Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 40, item 2

2 Vragenuur: Vragen Van der Staaij

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van Orde.

Vragen van het lid Van der Staaij aan de minister van Buitenlandse Zaken over het Nederlandse ontmoedigingsbeleid ten aanzien van Israëlische nederzettingen dat zich ontwikkelt tot boycotbeleid (verbreken samenwerking Vittens/Merkerot)(bevindingen werkbezoek) en PGGM-beleid investering in Israëlische banken.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van der Staaij.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Vorige week had ik het genoegen op werkbezoek in Israël te zijn, met een positieve agenda. Ik had mijn hielen echter nog niet gelicht of de Nederlandse ambassadeur werd op het matje geroepen in Israël. Ik dacht even: wat heb ik fout gedaan? Maar er bleek iets heel anders aan de hand te zijn. Het ging om gegroeide ergernis en onbegrip aan Israëlische zijde over het feit dat het ene na het andere bedrijf zich heeft teruggetrokken. Eerst was het Haskoning, later kwam Vitens erbij en vorige week nog PGGM, terwijl er nog maar enkele weken geleden een grote delegatie van het kabinet en van allerlei bedrijven naar Israël is gegaan om de samenwerking aan te moedigen. Prima, wij steunen dat, maar nu zien wij een volstrekt tegengestelde beweging. Ik hoorde het ook van bijvoorbeeld de viceminister van Buitenlandse Zaken. Dit soort praktijken ondergraaft het succes van die handelsmissie. Wij zijn buitengewoon ontstemd en ongelukkig over de boycotachtige sfeer die is ontstaan. Het schaadt de betrekkingen tussen Israël en Nederland, het vredesproces schiet er geen millimeter mee op en de Palestijnen zijn er niet mee geholpen, juist omdat hun economie nauw verweven is met de Israëlische economie. Minister Timmermans wast zijn handen in onschuld, want het is het eigen beleid van bedrijven, en: nee hoor, dat ontmoedigingsbeleid ten opzichte van nederzettingen voert Nederland al jaren.

Ik heb de volgende vragen aan de minister. Wat is de invloed van het ongelukkige ontmoedigingsbeleid op de besluiten van die bedrijven? Leidt het qua effect niet gewoon tot een boycot? Is het niet hoog tijd om te stoppen met dat dubbelzinnige ontmoedigingsbeleid? Als de minister zegt tegen een boycot van Israël te zijn, waaruit blijkt dat concreet? Wat kopen wij daarvoor?

Minister Timmermans:

Voorzitter. Dank aan de heer Van der Staaij voor zijn vragen. Het ontmoedigingsbeleid dat door de Nederlandse regering en andere regeringen wordt gevoerd, is staand beleid, al vele jaren, en is ook niet veranderd door dit kabinet. Dat ontmoedigingsbeleid — ik zal het heel precies formuleren — betekent dat, als ons ter ore komt dat er bedrijven in of ten behoeve van de nederzettingen activiteiten ontwikkelen, wij tegen die bedrijven zeggen dat wij dat ontmoedigen. Dat betekent niet dat wij het verbieden. We zeggen gewoon dat wij het ontmoedigen. Het is dan aan bedrijven zelf om daar hun conclusies aan te verbinden. De Nederlandse regering is tegen een boycot. De Nederlandse regering is tegen sancties. Als er wordt gezegd dat daarmee onduidelijkheid wordt geschapen, vraag ik mij wel eens af door wie die onduidelijkheid in de wereld wordt geholpen, als het ontmoedigingsbeleid voortdurend wordt gekoppeld aan boycot en sancties. Dan is dat geen verwijt dat de Nederlandse regering treft, want zij voert gewoon staand ontmoedigingsbeleid uit.

Ik kan het heel concreet maken aan de hand van een voorbeeld van een bevriend land, namelijk Duitsland. Op een gegeven waren er plannen van een Duits bedrijf om een spoorlijn aan te leggen van Tel Aviv naar Jeruzalem. Die spoorlijn zou door Palestijnse gebieden lopen. Toen heeft de Duitse regering gezegd: dat ontmoedigen wij, want dat is in strijd met het beleid dat wij op dit punt voeren. Het Duitse bedrijf heeft toen de samenwerking met het oog op de spoorlijn niet opgezet. Dat laat onverlet dat een bedrijf met Israëlische bedrijven kan samenwerken, als het geen projecten betreft die in of ten behoeve van de nederzettingen worden uitgevoerd.

Ik ben nog geen bedrijven tegengekomen die het ontmoedigingsbeleid van Nederland onduidelijk vinden. Voor zover er sprake is van onduidelijkheid, zit die vooral in de politieke sfeer en vraag ik mij af of het geen politiek gemotiveerde onduidelijkheid is.

