Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 65, item 9

9 Primair onderwijs

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet College voor examens in verband met de invoering van een centrale eindtoets, de invoering van een leerling- en onderwijsvolgsysteem en invoering van bekostigingsvoorschriften voor minimumleerresultaten voor speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (centrale eindtoets en leerling- en onderwijsvolgsysteem primair onderwijs) ( 33 157 ).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs welkom. Er hebben zich negen sprekers gemeld van de zijde van de Kamer, met tamelijk royale spreektijden. De eerste spreker, de heer Van Meenen van D66, staat al te trappelen. Hij heeft verzocht om een spreektijd van 20 minuten.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Elk jaar in februari beleven apothekers en drogisterijen hoogtijdagen. De kalmeringsmiddelen en concentratiedrankjes zijn niet aan te slepen. Hele gezinnen gaan aan de pillen. Dan weten we weer dat het Citotijd is. Maar niet alleen aan apothekers en drogisterijen geeft de toets een geweldige economische impuls, ook wordt er nieuw ondernemerschap gecreëerd in de vorm van huiswerkklasjes, bijlessen, toetstrainingen en weekendkampen. Alles wordt gedaan om de 11- en 12-jarigen te drillen voor de grote toets. Zelfs de zwarte markt spint er tegenwoordig garen bij. Op Marktplaats kun je voor een luttele € 450 de toets vooraf al kopen. Je zou bijna denken dat het idee om de Citotoets op te waarderen naar een landelijk verplichte eindtoets van het ministerie van Economische Zaken afkomstig is. Toch staat hier de staatssecretaris van Onderwijs.

Voor D66 staat de ontwikkeling van het kind, de kwaliteit van het onderwijs en het vertrouwen in de leraar centraal. Dat zijn de kaders van waaruit wij hebben gekeken naar dit wetsvoorstel. D66 ziet zeker grote voordelen in een leerlingvolgsysteem en in uniforme tussentijdse toetsen. Dat geeft de mogelijkheid om te kijken waar het kind staat, op welke vlakken het achterloopt of juist excelleert en waarin het zich nog verder kan ontwikkelen. Ook geeft het de mogelijkheid aan scholen om te zien waar zij nog een stapje extra moeten zetten om leerlingen op het gewenste niveau te krijgen. Voor ons is de toets dan ook niet zozeer het probleem, maar wel de dynamiek die die toets creëert, de waarde die eraan wordt gehecht en de consequenties die ook de staatssecretaris aan de uitkomsten verbindt. In de wens om het beleid meetbaar te maken, wordt vergeten het kind centraal te stellen. Daarom zet de fractie van D66 vraagtekens bij het wetsvoorstel in de huidige vorm.

Wordt de leerling beter van een centrale eindtoets? Zoals gezegd, D66 is zeker niet tegen toetsen an sich, maar we hebben wel problemen met het allesbepalende karakter van de centrale eindtoets. Want nu al is de Citotoets bepalend voor de verdere schoolcarrière van kinderen, en niet de jarenlange ervaring van de leraren en de school met het kind. Het ongelooflijk grote belang dat men hecht aan deze toets, legt een enorme druk op de schouders van de 11- en 12-jarigen, meer nog dan bij het eindexamen van de middelbare school. Daar maakt het eindexamen immers deel uit van een systeem van schoolexamens en bestaat de mogelijkheid tot herkansing.

Het onderwijsadvies is gebaseerd op een film van het kind en het resultaat van de eindtoets is een foto, zo stelt de regering het poëtisch en terecht. Echter, het is wel een heel belangrijke foto. Trekt u net een gekke bek, dan beoordelen we u voortaan als kierewiet. Die zorgen over het onevenwichtig zware belang van de eindtoetsscore deelt het ministerie ook, zo lees ik in de memorie van toelichting. Er staat nadrukkelijk dat het vooral geen examen is. Ondertussen worden er wetten en beleid gemaakt waarmee het belang alleen maar wordt verzwaard. Ik noem een aantal zaken. De centrale eindtoets wordt het verplichte tweede gegeven voor de middelbare school. De staatssecretaris wil scholen afrekenen op de scores voor de centrale eindtoets, mogelijk op termijn zelfs met een prestatiebeloning maar ook met gevolgen voor de bekostiging. De scores voor de centrale eindtoets worden openbaar gemaakt, waardoor we een ranking van scholen krijgen. Een publiek oordeel op basis van de eindscores waarmee niet alleen gezinnen aan de kalmeringspillen kunnen, maar ook de schooldirecteuren. Kan de staatssecretaris toelichten hoe hij de enorme druk die op de schouders van 11- en 12-jarigen komt te liggen, gaat verlichten? Welke concrete acties onderneemt hij? Of belijdt hij deze zorg alleen met de mond? Welke maatregelen gaat hij nemen tegen middelbare scholen die de score van de eindtoets als harde ingangseis stellen, of leerlingen afwijzen als de score van hun eindtoets afwijkt van het schooladvies?

Het is duidelijk dat de staatssecretaris graag meet. Hoe krijg je echter grip op een lastig begrip als kwaliteit? Hoe kwantificeer je onderwijskwaliteit? De staatssecretaris dacht in een eindtoets voor rekenen en taal de oplossing te vinden, maar meet deze toets ook de kwaliteit van de school?

De staatssecretaris wil meer weten en meer meten. Hoe hoger de scores, hoe beter het onderwijs. Hoe hoger de scores, hoe hoger op de ranglijst. Des temeer kans op het keurmerk "lekker bezig" of "excellent" of zelfs op extra bekostiging. Meet deze toets echt de kwaliteit van een school? Of zegt de toets vooral iets over het niveau van de leerling en de vaardigheden van de school als toetsvoorbereider? Heeft de staatssecretaris bewijzen dat kinderen die van een school afkomen waar ze de Cito-toets doen, beter presteren dan bij scholen waar dat niet zo is? Lukt het de scholen leerlingen iets te leren en hen te ontwikkelen of lukt het de scholen vooral om leerlingen klaar te stomen voor de toets? Gaan we iets meten wat eigenlijk niet te meten valt?

De heer Beertema (PVV):

Ik luister naar het betoog van D66. Ik heb al eerder gezegd dat de heer Van Meenen eruitziet als een keurige heer, maar dat er deep down toch een heel grote hippie in hem woont. Hij wil namelijk gewoon niet meten en weten. Geen examens en het liefst geen toetsen. Waar komt toch die angst vandaan voor het onderling vergelijken van scholen? Wat mij betreft is het koudwatervrees.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb al gezegd dat er niets tegen toetsen is. U en ik, wij zijn allebei docent geweest. Neem me niet kwalijk voorzitter, ik bedoel natuurlijk de heer Beertema en ik. Misschien bent u het ook geweest, maar zo bedoelde ik het niet. De heer Beertema en ik zijn allebei docent geweest en wij hebben ook getoetst. Toetsen is goed. Toetsen leert je iets, ook als docent. Daar is niets op tegen. Ik hecht echter heel veel waarde aan de opvattingen van de docent. Daarin verschillen de heer Beertema en ik van mening. Ik heb vertrouwen in de docent en ik heb dus ook vertrouwen in het oordeel van de docent en de school nadat een leerling acht jaar op die school heeft gezeten. Daarin heb ik meer vertrouwen dan in een toets van drie ochtenden. Dat is het verschil. Ik zeg niet dat er geen toets mag plaatsvinden. Er mag van mij zelfs nog een centrale eindtoets zijn, maar het gaat mij om de waarde die daaraan wordt toegekend.

De heer Beertema (PVV):

Ik weet niet of de heer Van Meenen een rijbewijs heeft. Ik neem aan dat hij die heeft, want ik zie hem weleens in een auto rijden. Ik vraag me af hoe hij dit gehaald heeft. Heeft hij dit gehaald via de vermaledijde drills, waarover ik hem hier heb horen praten? Heeft hij het gehaald via goede en diepe gesprekken met zijn rij-instructeur? Heeft hij het misschien via de gemakkelijke route op de Antillen of in Egypte gehaald? Dat deden mensen namelijk die al tien keer gezakt waren en toch dat rijbewijs wilden. Dit gebeurt eigenlijk ook een beetje in de aangepaste toets van het Cito. We wegen al zo veel mee. Wat is er toch mis met het af en toe, hier en daar toetsen en tegen elkaar afzetten van cognitieve vaardigheden? De heer Van Meenen is het toch met mij eens dat het onderwijs ook moet discrimineren op slim en minder slim, goed en minder goed, handig en onhandig? Onderwijs is toch selectie?

De heer Van Meenen (D66):

Zeker. De heer Beertema en ik zijn het daar volledig over eens. Onderwijs moet ook toetsen. Daar ben ik ook helemaal geen tegenstander van. Integendeel, daar kan heel veel van geleerd worden. Overigens heb ik mijn rijbewijs gewoon de eerste keer gehaald, bij het CBR.

De heer Beertema (PVV):

Was het een goede rijschool?

De heer Van Meenen (D66):

Ja, die was best wel goed.

De voorzitter:

Zullen we proberen ons bij het onderwerp te houden?

De heer Van Meenen (D66):

Ach … Rijdt u gerust eens met mij mee, dan komt het allemaal goed. Er is blijkbaar een verschil van mening. Ik ken het examen in het voortgezet onderwijs heel goed. Dat is van allerlei waarborgen voorzien. Het is ook een breed onderzoek. Het kent een herkansing. Het telt slechts voor een deel, want de andere helft is gebaseerd op schoolexamens. Eigenlijk wordt er twee jaar lang gewerkt aan het tot stand brengen van de eindcijfers. Maar hier hebben we het over drie ochtenden waarop allesbeslissend iets gebeurt voor de toekomst van kinderen. Dat is nog veel ingrijpender dan het examen.

De voorzitter:

Helder. U continueert.

De heer Van Meenen (D66):

Nu moet ik even kijken waar ik was gebleven.

De voorzitter:

Volgens mij was u klaar.

De heer Van Meenen (D66):

Nee, nog lang niet. Er loopt overigens geen klokje bij mij. Ik heb dus geen idee hoeveel tijd ik nog heb.

Meet deze toets echt de kwaliteit van de school of zegt de toets vooral iets over het niveau van leerlingen of de vaardigheden van de school als toetsvoorbereider? Daarover heb ik het al gehad. Heeft de staatssecretaris oog voor de perverse prikkels die de eindtoets, in ieder geval op deze manier, tot gevolg kan hebben? Ik denk aan het stellen van ingangseisen, aan een soort selectie aan de poort voor 4-jarigen of aan scholen die ervoor kiezen om kinderen voor de zekerheid te laten blijven zitten in groep 7.

De staatssecretaris wil de toets graag gebruiken als instrument "voor de externe verantwoording en beoordeling van de leerresultaten van scholen". Dat is immers een van de hoofdfuncties van de toets. Ik heb net al aangegeven waarom ik vind dat de toets helemaal niets zegt over de kwaliteit van de school. De aanvullende vraag is of dit de wijze van verantwoording is die voor de staatssecretaris ideaal is. D66 gelooft veel meer in horizontale verantwoording. Laat scholen aan ouders en inspectie uitleggen hoe ze de kinderen voorbereiden op het middelbaar onderwijs en op de rest van hun toekomst. Laat ze zich verantwoorden in vensters voor verantwoording. Dat doet toch veel meer recht aan een kind, en overigens ook aan een school, dan een cijfer?

Bij de begrotingsbehandeling zei ik al dat we wat betreft D66 meer moeten kijken naar wat de school een kind brengt, naar de toegevoegde waarde van een school. Ik heb daarover ook een debatje met de staatssecretaris gevoerd. In plaats daarvan lijkt het er nu op dat we de scholen gaan afrekenen op één uniforme norm. Destijds gaf de staatssecretaris aan: je moet proberen om scholen te beoordelen op wat ze toevoegen. Hoe plaatst hij dit streven in het licht van het voorliggende wetsvoorstel?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik was de afgelopen vijf minuten een beetje met verwondering naar het verhaal van de heer Van Meenen aan het luisteren. Ik vind in het wetsvoorstel niets terug van de gedachte dat de centrale eindtoets waarover we het vandaag hebben, op de een of andere manier meer zal meewegen in het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs dan op dit moment het geval is. Ik weet dus niet waar die enorme zorg die u hebt, vandaan komt, en ook niet waarom u het als het ware in deze vorm hier presenteert.

De heer Van Meenen (D66):

Dat zal ik uitleggen. Voor leerlingen maakt het weinig verschil. De druk is hoog en blijft ook hoog als het voorstel ongewijzigd blijft. Wat wel verandert, is de mate waarin de verplichte Cito-eindtoets een rol gaat spelen in de beoordeling van de school. Daarover maak ik me grote zorgen, niet zozeer omdat dat oordeel over de school wordt gegeven – dat is ook ernstig – maar nog veel meer vanwege de uiteindelijke betekenis ervan voor de toelating van kinderen tot een school. Ik noem een voorbeeld: voor kinderen die niet zo goed kunnen meekomen, zou het zomaar veel moeilijker kunnen zijn om een school te vinden omdat die school zich nu eenmaal veel meer inspanning zal moeten getroosten om die leerlingen tot een goed eindresultaat te brengen.

De voorzitter:

Mevrouw Straus. En graag via de voorzitter.

Mevrouw Straus (VVD):

Toch bevreemdt het me dat de D66-fractie dit op deze manier naar voren brengt. In antwoord op vragen van de leden van de SP over precies dit punt, antwoordt de regering: "De functie van de centrale eindtoets wijkt niet af van de functie die de Eindtoets Basisonderwijs van Cito nu heeft in de beoordeling van de eindopbrengsten door de inspectie." Hoe komt het nu dat u daar zo veel meer …

De voorzitter:

Graag via de voorzitter.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik vraag de heer Van Meenen hoe het komt dat hij daar nu zo veel meer gewicht aan toekent.

De heer Van Meenen (D66):

In het wetsvoorstel zelf en in de memorie van toelichting lees ik dat er wel degelijk potentieel consequenties getrokken worden uit de scores van scholen. Dan kan het wel niet zo expliciet in een antwoord van de regering staan, maar ik lees het wel degelijk in het wetsvoorstel.

Het moment van toetsing heeft invloed op het belang dat aan de toets wordt gehecht. Ik lees dat de regering het gewicht van het schooladvies wil vergroten en dus dat van de toetsscore wil verkleinen. Daar ben ik het geheel mee eens. Daarom wil de regering de toets verplaatsen naar eind april. Eind april, want dan kunnen de middelbare scholen de resultaten nog meenemen. Het kan aan mij liggen, maar in de ogen van mijn fractie spreekt dit elkaar tegen. Als wij daadwerkelijk willen dat het gewicht van de eindscore van de toets minder dwingend wordt toegepast in het voortgezet onderwijs, zijn er twee opties: of wij schuiven de toets nog meer naar achter, bijvoorbeeld naar juni, zodat het voortgezet onderwijs wel moet uitgaan van het schooladvies, of wij zorgen ervoor dat de toets voorafgaat aan het advies, zodat de toetsscore integraal onderdeel kan zijn van het advies. Dus eerst de toets en dan pas het advies. De staatssecretaris vreest dat wanneer wij de toets meer naar voren halen, scholen daarna geen les meer geven. Dat bewijst nu juist mijn punt dat alles draait om de toets en niet om de ontwikkeling van het kind. In beide scenario's zou de toets niet meer als hoofdonderdeel dienen voor de toelating tot middelbare scholen. Dat is precies wat de staatssecretaris beoogt. De eindtoets vormt dan ook niet meer het tweede gegeven voor de toelating tot de middelbare school. In het eerste geval omdat het organisatorisch niet kan en in het tweede geval omdat de toets al integraal onderdeel van het advies is geworden. D66 stelt daarom voor, in plaats van de eindtoets het leerlingvolgsysteem als tweede gegeven in te stellen. Dit geeft immers een veel beter beeld van de leerling en ook op veel meer aspecten dan taal en rekenen.

De Cito-toets is een begrip. Veel ouders en leerlingen beginnen al te trillen als zij het C-woord horen. Maar de Cito-toets is slechts een soort toets, er zijn ook nog andere, zoals de NIO-toets en de drempeltoets. Zij hebben alle een andere invalshoek, ze zijn meer gericht op wat een leerling kan of juist meer op wat een leerling weet. De staatssecretaris grijpt nu in in de bevoegdheid van scholen om te kiezen welke toets zij willen gebruiken. Hij verwijst daarbij naar de commissie-Dijsselbloem als legitimatie voor een eindtoets, en wel de Cito-eindtoets. De commissie-Dijsselbloem stelde verplichte deelname aan een toets voor, niet verplichte deelname aan een centraal opgelegde en geregisseerde toets.

Om meer redenen vind ik het belangrijk dat wij goed vaststellen waarom in de wet de Cito-toets als enige mogelijkheid aangegeven wordt. Het is nogal wat dat in een land waarin aanbestedingsregels hoog in het vaandel staan, bij wet de leverancier van de toets geregeld wordt. Ik vraag de staatssecretaris graag om daarop in te gaan. Is het ook mogelijk dat de centrale eindtoets een andere is?

Onderwijs gaat niet om benchmarks maar om kinderen. Als we dan toch lijstjes gaan maken, laten wij dan de kinderen op de eerste plaats zetten en niet hun Cito-scores.

Ten slotte is het evident dat het wetsvoorstel, geamendeerd of niet, in deze Kamer wellicht een meerderheid haalt. Er dreigt wel een probleem in de Eerste Kamer. Ik wil ervoor waken dat wij hier op dit punt tot politieke compromissen komen, waarbij wij het belang van het kind uit het oog verliezen. Ik zou dat heel erg vinden. Wij zouden dat als politiek niet moeten willen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

De heer Van Meenen stelt eigenlijk voor om het leerlingvolgsysteem als het tweede objectieve gegeven te gebruiken. Op dit moment vormt dat systeem de input voor de leraar voor het schooladvies. Als de heer Van Meenen het leerlingvolgsysteem als tweede gegeven zou willen gebruiken, hoe ziet hij dit dan? Betekent dit dat in heel Nederland hetzelfde leerlingvolgsysteem gebruikt moet worden?

De heer Van Meenen (D66):

Nee, dat hoeft niet per se. Overigens denk ik wel dat dat in hoge mate al het geval is. De meeste systemen zijn ook gevuld met allerlei Cito-toetsen. Mijn fractie is in elk geval van mening dat het leerlingvolgsysteem een vele malen beter en completer beeld van leerlingen geeft en dus ook veel beter als tweede gegeven kan dienen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Het leerlingvolgsysteem wordt gebruikt voor het schooladvies. Wil de heer Van Meenen dat het schooladvies nergens op gebaseerd is en geen objectief tweede gegeven is? De Cito-toets is nu juist zo aardig omdat het in heel Nederland dezelfde toets is.

De heer Van Meenen (D66):

Dat is nog niet zo. Op dit moment is er sprake van meerdere toetsen. In de wet staat een verplichting om een tweede gegeven te gebruiken. Daarvoor kan de Cito-toets gebruikt worden, maar het kan ook een andere toets zijn, zoals de NIO-toets die voorafgaat aan het advies. Blijkbaar is het zo dat als de NIO-toets wordt erkend als tweede gegeven, deze wel meetelt in het advies, want de NIO-toets wordt al in november afgenomen. In die zin is blijkbaar erkend dat dat een mogelijkheid is. Zo zie ik dat ook voor het leerlingvolgsysteem. Dat is een objectief vast te stellen set gegevens die eventueel ook overdraagbaar is aan het voortgezet onderwijs, als toets op het advies en als antwoord op de vraag: hebben we hier nu het goede advies gegeven?

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Totale gekte, niet wenselijk, een school is zo veel meer. Mijn collega's van D66, de Partij van de Arbeid, het CDA en zelfs de VVD hebben allemaal het voornemen van de staatssecretaris om de Cito-scores openbaar te maken, afgeschoten. Het aanleggen van ranglijsten op de magere basis van Cito-scores is een bedreiging voor de brede doelstelling van het onderwijs. Dat was vorige week de breed gedeelde gedachte. Ik ben het daar volledig mee eens. Zelf stond ik niet vooraan om schande te roepen over het feit dat de staatssecretaris de Cito-resultaten openbaar wilde maken op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Volgens mij klopt de lezing van de staatssecretaris: de gegevens moeten openbaar gemaakt worden. In principe ben ik het daarmee eens. Als de overheid gegevens heeft, moeten die volledig openbaar zijn voor alle burgers. Als dit een principe is waarvoor je staat, en volgens mij staan de meeste partijen in de Kamer daarvoor, moet je ervoor zorgen dat de overheid geen gegevens verzamelt waarvan het niet slim is als ze buiten de context geplaatst kunnen worden en een slechte of zelfs foutieve weergave van de werkelijkheid kunnen geven.

Totale gekte, niet wenselijk, een school is zo veel meer. Als mijn collega's deze woorden echt menen en bij hun volle verstand hebben uitgesproken, kan ik niet anders dan concluderen dat deze wet vandaag in deze Kamer zal sneuvelen. Op dit moment hebben de scholen de kans om zich te onttrekken aan ranglijstjes. Zo'n 15% van de scholen maakt van die mogelijkheid gebruik. Meer scholen willen dat doen als de resultaten openbaar worden gemaakt. Als wij het gebruik van zo'n eindtoets optioneel laten, geven wij scholen de ruimte om zich aan deze vergelijking te onttrekken. Wat vindt de staatssecretaris van zo'n beperkte ranglijst?

De staatssecretaris geeft tegenstrijdige signalen. Enerzijds zegt hij dat openbaarheid van de gemiddelde toetsscores goed is, omdat ouders het recht hebben om te weten hoe goed scholen het doen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik ben het met de heer Klaver eens dat het onderwijs veel meer is dan alleen de Cito-toets. Ik ben daarom ook van mening dat je de gegevens alleen openbaar moet maken, als je ze in de context kunt plaatsen. Voor het voortgezet onderwijs hebben wij dat al; dat heet Vensters. Voor het primair onderwijs wordt Vensters Primair Onderwijs ontwikkeld. Zegt de heer Klaver hiermee dat hij daar ook tegen is?

De heer Klaver (GroenLinks):

Ja, wij zijn ook op die ontwikkeling zeer kritisch. De kern van mijn kritiek op het wetsvoorstel en op toetsen is samen te vatten met de volgende zin. Toetsen zijn een hulpmiddel om te kijken hoe goed een leerling presteert en wat iemands voortgang is. Toetsen zijn niet bedoeld om de kwaliteit van een school te meten. Al deze lijstjes, ook de Vensters, proberen te laten zien hoe goed een school presteert. Daarvoor zijn deze toetsen niet bedoeld. Gebruik je toetsen daar wel voor, dan laten het Cito en ook allerlei vergelijkend onderzoek dat deze staatssecretaris heeft aangereikt, zien dat je perverse effecten krijgt, dat je "teaching to the test" hebt en dat wil ik niet. Ik wil dat een toets zijn waarde behoudt, namelijk die van een relatie tussen een leerling en een leraar.

Ik zei dat de staatssecretaris wat tegenstrijdige signalen geeft. Enerzijds zegt hij dat openbaarheid van gemiddelde toetsscores goed is, omdat ouders het recht hebben om te weten hoe scholen het doen. De vraag is natuurlijk wat dit "hoe" betekent. Anderzijds zouden ouders volgens de staatssecretaris heus niet alleen op basis van Cito-scores een school uitzoeken. Welke hulpmiddelen hebben ouders dan om scholen te beoordelen naast de vergelijking van de Cito-scores? Die Cito-scores worden als het ware op een presenteerblaadje gegeven. Graag krijg ik een reactie.

Het is voorstelbaar en moeilijk te controleren dat de populaire middelbare scholen straks ook op de gemiddelde toetsscores van basisscholen gaan selecteren. De individuele toetsscores worden immers met het wetsvoorstel pas later beschikbaar. Voor de duidelijkheid, ik ben niet tegen later afnemen, maar ik zie wel risico's. Ook op dit punt krijg ik graag een reactie.

