. De Kamerleden in dit parlement hebben de verantwoordelijkheid om deze wetswijziging goed te behandelen. Ook de communicatie naar de studenten is van groot belang, zodat er geen onnodige angsten ontstaan, maar zodat ook helder is welke risico's ze wel lopen. Het is zaak dat er eerlijk wordt gecommuniceerd over het voorliggende systeem. 

Tot slot ben ik blij om te constateren dat de minister aangeeft dat de hypotheekverstrekking niet zal worden bemoeilijkt en dat ze zal kijken, nog in gesprek gaat en verwacht dat er misschien nog wel wat aanpassing van de rekenmethode kan komen, zodat er wellicht ook nog mensen op vooruitgaan. 

De voorzitter:

De heer Duisenberg ziet af van zijn termijn. Ook de heer Bissschop ziet af van zijn termijn. 

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Het leenstelsel zal een schuldenstelsel blijken te zijn. De schuld zal voor alle studenten fors toenemen. De last van die schuld wordt neergelegd bij de middengroepen. Een aantal elementen uit het voorliggende voorstel waarderen wij positief, bijvoorbeeld de langere aflossingstermijn. Als dat betekent dat je een lagere hypotheeklast krijgt, is dat positief. Je hebt daar echter geen leenstelsel voor nodig. Wij hadden dat ook in het huidige stelsel kunnen doen. Voor de studenten straks betekent het dat zij gewoon levenslang een heel grote schuld met zich meedragen. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Een aantal andere elementen wordt hier gepresenteerd als een verbetering: de weigerachtige ouders en de onvindbare ouders. Die studenten krijgen op dit moment ook een beurs. En de ov-kaart voor het mbo had niet gekoppeld hoeven te worden aan een leenstelsel. Datzelfde geldt voor inspraak van studenten in het hoger onderwijs bij de begroting. 

Ik zal een constructieve motie indienen die de bewindsvrouw kan gebruiken bij het wetsvoorstel dat zij naar de Kamer stuurt. 

De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat het kabinet voornemens is de basisbeurs af te schaffen voor het gehele hoger onderwijs, van oordeel dat hierdoor de "verheffing" en de sociale mobiliteit … 

Excuus, mag ik even … 

De voorzitter:

De heer Rog heeft zojuist de motie van de heer Beertema voorgelezen. 

De heer Rog (CDA):

Ik heb altijd zo moeten lachen om dat filmpje van mijnheer Bruno Bruins die dat met vier moties deed. Ik begrijp nu echt … Ik heb nu echt die van ons te pakken. 

De voorzitter:

U hebt er nog drie te gaan. Ga uw gang. 

De heer Rog (CDA):

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat onder het voorgenomen leenstelsel een student een lening aangaat ter financiering van zijn studie; 

overwegende dat elke lening in Nederland moet voldoen aan de Wet op het financieel toezicht, ongeacht het doel van die lening; 

verzoekt de regering, ervoor zorg te dragen dat de voorwaarden van en voorlichting over het leenstelsel voldoen aan de eisen van de Wet op het financieel toezicht, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rog. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 129 (24724). 

De voorzitter:

De heer Mohandis van de fractie van de PvdA ziet af van zijn spreektijd. De heer Van Meenen van D66 ziet eveneens af van zijn spreektijd. Dan is mevrouw Ouwehand van de PvdD de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Daarna gaan we luisteren naar de commentaren van de minister. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ja, studeren is een investering in jezelf, zeker. En ja, je mag van jongeren iets vragen voor de investering in hun toekomst. De Partij voor de Dieren vindt echter dat we dat al genoeg hebben gedaan. Laten we vooral niet doen alsof studeren nu één groot cadeau van de bakker is aan de toekomstige advocaat, of van de metselaar aan de toekomstige milieuwetenschapper. Laten we vooral ook niet doen alsof het economische rendement het enige is wat onderwijs voor onze samenleving betekent. Gehoord de uitkomst van het debat vandaag vind ik de grootste zorg dat we moeten vaststellen dat bij onderwijspartijen als D66 en GroenLinks de fundamentele visie op de waarde van onderwijs voor onze samenleving is verschoven naar de visie die we van de VVD al een poosje kennen: je stopt er een student in, je duwt hem door het systeem, en dan levert die een mooie bijdrage aan onze economie. Wij mogen graag vasthouden aan het geloof dat onderwijs veel meer betekent dan alleen dat. 

De heer Van Meenen (D66):

Het is jammer dat ik in de afgelopen anderhalf jaar nog nooit de Partij voor de Dieren heb kunnen spreken in een onderwijsdebat, anders had mevrouw Ouwehand ongetwijfeld geweten dat ik haar hele redenering volledig volg en dat ik mij ook zeer verzet tegen de soms dreigende economisering. Dit is daar geen onderdeel van. Daar kan mevrouw Ouwehand wat D66 betreft zeker van zijn. Ik hoop haar vaker te zien in een debat, dan kunnen we het misschien ook nog een keer eens worden. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Als studenten een duidelijkere keuze maken en we krijgen meer zetels, dan zal de heer Van Meenen mij zeker vaker zien. Nu sluit ik af met wijze woorden van de onderwijspartij van de heer Van Meenen: "Een sociaal leenstelsel is een contradictio in termini; lenen is niet gratis, niet bij de bank van Gerrit Zalm en ook niet bij de overheid. Het werpt drempels op". Was getekend Alexander Pechtold. Zodra D66 die visie hier weer verdedigt, zeg ik tegen studenten dat ze bij D66 terechtkunnen. Anders zullen ze toch echt iets anders moeten kiezen. 

De voorzitter:

Dank u wel. Tot zover de tweede termijn van de Kamer. Het woord is aan de minister voor het becommentariëren van de moties. 

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Ik loop vanwege de tijd maar direct de ingediende moties langs. De motie-Schouten op stuk nr. 124 verzoekt de regering, uitwonende studenten met een functiebeperking te compenseren op basis van de huidige beurs. Die motie ontraad ik, omdat ze naar mijn idee niet nodig is. Ik heb net uitgelegd waarom er al een compensatie is voor studenten met een functiebeperking. Ik zou niet weten waarom zij meer zouden moeten krijgen dan andere studenten. Overigens kent deze motie ook geen dekking en het aanpassen van de regeling zou wel geld kosten. 

De motie-Schouten op stuk nr. 125 over de meerjarige masters is naar mijn idee overbodig, want ik heb net toegezegd dat daar nog een verkenning over loopt en dat ik de Kamer daar nog over zal informeren. Ook die motie ontraad ik dus. 

De derde motie van mevrouw Schouten op stuk nr. 126, waarin de regering wordt verzocht om de eenoudertoeslag als gift te behouden, ontraad ik eveneens, want die is overbodig. We schaffen de eenoudertoeslag niet af. We hebben een eigen eenoudertoeslag en die blijft bestaan, bovenop de eenoudertoeslag die via het departement van Sociale Zaken loopt. 

Dan kom ik op de motie-Van Dijk op stuk nr. 127. Hij verzoekt de regering om af te zien van het leenstelsel. Die motie ontraad ik. Ik denk dat die verder geen toelichting behoeft. 

De heer Van Dijk stelde een vraag over de investeringen. Hij kent het financiële plaatje: het hele saldo gaat naar onderwijs en naar aan onderwijs gekoppeld onderzoek. 

Ik ontraad ook de motie van de heer Beertema. Daarin wordt de regering verzocht om de basisbeurs in stand te houden voor de bachelorfase. Ik denk dat dit evenmin toelichting behoeft. 

Misschien is het nog wel goed om te zeggen dat emancipatie, doorstroom en verheffing altijd belangrijk blijven. Dat is ook mijn reactie op de woorden van mevrouw Ouwehand. De partijen die dit akkoord hebben gesloten, hechten zeer aan de kwaliteit van onderwijs, ook aan onderwijs om jezelf te kunnen ontwikkelen. Zij hechten aan het kwalitatief goed vormgeven van onderwijs, dus niet louter aan het economisch rendement, hoewel daar ook niets mis mee is. Goed onderwijs draagt immers ook bij aan een sterke economie en aan verbetering van individueel welbevinden. Kortom, de middelen die we hebben, worden juist gebruikt om vorm te geven aan de kwaliteitsverbetering. 

De heer Klaver benadrukte terecht nog een keer de communicatie. Ik hecht daar ook zeer aan. Het is van het grootste belang dat studenten weten waar zij aan toe zijn. 

Over de hypotheken komt nog een reactie; ik denk inderdaad dat als er iets verandert, dat naar beneden bijgesteld kan worden. Laat ik het anders zeggen: de manier waarop een studieschuld wordt betrokken, zal per saldo een positief effect op de burger hebben. 

Tegen de heer Rog zeg ik dat ik blij ben dat er een aantal elementen in het akkoord staat dat op zijn goedkeuring kan rekenen, zoals de lange afbetaaltermijnen, de mbo-kaart en de inspraak. Die maken echter nadrukkelijk onderdeel uit van het geheel. Het gaat namelijk echt om een manier om het onderwijs toekomstbestendig te maken. Ik ontraad echter zijn motie over het afstemmen van de voorwaarden en voorlichting op de eisen van de Wet op het financieel toezicht. Ik heb het al eerder gezegd: het gaat niet om een commerciële lening. Het zou raar zijn om toch te doen alsof het studievoorschot gelijk staat aan een consumptief krediet of hypotheek. Hiermee kom ik aan het slot van mijn tweede termijn. 

De voorzitter:

Daar dank ik u hartelijk voor. De heer Rog wil nog een korte vraag stellen. 

De heer Rog (CDA):

Ik ben een beetje verbaasd omdat de minister op haar website zelf de hele tijd een vergelijking maakt met het kopen van een keuken terwijl we het hier hebben over een lening die die keuken in veelvoud zal overtreffen. Dat gebeurt weliswaar met andere rentetarieven, maar wel in veelvoud. Vindt de minister het niet gevaarlijk om die lening te laten doorgaan zonder dat deze onderdeel is van de Wet op het financieel toezicht? 

Minister Bussemaker:

Ik heb juist willen benadrukken dat het lenen voor een keuken echt iets anders is dan het aangaan van een studievoorschot waarmee je investeert in je eigen opleiding en jezelf. 

De voorzitter:

De heer Van Dijk wil nog een vraag stellen. Kort graag. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

De minister zei dat ze nog zou kijken naar de mensen in de bijstand die gedwongen werden om te studeren. Wanneer horen wij daar iets over? 

Minister Bussemaker:

Laat ik toezeggen dat ik dat probeer mee te nemen bij het wetsvoorstel. 

De voorzitter:

Dat is na de zomer. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Tot zover dit debat. Ik dank de minister hartelijk voor haar aanwezigheid. Aanstaande dinsdag stemmen we over de zes moties. Ik schors de vergadering voor de lunch tot 13.35 uur. Dan hebben we een regeling van werkzaamheden. Herstel, ik schors de vergadering tot 14.05 uur. Anders hebben we maar 60 seconden om te eten. 

De vergadering wordt van 13.34 uur tot 14.06 uur geschorst. 

Voorzitter: Van Miltenburg