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister vindt het allemaal heel duidelijk. Ik heb er over het algemeen zeer veel waardering voor als mensen en bewindslieden moeilijke dingen eenvoudig en duidelijk kunnen uitleggen, maar dit is iets anders. Hij maakt zich nu gemakkelijk af van een lastige kwestie. De minister heeft het over staand beleid, maar waar staat dat nu eigenlijk? Ik heb zitten graven, maar het staat eigenlijk helemaal niet zo duidelijk in een brief aan de Kamer die met de Kamer is besproken. Waar staat het beleid nu eigenlijk? Is er parlementaire steun aan gegeven in het verleden?

Bovendien bagatelliseert de minister de impact van het ontmoedigingsbeleid. Voor heel veel bedrijven was het onduidelijk. Neem Vitens. In een brief geeft dit bedrijf zelf aan, er uiteindelijk van te hebben afgezien om deel te nemen aan de samenwerking, wat men wel van plan was. Men heeft ervan afgezien omdat een andere minister van dit kabinet een werkbezoek aan Mekorot heeft afgezegd. Dit werd opgevat als een politiek signaal. Was dat niet ongelukkig? Als het allemaal zo duidelijk is, zeg het dan maar, minister, zou ik zeggen. Vitens, PGGM; is dat nu wel of niet conform het Nederlandse ontmoedigingsbeleid? Hoe komt het — wat ik in Israël ook hoor — dat er geen land is dat het op zo'n manier invult als Nederland, compleet met apps? Waarom moet Nederland zich hierin zo uitsloven, juist in het negatieve, ten opzichte van andere landen? Is het niet zo dat je niet tegelijkertijd kunt zeggen "wij gaan het ontmoedigen en we gaan het aanmoedigen"? Je kunt toch niet het één en het ander doen? Hier is werkelijk geen chocola van te maken.

Minister Timmermans:

Ik wil mij veroorloven om tegen de heer Van der Staaij te zeggen dat zijn bewering innerlijk tegenstrijdig is. Aan de ene kant zegt hij dat de Nederlandse regering veel te uitvoerig en te precies aangeeft wat het ontmoedigingsbeleid inhoudt. Aan de andere kant zegt hij dat hij er geen chocola van kan maken. Dat lijkt mij innerlijk tegenstrijdig. Hij vraag heel precies aan mij wanneer dit beleid is besproken. Welnu, het is vele malen in een algemeen overleg besproken en door opeenvolgende kabinetten in brieven aan de Kamer toegelicht. Minister Bot, bijvoorbeeld, heeft tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken op 19 oktober 2006 gemeld dat de regering economische relaties met bedrijven in de door Israël bezette gebieden ontmoedigt. Nederlandse bedrijven zullen hier zo nodig op worden aangesproken en er zal dus een dialoog ontstaan. Vanaf 2006 kon er dus al geen onduidelijkheid over zijn.

Misschien mag ik mij veroorloven om een opmerking te maken aan het adres van de heer Van der Staaij. Wat ons verdeelt, is niet het ontmoedigingsbeleid. Wat ons verdeelt, is de visie op de nederzettingen. De heer Van der Staaij spreekt consequent van betwiste gebieden. Hij betwist de nederzettingen niet. Voor de Nederlandse regering en de internationale gemeenschap zijn die nederzettingen echter illegaal. Het is dus in strijd met het internationale recht om in die nederzettingen economische activiteiten te ontwikkelen, tenzij met medewerking en goedkeuring van de Palestijnse Autoriteit.

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister verknoopt op een ongelukkige manier de politieke visie op het nederzettingenbeleid met het economisch beleid. Het is wel degelijk zo dat het heel erg onduidelijk is voor bedrijven. Hoe ver gaat dit? "In nederzettingen, ten behoeve van nederzettingen"; als je dit oprekt, valt alles eronder. Uiteindelijk wonen daar ook gewoon mensen die ergens wel een drankje kunnen drinken of water kunnen gebruiken. Dat is wat er gebeurt: het beleid wordt opgerekt en uitgebreid. Ja, ik heb het tussenzinnetje van minister Bot ook gelezen, maar geen duidelijk, uitvoerig beleid gevonden dat hier in de Kamer tot stand is gekomen. Is het niet veel beter om te zeggen dat de nederzettingen een politieke kwestie vormen, die thuishoort op de onderhandelingstafel? Moedig de bedrijven gewoon aan om vanuit hun eigen verantwoordelijkheid zaken te doen in Israël.