Ook maatschappelijk zijn de ranglijsten gevaarlijk. Segregatie dreigt te worden geformaliseerd. Witte scholen met betere Cito-scores staan nu ook hoger op een lijstje. Scholen met betere scores kunnen een hogere ouderlijke bijdrage vragen, waardoor armere gezinnen worden afgeschrikt. Scholen met betere scores zullen eerder vol zitten en dus meer kinderen trekken van goed geïnformeerde ouders die hun kind al op zeer jonge leeftijd inschrijven. De staatssecretaris vindt de verschillen in leeropbrengst te groot, maar ik verwacht dat die verschillen in leeropbrengst alleen maar groter zullen worden, juist door het punt van de segregatie. Graag krijg ik ook op dit punt een reactie.

Er zijn veel inhoudelijke bezwaren tegen het vergroten van het belang van de Cito-toets. Heel belangrijk voor mijn negatieve oordeel is de beperkte groep op basis waarvan een schoolscore wordt gegenereerd. Zoals het Cito ook schrijft, kan één sterke of zwakke leerling al enorme gevolgen hebben voor het gemiddelde per school. In de brief die wij van het Cito kregen, zag ik dat de nummers 1.954 tot en met 2.687 dezelfde gemiddelde schoolscore hebben, afgerond op een cijfer achter de komma. Een kleine verschuiving in een leerlingenpopulatie kan dus al enorme gevolgen hebben voor de plaats van scholen op ranglijstjes. Een slecht getimede verhuizing of een extra kind dat van huis uit niet wordt gestimuleerd, maakt dus het verschil van 1.000 plaatsen op een scholingsranglijst. Als afschrikwekkend voorbeeld heeft de staatssecretaris Chicago genoemd. Daar deden scholen alles om hun zwakke leerlingen te dumpen, omdat de financiering samenhing met de toetsresultaten. Nu suggereert de staatssecretaris zelf dat leraren op basis van toegevoegde waarde kunnen worden beoordeeld. Gaan wij daarmee dan niet dezelfde kant op als Amerika en het Verenigd Koninkrijk?

Mevrouw Ypma (PvdA):

De heer Klaver refereert aan Amerika, maar daar is sprake van iets heel anders. Daar wordt van de scholen gevraagd om elk jaar 5% beter te presteren. Dat heeft geleid tot verarming en verschraling van het onderwijs, maar het is toch echt iets anders dan hier wordt voorgesteld.

De heer Klaver (GroenLinks):

Bij alle begrotingen die ik heb behandeld sinds ik in de Kamer zit – ik was van het begin af aan woordvoerder Onderwijs – heb ik gezegd: het is belachelijk dat in de begroting staat opgenomen als beleidsdoelstelling het verhogen van de Cito-scores. Dat is gewoon een beleidsdoelstelling die het kabinet zichzelf heeft gesteld. Dat is misschien iets anders dan de 5% waar mevrouw Ypma het over had, maar die doelstelling wordt hier wel degelijk neergelegd. Ik wil de situatie in de VS of het Verenigd Koninkrijk niet direct op die van Nederland plakken; dat is het gevaar met internationale vergelijkingen. Ik geef alleen aan waar de processen die daar spelen in verband met het grote belang van zo'n toets, ook in Nederland toe zouden kunnen leiden. Op basis van die twee argumenten houdt de vergelijking met de VS volgens mij dus wel degelijk stand.

De betrouwbaarheid van een toets wordt negatief beïnvloed door elk extra belang dat je daaraan koppelt. Dat is geen gedachtespinsel van mij; dat is de les die het CITO ons heeft geleerd. Er bestaan tientallen manieren om toetsresultaten te beïnvloeden. We moeten niet beter controleren; we moeten professionals ertoe motiveren om de juiste diagnose te stellen. Toetsen zijn zeer waardevolle instrumenten om de vorderingen van kinderen te diagnosticeren. Professionals, dus leraren, kunnen op basis daarvan het leerproces aanpassen. Daar zijn toetsen voor bedoeld. Ze zijn niet bedoeld als beleidsinstrument voor politici om te bekijken hoe het onderwijs presteert. Daar ligt mijn centrale kritiek op dit wetsvoorstel en dat bepaalt ook mijn houding ten opzichte van dit wetsvoorstel. Er moet wel heel veel gebeuren – eigenlijk dat het zo'n beetje geschrapt wordt – voordat wij met dit wetsvoorstel kunnen instemmen.

De heer Beertema (PVV):

Ik hoor alleen hoe het allemaal niet moet en hoe slecht het is om te toetsen, behalve als instrument om die groei bij te houden. Hoe gaan we scholen dan wel afrekenen? Afrekenen op resultaat mag van u niet. Wat is volgens GroenLinks dan een criterium? Gaan we het geluk van leerlingen meten? Ik weet het niet; zegt u het maar.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik geloof niet dat wij als politiek er met allerlei managementaanpassingen voor kunnen zorgen dat het onderwijs beter gaat functioneren. U vraagt mij hoe ik het onderwijs dan wil afrekenen, maar ik wil het onderwijs niet afrekenen. Ik wil ervoor zorgen dat er in het onderwijs ruimte is voor professionals om goed te presteren. Ik wil hier best uiteenzetten – dat heb ik al vaker gedaan – waarom ik denk dat het onderwijs beter gaat presteren. Zorg ervoor dat er ruimte is in het onderwijs. Dat betekent dat er voldoende financiële middelen zijn. Het kabinet dat u gedoogde en ook dit kabinet investeren eigenlijk niets extra's in onderwijs. Zorg ervoor dat er ruimte is, zodat de groepen niet te groot zijn en zodat de leraren ook echt aandacht kunnen hebben voor de leerlingen. Zorg ervoor dat de leraar een goede professional is, dat zij al een masterdiploma hebben en een goede opleiding hebben gevolgd. Als zij dat hebben gedaan, zorg er dan voor dat zij dan ook de ruimte hebben om het onderwijsproces zelf vorm te geven en om daar zelf alle aandacht aan te besteden. Ik denk dat wij die weg moeten gaan. Die weg duurt langer dan de weg die de heer Beertema voor zich ziet, maar ik wil als politicus in de Tweede Kamer het onderwijs niet runnen alsof het ene koekjesfabriek is.

De heer Beertema (PVV):

Ook de heer Klaver, als GroenLinkser, kan toch niet ontkennen dat er heel slechte scholen en heel slechte schoolmanagers zijn? Op die scholen presteren leerlingen onder de maat, maar zij zijn daartoe veroordeeld. Wat de heer Klaver betreft, kijkt niemand daarnaar, want zij gaan hun gang maar en zij moeten de professionele ruimte hebben. Een heleboel docenten kunnen die professionele ruimte benutten, omdat zij niet zien dat de school slecht is.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ja, er zijn slechte scholen die moeten worden aangepakt. En ja, er zijn heel slechte managers en die moeten ontslagen worden. In het debat van gisteren over Amarantis had ik het over de autonomieparadox. Scholen hebben juist heel veel ruimte voor het financiële beheer, om echt bedrijfje te spelen. Op dat punt hebben zij alle ruimte en alle autonomie, maar op het punt van het onderwijsinhoudelijke aspect, daar waar de docent om de hoek komt kijken, hebben zij eigenlijk niets te zeggen. Mijn ideaal is dat wij ervoor zorgen dat die paradox wordt omgedraaid. Dat duurt vele jaren. Ik heb gezegd dat het misschien wel twintig jaar duurt om daar te komen, maar die weg wil ik op in plaats van met kunst en vliegwerk te proberen om het onderwijs allemaal nog een beetje bij elkaar te houden. Het kabinet wekt bij mij de indruk dat het met dat laatste bezig is, zeker op dit punt.

Mevrouw Straus (VVD):

Het betoog van de heer Klaver geeft heel veel ruimte voor de professional. Inderdaad, je zou ruimte moeten geven aan een professional in een professionele organisatie. Als je aan het eind echter niet duidelijk maakt wat je uiteindelijk verwacht van die professional en wat het resultaat moet zijn van de inspanningen die hij of zij met zijn hof haar professionaliteit biedt, gaat het toch alle kanten op? Wij vinden dat je moet aangeven wat je mag verwachten van het onderwijs in Nederland. Dat is precies wat de commissie-Dijsselbloem ons heeft gevraagd: spreek uit wat je verwacht van het onderwijs in Nederland.

De heer Klaver (GroenLinks):

In de argumentatie van de staatssecretaris worden heel veel onderzoeken aangehaald waarin wordt aangegeven dat het stellen en duidelijk toetsen van zo'n einddoel juist de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Er zijn echter ook voorbeelden van landen, zoals Finland, waar toetsen helemaal geen centrale rol spelen. Het ligt er aan welke waarden eraan ten grondslag liggen. Als je het onderwijs ziet als een markt, kun je ook marktinstrumenten zoals benchmarking inzetten om ervoor te zorgen dat er beter wordt gepresteerd. Dat is echter niet waaraan ik de kwaliteit van het onderwijs wil afmeten.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik heb het niet zozeer over benchmarking. Het gaat mij erom dat je docenten een einddoel geeft: wat moet een kind hebben geleerd aan het einde van groep 8? Dat hebben we nu niet gedefinieerd in het basisonderwijs in Nederland. Daardoor heeft ook niemand dat einddoel in zicht. Wij praten hier heel vaak over het zetten van een stip op de horizon. Die stip op de horizon moet je zetten, anders kom je er niet.

De heer Klaver (GroenLinks):

Als het gaat over referentieniveaus, dus het niveau aangeven waaraan kinderen zouden moeten voldoen, denk ik dat het heel goed is om daar naartoe te werken. Ik geloof dat het Micha de Winter was die het had over "het project kind". Wij denken met elkaar dat kinderen een soort van project zijn dat je in allerlei fasen kunt opdelen. Op hun vierde moeten ze dit kunnen, als ze acht zijn kunnen ze dit, met twaalf kunnen ze dit et cetera. Zo werkt het niet. Ieder kind heeft zijn eigen ontwikkeling. Soms kan dat betekenen dat je op je achtste misschien nog niet zo ver bent en op je twaalfde misschien ook nog niet. Als wij proberen om alle kinderen in hokjes te stoppen, dan laten wij in Nederland heel veel talent verloren gaan. Geef de ruimte aan de individuele ontwikkeling van kinderen en geef onderwijzers daarin een centrale rol. Investeer in betere onderwijzers. Dat zou het kabinet moeten doen in plaats van met kunst- en vliegwerk en een soort van managementpolitiek te proberen het onderwijs iets beter te maken.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Ik richt mij expliciet tot de coalitiepartijen. Als de VVD vindt dat de eindtoets zijn nut bewijst als onderdeel van een systeem om toegevoegde waarde te meten, waarom wacht mevrouw Straus dan niet op de resultaten van de experimenten? Tot de PvdA zeg ik: stop met de krachttermen. Ik hoor ze over Europa, ik hoor ze over het aanpakken van de banken en ik hoor ze nu over de centrale eindtoets. Als puntje bij paaltje komt, volgt zij echter de VVD. Ik doe het niet vaak – ik kijk nu naar de heer Van Dijk – maar ik zal de heer Roemer citeren: stop met links lullen en rechts regeren, kies voor uw idealen!

De voorzitter:

U krijgt applaus van de SP.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dat gebeurt mij niet vaak!

De voorzitter:

Geniet ervan!

De heer Van Meenen (D66):

Ook mijn complimenten. Ik heb een tweetal voorstellen gedaan, namelijk om ofwel de Cito-eindtoets helemaal naar achteren te verplaatsen ofwel het advies te laten volgen op de toets. Kan de heer Klaver daar eens op ingaan? Zijn dat ideeën die ook bij GroenLinks kunnen passen?

De heer Klaver (GroenLinks):

Het eerste punt was om de toets naar achteren te schuiven …?

De heer Van Meenen (D66):

Naar juni of zo.

De heer Klaver (GroenLinks):

In mijn bijdrage heb ik daar al iets over gezegd. Als de toets, dus het individuele cijfer van leerlingen, later komt, bestaat het gevaar dat scholen zich niet op het individuele cijfer gaan beroepen maar op het gemiddelde cijfer van de afgelopen jaren van de basisscholen. Dat is een risico dat ik daarin zie. Ik ben dus benieuwd hoe de staatssecretaris reageert op dit punt. Op zich denk ik dat het later plaatsen van zo'n toets goed kan zijn, omdat leerlingen dan langer de tijd hebben en echt een vol jaar kunnen benutten voor hun ontwikkeling, alvorens ze zo'n toets maken. Wat het tweede punt betreft denk ik dat dit het wetsvoorstel hiermee niet zoverre wordt verbeterd dat de mening van GroenLinks erover verandert.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Vorige week was een spannend moment voor zo'n 165.000 leerlingen in het basisonderwijs. Zij kregen de uitslag van de Cito-toets. De Cito-toets is altijd een belangrijke graadmeter voor het vervolgonderwijs maar – zo zeg ik er met nadruk bij – is gelukkig niet allesbepalend. De juf of meester heeft een breed beeld van het kind, ook van de schoolprestaties in de totale schoolperiode. Heel vaak wordt dat als belangrijkste element gezien voor de beoordeling van het vervolgonderwijs. Gelukkig maar.

Als ik dit wetsvoorstel echter bekijk en als het doorgaat, dan vrees ik dat wij vanaf nu een andere weg inslaan. Ik zal maar meteen duidelijk maken hoe mijn fractie tegenover dit wetsvoorstel staat: meten is bij kinderen maar in heel beperkte mate weten. Kwaliteit van onderwijs is zo veel meer dan de resultaten van een toets. Kinderen kunnen zo veel meer dan alleen rekenen en taal. Als wij dit wetsvoorstel zouden invoeren, zou het beperkt worden tot deze aspecten. Daarom zijn wij tegen een verplichte eindtoets en tegen dit wetsvoorstel. Ik zal één voor één onze belangrijkste inhoudelijk kritiekpunten nalopen.

Allereerst is een belangrijke vraag: wat is het doel van de toetsing? Volgens de website van Cito is dat de leerling, de ouders en de leerkracht helpen bij het kiezen van een geschikt type voortgezet onderwijs. Het is voor veel scholen belangrijk om een hulpmiddel te hebben om de ontwikkeling van kinderen te meten. Een toets kan een didactische meerwaarde hebben om te weten wat een leerling kan en waar hij nog aan moet werken.

Om die reden is opbrengstgericht werken de norm geworden in het basisonderwijs. Scholen willen hier ook graag mee aan de slag. De vraag is of meer verplichtingen en verantwoording de beste manier is om opbrengstgericht werken te bevorderen. Het administratiecircus waar leraren mee te maken hebben, lijkt inmiddels zijn doel voorbij te schieten. Niet de les maar administratie en verantwoording nemen meer en meer tijd in beslag, terwijl het regeerakkoord juist inzet op de professionaliteit van de leraar. Waarom kiest de staatssecretaris dan toch voor meer verplichtingen? Is dit een motie van wantrouwen in de richting van het onderwijsveld?

De ChristenUnie wijst de groeiende Haagse bemoeienis met de dagelijkse onderwijspraktijk af. De staatssecretaris zei afgelopen week letterlijk dat het ministerie met een centrale toets de touwtjes wat strakker in handen kan nemen, terwijl minister Bussemaker onlangs vraagtekens plaatste bij het telkens aanscherpen van wetten om problemen te lijf te gaan. De minister zei dat niet alles wat in Den Haag verzonnen wordt, altijd de gewenste uitwerking heeft. Woorden naar mijn hart. Maar dat gevoel krijg ik ook bij dit wetsvoorstel. Het gaat uit van een beheersingsdenken vanuit Den Haag dat wij de laatste jaren vaker hebben gezien. Hoe moet ik de wijze lessen van minister Bussemaker rijmen met dit wetsvoorstel en de opmerkingen van de staatssecretaris afgelopen week?

Van veel leraren krijg ik te horen dat de Cito-toets voor de inspectie nu al een belangrijke graadmeter in de beoordeling is. De zware nadruk op toetsing in het oordeel van de inspectie staat nu niet in de Wet op het primair onderwijs, maar in de nieuwe wet staat letterlijk dat de leerresultaten van de school straks jaarlijks worden beoordeeld op basis van de resultaten van de afgelegde centrale toetsen. Gaat een serie meerkeuzevragen bepalen of een school de kwaliteit op orde heeft? Wat is er mis met de huidige formulering in de wet? Lukt het ons onvoldoende om zwakke scholen op te sporen? Ik heb die indruk niet. Ik heb daarom samen met collega Rog een amendement ingediend om de huidige wettekst op dit punt te behouden.

De staatssecretaris vindt dat scholen meer openheid moeten geven over hun prestaties. Ook de ChristenUnie vindt dat scholen aandacht moeten besteden aan verantwoording over de onderwijskwaliteit, maar dan wel in de juiste volgorde en aan de juiste personen. In de eerste plaats gaat het om verantwoording aan ouders, kinderen en leraren. Het gaat om de kwaliteit van het lesgeven, de kwaliteit van de lesinhoud, de bijdrage aan een brede ontwikkeling van leerlingen en een goede begeleiding van iedere leerling. Ouders maken deel uit van een schoolgemeenschap en hebben recht op deze informatie.

Via Vensters PO, waar mevrouw Ypma het al over had, kan de verantwoording aan ouders al een stuk genuanceerder plaatsvinden dan via openbaarmaking van de gemiddelde scores. Nu wij toch op het punt van de openbaarmaking van Cito-scores zijn gekomen, de staatssecretaris kiest voorlopig niet voor het openbaar maken van de Cito-scores. Hij wil de uitspraak van de rechter afwachten. Ik vraag hem in dit debat duidelijk aan te geven waar hij zelf staat. Vindt hij het wenselijk dat ze openbaar worden gemaakt? Het slechts openbaar maken van Cito-scores zal namelijk leiden tot ongewenst gedrag. Dat zien wij nu al terug in het basisonderwijs. Soms wordt wekenlang getraind voor de toetsweek om een zo hoog mogelijke score te halen. Is dat in het belang van de leerling of de school? De bekostiging of het aantal aanmeldingen hangt er straks misschien wel van af. Bovendien zijn leerlingen die minder goed kunnen leren niet zo interessant voor de ranking van een school. Scholen in achterstandswijken, of kleinere scholen die veel zorgleerlingen aantrekken omdat die daar kleinschaliger onderwijs krijgen, worden zo benadeeld. De gemiddelde toetsscore is misschien lager, maar de begeleiding kan van hoge kwaliteit zijn. Hoe gaat de staatssecretaris met die nuances om? Wat staat voorop bij het meten van leerresultaten: een analyse tussen scholen, een analyse binnen de school of een analyse van de prestaties van de individuele leerling?

Ik wil ook ingaan op de invloed van het wetsvoorstel op de inrichtingsvrijheid van scholen en de autonomie van de docenten. De Raad van State noemde dit ook als een belangrijk kritiekpunt. Er moet volgens de raad terughoudendheid worden betracht bij het opleggen van inhoudelijke onderwijsnormen. Het gedetailleerd voorschrijven van het leerlingvolgsysteem leidt tot een inperking van de ruimte van scholen en de autonomie van docenten. Bovendien signaleren wij geen probleem bij de huidige vrijheid om toetsen af te nemen en een leerlingvolgsysteem te hanteren. Veel scholen hanteren al een volgsysteem voor leerlingen. Het is een goed middel om de ontwikkeling van leerlingen in de gaten te houden. Waarom is het nu nodig om het te standaardiseren en verplicht op te leggen? Waarom heeft de staatssecretaris er geen vertrouwen in dat de scholen de leerresultaten goed monitoren? De gerichtheid op het toetsen van een beperkt aantal vakken brengt bovendien de brede kwaliteit van vrijheid van onderwijs in gevaar. De kwaliteit van een leerling wordt over een beperkt aantal vakken door een momentopname gemeten. Dat is een te smalle weergave van het onderwijs. Een kind leert meer dan alleen rekenen en taal. Hoe zit het met de brede vorming? Hoe zit het met de didactische vrijheden van scholen? Al dat soort aspecten krijgen wij niet boven water door het verplichten van de Cito-toets.

De ChristenUnie is bovendien tegen een wettelijk monopolie van Cito. Sommige scholen hebben zelf toetsen ontwikkeld die aansluiten bij hun onderwijsvisie. Zij worden straks verplicht om een Cito-toets af te nemen. Ook hier constateer ik problemen met de vrijheid van scholen. Waarom is ingrijpen noodzakelijk?

Een aparte categorie betreft het speciaal onderwijs. Voor het speciaal onderwijs wordt vanaf 2015 het gebruik van de eindtoets verplicht. Het gaat om een aangepaste versie, en er wordt een uitzondering gemaakt voor kinderen die bijvoorbeeld zeer moeilijk lerend zijn. Toch heeft de ChristenUnie grote bezwaren tegen een eindtoets voor het speciaal onderwijs. Het gaat om een zeer diverse groep leerlingen die niet voor niets in het speciaal onderwijs terecht gekomen is. Is een eindtoets geschikt voor leerlingen in het clusteronderwijs? Hoe kun je een kind met een IQ van 50 beoordelen via een opgelegde eindtoets? Het gaat er toch veel meer om dat men kijkt hoe het kind zich in de breedte heeft ontwikkeld op zo'n school, en niet alleen op een aantal aspecten? Hoe kun je een school in het speciaal onderwijs afrekenen op een gemiddelde toetsscore, aangezien veel leerlingen in- en uitstromen en de niveauverschillen per klas heel groot kunnen zijn? Doet een leraar het in het clusteronderwijs slecht als de toetsscores onder de maat zijn? Wij hebben daar onze twijfels over, sterker nog, het lijkt ons dat deze docent geroemd moet worden voor al het werk dat hij verricht in het clusteronderwijs.

Omdat de ChristenUnie de focus op resultaatmeting niet vindt passen bij het speciaal onderwijs, heb ik een amendement ingediend om de verplichting te schrappen.

De wijzigingen die de PvdA en de VVD vandaag voorstellen, verzwakken in ieder geval de zware nadruk op toetsing in het wetsvoorstel. Dat is winst. Toch blijft mijn vraag welk probleem we met het wetsvoorstel oplossen. Het verbaast mij bovendien dat de PvdA de verplichte eindtoets verdedigt, terwijl in het verkiezingsprogramma van deze partij staat dat scholen zelf moeten kunnen kiezen voor een leerlingvolgsysteem en een eindtoets. Is het verkiezingsprogramma van de PvdA opeens niet belangrijk meer?

Mevrouw Ypma (PvdA):

In het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid staat dat scholen moeten kunnen kiezen voor een leerlingvolgsysteem, en dat we toe willen naar een eindtoets. Dat zijn twee verschillende dingen. Dit is even een correctie op wat mevrouw Schouten zegt.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dan adviseer ik de PvdA via mevrouw Ypma om haar programcommissie wat helderder teksten te laten opstellen, want nu wordt in één zin een eigen leerlingvolgsysteem en eindtoets genoemd. Mevrouw Ypma kan het ons niet kwalijk nemen dat wij het zo interpreteren dat het woord "eigen" voor beide van zeer groot belang is. Ik heb mevrouw Ypma zojuist zelfs in een interruptie tamelijk scherpe woorden over het leerlingvolgsysteem horen spreken. Het kan toch niet zo zijn dat scholen zelf maar bepalen hoe ze het kind monitoren? Op basis van het verkiezingsprogramma van de PvdA zou dat wel moeten kunnen. Ik constateer dus dat mevrouw Ypma nu een andere lijn kiest dan haar partij eerder in het verkiezingsprogramma heeft gedaan. Dat is prima, maar dan wil ik wel graag dat zij dat hier toegeeft.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Nee. Ik heb het zonet gecorrigeerd en ik zal zo meteen uitleggen dat ik het met mevrouw Schouten eens ben dat scholen zelf hun leerlingvolgsysteem moeten kunnen kiezen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat is dan maar weer de winst van dit debat. Laten we dat maar constateren. Over het punt van de eindtoets worden wij het echter zeker niet eens. Ik vrees voor mevrouw Ypma, niet zozeer voor ons misschien, dat heel veel docenten dit zinnetje in het verkiezingsprogramma van de PvdA hebben gelezen zoals wij het hebben gelezen. Zij heeft bij al die docenten de indruk gewekt dat ze voor een niet-verplichte eindtoets was, terwijl ze daar straks wel mee gaat instemmen. Dat betreur ik.

Mijn conclusie is dat dit wetsvoorstel nauwelijks draagvlak heeft in het onderwijs. Scholen willen juist de komende jaren rust en ruimte, gezien alle uitdagingen die zij op zich af zien komen. De ChristenUnie vindt dat het wetsvoorstel te veel ingrijpt in de autonomie van scholen en leraren. De staatssecretaris wil weliswaar de touwtjes meer in handen hebben, maar ik doe graag een tegenvoorstel: laat de touwtjes wat meer vieren. Misschien komen leraren dan ook wat meer toe aan hun kerntaak, namelijk het lesgeven zelf.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. We praten over een wet die alle scholen in Nederland verplicht om deel te nemen aan de Cito-toets. Niet een eindtoets, nee, specifiek de Cito-eindtoets. Ik moet echter nog zien wat er van deze wet overblijft. We krijgen namelijk op de valreep allerlei forse wijzigingsvoorstellen op ons bord. Partijen willen van alles veranderen, zo lezen we ook in de media, en daardoor wordt het lastig om deze wet te behandelen. We weten namelijk niet hoe hij eruit gaat zien. Dat als opmerking vooraf.

Door de toets te verplichten, zou de kwaliteit van het onderwijs omhooggaan. Hoe dit kan, blijft onduidelijk. Er is niets mis met toetsen, maar een toets an sich doet niets met het niveau van leerlingen. Daarvoor zul je moeten investeren in onderwijs: in goede leraren, in kleine klassen en in voldoende ondersteuning. Daarvan is echter geen sprake. Integendeel. Er komen nieuwe bezuinigingen op het onderwijs af. De nullijn voor leraren en het afzien van de prijsbijstelling tellen op tot circa een half miljard euro minder voor het onderwijs.

De verplichte eindtoets zou scholen stimuleren om opbrengstgericht te gaan werken en een doorlopende leerlijn te garanderen. Dat opbrengstgericht werken moet er komen door een verplicht leerlingvolgsysteem. Een leerlingvolgsysteem moet iets zijn wat de leerkracht ondersteunt, en niet een opgedrongen keurslijf. Het kabinet streeft naar een goede doorlopende leerlijn voor alle kinderen. Dat is een mooi streven, maar waarom het kabinet dan niet bij het begin en zorgt het ervoor dat ook de voor- en vroegschoolse educatie onder de onderwijswetgeving komt te vallen?

Waar de SP vooral moeite mee heeft, is het reduceren van kinderen tot taal- en rekenmachines. Natuurlijk moet de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs goed zijn en omhoog gebracht worden, maar we betwijfelen of dat gebeurt door het simpelweg invoeren van een centrale eindtoets en een verplicht leerlingvolgsysteem. Als het onderwijsniveau niet goed is, bijvoorbeeld door de hoge werkdruk, dan lossen we dat hiermee niet op. Stel, je zit in een overvolle klas met 30 leerlingen waarvan 5 zorgleerlingen. Dan is het lastig werken voor de leerlingen en de leerkracht. Daartegen helpt niet een toets, maar een investering in kleine klassen. Daarom zijn wij bang voor toetsterreur, want zo voelen kinderen, ouders en docenten het. Er ontstaat een afrekencultuur die zijn weerga niet kent. De staatssecretaris zegt dat de wet niet bedoeld is om scholen ergens op af te rekenen, maar dat is wel degelijk een risico. De Cito-toets zou niet betrokken moeten worden bij een beoordelings- of sanctioneringsbeleid. Wij zien die perverse prikkel nu al wel ontstaan. Zo is oud-wethouder Asscher van Amsterdam ooit begonnen met het publiceren van de gemiddelde Cito-scores van scholen. Als leerkracht van een zwarte school kon je beter meteen aan de antidepressiva. Hoe hard je ook werkte, je werd door de pers en de politiek keihard afgestraft voor je werk. Monique Volman, onderwijskundige aan de Universiteit van Amsterdam, zegt in de Volkskrant van 9 maart dat ze vreest dat scholen zwakke leerlingen gaan weigeren om hun resultaten op peil te houden. De heer De Bruijne, voorzitter van de Amsterdamse schoolbestuurders, beaamt dat dit nu al gebeurt en niet alleen in Amsterdam. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat scholen leerlingen gaan selecteren met de toets en de afrekening in het achterhoofd?

De staatssecretaris wil waken voor het te veel waarde hechten aan de toetsgegevens tijdens de schoolloopbaan van kinderen. Als wij de Kwaliteitswijzer Basisonderwijs Amsterdam erbij nemen, zien wij dat de scholen in de hoofdstad niet alleen beoordeeld worden op hun Cito-scores en op het inspectierapport, maar dat er ook uitgebreid wordt ingegaan op de resultaten van taal in groep 2, technisch lezen in groep 3 en 4, begrijpend lezen in groep 6, rekenen in groep 4 en ga zo maar door. Scholen zullen zich gaan richten op het zogenaamde "teaching to the test", want anders tellen ze niet meer mee. Een verplichte toets is dan ook zonde van het geld, maar het wordt pas echt erg als de toetsgegevens worden misbruikt voor het beoordelen en sanctioneren van de scholen door politici. Dit zie je nu al in Amsterdam.

Je zult heden ten dage maar juf of meester zijn op een gewone basisschool. Je probeert kinderen op alle vlakken te ontwikkelen en mensen van hen te maken die zelf nadenken en zelfstandige beslissingen kunnen nemen. Je probeert ze liefde voor hun omgeving bij te brengen en besteedt aandacht aan de canon van Nederland. Je probeert ze kunst en cultuur bij te brengen evenals wereldoriëntatie. Al dat werk verdwijnt naar de marge, want er wordt alleen op taal- en rekenvaardigheden afgerekend. Dat is een verschraling van de leeromgeving. Waarom slaat de staatssecretaris de conclusies van de Amerikaanse onderzoekers in de wind, namelijk dat het gevaar van teaching to the test wel degelijk bestaat?

De heer Beertema (PVV):

In artikel 3.4.2. Normering en sanctionering van het voorliggende wetsvoorstel staat over de Inspectie van het Onderwijs: "Daarbij betrekt de inspectie niet alleen de cognitieve prestaties bij de beoordeling van de opbrengsten, maar betrekt ze ook – waar mogelijk – de sociale competenties van leerlingen en het vermogen van een school om leerlingen vast te houden en zonder vertraging of schooluitval door hun schoolloopbaan te leiden." Waar komt toch het misverstand vandaan dat de inspectie kwaliteit alleen maar duidt op basis van de cijfers die voor taal en rekenen worden gehaald? De woordvoerder van de SP vertelt allerlei dramatische verhalen over leerkrachten die hun leerlingen zo graag willen inwijden in de Nederlandse cultuur, althans hij refereerde daar even aan. Hij zei dat dat heel belangrijk is, maar dat lezen en rekenen niet zo belangrijk is. Waarom zou het een het ander nou toch uitsluiten?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is de bedoeling dat het een het ander niet uitsluit. Taal en rekenen zijn belangrijk. Wereldoriëntatie is belangrijk evenals geschiedenis en noem maar op. In mijn pleidooi uit ik de zorg dat wij nu gaan doorslaan naar een veel te eenzijdige blik op de Cito-toets en op taal en rekenen. Daar wil ik voor oppassen.

De heer Beertema (PVV):

De heer Van Dijk gebruikt het voorbeeld van al de toetsen die afgenomen worden. Dat zijn natuurlijk toetsjes die geïntegreerd zijn in de methodes die vanaf groep 3 door scholen worden aangeschaft. Ik heb jarenlang in het onderwijs gewerkt. Ik toetste ook iedere dag wel eventjes. Je kunt zeggen dat het een idioot toetscircus is waardoor iedereen gestrest wordt en aan de valium moet, maar dat is natuurlijk onzin. Bij onderwijs hoort groei. Die moet je controleren en evalueren. Daar is helemaal niets mis mee. Dat toetscircus valt aan alle kanten mee. De heer Van Dijk moet zich niet zo gek laten maken door de achterban van de SP die daar werkt en gewoon graag om 15.30 uur naar huis wil. Dat is het.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Er is niets mis met toetsen, maar wij hebben het vandaag over een Noord-Koreaans voorstel dat de PVV van harte steunt, namelijk om dit van bovenaf op te leggen. Het valt mij zwaar tegen van de heer Beertema dat hij daar zo in meegaat. Ik had een andere ideologie van hem verwacht. Waarom krijgen we geen echte antwoorden op het risico van een tweedeling als rijke ouders dure extra cursussen regelen voor de Cito-toets terwijl andere kinderen die niet krijgen? Pas afgelopen september is gestart met de voorbereidingen voor de pilot leerwinst en toegevoegde waarde in het basisonderwijs. Waarom wordt de uitkomst van deze pilot niet afgewacht alvorens de toets te verplichten? Mijn fractie overweegt hierover een motie, omdat de staatssecretaris ons nog niet heeft kunnen overtuigen waarom dit niet tot de mogelijkheden zou behoren.

Toetsen is prima als middel, maar niet als afrekening van scholen, want daarmee wordt het een motie van wantrouwen naar alle professionals. Een toets gaat over leerlingen en niet over de school als geheel. Door de publicatie van allerlei rankinglijstjes worden scholen opgejut om een zo hoog mogelijke score te halen, want ze willen goed voor de dag komen naar de ouders. Het gevolg daarvan is dat in plaats van dat Cito toetst wat scholen doen, scholen doen wat Cito toetst. Hierdoor zullen zwakke leerlingen geweerd worden. Zij zijn immers niet goed voor de gemiddelde score.

Schooladvies is belangrijk. Wat dat betreft zijn we het eens met de wijzigingsvoorstellen op dat punt. 85% van de scholen houdt al een Cito-toets. 15% doet het anders. Er staat nu al in de wet dat een basisschool twee adviezen moet hebben. Dat is hartstikke goed. Wij willen niet dat met deze wet de overheid achterover leunt en de beoordeling van scholen aan ouders laat door middel van ranglijstjes, scores et cetera. Wij willen dat de overheid garandeert dat het onderwijs op elke school uitmuntend is. Scholen moeten niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar er moet kwaliteit zijn over de hele linie. Het naar achteren halen van de Cito-toets is in orde, maar verandert dat nu echt de realiteit van veel middelbare scholen? Die schrijven toch voorwaardelijk in tot de uitslag van de Cito-toets er is?

Deze wet en alle wijzigingen roepen vooral veel vragen op. Door het plak- en knipwerk wordt het niet overzichtelijker. Dan kom je bij de vraag voor welk probleem deze wet een oplossing is. Is de huidige situatie niet beter? Zou de staatssecretaris niet nog eens heel goed moeten overleggen met de coalitiepartijen voordat hij deze wet indient? Tot die tijd zou ik zeggen: trek deze wet in en laat de scholen met rust.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Het was even wakker worden, want zo vaak sta ik hier niet meer sinds dit kabinet is aangetreden. In maart 2011 hadden we met de commissie Onderwijs zes debatten over onderwijszaken. In maart 2012 waren dat er acht. Nu zitten we in maart 2013 en is dit het eerste debat van de maand. Ook de portefeuille OCW komt onder dit kabinet kennelijk maar moeilijk op stoom. Maar goed, we buigen ons nu over de Cito-toets, die opgewaardeerd zou moeten worden tot een centrale eindtoets voor het basisonderwijs. De Cito-toets is ingeburgerd op de grote meerderheid, 85%, van de scholen. Tot nu toe was het onderwijs echter niet verplicht die toets bij het Cito af te nemen. Deze wet voorziet erin dat de toets voortaan de landelijke eindtoets wordt genoemd.

Voor de PVV is de invoering van een eenduidig eindpunt een cruciaal punt in de doorgaande leer- en toetslijn over de gehele breedte van het onderwijs door alle verdiepingen heen. Dat is heel belangrijk en misschien zelfs een kroonjuweeltje. In Rutte I deelde de VVD dit kroonjuweel met ons. Beide partijen onderschreven toen de absolute noodzaak om in het primair onderwijs in de eerste plaats de kinderen en de ouders en in de tweede plaats het vervolgonderwijs objectieve informatie te geven over de capaciteiten van de leerlingen. Dat is heel belangrijk voor de leerling en de ouders, want verkeerde matching met het vervolgonderwijs leidt tot enorme onzekerheid, tot een chaotische leerlijn, tot afstroming, tot zittenblijven en daarmee tot teleurstelling en vertraging van de ontwikkeling van talenten. Dat is ook heel belangrijk voor de basisschool zelf, want leraren daar willen graag goed advies geven omdat ze met hun leerlingen meeleven, hen het beste kennen en het beste voor hen willen. Leraren zijn echter ook maar mensen. Ze vinden het altijd moeilijk om slechtnieuwsgesprekken met ouders te voeren. Vaak zijn het tegenwoordig assertieve ouders die denken dat zij er goed aan doen om met de school in gevecht te gaan voor hun kind, om ervoor te zorgen dat het hoogst mogelijke advies eruit rolt. Ik neem het de leraren niet kwalijk dat regelmatig aan die ongewenste druk wordt toegegeven, want het is heel moeilijk om die te weerstaan, hoe professioneel je ook bent. Daarom is het voor leraren zo belangrijk om niet hun advies, maar de centrale eindtoets leidend te laten zijn en het advies van de school toe te voegen als extra informatie die in twijfelgevallen de schaal naar boven of beneden laat doorslaan.

De heer Van Meenen (D66):

Is de heer Beertema het met mij eens dat vastgesteld is dat het advies van de basisschool een betere voorspeller voor het studiesucces in het voortgezet onderwijs is dan de Cito-toets?

De heer Beertema (PVV):

Nee, dat ben ik niet met de heer Van Meenen eens. Er zijn zelfs voorbeelden van Amsterdam in de jaren tachtig – ja, toch weer Amsterdam – waar zo nodig die externe toets opgegeven moest worden. Het gevolg was dat die externe toets in de loop van de jaren niet werd ingezet en de adviezen steeds hoger werden, zo hoog dat het voortgezet er ongelooflijk over begon te klagen. Er was sprake van de ene mismatch na de andere. Het is een bijna natuurlijk wetenschappelijk gegeven dat dit gebeurt. Professor Dronkers, u welbekend, doet hierover stevige uitspraken. Zonder harde externe toets gaat het mis.

De heer Van Meenen (D66):

Ik deel dergelijke ervaringen en herken dit beeld, maar toch is wetenschappelijk aangetoond dat het voorspellende karakter van het advies ondanks die druk beter is dan dat van de Cito-toets. Dat kan de heer Beertema toch niet ontkennen? Hoewel er ook dingen misgaan, is dat gewoon vastgesteld.

De heer Beertema (PVV):

Ik ken dat onderzoek niet. Ik baseer mij op uitspraken van professor Dronkers, die ik heel hoog heb zitten. Ik baseer mij op het empirische gegeven dat er in Amsterdam in de jaren tachtig jarenlang problemen zijn geweest door het afschaffen van de externe toets. Men heeft daar jarenlang heel hard moeten knokken om de boel weer in het gareel te krijgen. De Cito-toets, die toen met een verplicht karakter is ingevoerd, heeft ertoe bijgedragen dat het uiteindelijk weer een beetje ging. Daar baseer ik mij dus op.

Leraren willen daarom ook het geobjectiveerde oordeel van een eindtoets. Een externe, objectieve toets dient transparantie te waarborgen, waardoor we een meer gestandaardiseerd beeld krijgen van die basisschoolleerlingen. Dat is belangrijk. Ik benadruk het woord "objectief". Alleen aan het oordeel van de school valt het niveau van een leerling niet te meten. Daarom had ik het praktijkvoorbeeld uit Amsterdam in mijn betoog opgenomen; ik kan het nu even overslaan omdat ik het al genoemd heb. Professor Dronkers zei inderdaad: zonder harde externe toetsing werkt geen enkele instelling goed. De heer Van Meenen wil ik toevoegen: kijk eens naar de banken, naar de woningcorporaties enzovoorts. Ook in het onderwijs werken niet alleen heel warme, sociale mensen. Ook daar werken mensen die gevoelig zijn voor perverse prikkels. Er is niets mis mee om daarop vanuit Den Haag, waar wij verantwoordelijkheid hebben voor die gigantische hoeveelheden geld die naar het onderwijs gaan, goed toezicht uit te oefenen.

De heer Van Meenen (D66):

De heer Beertema haalt professor Dronkers aan. Is hij het met mij eens dat dit toch enigszins uit verdachte hoek komt, omdat professor Dronkers de eerste was die de kwaliteit van scholen trachtte weer te geven in één getal, in zijn onderzoek voor Trouw?

De heer Beertema (PVV):

In tegenstelling tot alle andere woordvoerders hier, wat ik een zorgelijke ontwikkeling vind, ben ik helemaal niet tegen kwaliteitslijstjes. Ik ben niet tegen concurrentie van scholen onderling. Ik geloof niet in dat zoetsappige "we doen het allemaal samen". Ga toch weg! Er zijn gewoon ongelooflijk slechte scholen en er zijn heel goede scholen. Er zijn heel slechte leraren en heel goede leraren. Ook dat die mensen allemaal gelijk beloond worden, daar moeten wij eens van af. Wij moeten eens af van die eeuwige gelijkheidscultuur in het onderwijs. Onderwijs geven is een vak, een ambacht. Daar zijn normen voor op te stellen die je gewoon kunt meten. Daar is helemaal niets mis mee. Als u naar een ziekenhuis gaat, gaat u ook eventjes achter de PC zitten om te bekijken of dat ziekenhuis niet voorkomt op een lijstje van allerlei falende afdelingen. De media stromen daar vol mee. Neemt u het de patiënt of de burger kwalijk dat hij daar nieuwsgierig naar is? Nee, natuurlijk niet. Dat doet u wel met een ziekenhuis maar met een school zou u het niet doen, want daar werken allemaal van die enthousiaste, bezielde mensen. Ga toch weg, mijnheer Van Meenen.

De voorzitter:

Wilt u beiden via de voorzitter spreken?

De heer Van Meenen (D66):

Het is altijd fijn dat de heer Beertema de vraag even wat extra kleur en invulling geeft, zodat hij zijn eigen verhaal kan houden. Mijn vraag was heel concreet wat hij ervan vindt dat die kwaliteit wordt weergegeven in één getal. Ik weet niet of de heer Beertema op basis van één cijfer, bijvoorbeeld een 7, beslist om wel of niet naar een ziekenhuis te gaan. Mijn stelling is in ieder geval dat dit vrij mager is. Dat is precies wat prof. Dronkers gestart is in dit land met zijn Trouw-onderzoek. Daarin heeft hij alle scholen van Nederland in een ranglijst gezet en weergegeven met één getal. Vindt de heer Beertema dat de kwaliteit van een school in één getal te vangen is?

De heer Beertema (PVV):

Als ik naar een uroloog zou moeten, en ik zou een lijstje hebben met de cijfers over urologen, dan ga ik liever naar een uroloog met een 9,5 dan eentje met een 5,6. Als het gaat om scholen, vind ik dat de heer Van Meenen gelijk heeft als hij zegt dat een kaal gemiddelde niet zo heel veel zegt. Het zegt absoluut wel wat, maar niet alles. Wat mij betreft wordt het dan ook mogelijk om die Citoscore te hangen aan bijvoorbeeld een gemiddeld opleidingsniveau van de ouders; we moeten prof. Dronkers ook maar eens vragen om dat mogelijk te maken. Op dat moment kun je namelijk wel degelijk uitspraken doen over de toegevoegde waarde die een school in een bepaalde wijk heeft te bieden.

De heer Bisschop (SGP):

Ik doe mijn uiterste best om het betoog van de heer Beertema te blijven volgen. Dat is altijd boeiend. Ik ben echter bang dat ik nu langzaam de draad kwijt raak. Daarom stel ik hem graag een vraag. Aan de ene kant hoor ik hem een gloedvol betoog houden voor een harde toetscultuur, aan de andere kant hoor ik hem ook het genuanceerde verhaal houden dat feitelijk past bij een doorgaand proces van een leerlingvolgsysteem op basis waarvan de balans kan worden opgemaakt. Wil de echte Beertema aangeven wat de kern van zijn verhaal is?

De heer Beertema (PVV):

De echte Beertema heeft misschien wel verschillende kanten, mijnheer Bisschop. Ik pleit niet voor een harde afrekencultuur. Ik pleit wel voor een geobjectiveerd meetinstrument waarmee je als ouder, als inspectie en als volksvertegenwoordiger iets in handen hebt waarmee je een zinnig, goed gefundeerd oordeel kunt vellen over de mate waarin een school in staat is geweest om bij een leerling toegevoegde waarde aan te brengen. Dat is belangrijk. Dat doen we op grond van de kernvakken lezen en rekenen. De kernvakken zijn belangrijk. Dat wordt hier door iedereen erg ontkend, maar in de rest van de wereld wordt dat helemaal niet ontkend. Wij bevinden ons economisch gezien ook in een concurrentiepositie met landen die heel veel in onderwijs investeren maar ook heel veel in bijvoorbeeld die kernvakken investeren: taalbeheersing, rekenen, wiskunde, natuur- en scheikunde et cetera. Dat zijn ook harde vakken, maar al die andere ontwikkelingen worden natuurlijk wel meegenomen. Die hoef ik echter niet zo nodig te gaan testen. Die kun je ook niet testen.

De heer Bisschop (SGP):

Ik denk dat de heer Beertema en andere sprekers steeds dichter naar elkaar toe groeien. Dat is op zich een mooi proces om te zien. Geen harde afrekentoetscultuur dus. Is de heer Beertema echter met mij van mening dat die nadruk op de Cito-toets, die vorm van toetsing, toch tot een soort afrekencultuur leidt? Is dat dan geen aanleiding om juist op dat punt wat terughoudender te zijn en meer op dat leerlingvolgsysteem te koersen?

De heer Beertema (PVV):

Natuurlijk brengt het perverse prikkels met zich mee. Dat zal best wel. Als dat gebeurt, hebben wij hier echter volop de gelegenheid om er iets voor te verzinnen. Daar zijn wij hier toch voor? Stelt u zich eens voor dat we dit niet doen. Dan laten wij het maar gewoon aan de goodwill van al die bestuurders over om een beetje aan te rommelen, terwijl wij nergens vanaf weten. Dat brengt pas perverse prikkels met zich mee. Dan laat je die leerlingen en hun ouders pas aan hun lot over. Er is niet zo veel mis met controle. Je controleert op basis van cijfers. Dat betekent niet automatisch dat scholen en leraren bedolven worden onder bureauwerk. Als je een school goed organiseert, valt dat allemaal reuze mee. Elke professionele schoolleider – die zijn er ook – zal dat beamen.

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):

Een slotopmerking. Ik ben het ermee eens dat wij hier oprecht pogingen doen om tot een goed systeem van toetsen te komen. Hierdoor kan het onderwijs de prestatie meten die gemeten moet worden. Ik denk echter dat het verstandig is om kritisch te reflecteren op de vraag of de Cito-toets daarin de sleutelrol moet vervullen.

De heer Beertema (PVV):

Oké, ik ga verder, voorzitter. In theorie is de Cito-toets een adviserend instrument. Dat klopt. Het advies van de school weegt zwaarder dan het Cito-advies. In de praktijk is het echter anders. Je komt op dit moment geen school in het voortgezet onderwijs binnen zonder die Cito-score. Het advies van de basisschool wordt meegenomen in twijfelgevallen, als achtergrondinformatie van een leerling als er bijzondere omstandigheden zijn. Wij zijn tevreden met die praktijk. Wij zijn niet tevreden met de formele positie van de Cito-toets. Wij zien namelijk graag dat deze leidend is. Dat is hij niet, maar in de praktijk komt het er wel op neer.

In de amendementen van de Partij van de Arbeid die vandaag voorliggen, wordt echter geregeld dat de inschrijving in het voortgezet onderwijs plaatsvindt nog voordat de Cito-toets wordt afgenomen. Dat haalt, wat ons betreft, de ziel uit ons idee van een verplichte centrale eindtoets. Dan klopt zelfs de naamgeving niet meer. Laten we er dan een "wet op een vrijblijvend eindadvies" van maken. U zult begrijpen dat de PVV hier heel grote moeite mee heeft.

Het opschuiven van de eindtoets in het schooljaar kan op onze steun rekenen. Nu gaat er namelijk veel kostbare onderwijstijd verloren, maanden lang, omdat die besteed wordt aan de musical. Hartstikke leuk hoor. Die musical behoort langzamerhand tot het vaste repertoire van groep acht van de basisschool. Er is zelfs een complete industrie omheen ontstaan, die goed geld verdient aan het aanleveren van complete, spectaculaire theatervoorstellingen. Heel leuk allemaal, maar moet die kostbare onderwijstijd nu vermorst worden aan dit soort dingen? Wij vinden van niet. Laten we de eindtoets opschuiven, maar laten we dan tegelijkertijd met de VO-raad in gesprek gaan om ook de aanmeldingen op te schuiven. De logistiek moet echt worden aangepast. Wij willen per se niet dat leerlingen zich inschrijven op basis van een bindend advies van de school, dat dan vervolgens maanden later alsnog wordt ondersteund, of niet, door de volstrekt vrijblijvende niveaubepaling van de eindtoets. Bij een discrepantie tussen het schooladvies en het Cito-advies telt dan ook nog eens automatisch het hoogste advies. Dat haalt de ziel uit ons idee van een eindpunt van het basisonderwijs, waarbij objectief wordt vastgesteld wat het vervolgtraject van de leerling wordt, aangevuld met waardevolle informatie uit de school zelf. Wij hopen dat wij de Kamer ervan kunnen overtuigen dat het leerling- en onderwijsvolgsysteem, geïntegreerd met de conclusies van de eindtoets – wij zien deze als een geheel – leidend wordt bij de inschrijving in het vo. Het advies van de leraar wordt hierbij als extra informatie meegenomen. In ons grote onderwijsverhaal spelen de doorlopende leerlijnen van de ene onderwijsverdieping naar de andere namelijk een cruciale rol.

Mevrouw Ypma (PvdA):

De heer Beertema noemt het een volstrekt vrijblijvend punt, maar onderkent hij niet dat op dit moment het schooladvies en de Cito-score voor 86% van de kinderen overeenkomen? Bij 4% blijkt dat de Cito-score lager is dan het schooladvies en bij 10%, in sommige jaren zelfs 14%, blijkt dat de Cito-score hoger is dan het schooladvies. Als je het schooladvies centraal stelt, moet je dan de Cito-score niet als uitgangspunt nemen om kinderen altijd kansen te bieden, zodat het hoogste geldt?

De heer Beertema (PVV):

We zitten hier natuurlijk niet voor alle gevallen waarin het goed gaat en waarin er geen sprake is van discrepantie. Dat zijn de mooie gevallen. Daar kunnen we allemaal heel gelukkig mee zijn. We moeten echter de dingen goed regelen voor alle gevallen waarbij het wél tot die discrepantie komt, misschien zelfs wel tot conflicten, verbale dwang van ouders enzovoort. Daar moeten we vanaf. Nogmaals, ten opzicht van mevrouw Ypma zitten wij aan de andere kant van het spectrum. Wij hebben niet zo veel tegen die examenachtige momenten en dat Cito-circus, zoals het hier wordt genoemd. Heel veel kinderen kijken er ook met heel veel plezier op terug: een leuke en spannende tijd, het is weer eens wat anders, je hebt ernaartoe gewerkt. Kennelijk moeten alle D66-kindjes worden gedrogeerd omdat ze het anders allemaal niet redden. Ik heb die indruk echter helemaal niet. Heel veel kinderen vinden het hartstikke leuk. Natuurlijk is het spannend! Het leven is spannend!

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik vind dat een heerlijke levensinstelling van de heer Beertema. Ik weet ook dat hij een groot onderwijshart heeft. Maar is het onderwijs niet bedoeld om kinderen kansen te bieden? Moet je dan niet kinderen ook de kans en het voordeel van de twijfel geven om het hoogst mogelijke advies te volgen?

De heer Beertema (PVV):

Het hoogst mogelijke advies loopt ook heel vaak verkeerd af. Ik heb het hier ook over vmbo-scholen in Rotterdam-Zuid die er drie kwart jaar nadat een leerling op school is gekomen, achterkomen dat die leerling een taalachterstand van drie jaar heeft. De vorige school had dat niet bekend gemaakt. Kennelijk was dat niet naar boven gekomen. Dat klopt, want de leerlingen op die school deden helemaal geen toets, want het was zielig voor die kinderen om mee te doen, het was zo slecht voor hun zelfvertrouwen en zo. Weet u wat slecht is voor het zelfvertrouwen? Vmbo-teams opzadelen met dat soort kinderen. Dat is jarenlang gebeurd en daar hebben we u niet over gehoord. Maar als het gaat om het toetsen en het toetscircus dat Cito heet, dan staat iedereen op zijn achterste benen. Ik zou zeggen: laten we gewoon dit systeem invoeren. Het is een prachtig wetsvoorstel dat voorligt. Als je echter het schooladvies leidend laat zijn, dan ben je echt op de verkeerde weg. Ik wil de objectieve standaard de kans geven om zijn werk te doen op alle scholen. Wij vinden daar helemaal niks mis mee.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Er ontspint zich hier wel een heel curieus debat. Nu blijkt dat de PVV de grootste verdediger wordt van een kabinetsvoorstel dat de PvdA, de coalitiepartner van de VVD, ongeveer ongedaan aan het maken is. De echte gedoogpartner is dus weer opgestaan. Dat is nu wel de conclusie.

Ik heb echter ook nog een vraag over het betoog van de heer Beertema. Ik heb ontzettend goed zitten luisteren naar wat de heer Beertema als probleem presenteert en wat hij als oplossing daarvan ziet. Zijn betoog hinkt steeds op twee gedachten. Hij zegt het volgende. We hebben een heel goed systeem en 85% van de scholen doet het. Wel zijn er wat problemen met bepaalde primaironderwijsinstellingen die kwalitatief misschien niet hoogwaardig zijn. Daarom willen we het helemaal verplichten. Maar als we nu al een goed systeem hebben – de heer Beertema heeft die conclusie zelf al getrokken – is het dan wel nodig dat we het verplicht gaan uitrollen over alle scholen? Hoeveel procent van de scholen die niet goed presteren, gebruikt niet de Cito-toets? Dat is de logische vraag als we het betoog van de heer Beertema zouden samenvatten. Als hij die vraag niet kan beantwoorden, kan hij ook niet beweren dat het juist voor die 15% die de Cito-toets niet gebruikt, hoognodig zou zijn. Het staat immers helemaal niet vast dat die 15% slechte resultaten levert.

De heer Beertema (PVV):

Ik heb mij nog helemaal niet uitgesproken over de vraag wie dit toetssysteem zou moeten leveren. Wij staan hier niet zo principieel in dat het per se het Cito zou moeten zijn. Een monopolist werkt nooit helemaal goed. Wat mij betreft kunnen er ook andere aanbieders zijn. Het lijkt mij wel dat de Kamer – en het departement overigens ook – heel erg alert moet zijn op hetgeen wordt aangeboden. Ik stel wel vast dat het Cito natuurlijk een gigantische staat van dienst heeft en een enorme expertise, die ook internationaal enorm wordt gewaardeerd. Ik kan mij voorstellen dat wij gezamenlijk een lijst van criteria opstellen waaraan een systeem zou moeten voldoen. Dat lijkt mij niet zo heel erg moeilijk. Als er andere aanbieders zijn die het kunnen en het veld zelf een voorkeur heeft voor een ander systeem dan dat van het Cito, het zij zo. Wij zijn politici, wij moeten de grote lijn bewaken. De PO-Raad en de scholen zelf zijn professioneel genoeg om zelf uit te maken welk systeem de voorkeur verdient.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dan is mijn conclusie dat de stelling van de heer Beertema heel dun is. Hij zegt dat een aantal scholen slecht scoort en dat er daarom een verplichte eindtoets moet zijn. Hij kan zelf echter helemaal niet aangeven hoeveel van die slechte scholen gebruikmaken van een toets. Daarom is zijn stelling op drijfzand gebaseerd. Wij moeten bekijken hoe het onderwijs, hoe de kwaliteit in den brede, getoetst wordt, niet door middel van een Cito-toets of andere toets, maar door een toets op alle aspecten. Deze wet neigt ernaar om via een toets te beoordelen of een school goed is. De stelling is niet houdbaar, ook niet vanuit het betoog van de heer Beertema.

De heer Beertema (PVV):

Ik heb alleen het kale toetscijfer genoemd. Ik heb ervoor gepleit om dat aan andere factoren te hangen. Ouders hebben wel degelijk de vrijheid om zelfs naar de kale score van het Cito te kijken en een keus te maken. Ouders zijn niet dom. Zij kennen hun eigen omgeving, zij weten in wat voor wijk ze wonen. Als ze zien dat er twee scholen zijn en dat de ene een hoger gemiddeld percentage scoort dan de andere, is daar toch niets mis mee? Het lijkt mij wel goed dat de ouders ook kennis kunnen nemen van het andere cijfer, waaruit blijkt wat de kwaliteit van de school is wat betreft de toegevoegd waarde van de leerling en de groei die de leerling heeft doorgemaakt. Zeker.

De voorzitter:

De heer Beertema en de heer Van Meenen hebben eerder een botsing gehad over rijscholen en urologen. Als u zich bij het onderwerp kunt houden, is deze vraag voor u, mijnheer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Zeker, voorzitter. Overigens was ik niet degene die het erin bracht. Maar goed, dat terzijde. Ik wil even doorgaan op de vraag van mevrouw Schouten. Heeft de heer Beertema enige aanwijzing dat de scholen die in zijn ogen slecht presteren, de Cito-toets niet gebruiken? Die suggestie komt toch boven. Hij heeft nog steeds geen antwoord op de vraag gegeven. Heeft hij die aanwijzing? Zo ja, waar bestaat die uit? Het is namelijk toch de basis van zijn redenering.

De heer Beertema (PVV):

In een aantal gevallen heb ik die aanwijzing wel, zeker voor de grote steden. Daar zijn veel scholen met zwak presterende leerlingen. De achterliggende gedachte om niet met de Cito-toets mee te doen, is juist daarin gelegen. Dat wordt natuurlijk niet zo heel direct op die manier gesteld. Ik heb daarover dus geen wetenschappelijke cijfers. Die heeft de heer Van Meenen ook niet.

De heer Van Meenen (D66):

Het is juist dat ik die niet heb, maar ik beweer het ook niet.

De heer Beertema (PVV):

Oké.

Voorzitter. Ik heb al vaker uitgelegd hoe wij erin staan. Kijken wij naar basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hbo, dan zien wij dat alleen het voortgezet onderwijs goed functioneert wat betreft gegarandeerde eindniveaus. Daar is het civiele effect hartstikke sterk. En waarom? Omdat alleen daar de tucht heerst die wordt opgelegd door de objectieve landelijke normering waaraan scholen gewoon keihard moeten voldoen. Ik heb net professor Dronkers geciteerd. Duidelijkheid en transparantie zijn er optimaal. Ook in het voortgezet onderwijs deugt van alles niet, maar dat in elk geval wel. In het basisonderwijs, het mbo en het hbo bestaat die absolute norm niet. In het mbo en het hbo is die heel hard nodig, want wij hebben gezien waartoe het heeft geleid. Het heeft geleid tot kwaliteitsverlies, tot ruimte voor perverse prikkels en zelfs tot een systeemcrisis in het hbo door de diplomafraude. In het basisonderwijs hebben we natuurlijk geen hard eindexamen nodig. Dat kan ook niet.

Wij hebben met onze inzet een aantal punten beoogd. Ik wil deze punten aan de staatssecretaris voorleggen met de vraag of hij daarop een reactie wil geven.

In de eerste plaats ga ik in op het Cito-systeem, dat wordt gehanteerd op 85% van de scholen en dat wat ons betreft grote voordelen heeft. Het neemt leraren ook veel werk uit handen. De toets is onderdeel van een prachtig leerlingvolgsysteem; het systeem meet de groei van de leerlingen en daarmee ook van de school. Wij willen dat een dergelijk instrument voor alle scholen verplicht wordt.

In de tweede plaats willen we een uniformering van de toetsen en geen uitwijkmogelijkheden naar aangepaste toetsen voor leerlingen die dat cognitieve niveau niet goed zouden aankunnen. Een makkelijke toets werkt wat ons betreft stigmatiserend, het wordt al gauw een allochtonentoets genoemd en dat is neerbuigend voor leerlingen in plaats van uitdagend. Wij zijn dus voor eenduidige toetsen, maar er mag in de toets zelf natuurlijk best een niveauopbouw zitten. Dat is nu al zo en dat is ook wel terecht.

Ik maak me daarbij overigens niet zo veel zorgen over de kinderen uit de elite of uit de middenklasse. Zij gaan al maandelijks naar de bibliotheek en naar theatervoorstellingen in hun vrije tijd. Zij zijn een stuk minder afhankelijk van scholen, omdat zij thuis die cognitieve en sociaal-culturele bagage al meekrijgen. Het gaat ons in dit geval juist om de leerlingen die zwakker zijn en die deze bagage niet of nauwelijks meekrijgen. Die leerlingen horen we vooruit te helpen met hun achterstand en die kunnen we ook vooruithelpen. Wat daarbij in de weg staat, is de cultuur van versluieren en wegkijken. Wij zeggen: niet versluieren en wegkijken, maar meten en weten. Daar hebben de zwakkere leerlingen wat aan. Ben je onder de maat met lezen en schrijven, dan is het jammer voor je, maar dan weten we het wel en dan kunnen we er een duidelijk traject op zetten. Dat moeten we doen in plaats van alle leerlingen het gevoel te geven dat ze kanjers zijn, zoals dat wordt genoemd. Want onderwijs is ook discrimineren tussen slimme en minder slimme leerlingen, en tussen handige en praktische leerlingen en leerlingen met twee linkerhanden; leer jezelf, je mogelijkheden en je talenten, en je zwakke punten kennen.

In de derde plaats willen we graag meer techniek in de Cito-eindtoets geïntegreerd zien. Daaraan moet dan wel een volwaardig leertraject voorafgaan. We maken daarmee niet alleen onze praktisch ingestelde leerlingen blij, maar ook het bedrijfsleven, dat te kampen heeft met grote tekorten in de technische sector.

In de vierde plaats willen we dat de verplichte eindtoets ook wordt wat deze qua naamgeving belooft te zijn: een eindtoets die consequenties heeft en die leidend is bij de inschrijving in het vervolgonderwijs, aangevuld met het professionele advies van de leraar. Het advies van de school is ondersteunend en de scores van de toets zijn leidend.

In de vijfde plaats ga ik in op de openbaarmaking van de Cito-scores. In principe zijn we ook hier voor transparantie. Concurrentie op kwaliteit kan heel heilzaam zijn, maar dan moeten de cijfers, bij voorkeur, aangekleed zijn. Dat betekent dat er naast dat kale cijfer liefst ook een cijfer op basis van bijvoorbeeld de vooropleiding van de ouders, wordt opgenomen. Ik heb dat eerder al uitgelegd. Je hebt dan een hard gegeven over de kwaliteit van de school.

Als laatste punt licht ik nog even ons eigen amendement toe. De PVV-fractie laat de keuze voor het afnemen van de toets biologie en/of natuurkunde aan de scholen zelf over, maar het vak Nederlandse geschiedenis dient in ieder geval te worden afgesloten met de verplichte toets. Dat vak legt de basis voor de identificatie met Nederland, of je nu autochtoon of allochtoon bent. De Nederlandse geschiedenis, de gedeelde normen, waarden en cultuur en de toekomst die je met elkaar deelt, noem je modern burgerschap. Dat kan niet zonder worteling in de eigen gemeenschap. In deze diffuse, chaotische samenleving is daar behoefte aan. Ik doe hiertoe dan ook een beroep op alle partijen omdat van alle kanten het beeld opdoemt van een versplinterende samenleving. Juist dan is dat vak Nederlandse geschiedenis belangrijk.

De heer Klaver (GroenLinks):

Wil de echte heer Beertema opstaan? Het is me nooit helemaal duidelijk of het nu gaat om de leerlingen en het ervoor zorgen dat het voor de leerlingen zo goed mogelijk geregeld is, of dat het erom gaat dat de politiek het onderwijs wil kunnen afrekenen. Maar daar gaat mijn vraag nu niet over. Mijn vraag is of het voorstel zoals het er nu ligt, met de door de PvdA aangekondigde wijzigingsvoorstellen, op steun kan rekenen van de PVV-fractie.

De heer Beertema (PVV):

Ik heb net al heel duidelijk uitgelegd dat het amendement van de PvdA-fractie erin voorziet dat de Cito-toets op geen enkele manier meer leidend is. Deze is dan zelfs nog minder leidend dan in de huidige praktijk. In de huidige praktijk is deze toets ook niet leidend, maar in de praktijk van alledag wel omdat op scholen, waar je met je kind komt, het eerst naar het gele briefje wordt gevraagd. Dat gele briefje is dan de Cito-score. De entreetoets bijvoorbeeld is ook heel belangrijk. Maar als dat niet meer leidend is – dat is het in het voorstel van mevrouw Ypma – haalt dat de ziel uit de verplichte eindtoets. Dan wordt het inderdaad een volstrekt vrijblijvend advies. Je haalt er een heleboel voor overhoop, maar volgens mij kun je het net zo goed niet doen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik vind het briljant. De VVD en de PvdA zijn rollebollend over straat gegaan. Als ik de heer Beertema goed beluister – dat hoor ik graag van hem – valt ook de PVV weg wat betreft de steun aan dit wetsvoorstel, vanwege de wijzigingsvoorstellen die de PvdA door de Kamer wil krijgen. Mijnheer Rog, het is aan u!

De heer Beertema (PVV):

Misschien heb ik nog een paar mensen overtuigd. Daarvoor zijn wij hier toch? Dat heet een debat.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik wil nog een verhelderende vraag stellen. De heer Beertema gaf in zijn betoog aan dat hij zowel de eindtoets als het leerlingvolgsysteem leidend wilde laten zijn ten opzichte van het schooladvies, dat meer een toelichting zou moeten zijn. Geeft het wetsvoorstel echter niet aan dat het leerlingvolgsysteem juist ondersteunend aan het schooladvies moet zijn en dat de centrale eindtoets het tweede objectieve gegeven is?

De heer Beertema (PVV):

Dat is gebaseerd op de huidige situatie. Wij zouden dat graag als een geïntegreerd geheel zien, want dan heb je iets heel moois in handen. De scholen die helemaal met het Cito-systeem aan de gang zijn gegaan, beginnen op dit moment al in groep 3. De hele methodiek is daarop ingesteld. Daarom heb ik gezegd dat het die leraren heel veel werk uit handen neemt. Zij kunnen zich dan richten op andere dingen, zoals de sociale vaardigheden. Daar zitten die kleine Cito-toetsjes in en daar zitten die tussentijdse dingen in. Die worden opgestuurd naar het Cito en er komt iets voor terug. Dan heb je een prachtig leerlingvolgsysteem, dat heel veel betrouwbare informatie heeft gegeven aan het eind van groep 8. Daarop kunnen de leraar en de school dat advies baseren. Dan krijgen wij die mooie Cito-toetsperiode en dat zou dan leidend moeten zijn. Daar komt iets uit en dat is belangrijk voor het vervolgonderwijs. Daar zullen ze er heel blij mee zijn. Vervolgens wordt dat advies van de school gebaseerd op het leerlingvolgsysteem. Dat geeft heel belangrijke extra informatie die zeker een rol kan spelen.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik ben het helemaal met de heer Beertema eens in zijn redenering, maar wat mij betreft staan die twee naast elkaar. Het schooladvies wordt steeds beter, als het gebaseerd is op het leerlingvolgsysteem. Dat ben ik met de heer Beertema eens. Daarna hebben wij de objectieve eindscore op de centrale eindtoets. Dan staan die toch naast elkaar?

De heer Beertema (PVV):

Wat mij betreft, moet de score leidend zijn. Dat is die nu ook, formeel niet, maar in de praktijk wel.

De heer Van Meenen (D66):

De heer Beertema geeft op een schitterende manier weer wat het belang is van het leerlingvolgsysteem, dat het kabinet verplicht wil stellen. Ik had het niet mooier kunnen verwoorden. Uiteindelijk zijn die docent en de school aan het woord aan de hand van alle resultaten die zo mooi zijn bijgehouden en dan komt dat advies. Als ik het goed begrijp, zegt de heer Beertema: het is allemaal schitterend geweest die acht jaar lang, maar dan komt de toets en die is allesbepalend. Is dat zo en wat zegt dat over uw vertrouwen in dat advies?

De heer Beertema (PVV):

Ook nu is de toets allesbepalend, want dat gele briefje geeft de doorslag bij de inschrijving op het vervolgonderwijs. U weet er alles van, want u hebt daar gewerkt.

De voorzitter:

Graag via de voorzitter. Dat geldt voor u beiden.

De heer Beertema (PVV):

Dat klopt, voorzitter. Sorry.

De heer Van Meenen (D66):

Het is geen antwoord op mijn vraag. De heer Beertema houdt eerst een schitterend verhaal over het leerlingvolgsysteem en het weloverwogen advies dat daaruit voortvloeit, heel verstandig. Maar vervolgens komt die toets en dan gaat die eroverheen. Hoe moet ik dat lezen?

De heer Beertema (PVV):

Het advies van de school weegt zwaar, maar de Cito-toets blijft leidend. Dat is het geheim van ons systeem. Zo is het ook in het voortgezet onderwijs.

De voorzitter:

We hebben nog vier sprekers van de zijde van de Kamer te gaan in deze eerste termijn. De volgende spreker is de heer Bisschop. De heer Rog staat te trappelen, maar hij is nog niet aan de beurt.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Het laatste verzoek van collega Beertema bracht mij er bijna toe om zijn betoog te ondersteunen. Ik doel op zijn gloedvolle pleidooi om geschiedenis weer een bijzondere, volwaardige plek te geven. Als oud-geschiedenisdocent sloeg mijn hart even een slag sneller. Dat mag u weten, maar ik heb uiteraard mijn plicht verstaan en ik geef hier niet aan toe; dit overtuigt mij helaas niet.

Filmpjes zijn vaak handiger dan foto's; vraag dat maar aan de beveiligingsdienst. Met een filmpje krijg je inzicht van verschillende kanten. Je ziet de ontwikkeling. Bovendien kun je het beeld af en toe stilzetten en inzoomen. Dat is dus allemaal erg handig. Ondanks de bijzondere aandacht voor techniek in het nieuwe onderwijsbeleid lijkt dit inzicht in de moderne techniek bij het ministerie echter nog niet helemaal doorgedrongen. Men houdt daar koste wat het kost vast aan het nostalgische zwart-witkiekje. Dan komt er zo'n polaraidfotootje uit rollen. Het wetsvoorstel schrijft voor dat scholen zowel een fototoestel als een videocamera moeten aanschaffen: zowel de verplichte eindtoets als het leerlingvolgsysteem.

De SGP vindt deze cocktail om drie redenen een slechte zaak; althans, zoals die nu wordt voorgesteld in het wetsvoorstel. In de eerste plaats beperkt dit onnodig de pedagogische vrijheid van scholen. In de tweede plaats wordt het bureaucratische "controlisme" hierdoor sterk gestimuleerd. In de derde plaats stelt dit de geloofwaardigheid van de overheid ter discussie. Dat zijn redelijk boude uitspraken; dat realiseren wij ons en daarom hebben wij die uitspraken ook gedaan. Ik zal de uitspraken een voor een toelichten.

Allereerst het punt van de pedagogische vrijheid. Professionals in het onderwijs hebben de vrijheid om hun leermiddelen te kiezen. Met het oog op de kwaliteit en op het verschil tussen hun leerlingen hebben zij die vrijheid hard nodig. Daar ligt namelijk de sleutel tot succesvol onderwijs. Onder die vrijheid vallen ook toetsen. Op dit moment gebruiken maar liefst 1.000 scholen om hun moverende redenen geen Cito-toets, bijvoorbeeld uit pedagogische overwegingen, onder andere vanwege het bezwaar dat een Cito-toets eenzijdig cognitief is. Die scholen kiezen voor een toets waarin ook intelligentie en creativiteit worden meegenomen. De inspectie heeft zich daar positief over uitgesproken. Waarom wordt in het wetsvoorstel dan toch gekozen voor een keurslijf dat van weinig respect getuigt voor het inzicht van zo veel scholen? Waarom zou Den Haag het pedagogisch inzicht beter weten te bepalen dan scholen? In de brief wordt gemeld dat scholen andere toetsen wel zelf mogen bepalen. Misschien moet daar het woordje "nog" tussen staan. Het doet een beetje denken aan de gang van zaken in het voortgezet onderwijs, waar die vrijheid inmiddels ook verder is beperkt door allerlei verplichte diagnostische toetsen en eindtoetsen van bepaalde vakken

In kwalitatief goed onderwijs is de kernvraag niet of er na de voorgestelde maatregel nog ruimte overblijft voor de pedagogische professional, maar of de maatregel noodzakelijk is, gelet op de professionele ruimte en de verantwoordelijkheid van de scholen. Het voorstel scoort op dit punt geen voldoende. Ik verwijs naar het regeerakkoord en naar de regeringsverklaring van 13 november 2012. In die regeringsverklaring ging de premier als leider van de coalitieregering in op het vakmanschap bij de politie, de zorg en onderwijs: de professional moet meer ruimte krijgen en er moet meer op basis van vertrouwen geacteerd worden en minder op basis van controle en verantwoording. Ten aanzien van bijvoorbeeld economische ontwikkelingen zei hij letterlijk dat het mes in de regels moet die ondernemerschap in de weg staan. Als we dit toepassen op het wetsvoorstel, constateer ik dat daar nogal een kloof tussen zit.

We spreken vandaag opmerkelijk genoeg over een eindtoets, maar die lijkt, gelet op de praktijk, toch wat achterhaald. Veel scholen veronderstellen namelijk dat de kleutertoets inmiddels al is ingevoerd, een soort examen voor kleuters dus. Wij vinden dat een zorgwekkende situatie, die mede is ontstaan door de opstelling van de overheid. De spagaat blijkt helder uit de antwoorden van de staatssecretaris op vragen over de ontwikkeling van kleuters. Ik verwijs naar de beantwoording van de schriftelijke vragen van de heer Rog. Misschien had hij in zijn betoog al daaraan willen refereren. Dan had ik me daar nu bij kunnen aansluiten, maar misschien heb ik hem nu een voorzet gegeven. Het is een heldere en duidelijke beantwoording, die inzicht geeft in het denkpatroon. Enerzijds wordt gezegd dat scholen niet verplicht zijn om kleutertoetsen af te nemen. Anderzijds wordt opgemerkt dat de inspectie verwacht dat ten minste één kleutertoets wel wordt afgenomen. In het beleidsdocument Analyse en waardering van opbrengsten hanteert de inspectie concrete normen om te bepalen welke scores voldoende en welke onvoldoende zijn.

Scholen ervaren aanwijzingen van de inspectie naar aanleiding van de resultaten als dwingend. U hoeft maar op werkbezoek te gaan op scholen en u krijgt dit als feedback. De SGP vindt deze buitenwettelijke dwang onwenselijk. Er moet klare wijn geschonken worden ten opzichte van de scholen. Scholen moeten ervan op de hoogte worden gesteld dat er straks, naast de eindtoets in het basisonderwijs, in welke vorm die dan ook gestalte krijgt, maar één ding bepalend is, namelijk hun eigen visie en hun eigen advies, dus het advies van de docent. Ik krijg daarop graag een reactie van de staatssecretaris.

Ik kom op het tweede punt: het bureaucratisch controlisme. Dat woord staat nog niet in Van Dale, maar het komt er wel in; daar werken wij hard aan! Onder "controlisme" verstaan wij de ideologie, de overtuiging, de denkwijze dat je door alles te controleren en te meten ook grip krijgt op de ontwikkelingen, alsof dat werkelijk inzicht geeft. Dan is het een doel op zichzelf geworden. Het controleren en toetsen is dan geen hulpmiddel meer waardoor de professional beter zijn werk kan doen en zijn leerlingen beter van dienst kan zijn, maar iets waardoor de professional wordt gedwongen om een bepaalde uitspraak te doen en waardoor hij in een bepaald keurslijf wordt gedwongen.

De werkelijke reden voor de verdergaande uniformering in het onderwijs is primair de behoefte van beleidsmakers en politici en niet de behoefte vanuit het onderwijsveld. Dat is een cruciale constatering. Het lijkt me goed om daar nog eens over na te denken. Die behoefte is zo sterk dat velen zelfs met schijnzekerheid genoegen nemen. Ondertussen lijdt de kwaliteit van het onderwijs eronder. Recentelijk heeft een gouverneur van een van de Amerikaanse staten zijn veto gebruikt tegen een wet waarin nog meer verantwoording over onderwijsresultaten werd geëist. Hij weigerde dat met de volgende motivatie: je maakt van een auto geen snelle bolide door er meer snelheidsmeters in te zetten; een behartigenswaardige opmerking. Extra verantwoording en uniformering leiden eerder af van de inhoud dan dat ze de kwaliteit bevorderen. De SGP vindt daarom dat we de zich uitbreidende toetstirannie moeten verdrijven. Dat sluit weer aan bij de sfeer waarin de heer Beertema eindigde, om ook hem de gelegenheid te geven het betoog van de SGP-fractie te ondersteunen. De toetstirannie helpen verdrijven, de toetstirannie die zich zo langzamerhand uitstrekt van kleuters tot studenten. We breiden het maar verder en verder uit. Dat leidt tot eenzijdigheid en middelmaat en benadeelt de kwetsbare leerlingen.

Op dit punt zit er naar onze overtuiging echt een blinde vlek in het kwaliteitsbeleid. Het uitgangspunt moet niet zijn "toetsen waar mogelijk" maar "toetsen waar nodig". Toetsen zijn niet het doel, zodat je op basis daarvan precies weet wat je moet doen, nee, toetsen zijn het middel om je visie, je advies als professional des te beter te kunnen onderbouwen. Toetsen niet als doel maar als middel; daar ligt het cruciale onderscheid. Dat heeft consequenties voor het model van toetsing dat je kiest. Onderkent de staatssecretaris het risico op een tunnelvisie als wij rekenen en taal in alle kwaliteitssystemen als het uitgangspunt nemen?

Overigens bevat de recente brief over het wetsvoorstel veel hogere wiskunde, die de invoering voor een verplichte eindtoets voor rekenen en taal moet onderbouwen. Een sprekende redenering is de volgende. Dat is hogere logica, maar wij kunnen elke dag wat bijleren. Er wordt gesteld dat er landen zijn waar scholen met veel autonomie en zonder eindtoets heel goed presteren. Tweede stelling: Nederlandse scholen hebben veel autonomie. Dan volgt daaruit de logische conclusie: dus moet in Nederland een verplichte eindtoets ingevoerd worden. Die redenering ligt echt vast in die brief. Ik krijg graag een nadere toelichting op deze elementaire logica. Ik geef toe dat mijn vermogens daar tot nu toe in tekortschieten, maar nogmaals, wij zijn een lerende organisatie en ook de SGP leert graag wat bij.

Waarom wil de staatssecretaris opschuiven naar het Angelsaksische model terwijl daar in die wereld al kritische kanttekeningen bij worden geplaatst – ik zou daar wat informatie over kunnen verstrekken als dat behulpzaam kan zijn – en uit internationale vergelijkingen blijkt dat wij ons heil zeker niet in die modellen moeten zoeken? Welke historische aanleiding is er om te veronderstellen dat Nederland meer in een uniforme dan een pluriforme context zou passen? De overheid is in alle onderwijssectoren verregaand bezig met uniformering terwijl bepaald niet bewezen is dat pluriformiteit de oorzaak van die problemen is. Integendeel. Deze ontwikkeling baart de SGP zorgen.

Als je redeneert vanuit het belang van scholen en kinderen is het gelijktijdig verplichten van een uniforme eindtoets en een leerlingvolgsysteem niet voor de hand liggend. Allereerst is dat zo omdat vrijwel alle scholen een leerlingvolgsysteem hebben. Dat hebben ze zelf gekozen. Ook nemen maar liefst 1.000 scholen geen Cito-toets af. Invoering van de uniforme eindtoets kan bovendien tot twee scenario's leiden. Ofwel nemen scholen het leerlingvolgsysteem van Cito over om dubbel werk te voorkomen. Dan is er feitelijk sprake van een monopoliepositie van Cito, waar Cito overigens zelf ook niet op zit te wachten. Ofwel blijven de scholen bij hun eigen leerlingvolgsysteem. Als ze daarin dan ook een eindbeeld willen hebben, zullen ze dus dubbel werk moeten doen. Beide situaties zijn duidelijk ongewenst. En waarom zouden wij twee maatregelen nemen als wij ook met één toe kunnen? Over het leerlingvolgsysteem en de toetsing hebben wij een amendement ingediend, waar wij in tweede termijn nog even op terug willen komen. Ik laat dat nu even rusten.

Dan kom ik op punt drie: de geloofwaardigheid van de overheid. Dit is een fundamenteel kritiekpunt. Dit wetsvoorstel raakt de geloofwaardigheid van de overheid in haar kern. Het rijdt recente plannen en ontwikkelingen in de wielen. Er zijn twee knelpunten. Het kabinet beweert dat de eindtoets nodig is om een goede vergelijking te kunnen maken tussen scholen. Dat is merkwaardig, want de overheid heeft juist het enorme bouwwerk van referentieniveaus opgetuigd. Daar ligt de sleutel om verder te gaan en consistent een soort vergelijkend model uit te bouwen. Een bouwwerk van referentieniveaus is opgetuigd met de argumentatie dat daardoor een landelijke vergelijking mogelijk wordt. De kracht zou hem daarin zitten dat alle toetsen geijkt moeten worden aan de referentieniveaus. Welnu, dat is uitstekend te realiseren binnen het huidige bestel zonder het Cito-toetscircus of wat daarmee samenhangt, althans in die vorm. Nogmaals, ik ben totaal niet tegen toetsen, zolang het middelen zijn om het leerproces te begeleiden en bij te sturen, verdieping te geven en kwaliteit te verbeteren.

Wanneer toch wordt gesteld dat een uniforme toets nodig is, betekent dat een motie van wantrouwen in de richting van de referentieniveaus. Veel professionals snappen er dan ook weinig van. Zij krijgen het idee dat de overheid nooit genoeg heeft en zichzelf tegenspreekt. Ik krijg graag een toelichting op deze verwarrende situatie. Waarom zijn de referentieniveaus voor een professionele man of vrouw voor de klas niet toereikend om een geobjectiveerd beeld te krijgen van zijn of haar leerlingen en om op basis daarvan een advies te formuleren?

De SGP heeft zich, helaas als enige, verzet tegen de mogelijkheid om scholen enkel op basis van rekenen en taal aan te pakken. Kwaliteit van onderwijs en de achtergrond van scholen zijn te complex om in een paar cijfers te kunnen vangen, laat staan in één cijfer. De huidige gewichtenregeling voldoet niet om dit probleem op te lossen. Dat blijkt uit recent onderzoek in opdracht van de inspectie, waarbij veel factoren en invloeden zelfs nog buiten beschouwing zijn gelaten. De rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van scholen staan dus onder druk. Nota bene het Cito bevestigt deze conclusie. Ik citeer een zinsnede uit zijn teksten: "De gemiddelde schoolscore op de Cito-toets is overduidelijk niet geschikt als maat voor de kwaliteit van het onderwijs". Zelfs als er geen uniforme toets zou komen, blijft er dus een fundamenteel probleem met de manier waarop de overheid scholen beoordeelt. Onderkent de staatssecretaris de urgentie om hier iets aan te doen? Waarom zouden we dan nog vasthouden aan het huidige systeem?

Kortheidshalve sluit ik mij aan bij de opmerkingen en vragen van collega's over de openbaarmaking van de toetsresultaten.

Ik vraag nog wel speciale aandacht voor het speciaal onderwijs. Bij alle media-aandacht zou je bijna vergeten dat het wetsvoorstel ook ingrijpende gevolgen heeft voor het speciaal onderwijs. De Wet goed onderwijs, goed bestuur gaat ook voor het speciaal onderwijs gelden, waardoor deze scholen op rekenen en taal kunnen worden afgeschoten. De SGP vindt dat we met scholen voor speciaal onderwijs bijzonder zorgvuldig moeten omgaan. De SGP was geen voorstander van de Wet goed onderwijs, goed bestuur voor het reguliere onderwijs, en is dat zeker niet voor het speciaal onderwijs. Bovendien komt de wet boven op de grote wijzigingen die al op stapel staan. Betekent een zorgvuldige aanpak niet dat we eerst eens wachten tot de invoering van passend onderwijs een tijdje op gang is, en er meer inzicht is in de resultaten van de ontwikkelingsperspectieven en uitstroomprofielen?

Vanmorgen liep ik over de boekenmarkt op het Plein, die ik overigens eenieder kan aanbevelen. Ik zal niemand vermoeien met mijn aanschaf, maar ik zag dat er ook een fotoalbum van zo'n 100 jaar geleden lag. Op een van de kraampjes lag een opengeslagen boek met leren omslag en stevige kartonnen vellen waar gleufjes in aangebracht zijn, zodat je daar standaardformaten foto's in kunt opnemen. Je kunt de foto's er zo inschuiven. Leuk om te zien, maar in de huidige praktijk niet zo handig meer om mee te werken. Je kunt tegenwoordig via digitale wegen heel handig zelf je fotoboek samenstellen. Binnen bepaalde kaders natuurlijk, maar met veel ruimte voor je eigen creativiteit. Je kunt er zelfs filmpjes aan toevoegen. Ik stel voor om die laatste methode te volgen.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Twee weken geleden vroeg RTL Nieuws om openbaarmaking van de Cito-scores van alle scholen. Staatssecretaris Dekker was te snel en te gretig met zijn toezegging om aan dit verzoek tegemoet te komen. Hij ging daarbij voorbij aan de zorgen van ouders, leraren en schoolleiders. Zij willen geen rankinglijstjes. Zij willen geen Idols-verkiezing tussen basisscholen. Zij willen dat er gewoon goed onderwijs wordt gegeven en dat er zoveel mogelijk toegevoegde waarde van het onderwijs is voor ieder kind. Precies zoals de staatssecretaris dat zelf benoemde in zijn interview in Buitenhof. Helaas was hij ook in dat interview te gretig en te veel gefocust op het kunnen vergelijken van Cito-scores van scholen.

Het CDA ziet in eindtoetsen een instrument om onderwijsopbrengsten te meten. Het dient om ouders en leraren, naast het schooladvies, een tweede gegeven in handen te geven, dat objectief is en de leerling en de ouders in staat stelt een weloverwogen keuze te maken voor het vervolgonderwijs. Daarnaast kan de opbrengst van de eindtoets gebruikt worden voor het interne of externe toezicht. Het CDA verzet zich echter tegen openbaarmaking van Cito-scores ten behoeve van rankinglijstjes. Wij zullen daarom een motie indienen die het kabinet oproept om als overheid geen Cito-toetsgegevens zonder enige context openbaar te maken. Betekent dit dat het CDA dan ook tegen een eindtoets in het basisonderwijs is? Nee. Dat zijn we niet. Alle leerlingen hebben recht op goed reken- en taalonderwijs. Klachten van ouders en van het voortgezet onderwijs over het verminderde niveau van taal en rekenen moeten we serieus nemen.

De heer Beertema (PVV):

Ik begrijp van het CDA dat er heel veel ouders zijn die geen enkele behoefte hebben aan rankinglijstjes. Er zijn ook heel veel ouders die daar wel behoefte aan hebben. Die spreek ik dan weer. Die ouders willen graag de vrijheid hebben om te kiezen uit scholen. Begrijp ik dat er vanuit het CDA geen bezwaar is tegen het publiceren van cijfers binnen een context? Wat moet die context dan zijn?

De heer Rog (CDA):

Het CDA wil niet sec de Cito-score publiceren, omdat dit leidt tot lijstjes waarbij er in gebieden met een bepaalde leerlingpopulatie per definitie hogere scores zijn dan in andere gebieden. Gek genoeg zeggen die scores niets over de toegevoegde waarde van het onderwijs, en daar hecht het CDA zeer aan. Wij kunnen ons dus voorstellen dat die scores een rol spelen binnen de context van inspectie, dus van extern toezicht, maar dat vooral wordt gekeken naar de toegevoegde waarde van het onderwijs.

De heer Beertema (PVV):

Als je er hele inspectierapporten aan gaat hangen, wordt het wel heel moeilijk voor ouders om daar chocola van te maken. Er kan toch ook een methode zijn om de context wat te versimplificeren en die te mengen met de Cito-score? Dan kom je toch ook tot een cijfer? Als u een vakantiehuisje huurt of een auto koopt, leest u daar toch ook eerst testen over? U koopt toch ook niet de eerste de beste auto die langskomt?

De voorzitter:

Graag via de voorzitter spreken.

De heer Rog (CDA):

Dat is precies wat wij "context" noemen. In een bredere context kan het een element zijn dat een rol speelt. Wij willen er echter absoluut voor waken dat de gemiddelde score van 542 van een school op de genoemde manier gepubliceerd wordt door de overheid. Dat lijkt ons buitengewoon onwenselijk, vandaar die motie.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik ben benieuwd hoe de heer Rog dat wil doen. Hoe wil hij ervoor zorgen dat niet uitsluitend het Cito-cijfer wordt gepubliceerd? Uiteindelijk kan iedereen namelijk een WOB-verzoek indienen. Nogmaals, in mijn lezing moet dat gewoon worden toegekend. Wil de heer Rog dan dat het ministerie iemand op de redactie van RTL plaatst om te bekijken hoe de cijfers worden opgesteld?

De heer Rog (CDA):

Dat is een terechte vraag van de heer Klaver. De CDA-fractie was hogelijk verbaasd door het nogal gretige ingaan door de staatssecretaris op het verzoek van RTL Nieuws, omdat de Cito-score niet van de overheid is. De overheid is geen eigenaar van de Cito-score. Die score wordt door leerlingen behaald op de scholen. Het is iets van de scholen. De overheid zou dit soort informatie, ook al is die bekend, niet moeten delen. Dat is de oproep die ik hier doe.

De heer Klaver (GroenLinks):

Er zit iets in, in deze argumentatielijn. Ik denk niet dat de heer Rog er gelijk in heeft, maar stel dat dit zou gelden voor de huidige situatie met de Cito-toets. Op het moment dat er een centrale eindtoets komt, is die opgelegd door de overheid en worden de cijfers aangeleverd bij het ministerie. Dan zou je kunnen zeggen dat de toets wel van de overheid is. Op welke wijze wil de heer Rog dan voorkomen dat deze cijfers gepubliceerd kunnen worden? Ik denk dat dit niet kan.

De heer Rog (CDA):

De heer Klaver wordt mogelijk later in mijn betoog gerustgesteld, want ik zal nog met een amendement komen dat ertoe leidt dat er niet één centrale Cito-eindtoets is, maar dat scholen in de gelegenheid worden gesteld om …

De voorzitter:

Heel goed. Dat horen we straks. Dat is een cliffhanger.

Mevrouw Straus (VVD):

Ook ik heb een vraag aan de heer Rog over het openbaar maken van deze gegevens. In eerste instantie had ik ook het idee dat we dat niet zouden moeten willen, omdat de scores nog zo weinig zeggen. Je moet ze in een context plaatsen. Wat zou volgens de heer Rog de context moeten zijn? Ik heb daar nog even over doorgepraat met enkele mensen die deskundig zijn op dit gebied. Zij zeiden dat je die scores misschien wel gewoon ter beschikking moet stellen. Die zijn immers zo gemiddeld en plat en bovendien slechts van een beperkte groep leerlingen, dat ze in principe niets zeggen.

De heer Rog (CDA):

De effecten van het openbaar maken van dit soort cijfers wil ik voorkomen. Je krijgt dan allerlei ranglijstjes. Net zoals de haringtest in het Algemeen Dagblad is er dan ook de basisschooltest in – weet ik veel – Trouw. Ik ben er niet over uit hoe de context precies geschetst moet worden, maar ik ben er wel uit dat ik die haringtest uit het AD niet aan de orde wil hebben voor het basisonderwijs in de stad waar ouders hun kind naar school willen brengen.

Mevrouw Straus (VVD):

Dat is precies mijn pleidooi. Moet je niet gewoon de platte gegevens openbaar maken? Die zeggen namelijk heel erg weinig.

De heer Rog (CDA):

Mijn antwoord op die vraag is nee.

De commissie-Meijerink werd ingesteld om te komen tot referentieniveaus voor taal en rekenen. Deze niveaus stellen vast wat elk kind na afloop van de basisschool en het voortgezet onderwijs moet kennen en kunnen. Sinds augustus 2010 werken scholen met deze referentieniveaus. Het CDA steunt deze focus op de kernvakken. Dit zijn vaardigheden die voor elk kind uitermate belangrijk zijn, altijd, ook in het gewone dagelijkse leven. Het CDA had echter altijd heel bewust de wens om dit soort referentieniveaus te kunnen toetsen in een eindtoets, maar mijn fractie sprak nooit over één centrale eindtoets. Wij vinden namelijk dat scholen de keuzevrijheid moeten hebben voor de eindtoets die zij willen afnemen, bijvoorbeeld omdat zij willen kiezen voor een aanbieder die een veel bredere kijk heeft dan alleen taal en rekenen. Naast de kerndoelen in het onderwijs, die Cito toetst, heeft het basisonderwijs ook een vormende taak. Er zijn 48 kerndoelen. Wij verwachten dat het onderwijs de juiste aandacht aan die doelen schenkt, maar wij weten dat Cito die in ieder geval niet toetst. Wij vinden dat elke school deze vormende taak naar eigen inzicht moet kunnen inrichten en desgewenst toetsen.

In gesprekken met leraren en schoolleiders komen wij ook de nadelen van de focus op de kernvakken en de bijbehorende toetsen tegen. Net als de Raad van State noemen zij vaak het gevaar van teaching to the test. In een van de brieven die wij ontvingen – ik geloof dat een collega daar ook al aan refereerde – werd dat heel treffend samengevat: in plaats van dat Cito toetst wat scholen doen, doen scholen wat Cito toetst. De neiging bestaat om minder tijd aan de andere vakken te besteden, omdat deze niet meetellen voor het eindresultaat. Dit leidt tot verschraling en dat is niet wenselijk. De lijstjes in Elsevier en Trouw worden dan belangrijker dan het beste uit elk kind halen. Dat leidt ertoe dat sommige scholen kinderen niet mee laten doen aan de eindtoets en druk uitoefenen op ouders om hun kind van school te halen als het niet goed mee kan komen. Dit alles gebeurt uit angst voor het naar beneden halen van de gemiddelde scores van de klas.

In het verslag hebben wij al duidelijk aangegeven dat toetsen een middel moeten blijven en geen doel moeten worden. Het omgekeerde lijkt echter steeds vaker de realiteit. De eindtoets is van het tweede objectieve gegeven naast het schooladvies – zoals het bedoeld is – te vaak het belangrijkste gegeven geworden voor de instroom in het voortgezet onderwijs. Anders dan collega Beertema waarderen wij dat niet positief. Daarom steunen wij van harte de verschuiving van de toetsweken naar april. Wij hopen dat daarmee het schooladvies weer van groter belang wordt dan de eindtoets. Toetsdruk of teaching to the test is niet hetgene waar het CDA naartoe wil met ons onderwijs. Deze Angelsaksische afrekencultuur past niet in ons Rijnlandse Nederland. Zelfs in de Angelsaksische landen, de VS, Engeland en Schotland, komt men juist terug op de totale fixatie op eindtoetsen.

De staatssecretaris heeft ons niet kunnen overtuigen van het nut van één centrale eindtoets boven de verplichting tot het maken van 'n eindtoets voor alle leerlingen. Nu we nog maar kort werken met de referentieniveaus en nu nog niet alle scholen werken met een leerlingvolgsysteem of dat nog niet ten volle benutten, zijn we voorstander van een eindtoets.

De heer Van Meenen (D66):

De heer Rog zei dat hij van harte de verschuiving naar april steunt omdat in zijn verwachting daarmee het belang van de toets zal afnemen. Waarom is hij dat van mening? Waarom zou een verschuiving naar april tot een andere werkelijkheid leiden dan wanneer de toets in februari wordt afgenomen?

De heer Rog (CDA):

Dat denk ik omdat de oriëntatie op het voortgezet onderwijs vaak plaatsvindt nadat het schooladvies gegeven wordt. Dat is vaak eerder in het jaar. Dat lijkt mij zinnig. Anders dan de heer Van Meenen denk ik dat het nog verder opschuiven van de eindtoets ertoe zal leiden dat voortgezetonderwijsscholen dat tweede gegeven in het geheel niet mee kunnen nemen. Ik ben juist voorstander van het gebruikmaken van eindtoetsen als een tweede gegeven.

De heer Van Meenen (D66):

Als de eindtoets in april zal worden gehouden, zoals wordt voorgesteld, is er toch geen enkel verschil in de mate waarin scholen daarmee rekening kunnen houden vergeleken met de huidige situatie? Er zijn nog maanden om te kijken wat het belang van de eindtoets zou moeten zijn. Mij ontgaat het verschil tussen een publicatiedatum van 1 maart en 1 mei. Beide data zijn niet het einde van het schooljaar; daar zitten nog maanden tussen. Ik zie geen verschil in het belang dat daarmee ontstaat in de weging van de eindtoets.

De heer Rog (CDA):

Mijn fractie denkt dat de Cito-toets of een andere eindtoets plaatsvindt op een moment in de tijd waarin de oriëntatie met het schooladvies op zak al volop plaatsvindt. Wat dat betreft, zal het tweede gegeven op die manier meegewogen worden. Die weging maken wij op deze manier en vinden wij verstandig. Wij steunen de staatssecretaris daar graag in.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

De heer Rog heeft zojuist op een aantal punten in mijn ogen terechte kritiek geleverd op het wetsvoorstel. Hij haalde ook de situatie in Engeland aan, waar men terugkomt van toetsing. Ik heb de heer Rog ook horen zeggen dat hij wel voor toetsing is, als het maar niet de Cito-toets is. Als het amendement dat hij heeft ingediend, wordt aangenomen, gaat hij dan alsnog voor dit wetsvoorstel en daarmee voor een verplichte eindtoets?

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Schouten loopt wel een beetje vooruit op mijn betoog. Ik wilde haar later nog noemen!

De voorzitter:

Dan gaan wij gewoon naar uw tekst luisteren. Als mevrouw Schouten nog een keer genoemd wil worden, komt zij zelf naar de microfoon.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie wil scholen niet onnodig beknotten in hun vrijheid. Wij hebben samen met de ChristenUnie een amendement ingediend dat het scholen mogelijk maakt om voor de Cito-eindtoets of voor een andere eindtoets te kiezen. Net als de Raad van State zien wij het gevaar dat Cito een te dominante speler op de markt wordt en dat andere aanbieders van bijvoorbeeld leerlingvolgsystemen uit de markt worden gedrukt doordat scholen al verplicht werken met Cito-producten. In het verslag hebben wij ook aangegeven dat wij op termijn willen bekijken welke waarde het leerlingvolgsysteem, de referentieniveaus en de verplichte eindtoets in de toekomst hebben, want het leerlingvolgsysteem is als het ware de film van de ontwikkeling van het kind gedurende de schooltijd. Past het daarbij nog om de foto, de momentopname van de eindtoets, te gebruiken als tweede gegeven? Of kiezen wij liever voor het uitgebreidere beeldmateriaal, het leerlingvolgsysteem? De heer Bisschop heeft het ook hierover gehad.

Dit wetsvoorstel verplicht alle scholen om een leerlingvolgsysteem te hebben en dat vindt het CDA van groot belang, maar wij dienen wel een tweede amendement in om het wetsvoorstel te evalueren. Wij willen bij de evaluatie van de eindtoets ook nadrukkelijk kijken naar de opgedane ervaringen met het leerlingvolgsysteem.

Ik besef dat ik nu het moment gepasseerd heb waarover mevrouw Schouten een vraag wilde stellen.

De voorzitter:

Volgens mij hebt u haar niet genoemd.

De heer Rog (CDA):

Ik heb de ChristenUnie genoemd. In mijn amendement staat nog "de heer Voordewind", maar zo wil ik mevrouw Schouten niet noemen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

De heer Rog zei dat het CDA voor een leerlingvolgsysteem is. Ik zat in spanning te wachten, omdat ik dacht dat er wel een amendement zou komen om ervoor te zorgen dat de verplichte eindtoets uit het wetsvoorstel wordt gehaald, maar ik hoor de heer Rog zeggen dat hij wil evalueren hoe het gaat. Nogmaals, wil de heer Rog een verplichte eindtoets op zijn voorwaarden of wil hij die in het geheel niet?

De heer Rog (CDA):

Wij doen twee dingen die niet geheel los van elkaar te zien zijn. Ten eerste bieden wij scholen de mogelijkheid om naast de Cito-eindtoets een andere eindtoets aan te bieden. Dat vinden wij een belangrijk punt. De 15% scholen die thans niet gebruikmaken van Cito, houden zo de mogelijkheid om een andere eindtoets te gebruiken. Ten tweede constateren wij dat het verstandig is om het complexe huidige systeem, met referentieniveaus, eindtoetsen en het leerlingvolgsysteem, na vier jaar goed tegen het licht te houden en te evalueren. Uit mijn tekst kunt u opmaken dat de CDA-fractie zich daarbij ook kan voorstellen dat er op enig moment een andere keuze wordt gemaakt dan die voor een verplichte eindtoets. Dat gaan we echter rustig en zorgvuldig met elkaar evalueren. U proeft in mijn betoog terecht dat wij daarbij met een schuin oog kijken naar het leerlingvolgsysteem, omdat wij dat zien als een buitengewoon waardevol instrument, dat wellicht op termijn een alternatief kan zijn voor de eindtoets.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik probeer het echt te begrijpen. De conclusie is dus dat de CDA-fractie eventueel wel zal instemmen met een verplichte eindtoets, terwijl zij het eigenlijk geen ideaal model vindt. Ik kan me voorstellen dat de heer Rog hier nog wat voorwaarden aan verbindt, bijvoorbeeld dat zijn amendementen worden aangenomen.

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Schouten mag concluderen dat wij recht willen doen aan de leerlingen. Zij moeten op een goed niveau reken- en taalonderwijs krijgen. Dat moet ook getoetst worden. Verder staan we uitdrukkelijk stil bij de ontwikkelingen. Daar ben ik net uitgebreid op ingegaan. Als de amendementen die samen met de fractie van mevrouw Schouten zijn ingediend, het amendement over de evaluatiebepaling en de motie over het niet openbaar maken van Cito-scores, breed worden aangenomen, zal de CDA-fractie inderdaad instemmen met het wetsvoorstel.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dat was het antwoord waarnaar ik op zoek was. Het leek even op een "ja" van het CDA, als er maar een evaluatie komt. Ik begrijp echter dat deze staatssecretaris – los van de vraag of de motie wordt aangenomen – moet kunnen garanderen dat de cijfers die door de centrale eindtoets worden gegenereerd, niet publiek worden gemaakt. Daarnaast moet er een evaluatie komen en moeten scholen zelf kunnen kiezen voor een aanbieder. Als daaraan wordt voldaan, kan men op de steun van het CDA rekenen.

De heer Rog (CDA):

Ik ben juist samengevat.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dit is een heerlijk debat. Dank u wel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hoe zat het ook al weer met het CDA-congres? Wat vonden de CDA-leden van de verplichte eindtoets?

De heer Rog (CDA):

Dat is het mooie. Wij hebben in onze partij zeer uitdrukkelijk en lang met elkaar gediscussieerd over dit thema. In de verkiezingsprogramma's van de afgelopen periode stond eigenlijk altijd dat wij wel een eindtoets willen, maar niet één centrale (Cito)-eindtoets. Dat standpunt is herbevestigd in 2012. Dat is ook de lijn van mijn betoog hier.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik probeer ook nog wijs te worden uit uw eerste antwoord op de vraag van mevrouw Schouten. U hield een beetje een wollig betoog, maar u zei …

De voorzitter:

Graag via de voorzitter.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Uiteindelijk moet er van het CDA dus een leerlingvolgsysteem komen, maar tot die tijd mag er wel een centrale eindtoets zijn.

De heer Rog (CDA):

Ik heb mij zorgvuldig uitgelaten, omdat ik niet weet wat de uitkomsten zullen zijn van de evaluatie. Ik heb een evaluatiebepaling opgenomen in het amendement. Die vind ik van groot belang. U zult het mij niet kwalijk nemen dat ik eerst de uitkomsten wil zien, voordat ik definitief conclusies zal trekken. Daar is een evaluatie voor.

Ik rond af. De minister sprak in een eerder interview in Trouw over vertrouwen in scholen en het verminderen van de regeldruk voor scholen. Wij ondersteunen de minister en de staatssecretaris van harte in dit voornemen. Daarbij willen wij, net als de Onderwijsraad, de Raad van State en het gehele maatschappelijke middenveld, de vrijheid van inrichting door scholen respecteren. Daarbij past dus dat scholen zelf de vrije keuze hebben voor een eindtoets. Het CDA geeft dat vertrouwen aan scholen. Wij geven ook vertrouwen aan leraren, omdat wij geloven dat zij de intrinsieke motivatie hebben om het beste te halen uit elke leerling.

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. De meeste ouders in Nederland maken zich zorgen over de schoolloopbaan van hun kinderen, zo ook ik. Sterker nog, nu ik sinds een aantal maanden onderwijswoordvoerder voor de VVD mag zijn, zijn die zorgen alleen maar toegenomen. Wij gaan er namelijk van uit dat alle basisscholen in Nederland een goede kwaliteit van onderwijs leveren en daarmee het beste uit ons kind weten te halen, maar is dat eigenlijk wel het geval? Hoe bepalen wij dat op dit moment? Met "wij" bedoel ik wij als politiek, wij als onderwijsinstelling, maar ook wij als ouders.

Onlangs heeft RTL een WOB-verzoek ingediend om de Cito-scores van de scholen openbaar te maken. Dat heeft heel veel wat stof doen opwaaien. Zowel tegenstanders als voorstanders lieten van zich horen, ouders, leraren, schooldirecteuren, in de media, via de mail en op het schoolplein. We hebben het er net ook al even over gehad. Ondanks het feit dat het heel wat stof deed opwaaien, is het bijna normaal om te veronderstellen dat die scores openbaar gemaakt zouden worden. Tot op heden zijn die Cito-scores namelijk de beste en misschien wel de enige indicator in de ogen van ouders, om een school op te beoordelen. Maar laat ik er duidelijk over zijn dat de VVD er voorstander van is dat scholen veel transparanter worden over het onderwijs dat zij verzorgen. Als ouders een school alleen op de gemiddelde Cito-score beoordelen, kan er namelijk een vertekend beeld ontstaan. Basisscholen moeten, wat de VVD betreft, snel aan het werk om ouders van leerlingen duidelijk te maken hoe goed of hoe slecht een school het doet. Zij moeten veel beter inzichtelijk maken wat de kwaliteit van onderwijs is die de ouders van de kinderen mogen verwachten, zodat ouders ook bewust kunnen kiezen welke school zij het beste voor hun kinderen vinden. Daar staat de VVD voor.

Gelukkig zijn scholen zich meer en meer bewust van het feit dat zij open en transparant moeten zijn. "Steeds meer scholen werken met het verantwoordingsprogramma Vensters PO. Ook verantwoorden veel scholen zich nu al in een schoolgids en op de websites. In meer dan 150 jaar onderwijsgeschiedenis zijn scholen nog nooit zo gefocust geweest op opbrengsten en kwaliteit. Ouders zouden er meer mee gebaat zijn als we dit beleid ondersteunen en een extra impuls geven."Deze alinea uit de brief van de Algemene Vereniging Schoolleiders kan de VVD van harte onderschrijven. Ook de staatssecretaris stelde afgelopen week in het programma Buitenhof nog dat scholen veel transparanter moeten worden en niet alleen de Cito-scores naar buiten moeten brengen, maar ook andere gegevens over de kwaliteit van een school. Scholen zouden zich er niet tegen moeten keren, maar juist openheid van zaken moeten geven. Ouders hebben er recht op om dat te weten. Als scholen ook andere gegevens overzichtelijk aan ouders aanbieden, is de kans veel kleiner dat de Cito-score wordt gebruikt als een ranglijst. Enkel de gemiddelde score op een eindtoets, die de Cito-toets toch is, zegt niets over de kwaliteit van het onderwijs, tenzij deze gecorrigeerd is voor het beginniveau. Vandaar dat wij blij zijn dat naast de centrale eindtoets ook het leerlingvolgsysteem zo'n centrale plaats heeft gekregen in dit wetsvoorstel. Dat stelt ons namelijk in staat om leerwinst te meten. Het zou jammer zijn als scholen ten onrechte als minder goed zouden worden aangemerkt enkel en alleen omdat hun gemiddelde Cito-score laag is, terwijl zij met hun onderwijsinspanningen heel goede resultaten hebben weten te bereiken als je zou kijken naar de leerwinst.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik weet dat de VVD waarde hecht aan toetsen. De specialist op het gebied van toetsen, het Cito, zegt eigenlijk: hoe meer functies je aan een toets hangt, hoe slechter dat is voor de betrouwbaarheid. Hoe rijmt mevrouw Straus dat met het openbaar willen maken van al die cijfers en het koppelen van financiering aan scores, hetgeen zelfs ook in de plannen van de VVD aan de orde is?

Mevrouw Straus (VVD):

Het gaat erom dat je leerwinst gaat meten. Daar kom ik zo meteen nog in mijn betoog op terug. Het gaat om datgene wat een school weet te bereiken, dus het verschil tussen wat het kind kan als het binnenkomt en wat het kan als het naar buiten gaat.

De heer Klaver (GroenLinks):

Het is goed dat mevrouw Straus daar zo dadelijk op terugkomt, maar ik maak een algemeen punt, dus niet zozeer over het meten van de leerwinst. De toetsen waar nu over wordt gesproken, zijn toetsen die de voortgang van een leerling meten. Dat is het doel van die toets. Als je daar andere functies, bijvoorbeeld het beoordelen van een school of financiering, aan gaat koppelen, gaat de betrouwbaarheid van zo'n toets omlaag. Dan krijg je namelijk een soort teaching to the test. Hoe kijkt mevrouw Straus daar tegenaan? Zouden wij niet de functies die je aan een toets kan hangen, moeten beperken tot datgene waar ze voor bedoeld zijn?

Mevrouw Straus (VVD):

Dat is precies mijn betoog. Op dit moment is de Cito-toetsscore echter de enige indicator die ouders hebben. Dat is de reden waarom er zoveel gewicht aan toe wordt gekend. Wat ons betreft is het echter een indicator en zeker niet dé indicator. Vandaar dat wij graag toe willen naar een systeem van leerwinst. Dat is ook de reden waarom wij zo blij zijn dat het leerlingvolgsysteem in deze wet zit.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat systeem van leerwinst is er nog helemaal niet. Dat wordt via pilots uitgewerkt. Intussen wil mevrouw Straus dan wel een centrale eindtoets gaan opleggen. Wat is dat voor een raar standpunt van een liberale partij?

Mevrouw Straus (VVD):

Volgens mij is het geen raar standpunt, want dit standpunt hebben wij al jaren. Wij willen namelijk heel duidelijk zijn over de eindtermen die uiteindelijk in het onderwijs verwacht mogen worden. Die eindtermen stellen wij met deze centrale eindtoets, niet meer en niet minder.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Blijft staan dat het een buitengewoon centralistisch standpunt is, wat ik niet bij uw partij vindt passen. Ik vind verder de redenering die de VVD gebruikt over het openbaar maken, uiterst merkwaardig. Mevrouw Straus zegt nu: het cijfer zegt eigenlijk zo weinig dat het helemaal niets meer zegt. Zo werkt het toch niet, mevrouw Straus, zeg ik via de voorzitter. Mensen zijn toch niet de hele dag met onderwijs bezig, zoals mevrouw Straus dat is? Mensen kijken gewoon in de krant en zien daar een cijfer en zeggen: dat is een goede school, want die heeft een hoge Cito-score of dat is een slechte school, want die heeft een lage Cito-score. Is dat het systeem waar mevrouw Straus naartoe wil? Ik zou dat echt schandalig vinden.

Mevrouw Straus (VVD):

Dat is nu juist niet het systeem waar ik naartoe wil. Vandaar dat ik een pleidooi houd om te komen tot een systeem van leerwinst. Dat hebben wij nu inderdaad nog niet. Tot die tijd moeten wij daarom werken met wat wij nu hebben. En dat is het voorstel dat nu voorligt: een centrale eindtoets en een leerlingvolgsysteem.

De heer Van Dijk vind het raar dat wij, een liberale partij, voor een centrale eindtoets zijn. Maar, mijnheer Van Dijk, vrijheid is geen blijheid. Vrijheid is verantwoordelijkheid.

De heer Van Meenen (D66):

In haar beantwoording van de heer Van Dijk sprak mevrouw …

De voorzitter:

Straus.

De heer Van Meenen (D66):

Excuses. Dit is een seniorenmomentje. Maar ik hoef nog niet naar de uroloog!

Mevrouw Straus zei: met deze eindtoets stellen wij de eindtermen voor het basisonderwijs vast. Dat klinkt mij zeer als een centraal examen in de oren. Kan mevrouw Straus mij geruststellen dat dat niet haar bedoeling is?

Mevrouw Straus (VVD):

Ten eerste hebben wij het vandaag alleen over taal en rekenen. Als de heer Van Meenen goed kijkt naar de conclusies van de commissie-Dijsselbloem, dan ziet hij dat een van de aanbevelingen die zij heeft gedaan, is dat je toe moet naar een systeem met een objectieve eindtoets aan het eind van het basisschool. Daar hebben wij het vandaag over.

De heer Van Meenen (D66):

Maar die objectieve toets is diagnostisch bedoeld voor leerlingen. Als mevrouw Straus zegt dat dat de eindtermen van de opleiding zijn, dan klinkt dat als: daar kun je voor slagen, daar kun je voor zakken, dat kun je halen, dat kun je niet halen. Dat is precies waar wij ons met zijn allen grote zorgen over maken, namelijk dat die toets juist die functie gaat vervullen.

Mevrouw Straus (VVD):

Dat is ook niet de bedoeling. Het is wel de bedoeling dat die toets normstellend is. De heer Beertema is daar in zijn betoog ook op ingegaan. Dat is hetgeen wij uiteindelijk willen dat kinderen geleerd hebben en dat is de norm waaraan gerefereerd wordt.

De heer Van Meenen (D66):

Mag ik nog een vraag stellen, voorzitter?

De voorzitter:

Kort.

De heer Van Meenen (D66):

Normstellend, eindtermen; kinderen kunnen niet de Cito-eindtoets halen. Toch spreekt mevrouw Straus daar in die termen over. Dat is de norm die zij stelt en daar moeten de kinderen aan voldoen. Maar dat kan niet.

Mevrouw Straus (VVD):

Die norm is niet één punt op de horizon. Die norm is een spectrum van punten op de horizon, op basis waarvan naar een kind wordt gekeken. Dat is de best voorspellende waarde om te bekijken wat het geschikte vervolgonderwijs voor kinderen is.

De heer Bisschop (SGP):

Mevrouw Straus spreekt over een spectrum van allerlei facetten. Ik neem aan dat wij het dan niet hebben over de centrale eindtoets die op enigerlei wijze verplicht is, maar over het leerlingvolgsysteem, waarin scores, gerelateerd aan de referentieniveaus, goed geregistreerd worden. Dat biedt toch precies waar de VVD-fractie om vraagt? Een centrale eindtoets is dan toch overbodig, als ik logisch doorredeneer op basis van het betoog en de uitgangspunten van mevrouw Straus?

Mevrouw Straus (VVD):

Het gaat erom dat duidelijk gemaakt wordt naar welk eindniveau de kinderen uiteindelijk toe moeten werken. Dat is niet één eindniveau, want wij hebben gelukkig een heel divers palet van vormen van voortgezet onderwijs, maar dat is wel de meetlat waar wij naartoe moeten werken. Het leerlingvolgsysteem monitort de voortgang van het individuele kind in de loop van acht schooljaren. Dat is iets anders. Bij dat systeem hebben wij niet een stip op de horizon gezet waar wij naartoe zouden moeten werken.

De heer Bisschop (SGP):

Nu worden naar mijn mening een paar zaken door elkaar gehaald. De vraag is of door een centrale eindtoets bepaald moet worden of het niveau waar naartoe gewerkt moet worden, gehaald is. Dat is een andere kwestie, mevrouw Straus. Ik geef u graag in overweging …

De voorzitter:

Wilt u via de voorzitter spreken?

De heer Bisschop (SGP):

Zeker, voorzitter. Ik geef mevrouw Straus graag het volgende in overweging. Of het niveau wel of niet gehaald is, kunnen wij toch ook vaststellen aan de hand van het leerlingvolgsysteem in plaats van via een centrale eindtoets? Dit past volgens mij veel beter bij de uitgangspunten van de VVD. Ik wil niet voorzeggen hoe een VVD'er moet denken – al zou ik dat af en toe graag doen – maar ik wil mevrouw Straus het voorgaande toch graag in overweging geven. Dat werpt een heel ander licht op de dwang van een centrale eindtoets.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik voel de dwang van een centrale eindtoets niet. Ik voel die toets als een punt waar naartoe gestreefd wordt. Het leerlingvolgsysteem is een hulpmiddel om ervoor te zorgen dat het onderwijs aan individuele leerlingen zo goed mogelijk wordt ingericht, opdat zij uiteindelijk het eindniveau halen.

De voorzitter:

Dank u. Mevrouw Straus continueert en rondt af.

Mevrouw Straus (VVD):

Allereerst wil ik ingaan op de rol van de politiek. De commissie-Dijsselbloem heeft in 2007 in haar aanbevelingen al heel duidelijk gemaakt dat wij ons vooral met het "wat" van het onderwijs zouden moeten bezighouden en zo min mogelijk met het "hoe". In de uitwerking is de commissie heel concreet: de politiek gaat over wat er geleerd moet worden. Precies daarover gaat het vandaag.

De VVD-fractie vindt dat klip-en-klaar moet zijn wat een kind aan het eind van groep 8 van de basisschool naar verwachting geleerd mag hebben. Op dit moment kennen wij geen eindtermen in het basisonderwijs. Een ouder weet dus niet of zijn of haar kind wel geleerd heeft wat het zou hebben moeten leren. Natuurlijk zijn verreweg de meeste scholen in Nederland op dit punt heel goed bezig, want wij hebben referentieniveaus en kerndoelen, maar het blijft raar dat je als ouder niet weet wat je van een school mag verwachten. De VVD-fractie is van mening dat ieder kind recht heeft op een objectieve vaststelling van zijn kennis en vaardigheden aan het eind van de basisschool.

De Cito-toets zoals wij die nu kennen, wordt door 85% van de basisscholen gebruikt, dus blijkbaar is het toch een goed instrument. Zij dankt haar bestaan – ik heb dit even opgezocht – aan een Koninklijk Besluit van 22 juni 1965. Toen moest er, net als nu, heel wat weerstand overwonnen worden. Ook toen waren er principiële standpunten tegen elke vorm van meten. Men zou het onderwijs en het kind daarmee geweld aandoen. Diezelfde argumenten zijn ook vandaag weer over tafel gekomen. Zonder deze objectieve maatstaf doet men het kind echter te kort. Voor Cito was vooral de maatschappelijke achtergrond van een kind de maatstaf op basis waarvan door het hoofd van de school – die toen nog "lagere school" heette – besloten werd of het kind in de gelegenheid werd gesteld om door te studeren. Zelfs bij mijn eigen ouders heeft dit nog nadrukkelijk een rol gespeeld.

Gelijke kansen krijgen, geen kinderen achterlaten, daar gaat het mij om. Men zal zeggen dat dit iets van vroeger is, maar helaas is de werkelijkheid minder rooskleurig. De maatschappelijke achtergrond van een leerling weegt nog altijd zwaar mee in het advies, ongeacht de capaciteit van de betrokken leerling. Deze laatste uitspraak is niet van mijzelf, maar van professor Dronkers, die dit vorige week nog gezegd heeft. Mijn liberale hart bloedt als ik bedenk dat dit in het Nederland van 2013 blijkbaar nog steeds bestaat. Niet alleen blijkt uit diverse internationale studies dat een centrale eindtoets leidt tot significant betere prestaties van leerlingen, ook zal duidelijk zijn uit wat ik hiervoor gezegd heb, dat ik echt principieel van mening ben, net als de commissie-Dijsselbloem, dat alle leerlingen recht hebben op objectieve vaststelling van wat zij hebben geleerd en hoe dit het beste aansluit bij hun vervolgopleiding. De taak van de overheid is dus om ervoor te zorgen dat deze objectieve vaststelling er is, middels een centrale eindtoets.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Door de VVD worden grote woorden gesproken: dat een kind nu niet weet wat zijn of haar niveau is, maar daar hebben wij leraren voor, heel goede leraren. Sterker nog, die leraren kunnen dat al die jaren volgen en die geven dat ook aan in een studieadvies. Ik hoor de VVD er nu voor pleiten dat de eindtoets de norm moet zijn. Dan heb ik een vraag. Het lid Ypma, uw coalitiepartner van de PvdA, heeft zojuist een amendement ingediend dat niet de eindtoets leidend moet zijn, waarin de toelichting staat dat het een momentopname is, maar het schooladvies. Als ik het betoog van mevrouw Straus aanhoor, kan ik mij niet voorstellen dat zij met dit amendement zal instemmen. Klopt dat?

Mevrouw Straus (VVD):

Wat ons betreft staan het schooladvies en de centrale eindtoets naast elkaar. Het schooladvies gaat hopelijk steeds beter worden. Daarvoor wordt het leerlingvolgsysteem nu ook verplicht ingevoerd. Het schooladvies wordt dus niet meer alleen door de leraar bepaald. U hebt gelijk dat er heel veel goede leraren zijn in Nederland, maar ook in de huidige tijd zijn leraren ook maar mensen. Er zijn heel veel subjectieve meningen die daarin meespelen. Waar het mij om gaat, is dat het schooladvies steeds beter wordt door middel van het leerlingvolgsysteem. Dat wordt onderbouwd door de leerling acht jaar te volgen en dat komt naast de centrale eindtoets te staan, zodat ook de leerling die misschien soms niet zo goed uit de verf komt op die school, toch altijd ook nog dat tweede objectieve gegeven heeft om zijn talent te kunnen laten zien.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

In het amendement en in de toelichting lees ik dat het schooladvies de norm is, en dat juich ik toe, laat ik dat erbij zeggen. Alleen als de Cito-score hoger is, zou deze er bij wijze van spreken nog overheen kunnen. Met andere woorden, de Cito-score wordt niet nevengeschikt, maar ondergeschikt aan het schooladvies. Als mevrouw Straus consequent is, zou zij dit amendement niet steunen. Dat is wat ik haar vraag. Anders moet zij haar grote woorden terugnemen dat leraren niet in staat zouden zijn om te beoordelen wat het niveau van een kind is.

Mevrouw Straus (VVD):

Wat ons betreft blijven die twee echt naast elkaar staan. Zoals ik al zei, het leerlingvolgsysteem zorgt ervoor dat het schooladvies steeds beter wordt, maar dat is nog niet verplicht. We gaan toe naar een systeem waarbij het schooladvies steeds beter onderbouwd wordt, op basis van het leerlingvolgsysteem. Daarnaast willen wij de objectieve eindtoets hebben, want er zijn ook leerlingen die bijvoorbeeld niet de hele schoolcarrière op één school hebben doorgebracht. Dan is het maar de vraag in hoeverre die gegevens ook meewegen in het oordeel. Er zijn ook kinderen die niet zo goed uit de verf komen in een klas en die willen wij ook een kans geven, door daarnaast het objectieve gegeven te hebben van de Cito-toets. Daarom kunnen wij de lijn in de toelichting van mevrouw Ypma wel volgen, dat als kinderen op de Cito-toets beter scoren dan bij het schooladvies, deze wel degelijk ook nog extra invloed heeft.

De heer Van Meenen (D66):

In tegenstelling tot mevrouw Schouten begrijp ik heel goed waarom de VVD dit amendement steunt; omdat dit amendement nu exact de leidende rol van de toets bevestigt. Uiteindelijk is de Cito-toets in dit voorstel dus beslissend, want zodra deze hoger is dan het advies, moet de Cito-toets gevolgd worden. Is mevrouw Straus dat met mij eens?

Mevrouw Straus (VVD):

Waar het om gaat, is dat die mogelijkheid er moet zijn en dat het kind het voordeel van de twijfel krijgt als het op de Cito-toets beter scoort dan het schooladvies. Als een kind een betere centrale eindtoetsscore heeft dan verwacht mocht worden op grond van het leerlingvolgsysteem, is dat wat ons betreft onderwerp van gesprek. Dan zou je dat kind het voordeel van de twijfel moeten geven.

De heer Van Meenen (D66):

Is mevrouw Straus het met me eens dat dit de opening is naar de echte Cito-gekte? Nu is de situatie als volgt. Als de Cito-toets een beter resultaat oplevert dan het advies, dan is de Cito-toets leidend. Dat is de essentie van dit voorstel. Dat is om kinderen kansen te geven. Schitterend! Dat moeten we vooral doen: kinderen kansen geven. Maar is mevrouw Straus het met me eens dat dit de opening is naar een situatie waarin de Cito-toets feitelijk een herkansing van het advies wordt?

Mevrouw Straus (VVD):

Vandaar ook mijn benadrukking dat het wat ons betreft naast elkaar staat, waarbij het schooladvies een gegeven is en de Cito-score het objectieve tweede gegeven.

Ik vervolg mijn betoog. Het zal waarschijnlijk ook geen verbazing wekken dat ik namens de VVD zeer ongelukkig ben met het feit dat de toetsen op verschillende niveaus nog steeds in het wetsvoorstel staan. Als we niet oppassen, gaan we daarmee terug in de tijd. Zelfs een tegenstander van het selecteren van een vervolgopleiding voor kinderen van 12-jarige leeftijd, Jan Terwel, verwacht dat het toetsen op verschillende niveaus leidt tot een diepere kloof tussen laag- en hoogopgeleiden. Hij zegt dat het oneerlijk is om met twee maten te meten, wat volgens hem gebeurt als er twee verschillende Cito-toetsen komen. Hij stelt: maar als het dan toch moet, doe het dan ook allemaal met gelijke kansen, met dezelfde toets.

Ik geef wederom een citaat van professor Dronkers. De twee niveaus van de toets brengen het oude milieuverschil in de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs weer terug. Het zal ertoe leiden dat kinderen van laaggeschoolde ouders die goed kunnen leren, toch worden geselecteerd voor een lagere toets, met als reden dat ze niet te veel op de tenen moeten lopen, dat ze niet voldoende steun van thuis krijgen en dat ze van die prestatiedwang maar stress krijgen en dan aan de valiumtabletten moeten. Op dat laatste heeft D66 ook al geduid.

De VVD is het op dit punt met Dronkers eens. Wij willen juist niet dat er minder verwacht wordt van deze leerlingen. Wij hebben daarom bij de begrotingsbehandeling voor de motie-Beertema gestemd, waarin werd verzocht om geen onderscheid te maken, waarin werd verzocht om geen verschillende toetsen aan te bieden voor kinderen van verschillende niveaus. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de leerwinst op scholen met bijvoorbeeld veel allochtone kinderen hoger is dan op scholen met een meer reguliere samenstelling, terwijl de eindscore van de Cito-toets lager is. Hieruit kan worden geconcludeerd dat als het niveau van de leerling enkel wordt vastgesteld op basis van een inschatting van de leraar, de leerling onderschat kan worden. Deficit thinking, wordt dit in de literatuur genoemd. Precies zoals bij mijn ouders in de jaren vijftig!

Een onderschatting van de leraar zorgt ervoor dat het kind nooit beter kan presteren dan wat de school inschat. Dat vind ik ten principale verkeerd. Talent gaat zo verloren. Aan de andere kant, als een kind de gewone toets maakt en slecht scoort terwijl de school het kind hoger inschat, dan is de toets slechts een momentopname. Dan is er niets aan de hand. Ik wil dan ook blijven pleiten voor één centrale eindtoets totdat dynamisch toetsen ingevoerd kan worden. Ik overweeg op dit punt een amendement in te dienen.

De VVD-fractie heeft in de schriftelijke ronde vragen gesteld over het uitsluiten van leerlingen die vier jaar of korter in Nederland zijn. Deze uitzonderingsmogelijkheid wordt nu aan scholen geboden. Dit kind kan zonder deelname aan de centrale eindtoets wel een advies krijgen voor het voortgezet onderwijs. De VVD wil deze uitzondering zodanig veranderen dat die alleen geldt voor kinderen die korter dan twee jaar in Nederland zijn. Wij willen dat zo veel mogelijk kinderen deelnemen aan een centrale eindtoets. Het uitsluiten van het kind omdat zij of hij de taal onvoldoende beheerst, is ongewenst. In het voortgezet onderwijs is tenslotte ook de beheersing van de Nederlandse taal een voorwaarde. Een verblijf van meer dan twee jaar in Nederland moet, met alle mogelijkheden voor extra taalonderwijs die we in Nederland hebben, meer dan voldoende zijn voor kinderen in de basisschoolleeftijd om de taal op niveau te krijgen. Ook op dit punt heb ik een amendement voorbereid.

Als laatste punt met betrekking tot wat er geleerd moet worden, wil ik aandacht vragen voor meer balans tussen taal en rekenen in de eindtoets. De huidige Cito-toets is zeer talig, ook bij de rekenvraagstukken, waardoor leerlingen die minder taalvaardig zijn, eigenlijk direct op achterstand staan. In het kader van onze aandacht voor techniek, al bij jonge kinderen, zou er meer evenwicht met rekenvaardigheid moeten zijn. Graag hoor ik de mening van de staatssecretaris daarover. In het verlengde hiervan willen wij ook graag van de staatssecretaris weten hoe hij aankijkt tegen de mogelijkheid om het onderdeel wereldoriëntatie op termijn ook onderdeel van de centrale eindtoets te laten zijn.

Aan het begin van mijn betoog heb ik aangegeven dat de VVD wil inzetten op het inzichtelijk maken van leerwinst. Deze wordt van iedere individuele leerling gemeten ten opzichte van het startniveau. Als een kind uit een eenvoudige wijk met een 4 het onderwijs inkomt en met een 7 naar het vervolgonderwijs uitstroomt, is er leerwinst geboekt, terwijl er bij een kind uit een deftige buurt dat met een 8 binnenkomt en met een 7 uitstroomt dus geen leerwinst is geboekt. Bij leerwinst gaat het dus niet om onderwijs aan excellente leerlingen, maar aan excellent onderwijs dat het beste uit alle kinderen haalt.

De heer Klaver (GroenLinks):

Is mevrouw Straus aan het einde gekomen van haar blokje over leerwinst?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik heb nog een stukje. Dat zal ik eerst afmaken. De leerwinst kun je op verschillende manieren meten. Ik vraag de staatssecretaris of het diverse palet van varianten waarmee je de delta tussen het beginniveau van een leerling en het eindniveau kunt meten, onderdeel is van de leerwinstpilot die op dit moment loopt. Is de staatssecretaris, net als de VVD, van mening dat leerwinst een cruciaal aspect is in het bepalen van wat een school met haar leerlingen weet te bereiken? Is de staatssecretaris het met ons eens dat dit eigenlijk het gegeven is op basis waarvan ouders scholen met elkaar zouden moeten kunnen vergelijken?

De heer Klaver (GroenLinks):

Als een ware bewindspersoon weet mevrouw Straus haar blokjes af te ronden. Ik heb een vraag over het meten van de leerwinst. Het punt dat ik maakte is dat je daarmee wederom meet hoe een leerling heeft gepresteerd en hoe veel een leerling erop vooruit is gegaan. Hoe kun je dat dan gebruiken om te bezien hoe goed een school heeft gepresteerd? Volgens mij komen wij dan precies uit op het punt waar onder anderen het Cito voor waarschuwt: gebruik een toets waarvoor deze bedoeld is, namelijk om te meten wat de voortgang van een leerling is – dat is heel goed te doen – maar gebruik deze niet om een school te beoordelen. Er zijn zo veel facetten die belangrijk zijn voor de leerwinst. Als je er al het oordeel over een school aan koppelt, wordt de toets te belangrijk.

Mevrouw Straus (VVD):

Leerwinst is niet een toets. Leerwinst is het verschil tussen waar je het onderwijs binnenkomt en waar je het onderwijs verlaat. De centrale eindtoets is alleen een meetmoment aan het eind. De delta tussen het begin en het eind is de leerwinst. Dat is wat een school in acht jaar tijd met een kind weet te bereiken. Wat ons betreft kun je dat prima gebruiken om de kwaliteit van het onderwijs op te beoordelen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Volgens mij is het vrij simpel. Je hebt een nulmeting nodig. Daarna heb je een eindtoets nodig, als afsluiting om te meten wat er in de tussentijd is gebeurd. Je hebt toetsen nodig om dat vast te stellen ...

Mevrouw Straus (VVD):

Er zijn ook nog andere manieren om dat te meten, sorry.

De heer Klaver (GroenLinks):

... maar als je daar andere functies aan koppelt dan alleen kijken hoe goed een leerling het doet, zoals de financiering van een school of de beoordeling van een school, dan heb je kans dat er perverse effecten optreden en dat je teaching to the test krijgt. Dat is iedere keer het punt dat ik probeer te maken. Dit is toch niet wat mevrouw Straus zou willen?

Mevrouw Straus (VVD):

Wat wij graag willen, is dat je leerwinst gaat meten, in de volle breedte. Dat is uiteindelijk het kwaliteitscriterium waaraan je wilt voldoen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik begrijp heel goed dat mevrouw Straus de leerwinst van een leerling wil meten, maar zij wil daarmee ook de kwaliteit van de school beoordelen. Daar zit mijn probleempunt, want ik zeg: dat kan niet met een en dezelfde toets. Daarop zou ik graag een reactie willen hebben.

Mevrouw Straus (VVD):

Het zijn andere toetsen dan de centrale eindtoets, laten wij dat vooropstellen. In het leerlingvolgsysteem wordt op een andere manier leerwinst gemeten. Je kunt het doen met een nulmeting en een eindmeting, maar je kunt het ook op andere manieren doen. Daarom kan ik niet meteen antwoord op uw vraag geven. Er zijn namelijk ook andere manieren dan de nulmeting en de eindmeting in toetsvorm. Je kunt ook longitudinaal onderzoek doen. Je kunt er trendanalyses op loslaten. Zo zijn er nog een aantal voorbeelden. Ik kan niet zeggen dat het met de toetsten samenhangt. Het gaat ons erom, dat wij naar het systeem van leerwinst toe willen. Dat is voor ons op dit moment de beste kwaliteitsindicator voor het onderwijs.

De heer Bisschop (SGP):

Ik blijf proberen het te volgen. Begrijp ik het goed dat mevrouw Straus nu zegt: we hebben de referentiekaders of de referentieniveaus aangegeven en aan de hand van toetsing kunnen wij precies volgen hoe ver de leerlingen zijn? Vervolgens hebben we een leerlingvolgsysteem, waarin we de voortgang vastleggen, en daarnaast moet er nog iets komen van een eindtoets, en daar overheen moet dan nog iets komen om de leerwinst te bepalen? Dat is dan toch precies de verschrikking van het onderwijs, een deken van controle na een deken van controle na een deken van controle? Dat is wat ik bedoel met controlisme: het scheert helemaal langs de essentie van onderwijs heen! Is mevrouw Straus dat met mij eens?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik kan daar heel kort op antwoorden met nee, maar de heer Bisschop wil vast ook weten waarom. Een leerlingvolgsysteem is onderdeel van het professioneel handelen van leraren. Heel veel scholen gebruiken ook al een leerlingvolgsysteem. Als je dat goed gebruikt, wordt de leerwinst als vanzelfsprekend duidelijk.

De heer Bisschop (SGP):

Conclusie: als het leerlingvolgsysteem goed wordt bijgehouden, is makkelijk vast te stellen wat de leerwinst is en dan is dus een aparte maatregel ten behoeve van het vaststellen van leerwinst niet meer noodzakelijk. Begrijp ik het zo goed?

Mevrouw Straus (VVD):

Het nu verplichtstellen van een leerlingvolgsysteem is een voorwaarde om toe te kunnen werken naar een systeem van leerwinst meten, omdat het een middel is om leerwinst te meten. Het is dus niet en-en, het is in één.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mevrouw Straus heeft nog steeds geen antwoord gegeven op de vraag waarom zij nu een eindtoets wil invoeren, terwijl die leerwinst er nog helemaal niet is. Zij zegt het zelf ook: uiteindelijk moeten we daar naartoe. Dan zou het toch veel eerlijker zijn als ze zei: als dat geregeld is, gaan we over naar een eindtoets. Ik maak mij zorgen, mevrouw Straus, dat, als we nu zomaar beginnen met de verplichte eindtoets en het openbaar maken daarvan – de VVD is daar groot voorstander van – we een afrekencultuur krijgen. Misschien wil mevrouw Straus dat zelf ook helemaal niet. Laat ik even met haar meegaan. Wat gaat mevrouw Straus doen als we de komende jaren wel het effect zien optreden dat scholen gaan doen aan teaching to the test, dat ze zwakke leerlingen de deur wijzen, dat ze in competitie met elkaar gaan? Wat gaat u dan doen, mevrouw Straus?

Mevrouw Straus (VVD):

De heer Van Dijk stelt een vraag waar hij een vanzelfsprekend antwoord op kan krijgen. Deze centrale eindtoets is iets wat de VVD al heel lang wil, omdat het namelijk het enige is wat wij op dit moment hebben om de eindtermen vast te stellen. Die eindtermen heb je nodig om toe te kunnen werken naar een systeem van leerwinst. We hebben in 2007 het advies van de commissie-Dijsselbloem gekregen. Iemand zei nog tegen mij: in de Kamer zijn ze elkaar daarover snikkend in de armen gevallen. We hebben dat allemaal onderschreven. We hebben in 2010 de motie-Beertema/Elias gehad, over het toewerken naar een systeem van toetsen. Vervolgens hebben we in de vorige begrotingsbehandeling nog een keer een Kameruitspraak gehad dat we toe willen naar een eenduidig systeem van toetsen in het basisonderwijs. En dan gaat de heer Van Dijk mij vragen of ik dat niet nog eens op de lange baan wil schuiven? Nee, mijnheer Van Dijk, ik wil dat nu.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik concludeer dat mevrouw Straus alles doet behalve antwoord geven op mijn vraag. Ik vraag haar wat zij gaat doen om de afrekencultuur te voorkomen. Hoe gaat zij voorkomen dat scholen snoeihard worden afgerekend op één getal, het Cito-gemiddelde, terwijl het gaat over vele leerlingen in die school? Als zij mij geen antwoord geeft op die vraag, dan kan ik maar één ding concluderen: de VVD wil het op deze manier, de VVD wil die haringtest! En dat vind ik heel spijtig.

Mevrouw Straus (VVD):

Mijnheer van Dijk, wij willen toe naar een systeem van leerwinst meten, maar daarvoor heb je die centrale eindtoets nodig. Dat voorstel ligt er nu. Dat willen we in ieder geval verzilveren. Daarnaast heb ik aan de staatssecretaris gevraagd hoe het nu zit met het systeem van leerwinst. Hoe gaan we dat uitpakken? Hoe kijkt hij daartegen aan? Ik hoor heel graag van hem hoe hij dat gaat doen. Het liefst doen wij dat morgen. Die pilots lopen nu en wij moeten de ruimte geven om daarin tot een goede definitie van leerwinst te komen. Toch wil ik die centrale eindtoets nu verzilveren, want die hebben wij ook nodig om leerwinst te meten.

De voorzitter:

Ik stel voor dat mevrouw Straus afrondt. Daarna kunnen wij naar een heugelijke gebeurtenis.

Mevrouw Straus (VVD):

De VVD is groot voorstander van een goed en beter gebruik van het leerlingvolgsysteem als professioneel instrument in het onderwijs. Het geeft de leerkracht zicht op de studievoortgang, zowel op het niveau van de individuele leerling als op het niveau van de klas. Het meet daarnaast de studievoortgang niet per jaar, maar over de gehele basisschoolperiode. Acht jaar lang wordt er waardevolle informatie verzameld over een leerling door alle leraren die met het kind werken. Het leerlingvolgsysteem helpt om het onderwijsprogramma zo goed mogelijk op de leerbehoefte van het kind af te stemmen. In de praktijk blijkt echter dat slechts 37% van de scholen het leerlingvolgsysteem optimaal gebruikt. Dat vinden wij veel te weinig. Het moet echt beter. Wat gaat de staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat het leerlingvolgsysteem straks echt goed gebruikt gaat worden en dat "learning analytics", zoals dat zo deftig heet, een vast onderdeel wordt van de professionaliteit van de leerkracht?

Dit wetsvoorstel bepaalt niet welk leerlingvolgsysteem een school moet kiezen. Dat doet recht aan de vrijheid van het onderwijs om invulling te geven aan het hoe. Als wij het achterliggende doel van het meten van leerwinst ook op schoolniveau centraal gaan stellen, betekent dat toch dat wij een aantal kwalitatieve criteria zullen moeten meegeven voor de keuze van een leerlingvolgsysteem. Er zijn namelijk vele soorten leerlingvolgsystemen op de markt en na vandaag zullen er waarschijnlijk nog vele nieuwe ontwikkeld gaan worden. Vandaar dat ik ook op dit punt een amendement overweeg met een aantal kwalitatieve criteria waaraan zo'n leerlingvolgsysteem wat ons betreft moet voldoen, zodat je uiteindelijk echt op leerwinst kunt gaan sturen.

Ik heb al gesproken over wat er moet worden geleerd in het basisonderwijs, over de relatie met de aansluiting tussen het basisonderwijs en het vervolgonderwijs en over hoe wij aankijken tegen het meten van de kwaliteit van het onderwijs, namelijk door middel van het meten van leerwinst. Ik kom nu bij mijn laatste punt. Hoe zorgen wij ervoor dat deze kwaliteit daadwerkelijk wordt geleverd? In de schriftelijke inbreng is de VVD kritisch geweeste over de positie die de score op de centrale eindtoets zou kunnen gaan innemen bij de inspectie en de bekostiging. De centrale eindtoets mag geen afrekeninstrument worden voor scholen. De VVD wil echter wel dat de bekostiging van basisscholen veel meer afhankelijk wordt van de kwaliteit. Sommigen denken dan impliciet dat dit moet gebeuren op basis van een eindtoets. Ervaringen uit het Verenigd Koninkrijk tonen aan dat dit niet de juiste weg is. Wat de VVD betreft, gaan wij toe naar het beoordelen van scholen op leerwinst. Ik heb daar een aantal dingen over gezegd. Ik hoor graag hoe de staatssecretaris daartegen aankijkt.

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Straus zegt een aantal behartenswaardige dingen over het wat en het hoe en over de vrijheid voor scholen om zelf een leerlingvolgsysteem te kiezen. Is zij het met het CDA eens dat de combinatie met een verplichte Cito-einddtoets dan wel bijzonder is? Kan zij dat nog een keer toelichten? Is zij niet bang dat als die verplichte centrale Cito-eindtoets er is scholen logischerwijs zullen kiezen voor Cito-producten rond leerlingvolgsystemen?

Mevrouw Straus (VVD):

Wat vooral belangrijk is bij de centrale eindtoets is dat die eenduidig en objectief is. Dat staat voorop. De regering heeft gekozen om deze in eerste instantie bij Cito onder te brengen. Ik begrijp dat heel goed, want dat is op dit moment de partij die daar het deskundigst in is in Nederland. Het is wat ons betreft geen wet van Meden en Perzen dat Cito dat tot in de eeuwigheid doet. Wij willen vooral dat die toets eenduidig is en heel goed. Daarom moet de beste partij die wij daarvoor hebben die toets maken. Wij gaan mee in het voorstel van de regering om nu voor Cito te kiezen. Dat wil echter net zeggen dat dit over tien jaar nog steeds het geval is. Het is vooral belangrijk, net als bij het leerlingvolgsysteem, dat wij uiteindelijk de leerwinst kunnen meten. Daarvoor moet je een bepaalde mate van vergelijkbaarheid hebben. Dat betekent niet dat je dat enkel en alleen met het leerlingvolgsysteem van Cito zou kunnen doen.

De heer Rog (CDA):

Volgens mij maakt mevrouw Straus met deze redenering eigenlijk de weg vrij voor de vrije keuze van scholen voor een eindtoets die bij de school zelf past. Als ik haar goed begrijp, vindt zij dat het wat bij de overheid ligt, maar het hoe bij de scholen, en dat het laatste voor zowel het leerlingvolgsysteem als voor de eindtoets geldt. Als dat klopt, kunnen we elkaar op dit punt wellicht naderen.

Mevrouw Straus (VVD):

Dat klopt, zolang maar duidelijk is dat het moet gaan om een eenduidige, objectieve eindtoets waarbij vergelijkbaarheid voorop staat. Dat laatste is vooral belangrijk.

De heer Van Meenen (D66):

Mevrouw Straus heeft gezegd dat de VVD ernaar streeft dat de scholen in het primair onderwijs bekostigd worden op grond van de kwaliteit. Wij hebben in de afgelopen week het rapport van het CPB ontvangen. Daarin staan dramatische cijfers over de financiële situatie van het primair en het voortgezet onderwijs. Ik vraag mevrouw Straus en de VVD-fractie om, voordat zij toekomen aan bekostiging naar kwaliteit, eens te overwegen om te gaan bekostigen vóór kwaliteit.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik dank de heer Van Meenen voor deze prachtige opmerking. Ik heb echter gezegd dat wij scholen gaan beoordelen op basis van leerwinst. Bekostiging is stap twee.

De heer Jasper van Dijk (SP):

"Om het onderwijs te verbeteren, is niet altijd extra geld of nieuwe regelgeving nodig. Het aantal regels moet zelfs fors worden verlaagd." Aldus het VVD-verkiezingsprogramma.

Mevrouw Straus (VVD):

Ja.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is behoorlijk in tegenspraak met het monsterlijke wetsvoorstel dat vandaag wordt behandeld en dat vol staat met nieuwe regels. Mijn vraag is, of het juist is dat de VVD-fractie niet alleen een snoeiharde wedstrijd wil organiseren tussen scholen door de Cito-scores openbaar te maken, maar dat die fractie ook nog eens de financiering daarvan afhankelijk wil maken.

Mevrouw Straus (VVD):

Nee, ik wil de beoordeling van scholen inzichtelijk maken. Het moet voor ouders inzichtelijk worden wat de kwaliteit is die scholen leveren.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ja, dat is duidelijk. U wilt dat doen door de hele schoolpopulatie samen te vatten in één cijfer, met een reductie van hier tot Tokio. Ik vraag nogmaals of het juist is dat de VVD-fractie de financiering van scholen mede afhankelijk wil maken van leerwinst en van de Cito-eindscore.

Mevrouw Straus (VVD):

Nee, mijn fractie wil toe naar een centrale eindtoets. De Cito-eindscore is iets anders. Wij willen toe naar een centrale eindtoets. De heer Van Dijk heeft dat zojuist kunnen horen tijdens het debatje met de heer Rog. De Cito-score is maar één aspect bij het meten van leerwinst. Daarbij komt veel meer kijken. Wij willen dat de leerwinst het criterium wordt op basis waarvan scholen kunnen worden beoordeeld. Wij vinden dit met name belangrijk voor ouders. Ouders moeten inzicht krijgen in de kwaliteit van onderwijsinstellingen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dat is helder. Er wordt dus door de VVD-fractie geen financiële prikkel aan het behalen van de leerwinst gehangen. Dat is winst. De heer Rog stelt dat scholen zelf de aanbieder moeten kunnen kiezen van de centrale eindtoets. Hij heeft daarover ook een amendement. Kan mevrouw Straus dat amendement steunen? Heb ik dat goed begrepen?

Mevrouw Straus (VVD):

Als voldoende duidelijk is dat de aanbieders voldoen aan een aantal eisen, waarbij de vergelijkbaarheid van de toetsen voorop staat, dan kunnen we het amendement steunen. Ik hoor echter ook heel graag wat de staatssecretaris hiervan vindt.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik ben benieuwd of dat kan. Een belangrijk argument om voor één toets te kiezen, is de moeilijke vergelijkbaarheid. In de memorie van toelichting staat ook dat daarom eigenlijk voor een centrale toets wordt gekozen. Als er al sprake is van vergelijkbare toetsen, zal het hanteren van meer toetsen veel hogere kosten met zich meebrengen. Heeft mevrouw Straus enig idee hoe hoog die kosten zijn en hoe die gedekt zouden moeten worden?

Mevrouw Straus (VVD):

De heer Rog heeft mij een principiële vraag gesteld. Die heb ik op een principiële manier beantwoord. Ik zeg echter ook dat ik graag hoor van de staatssecretaris in hoeverre dit praktisch haalbaar is. Het gaat ons om een eenduidige, vergelijkbare en objectieve eindtoets. Het maakt mij niet uit of de aanbieder daarvan Cito is of een ander. Het moet wel een heel goede aanbieder zijn, omwille van de kwaliteit van het onderwijs in Nederland.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Straus.

Wij zijn bij een heugelijk moment aangeland. Ik zie dat er veel extra mensen en veel bloemen de zaal zijn binnengekomen. Het is niet zo dat een van de deelnemers aan het debat vandaag de Cito-toets heeft gehaald. Daarmee hebben de bloemen niets te maken, maar wel met het feit dat mevrouw Ypma nu haar maidenspeech gaat houden.

Ik doe nog even een huishoudelijke mededeling. Wij gaan straks luisteren naar de staatssecretaris, maar dat duurt nog even, want dat doen wij pas na de avondpauze, een aantal VAO's en een dertigledendebat. Het wordt dus waarschijnlijk pas half negen voordat wij naar de staatssecretaris gaan luisteren.

Graag uw attentie voor de maidenspeech van mevrouw Ypma.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. Ik ben de politiek ingegaan om de wereld te verbeteren omdat ieder kind een goede toekomst verdient door op te groeien in een veilige gezinssituatie. Ook verdient ieder kind een passende plek in het onderwijs. Voor de hoeveelheid kansen die je krijgt in je leven, maakt het nog steeds uit waar je geboren bent en welke stimulans je van huis uit krijgt, vanuit je omgeving en vanuit het onderwijs. "Wie voor dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje." Dat gezegde gaat nu gelukkig minder op dan in de vorige eeuw. Maar één op de negen kinderen groeit nog steeds op in armoede. Deze kinderen kunnen niet mee met een schoolreisje of gaan zonder ontbijt naar school.

Dat raakt mij en motiveert mij om me juist voor kwetsbare kinderen in te zetten. Met mijn prachtige portefeuille primair onderwijs, speciaal onderwijs, passend onderwijs en de jeugdzorg, kan ik mij inzetten voor alle jonge kinderen in Nederland en de kwetsbare kinderen in het bijzonder, zodat er speciale aandacht is voor kinderen die uit een onveilige thuissituatie komen, beperkingen hebben of heel nare ervaringen hebben en vaak ontzettend veel moeten missen. Als ik het vergelijk met mijn eigen jeugd en mijn eigen kinderen, dan denk ik: wat hebben wij het toch goed! Ik heb veel kansen gekregen in mijn leven. Ik ben opgegroeid in een liefdevol gezin. Ik heb geweldige ouders die mij steunen in alles wat ik doe, een broer op wie ik heel trots ben, een superlieve verloofde en geweldige kinderen. Ik krijg onwijs veel steun van thuis uit. Bij de Jonge Socialisten en de PvdA heb ik geleerd dat je iets kunt bereiken in de politiek. Als landelijk voorzitter van de Jonge Socialisten, als raadslid en de afgelopen vijf jaar als wethouder in Woerden heb ik veel geleerd en gelukkig ook heel veel bereikt.

Toen ik op mijn 14de politiek actief werd, vergaderden wij in de kroeg en de oudere leden – ik natuurlijk niet, want ik was 14 – dronken rode cocktails. We streden voor condoomautomaten, jongerenhuisvesting en een nachtbusverbinding naar Utrecht. We moesten doorzettingsvermogen en geduld hebben, maar het is uiteindelijk allemaal gelukt. Als wethouder in Woerden heb ik het verschil kunnen maken voor het onderwijs en voor de kwetsbare inwoners van Woerden. Nu mag ik dat als Kamerlid doen, voor alle kinderen in heel Nederland.

Onderwijs is voor de PvdA en de sociaaldemocratie altijd het belangrijkste middel geweest om het verheffingsideaal waar te maken. Onderwijs is de motor van de emancipatie. Onderwijs is voor de PvdA meer dan de selectie van leerlingen op basis van hun actuele kennis, inzichten en vaardigheden. Onderwijs moet kansen creëren voor jonge mensen. Als de PvdA het heeft over het verheffingsideaal, dan schuilt daar de gedachte achter dat talenten van jonge mensen ontwikkeld kunnen worden en kinderen uit lagere inkomensgroepen niet langer automatisch gedoemd zijn om hun verdere leven te blijven steken in die lagere inkomensgroepen.

Wij spreken vandaag over het wetsvoorstel inzake een centrale eindtoets aan het einde van de basisschool en het leerlingvolgsysteem. Zo'n eindtoets bestaat in feite voor heel veel scholieren, voor 85%, allang, en wel in de vorm van de Cito-toets. De staatssecretaris wil deze toetsing steviger verankeren. Wij moeten dat beoordelen in het licht van het belang van de leerlingen en van de ontwikkeling van hun talenten. Elke regeling in het onderwijs moet hierop gericht zijn. De voorganger van de Cito-toets, de schooltoets, werd in 1966 ingevoerd. In het schotschrift Vijven en zessen sprak psycholoog De Groot over ongelijke selectie van leerlingen op basisscholen die tot gevolg had dat te veel jong talent in het Nederlandse onderwijssysteem klem kwam te zitten. Om dit kwalijke verschijnsel te bestrijden was het nodig dat er naast het schooladvies een tweede, onafhankelijk gegeven kwam.

In het Nederlandse onderwijssysteem wordt ook in internationaal perspectief op relatief jonge leeftijd geselecteerd. Dat betekent dat al vrij vroeg jongeren moeten voorsorteren voor een plaats in de samenleving. Goed onderwijs is natuurlijk gediend bij een goede selectie op grond van cognitieve capaciteiten, maar het beoordelen van leerlingen is en blijft mensenwerk. Dat betekent dat er helaas ook fouten worden gemaakt. Een op de tien leerlingen krijgt een hogere Cito-score dan het schooladvies. Er vindt een zogenoemde onderadvisering plaats. Scholen worden bovendien bestraft als ze kinderen het voordeel van de twijfel hebben gegeven en later blijkt dat deze kinderen toch moeten afstromen.

Kinderen moeten van de Partij van de Arbeid altijd het voordeel van de twijfel krijgen, en de mogelijkheden tot op- of doorstromen voor de betrokken kinderen moeten niet worden geblokkeerd. Ons onderwijs moet daarnaast recht doen aan het verschijnsel dat jonge mensen nu eenmaal soms laatbloeiers zijn. Om deze reden kwam ook de commissie-Dijsselbloem in 2008 tot de gedachte dat ons onderwijssysteem meer rekening moet houden met de noodzaak dat verborgen talenten van kinderen beter worden benut door de mogelijkheden tot op- en doorstromen te verruimen. Deelt de staatssecretaris deze visie?

De Cito-toets is een momentopname, een foto aan het einde van groep 8, waar de leerling op staat op het gebied van rekenen en schriftelijke taalvaardigheid. Maar je zult maar koorts hebben en op de dag van de Cito-toets gewoon naar school toe zijn gegaan. Je zult maar slechts drie jaar in Nederland wonen, geweldig slim zijn maar de Nederlandse taal nog onvoldoende beheersen. Je zult maar faalangst krijgen van de druk van thuis uit, druk die allemaal samenkomt in dat ene beslismoment. Aan geen van deze leerlingen doet een Cito-toets alleen voldoende recht. Daartegenover staat het leerlingvolgsysteem dat, als het goed is, een beter beeld geeft van de cognitieve ontwikkeling. Het leerlingvolgsysteem biedt een breder inzicht in de vermogens van het kind dan alleen de basisvaardigheden rekenen en schriftelijke taalvaardigheid. Ook sociale vaardigheden, sociaal-emotionele ontwikkeling en kennis en vaardigheden op het gebied van burgerschapsvorming, techniek, cultuureducatie en sport kunnen in het leerlingvolgsysteem meegenomen worden. De talenten van de kinderen vormen dan in de volle breedte de basis voor het schooladvies dat wordt opgesteld door een leerkracht die het kind kent.

De Partij van de Arbeid heeft buitengewoon veel waardering voor al die juffen en meesters die er dagelijks met heel veel liefde en inzet voor zorgen dat onze kinderen wijzer worden op school. Die beroepstrots moeten zij weer terugkrijgen. Wij vinden daarom dat wij het oordeel van de leerkracht weer centraal moeten stellen, met het leerlingvolgsysteem van de acht schooljaren die hebben plaatsgevonden als hulpmiddel. De juf of de meester kent met andere woorden de hele film van het kind. Dit betekent dat het schooladvies van groot belang is, omdat het een bredere basis heeft. Het moet sterk worden verankerd in de wet, zonder te miskennen dat ook het schooladvies feilbaar kan zijn voor de één op de tien leerlingen die ondergeadviseerd wordt. De PvdA-fractie meent dat een eenzijdige nadruk op de Cito-toets te veel risico's geeft, maar ook dat je de Cito-toets nodig hebt om de onderadvisering tegen te gaan.

Mijn fractie denkt ook aan het risico dat scholen overgaan tot teaching to the test. Wij zien ook dat op veel scholen het laatste schooljaar van het basisonderwijs overwegend in het teken is komen te staan van de Cito-toets, en natuurlijk het eindexamentoneel. De Cito-toets levert een waardevolle second opinion maar hij mag niet de schoolervaring die ten grondslag ligt aan het schooladvies, naar de achtergrond dringen. Daarom zou het wenselijk zijn als de Cito-toets nog later in het jaar plaatsvindt. Nu wordt deze in februari afgenomen, de staatssecretaris stelt voor om daar april van te maken, maar wat de PvdA-fractie betreft, zou dat ook wel half mei kunnen worden. Daarmee zou het schooladvies leidend worden voor de overgang naar het voortgezet onderwijs. Ook de leertijd wordt verlengd, en dat komt ook weer de kinderen ten goede. Hoe staat de staatssecretaris tegenover deze gedachte? Deelt hij daarbij mijn visie dat het schooladvies een sterke verankering in de wet verdient? Het maken van een gevalideerde toets is buitengewoon gecompliceerd. Het Cito heeft daar veel expertise op, maar zouden er ook meerdere aanbieders kunnen zijn? Wat is hiervan het voordeel en het nadeel? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Soms wordt leerlingen een zesjescultuur verweten, waarbij zij als calculerende burgers niet meer doen dan strikt noodzakelijk. Maar sommige scholen kunnen er ook wat van. Als de eindtoets in de eerste plaats gaat fungeren als een instrument om scholen af te rekenen op hun leeropbrengsten, kunnen ook scholen calculerend gedrag gaan vertonen. Er bestaat een risico dat scholen leeropbrengsten kunstmatig opleuken door cherrypicking en door alleen nog de meest kansrijke leerlingen toe te laten. Dat die leerlingen goede resultaten behalen, is dan vooral te danken aan de selectie en niet aan de kwaliteit van het onderwijs dat geboden wordt. De beeldvorming voor ouders en inspectie dreigt dan ook de borging van de onderwijskwaliteit te verdringen.

Scholen voor voortgezet onderwijs kennen onderling grote verschillen. Er bestaan gelukkig scholen die leerlingen meer kansen bieden dan eigenlijk valt te baseren op het schooladvies en de Cito-toets. Ze gunnen de kinderen het voordeel van de twijfel. Dit verdient waardering. Soms voel je als juf of meester aan je water dat er meer in het kind zit dan wat er tot dan toe is uitgekomen. Scholen die op deze manier leerlingen kansen bieden, mogen daarvoor niet gestraft worden als de betrokken kinderen het onverhoopt toch niet blijken te redden in het tweede of derde leerjaar. Uiteindelijk moet het inspectietoezicht bij voorkeur zicht geven op de leerwinst en de toegevoegde waarde die het onderwijs op scholen biedt. Wat wil de staatssecretaris eraan doen om te verhinderen dat calculerend gedrag van scholen enkel gericht is op gunstige beeldvorming en dat dit loont? Wat wil hij doen om te verhinderen dat scholen worden afgestraft als zij leerlingen die kansen bieden.

Er is geen grote verscheidenheid in de populatie kinderen in groep 8. Er zijn leerlingen voor wie alleen al begrijpen van de vraagstelling van de Cito-toets ingewikkeld is; een zware opgave. Voor scholen zijn er twee manieren om met deze leerlingen om te gaan. Sommige scholen kiezen ervoor om kinderen uit te sluiten van de deelname aan de Cito-toets. Andere scholen maken gebruik van twee verschillende toetsen; een basis- en een niveautoets. Het argument voor is dat je dan zeker weet dat de kinderen de vragen ook goed begrijpen. Het argument tegen is dat het leidt tot ongewenste preselectie van kinderen en dat dit een stigmatiserend effect kan hebben.

De PvdA-fractie staat achter het voornemen van de staatssecretaris om een eindtoets verplicht te stellen voor alle leerlingen. Uitzonderingen mogen alleen gemaakt worden voor de kinderen die echt niet mee kunnen doen. Die keuze moet gemotiveerd worden voor de inspectie. De PvdA vindt het heel belangrijk dat de toets voor alle leerlingen te begrijpen is. Een adaptieve eindtoets, waarover collega Straus het zojuist had en waarover de staatssecretaris rept in zijn brief, kan daarvoor de oplossing zijn. Ziet de staatssecretaris een mogelijkheid om op korte termijn – binnen maximaal drie jaar – een adaptieve eindtoets te ontwikkelen en in te voeren? En wat gaat de staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat ieder kind, ook de zwaksten onder de leerlingen, de vragen van de Cito-toetsen tot die tijd kan begrijpen?

Onderwijsvrijheid vormt voor de PvdA-fractie geen excuus voor slecht onderwijs. Het is dan ook belangrijk dat de onderwijsinspectie het benoemt als een school zwak of zeer zwak onderwijs biedt. Als op een school lage scores worden behaald voor de Cito-toets, dan kan dit een indicatie zijn dat er iets mis is. Er bestaan echter ook scholen die tot nog toe geen gebruikmaakten van de Cito-toets. Dat hoeft niet per se uit onedele motieven voort te komen, om zwak onderwijs te verhullen. De voorzitter van de vereniging van schoolleiders vertelde me gisteren nog dat scholen het beste onderwijs voor de kinderen willen, maar de resultaten te weinig hebben laten zien. De gecorrigeerde Cito-score zegt meer dan de ongecorrigeerde versie, maar de beste manier om resultaten te laten zien, is naar mijn mening echter werken met leerwinst voor kinderen en toegevoegde waarde van de school. Dat zegt niets over de totale kwaliteit van het onderwijs, maar wel over de resultaten. Het is niet verstandig om de financiering hieraan op te hangen. Het is wel interessant om op dit moment via pilots uit te proberen of je leerwinst en toevoegde waarde kunt meten. We hebben van de commissie Dijsselbloem geleerd dat we eerst iets moeten uitproberen in pilots voordat we het in heel Nederland invoeren. Wanneer kan de staatssecretaris ons over deze pliots informeren en wanneer zouden de leerwinst en toegevoegde waarde op zijn vroegst in heel Nederland gemeten kunnen worden?

De kwaliteit van het onderwijs op een school heeft meer indicatoren dan alleen de Cito-scores. Te denken valt aan de veiligheid op school, de bestrijding van pestgedrag, de breedte van het vakkenaanbod en specifieke punten waarop de school zich wil profileren. De informatie die op straat komt te liggen, mag niet alleen bestaan uit de gecorrigeerde Cito-score. Voor mijn fractie is een voorwaarde voor het openbaar maken van de resultaten dat die in de context gepresenteerd worden en worden verbreed naar andere aspecten die van belang zijn voor de onderwijskwaliteit. Deelt de staatssecretaris mijn mening dat je de Cito-score niet openbaar zou moeten maken, tenzij deze in de context wordt gepresenteerd? Is hij bereid hierin de randen van de wet op te zoeken, omdat het niet in het belang van de kinderen en van het onderwijs is de Cito-score apart te presenteren? Is de staatssecretaris bereid zulke zaken naast de gemiddelde Cito-scores via een website toegankelijk te maken? Is de staatssecretaris het met mij eens dat naast verantwoording aan het Rijk vooral ook verantwoording aan de ouders, aan de omgeving en binnen de school moet plaatsvinden?

De Partij van de Arbeid en de sociaaldemocratie hebben altijd grote waarde gehecht aan het onderwijs en aan de betekenis van het verheffingsideaal voor de kansen van kinderen in onze samenleving. De centrale eindtoets moeten wij beoordelen vanuit het belang van het kind, vanuit de ontwikkeling van zijn talenten en vanuit zijn kansen in onze samenleving. Dat is de achtergrond van de vragen die ik heb gesteld en de opmerkingen die ik heb gemaakt. Vanuit mijn volle bewustzijn van alle kansen die ik zelf in mijn leven heb gehad, vind ik het een eer om over dit mooie onderwerp mijn maidenspeech te mogen houden. Ik wens ieder kind volop kansen. Ik ben ervan overtuigd dat ik niet in mijn eentje alle kinderen in de jeugdzorg, het speciaal onderwijs, het regulier onderwijs of het basisonderwijs kan helpen. Ik kan wel samen optrekken met al die fantastische leerkrachten, jeugdzorgwerkers en anderen op de werkvloer die kinderen iedere dag, dag in, dag uit, kansen geven op een mooie toekomst. Ik ga mij dag in, dag uit inzetten om alle kinderen de kansen te geven die zij verdienen. Met alles wat ik in mij heb, zal ik de komende vier jaren daaraan proberen een steentje bij te dragen.

(geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Ik dank u wel voor een gloedvol betoog. Het is altijd goed om te merken dat een carrière die blijkbaar in het café is begonnen, toch nog een goed einde heeft gekregen. Dat geeft hoop voor velen in deze zaal. Ik feliciteer u met uw bijdrage. U wordt verzocht naar voren te komen, dan zal ik u als eerste feliciteren.

Ik schors de vergadering tot 18.30 uur voor het diner. Dan hebben wij twee VAO's en daarna gaan wij luisteren naar de staatssecretaris, zo rond de klok van 19.15 uur. Ik zie dat de heer Klaver nu al voor u wil zingen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria. Ik zal de eerste felicitatie aan de fractie van mevrouw Ypma laten. Voordat wij schorsen heb ik een vraag. Aangezien er zoveel tijd tussen zit en wij pas om 20.30 uur verder gaan …

De voorzitter:

Nee. Om 19.15 uur gaan wij luisteren naar de staatssecretaris.

De heer Klaver (GroenLinks):

O, sorry, dan is het helemaal goed.

De voorzitter:

Ik ben er om u te dienen, mijnheer Klaver. Ik ga u feliciteren, mevrouw Ypma.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 17.34 uur tot 18.30 uur geschorst.

Voorzitter: Elias