Tot slot: als de minister echt geen boycot wil, wat gaat hij dan doen om die te voorkomen en om het zakendoen en de relatie met Israël niet verder op het spel te zetten?

Minister Timmermans:

De woorden die heer Van der Staaij kiest — en we weten allemaal dat de heer Van der Staaij zijn woorden altijd heel precies kiest — hebben wel degelijk een politieke lading. Hij heeft het namelijk over activiteiten in Israël. Dat is precies wat Nederland ook wil, maar binnen de Groene Lijn. Wat Israël is, daar hebben de heer Van der Staaij en de regering echter een andere opvatting over. En dus zijn activiteiten in de nederzettingen voor de heer Van der Staaij activiteiten in Israël, terwijl dat voor de Nederlandse regering geen activiteiten in Israël zijn. Dat is volgens mij de crux van de zaak. Het gaat om beslissingen die individuele bedrijven nemen. Ik denk dat dat wel degelijk te maken heeft met de maatschappelijke discussie over de nederzettingen. Dat zie je ook in het voorbeeld van PGGM. Dat pensioenfonds doet dit, zo heeft het ons laten weten nadat het besluit was genomen, op basis van zijn ideeën over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat is aan bedrijven. De Nederlandse regering gaat zich daar natuurlijk niet mee bemoeien.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Er blijven onduidelijkheden bij mij bestaan over de vormgeving van die relatie en het ontmoedigingsbeleid. Als wij het niet goed definiëren, lijkt het wel alsof Nederland zijn relatie met Israël ontmoedigt, en ik neem aan dat de minister dat niet wil.

In het laatste debatje dat wij voor het reces hadden, heeft de minister tegen mij gezegd dat hij zou uitzoeken wat voor de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de reden is geweest om het bezoek aan Mekorot af te zeggen. Hij zou dat schriftelijk beantwoorden, maar ik heb dat niet teruggezien. Wil de minister alsnog uitleggen waarom toen dat bezoek is afgezegd en hoe dit zich verhoudt met de stelling die de minister daarnet heeft verkondigd, dat activiteiten in of ten behoeve van direct de nederzettingen ontmoedigd zouden worden? Vitens investeert niet direct in die nederzettingen, maar in Mekorot.

Minister Timmermans:

Als ik heb toegezegd dat wij daar schriftelijk op zullen antwoorden, dan zullen wij dat doen. Ik zal mij hierover verstaan met minister Ploumen. Ik wil er hier niet improviserend op ingaan. De heer Voordewind krijgt zijn antwoord op korte termijn, zo beloof ik hem nu.

De Nederlandse regering heeft desgevraagd door Vitens gezegd geen bezwaar te zien tegen de samenwerking tussen Vitens en Mekorot. Sterker nog, de Nederlandse regering werkt zelf samen met Mekorot in het stimuleren van bepaalde ontwikkelingen, dus daar is geen bezwaar tegen. Laten wij eerlijk zijn over wie hier mist creëert. Het is de heer Voordewind die te pas en te onpas alles wat er gebeurt koppelt aan een boycotsfeer. Hij roept zelf de beelden op die hij nu wil bestrijden.

Ik zeg het nog één keer heel duidelijk. De Nederlandse regering is tegen een boycot en tegen sancties. Wij willen juist de economische samenwerking met Israël versterken en stimuleren. Dat hebben wij gedaan met het forum, dat zeer succesvol was. Daar gaan wij mee door. Wij doen het ook in de Palestijnse gebieden met de Palestijnen, die dat met veel plezier hebben omarmd en die er veel muziek in zien. Zij zien het als een sjabloon voor de toekomstige samenwerking met andere landen. Dat zijn positieve bijdragen aan het vredesproces. Het ontmoedigingsbeleid is onder dit kabinet niet veranderd.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, u mag een tweede vraag stellen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dat begrijp ik, voorzitter, maar de minister had toegezegd mijn vraag schriftelijk te beantwoorden. Er zijn antwoorden gekomen, maar hij is niet op dit punt ingegaan. Nu krijg ik weer geen antwoord op een vraag die ik drie, vier weken geleden al heb gesteld. Ik probeer gewoon een simpel antwoord te krijgen op de vraag waarom het bezoek aan Mekorot is afgezegd.

De voorzitter:

Ik heb de minister horen antwoorden dat hij daar schriftelijk op korte termijn op terugkomt. Ik vraag de minister om dat nog deze week te doen.

Minister Timmermans:

Wij zullen dat nog deze week doen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voor de RBZ van donderdag graag.

De voorzitter:

Voor de RBZ van donderdag. Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer.