﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE handeling PUBLIC "-//SDU//DTD handelingenelementen xml 1.1//NL" "../../dtd/hand-11.dtd"[]>
<handeling kamer="1">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-ek-19981999-153-201/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <title>8ste vergadering</title>
  </kop>
  <frontm>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <volgnr>8</volgnr>
  </frontm>
  <part bron="HAN6645A02" bpag="153" epag="201 ">
    <item>
      <itemnaam>Algemene politieke beschouwingen</itemnaam>
      <itemkop>Aan de orde is de voortzetting van:<ondw><wetv>de algemene politieke
beschouwingen inzake het in 1999 te voeren beleid (<vetnr>26200</vetnr>).</wetv></ondw></itemkop>
      <draad>
        <al>(Zie vergadering van 17 november 1998.)</al>
      </draad>
      <voorz nw="nee">
        <al>Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister-president
op vragen gesteld in eerste termijn.</al>
        <al>Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen
van deze vergadering.</al>
      </voorz>
      <draad>
        <al>(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)<voetref>1</voetref></al>
      </draad>
      <draad>
        <al>De beraadslaging wordt hervat.</al>
      </draad>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Graag wil ik mijn antwoord in eerste termijn beginnen
met het uitspreken van een woord van dank voor wat gisteren bij het eerste
optreden van dit nieuwe kabinet in deze Kamer is gezegd in waarderende, positief-kritische
en kritische zin. Alle bijdragen zijn als uiterst waardevol en stimulerend
ervaren.</al>
        <al>De beschouwingen waarop ik moet reageren, rijken aanzienlijk verder dan
de regeringsvoornemens voor het nieuwe begrotingsjaar 1999. Ik wil daarom
allereerst kort ingaan op de vorming van het kabinet en de missie van het
kabinet, zoals omschreven in het regeerakkoord en de regeringsverklaring.</al>
        <al>De verkiezingsuitslag van 6 mei indiceerde heel duidelijk de voortzetting
van de coalitie. Het zetelaantal van de drie partijen steeg van 92 naar 97.
Het zetelverlies van een van de drie coalitiepartijen riep,  zoals
iedereen weet, direct na de verkiezingen de vraag op of door die partij nog
een volwaardige deelname aan een nieuw te vormen kabinet mogelijk werd geacht.
Die vraag werd in het begin van de informatie bevestigend beantwoord. De onderhandelingen
over de vorming van een kabinet van gelijke samenstelling als het vorige zouden
reële kansen op welslagen bieden. Dat is ook gebleken. De programmatische
besprekingen die vervolgens onder leiding van informateurs zijn gevoerd, hebben
geleid tot een ontwerpregeerakkoord waarmee de drie fracties in de Tweede
Kamer konden instemmen. Er is gebleken van bereidheid om op dezelfde basis
met elkaar samen te werken als in de vorige periode met een gesloten contract
als basis en in onderling respect voor elkaars standpunten en opvattingen.</al>
        <al>De fractievoorzitters van de aan het kabinet deelnemende partijen hebben
gisteren in deze Kamer in uiteenlopende bewoordingen gesteld dat hun fracties
geen partij zijn bij het regeerakkoord. Dat is duidelijk. Het past bij de
bijzondere plaats en functie die de Eerste Kamer in ons bestel vervult. Doch
ook al hebben zij geen binding met het regeerakkoord als zodanig, zij hebben
wel een binding met de politieke partijen waaruit ze voortkomen. Dat impliceert
naast een kwalitatieve toetsing van de voorstellen van het kabinet ook een
politieke afweging. Ik vertrouw erop dat deze politieke afweging zal plaatsvinden
in de geest van onderling respect voor elkaars standpunten en opvattingen.</al>
        <al>Verschillende sprekers hebben gisteren de ambities van het kabinet ter
sprake gebracht zoals die in het regeerakkoord en de regeringsverklaring zijn
neergelegd. Meerdere afgevaardigden hebben opgemerkt dat deze ambities worden
gekenmerkt door het zoeken naar evenwichten, zoals tussen economische dynamiek
en sociale rechtvaardigheid, tussen welvaartsgroei en verbetering van de kwaliteit
van het leefmilieu en tussen individuele ontplooiing en wederzijdse verantwoordelijkheid.
Deze inzet betekent niet dat het evenwicht een doel op zichzelf zou zijn,
de gemakkelijke weg in of nabij het midden. Integendeel, bij het vinden van
de juiste balans, het verenigen van wat op het eerste gezicht moeilijk verenigbaar
is, blijkt het vaak nodig aan beide kanten de ambities te verhogen. Economische
groei die met de gewenste kwaliteit van ons leefmilieu te verenigen is, stelt
juist hogere eisen aan marktpartijen en overheid. Zij dwingt tot het zoeken
naar meer intelligente oplossingen. Sociale rechtvaardigheid is een essentiële
maatschappelijke doelstelling met een hoge intrinsieke waarde en betekenis,
maar het is de kunst haar zo vorm te geven dat zij tevens een element kan
zijn van de economische kracht van ons land. De geleidelijke evolutie van
de klassieke rechtsstaat naar de hedendaagse sociale rechtsstaat is de uitdrukking
van het streven om steeds meer burgers tot maatschappelijke emancipatie te
brengen, als zelfstandige dragers van rechten en plichten, als deelnemers
aan de samenleving. Met het laatste is wederzijdse verantwoordelijkheid onlosmakelijk
verbonden. Deze ambities vergen duidelijke keuzen die in hun realisatie en
doorwerking verder reiken dan één kabinetsperiode. Dat is evident
voor de beslissingen over de toekomst van de burgerluchtvaart in Nederland
die nu worden voorbereid. Ik kom daar straks nader over te spreken. Het is
echter niet minder waar voor de lijnen die worden uitgezet voor het grotestedenbeleid
of voor de uitwerking van de zo geheten sluitende aanpak voor mensen die niet
aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. In onze snel veranderende samenleving
vergen het behoud en het herstel van de nodige evenwichten bij uitstek dat
het kabinet richting geeft en prioriteiten stelt. De waarneming van de heer
Ginjaar en anderen dat het regeerakkoord veelomvattend is, bevestig ik. Er
is inderdaad heel veel te doen.</al>
        <al>Richting geven, veronderstelt dat wij ons rekenschap geven van de omgeving
waarin wij werken. Een voor ons land vitaal element van die omgeving is de
Europese Unie. Of het nu om ons begrotingsbeleid, ons milieubeleid of ons
asielzoekersbeleid gaat, de Europese dimensie blijkt steeds belangrijker te
worden. Ik kom daar nog op terug. Europa is overigens meer dan context alleen.
De verdere Europese eenwording is ook een deel van onze ambities. Nederland
draagt bijvoorbeeld actief bij aan de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid
op Europees niveau. Hetzelfde geldt voor de samenwerking in de derde pijler
op het gebied van justitie en politie. Integratie schept onderlinge afhankelijkheden
tussen de lidstaten van de Unie. Daardoor neemt de noodzaak tot verdieping
en verbreding van de samenwerking toe.</al>
        <al>Mevrouw Jaarsma heeft een bijzonder interessante beschouwing gewijd aan
de betekenis van sociale grondrechten. Zij heeft in dat verband tevens opmerkingen
gemaakt over een aantal van deze grondrechten in relatie tot specifieke overheidsmaatregelen
of voornemens. Ik maak eerst enkele algemene opmerkingen over de betekenis
van sociale grondrechten. Die betekenis is vanzelfsprekend groot. Het gaat
niet om loze intentieverklaringen, maar om serieuze verantwoordelijkheden
van de overheid. Op die verantwoordelijkheden kan de overheid worden aangesproken.
Ik ben dat met mevrouw Jaarsma eens. Het gaat vervolgens wat mij betreft vooral
om het politieke en maatschappelijke debat over de wijze waarop de overheid
die verantwoordelijkheden invult. Sociale grondrechten zijn immers geen rechten
met cijfers erbij die tot in de precisie aangeven welk niveau aan overheidszorg
moet worden geboden. Het zijn en blijven normen die de overheid op de desbetreffende
terreinen een taak geven en een daarbij passende verantwoordelijkheid, zonder
dat precies wordt aangegeven hoe ver die verantwoordelijkheid reikt en hoe
ze moet worden ingevuld. Dat is ook logisch, want de mogelijkheden om dat
te doen, kunnen naar tijd en omstandigheden veranderen. Deze opmerking –
ik wil niet worden misverstaan – doet niets af aan de betekenis van
sociale grondrechten. Zo vormt artikel 20 van de Grondwet, waarin het recht
op bijstand is verankerd, een beschermingswal tegen iedere poging om de Algemene
bijstandswet af te schaffen. Ieder die het belang van zo'n beschermingswal
onderschat, miskent de grote waarde van een sociaal grondrecht als dit. Ik
kom straks nog terug op de opmerkingen van mevrouw Jaarsma over een aantal
specifieke grondrechten.</al>
        <al>Dit brengt mij op enkele opmerkingen in verband met de financieel-economische
situatie, het financieel-economisch kader. Veel geachte afgevaardigden hebben
daar gisteren aandacht aan besteed. Ik beperk mij nu tot enkele hoofdlijnen.
Bij de  algemene financiële beschouwingen over een paar
weken kan hier met de minister van Financiën veel uitgebreider over worden
gesproken. Dan krijgt men ook deskundiger commentaar van achter deze tafel.</al>
        <al>Trefwoorden wat het financieel-economisch beleid betreft zijn stabiliteit
en weerbaarheid. Dat wil in de eerste plaats zeggen: een betrouwbaar en voorspelbaar
budgettair beleid, niet alleen als het meezit, maar ook als de economische
wind in de rug wat zou wegvallen. Daarom is het regeerakkoord gebaseerd op
behoedzame ramingen, op het hanteren van een vast uitgavenkader en op de voortzetting
van een op meer trendmatige leest geschoeid begrotingsbeleid. De resultaten
die in de achter ons liggende jaren zijn geboekt bij het gezond maken van
de overheidsfinanciën stellen ons in staat om de begroting op die manier
als het ware te laten mee ademen met de economische ontwikkeling. Bij een
onverhoopt tegenvallende economische ontwikkeling hoeft niet meteen aan de
noodrem te worden getrokken. Het is inderdaad jaren anders geweest. Ik verwijs
ook naar het Nederlandse stabiliteitsprogram dat recent door de minister van
Financiën namens het kabinet in Brussel is ingediend. Daaruit blijkt
dat onze overheidsfinanciën, hoewel een verdere reductie van het EMU-tekort
en van de overheidsschuld natuurlijk altijd geboden blijft – daarover
geen misverstand – tegen een stootje kunnen. Dat is de vrucht van gevoerd
beleid. Het is ook de vrucht van geleverde inspanningen in achterliggende
jaren. Het is dus allemaal niet voor niets geweest. Intussen is waakzaamheid
wel geboden. Onze economische omgeving ziet er namelijk minder florissant
uit en dat heeft ook invloed op ons land.</al>
        <al>Met alle zorgen die financiële en economische problemen elders in
de wereld ons geven, moeten wij elkaar in Nederland en in Europa het pessimisme
niet aanpraten. Als ik naar de Nederlandse economie als geheel kijk, blijkt
driekwart van onze uitvoer binnen de grenzen van de Europese Unie te blijven.
Binnen de Unie als geheel is nog steeds sprake van een hoge mate van stabiliteit
en gestage groei, zij het op een wat lager niveau dan wij verleden jaar dachten.
De economische fundamenten zijn stevig: een lage rente, een lage, zelfs lager
wordende inflatie en dalende overheidstekorten. De economische ramingen die
de Europese Commissie vorige maand heeft gepubliceerd, de zogenaamde herfstramingen,
passen in het beeld van relatieve stabiliteit in Europa. Voor volgend jaar
wordt, ik citeer de cijfers van de Commissie, voor de lidstaten van de EU
samen, een groei van ongeveer 2,5% voorzien. Dat komt neer op een groeivertraging
die niet merkwaardig is in een conjunctuurverloop waarin natuurlijk niet een
cijfer van ongeveer 4%, zoals in dit jaar, door de jaren heen kan worden vastgehouden.
Ik denk dat de kans dat wij de komende kabinetsperiode na een aantal jaren
van hoogconjunctuur, dichter bij het behoedzame dan bij het gunstige scenario
uitkomen, groter is dan dat wij net als in de vorige kabinetsperiode vier
jaar lang gemiddeld het gunstige scenario vasthouden. Dat is echter geen reden
om zenuwachtig te worden. Voorzichtigheid is mooi, maar wij moeten het niet
overdrijven. Met een onnodig restrictief beleid schiet niemand op en je kunt
een jas ook te krap willen bemeten. Wij moeten ons er wel op instellen dat
de economische groei lager kan uitvallen dan wij tot voor kort dachten. De
Miljoenennota is op 3% gebaseerd. De MEV die door het CPB is aangeleverd,
gaf al een aantal onzekerheidsvarianten aan. De kans dat wij een van die onzekerheidsvarianten
ook tot realiteit zien komen in de loop van 1999 is zeker niet denkbeeldig.</al>
        <al>Is dat aanleiding voor worst case-scenario's? Wat ons betreft niet. Het
is wel nodig om de vinger goed aan de pols te houden en dat doen wij ook.
Het moment waarop wij de boeken weer opnieuw bekijken, is als de eerste nieuwe
budgettaire nota er is, dat is de Voorjaarsnota. De Najaarsnota geeft een
beeld van het verloop van de uitvoering van de begroting over het lopende
jaar. Dat is niet het moment waarop wij nieuwe begrotingsplannen maken. Dat
doen wij wel bij de Voorjaarsnota. Uiteraard zullen de nieuwste inzichten
in de economische ontwikkeling daar dan ook bij worden betrokken.</al>
        <al>Naast solide overheidsfinanciën is ook weerbaarheid op sociaal en
economisch terrein geboden. Nederland en de Europese Unie zijn geen eilanden
en des te belangrijker is het dat de kracht van onze binnenlandse dynamiek
behouden blijft. Dat geldt voor Europa en dat geldt voor Nederland. Ruimte
bieden voor particulier initiatief en economische vernieuwing gaan hand in
hand met de zorg voor sociale stabiliteit.</al>
        <al>Gaandeweg is, mede dankzij de inspanningen in de jaren achter ons, meer
ruimte gekomen om binnen verantwoorde financiële kaders extra middelen
beschikbaar te stellen voor intensiveringen. In het regeerakkoord en ook in
de begroting voor volgend jaar zijn op ruime schaal middelen beschikbaar gesteld
voor versterking van de sociale en ruimtelijk-economische infrastructuur in
brede zin, met als doelstelling het bewerkstelligen van duurzame groei en
het verbeteren van de kwaliteit van de samenleving. Dat betreft dan investeringen
in de kwaliteit van het onderwijs, technologische vernieuwing en infrastructuur,
veiligheid en leefbaarheid, goede en toegankelijke maatschappelijke zorg voor
jong en oud en een betere bereikbaarheid van de economische centra. Voor nu
en straks zijn die investeringen uitermate belangrijk. Met de begroting voor
volgend jaar wil het kabinet met gerichte intensiveringen in de zorg, het
onderwijs, het specifieke inkomens- en werkgelegenheidsbeleid en de bereikbaarheid
in vitalisering van steden een stevig begin maken.</al>
        <al>Voorzitter! De heren Ginjaar en Holdijk, die overigens enige zorg uitten
over het positieve saldo van de intensiveringen ten opzichte van de ombuigingen,
hebben stilgestaan bij de maatvoering van deze twee aspecten in de tijd. In
1999 zijn de intensiveringen ruim 1 mld. hoger dan de ombuigingen. Over de
gehele linie is gestreefd naar een evenwichtige spreiding van intensiveringen
en ombuigingen, maar op onderdelen was dit niet altijd mogelijk. Daardoor
komt het saldo in het komende jaar 0,75 mld. hoger uit dan bij een volstrekt
egale spreiding het geval zou zijn geweest.</al>
        <al>Voorzitter! Het budgettaire beeld voor de periode tot 2002 biedt een ruimte
van ongeveer 4,5 mld. voor lastenverlichting, nog steeds uitgaande van behoedzame
uitgangspunten. De ruimte voor lastenverlichting moet in samenhang worden
gezien met de beoogde herziening van het fiscale stelsel per 1 januari 2001.
In het debat over de regeringsverklaring heb ik al aangegeven dat er goede
overwegin gen zijn om de ruimte die voor lastenverlichting beschikbaar
is enigszins te spreiden over de jaren. Dat zou overigens ook voor de hand
liggen. Het is echter onverstandig om bij een grote belastingoperatie niet
over enige financiële ruimte voor begeleidende lastenverlichting te beschikken.
Wij hebben daar ervaring mee opgedaan in het verleden.</al>
        <al>De heer Ginjaar vroeg zich tevens af of het inlopen van de vermogenstekorten
in twee jaar wel verstandig is in verband met het risico van een opwaartse
loondruk. Voorzitter! Dit risico moet inderdaad niet worden onderschat. Daar
staat echter een ander risico tegenover. Juist in het licht van de mogelijkheid
van een wat afvlakkende conjunctuur is het naar de mening van het kabinet
zaak, de vermogenstekorten voortvarend in te lopen. Hoe langer daarmee wordt
gewacht, hoe meer het verwijt het kabinet zal treffen dat het de zaken te
lang op hun beloop heeft gelaten.</al>
        <al>In antwoord op vragen van de heren Ginjaar en Van Leeuwen over de vermogenspositie
van sociale fondsen het volgende. De Ziekenfondsraad, het LISV en de SVB hebben
hun inzichten over de vermogensposities van de fondsen aan het einde van dit
jaar geopenbaard. Het kabinet heeft in antwoord op vragen van het Tweede-Kamerlid
de heer Balkenende hierover gesteld dat slechts een beperkt deel van de bijstellingen
van de fondsen kan worden onderschreven. Conclusie is dat het geplande pad
van vermo- gensinhaal in 1999 en 2000 ook bij de in de MEV voorziene premiestelling
voor 1999 overeind blijft. Het kabinet blijft ervan uitgaan dat de vermogenstekorten
ultimo 2000 zijn weggewerkt.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! De antwoorden op de vragen van de heer Balkenende zijn mij
bekend. Ik heb begrepen dat de Ziekenfondsraad daar schouderophalend op heeft
gereageerd. Men achtte dat beeld onvoldoende. Is het mogelijk dat de minister-president
nader ingaat op die reactie van de Ziekenfondsraad?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat is niet zo eenvoudig. Ik kan mij heel goed voorstellen dat de Ziekenfondsraad
op basis van de eigen berekeningen tot die inzichten is gekomen. Wij hebben
die analyse absoluut niet nonchalant terzijde gelegd maar met alle deskundigheid
die er op de departementen in huis is, bekeken. Een deel van deze analyse
kunnen wij volgen. Echter, een flink deel van de berekeningen van de Ziekenfondsraad
en andere instanties kunnen wij niet verklaren. Wij zullen hier in de loop
van de komende maanden meer inzicht in krijgen, gelet op de totstandkoming
van het centraal-economisch plan en de nieuwste inzichten van het planbureau.
Wij hebben op grond van onze beste inzichten antwoord gegeven op de vragen
van de heer Balkenende. Ik kan niet reageren op het schouderophalen van de
Ziekenfondsraad. Ik heb ook geen zin om daarover mijn schouders op te halen.
De raad heeft het goede recht om op basis van eigen berekeningen een presentatie
te geven. De tijd zal moeten leren wie er gelijk heeft. Wij hebben alle eventuele
tegenvallers in de vermogenssfeer verwerkt in de analyses. Dat heeft ons geen
aanleiding gegeven om de premiestelling voor volgend jaar aan te passen ten
opzichte van de MEV. Het spreekt echter vanzelf dat, als een tekort per saldo
iets groter is en de premiestelling gelijkblijft, het traject voor de komende
paar jaar, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, iets moeilijker
wordt.</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik kom bij een aantal opmerkingen over het onderdeel
sociale zekerheid, werk en inkomen. Het kabinetsbeleid blijft de komende jaren
gericht op een evenwichtige inkomensontwikkeling, in de wetenschap dat de
ontwikkeling en de verdeling van de inkomens slechts ten dele door overheidsbeleid
worden bepaald. Het koopkrachtbeeld wordt mede beïnvloed door zaken waar
de overheid geen invloed op heeft. Bovendien zijn koopkrachtramingen en -uitkomsten
algemeen van aard en niet van toepassing op ieder individueel huishouden.</al>
        <al>Nogmaals, in het regeerakkoord is een behoedzame raming gegeven van de
economische groei, waarbij is uitgegaan van voortzetting van de koppeling
van het minimumloon, wettelijke uitkeringen en AOW aan de gemiddelde loonstijging.
Daarbovenop hebben we voor 1999 een bedrag van 0,5 mld. uitgetrokken om langs
fiscale weg de inkomens, in het bijzonder de lagere inkomens, te ondersteunen
door een daling van het tarief in een nieuwe eerste schijf. Daarnaast zullen
de komende jaren extra middelen voor gerichte inkomensondersteuning beschikbaar
komen. We hebben heel duidelijk voor onszelf de afweging gemaakt tussen een
algemene maatregel bovenop de koppeling versus gerichte maatregelen. De voorkeur
van het kabinet is uitgegaan naar de gerichte maatregelen, naast de 500 mln.
die wordt uitgetrokken voor een extra daling van het tarief in de nieuwe eerste
schijf. Die gerichte maatregelen betreffen onder meer een extra financiële
tegemoetkoming aan gezinnen met schoolgaande kinderen, extra voorzieningen
voor gehandicapten en chronisch zieken, extra huursubsidie voor in het bijzonder
ouderen en meer ruimte voor gerichte ondersteuning via de bijzondere bijstand.
In het regeerakkoord is afgesproken dat voor dit beleid de komende jaren in
totaal 750 mln. zal worden vrijgemaakt.</al>
        <al>Mevrouw Jaarsma en de heer Ruers hebben aandacht gevraagd voor de armoedeproblematiek.
De afgelopen kabinetsperiode hebben preventie en bestrijding van armoede en
uitsluiting een hoge plaats op de politieke agenda gekregen. Er is in die
periode een vruchtbare samenspraak totstandgebracht tussen vertegenwoordigers
van het Rijk, de gemeenten, de cliëntenorganisaties, de kerk en de uitvoeringsinstanties
over een adequaat beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.
Het nieuwe kabinet zal dat beleid voortzetten, voortbouwend op opgedane ervaringen.</al>
        <al>Hoofddoelen van het gevoerde beleid blijven bevordering van arbeidsdeelname
waar dat redelijkerwijze kan, inkomensverbetering, terugdringen van het niet-gebruik
van inkomensvoorzieningen, in de wetenschap dat het voorkomen van sociale
uitsluiting van belang is voor degenen die voorlopig geen kans op werk hebben.
Het doorbreken van het sociaal isolement en het bieden van een perspectief
kunnen bijdragen aan versterking van de sociale cohesie. De beste vorm van
armoedebestrijding is, te voorkomen dat mensen langdurig van een uitkering
afhankelijk zijn.</al>
        <al>De heer Ruers heeft, onder verwijzing naar de analyse van het SCP, gepleit
voor een structurele aanpak van de armoede, onder meer door een verhoging
van het wettelijk minimumloon met 5%. Zoals gezegd,  zien de
kabinetsvoornemens daarvoor geen ruimte. Ik wijs erop dat armoede complexer
is dan uitsluitend het hebben van een laag inkomen. Een laag inkomen is een
belangrijk kenmerk van het verschijnsel 'armoede', maar er is vaak sprake
van een cumulatie van problemen en sociale tekorten op het gebied van werk,
inkomen, onderwijs, huisvesting, zorg en welzijn. Intussen zijn de eerste
resultaten van het beleid van het vorige kabinet – als ik dat met een
vriendelijk oog in de richting van de voorgangers mag zeggen – toch
wel zichtbaar geworden. Uit berekeningen van het SCP en het CBS voor 1997
en 1998 blijkt dat door het beleid in die jaren zo'n 120.000 inkomens minder
met een inkomen op het laagste niveau moeten rondkomen dan voordien. Het probleem
van de hardnekkige structurele armoede is een probleem, ook in alle samenlevingen
om ons heen, zoals je ziet aan de internationale statistieken. Door alle bekommernis
daarover mogen wij ons echter niet laten afleiden. Het gaat om het onderkennen
van het feit dat in die periode van twee jaar een deel van die structurele
armoede is losgewoeld. Dat is bemoedigend. Dat stimuleert om daarmee door
te gaan.</al>
        <al>Voorzitter! De groei van de werkgelegenheid is in Nederland de afgelopen
jaren zeer fors geweest en is dat nog steeds, ook naar internationale maatstaven.
In de afgelopen periode hebben ruim 600.000 meer mensen een baan gekregen.
In 1998 zijn gemiddeld 200.000 mensen minder werkloos dan in 1994. Ook de
langdurige werkloosheid is verminderd, maar toch is er alle aanleiding om
met een pakket van maatregelen de strijd tegen de werkloosheid en vooral de
langdurige werkloosheid voort te zetten en te intensiveren.</al>
        <al>Ik noem het continueren en het uitbreiden van de regeling Extra werkgelegenheid
langdurig werklozen. Ik noem de creatie van instroom- en doorstroombanen.
Ik wijs op de uitbreiding van het aantal WSW-plaatsen en ik wijs op de introductie
van een sluitende aanpak waarmee de jaarlijkse instroom van werkzoekenden
voordat zij twaalf maanden werkloos zijn, een aanbod krijgt gericht op scholing,
werkervaring en werk om de reïntegratie te bevorderen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Mevrouw</aanspr>
          <naam>Jaarsma</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik vraag de minister-president, een toelichting te geven op
de sluitende aanpak, die kennelijk voor instromers geldt. Wordt daardoor de
problematiek van degenen die reeds langdurig werkloos zijn niet groter? Een
sluitende aanpak veronderstelt dat al die mensen een baan krijgen, maar die
banen zijn, ondanks de krapte – dat is meer een kwalitatieve krapte –
schaars. Wordt de problematiek van de groep langdurig werklozen uit de vorige
recessie daardoor niet groter?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voor een deel van de groep langdurig werklozen uit de vorige recessie
zijn gelukkig nieuwe participatiemogelijkheden ontstaan. U hebt echter gelijk
dat naar de mate het accent wordt gelegd op het voorkomen van een verdere
groei van de langdurige werkloosheid, de relatieve positie van hen die reeds
langdurig werkloos zijn, kan verslechteren. Het antwoord daarop is dat met
een breed pakket van maatregelen de strijd tegen de reeds bestaande langdurige
werkloosheid wordt gevoerd. Bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid zal er zeker uitgebreid gelegenheid zijn om daarover met
de minister te spreken. Hij heeft onlangs het kabinet cijfermatige informatie
gegeven over de formidabele bedragen die hiermee gemoeid zijn en de lijsten
van maatregelen die gericht zijn op het terugdringen van de bestaande langdurige
werkloosheid.</al>
        <al>Bij de coördinatie van het Europees werkgelegenheidsbeleid is gekozen
voor de inzet dat niet alleen de groei van de langdurige werkloosheid, maar
ook de samenstelling ervan een speerpunt van beleid moet zijn. Ik zeg dit
ook met mijn blik gericht op andere landen, omdat het geheel van onze overheidsmaatregelen
op dit punt wel eens verder ontwikkeld zou kunnen zijn dan in menig land dat
tot de Unie behoort.</al>
        <al>Voorzitter! Mevrouw Jaarsma sprak gisteren haar zorg uit over de toenemende
overdracht van overheidstaken aan de marktsector. Uit mijn opsomming van die
maatregelen moge blijken dat er ook illustraties van een ambitieuze overheid
te geven zijn. Overigens zal ook de medewerking van de sociale partners bij
de realisatie van dat beleid onmisbaar zijn. In veel gevallen is er in mijn
ogen dus geen sprake van een terugtredende overheid, maar van een andere wijze
van vormgeving van overheidsbetrokkenheid.</al>
        <al>De heer Ginjaar vroeg om een toelichting op de haalbaarheid van de ambities
op het punt van de sluitende aanpak. Het kabinet heeft de ambitie om in een
periode van vijf jaar toe te groeien naar een situatie waarbij alle nieuwe
werkzoekenden binnen twaalf maanden zo'n traject krijgen aangeboden. Die inspanning
komt bovenop het gecontinueerde arbeidsmarktbeleid van de afgelopen periode.
Zekerheden of garanties dat wij dit voor 100% kunnen realiseren, zijn er nooit.
Een en ander hangt ook af van de ontwikkeling van de economie, de conjunctuur
en werkgelegenheid en werkloosheid. Ik meen dat er met het commitment wat
wij daar zijn aangegaan weliswaar sprake is van een ambitieuze doelstelling,
maar ook van een doelstelling die realiseerbaar is, mits ieders inspanning
en ondersteuning daarop gericht is.</al>
        <al>Voorzitter! De arbeidsdeelname van mensen tussen de 55 en 64 jaar is in
Nederland aanzienlijk lager dan elders in Europa: 31% heeft betaald werk.
Mensen boven de 55 jaar lopen minder risico om werkloos te worden dan dat
zij het risico lopen om, indien zij hun baan kwijt zijn geraakt, niet meer
aan de slag te komen. De heer Schuurman wees gisteren op deze problematiek.
Wij hechten veel waarde aan een verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen.
In het regeerakkoord wordt een aantal maatregelen genoemd dat op dat punt
verbetering moet brengen. Wij zijn ook voornemens om voor een concrete uitwerking
van de genoemde maatregelen advies te vragen aan de Sociaal-economische raad.
Voorts bereiden wij een nieuw wetsvoorstel voor ter bestrijding van leeftijdsdiscriminatie.</al>
        <al>Met de sociale partners is tijdens het afgelopen najaarsoverleg, dat over
een paar weken een vervolg krijgt, afgesproken dat wij de komende weken samen
nagaan hoe over de volle breedte van de arbeidsmarkt gezamenlijk afspraken
kunnen worden gemaakt over de sluitende aanpak, over het weer aan de slag
helpen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, van ouderen, mensen uit minderheidsgroepen
en langdurig werklozen. Het is van belang dat ouderen niet voortijdig  stoppen. Dat heeft ook veel te maken met hun toerusting en vaardigheden.
Dan komen wij weer midden in dat andere belangrijke blok, waar ik straks nog
iets meer over zal zeggen bij de behandeling van onderwijs, employability,
scholing, kennis en de vraag of mensen voldoende bij de tijd zijn. Dat heeft
natuurlijk ook te maken met goede arbeidsomstandigheden.</al>
        <al>Gelet op de gedachtewisseling van gisteren, is het volgens mij goed om
een enkele opmerking te maken over de uitvoeringsorganisatie sociale zekerheid.
Op dit moment vindt aan de hand van een discussienota een intensieve gedachtewisseling
plaats tussen de bewindspersonen van SZW en sociale partners, maar ook met
gemeenten en de verschillende instellingen zoals het LISV, de CTSV en het
CBA. Met de OSV 1995 en 1997 is de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen
goeddeels in lijn met en in vervolg op aanbevelingen van de enquêtecommissie
uitvoeringsorganen sociale verzekeringen aangepast. Er kwam onafhankelijk
toezicht in de vorm van de CTSV. De sociale partners kwamen wat meer op afstand
te staan van de feitelijke uitvoering, omdat de uitvoeringsactiviteiten werden
uitbesteed aan de zogenaamde UVI's. In het regeerakkoord wordt uitgebreid
ingegaan op de beoogde veranderingen in het stelsel. Het akkoord schetst een
beeld van een publieke instantie, het Centrum voor werk en inkomen, die de
uitvoering op zich neemt van een samenhangend pakket van taken die naar hun
aard niet in aanmerking komen voor concurrentie. Dan gaat het om de taken
die de toegang tot werk betreffen en zo nodig een uitkering waarborgen. Daarnaast
gaat het om het vergroten van kansen op werk en spoedige reïntegratie,
om een meer effectieve en doelmatige uitvoering en een daling van de uitkeringslasten
en om een eenloketbenadering voor mensen die op zoek zijn naar werk en dus
inkomen. Ideeën die hierover in het regeerakkoord zijn opgenomen, worden
thans in overleg met de betrokken instanties, gemeenten en sociale partners
besproken en uitgewerkt. Het is de bedoeling om aan de hand van de bevindingen
die uit die gesprekken naar voren komen, in het kabinet in het voorjaar tot
een standpuntbepaling te komen. Ik wil daar dus nu niet te veel op vooruitlopen.
Wij zitten nu in een proces van beraad en meningsvorming.</al>
        <al>De heer Ginjaar, de heer Ruers en mevrouw Jaarsma hebben gisteren opmerkingen
gemaakt over onderdelen van deze materie. Ik geef eerst een antwoord op de
opmerkingen van mevrouw Jaarsma.</al>
        <al>De regering stelt zich tot taak, uitvoering te geven aan de artikelen
19 en 20 van de Grondwet en wel precies op de wijze zoals mevrouw Jaarsma
die artikelen gisteren heeft toegelicht. In de voornemens zoals verwoord in
het regeerakkoord en de discussienota is een onderscheid te maken tussen enerzijds
de aansturing van de sociale zekerheid onder publieke regie en met publieke
middelen en anderzijds de feitelijke uitvoering door deels private partijen.
In het regeerakkoord wordt het publieke karakter van de verantwoordelijkheid
voor en de aansturing van de sociale zekerheid bevestigd. Ter bevordering
van de effectiviteit en efficiency van de uitvoering kan een deel van de uitvoering
door private partijen plaatsvinden. Voorzover private partijen, UVI's, die
taken uitvoeren, staan zij natuurlijk onder publiek toezicht en zijn zij gebonden
aan publieke regelgeving. De heer Ginjaar wijst in dit verband op de risico's
van conglomeratievorming en pleit voor een vergroting van het aantal uitvoeringsorganen.
Het kabinet is van mening dat de vorming van conglomeraten de beoogde marktwerking
niet mag doorkruisen. Dit zal wat ons betreft een belangrijk aandachtspunt
zijn bij de concretisering van de voornemens in de komende maanden. Het toetreden
tot de markt van UVI's zal worden vergemakkelijkt. Zo zullen de criteria om
te worden erkend als uitvoeringsinstelling worden versoepeld.</al>
        <al>De bezuinigingen op de uitvoeringskosten waarnaar mevrouw Jaarsma verwijst,
staan geboekt voor het geheel van de kabinetsperiode. Alleen al om die reden
kan dit niet het eigenlijke doel van de reorganisatie van de sociale zekerheid
zijn, aangezien deze met name na het jaar 2001 haar beslag zal krijgen. Het
geraamde bedrag van 500 mln. is mede gebaseerd op inzichten van het LISV over
de mogelijkheden van een efficiëntere uitvoering. Door datzelfde LISV
en de SVB zullen jaarlijks gezamenlijke rapportages worden opgesteld die inzicht
geven in de uitvoeringskosten per wet en per uitvoeringsinstelling. Het LISV
heeft daarnaast uit hoofde van zijn opdrachtgeverschap een gedetailleerd inzicht
in de kosten per product per uitvoeringsinstelling.</al>
        <al>Een laatste punt dat ik bij dit onderdeel nog aan de orde wil stellen,
is de toezegging die het kabinet heeft gedaan bij de behandeling van NOSV
1997 over de motie die door de Kamerleden Jaarsma, Heijmans, Gelderblom-Lankhout
en Veling is ingediend. Op het ministerie van SZW heeft men moeten vaststellen
dat de informatie in de tweede vervolgrapportage Ontvlechting van het CTSV
nog niet alle informatie bevat die nodig is om alle vragen die in de motie
zijn verwoord te beantwoorden. Het CTSV is vervolgens gevraagd om een aanvulling
die naar alle waarschijnlijkheid in december beschikbaar komt. Dit houdt in
dat naar verwachting in januari 1999 een volledig antwoord kan worden verstrekt.</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! De geachte afgevaardigden de heren Ginjaar en
Ruers hebben gisteren gesproken over de resultaten van de WULBZ. Daarna is
aandacht gevraagd voor de oplopende volumeontwikkeling in de WAO. De privatisering
van de Ziektewet heeft een cultuuromslag bij werkgevers en werknemers bewerkstelligd.
Er is meer aandacht gekomen voor het beleid inzake preventie en terugdringing
in het ziekteverzuim en voor arbeidsom- standighedenbeleid van bedrijven.
Dat is positief. Het ziekteverzuim is sinds 1994 scherp gedaald. Thans is
sprake van een stabilisatie op het niveau van ongeveer 4,6%. Naar mijn mening
geeft dat een aardige eerste indicatie van de effecten van de nieuwe wetgeving.</al>
        <al>Ten aanzien van de volumeontwikkeling WAO moet inderdaad worden geconstateerd
dat sprake is van een lichte groei van het aantal personen in het WAO-bestand.
Bij de analyse dient echter ook de relatieve ontwikkeling in ogenschouw te
worden genomen. De spectaculaire groei van de werkgelegenheid in de afgelopen
jaren heeft immers ook geleid tot een evenredige toename van het aantal WAO-verzekerden
en dus van het aantal mensen dat het risico loopt arbeidsongeschikt te worden.
Een beetje simpel gezegd: hoe minder werk, hoe minder  mogelijkheden
om deel te nemen in de WAO-verzekeringen en hoe minder risico dat men tot
het WAO-bestand gaat behoren.</al>
        <al>Daarnaast loopt de gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking, ondanks
de lage participatiegraad van mensen tussen 55 en 64 al een aantal jaren op,
terwijl het risico om arbeidsongeschikt te worden toch enigszins leeftijdgerelateerd
is. Dat alles doet toch niets af aan het feit dat het kabinet van mening is
dat het WAO-volume te hoog is. Door een veelzijdige aanpak willen wij proberen,
de instroom te beperken en de uitstroom te vergroten. Daarbij is onder meer
de vermindering van de wachtlijsten in de zorgsector aan de orde, de verbetering
van de arbeidsomstandigheden, bijvoorbeeld door convenanten met bedrijfstakken
met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico. Het kabinet zal ook intensieve
aandacht geven aan de keuringspraktijk. De Wet REA is sinds kort in werking
getreden en zal een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het bevorderen
van de reïntegratiekansen van arbeidsongeschikten.</al>
        <al>Aan het einde van mijn beantwoording van de gestelde vragen op dit onderdeel
wil ik nog enkele woorden wijden aan het voorstel van de geachte afgevaardigde
de heer Batenburg om een zogenaamde solidariteitswet in te voeren. De heer
Batenburg heeft deze gedachte voor de eerste maal naar voren gebracht tijdens
de algemene politieke beschouwingen in dit huis in 1995. Ook vorig jaar heeft
hij bij een discussie over de armoedeproblematiek de invoering van een solidariteitswet
bepleit. Graag maak ik de volgende korte kanttekeningen.</al>
        <al>Een praktisch bezwaar tegen het voorstel van één solidariteitswet
ter vervanging van alle andere socialeverzekeringswetten is dat het een zeer
fundamentele herziening van het socialezekerheidsstelsel zou inhouden. Daar
is niet alleen een lange voorbereidings- en invoeringsperiode voor nodig.
Maar dat is niet het belangrijkste bezwaar. Belangrijker is dat je dan toch
wel bij voorbaat de overtuiging moet hebben, dat je daarmee aanzienlijke vooruitgang
gaat boeken.</al>
        <al>De belangrijkste argumenten van de heer Batenburg om tot zo'n solidariteitswet
te komen, zijn aan de ene kant vereenvoudiging en aan de andere kant het creëren
van een arsenaal aan inzetbare arbeidskrachten. Op beide punten valt echter
op voorhand wel het nodige af te dingen. Wat de vereenvoudiging betreft, één
socialezekerheidswet lijkt eenvoudiger dan meerdere socialezekerheidswetten,
maar de conclusie dat het een vereenvoudiging is, is wel snel getrokken. Want
ook met één wet zal men moeten controleren of iemand, mede afhankelijk
van de leefsituatie, recht heeft op een uitkering, zo ja, of betrokkene in
staat is om te werken en, zo ja, waar. Niet iedereen is in staat om te werken,
bijvoorbeeld arbeidsongeschikten niet. Het is nog maar de vraag of de uitvoering
werkelijk eenvoudiger zou worden.</al>
        <al>Het lijkt of de heer Batenburg voorstelt dat uitkeringsgerechtigden worden
verplicht om maatschappelijke arbeid te verrichten. Dat zou werkgelegenheidsprojecten
overbodig maken. Blijft echter een feit, dat betaalde arbeid uitgangspunt
zal moeten blijven. Dat betekent dat het scheppen van betaalde arbeid een
hoofdzaak blijft. Daarnaast zou aan het verrichten van maatschappelijke arbeid,
indien dat wenselijk wordt bevonden, ook binnen het bestaande stelsel vormgegeven
kunnen worden. Mijn conclusie kan niet anders zijn, dan dat ik er op voorhand
niet van overtuigd ben dat een zo rigoureuze stelselwijziging als een zinvolle
onderneming kan worden beschouwd, hoewel de oogmerken van de heer Batenburg
te waarderen zijn.</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik kom nu tot het belangrijke onderdeel zorg,
welzijn en sport en wil in het bijzonder een enkele opmerking maken over zorg.
Het kabinet is verheugd over de positieve ontvangst van de meerjarenafspraken,
zoals deze de vorige week door de bewindslieden van VWS zijn gemaakt. De nieuwe
bestuurlijke aanpak is erop gericht om samen met de partners in de zorg heldere
afspraken te maken over aan de ene kant de extra geldmiddelen en aan de andere
kant de resultaten die met dat geld bereikt moeten worden. Het terugdringen
van onaanvaardbare wachttijden zowel in de cure als in de care, waarnaar de
heer Ginjaar vroeg, is een van de onderdelen van de afspraken. Daaraan hebben
aanbieders, verzekeraars en werkgevers zich nadrukkelijk gecommitteerd. Wij
zullen de voortgang en de resultaten nauwgezet registreren en volgen, maar
wel vanuit het vertrekpunt dat er vertrouwen bestaat in deze aanpak. Het kabinet
heeft hiervoor de nodige middelen in het kader van meerjarenafspraken ter
beschikking gesteld.</al>
        <al>Onderdeel van de afspraken is, dat geen voorrang wordt verleend op andere
dan medische gronden. Dit in antwoord op de vraag van de heer Ruers. Ook een
belangrijke doelstelling van de meerjarenaanpak is het bereiken van bestuurlijke
rust en het verbeteren van het imago van de zorgsector. De heer Van Leeuwen
vroeg hier aandacht voor. Het garanderen van instroom en behoud van personeel
is een belangrijke doelstelling. De zorgsector moet weer aantrekkelijk worden.
Uit onderzoek blijkt veel belangstelling bij schoolverlaters voor werken in
de zorg. Het kabinet heeft met sociale partners besloten tot een forse inzet
om de werkdruk te verminderen en om opleiding, scholing van zittend personeel,
kinderopvang en goede arbeidsomstandigheden te bevorderen. Medio december
zal met sociale partners hierover een convenant worden afgesloten. Ook het
terugdringen van het ziekteverzuim zal hierbij een belangrijk punt zijn.</al>
        <al>Het geheel overziende, constateer ik dat in korte tijd een serie belangrijke
afspraken tot stand is gekomen, welke afspraken de hoge prioriteit die wij
toekennen aan de zorg naar onze verwachting zullen waarmaken. De basis is
dus gelegd voor een werkelijke sprong voorwaarts ter oplossing van de knelpunten
die in het regeerakkoord zijn benoemd. Dat geldt ook voor de geestelijke gezondheidszorg
waarvoor wel degelijk ook extra middelen, 230 mln. plus 32 mln. voor de RIAGG-wachtlijsten,
voor de komende jaren beschikbaar zijn gesteld. Dit bedrag wordt besteed aan
drie hoofdzaken: het realiseren van al gemaakte bouwafspraken, het opvangen
van demografische groei en het terugdringen van de genoemde wachtlijsten.
Daarnaast zal de aanpak van psychische problemen in de eerstelijnsgezondheidszorg
worden verbeterd waardoor de gespecialiseerde GGZ zal worden ontlast.</al>
        <al>De heer Ginjaar vroeg met betrekking tot de ziektekostenverzekering waarom
er in deze periode niet is gekozen voor een algemeen risico aan de voet. Voorzitter!
De  belangrijkste overweging is dat de invoering hiervan nauwelijks
een remmende werking heeft op de consumptie van zorg. Immers, zodra het bedrag
van het verplichte eigen risico aan zorg is geconsumeerd – dit bedrag
kan om bekende redenen niet omvangrijk zijn – is er voor de rest van
het jaar geen financiële rem meer om zorg af te nemen. Verder speelt
hierbij ook de inkomensproblematiek een rol, die in de afgelopen kabinetsperiode
voortdurend onderwerp van zorg is geweest.</al>
        <al>De heren Van Leeuwen en Ruers hebben gevraagd wat de reactie van het kabinet
is op geluiden uit de sector dat een tekort van honderden miljoenen zou gaan
ontstaan. Voorzitter! Ik vermoed dat hiermee wordt gedoeld op berekeningen
die de vorige week door de gezamenlijke organisaties in het veld naar buiten
zijn gebracht. Ik merk op dat de heer Bert de Vries, voorzitter van de commissie
die het bedoelde rapport heeft opgesteld – ik vermeld de voornaam erbij,
niet alleen omdat het een oud-collega is, maar ook omdat er zoveel 'De Vries'en'
in het (semi)politieke circuit figureren – heeft verklaard dat de oorzaak
hiervan naar zijn inschatting nagenoeg geheel bij de geneesmiddelen ligt.
Welnu, juist voor de kostenbeheersing van de geneesmiddelen heeft het kabinet
vérstrekkende plannen ontwikkeld.</al>
        <al>Voorzitter! Met de heren Schuurman en Batenburg ben ik van mening dat
ouderen actief aan de samenleving moeten deelnemen. Bij vergrijzing mag en
moet er niet alleen worden gekeken naar de zorg die nodig is. Op dit moment
kent de Nederlandse samenleving al een groep van ruim 2 miljoen 65-plussers.
Ook bij een krachtige en succesvolle voortzetting van het beleid om ouderen
langer bij het arbeidsproces betrokken te houden, zal het grootste gedeelte
van deze groep geen betaalde arbeid verrichten maar wél redelijk tot
zeer vitaal zijn. Het beleid dient gericht te zijn op het verzilveren van
de waarde(n) die ouderen vertegenwoordigen. Dit kan vooral op lokaal niveau
gebeuren, binnen maar ook tussen generaties. Juist op lokaal niveau, in buurten
en wijken, kan gebruik worden gemaakt van de capaciteiten van ouderen. Ze
vormen immers vaak de meest stabiele factor in woongebieden en hebben ook
een ruime ervaring in het leefbaar houden van de straat. Zo'n beroep op ouderen
neemt hen ook serieus als capabele burgers. In de nieuwe nota Intersectoraal
ouderenbeleid, die voor het zomerreces aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden,
zijn 'human capital' en maatschappelijke participatie van ouderen de centrale
thema's.</al>
        <al>Vervolgens, voorzitter, richt ik mij op enkele opmerkingen over het onderdeel
justitie en politie. Ik begin graag met een reactie op enkele meer fundamentele
opmerkingen over de ordenende rol van de overheid, het meest pregnant naar
voren gebracht door de heer Veling. Hij wijst op het meer open karakter van
de ordening van de maatschappij door de overheid. Aansluitend op een analyse
van de WRR, stelt hij dat de tegenwoordige, ordenende activiteit van de overheid
meer dan vroeger uitgaat van de diversiteit en van de mogelijkheid van autonome
beslissingen van de burger. Daarbij dreigt het gevaar van vrijblijvendheid.
Tegelijkertijd bespeurt de heer Veling meer sturende vormen van ordening,
zoals bij de bescherming van het milieu en de bestrijding van het geweld.
De vraag is of het wel aan overheden is om als zedenmeester op te treden.</al>
        <al>Voorzitter! De Staat is geen zedenmeester, in die zin dat de Staat de
opvattingen over goed en slecht van een beperkte groep in de samenleving zou
moeten uitdragen. Onze wetten zijn wél mede gebaseerd op diep gewortelde
waarden die onder meer zijn verwoord in de Universele verklaring van de rechten
van de mens. De overheid heeft de verantwoordelijkheid, deze waarden en de
daaruit voortvloeiende normen te vertalen in praktische gedragsregels en dus
ook in wetten. Op bepaalde gebieden treedt de overheid inderdaad sturend op.
De heer Veling noemt in dit verband terecht de milieubescherming en de bestrijding
van het geweld. Die gebieden raken dan ook aan de basiswaarden die de overheid
dient te beschermen. Op andere gebieden is sprake van een meer open ordening.
De gewijzigde Wet op de lijkbezorging en de regeling die is getroffen om ritueel
slachten mogelijk te maken, zijn daarvan voorbeelden. Dat zijn veranderingen
die recht doen aan de multiculturele samenleving zoals die zich ontwikkelt.
Daarbij worden regels aangepast om recht te doen aan de normatieve opvattingen
van nieuwkomers. Zo wordt integratie in de Nederlandse samenleving vereenvoudigd,
zonder daarbij geweld te doen aan essentiële waarden. Voor andere aspecten
van uitheemse tradities geldt, zoals bekend, een dergelijke openheid niet.
Denkt u bijvoorbeeld aan eerwraak, aan de toepassing van lijfstraffen, aan
de besnijdenis van meisjes en aan de ondergeschiktheid van de vrouw. Dergelijke
verschijnselen worden binnen de Nederlandse rechtsstaat niet geduld. In deze
brede zin zou men de overheid zedenmeester kunnen noemen, maar liever kies
ik dan voor: beschermer van grondrechten.</al>
        <al>De heer Ginjaar vroeg onder verwijzing naar het regeerakkoord aandacht
voor de problematiek van de juridisering van het openbaar bestuur. Daarbij
is erop gewezen dat niet alleen de zogenaamde grote projecten aandacht behoeven,
maar ook allerlei meer individueel gerichte overheidsbesluiten. Ook daarbij
is immers soms sprake van onnodig langdurige en ingewikkelde procedures. Op
beide typen problemen, zowel grote projecten betreffend als kwesties die wat
dichter bij de burger staan, zal worden ingegaan in het kabinetsstandpunt
over juridisering, dat het parlement nog dit jaar zal bereiken.</al>
        <al>De heer Schuyer merkte op dat de minister van Justitie van plan zou zijn
een register van veroordeelde pedofielen aan te leggen. Dat moet ik bestrijden.
De minister van Justitie heeft verschillende keren aangegeven dat met een
goede werking van de verklaring omtrent het gedrag wordt gewaarborgd dat pedofiele
leraren niet meer op een school aan de slag kunnen. Om te bereiken dat zorgvuldig
wordt afgewogen of aan een leraar een verklaring omtrent het gedrag kan worden
afgegeven, is het wenselijk om de afgifte ervan te centraliseren. De Registratiekamer
juicht centralisatie toe uit een oogpunt van bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. De minister onderzoekt thans of deze afgifte door zijn ministerie
kan geschieden. Het kabinet is het met de fractie van D66 eens dat de opmerkingen
van de Registratiekamer serieus moeten worden genomen. Het meent dat bovenstaand
voorbeeld aantoont dat ook inderdaad zorgvuldig met opmerkingen van de Registratiekamer
wordt omgegaan. </al>
        <al>De heren Van Leeuwen en Holdijk zijn uitgebreid ingegaan op de handhaving
van normen in Nederland door het bevoegd gezag. De heer Van Leeuwen refereerde
daarbij aan het Amerikaanse zero tolerance-beleid dat met name in New York
wordt gevoerd. Ik ben het met hem eens als hij stelt dat een goede politieorganisatie,
met meer op straat aanwezig blauw en daarop volgend zo nodig snelle bestraffing,
bij zal dragen aan de veiligheid van ons land. Het is echter zeer de vraag
of een rechtstreeks overnemen – zo letterlijk zal het waarschijnlijk
niet bedoeld zijn – van het Amerikaanse zero tolerance-beleid in Nederland
ook het gewenste effect zal sorteren. De ook door mij onderschreven handhaving
van de kleine norm moet niet leiden tot een louter repressief nul-tolerantiebeleid.
Daar moeten wij in Nederland niet naartoe. Door de jaren heen, ook onder de
huidige omstandigheden, hebben wij deze problematiek vanuit een wat bredere,
evenwichtige benadering trachten aan te pakken. Echter, wij moeten wel toe
naar een lagere tolerantiegrens bij normoverschrijdend gedrag. Handhaven van
die lagere tolerantiegrens kan het rechtsgevoel van de burger positief beïnvloeden.
Daarom is er veel te zeggen voor het lik-op-stuk-beleid dat politie en justitie
in Amsterdam hanteren. Snelle en adequate bestraffing, ook bij kleine vergrijpen,
is daar leidraad. Zo wordt asociaal gedrag consequent beboet.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>De minister-president geeft hiermee precies aan waar het ons om te doen
is. Een zero tolerance-beleid behoeft niet te betekenen dat alles keihard
wordt aangepakt. Ik heb ook gewezen op het gevaar van het gedogen, van het
te tolerant zijn. De woorden die de minister-president daar impliciet aan
wijdde, maken mij zeer gelukkig.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik vervolg mijn betoog met enkele opmerkingen over actief
veiligheidsbeleid en de uitwerking daarvan. Het kabinet wil de komende periode
het integrale veiligheidsbeleid verder versterken. Om die reden wordt meer
geld beschikbaar gesteld voor onder andere politie en justitie, maar ook voor
het tegengaan van jeugdcriminaliteit en geweld. Dat gebeurt steeds in de wetenschap
dat genezen moet worden waar genezing nodig is, maar dat voorkomen belangrijker
is.</al>
        <al>Daarnaast zullen er concrete afspraken over prestaties worden gemaakt,
waarbij het gaat om de inzet van het Rijk, de gemeente, de politie, de maatschappelijke
organisaties en het bedrijfsleven. De rode draad daarbij is de veiligheidsketen;
dat loopt van de vraag, welke bijdragen organisaties afzonderlijk en samen
leveren aan het voorkomen van veiligheidsproblemen, tot en met het bestrijden
van onveiligheid, dus van preventie tot en met repressie. Het is bijvoorbeeld
een illusie om te menen dat jeugdcriminaliteit alleen met het inzetten van
meer politie zou kunnen worden teruggedrongen. Het vraagt met name inzet en
samenwerking tussen ouders, scholen, jeugdhulpverlening, de jeugd zelf en
de politie. Er zijn in diverse steden al aanzetten toe gegeven; het kabinet
wil deze versterken. Dus bovenal actieve stimulering en regie op lokaal en
regionaal niveau. Het Rijk zal de juiste randvoorwaarden moeten scheppen,
faciliteiten moeten bieden en afspraken moeten maken over prioritering, inzet
en resultaten.</al>
        <al>De heren Ginjaar en De Boer hebben aandacht gevraagd voor de ernstige
problematiek van het geweld op straat. In de afgelopen maanden zijn er mede
naar aanleiding van de nota Geweld op straat van het vorige kabinet debatten
in de provinciehoofdsteden georganiseerd. Deze debatten hebben tot nu toe
heel veel goede, praktische suggesties opgeleverd, waarmee vooral alle betrokkenen
op lokaal en regionaal niveau verder kunnen. Daar waren ze ook primair op
gericht. Binnenkort zal er een platform tegen geweld op straat worden gevormd,
onder leiding van de heer Deetman, waarbij een antigeweldscode zal worden
opgesteld en kennis en ervaring omtrent geweld op straat zal worden gedeeld.
Het kabinet zal een rapportage van de resultaten van de debatten maken en
die binnenkort aan het parlement toezenden. In het beleidsplan Nederlandse
politie zal het kabinet een nadere uitwerking geven aan de inzet die van de
politie wordt verwacht, ook op dit terrein.</al>
        <al>In dit verband zou ik nog graag ingaan op hetgeen ik in Leeuwarden heb
gezegd over het doen van aangifte bij geweld op straat. Om begrijpelijke redenen
zijn mensen in dergelijke situaties soms terughoudend bij het doen van aangifte.
Aan de andere kant is het voor een goede bestrijding van het geweld op straat
nodig om een goed inzicht te verkrijgen in de aantallen en de aard van gevallen
van geweld op straat. Daarom zou het te overwegen zijn, zo heb ik gezegd,
zorgvuldig de mogelijkheden na te gaan, met inbegrip van een goede analyse
van de voors en tegens, om de politie niet direct een officiële aangifte
te laten opstellen, maar haar zo mogelijk gebruik te laten maken van vertrouwelijke
meldingen. Op grond daarvan zou de politie dan zelfstandig een onderzoek kunnen
instellen; dat kan binnen de huidige regelgeving. En voorts, zo heb ik gezegd,
zou het kabinet kunnen onderzoeken, hoe er gebruik zou kunnen worden gemaakt
van de mogelijkheden van partiële anonimiteit bij het doen van aangifte.
Dan gaat het natuurlijk niet om anonimiteit bij de bewijsvoering voor de rechter,
maar in de voorfase van het onderzoek. Het ging mij dus om niet meer, maar
ook niet minder dan het zorgvuldig onder ogen zien van de mogelijkheden op
dit terrein. Ik heb geen conclusies getrokken, maar ik heb wel een pleidooi
voor nadere bestudering van dit vraagstuk gehouden, om daarna conclusies te
trekken.</al>
        <al>Het kabinet wil in het integrale veiligheidsplan, dat in het voorjaar
van 1999 zal verschijnen, de belangrijkste veiligheidsproblemen en -opgaven
benoemen en daarbij ook prioriteiten aangeven. Een en ander zal een concrete
vertaling krijgen in de afspraken die bij het grotestedenbeleid met de 25
grote steden worden gemaakt. Maar ook buiten de grote steden zal de veiligheidsinspanning
worden vergroot. In het integrale veiligheidsplan zal het kabinet aangeven,
wat de doelstellingen voor de komende vier jaar zijn en welke betrokken organisaties
in de publieke en de private sfeer daaraan een concrete bijdrage behoren te
leveren. In die zin moet men ons kunnen aanspreken op onze ambities en op
wat wij daarvan realiseren. Wij willen dit ook duidelijk maken door de voortgang
van een en ander te meten. Wij zullen dit onder meer doen door het halverwege
deze periode uitbrengen van een integrale veiligheidsrapportage. Daarin zullen
de ontwikkelingen op het gebied van gevoelens van veiligheid of  onveiligheid
bij de burgers, de concrete inbreuken op de veiligheid en de veiligheidsrisico's
waarmee onze samenleving wordt geconfronteerd, zichtbaar moeten zijn.</al>
        <al>De politie heeft als geen andere organisatie een cruciale rol bij het
bevorderen van de openbare orde, de veiligheid en de rechtshand- having, niet
alleen door haar geweldsmonopolie, maar ook in preventie door haar signaleringsfunctie
in verband met de 24-uurs- beschikbaarheid en de doorverwijsfunctie. Het kabinet
zal extra investeren in de bijdrage van de politie in de veiligheidsketen.
Enerzijds doordat het kabinet zichtbaar maakt hoe de beoogde uitbreiding wordt
gerealiseerd en anderzijds door de bijdrage van de politie aan meer veiligheid.
Waar kan de burger op rekenen en waarop is de politie voor de burger aanspreekbaar?
Het gaat dan onder meer om minder geweld op straat, vermindering van de jeugdcriminaliteit
en verbetering van de bereikbaarheid. Kortom, wat merkt de burger van de aanwezigheid
van de politie?</al>
        <al>De heer Van Leeuwen heeft een aantal concrete vragen gesteld over de politiesterkte.
Inmiddels is een systeem ontwikkeld waardoor wij halfjaarlijks aan de Staten-Generaal
kunnen rapporteren over de ontwikkeling van de politiesterkte. De minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft dit voor het laatst gedaan
op 27 maart jongstleden. Uit die rapportage blijkt dat op 31 december 1997
in totaal 39.917 FTE's bij de politie werkzaam waren. Het door de heer Van
Leeuwen geciteerde CBS-cijfer van 227 betreft slechts het jaar 1996-1997 tijdens
hetwelk een andere meting is gehanteerd. Zoals in het regeerakkoord is aangekondigd,
zal het kabinet in deze periode de sterkte van de politie met 3000 agenten
en surveillanten laten toenemen ten opzichte van de sterkte aan het begin
van de periode, los van herplaatsing binnen het bestaande bestand. Dit staat
los van de afgesproken herbezetting in het kader van de 36-urige werkweek
met circa 400 FTE's. Door die herbezetting, in combinatie met andere maatregelen
in dit kader, is er geen capaciteitsverlies bij de politie te verwachten.</al>
        <al>Natuurlijk is het kabinet medeafhankelijk van de situatie op de arbeidsmarkt.
Ook de opleiding neemt tijd in beslag. Het is in eerste instantie aan de politieregio's
om, afhankelijk van de lokale en regionale behoefte, te bepalen of er behoefte
bestaat aan het aanstellen van surveillanten of agenten, waarbij natuurlijk
rekening wordt gehouden met de maatschappelijke wens, onder meer ten aanzien
van de beschikbaarheid op het platteland. Als globale indicatie lijkt ons
binnen de sterktegroei een verhouding van 30% surveillanten en 70% agenten
redelijk. Overigens hebben de surveillanten wel degelijk een algemene opsporingsbevoegdheid.
Zij zijn derhalve breed inzetbaar en vervullen belangrijke taken, vooral als
blauw op straat.</al>
        <al>Wat betreft de sterktegroei van de politie is het kabinet voornemens om
reeds in 1999 zodanige maatregelen te nemen dat in bepaalde plattelandsgebieden
en stadsbuurten sprake is van zichtbare sterktegroei. Daarbij zal de achterstand
in beschikbaarheid en bereikbaarheid in bepaalde gebieden worden teruggebracht.
Het werven, selecteren en opleiden van de in het regeerakkoord overeengekomen
3000 extra politiemensen vraagt een gezamenlijke inspanning van alle partijen.
Dit alles met het doel de personeelsvoorziening bij de politie veilig te stellen
door de tijdige instroom van voldoende gekwalificeerd personeel, waarbij ook
nieuwe doelgroepen worden aangesproken.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>De minister-president noemde de opleiding, maar er zijn indicaties dat
de opleidingscapaciteit onvoldoende is om meer te doen dan alleen de opvang
van natuurlijk verloop en vacatures. Is er echt een realistische mogelijkheid
om die 3000 mensen een goede opleiding te geven?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Het antwoord op deze vraag is tweeledig. Over de mogelijkheid om hier
in de opleiding voldoende antwoord op te geven wordt verschillend gedacht.
De heer Van Leeuwen is hierin wat somberder dan de minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Indien onverhoopt op korte termijn zou blijken
dat de capaciteit een sta-in-de-weg is, zullen wij alles doen om de opleiding
zodanig vorm te geven dat het beoogde doel bereikt kan worden.</al>
        <al>De heer Ginjaar heeft aandacht gevraagd voor de jeugd- en zedentaak bij
de politie. Daarin moet inderdaad verder worden geïnvesteerd. Het kabinet
wil met de korpsen afspreken wat de kwaliteitseisen moeten zijn. Het moet
gaan om een herkenbaar, toegankelijk en kwalitatief goed toegerust specialisme.
In het beleidsplan Nederlandse politie, dat rond de jaarwisseling verschijnt,
zal hierop nader worden ingegaan. Uit de tussenrapportage van de Inspectie
politie over de jeugd- en zedentaak bij de politie blijkt overigens dat dit
specialisme binnen de politie in hoge mate aanwezig is. Korpsen geven daar
verschillend vorm aan, passend bij de lokale omstandigheden.</al>
        <al>Onder anderen de heer Van Leeuwen heeft de veelbesproken problemen inzake
capaciteit en werkdruk bij de zittende magistratuur aan de orde gesteld. De
strafsectoren van de gerechten staan onder grote druk. Voor het verminderen
van de ergste capaciteitsdruk is al een aantal korte- en langetermijnoplossingen
in ontwikkeling. Dit heeft niet alleen effect voor Amsterdam, waarnaar de
heer Van Leeuwen specifiek vroeg, maar ook voor andere gerechten met problemen,
zoals Haarlem, Utrecht, Rotterdam en Den Bosch. Ik vraag aandacht voor het
feit dat er geen sprake is van een budgettair probleem, al zal het weinig
moeite kosten om op enig moment ook een aspect van budgettaire aard te onderkennen.
Het is vooral een bemensingsprobleem. Het geld is er, maar het is de rechtbanken
nog niet over de hele linie gelukt om de bestaande vacatures in te vullen.
Op dit moment zijn er nog zo'n 70 vacatures bij de zittende magistratuur.</al>
        <al>Er wordt momenteel langs drie wegen gezocht naar oplossingen voor het
verlichten van de capaciteitsdruk. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen
maatregelen voor de korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn.
Voor de korte termijn worden de volgende maatregelen getroffen: <lijst><li>- het intensiever inzetten van rechter-plaatsvervangers; er moet overigens
terughoudend worden omgegaan met het inzetten van advocaten uit het eigen
arrondissement;</li><li>- het geïntensiveerd inzetten van reeds gepensioneerde
en vervroegd uitgetreden rechters;</li><li>- het elders inzetten van rechters
uit  colleges waar de problematiek minder acuut is.</li></lijst></al>
        <al>Voor de middellange termijn is voorzien dat er over zes maanden zowel
in Amsterdam als in Rotterdam een extra strafkamer gaat functioneren. Daarover
is reeds met de betrokken presidenten overleg gepleegd. Deze worden bekostigd
uit de nog openstaande vacaturegelden, dan wel Bolkestein-middelen. In het
algemeen geldt dat de werving van reguliere rechters voortgang vindt om de
70 genoemde vacatures op te vullen. De lange termijn vraagt om veel meer structurele
maatregelen. Daarbij wordt aan de volgende elementen gedacht: <lijst><li>- van de in het regeerakkoord afgesproken versterking van de rechterlijke
organisatie langs de lijnen van het rapport-Leemhuis zullen ook de strafsectoren
profiteren;</li><li>- de bestuurlijke versterking zal tot een betere organisatie
moeten leiden;</li><li>- de gerechten en parketten zijn gaan werken met convenanten,
waarin onderlinge afspraken zijn vastgelegd, zodat een betere afstemming kan
plaatsvinden,</li><li>- door het overleg tussen de zittende magistratuur en
het OM, gecombineerd met andere overleggen, kunnen op lokaal niveau tijdig
knelpunten worden gesignaleerd, zodat daarop kan worden geanticipeerd;</li><li>- het geven van financiële impulsen aan de strafsector, bijvoorbeeld
door de Leemhuis-gelden;</li><li>- samen met de zittende magistratuur wordt
hard gewerkt aan het verbeteren en versnellen van de werving en selectie van
rechters; dit komt tot uitdrukking in het deelproject personeelsbeleid.</li></lijst></al>
        <al>Overigens wijs ik erop dat momenteel in de Tweede Kamer het wetsvoorstel
taakstraffen aanhangig is. Aanvaarding van dit wetsvoorstel zal kunnen leiden
tot een vermindering van de druk op de strafrechtelijke keten.</al>
        <al>Ik kom nu te spreken over het vreemdelingen- en het asielbeleid. Bijna
alle woordvoerders hebben hierover in hun termijn gesproken. Eerst iets over
de getallen. In de zomer van 1998 bleek dat de aantallen voor 1998 hoger uitkwamen
dan de 32.500, waarop de Voorjaarsnota was gebaseerd. In de Voorjaarsnota
is ook een inschatting gemaakt van de te verwachten effecten op de instroom
van de maatregelen die het vorige kabinet aan het einde van 1997 heeft genomen.
Die waren gericht op een beperking van de instroom. Dat was een heel pakket.
Zonder twijfel heeft dat een fikse doorwerking. Achteraf moet worden geconstateerd
dat de effecten daarvan op een minder korte termijn zichtbaar zijn geworden
dan wij toen dachten. In elk geval zijn de cijfers in de zomer van 1998 aangepast.
Wij hebben over 1998 naar verwachting een instroom van 47.000. Deze zal, wat
de budgettaire kant betreft, worden verwerkt via de Najaarsnota. Straks zullen
wij zien, bij de behandeling van de Voorjaarsnota 1999, wat er structureel
nodig is. Tegen de heer De Boer zeg ik, sprekend over cijfers en over de vraag
wat wij aan kunnen, dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de jaarlijkse
instroomcijfers en de momenteel hogere cijfers van de opvang. Als je 1998
vergelijkt met 1994 – dat gebeurde gisteren even – dan is niet
alleen het aantal binnenkomers in elk van die jaren belangrijk voor het meten
hoe moeilijk het is, maar ook de vraag wat de totale opvangproblematiek is,
in verband met het feit dat procedures lang duren. Voorts komt een flink deel
van de mensen die vervolgens in procedure zijn geweest en geen recht hebben
om hier te blijven, toch niet terug. Ik kom daar straks nog op terug. Wij
trekken uit de recente ontwikkelingen de conclusie dat voorspellingen met
betrekking tot de instroom van asielzoekers met veel voorzichtigheid moeten
worden behandeld. De onzekerheid is groot in die landen van herkomst. Er is
ook een wisselend beeld wat betreft het beleid en de samenwerkingsmogelijkheden
in Europa tussen de landen onderling.</al>
        <al>De heer Ginjaar gaf aan dat de beheersing van het vluchtelingenprobleem
alleen kan worden gerealiseerd als een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen
politieke vluchtelingen, economische vluchtelingen en oorlogsvluchtelingen.
Dan is een beleid mogelijk dat rechtvaardig, maar vooral streng is. Zoals
in het regeerakkoord is opgenomen, is het Nederlandse vreemdelingenbeleid
reeds te kenschetsen met die kernbegrippen streng en rechtvaardig. Het door
de heer Ginjaar genoemde scherpe onderscheid tussen de verschillende categorieën
is staand beleid. In Nederland komen politieke vluchtelingen die gegronde
vrees voor vervolging hebben op grond van het vluchtelingenverdrag van Genève
in aanmerking voor een vluchtelingenstatus. Zogenaamde economische vluchtelingen
komen in Nederland niet in aanmerking voor welke status dan ook. Hun verzoek
om toelating wordt afgewezen. Oorlogsvluchtelingen komen op grond van de algemene
situatie in hun land van herkomst in de regel in aanmerking voor een voorlopige
vergunning tot verblijf of op grond van hun individuele vluchtverhaal voor
een vluchtelingenstatus.</al>
        <al>Veel woordvoerders hebben het belang van de internationale samenwerking
benadrukt. Ik acht het onjuist er nu reeds voor te kiezen geen gezamenlijk
Europees asiel- en migratiebeleid te voeren en in het verlengde daarvan een
gezamenlijk beleid te ontwikkelen met slechts een beperkt aantal lidstaten.
De uitvoering van de resultaatsverplichting, zoals opgenomen in het Verdrag
van Amsterdam, om te komen tot een daadwerkelijke harmonisatie van het Europese
asiel- en migratiebeleid moet immers nog aanvangen. Laten wij ons daar nu
op concentreren. Ook voor die tijd zullen, als het aan Nederland ligt, activiteiten
worden ontplooid om de Europese samenwerking op de terreinen van asiel en
immigratie te intensiveren. Daar is de actieve inzet van de regering dan ook
op gericht.</al>
        <al>Naast de besprekingen in Europese verband inzake de verbetering van de
praktische werking van de overeenkomst van Dublin, bestaan reeds de door de
heer Van Leeuwen gesuggereerde bilaterale contacten op uitvoeringsniveau met
de verschillende lidstaten over de vaststelling van de verantwoordelijkheid
voor de behandeling van een asielverzoek. Uiteraard zijn de contacten met
onze buurlanden, België en Duitsland, daarbij het meest intensief en
kan de samenwerking als goed en vooral praktisch van aard worden getypeerd.
Het asielbeleid is het onderwerp bij uitstek waarbij samenwerking tussen de
verschillende bestuurslagen van groot belang is. De heer Schuyer wees daar
terecht op. Of het nu gaat om het vinden van opvangaccommodatie of het huisvesten
van vreemdelingen met een verblijfsstatus en het bijdragen aan hun inburgering:
bij alle facetten komen  de gemeenten, maar ook de provincies
om de hoek kijken. Het in gebruik nemen van opvanglocaties is vaak tijdrovend.
Locaties dienen te worden aangepast. Ruimtelijkeordeningsprocedures dienen
te worden doorlopen en de gemeenteraad dient akkoord te gaan met de vestiging
van het centrum.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Ik houd mijn twijfels over de terecht- heid van de verlaging van de aantallen
in het voorjaar van dit jaar. Ik denk dat bij de feiten waarop dat gebaseerd
is, grote vraagtekens kunnen worden gezet. Ik heb gevraagd of het niet verstandig
zou zijn om de algemene reservecapaciteit voor de opvang van asielzoekers
te verruimen, zodat wij niet met een zekere golfbeweging elke keer in een
panieksituatie terecht komen, zoals dit najaar. Over de relatie met de gemeente
wil ik nog vragen of het klopt dat bij een groot aantal gemeenten een behoorlijk
deel van de aangeboden capaciteit als het gaat om het opvangen van asielzoekers
met een status, niet wordt gebruikt. Als dat klopt, hoe komt dat dan?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>De medewerking van de lokale overheden is over het algemeen goed. Niet
zo lang geleden heeft een overleg plaatsgevonden tussen een kabinetsdelegatie,
VNG en IPO. De provincies hebben toen aangegeven behulpzaam te willen zijn.
De VNG heeft namens de gemeenten medewerking toegezegd om bij wijze van tijdelijke
maatregel asielzoekers te huisvesten in door corporaties beschikbaar gestelde
woningen. Ik heb de indruk dat men bereid is tot goede samenwerking. Er is
geen sprake van dat een structureel aanbod van huisvesting van betekenende
omvang onbenut blijft. Hooguit zijn er enkele incidenten.</al>
        <al>De vraag naar extra reserve is goed te begrijpen. De heer De Boer gaat
er daarbij van uit dat daarvoor ook ruimte is. Voorzitter! Het grootste probleem
is om iedere week opnieuw de benodigde aanvullende capaciteit te generen om
mensen die in procedure zijn of geweest zijn op een goede manier te huisvesten.
De staatssecretaris en iedereen die daar medeverantwoordelijk voor is, hebben
hun handen hier meer dan vol aan. Met het oog op de capaciteit van de IND
was het onvermijdelijk dat er wachttijden werden ingevoerd, want anders zou
er geen zorgvuldige toets meer mogelijk zijn. Ten aanzien daarvan heb ik op
een gegeven moment de handen in de lucht gestoken met de mededeling 'wie het
weet, mag het zeggen'. Dat is later gezien als een soort algemene uiting van
machteloosheid. Die neiging heb ik over het algemeen niet. Gelet op de beperkingen
in de beoordeelcapaciteit houdt het een keer op. Gezien vanuit de opvang is
nu het eerste probleem om mensen die in procedure zijn of zijn geweest in
voldoende mate huisvesting te bieden.</al>
        <al>Daarnaast is er het probleem van de stagnerende uitstroom. Mevrouw Jaarsma
heeft daar aandacht voor gevraagd. De regering meent dat een actief terugkeerbeleid,
uiteraard met inachtneming van de daarbij benodigde zorgvuldigheid, essentieel
is voor de geloofwaardigheid van het totale vreemdelingenbeleid. Naast de
signaalwerking die daarvan uitgaat, wordt ook de opvang van asielzoekers daarmee
ontlast. Het effectueren van de terugkeer in een individuele zaak stuit in
de praktijk nogal eens op problemen. Het zou mooi zijn voor de totale opvangcapaciteit
als wij over een ruimere jas konden beschikken. Hoofdpunt op dit moment is
op welke wijze bereikt kan worden dat Nederland een minder bovenevenredig
aandeel in de Europese instroomcijfers heeft. Wij moeten ons niet op de borst
kloppen over de huidige situatie. De uitstroom moet in overeenstemming worden
gebracht met de feiten. Als men uitgeprocedeerd is en niet in een zeer bijzondere
situatie verkeert, is het afgelopen in Nederland.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Mevrouw</aanspr>
          <naam>Jaarsma</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Hoe wil de regering het stuwmeer wegwerken? Dit hangt als
een soort molensteen om onze nek en belemmert de vorming van nieuw beleid.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>De vraag die eerst beantwoord moet worden, is hoe wij daarmee om moeten
gaan. Sommigen kunnen niet terug naar het land van oorsprong. In het kader
van het landenbeleid en het terugkeerbeleid kan dit op enig moment worden
vastgesteld. Het algemene terugkeerbeleid en het terugkeerbeleid toegespitst
op een aantal concrete landen zullen de komende weken en maanden doorgenomen
worden. Op die wijze wordt getracht, enige lucht te krijgen, uiteraard steeds
met inachtneming van de zorgvuldigheid.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik heb begrip voor de opmerkingen over de lange procedures.
Is de versnelling van noodwetgeving een begaanbare weg?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>In verband met huisvesting?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Ja!</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat lijkt mij niet de aangewezen weg. Wij moeten ook rekening houden met
het draagvlak. Tot nu toe is de situatie zeer lastig. Het kost zeer veel moeite
om week in, week uit de capaciteit te realiseren. Een kenmerk van de huidige
situatie is echter ook dat een en ander in het best denkbare overleg gebeurt.
Je moet niet uitsluiten dat noodwetgeving die over de hoofden van verantwoordelijken
heengaat – in de trant van: U doet wel goed uw best, maar u moet volgend
jaar of over twee jaar x of y meer leveren – het proces van samenwerking
lelijk kan beïnvloeden.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik wil het nog een keer proberen, omdat ik me afvraag of we
tot de kwintessens zijn gekomen. De minister-president zegt dat hij het liefste
in Europees verband wil komen tot een zo beperkt mogelijk houden van de instroom
van asielzoekers. Ik kan me dat op zich voorstellen. Dat lijkt me een heel
gezond beleid. Maar beluister ik daarin dat hij om die reden de capaciteit
die je in Nederland wilt hebben, stelselmatig lager houdt dan de capaciteit
die je nodig hebt? Wordt het probleem dat geschetst wordt, uiteindelijk niet
veroorzaakt door het feit dat je een bepaalde aanname genomen hebt? Zeg dat
je uitgegaan bent van 30.000 mensen die binnenkomen en 'afgehandeld' moeten
worden. Nu worden het er veel meer. Dan zijn de rapen natuurlijk gaar. Je
hebt dan geen accommodatie en geen mankracht om die mensen op een goede manier
een behandelingsprocedure te laten doorlopen. De hele wagen loopt dan krakend
vast. Kun je niet beter zorgen dat je reserveruimte hebt, zodat je een snelle
en adequate oplossing kunt bieden, als zich zo'n piekbelasting voordoet? Je
bereikt daarmee ook dat procedures snel  verlopen en dat snel
duidelijkheid wordt verschaft. Je houdt dan ook het aantal mensen dat in allerlei
wachtsituaties zit en met wie niets gebeurt, zo laag mogelijk. Los je het
probleem op die manier niet beter op? Mijn conclusie is dat de minister-president
daar niet helemaal scherp op ingaat.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat is heel goed mogelijk. Laat ik met een paar opmerkingen proberen nog
een poging te doen. Om te beginnen is de capaciteitsproblematiek bij de opvang
maar ten dele een gevolg van instroomcijfers in de laatste maanden. De heer
de Boer zet heel scherp de schijnwerper op vragen als: Wat was de verwachting?
Hoe is het vervolgens gegaan? Wat is het verschil? Hij stelt dat dat een capaciteitsprobleem
geeft.</al>
        <al>Voorzitter! De heer De Boer heeft daar op zichzelf gelijk in. Maar ik
wil opnieuw zeggen dat de inschatting van de effecten van de maatregelen van
1997 door ons is gemaakt, zoals deze is gemaakt. Wij meenden in het voorjaar
dat wij op dat punt een reële veronderstelling maakten. De feiten achteraf
laten zien dat de ontwikkeling wat forser is geweest, geen 32.000 mensen maar
waarschijnlijk meer dan 40.000. Dat geeft een additioneel probleem in de opvang.
Dat probleem valt in twee componenten uiteen. Het geeft een verwerkingsprobleem
voordat er van opvang sprake is. De IND-capaciteit is daar een beslissende
factor, tenzij je minder zorgvuldig wilt beoordelen en mensen gewoon doorlaat,
maar dat geeft brokken. Verder is er een opvangproblematiek door grotere aantallen,
maar die problematiek wordt vele malen vergroot in omvang – anders dan
in 1993/1994 – door de stolling die is opgetreden rondom onvoldoende
terugkeer. Mijn excuses dat ik het zo formuleer. Het zijn allemaal mensen
en het gaat er niet om, daar op een onzorgvuldige manier mee om te gaan. Maar
een flink aantal van die mensen zijn echt uitgeprocedeerd. In de procedure
is gebleken dat zij geen recht hebben om hier te blijven. Ik zeg niet dat
we daar eens even de bezem door moeten halen en zorgen dat iedereen weer verdwijnt.
We zullen steeds op basis van zorgvuldigheid, UNHCR-aanbevelingen, ambtsberichten
en de beoordeling daarvan ons beleid moeten maken. Ik denk echter dat we een
belangrijke slag kunnen maken, een belangrijk voordeel kunnen boeken in het
verminderen van een deel van die lastige problematiek door het terugkeerbeleid
beter op orde te krijgen. Ik wil best, als wij straks weer een klein beetje
lucht krijgen, met de staatssecretaris en het hele kabinet praten over de
vraag hoe we überhaupt om moeten gaan met reserves, buffers. Ik wil dat
echter doen vanuit een situatie die weer enigszins is 'genormaliseerd'. Een
buffer nu is op zich een logische benadering. Het is alleen vragen om het
onmogelijke, tenzij we de zeer vergaande maatregel waar de heer Schuyer om
vroeg, zouden overwegen. Maar daar zijn ook wel een aantal bezwaren en bedenkingen
bij aan te geven. Het hoofdproject is nu hoe de capaciteit op peil te houden
en zodanig op peil te brengen dat de mensen die binnenkomen respectievelijk
zijn gebleven en niet terugkunnen, op een fatsoenlijke manier gehuisvest kunnen
worden. Op zich zou het werken met een zekere marge kunnen worden overwogen,
zij het dat daar dan alles bij moet worden betrokken. Welke rust geeft dat
in het beleid? Welke kosten moet je daar misschien structureel voor maken?
Je zult het ook ergens moeten financieren. Dat is een bijna bedrijfsmatige,
bedrijfseconomische, maar ook projectmatige afweging. Ik hoop dat ik hiermee
beter op de vraag van de heer De Boer heb gereageerd, want het was niet mijn
bedoeling, daaraan voorbij te gaan. Ik heb in andere tijden dit soort dieptepunten
ook meegemaakt, zoals in 1993/1994. Toen was de capaciteitsproblematiek echter
van een andere aard omdat er nog geen verleden was op het punt van de 'samengebalde'
voorraad mensen die ten dele eigenlijk weg moeten, maar (nog) niet weg kunnen.</al>
        <al>Voorzitter! Voorafgaand aan de beantwoording van de verschillende vragen
en opmerkingen in het blok ruimtelijke ordening, structuurversterking en milieu,
plaats ik het kabinetsbeleid graag in zijn algemene ruimtelijke context. Ik
vat die samen in de volgende zin: er is meer achter de grens. Europa is ons
voorland; Nederland is dankzij de mainports het voorland van Europa. Goede,
moderne verbindingen zijn de slagaders van onze werkgelegenheid en onze welvaart.
Veel van het kabinetsbeleid is tot dit besef te herleiden. Er komt een Betuweroute
om Rotterdam met het Ruhrgebied te verbinden. Er wordt een HSL aangelegd om
Schiphol te verbinden met Brussel, Parijs en Londen. Er komt binnenkort besluitvorming
over de toekomstige accommodatie van de groei in de luchtvaart, om ons land
blijvend een functie in een wereldomspannend netwerk te geven. Tegelijkertijd
en in samenhang daarmee zullen wij de houtskoolschets uitbrengen, de schets
voor de ruimtelijke economische structuur voor ons land als opmaat voor de
vijfde nota ruimtelijke ordening. De internationale dimensie speelt ook daarin
een belangrijke rol. De besluitvorming rondom het programma Infrastructuur
en transport wordt geleid door keuzes inzake een goede verbinding met het
achterland en het bereikbaar houden van onze mainport. In de vierde nota waterhuishouding,
die binnenkort verschijnt, zal vanzelfsprekend ook rekening worden gehouden
met de watertoevoer uit de ons omringende landen.</al>
        <al>De verbindingen met de rest van Europa moeten vanzelfsprekend wel goed
passen binnen de afwegingen in het eigen land. Een goed kabinetsbeleid betrekt
de andere kant van elke medaille ook in de beschouwingen. Overeenkomstig het
regeerakkoord wordt bij de extra investeringen bij het onderdeel bereikbaarheid
een minstens zo belangrijke plaats ingeruimd voor openbaar vervoer en andere
vormen van mobiliteit dan autoverkeer. Het is heus niet zo dat het kabinet
kan of wil kiezen voor onbelemmerde groei van het luchtverkeer ongeacht de
gevolgen voor mens en milieu. Ook blijkt naar onze mening uit de zeer zorgvuldige
wijze van voorbereiding dat het kabinet niet over één nacht
ijs gaat bij de locatiekeuze.</al>
        <al>Ik kan de heer Schuyer toezeggen dat wij beslist niet eenzijdig denken
vanuit het knelpunt Schiphol. Maar een eenmaal genomen besluit, zorgvuldig
voorbereid en parlementair getoetst, moet ook worden uitgevoerd. Ik zeg dat
nu reeds tegen degenen die de aanleg van de HSL tussen Rotterdam en Schiphol
of de aanleg van de Betuweroute na Kijfhoek tot in Duitsland willen heroverwegen.</al>
        <al>Uitstel van de Betuweroute ten oosten van Kijfhoek lijkt uit budgettair
oogpunt aantrekkelijk, want je hoeft dan geen geld voor dat deel uit te geven,
maar leidt tot kapitaalvernietiging bij de overheid  en het
bedrijfsleven en maakt alternatieve investeringen in het spoornet en wegennet
nodig. Het gevolg is bovendien dat het niet mogelijk is om de gezamenlijke
groei van het personen- en goederenvervoer per spoor te verwerken. Dat leidt
onvermijdelijk tot nog meer congestie op de weg en tot stijging van kosten
van het wegvervoer en het is in strijd met het modal-shiftbeleid. Ik vind
de Betuweroute niet alleen vanwege de capaciteit van belang. Minstens zo belangrijk
zijn ook de kwaliteitsverbetering en de verlaging van de vervoerskosten. Om
een modal shift te realiseren, met name in het continentaal vervoer, is die
verbetering nodig. Er is een brief over gestuurd op 6 november aan de Kamer.
In die notitie is door de minister van Verkeer en Waterstaat meer gedetailleerd
aangegeven waarom uitstel of zelfs afstel van de aanleg van de Betuweroute
ten oosten van Kijfhoek geen reële optie is. De wenselijkheid van Randstadspoor
is onbetwist. Daarvoor zijn dan ook de nodige voorzieningen getroffen. Uitstel
of afstel van de Betuwelijn heeft daarop geen invloed. Zowel Randstadspoor
als de Betuweroute is een nuttige investering. Het is in dit geval niet óf/óf,
maar én/én, en wel snel.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik herinner aan discussies in dit huis over de Betuwelijn.
De voorwaarde werd gesteld dat het duidelijk was dat de aansluiting naar Duitsland
zeker was, dat de financiering, inclusief het private deel, geregeld zou zijn
en dat over de noordtak ook een beslissing zou zijn genomen. Mijn fractie
blijft voortdurend in het ongewisse. Is er nu wel of niet een helder antwoord
op de vraag of aan die drie voorwaarden is voldaan?</al>
        <al>Daarnaast spreekt de minister over het openbaar vervoer. Ik heb begrepen
dat eraan wordt gedacht stoptreinen tijdelijk niet meer te gebruiken. Wellicht
kan hij in zijn betoog aangeven of hierover reeds een kabinetsstandpunt is
ingenomen en of reizigers die van stoptreinen gebruik willen maken, er rekening
mee moeten gaan houden dat zij of met de bus of met de auto zullen moeten
gaan.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Het laatste dat de heer Van Leeuwen naar voren brengt, is een treffende
illustratie van de grote nood. De minister van Verkeer en Waterstaat zal zeker
niet alleen vandaag in de Tweede Kamer, maar ook binnenkort, zodra haar die
mogelijkheid wordt geboden, in de Eerste Kamer hierover spreken. Ik neem aan
dat, zoals voor ons allemaal, ook voor haar geldt dat zonder enthousiasme
dit soort opmerkingen wordt gemaakt en die stap wellicht moet worden gezet.
Het geeft aan hoe groot de nood is. Die nood gaat niet vanzelf over. Die nood
wordt in de komende jaren groter, zelfs bij een wat trager tempo van economische
groei. Laten wij dat nu eens veronderstellen. Duitsland spreekt ons regelmatig
aan op de vraag of wij ook via de spoorverbinding en via het vervoer van goederen
over het spoor een bijdrage kunnen leveren aan het beperken van hun congestie.
Dan de private financiering. Laten wij in de boekhouding er nou maar eens
even van uitgaan dat het niet lukt, laten wij uitgaan van het worst case scenario.
Wij hebben overigens geen reden om te veronderstellen dat het niet lukt, maar
laten wij er even van uitgaan dat wij het volledig voor onze kap moeten nemen.
De onderhandelingen en de bespreking over de private financiering vinden nog
steeds in goed overleg plaats. Het laatste deel, de noordtak, moet er komen
zodra de financiële ruimte daarvoor is gecreëerd. Bij die noordtak
wordt niet afgehaakt; dat lijdt geen twijfel. Ik begrijp een aantal van de
commentaren en kritieken heel goed. Het ligt niet zwart wit. Wij gaan daar
niet kortzichtig mee om. Na alles wat in de afgelopen jaren hierover is besloten –
en ik weet hoe de lijn in de komende jaren op het punt van congestie en overbelasting
van de wegen, ook via de vrachtwagens, in Nederland en Duitsland zal verlopen –
zou ik echt de verantwoordelijkheid niet durven nemen om te zeggen: leg dat
nu maar eens een poosje opzij. Dat wordt later afgestraft als het niet doorzetten
van een investering die echt nodig is.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Het is natuurlijk het goed recht van de minister-president om, alles afwegend,
te zeggen dat een besluit wordt genomen en dat niet zal worden getwijfeld.
Hij heeft al gezegd dat je ook een andere keuze kunt maken gelet op het voortschrijdend
inzicht en alle bezwaren die worden geopperd. Er bestaat immers een groot
verschil van mening in deskundigenland over het antwoord op de vraag of de
Betuwelijn wel of niet zal helpen.</al>
        <al>Ik heb nog een vraag gesteld waarop geen antwoord is gekomen. Wat komt
er nu terecht van het noodzakelijke flankerend beleid? Ik denk dan aan het
aanpakken van het vrachtautoverkeer. Zonder dat flankerend beleid is het immers
de vraag of de Betuwelijn überhaupt een succes kan worden.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Hierover zijn een aantal uitgangspunten geformuleerd. Ik verwijs naar
het Europese witboek en naar het uiteraard met mate toe te passen instrument
van de prijsontwikkeling. Voor Nederland is het daarbij van groot belang hoe
de politieke positiebepaling in ons grotere buurland Duitsland is. Het regeringsakkoord
van bondskanselier Schröder met de Groenen heeft laten zien dat er wel
enige verhoging van de benzineaccijns zal zijn, maar dat die veel beperkter
is dan in het programma van de Groenen was opgenomen. Men heeft daar dus een
belangrijke veer moeten laten. Dat flankerend beleid is en blijft dus van
groot belang. De mogelijkheden die ons daarvoor ten dienste staan, zullen
wij ontwikkelen en gebruiken. Verder laat ik het, voor wat de Betuweroute
betreft, bij wat ik heb gezegd.</al>
        <al>De Zuiderzeelijn is aan de orde gesteld door de heer Van Leeuwen. De Zuiderzeelijn
wordt in uitvoering genomen zodra de financiering ervan is geregeld. Over
de financiering wordt besloten op het moment dat een tracébesluit wordt
genomen. Om de uitvoering zo mogelijk voor 2010 te kunnen starten, wordt in
elk geval de planvorming volop bespoedigd. Wij zijn voornemens nog in deze
regeerperiode besluiten te nemen. Ik verwijs naar de brief van 23 oktober
van de ministers van EZ, VROM en V en W aan de Kamer waarin verslag wordt
gedaan van de invulling van de voor de komende periode ter beschikking staande
gelden. Ik kom straks in verband met de regiocontacten en de bestuurlijke
afspraken daar nog even over te spreken.</al>
        <al>Een andere spoorlijn die ook nog aan de orde kwam, was de HSL. De heer
Van Leeuwen bepleitte de HSL niet aan te leggen tussen Schiphol en Rotterdam
en in plaats daarvan in  te zetten op goedkopere alternatieven.
Ik wil daar een paar opmerkingen over maken.</al>
        <al>Gelet op de recente discussies over de congestie op Schiphol is het echt
van groot belang dat de HSL snel wordt gerealiseerd, waardoor de eerste stap
gezet kan worden naar de broodnodige substitutie van vliegtuigpassagiers naar
treinreizigers. Dat kan het beste als er ook een trein is. Bovendien biedt
de aanleg van de HSL-zuid tussen Amsterdam en Rotterdam een aantrekkelijk
alternatief voor woon-werkverkeer tussen die steden. De omvang van de private
financiering van de HSL-zuid is vooral afhankelijk van de vervoersopbrengsten
die worden gegenereerd op dat tracédeel Amsterdam-Rotterdam. Die zijn
niet te verwaarlozen.</al>
        <al>Het verdrag met België geeft niet alleen een resultaatsverplichting
voor het tracédeel van de grens tot en met Rotterdam, maar ook een
inspanningsverplichting ten aanzien van de bouw van het deel tussen Amsterdam
en Rotterdam. Wij zijn hierover met België uitgebreid in gesprek geweest,
eigenlijk al vanaf de start van het vorige kabinet, om ervoor te zorgen dat
de zaak werd losgetrokken. Er waren namelijk ook nogal wat blokkades aan Belgische
zijde.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik zou hier graag een opmerking over willen maken. De strijd
om de HSL bij Rotterdam te laten stoppen, heb ik in mijn partij verloren.
Ik kan daar op zichzelf dus wel een opmerking over maken. Kan de redenering
van de minister-president ook staande blijven als wij kiezen voor een eiland
in zee?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat eiland ligt er nog niet.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Dat is duidelijk. Laat ik dan Flevoland zeggen. De HSL ligt er ook nog
niet. Dat duurt ook nog wel enige tijd. Wij hebben het dus over een vrij lange
periode. Met andere woorden: zodra je meer dan een locatie bestemt voor het
vliegen – en daar ziet het toch naar uit, waar die dan ook komt –
is de discussie of iedereen met de HSL naar Schiphol komt zeer twijfelachtig.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Ik zal straks een paar opmerkingen maken over Schiphol en de toekomst
van de luchtvaart. Het is de bedoeling, als wij over termijnen praten, dat
de bouw van het deel tussen Amsterdam en Rotterdam gereed moet zijn per december
2005. Zo ver weg ligt dat gelukkig niet. Het is ook echt urgent, dat het gebeurt.
Het hele project van de HSL zou ik niet op zijn kop willen zetten vanwege
bespiegelingen over de luchtvaart. Ik kom daar nu over te praten.</al>
        <al>Er zijn diverse vragen over gesteld, natuurlijk ook naar aanleiding van
het gesprek dat afgelopen maandag heeft plaatsgevonden. Daar was enige belangstelling
voor. Ook in deze Kamer bleek dat gisteren. Het kabinet is voornemens nog
dit jaar tot een standpuntbepaling te komen hoe met een eventuele aanvullende
locatie voor Schiphol om te gaan. Er is sprake van de afweging van grote belangen.
Dat geldt zowel voor de economie als voor het milieu. Vanzelfsprekend moet
zo'n besluit weloverwogen worden genomen en voorbereid.</al>
        <al>Men zal misschien zeggen: maar daar hebt u al even over kunnen nadenken.
Dat is inderdaad waar. Er is een basis, namelijk de integrale beleidsvisie
die aan het einde van de vorige periode is afgerond. Daarnaast zijn in het
regeerakkoord de kaders voor vervolgafspraken neergelegd. Er zijn verschillende
deelonderzoeken geweest vanuit de TNLI-projectgroep die de voors en tegens
van bepaalde locaties en de daaraan verbonden aspecten tegen het licht heeft
gehouden.</al>
        <al>Zo geleidelijk aan ligt er heel veel materiaal klaar dat ons in de positie
brengt dat wij langzamerhand tot oordeelsvorming kunnen komen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Het optimisme van de minister-president is fantastisch, maar
wij hebben allemaal gelezen over het beraad in het Catshuis. Ik heb hem gevraagd
hoe lang die discussies nog zullen voortduren. Mijn vraag nadat ik de reacties
heb gehoord en heb begrepen dat twee ministers met een zeer verschillende
interpretatie uit dat overleg zijn gekomen, is hoelang wij die discussies
nog houden. Die leiden tot grote verwarring.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Ik was bezig met een aanloop die misschien voor deze chambre de réflexion
ietsje te langdurig was om bij het kernpunt te komen. Ik wilde dus zeggen
dat wij nu bezig zijn om in het verlengde van het regeerakkoord en de IBV
en op basis van deelmateriaal dat door de projectgroep beschikbaar is gesteld,
tot een oordeelsvorming te komen vóór het einde van het jaar.
In zo'n proces op weg naar het einde van het jaar stel je als voorzitter van
de ministerraad samen met de eerstverantwoordelijke collega's ook wel eens
de vraag: hebben we nu alles in voldoende mate beschikbaar? Want we kunnen
ook niet blijven praten. Dat is ook precies wat de heer Van Leeuwen zegt,
voorzitter. Om te voorkomen dat wij straks onvoldoende voorbereid zijn, moeten
we even een tussenronde hebben. De Catshuis-sessie was zo'n tussenronde, geen
besluitvormende bijeenkomst, maar wel een moment om te bekijken waar we precies
staan in het proces. We hebben dus wel de mogelijkheden verkend om er op weg
naar de besluitvorming rekening mee te houden. We hebben ook nagegaan welke
afspraken misschien toch nog nodig zijn over kwesties en vragen die op weg
naar die besluitvorming nog een iets beter antwoord vergen. De minister van
Verkeer en Waterstaat heeft de belangrijkste elementen na afloop kort weergegeven.
Dat heeft zij correct gedaan. De minister van VROM heeft desgevraagd gezegd
dat er die avond nog niets is besloten. Dat was ook correct. Zij hebben dus
allebei correct gesproken. Ik zal nu misschien nog iets meer zeggen over wat
zo'n beetje de contouren zijn van wat zich begint te ontwikkelen.</al>
        <al>Er kon ook niets worden besloten, omdat het geen kabinetsvergadering was.
Kabinetsvergaderingen houden we een keer per week in de Treveszaal met een
goede voorbereiding – niet dat het daaraan hier mankeerde – en
met formele conclusies en besluitenlijsten. Dit was informeel bewindsliedenberaad,
maar op een belangrijk moment met een brede participatie en als voorloper
op een volgende stap over een aantal weken die een heel belangrijke is.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Het klinkt allemaal prachtig, met een hoop pais en vree. Daar heb ik ook
geen twijfel aan, maar op het moment dat je vanuit zo'n 'met de voeten op
tafel'-overleg mededelingen doet als 'wij denken sterk in de richting van
600.000 vlucht bewegingen en 80 miljoen passagiers', dan staat
natuurlijk het hele betrokken land op stelten. Dat zal u niet ontgaan zijn.
Er komen wel heel cruciale vragen aan de orde, zoals: hoe verhouden zich deze
aantallen en omvang met milieuplafonds, waarover heel duidelijke uitspraken
staan in verkiezingsprogramma's van op zijn minst de bij deze beslissing betrokken
partijen, en hoe gaat het verder het circuit in? Als je met de voeten op tafel
praat, houd het dan binnenskamers tot je uitgepraat bent, want nu is er een
bak met onduidelijkheid en onrust ontstaan en nu buitelt van alles over elkaar
heen. En dan is uw mededeling: we hebben nog niets besloten.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Het is heel duidelijk wat u zegt, maar dat is ook een aansporing om nu
nog iets meer te zeggen. Ik zal proberen aan te geven waarnaar de gedachten
zo ongeveer uitgaan. U zegt: als je met de benen op tafel praat, houd het
dan voor je. Maar u weet dat een beraad van bewindslieden over zo'n belangrijk
onderwerp natuurlijk niet geheim blijft. We hebben het absoluut niet zelf
bekend gemaakt, maar zoiets raakt bekend. Het zou weer als een heel ouderwetse
vorm van intransparante achterkamertjespolitiek worden gezien, als wij er
niet een paar mededelingen over deden. Alleen, de vragen die daarna zijn gerezen,
vergen natuurlijk enige nadere toelichting. Ik zal die nu proberen te geven.</al>
        <al>Laat mij vooropstellen, dat er geen sprake van is dat de gedachtewisseling
die zich thans volstrekt, gaat in de richting van een soort ongeconditioneerde
groei van de luchtvaart, zonder dat randvoorwaarden in het kader van milieu,
veiligheid en gezondheid centraal staan. We hebben natuurlijk goed kennisgenomen
van inzichten die zich geleidelijk aan ontwikkeld hebben, niet alleen in de
luchtvaartsector zelf, maar ook bij de bureaus, niet alleen het Centraal Planbureau,
maar ook andersoortige bureaus als het RIVM, en voorts bij deskundigen elders.
Het gaat daarbij om de mogelijkheden die binnen de meetbare en objectieve
milieu-, gezondheids- en veiligheidsrandvoorwaarden op weg naar het einde
van het eerste decennium van de nieuwe eeuw bestaan, om een beter gebruik
van Schiphol te maken. We praten dan dus over het Schiphol op weg naar de
vijfde baan en straks met de vijfde baan. Die vijfde baan moet er uiteraard
snel komen.</al>
        <al>Het is hinderlijk, voorzitter, dat wij een tijd lang over deze zaken hebben
gesproken in termen van aantallen passagiers; ik denk hierbij aan de PKB.
Voor het kabinet is de vraag gerezen of dit wel een goed uitgangspunt blijft.
Onze voorlopige indruk is dat dit niet het goede uitgangspunt is. Immers,
aan de hand van aantallen passagiers kan geen antwoord worden gegeven op de
vraag of al dan niet wordt gebleven binnen de grenzen van milieu-, veiligheids-
en gezondheidsnormen. Vanaf nu spreek ik nog slechts over de milieunormen;
ik verzoek de Kamer om daarbij ook steeds de andere normen te betrekken. Anders
worden al mijn zinnen zo lang.</al>
        <al>Voorzitter! Men kan zich ook afvragen of met aantallen vliegbewegingen
het antwoord op alles wordt gegeven. Immers, ook die aantallen zeggen nog
niet alles over de inpasbaarheid binnen de milieunormen. Deze aantallen zeggen
méér dan de passagiersaantallen maar nog niet alles. Door wie
worden die vliegbewegingen uitgevoerd? Welke technologie wordt daarbij gebruikt?
Gaat het wel of niet om relatief schone machines? Kortom, haalt de luchtvaartsector,
halen de gebruikers, haalt de overheid op grond van eigen verantwoordelijkheden
alles uit de kast om tot een optimalisering van de benutting van het huidige
Schiphol, inclusief de vijfde baan, te komen zonder daarbij door kritische
grenzen heen te gaan? Voorzitter! De gedachtevorming die zich in het kabinet
ontwikkelt op weg naar de meer formele meningsvorming in de loop van december –
er is nu nog geen besluit genomen – gaat in de richting van de poging,
een optimaal gebruik te maken van Schiphol binnen een integraal stelsel van
milieunormen, mede gerelateerd aan datgene wat daarover in het regeerakkoord
is gesteld. Invullingen van aantallen, zeker van passagiersaantallen, zijn
daaraan ondergeschikt; het zijn de randvoorwaarden die cruciaal zijn.</al>
        <al>Dit alles vergt natuurlijk een nadere uitwerking, ook met de sector. Het
komt mij voor dat de ervaringen die in de afgelopen periode zijn opgedaan,
ons dwingen om de vraag te beantwoorden of er niet een zeer precieze set van
afspraken met de sector moet komen over de wijze waarop men denkt, de genoemde
optimalisering vorm te geven. Naar mijn mening is het antwoord op die vraag:
ja. Wij hebben er allemaal belang bij dat die optimalisering mogelijk wordt
gemaakt, maar wij hebben er óók belang bij dat wij nog gedurende
een zekere periode met dat Schiphol, inclusief vijfde baan, door kunnen gaan
zonder door de gestelde grenzen heen te gaan. Ik zeg het wat huiselijk, maar
ruwweg zou dit een doorgroei naar een orde van grootte van 600.000 vliegbewegingen
kunnen inhouden. Ik hoop dat er sprake zou kunnen zijn van méér
vliegbewegingen omdat daarmee zou blijken dat wij met elkaar op een nog meer
verantwoorde wijze invulling zouden kunnen geven aan de uitvoering van het
beleid, binnen normen die niet worden opgerekt.</al>
        <al>Vervolgens rijst de vraag wat er na 2010 moet gebeuren. In 2002 of 2003
ligt die vijfde baan er, waarmee invulling wordt gegeven aan de beoogde optimale
vormgeving. Wat moet er daarna gebeuren? Voorzitter! Tegen die achtergrond
ga ik even in op het overleg over de vormgeving van de fase die ik zojuist
heb besproken. Wij willen heel graag daarbij alle betrokken organisaties en
partijen betrekken. Ik wil best zeggen dat ik kan begrijpen dat bepaalde groeperingen,
milieuorganisaties, zo geschrokken zijn van het gevolgde tempo en de gekozen
aanpak, dat men tot de conclusie komt: kennelijk zijn wij hierbij niet meer
nodig. Wij kunnen natuurlijk absoluut niet de garantie geven dat men in dat
soort overleggen ook altijd zijn zin krijgt, maar wel is de inbreng van organisaties
nog hard nodig in dit stadium. Als de afgelopen dag de indruk mocht zijn ontstaan
dat het hier gaat om besluitvorming over ons en zonder ons, dan wil ik hier
wel duidelijk maken dat wij zeer gemotiveerd zijn om samen met álle
betrokkenen te overleggen, ervan uitgaande dat wij er allemaal belang bij
hebben om de randvoorwaarden op het gebied van het milieu veilig te stellen
en daaraan vervolgens een invulling te geven die de belangen van economie
en ecologie zo goed mogelijk bij elkaar houdt.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Er is gezegd dat twee bewindslieden beiden een correct antwoord hebben
 gegeven op de vraag wat maandagavond in het Catshuis is besproken.
Dat accepteer ik, al ben ik het met collega De Boer eens dat het wellicht
beter ware geweest om niets te melden over de inhoud van die gesprekken. Er
is aangegeven dat er op 18 december een besluit zal zijn. Zullen wij op 18
december – van dit jaar! – ook inderdaad die beslissing vernemen?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Het kabinet neemt op 18 december besluiten. De minister van VROM heeft
terecht aangegeven dat er nog niets is besloten. Daar heeft hij gelijk in.
De minister van Verkeer en Waterstaat heeft overigens niet gezegd dat er al
wel iets besloten zou zijn. Er wordt alleen richting gegeven in een proces.
Zeggen hoe je vorm geeft aan de optimalisering van Schiphol is één,
maar hoe je de langere termijn invult, is nog iets anders. Dat is met elkaar
verbonden. Ik acht het ondenkbaar dat wij ons in slaap sussen met de gedachte
dat wij een weg hebben gevonden om de zaak tot 2008 of 2010 op te lossen,
zonder in te gaan op de periode daarna. Ook die periode moet in de beschouwingen
worden betrokken.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Op 18 december wordt een beslissing genomen over datgene waar nu over
is gesproken, maar wordt dan ook al een beslissing genomen over de planning
op de lange termijn?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Op 18 december zal een route naar de toekomst worden aangegeven. In alle
onoverzichtelijkheid begint de zaak zo langzamerhand toch redelijk overzichtelijk
te worden. Als wij uitgaan van optimale benutting van Schiphol mét
een vijfde baan, waarbij het milieunormenstelsel bepalend is en niet het aantal
passagiers, maar waarbij de verwachting is dat kan worden gegaan tot een orde
van grootte van 600.000 – RIVM en CPB hebben ons dat voorgerekend –
moeten wij nu reeds voorbereidingen treffen voor de periode daarna. Voor die
periode is er sprake van een tweetal hoofdopties. Als u mij vraagt of op 18
december al tussen die opties wordt gekozen, dan antwoord ik u dat ik dat
erg onwaarschijnlijk acht. Beide opties moeten op een aantal heel belangrijke
criteria worden beoordeeld. Eén optie is het 'redesignen', het opnieuw
ontwerpen van Schiphol. Dan gaat het om herconfiguratie van het banenstelsel,
ná de aanleg van de vijfde baan. Volgens sommigen zou dat op de echt
lange termijn extra mogelijkheden bieden. Dat vraagt natuurlijk wel om een
heel kritische en zorgvuldige toets op een aantal punten. Voor een deel is
daar al iets aan gedaan, maar het is nog onvoldoende. Dan gaat het onder andere
om zaken als de financiering en de rentabiliteit. Ook is het de vraag of het
eigenlijk wel kán. Dat geldt bij het 'redesignen' van Schiphol natuurlijk
wel heel in het bijzonder. Het is een bedrijf, er wordt gevlogen, gestart
en geland, dus kun je wel doorgaan met verkopen tijdens de verbouwing? En
dan gaat het niet om een dag of een week, maar om de vraag of het structureel
allemaal wel denkbaar is. En wat betekent het eventueel nog ruimere gebruik
van Schiphol voor de aan- en afvoer van passagiers? Dat stelt zeer hoge eisen
aan de logistiek, aan de infrastructuur. De milieurandvoorwaarden van allerlei
aard zijn dan natuurlijk opnieuw in sterke mate in het geding; daar moet een
hele set van criteria op losgelaten worden.</al>
        <al>In de marge van die variant is ook nog de vraag aan de orde, hoe er meer
definitief met andere locaties wordt omgegaan, die dan waarschijnlijk voor
enige aanvullende capaciteit zouden kunnen zorgen. Daarbij is geleidelijk
aan alleen Flevoland nog in discussie; de Maasvlakte is in het regeerakkoord
al gewogen en min of meer terzijde gelegd. Een heel andere optie is die van
een eiland in zee; de sector heeft hier zelfs een zekere voorkeur voor. Ook
deze optie vraagt zeer grondige studies op het gebied van veiligheid, milieu,
ecologie en alles wat daaraan verbonden is, en de financiering. En daarbij
gaat het niet alleen om de kosten, maar ook om de vraag hoe die worden opgebracht,
welke verdeling daarbij kan worden gemaakt. De luchtvaartsector is wel erg
genereus, ook bij het bedenken van zijn eigen voordelen en het betrekken van
de overheid, dus de belastingbetaler, bij de financiering. Ook de bedrijfseconomische
en financiële kant is dus van belang. En ook deze optie brengt vergaande
eisen op het punt van de infrastructurele verbindingen met zich mee. Hoe zou
men over dat eiland in zee denken? Is dat een zelfstandige unit die vrijwel
alle bestaande functies van Schiphol overneemt of zou je nog aan een zekere
verdeling kunnen denken?</al>
        <al>Voorzitter! De waarde van de beraadslagingen die wij ook in de afgelopen
dagen in de overleg van bewindslieden hebben kunnen voeren, is dat het 'afpellen'
van opties en het formuleren van randvoorwaarden, het denken over onze agenda
na 18 december meer scherpte, meer profiel heeft gekregen. Wij zijn via de
vijfde baan eigenlijk dichter bij mogelijke overeenstemming over de lange
termijn gekomen, dus over de periode na 2010. Wij zijn nog niet dicht bij
een besluit op dit punt, maar wel bij het precies in kaart brengen van de
dingen die wij moeten afvinken. Welke tijd kunnen wij nemen om daar vorm aan
te geven, gelet op de procesgang, de PKB en de wet voor bijzondere projecten?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Dit verduidelijkt de zaak. Ik heb nog twee exacte vragen.</al>
        <al>Is de opvatting van minister Zalm dat er geen cent overheidsgeld in dit
project mag worden geïnvesteerd, een standpunt van het kabinet? Sterker
nog, hij vindt zelfs dat de gemeenschap aan deze investering moet verdienen,
omdat ze allerlei uitstralingseffecten heeft op de randvoorwaarden die gefinancierd
zouden moeten worden.</al>
        <al>En dan graag nog een glashelder antwoord op de volgende vraag. In het
verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid staat: 'Groei moet dus mogelijk
zijn binnen de milieuplafonds, zoals die zijn vastgelegd voor geluidshinder,
luchtvervuiling en veiligheid.' Als de minister-president zegt dat de regering
eigenlijk bezig is, te bekijken of zij niet slimmer kan opereren binnen de
plafonds, heeft hij het dan over deze plafonds? Wordt er in deze discussie
dus niet getornd aan de plafonds op deze beleidsterreinen? Blijft de discussie
binnen deze al vastgelegde randvoorwaarden?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Het gaat om de plafonds uit het regeerakkoord, en die zijn afgeleid uit
het overleg tussen de drie deelnemende partijen. Maar ik ben een beetje in
verwarring door het gebruik van het woord plafonds, want 44 miljoen reizigers
is in de huidige PKB ook een plafond.  Wij willen dat plafond
niet handhaven.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Ik neem aan dat u glashelder voor ogen heeft, welke plafonds er in het
verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid staan.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dit is geen partijcongres, dit is een bijeenkomst van de Eerste Kamer
met het kabinet.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Dat begrijp ik, maar op basis van die opvatting van de verschillende partijen
zijn er afspraken in het regeerakkoord gemaakt. Ik neem aan dat er op deze
gebieden plafonds zijn vastgelegd en ik vraag u nu of het nagaan hoe de zaak
slimmer aangepakt zou kunnen worden, niet betekent dat die plafonds opnieuw
ter discussie worden gesteld.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat klopt. Het RIVM heeft met zijn berekeningen laten zien dat wij met
inachtneming van de vastgelegde plafonds een heel eind in de richting van
die 600.000 kunnen komen. Ik wijs erop dat de plafonds in het regeerakkoord
zijn herbevestigd. Wel maak ik nadrukkelijk onderscheid tussen de kwalitatieve
en meetbare milieunorm en het aantal passagiers. Dat laatste is een plafond
van het verleden. Het plafond van de toekomst zal een kwaliteitsplafond zijn.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Bierman</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! De vorige minister-president heeft gezegd dat wij alleen in
1997 zouden gedogen dat de plafonds worden doorbroken. In 1998 zouden de plafonds
zeker niet worden doorbroken. Als ik in het kabinet zat en met mijn benen
op tafel over de toekomst ging praten, zou ik mij er eerst van overtuigen
of wij de plafonds niet verkeerd zouden hebben gesteld. Wij zouden eerst onze
geloofwaardigheid als wetgever moeten herstellen door ons aan onze eigen normeringen
te houden. Er is geen sprake van een theoretisch bezien van de toekomst. Het
gaat om het niet vasthouden aan de gehanteerde normen. Ook dit jaar moet weer
worden gedoogd. Nogmaals, wij moeten eerst kijken of wij wel de juiste metingen
verrichten, of wij niet eerder terug moeten. Moeten wij om de wet te handhaven
niet naar veel minder vliegbewe- gingen toe? Dan kunnen wij later altijd nog
praten over nieuwe luchthavens, nieuwe banenconfiguraties en dergelijke. Kortom,
je hoeft geen milieuorganisatie te zijn om te vinden dat het kabinet niet
zo'n daverende reputatie heeft opgebouwd in het vasthouden aan normen en dat
niet op de juiste wijze verder wordt gepraat.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Ik heb in mijn betoog ook niet gezegd dat je daarvoor een milieuorganisatie
moet zijn. Ik heb het beleid uitgelegd en gewezen op de zich ontwikkelende
gedachten op weg naar een afronding volgende maand. In reactie op de interventie
van de heer Bierman maak ik onderscheid tussen het wel of niet doorbreken
van plafonds en de gedoogproblematiek die met de gegeven aanwijzing verband
houdt. Dat zijn twee te onderscheiden kwesties.</al>
        <al>Voorzitter! Ik maak een enkele opmerking over het Meerjarenprogramma infrastructuur
en transport. Daarin is door het kabinet inzichtelijk gemaakt wat tot 2010
kan worden uitgevoerd bij de huidige financiële randvoorwaarden en inzichten.
Er is sprake van een enorm investeringsvolume van 67 mld. Tegelijk is helder
geworden welke projecten in de periode tot en met 2010 niet uitgevoerd kunnen
worden. Wij zijn ons ervan bewust dat prioriteren pijn doet en dat de daarmee
gepaard gaande temporisering van projecten ook op gespannen voet kan staan
met in regio's bestaande verwachtingen. Vanuit verschillende regio's zijn
in meerdere perspublicaties mededelingen gedaan waaruit blijkt dat er veel
creatieve ideeën leven om de aanleg van meer infrastructuur te bekostigen.
Daarom wordt in deze weken zeer intensief overleg gevoerd met de provincies
om te kijken hoe tot een optimalisatie van de regionale programma's kan worden
gekomen. Daarbij kunnen ook vormen van regionale cofinanciering, publiek-private
financieringsconstructies en eventuele uitruil van projecten onderwerp van
gesprek vormen. De bedoeling is dat de minister van Verkeer en Waterstaat
vóór de behandeling van het MIT de uitkomsten van dit overleg
aan de Kamer voorlegt, zodat ook deze door haar kunnen worden beoordeeld.
Dan zal er ook meer duidelijkheid zijn over de zeer specifieke projecten waarvoor
hier aandacht is gevraagd.</al>
        <al>Wij hechten niet alleen aan een juridisch nakomen van zaken waarop wij
kunnen worden aangesproken, maar ook aan bestuurlijke betrouwbaarheid. Bestuurlijke
betrouwbaarheid betekent niet dat je geld kunt drukken als het er niet meer
is, maar het betekent wel dat je in redelijkheid in overleg probeert te bezien
of eerder gecreëerde verwachtingen, eerder uitgezette lijnen in de nieuw
ontstane omstandigheden kunnen worden gehonoreerd. Dat vraagt passen en meten
en afwegingen, maar dat is de inzet van het kabinet.</al>
        <al>De heer Ginjaar vroeg naar de relatie tussen de ruimtelijke inrichting
en het verkeers- en vervoersbeleid. Het is logisch dat de toekomstige structuur
sterk wordt bepaald door wat er nu al ligt. En wij moeten ons ook richten
op een betere benutting van de bestaande infrastructuur. De inpassing van
de uitbreiding van de bestaande structuur is doorgaans minder kostbaar dan
de inpassing van nieuwe structuur. In die zin is Nederland al gedeeltelijk
af. Tegelijkertijd kijken wij naar wat er nodig is. Ik denk dan ook aan de
uitdagingen op het punt van de waterhuishouding.</al>
        <al>Het in eerdere beleidsnota's vastgelegde beleid heeft consequenties voor
de ruimtelijke inrichting van ons land op de lange termijn. Dat betekent in
dynamisch, economisch, technologisch en sociaal opzicht dat daar nieuwe consequenties
uit voortvloeien, vooral in gebieden waar deze dynamiek het sterkst is, zoals
in de grootstedelijke gebieden van de Randstad, maar ook in Gelderland en
Noord-Brabant. Hier zijn nieuwe ruimtelijke concepten nodig. Eén daarvan
is de zogenaamde netwerkstad, een complex van stedelijke centra op basis van
samenhangend openbaar vervoer. Een ander concept is dat van de ruimtelijke
corridors die een gebundelde verstedelijking kunnen geleiden. Dankzij die
corridors kunnen de kwaliteiten van de omringende en tussenliggende gebieden
beter worden behouden en versterkt.</al>
        <al>Ik zou hier natuurlijk meer over kunnen uitwijden, maar ik zie daarvan
af. Het duurt namelijk nog maar enkele weken, voordat het kabinet komt met
de schets, waarin dit alles samenhangend en consistent wordt neergezet. </al>
        <al>Omdat ik zojuist al sprak over de economische vitaliteit van het platteland,
lijkt mij dit een geschikte gelegenheid om stil te staan bij de niet gemakkelijke
situatie van de varkenshouders. De heer Van Leeuwen vraagt of de huidige malaise
in de varkenssector niet een uitgelezen gelegenheid voor de regering is om
varkensrechten op te kopen. De varkenshouderij gaat momenteel door een diep
dal. Dat wordt veroorzaakt door een sterke varkenscyclus en in veel mindere
mate door de herstructurering. Dit legt wel een extra druk op de herstructurering.
In dat licht heeft de minister van LNV afgelopen dinsdag een brief aan de
Kamer gestuurd met een pakket flankerende maatregelen, uiteenvallend in sociaal
beleid voor de wijkers en stimulerend beleid voor de blijvers. Dat pakket
moet opnieuw dynamiek in de sector brengen. Dit is met name van belang teneinde
de tweede generieke korting, zoals die is vastgelegd in de wet, zo beperkt
mogelijk te doen zijn. Die tweede generieke korting kan langs twee wegen worden
beperkt, namelijk door het van overheidswege afromen van de zogenaamde varkensrechten
op het moment dat ze worden verhandeld en het opkopen van varkensrechten door
de overheid. In antwoord op de concrete vraag van de fractievoorzitter van
het CDA merk ik op dat de minister van LNV een permanent loket inricht waar
varkensrechten tegen de dan geldende marktprijs kunnen worden aangeboden aan
de overheid, zodat de opbrengsten van varkensrechten te allen tijde zijn verzekerd.</al>
        <al>Dan kom ik op een aantal opmerkingen over het onderwerp kennis, onderwijs
en cultuur. Investeren in de toekomst vraagt bij uitstek op deze terreinen
een krachtige beleidsinzet. De extra financiële middelen die in het regeerakkoord
zijn vrijgemaakt, schragen die inzet. Ik heb daar gisteren brede steun voor
geproefd, naast de zorgen die er ook zijn op onderdelen van het beleid. Door
enkele fractievoorzitters, de heren Ginjaar, Schuyer en Van Leeuwen, zijn
zorgen geuit over de kwaliteit van het basisonderwijs, mede in relatie tot
de klassenverkleining en de positie van de leraren. Dit kabinet investeert
stevig in zowel het basisonderwijs als de leraren en de opleidingen van de
leraren. De klassen in de eerste vier leerjaren van de basisschool worden
aanzienlijk kleiner. Er zijn diverse maatregelen aangekondigd om het lerarenberoep
aantrekkelijker te maken. Er wordt een krachtige impuls gegeven aan de lerarenopleidingen.
Met die maatregelen moet een belangrijke kwaliteitsverbetering worden gerealiseerd.
Dat is gisteren ook benadrukt in de Kamer. De aanpak die het kabinet voorstaat
om de personeelsvoorziening in het basisonderwijs de komende jaren sluitend
te houden, is verwoord in de brief Arbeidsmarktbeleid onderwijs, die begin
deze maand door de minister van OCW naar de Tweede Kamer is gestuurd, alsook
in de voortgangsrapportage groepsgrootte in het basisonderwijs, die staatssecretaris
Adelmund een maand eerder aan de Kamer toezond. Verder heeft de staatssecretaris
onlangs een intentieverklaring ondertekend met de werkgevers en werknemers
in het primair onderwijs, gericht op het bestrijden van het personeelstekort.
In de brief van de minister is onder meer ingegaan op de structurele verbetering
van de wervingskracht en de beeldvorming rond het leraarschap en de rol die
ICT daarbij kan spelen. De heren Ginjaar en Van Leeuwen vroegen hoe het staat
met de plannen omtrent ICT. Zoals de minister van OCW in september aan het
parlement heeft gemeld, wordt momenteel gewerkt aan een nadere bezinning op
het ICT-plan Investeren in voorsprong van het vorige kabinet. Dat is nodig
om de voornemens in overeenstemming te brengen met de in het regeerakkoord
voorziene financiële middelen. Dat vergt uiteraard een zorgvuldig traject,
waarvan de uitkomst uiterlijk begin volgend jaar bij de Kamer zal komen. De
regering is van mening dat met de in het regeerakkoord uitgetrokken middelen,
een majeure investering van ICT in het onderwijs kan worden gepleegd.</al>
        <al>In haar bijdrage van gisteren heeft mevrouw Jaarsma de aandacht gevraagd
voor wat zij noemde de bijeffecten van deregulering, autonomievergroting en
schaalvergroting in het onderwijs. Die ontwikkelingen hebben het onderwijs
gemoderniseerd, maar de vraag is of zij geen afbreuk doen aan de sturingsmogelijkheden
van de overheid. Kan de overheid haar verantwoordelijkheid voor het onderwijs
nog wel voldoende waar maken? Ik hecht eraan te zeggen dat artikel 23 niet
in de weg staat van een minder door regels belast onderwijsstelsel met gedecentraliseerde
bevoegdheden. Aan de andere kant kan dit de overheid natuurlijk nooit ontslaan
van toetsing en bewaking van kwaliteit. De noodzaak hiertoe zal zelfs toenemen
naarmate minder regels worden gesteld en de vrijheid van de onderwijsinstellingen
groter wordt. Zo is het ook in het regeerakkoord verwoord. Publieke verantwoording
is temeer van belang nu er veel extra geld in het onderwijs wordt geïnvesteerd.
Zij zal dus worden versterkt, evenals de rol van de inspectie. Daarnaast stelt
de overheid randvoorwaarden. Wat betreft het voorbeeld van de bereikbaarheid
ziet de overheid er bijvoorbeeld op toe dat bij de vorming van ROC's er sprake
is van een landelijk dekkende spreiding. Toegankelijkheid wordt onder meer
bevorderd door de komst van assistentopleidingen. Voor leerlingen die moeite
hebben met een beroepsopleiding op hoger niveau, ontstaan zo betere kansen
op weg naar de arbeidsmarkt.</al>
        <al>Mevrouw Jaarsma sprak nog over de assistentopleidingen in het kader van
verpleging en verzorging. Hier is de situatie dat de overheid en de instellingen
het belang wel zien, maar de zorgsector, de werkgevers, tot op heden onvoldoende.
Komen er uit de sector zelf geen signalen in de vorm van eindtermen voor een
dergelijke assistentopleiding of van een vraag naar opgeleiden op een dergelijk
niveau, dan kunnen overheid en onderwijs via gerichte voorlichting dit belang
benadrukken. In dit geval zijn daarnaast al pilotopleidingen op assistentniveau
uitgevoerd. In de meerjarenafspraken tussen het ministerie van VWS en het
veld is overigens vastgelegd dat de assistentopleiding gefaseerd wordt ingevoerd,
overigens zonder het als opleidingsverplichting voor specifieke functies vast
te leggen.</al>
        <al>De heer Ginjaar verwees wat betreft het cultuurbeleid naar opmerkingen
van staatssecretaris Van der Ploeg bij de opening van het theaterfestival.
Die betroffen het voornemen om in het kader van het cultuurbeleid niet langer
uitsluitend op het kompas van deskundigen te varen, maar daarnaast ook andere
signalen, bijvoorbeeld uit de markt, serieus te nemen. Dit luidt geenszins
het einde in van de traditie dat de  overheid in haar cultuurbeleid
op veilige afstand blijft van de inhoud. Het betekent wel dat naast het deskundige
oordeel ook andere kwaliteitsnoties in de overwegingen worden betrokken, zoals
ambachtelijkheid en succes bij het publiek.</al>
        <al>De heer Schuurman heeft een aantal opmerkingen gemaakt en vragen gesteld
over de houding van de regering tegenover de ongekende technologische ontwikkelingen
waarvan in de Troonrede sprake was. Volgens de heer Schuurman lijkt het erop
dat de regering deze ontwikkeling als een soort automatisme aanvaardt, met
een neutrale houding, waarbij bovendien voorbij wordt gegaan aan mogelijke
negatieve gevolgen. Dat is zeker niet het geval. De regering is er zich zeer
van bewust dat de ontwikkeling naar een informatiesamenleving de overheid
voor nieuwe fundamentele vragen plaatst. Het gaat dan steeds om de vraag welke
taken de overheid in een elektronische omgeving heeft en welke zij nog kan
uitvoeren. Een juridisch kader voor onder meer internet is neergelegd in de
nota Wetgeving voor de elektronische snelweg, die in februari van dit jaar
naar het parlement is gezonden. Uitgangspunt is dat op de elektronische snelweg
dezelfde normen moeten gelden als in de fysieke omgeving. Voor de handhaving
zullen soms wel extra maatregelen nodig zijn. Het kabinet ziet internet zeker
niet als een vrijplaats waarvoor het recht niet geldt. Tegelijkertijd leeft
bij het kabinet het besef dat Internet een belangrijke ontwikkeling voor de
samenleving weerspiegelt die niet onnodig aan banden moet worden gelegd. Intussen
blijft het een feit dat Nederland niet alleen uitwassen kan voorkomen. Kenmerk
van de voortschrijdende technologie is nu juist dat fysieke grenzen vervagen
en dat vraagt om afspraken in internationaal kader.</al>
        <al>Het door de heer Schuurman aangehaalde begrip 'virtual reality' is een
van de vele fenomenen van de elektronische snelweg waarbij echt soms niet
meer van onecht te onderscheiden is. Er zijn geen specifieke maatregelen in
voorbereiding om te voorkomen dat een komende generatie hierdoor als het ware
wordt gehersenspoeld. Wel worden op meerdere deelterreinen van de elektronische
snelweg allerlei initiatieven ontplooid. Om over de aard en de samenhang van
al deze activiteiten meer duidelijkheid te geven, zal de minister van Economische
Zaken in de loop van volgend jaar een ICT-nota uitbrengen.</al>
        <al>Voorzitter! Ik kom nu te spreken over het blokje samenleving en bestuur.
De heer Ginjaar vroeg zich af of het ambitieniveau van het grotestedenbeleid
niet erg hoog is en wellicht ook onrealistisch. Hij vroeg tevens bij welk
beleidsterrein de desbetreffende bewindsman in dit huis zijn beleid zal verdedigen.
De heer Schuyer vroeg of de minister voor GSI zich niet ook dient te bemoeien
met het gezondheidsbeleid voor en in de grote steden.</al>
        <al>Voorzitter! Het ambitieniveau is inderdaad hoog, zoals ook op andere onderdelen
van het kabinetsbeleid de lat hoog is gelegd. Het gaat om het naar behoren
kunnen functioneren van onze steden, die van belang zijn voor de ontwikkeling
en positionering van ons land. De lat ligt ook hoog omdat in de vorige periode
een basis is gelegd voor dit beleid. Er is geen sprake van een onrealistisch
beleid. Ik leid dit ook af uit de inzet van de G-4 en G-21 ten opzichte van
het kabinet en de minister voor GSI in het bijzonder. De steden hebben met
nadruk te kennen gegeven, zeer sterk te hechten aan de voortzetting van het
partnership tussen Rijk en gemeenten terzake van dit beleid. Zij hebben ook
aangegeven op welke manier zij daaraan willen en ook zullen deelnemen.</al>
        <al>Opvattingen van de minister voor GSI zoals verwoord in zijn brief aan
de Kamer zijn mede gebaseerd op het uitgesproken commitment van de steden.
In combinatie met hetgeen in het regeerakkoord is afgesproken, kan het geschetste
perspectief niet als onrealistisch worden gekenschetst. Dat dit hoge sturingseisen
stelt, is zeker waar. Ook hier geldt echter dat daaraan mede op basis van
afspraken in het regeerakkoord invulling wordt gegeven. 'Sturing geven aan'
is overigens niet synoniem voor onbeperkte bemoeizucht. Het kenmerk van het
grotestedenbeleid is een integrale aanpak en het is de rol van de minister
deze integraliteit en onderlinge afstemming van beleid te bevorderen en te
bewaken, uiteraard samen met collega's in het kabinet en samen met partners
in het land.</al>
        <al>Er zijn aspecten van het gezondheidsbeleid die de betrokkenheid van de
minister voor GSI rechtvaardigen. Uiteraard is het aan de Kamer zelf hoe en
bij welke gelegenheid de minister voor GSI zijn beleid verdedigt. Op hoofdlijnen
zal dit gebeuren bij de begrotingsbehandeling van hoofdstuk VII en voorts
wanneer hij wordt aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid, namelijk
de vormgeving en de coördinatie van het grotestedenbeleid.</al>
        <al>Voorzitter! Met genoegen neem ik kennis van onder andere de instemming
van de VVD-fractie met de instelling van de staatscommissie Dualisme en lokale
democratie. De staatscommissie moet onderzoeken op welke wijze de dualisering
van het lokale bestuursmodel moet worden vormgegeven. De heer Ginjaar vindt
dat beter gesproken kan worden over eventuele dualisering. Ik wil hierover,
vanuit het kabinet sprekend, geen misverstand laten bestaan. Ik begrijp de
voorkeur van de heer Ginjaar. Maar de óf-vraag is in het kader van
het onderzoek naar dualisme en in het licht van het regeerakkoord niet aan
de orde. Het gaat in overeenstemming met het regeerakkoord, in het kader van
de opdracht aan de commissie, nadrukkelijk om de hóé-vraag.
Het huidige formeel op monisme geënte lokale bestuursmodel heeft in de
loop van de tijd feitelijk dualistische trekken gekregen. De opdracht aan
de commissie is om te bezien hoe aan dit dualisme vorm kan worden gegeven.
Daarbij is men uiteraard niet in de positie dat men op bepaalde óf-vragen
niet zou mogen antwoorden. Maar de hóé-vraag is de centrale
vraag.</al>
        <al>Verder betreurde de heer Ginjaar het dat het provinciaal bestuur slechts
zijdelings bij het onderzoek van de staatscommissie wordt betrokken. Ook de
heer Schuyer vroeg voor dit punt aandacht. De taakopdracht van de commissie
concentreert zich op de lokale democratie. Dat is op zich al een breed probleemveld
en het is ook noodzakelijk in verband met de korte adviestermijn die aan de
commissie is gegeven. De commissie moet voor 1 januari 2000 klaar zijn.</al>
        <al>Om die reden heeft de minister van BZK bij de begrotingsbehandeling in
de Tweede Kamer duidelijk gemaakt dat de regering de taakomschrijving van
de staatscommissie niet zal uitbreiden. De Tweede Kamer heeft bij die  gelegenheid de wens geuit, dat de staatscommissie ook aandacht aan
de provincies zou besteden. Wat dat betreft liepen de voorkeuren daar en de
opmerkingen gisteren naadloos in elkaar over. Bij de installatie van de commissie
heeft minister Peper dit gevoelen overgebracht. De commissie zal, conform
haar taakstelling, de vraagstelling rond dualisering van het provinciaal bestel
niet als zelfstandig onderwerp bestuderen, maar zal daar waar tijdens haar
werkzaamheden natuurlijke verbanden c.q. raakvlakken ontstaan, dit in haar
rapportage meenemen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Begrijp ik de woorden van de minister-president goed, dat
het kabinet ervan uitgaat dat er een dualisering komt en dat de commissie
dus antwoord moet geven op de vraag welke aspecten daaraan verbonden zijn
en hoe die dualisering verder ingericht moet worden? En zo ja, betekent dit
dat de commissie ook op onderdelen kan adviseren om niet tot dualisering over
te gaan?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Ja. Dat kan de commissie zeggen. Het zou niet in deze tijd passen om het
verzoek te doen om aan te geven hoe het kan en vervolgens een antwoord uit
te sluiten. Je kunt niet zeggen: U vraagt wel hoe dat kan, maar ik heb daar
goed over nagedacht en het kan feitelijk niet. Of: Het kan misschien wel,
maar ik vind het om de volgende redenen ongewenst. Ik vraag begrip van de
heer Ginjaar en de Kamer, voorzitter, voor het feit dat het regeerakkoord
ons hier een zeer nadrukkelijke opdracht meegeeft. In het regeerakkoord hebben
de drie fracties, samengesteld uit personen die u allen niet onbekend zijn,
gezegd: Wij gaan die weg. Dat is ons contract. Daarvoor zijn we ingehuurd.
Vervolgens is het voor de commissie vanzelfsprekend mogelijk om bij het beantwoorden
van de hóé-vraag ook óf-aspecten te betrekken.</al>
        <al>Voorzitter! Ik kom nu op een enkel punt dat verband houdt met de staatscommissie
en de voortgang van daarmee samenhangende of in samenhang gebrachte wetgeving.
Ik erken met de VVD-fractie de relatie tussen het voorwerp van onderzoek van
de staatscommissie en een aantal wetsvoorstellen die aan de orde zijn. Het
gaat dan om het introduceren van de wethouders buiten de raad, het verwijderen
van de benoeming van de burgemeester uit de Grondwet, de zogenaamde deconstitutionalisering,
en het raadgevend referendum bij de benoeming van de burgemeester. De VVD-fractie
wil dat eerst politieke besluitvorming plaatsvindt over het rapport van de
staatscommissie.</al>
        <al>Voorzitter! Opnieuw sprekend vanuit het kabinet en met in het achterhoofd
het besprokene en het vastgelegde in het regeerakkoord, zou ik willen zeggen
dat die relatie naar het oordeel van het kabinet de voortzetting van de behandeling
van een aantal van de genoemde wetsvoorstellen niet in de weg behoeft te staan.
Dat is natuurlijk ook ter beoordeling aan hen aan wie dit wordt voorgelegd.
De relatie is niet van dien aard dat voor al die onderwerpen noodzakelijkerwijze
op het advies van de staatscommissie zou behoeven te worden gewacht, respectievelijk
op de daaropvolgende politieke besluitvorming. Het voorstel tot schrapping
van de wijze van aanstelling van de burgemeester uit de Grondwet speelt al
decennia een rol in het staatkundig debat. Het staat in wezen geheel los van
het debat over het dualisme op lokaal niveau. Het daartoe strekkende grondwetsvoorstel
is door het vorige kabinet ingediend, ruim voordat sprake was van de instelling
van de staatscommissie. De Tweede Kamer heeft het voorstel inmiddels aanvaard.
Het voorstel is ingediend in vervolg op een unaniem advies van de commissie-Van
Thijn om de aanstellingswijze uit de Grondwet te schrappen. Er wordt beoogd,
de wetgever de bevoegdheid te geven, dit onderwerp te regelen. De bestaande
wijze van aanstelling staat daarbij dus eigenlijk niet ter discussie, zodat
op geen enkele wijze vooruit wordt gelopen op het advies van de staatscommissie
en de besluitvorming daarover.</al>
        <al>Met betrekking tot het raadplegend referendum bij de benoeming van de
burgemeester is een nota van wijziging aan de Raad van State voorgelegd. Het
lijkt mij wijs, de procedure verder te volgen en allereerst het advies af
te wachten. Het kabinet heeft er in ieder geval weinig behoefte aan om te
anticiperen op een advies dat wij niet kennen. De mogelijkheid die gemeenteraden
zal worden geboden om een referendum te houden, beoogt ruimte voor experimenten
te bieden in de interimfase. Zoals gezegd, wacht ik nu graag het advies af.</al>
        <al>De introductie van wethouders van buiten de raad is een voornemen dat
al dateert van het vorige regeerakkoord. Het oogmerk van dat voorstel is het
rekruteringsbereik te vergroten. Hier ziet het kabinet wel een samenhang met
de advisering door de staatscommissie. Het kabinet beraadt zich daarom nog
op de vraag wat het meest geschikte moment is om dit voorstel in procedure
te brengen. Binnenkort zal de Kamer daarover voorstellen krijgen van de verantwoordelijke
bewindspersoon.</al>
        <al>De heer Ginjaar constateerde dat dit begrotingsjaar naar verwachting het
herzieningsvoorstel inzake de invoering van het correctief referendum in tweede
lezing deze Kamer zal bereiken. Hij herinnert eraan dat de VVD-fractie graag
beschikt over inzicht in de inhoud van de uitvoeringsmaatregelen. Ik wijs
erop dat kennis is genomen van deze wens, hetgeen iets anders is dan dat ik
al in volle omvang hier een toezegging kan doen. In de tot nu toe met het
parlement gewisselde stukken is naar de mening van het kabinet voor het moment
afdoende inzicht in het gevraagde geboden, zelfs meer dan dat. Wat hierover
nog in het kader van het regeerakkoord is gezegd, kan het kabinet, althans
nu, niet bieden. Dat zou ook niet juist zijn. Wij moeten het eerst eens worden
over de grondwetswijziging en daarna komt de uitvoering aan de orde.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Is het al bekend wanneer in tweede lezing de grondwetswijziging voor het
correctief referendum in deze Kamer komt?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat weet ik helaas niet uit mijn hoofd, maar misschien kan ik hier in
tweede termijn opheldering over geven.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>De bedoeling achter mijn vraag lijkt mij duidelijk. Kunnen wij verwachten
dat dit nog gebeurt in deze Kamer in de huidige samenstelling of wacht het
kabinet liever tot er een nieuwe Eerste Kamer is gekozen?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Deze vraag werpt geen  ander licht op mijn antwoord, namelijk
dat ik het nu niet weet.</al>
        <al>De heer Ginjaar gaf een – in zijn woorden – duidelijk signaal
aan het kabinet over de inhoudelijke kant van het herindelingsbeleid. Ik wijs
er met nadruk op dat het regeerakkoord een uitgebreide passage bevat over
de bestuurlijke organisatie in het algemeen en herindeling in het bijzonder.
Daarop kan niet worden afgedongen. In de door de minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegde beleidsnotitie, die de Kamer binnen
enkele weken zal worden toegezonden, zet hij zijn denkbeelden uiteen over
met name het kader voor de beoordeling van herindelingsvoorstellen. Vanzelfsprekend
ligt aan deze notitie de tekst van het regeerakkoord ten grondslag, waaraan
het kabinet gebonden is. Ik meen derhalve met betrekking tot de inhoud van
dit onderwerp dat het goed is, de toegezegde notitie af te wachten en om op
basis daarvan een gedachtewisseling met de minister te hebben.</al>
        <al>De heer Ginjaar sprak ook over de Wet algemene regels herindeling, waarin
de procedure is opgenomen die moet worden gevolgd in het geval van gemeentelijke
of provinciale herindeling. Dit wetsvoorstel, dat een wijziging van de bestaande
procedure inhoudt, is voor nader beraad na de eerste termijn van de mondelinge
behandeling in uw Kamer aangehouden. De minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties zal zich in het kader van de toegezegde notitie over gemeentelijke
herindeling ook nader uitspreken over het vervolgtraject van die wijziging
van de Wet ARHI.</al>
        <al>De heer Veling citeerde uitgebreid uit een recente studie van de WRR –
ik heb zojuist al op enkele elementen van zijn bijdrage gereageerd –
waarop hij zijn beoordeling en stelling met betrekking tot de verdeling van
overheidstaken baseert. Hij meende dat gemeenten in beginsel verantwoordelijk
moeten zijn voor directe voorzieningen aan burgers en dat de nationale overheid
vrijheden en rechten moet waarborgen, bijvoorbeeld voor groepen die op de
schaal van een gemeente weinig macht kunnen ontwikkelen. Ik geef toe dat het
verleidelijk is – dat geldt ook voor de verhouding Nederland-Europa –
om te proberen criteria te ontwikkelen die als zodanig zonder meer uitsluitsel
geven over de toedeling van taken, maar ik wijs er toch op dat al meermalen
pogingen in die richting zijn ondernomen die niet altijd even succesvol zijn
geëindigd. Ik noem het plan van aanpak voor de decentralisatie van rijkstaken
van de toenmalige voorloper van de Raad voor het binnenlands bestuur, in 1978,
voorafgaand aan het offensieve decentralisatiestreven van de rijksoverheid,
het eerste product van dat beleid. De decentralisatienota uit 1980 zag bewust
af van zo'n streven en volstond met het noemen van een aantal factoren die
relevant kunnen zijn. Uiteindelijk is het een politieke afweging. Immers,
er zijn vele variabelen, in feite keuzen, voor bestuurlijke arrangementen.
Ik heb begrip voor het feit dat de heer Veling hierin graag ordening aangebracht
wil zien, maar ik heb toch enige aarzeling bij de argumenten die zouden pleiten
voor het onderscheid in een precies aangegeven verantwoordelijkheidsverdeling
zoals de heer Veling dat naar voren bracht.</al>
        <al>Dan kom ik op de departementale organisatie. De heer Schuyer vraagt hoe
bij de organisatie van departementen aan het licht gebrachte problemen in
het functioneren kunnen worden opgelost. Hij vraagt of dat soms niet veel
meer een kwestie is van problemen in de organisatie dan van het falen van
mensen. Voordat ik inga op mogelijkheden voor een aanpak ter verbetering,
wil ik toch een enkele nuancering vooraf aanbrengen. Lang niet alle problemen
die zich voordoen bij de realisatie van overheidsdoelstellingen, vinden hun
oorzaak in gebrekkig functioneren, hetzij door de organisatie, hetzij door
de mensen. Er is heel vaak sprake van veranderende omstandigheden en verschuivende
ambities en doelstellingen, waardoor oplossingen als onvolledig of problematisch
worden ervaren. Ik verdedig de stelling dat de beste organisatie die organisatie
is die snel reageert op zowel het menselijk tekortschieten als op het goed
presteren. Binnen de overheid en de publiciteit over het overheidshandelen
wordt wellicht vaak te eenzijdig naar gebreken gekeken, hetgeen averechts
kan uitwerken op de kwaliteiten en het resultaat. Alles wat goed gaat –
en dat is gelukkig heel veel – komt niet in het nieuws. Wij leven, om
redenen die wij absoluut niet hoeven te betreuren, heel erg in een glazen
huis. Heel veel valt dus op. Wat goed is en opvalt in dat glazen huis wordt
niet gememoreerd, wat slechts is en opvalt in dat glazen huis wordt wel gememoreerd.
Ik zou de instellingen buiten de overheid niet de kost willen geven die in
de beslotenheid van de directiekamer of de muren van het bedrijf toch heel
wat organisatorisch en persoonlijk falen laten zien. Maar dat wordt niet zichtbaar,
tenzij er iets catastrofaals gebeurt.</al>
        <al>Een meerzijdige aanpak is daarom toch wel nodig. Dat vereist een duidelijke
en sterke aansturing, ambtelijk en politiek, met een positief en open werkklimaat.
Daarom zet dit kabinet in op een benadering waarbij de aanstelling en de arbeidsvoorwaarden
van ambtenaren, in het bijzonder van de top, flexibeler worden. Daarbij kan
meer rekening worden gehouden met de geleverde prestaties, en dat twee kanten
op. Daarnaast wordt ingezet op de verbetering van de kwaliteit van de menselijke
bezetting van de rijksdienst door uitbreiding van de algemene bestuursdienst –
heel belangrijk – en de interdepartementale aanpak van de werving van
jong talent. Bij de inzet van trajecten ter verbetering van de kwaliteit van
de rijksdienst wordt ook in de organisatie en in de bestuurlijke aspecten
geïnvesteerd. De organisatie van de rijksdienst krijgt verder aandacht
in de vorm van de totstandkoming van een kaderwet zelfstandige bestuursorganen
en een uitgewerkte visie op toezicht en het voornemen te komen tot visitaties.
Aan de door de fractie van D66 gevraagde voornemens wordt gewerkt. Daarbij
vervult de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een coördinerende
en stimulerende rol.</al>
        <al>De heer Schuurman heeft inzake onze koninkrijksrelaties een vraag gesteld
over de noodhulp aan de Nederlandse Antillen. De regering van de Antillen
heeft uit eigen begroting direct 5 mln. aan noodhulp beschikbaar gesteld.
De Nederlandse regering heeft op basis van de bevindingen ter plaatse van
staatssecretaris De Vries 5 mln. aan noodhulp daaraan toegevoegd ten behoeve
van de getroffen eilanden van de Antillen. De Antilliaanse regering heeft
niet gevraagd om een verhoging van de hulp. Die wordt thans ook niet overwogen.
Wel heeft de Antilliaanse regering aangegeven  met de Nederlandse
regering van gedachten te willen wisselen over een Nederlands aandeel in de
financiering van de wederopbouw.</al>
        <al>Voorzitter! Dit brengt mij bij een aantal opmerkingen op het gebied van
het Europees, internationaal en defensiebeleid. 1999 wordt een belangrijk
Europees jaar met een volle agenda. Het Verdrag van Amsterdam zal in werking
treden. Nationale munten gaan op in de euro. De plannen van de Unie voor de
middellange termijn in de Agenda 2000 zullen worden goedgekeurd. In juni zijn
er verkiezingen voor het Europees Parlement. Aan de voorbereiding van de toetreding
van nieuwe lidstaten uit vooral Midden- en Oost-Europa wordt hard gewerkt.</al>
        <al>Hoe dichter wij bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam
komen, hoe meer wordt bevestigd dat Amsterdam uitging van de juiste toekomstvisie.
Ik noem een voorbeeld. Recente ontwikkelingen tonen aan dat een van de centrale
uitdagingen voor de Europese Unie zal liggen op het vlak van de derde pijler.
Amsterdam biedt de basis voor een geloofwaardiger gezamenlijke aanpak van
het asiel- en migratievraagstuk. Op ons voorstel om spoedig te komen tot een
pijleroverstijgend actieplan op dit gebied is positief gereageerd. Ik verwacht
dat wij daaraan met elkaar krachtig vorm zullen geven.</al>
        <al>Na de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam zal niet moeten worden
getalmd met de discussie over institutionele verbeteringen. Effectiviteit,
gelijkwaardigheid van lidstaten, democratie en transparantie zijn voor Nederland
de leidende beginselen. Het is van groot belang dat Europa aan de vooravond
van de grootste uitbreiding van het ledental ooit zich voorziet van het juiste
institutionele raamwerk. De Europese samenwerking wordt niet alleen breder,
maar ook hechter. De fixering van de wisselkoersen en de invoering van de
girale euro op 1 januari aanstaande is een stap van groot economisch en politiek
belang. Meer nog dan andere stappen op weg naar de Economische en Monetaire
Unie maakt de invoering van die eenheidsmunt zichtbaar hoever wij zijn gevorderd
met het sociaal-economisch eenwordingsproces.</al>
        <al>Europa is meer dan een unie met een markt en een munt. De afronding van
de EMU moet hand in hand gaan met het verder versterken van ook het sociale
gezicht van Europa. Er is nu een stevig draagvlak binnen Europa om krachtig
voort te gaan op de bij de werkgelegenheidstop van Luxemburg ingeslagen weg.
Die weg zou niet zijn ingeslagen wanneer het Verdrag van Amsterdam daarvoor
niet een basis had gelegd.</al>
        <al>In juli 1997 presenteerde de Europese Commissie voorstellen voor de periode
2000-2006 in de Agenda 2000. Inmiddels is wel duidelijk geworden op welke
punten de discussie zich zal concentreren en wat de opstelling van de verschillende
lidstaten zal zijn. Het aanstaande Duitse EU-voorzitterschap heeft de zware
taak om overeenstemming over het pakket te bewerkstelligen. De komende maanden
zullen de Vijftien intensieve onderhandelingen voeren.</al>
        <al>Die onderhandelingen betreffen met name de interne kant van de Agenda
2000: de hervorming van het landbouwstructuurbeleid alsmede het financiële
raamwerk. De discussie over de uitbreiding van de Unie volgt een ander ritme.
Het uitbreidingsproces staat op de rails en vordert gestaag. De Vijftien tonen
zich eensgezind in het streven naar uitbreiding met als randvoorwaarde dat
de kwaliteit van het integratieproces niet mag worden aangetast.</al>
        <al>Bij de interne hervormingen en het financiële raamwerk streeft de
regering naar een versterking van de doelmatigheid van de Europese beleidsonderdelen,
waarbij eenzelfde financiële discipline moet gelden als voor nationale
overheden geldt. Europa moet zich voorbereiden op de uitbreiding en op de
steeds opener wereldeconomie. Dat biedt kansen en stelt ook eisen. In de huidige
en de uitgebreide Unie zullen de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten
dragen. Maar tegelijkertijd moet gelden dat even sterke schouders even zware
lasten dragen.</al>
        <al>De heer Schuyer stelde in het kader van de EU-afdrachten dat zijn fractie
het dreigen met veto's bestrijdt. Van dreigen met veto's is echter geen sprake.
Nederland probeert wel, uitgaande van onze algemene lijn dat het huidige uitgavenniveau
alleen nog met de inflatie mag meegroeien, voorstellen tot verhoging van bestaande
programma's met soms meer dan 200% weer tot reële proporties terug te
brengen. Dit pleidooi vindt weerklank bij andere EU-lidstaten. Overigens beslaan
de programma's die worden bedoeld slechts een deel van het EU-budget. De noodzaak
van andere instrumenten zoals cofinanciering van de landbouw en een algemeen
correctiemechanisme zal nadrukkelijk aan de orde moeten komen bij de besluitvorming
over de financiële programmering. Diverse leden van uw Kamer, voorzitter,
hebben verwezen naar recente geluiden uit Duitsland, Frankrijk en Italië
op financieel-economisch en monetair terrein. Hierover is aan de overkant
van het Binnenhof twee weken geleden uitvoerig gesproken bij het debat over
de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam. Ik wil hier graag kort herhalen
wat ik bij die gelegenheid heb gezegd. Ik heb gezegd, dat ik op deze terreinen
twee randvoorwaarden hanteer.</al>
        <al>In de eerste plaats is dat de onafhankelijkheid van de centrale bank,
zowel nationaal (De Nederlandsche Bank, de Bundesbank enz.) als Europees.
Ook de Europese centrale bank heeft een eigen verantwoordelijkheid en autonomie
als het gaat om monetair beleid. Dat betekent niet dat monetaire autoriteiten
zich op een andere planeet moeten wanen, ver verwijderd van het alledaagse
eenvoudige gekrakeel van politici en anderen. De Nederlandsche Bank heeft
tientallen jaren zonder enig probleem ervaren dat er natuurlijk ook economisch
beleid wordt gevoerd door een regering in het land. Dat geldt ook voor de
centrale banken in andere landen van de Unie. Ook de autonome Bundesbank heeft
altijd een autonome regering naast zich gezien die economisch beleid voert.
De onafhankelijkheid van de centrale bank, die voor mij vooropstaat, betekent
dus niet dat een politieke omgeving zou ontbreken, ook als het gaat om economisch
beleid. Maar die onafhankelijkheid moet als zodanig onbetwist zijn. De in
het verdrag gestelde conditie van een onafhankelijke centrale bank, verschaft
de basis voor een effectief economisch beleid van vijftien lidstaten, soeverein
en autonoom op het eigen land betrekking hebbend, en een gezamenlijk effectief
economisch beleid daar waar de lidstaten dat samen willen.</al>
        <al>De tweede randvoorwaarde wordt gevormd door de criteria van Maastricht,
uitgewerkt in het Stabiliteits- en groeipact. Die hebben  wij
niet voor niets opgesteld en we zijn er ook niet slechter van geworden. Ik
heb bij de bezoeken van bondskanselier Schröder en premier Jospin aan
Den Haag twee weken geleden, kunnen vaststellen dat zowel de Duitse als de
Franse regering die randvoorwaarden onderschrijft. Eergisteren is dat blijkens
persberichten nog eens bevestigd tijdens een ontmoeting tussen beide ministers
van Financiën, Lafontaine en Strauss-Kahn, de Duitse minister met de
Franse naam en de Franse minister met de Duitse naam. In de gesprekken met
kanselier Schröder en premier Jospin hebben we afgesproken dat wij ons
nader zullen verdiepen, ook in de bilaterale contacten, in de wijze waarop
de E van de EMU, ook daar waar het gaat om de coördinatie van beleid,
beter kan worden ingevuld. Aspecten van harmonisatie van fiscaal beleid komen
daarbij natuurlijk ook aan de orde. Dat zal variëren van het beperken
van fiscale beleidsconcurrentie tot vergroening van het belastingstelsel.
Wij hebben daar zelfstandig een lijn in getrokken, de Duitsers hebben dat
nu ook gedaan. Daarvoor hebben we Europa kennelijk niet nodig. Dat kunnen
we zelf. Maar ik weet zeker dat vergroening van het belastingstelsel in het
belang van duurzaamheid en betere sociale uitkomsten, beter haar beslag kan
krijgen in de jaren die voor ons liggen, als wij er ook gezamenlijk in investeren.</al>
        <al>De heer Ginjaar vroeg of het kabinet een indicatie kan geven van hoe het
met name in de Europese Unie het begrip 'nationaal belang' hanteert. Allereerst
merk ik op dat Nederland een nationaal belang heeft bij een goed functionerende
Europese Unie. Ik noem de interne markt, de EMU, de interne en de externe
veiligheid. Staten met een sterke democratische legitimatie zijn de noodzakelijke
basis voor internationale integratieprocessen. Ook al schept die internationale
integratie onderlinge afhankelijkheden, de democratische dekking van de nationale
staten is de absolute voorwaarde voor de noodzakelijke coördinatie van
het beleid. Net als in de nationale sfeer geldt ook voor internationale organisaties
dat de middelen doelmatig moeten worden besteed en dat de verdeling van lusten
en lasten gerechtvaardigd moet zijn.</al>
        <al>De heer Ginjaar stelde enkele vragen over Kosovo. Ik heb begrepen dat
er op dit moment in de Tweede Kamer een tweeminutendebat over hetzelfde onderwerp
plaatsvindt. Kennelijk kan dat uitlopen. Het mandaat van de ongeveer 2000
ongewapende OVSE-verificateurs is als volgt. Hun hoofdtaak is de verificatie
van de naleving van resolutie 1199 en de rapportage daarover. Die resolutie
betreft onder andere de beëindiging van alle offensieve acties in Kosovo
door beide partijen alsmede de terugtrekking van leger- en politie-eenheden
en zware wapens die zich vóór maart van dit jaar buiten Kosovo
bevonden. Verder is het de taak van de missie om assistentie te bieden aan
internationale organisaties bij terugkeer van ontheemden en bij humanitaire
hulpverlening. Op termijn zal steun worden geboden aan de opzet van zelfbestuur,
bijvoorbeeld door middel van toezicht bij eventuele verkiezingen. De missie
staat onder Amerikaanse leiding. Door de OVSE wordt het aantal van 2000 verificateurs
voldoende geacht voor de uitvoering van de gestelde taken in samenwerking
met de luchtverificatiemissie. De veiligheid van de missie heeft natuurlijk
grote aandacht. De Nederlandse regering is bereid om hieraan deel te nemen
en acht het van belang dat het aandeel van Nederland zichtbaar aanwezig is.
Echter, uiteraard is er een relatie met een ander aspect, namelijk de eventueel
noodzakelijke evacuatie waarvoor een zogenaamde 'extractionforce' nodig is,
bestaande uit eenheden van NAVO-landen, in Macedonië te stationeren.
Het Nederlandse kabinet heeft twee weken geleden aangegeven dat het op een
later moment een nadere afweging wil maken, wanneer er meer duidelijkheid
is over een eventuele deelname. Een nader besluit, aan de hand van de daartoe
door de NAVO uit te werken operationele modaliteiten en behoeften, is dus
nodig. Hierover vindt ook overleg met andere landen plaats.</al>
        <al>Voorzitter! De heer Ginjaar stelde voorts enkele vragen over de uitbreiding
van de NAVO en de relatie tussen de NAVO en Rusland. Voorzitter! De Russische
Federatie blijft gekant tegen dit uitbreidingsproces, maar dit heeft de totstandkoming
van de stichtingsakte in mei 1997 niet in de weg gestaan; dat is een positieve
ontwikkeling geweest. De Permanente raad laat zien dat overleg en samenwerkingsvormen
nuttig en nodig zijn, óók in relatie met de crisis in Kosovo.
In alle stadia van die crisis is in het kader van dit forum nauw contact onderhouden
met de Russische Federatie. De regering is voorstander van intensivering van
de samenwerking met Rusland. Het ambitieuze ontwerpwerkprogram van de Permanente
gemeenschappelijke raad stemt wat dit betreft tot optimisme.</al>
        <al>De heren Van Leeuwen en De Boer vragen naar de wijze waarop Nederland
invulling wil geven aan het lidmaatschap van de Veiligheidsraad. De invulling
die de regering hieraan verwacht te geven, zal beide Kamers spoedig bereiken.
De beleidsvoornemens die in deze brief worden verwoord, behoorden tot de kennelijk
overtuigende argumenten die in de campagne voor de zetel zijn aangevoerd,
maar daarmee is niet alles gezegd. Met betrekking tot de vraag wie Nederland
in de Veiligheidsraad zou moeten vertegenwoordigen, is na de verkiezing een
afweging gemaakt. Daarbij is de keuze gevallen op een van de meest ervaren
diplomaten, ambassadeur Van Walsum, met de afspraak dat ambassadeur Ramaker
op de beleidsterreinen van IAEA, het atoomagentschap, en CTBT, het kernstopverdrag,
werkzaam is in Wenen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik pretendeer niet dat ik een oordeel zou kunnen hebben over
de capaciteiten van de hierbij betrokken ambassadeurs. In eerste termijn heb
ik wél aangegeven dat ik het niet bepaald elegant heb gevonden dat
de inmiddels vertrekkende ambassadeur de indruk had dat hij de man in de Veiligheidsraad
zou zijn en dat hij pas later heeft gehoord dat het anders zou lopen. Had
men niet eleganter kunnen opereren? Had hij niet vooraf behoren te weten dat
een beslissing zou worden genomen waarbij hij niet betrokken zou zijn?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik heb zonder enige reserve niet alleen de indruk maar ook
de opvatting dat collega Van Aartsen dit, gelet op de afweging dat Van Walsum
de juiste  man op deze plaats zou zijn, op de meest juiste wijze
heeft behandeld.</al>
        <al>De heer De Boer kan ik zeggen dat er geen enkele VN-lidstaat is, die door
Nederland hulp is beloofd in ruil voor ondersteuning van de Nederlandse kandidatuur.
Misschien was dit wel een grapje... Het is mijn handicap dat ik niet altijd
de grapjes en de ernst van elkaar kan onderscheiden; in dat verband ben ik
een absolute minderheid.</al>
        <al>Voorzitter! De ernst van de financiële crisis in Azië en Rusland
en het feit dat programma's van het IMF om de crisis te bestrijden, niet in
alle gevallen even succesvol zijn geweest, vragen om een evaluatie van het
IMF-beleid. Deze is al door het fonds aangekondigd. Nederland heeft om bespoediging
van deze evaluatie gevraagd. De problemen in de getroffen landen zijn niet
door de internationale financiële instellingen veroorzaakt, maar door
falend economisch beleid in die landen en niet zelden ook door falend toezicht
en geringe transparantie. In het geval van Thailand, waar de crisis in de
zomer van 1997 begon, heeft het IMF jarenlang vergeefs voor economische oververhitting
gewaarschuwd. Het IMF en de Wereldbank hebben geprobeerd, het vertrouwen in
de door de crisis getroffen landen te herstellen. Het beleid dat is gevoerd
in de landen die het eerst door de crisis werden getroffen, Thailand en Korea,
begint nu vruchten af te werpen. Niettemin kunnen bij het gevoerde beleid
wel degelijk kanttekeningen worden geplaatst. Het beleid ten aanzien van het
betrekken van de particuliere sector bij het beheersen van financiële
crises was in onze optiek in een aantal gevallen niet daadkrachtig genoeg.
De strategie van het Fonds is er in een aantal gevallen te zeer op gericht
geweest om het vertrouwen in economieën te herstellen door grote financiële
pakketten aan overheden van landen ter beschikking te stellen. Geen misverstand:
soms zijn die financiële pakketten nodig, maar dan moet er in samenhang
daarmee meer gebeuren. Nederland staat ook kritisch tegenover de inschakeling
van de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken bij het fourneren van
grootschalige betalingsbalanssteun. Het verlenen van dergelijke kredieten
behoort niet tot het mandaat van de multilaterale ontwikkelingsbanken en bovendien
zet dit beleid de financiële positie van deze banken onder druk, waardoor
reguliere activiteiten in het gedrang komen en andere lenende landen worden
geconfronteerd met een hogere rente op hun kredieten.</al>
        <al>De heer Ruers vroeg waarom de regering zich niet hard maakt voor het voorstel
tot het instellen van een Tobin tax. Ik begrijp dat zijn conclusie geen positieve
was. Bij recente gelegenheden – ik doel dan op de politieke en de financiële
beschouwingen in de Tweede Kamer – zijn hier de nodige gedachten over
gewisseld. Met het oog op de klok verwijs ik daar thans naar.</al>
        <al>De heer Van Leeuwen stelde een vraag over een door minister Herfkens gemaakte
opmerking gedurende zijn en haar verblijf in New York. In het regeerakkoord
staat dat de positie van de minister van Buitenlandse Zaken als coördinerend
bewindspersoon verder dient te worden versterkt. Tevens stelt het regeerakkoord
dat de coherentie van beleid dat effecten heeft op ontwikkelingslanden, dient
te worden versterkt. Hiermee is in de afgelopen periode een begin gemaakt.
De uitspraak van de minister moet in het licht van deze doelstellingen worden
gezien.</al>
        <al>De heer Van Leeuwen stelde twee nadere vragen over ontwikkelingssamenwerking.
De eerste betrof de rol van medefinancieringsorganisaties en de aandacht voor
kwaliteit en integriteit van bestuur in ontwikkelingslanden. Zoals aangegeven
in het regeerakkoord, vindt het kabinet de kwaliteit en integriteit van bestuur
in ontwikkelingslanden van groot belang. Deze visie moge blijken uit de brief
van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 5 november jongstleden
aan de Tweede Kamer, waarin beleidsvoornemens worden gepresenteerd inzake
de toepassing van criteria op het vlak van de structurele bilaterale hulp.
Overigens bepaalt het streven naar goed bestuur ook in toenemende mate de
Nederlandse inzet in de multilaterale fora. Steun aan NGO's, onder andere
via de Nederlandse medefinancieringsorganisaties, blijft een belangrijk onderdeel
van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.</al>
        <al>Met betrekking tot de vraag over de voedselzekerheidsproblematiek deelt
de regering de zorg van de heer Van Leeuwen. Conflicten vormen op dit moment
de belangrijkste oorzaken van hongersnood en voedselonzekerheid in de wereld.
Alleen conflictpreventie kan hierbij uitkomst brengen. Tegelijkertijd moeten
wij niet vergeten dat aan de meeste conflicten armoede, ongelijke verdeling
van welvaart en economische achterstelling ten grondslag liggen. Armoedebestrijding
en economische ontwikkeling blijven daarom belangrijke instrumenten op het
gebied van de bevordering van veiligheid en voedselzekerheid.</al>
        <al>De heer Ginjaar ging, sprekende over defensie, in op het nieuwe strategisch
concept waar in NAVO-verband aan wordt gewerkt. Hij adviseerde de minister
van Defensie niet met plannen of zelfs hoofdlijnen te komen, voordat de NAVO
in april 1999 het nieuwe strategisch concept heeft aangenomen. Ik stel de
heer Ginjaar graag gerust door erop te wijzen dat de hoofdlijnenbrief niet
op het strategisch concept vooruitloopt. Integendeel, hij zal de inbreng van
Nederland in de bondgenootschappelijke discussie over dit concept mede bepalen.
Nederland neemt aan die discussie actief deel, temeer omdat – zoals
in het regeerakkoord is overeengekomen – het strategisch concept als
richtsnoer zal gelden voor de defensienota. Overigens zal de hoofdlijnenbrief
zelf mede berusten op het tot dan gevoerde bondgenootschappelijk overleg.</al>
        <al>Voorzitter! Verschillende afgevaardigden spraken over de positie van de
Eerste Kamer. Het vorige kabinet heeft in 1997 een notitie uitgebracht waarin
voorkeur werd uitgesproken voor terugkeer naar het stelsel van verkiezing
van de Eerste Kamer zoals dit gold vóór 1983. In reactie daarop
kwam vanuit beide Kamers der Staten-Generaal niet een eenduidige voorkeur
voor een bepaald stelsel naar voren. Met name de VVD-fractie in de Eerste
Kamer heeft zich inderdaad nadrukkelijk uitgesproken voor een terugkeer naar
het stelsel van vóór 1983, maar ik herinner me dat er bij de
algemene beschouwingen van verleden jaar in deze Kamer ook door andere fracties
duidelijke opmerkingen zijn gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat er piketpalen
zijn geslagen; er is niets besloten, het lijkt een beetje op de sessie in
het Catshuis over de infrastructuur. Maar sommige andere fracties hebben laten
weten dat zij geen behoefte aan verandering hebben. </al>
        <al>Ik meen dat er geen concrete suggesties inzake de bevoegdheden van de
Eerste Kamer zijn gedaan. De discussie ging vooral over het al dan niet mogelijk
maken van een vorm van terugzendrecht voor de Eerste Kamer. Sommige fracties
zijn hier een voorstander van, anderen zijn er duidelijk tegen. Voor het kabinet
staat voorop dat nieuwe voorstellen zoveel mogelijk recht moeten doen aan
de traditionele rol van de Eerste Kamer in het Nederlandse staatsbestel als
chambre de réflexion. De leidraad behoort hierbij te zijn, hoe mogelijke
veranderingen in de Grondwet dienstig kunnen zijn voor het vervullen van deze
rol door de Eerste Kamer. Vanuit deze basisgedachte wil het kabinet zijn verantwoordelijkheid
nemen en de beloofde voorstellen over de verkiezing en de positie van de Eerste
Kamer voorbereiden. Zeker bij een onderwerp als dit acht het kabinet het van
groot belang dat de meningen van de Kamers enigszins zijn uitgekristalliseerd
alvorens het voorstellen tot – let wel – herziening van de Grondwet
indient. Met dit doel is het kabinet voornemens, de gedachtevorming samen
met de Kamers in de eerste helft van 1999 voort te zetten. De voorstellen
zullen overigens geen betrekking hebben op de gang van zaken bij de Europese
besluitvorming.</al>
        <al>Voorzitter! Tot zo ver mijn antwoord, met excuses voor het grote tijdsbeslag.</al>
      </spreker>
      <voorz nw="nee">
        <al>Ik maak nog een enkele opmerking van staatsrechtelijke aard. Er is gisteren
en ook vandaag, bij de interruptie van de heer Bierman, enige malen gesproken
van 'de vorige minister-president', terwijl de minister-president van het
vorige kabinet bedoeld werd. De huidige minister-president is benoemd op 22
augustus 1994 en hij is sedertdien in functie. De vorige minister-president
zou de heer Lubbers zijn. Ik zeg dit om misverstanden te voorkomen, want wie
het jaarboek Parlement en kiezer raadpleegt, zal er over enige tijd de vermelding
in zien staan: 'overgegaan'. Dit betekent dat de betrokkene in een volgend
kabinet dezelfde functie vervult.</al>
        <al>Dit neemt overigens niet weg dat niet alle Koninklijke besluiten waarbij
ministers worden benoemd of juist niet worden ontslagen, foutloos zouden zijn,
want er is vandaag ook enige malen gesproken van 'de minister van GSI', maar
volgens de laatste spelling – en die is afkomstig van, nu wel, de vorige
minister van Onderwijs – wordt 'grotestedenbeleid' als één
woord geschreven. Ik verwijs hiervoor naar blz. 32 van het Groene boekje,
paragraaf 5.4, onderdeel 3.</al>
      </voorz>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik buig nederig, maar als u dit toch aanpast, verzoek ik u
om niet te spreken van 'de minister ván GSI', maar van 'de minister
vóór GSI'...</al>
      </spreker>
      <voorz nw="nee">
        <al>Dat is op zichzelf geheel juist.</al>
      </voorz>
      <draad>
        <al>De vergadering wordt van 13.03 uur tot 14.20 uur geschorst.</al>
      </draad>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Graag zeg ik de minister-president dank voor de wijze waarop
hij ons beantwoord heeft en voor de inhoudelijkheid van zijn antwoord. Wij
hebben dat bepaald zeer geapprecieerd. In eerste termijn hebben wij op een
vrij groot aantal punten van het beleid van het kabinet kritiek geuit. Ik
begrijp heel goed dat de minister-president niet op al die punten heeft willen
ingaan. Wel wil ik eraan herinneren wat naar het gevoel van mijn fractie echt
beleid zou moeten zijn waarin wij ons kunnen herkennen. Ik heb een aantal
punten aangegeven waarop dat niet lukt. Wat wij echt verkeerd vinden, is dat
zowel op Ontwikkelingssamenwerking als op Defensie wordt bezuinigd. Dat vinden
wij een ernstig punt. Ik zou het plezierig vinden als de minister-president
hierop in zijn tweede termijn zou willen terugkomen.</al>
        <al>Wij hebben het gehad over de lastenverzwaring, waarbij ik erop gewezen
heb dat er nog steeds vaagheid is rond de premies waar de Ziekenfondsraad
mee te maken heeft. Wij hebben daarover al even gediscussieerd. Mijn fractie
heeft als indruk dat de oorzaak daarvan bijna structureel is dat als uitgangspunt
wordt genomen een niet-marktcon- forme CAO in de zorgsector. Daardoor blijkt
elk jaar weer sprake van een tekort ten opzichte van de raming. Zou het niet
verstandig zijn om de ramingen van de afgelopen jaren nog eens goed te analyseren
en te kijken welke structuurfouten er eventueel in zitten? Daardoor zouden
in de toekomst minder problemen kunnen ontstaan.</al>
        <al>De minister-president heeft erop gewezen dat het kabinet het plan heeft,
tot een cumulerend overschot in de orde van grootte van 4 mld. te komen. Het
is ons niet geheel duidelijk. Is er bij een behoedzaam scenario ook een cumulerend
overschot en, zo nee, gaan dan de belastingplannen niet door?</al>
        <al>Wij hebben waardering voor de opmerkingen van de minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties over de veiligheid. Hij heeft meegedeeld dat
hij, als er geen verbeteringen op het terrein van de veiligheid optreden,
na twee jaar consequenties moet trekken. Is dat juist en, zo ja, hoe luiden
de garanties of de invulling dan precies? Zijn er meetbare criteria, ook ten
aanzien van het platteland? Langs welke meetlat wenst hij zijn beleid te leggen?</al>
        <al>Ik heb twee voorbeelden uit de justitie- en politiepraktijk gegeven om
aan te geven wat de onrust is. Wij beschouwen dit als krachtige signalen vanuit
de samenleving. Ik begrijp dat de minister-president er niet al te zeer inhoudelijk
op ingegaan is. Ik doe dat nu ook niet, maar wij moeten de signalen uitermate
ernstig nemen.</al>
        <al>In het kader van het openbaar ministerie heeft de heer Schuyer mij gevraagd
waarom het CDA de behandeling van een wetsvoorstel over de reorganisatie heeft
opgehouden. Dat wetsvoorstel kwam echter pas op de valreep, vlak voor de verkiezingen
van 6 mei jongstleden. Wij wilden dat voorstel niet afhandelen met een demissionaire
minister van Justitie, wier relatie met het OM bovendien ernstig verstoord
was. Onze vragen betreffen met name de relatie minister/OM. Deze dienen naar
onze mening te worden beantwoord door een volledig bevoegde minister en niet
door een demissionaire. Die bevoegde minister is er nu. Het voorlopig verslag
is vorige maand uitgebracht. Wij zijn in afwachting van het antwoord van de
regering. Wij hebben begrepen dat er wordt gedacht aan een invoeringsdatum
van 1 maart en niet van 1 januari. Dan zou de zorg van de heer Schuyer geen
betrekking hebben op 12 maanden, maar slechts op 10.</al>
        <al>Wij hebben met elkaar van gedachten gewisseld over de  infrastructuurplannen.
Afspraak is afspraak. Dat heeft de minister-president ook aangegeven. Mijn
fractie beschouwt het nog steeds als wat beschamend dat een landsadvocaat
moest worden ingeschakeld om te bekijken welke afspraak met de regio's wel
en welke niet echt hard is. Zo mag je naar ons gevoel niet met elkaar leven.
In Nederland behoort een afspraak een afspraak te zijn. Als daar juridisch
diepgaande adviezen bij moeten, dan is er iets niet goed.</al>
        <al>Wij hebben met plezier kennisgenomen van de mededeling van de minister-president
over de maatregelen die de minister van Landbouw heeft getroffen voor de in
een diepe crisis verkerende varkenshouderij. Het lijkt erop dat wij op onze
wenken worden bediend, want wij hebben begrepen dat de brief terzake al naar
de Tweede Kamer is gezonden. Wij hebben die brief uiteraard nog niet kunnen
bestuderen. Uit de mededeling van de minister-president blijkt dat er weliswaar
een permanent loket voor de opkoop van varkensrechten komt, maar hoe zit het
met de tweede generieke korting? Blijft die afwezig, want juist dat element
duiden financiers als belangrijkste belemmering aan voor het overeind houden
van vele bedrijven. Een faillissement is dan onafwendbaar. Het betreft vooral
bedrijven die recentelijk veel milieu-investeringen hebben gedaan. Kan de
regering haar opkoopinspanningen niet zodanig garanderen dat de tweede generieke
korting reeds nu kan vervallen?</al>
        <al>De minister heeft mijn vragen over de Dublin-regels op het punt van het
asielbeleid beantwoord. Hij gaf aan dat met name met de landen die heel dichtbij
liggen, België en Duitsland, sprake is van goede contacten op uitvoeringsniveau,
maar zijn er ook goede contacten op beleidsniveau? Als dat contact zo goed
is, hoe kan het dan dat de problemen blijven voortduren en dat verwijzing
naar het land van eerste opvang kennelijk zo slecht wil lukken?</al>
        <al>In eerste termijn hebben wij met betrekking tot het onderwijs enige cijfers
over tekorten bij leraren genoemd, afkomstig van de onderwijsbonden. Het ging
over 27.500 leraren in het primair onderwijs en 17.000 in het voortgezet onderwijs.
Dat zijn dus de cijfers van de bonden. Kort geleden hebben wij echter begrepen
dat de minister van Onderwijs op veel lagere aantallen zit. De minister-president
is daar in zijn antwoord nog niet aan toegekomen, maar wij vinden het wel
belangrijk om te weten over welke aantallen tekorten wij precies praten. De
minister-president heeft de vragen van de heer Ginjaar en mijzelf over ICT
in het onderwijs beantwoord, maar er ging een forse schok door de samenleving
toen het er kort geleden op leek dat minister Hermans van plan was om de toezegging
ten aanzien van het plaatsen van computers bij onder- wijsinstellingen niet
na te komen en zijn voorganger daarin dus niet te volgen. Ook wat dat betreft
zijn wij van mening dat een afspraak een afspraak is. Hoe staat het daarmee?
Wij vinden het erg kaal als er geen leraren voor en geen computers in de klas
staan.</al>
        <al>Een aantal collega's en de minister-president hebben gesproken over de
positie van de Eerste Kamer. Wij hebben al eerder aangegeven dat onze fractie
geen enkele behoefte heeft aan wijzigingen in het systeem, zowel wat betreft
de verkiezing als wat betreft de wijze van behandeling van wetsvoorstellen.
Wij blijven bij dat standpunt. Wij hebben geen enkele behoefte aan wijzigingen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik wil beginnen met een woord van dank aan het
adres van de minister-president uit te spreken. De wijze waarop hij heeft
geantwoord en de inhoud van zijn antwoord heeft onze bijzondere waardering.
Op een groot aantal punten heeft de minister-president verduidelijking van
de kabinetsvoornemens gegeven. Er is nog niet op alle punten volstrekte duidelijkheid,
want er zijn een aantal zaken naar de toekomst verschoven. In het algemeen
is het beeld echter wel veel duidelijker geworden.</al>
        <al>De minister-president heeft gereageerd op mijn opmerkingen met betrekking
tot de positie van de VVD-fractie ten aanzien van het kabinet. Uit zijn antwoord
haal ik twee dingen: onderling respect en vertrouwen. Ik denk dat mijn fractie
het daar geheel mee eens kan zijn. Deze zaken zijn nodig voor het gemeen overleg
dat ook volgens de Grondwet noodzakelijk is in het discours tussen regering
en Staten-Generaal.</al>
        <al>Over het financieel-economisch beleid heeft de minister-president gezegd:
wij hebben een zodanig beleid gevoerd dat wij kunnen meeademen met economische
ontwikkelingen. Ik vind dat een zeer kenmerkende uitdrukking voor de minister-president
en zeer origineel: meeademen met economische ontwikkelingen. Dat neemt niet
weg dat er wel zorgen kunnen zijn. Wij moeten niet te somber zijn, maar er
zijn zorgen. Wat is in dit verband het oordeel van de minister-president over
de recente, volgens kranten nog geheime, CPB-cijfers over de economische ontwikkeling?
Ook de OESO spreekt minder positieve verwachtingen uit.</al>
        <al>Ik kom nog even terug op de onevenwichtigheid. Ik begrijp het antwoord
van de minister-president, maar onze zorg gaat ernaar uit dat wij onverhoopt
en ongewild in zodanige financieel-economische situaties komen dat de voorziene
belastingverlichtingen niet meer zou kunnen worden doorgevoerd. Dat vinden
wij toch een uitermate groot zorgpunt.</al>
        <al>De minister-president heeft veel aandacht geschonken aan normen en waarden.
Ik heb in eerste termijn al gezegd dat de wetgeving vaak gedogen welhaast
onontkoombaar maakt. Dat leidt tot een verloedering die moeilijk is terug
te draaien. Dat slaat dan direct terug op de aard van die wetgeving en de
inhoud van die wetgeving. Als je van te voren het idee hebt, dat wetgeving
wordt ingevoerd die je onder geen voorwaarde kunt handhaven, moet je haar
niet invoeren. Wij kunnen in het regeerakkoord wel afspreken dat er in de
Randstad niet harder dan 100 km mag worden gereden, maar dat is dan een gotspe.
Dat gebeurt namelijk niet, tenzij er een zodanig intensieve bewaking en registratie
wordt ingesteld, dat men op elk moment betrapt kan worden. Als je kijkt naar
de huidige verkeerssituatie, niet alleen op autosnelwegen, maar ook op autowegen
en op provinciale wegen, moet je constateren dat een dergelijk voorschrift
niet handhaafbaar is en dat die ongetwijfeld leidt tot overtredingen. Het
gevolg is dan dat wij gaan gedogen en dan heeft de maatregel geen enkele zin
meer.</al>
        <al>Voorzitter! Ik kom terug op het voorstel van een register voor pedofielen.
Ik heb al gezegd dat naar  onze overtuiging het recht van kinderen
op een beschermde omgeving – school en vereniging – zwaarder weegt
dan de privacybescherming. Ik begrijp dat niet iedereen dit standpunt deelt.
Toch hechten wij hieraan. Wij plaatsen dit in het kader van het wederkerend
fenomeen dat de dader vaak meer aandacht krijgt dan het slachtoffer.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Geen misverstand, wij delen het standpunt van de fractie van
de VVD dat de bescherming van kinderen van een hogere orde is. Ik heb er alleen
op gewezen dat er, wanneer iemand op een school aangesteld wordt, mogelijkheden
zijn om te weten te komen of hij wegens pedofilie is veroordeeld. Op dit ogenblik
wordt er zeer weinig gebruik van deze mogelijkheid gemaakt. Ik ben er voor
om eerst de voorlichting op dit terrein te intensiveren voordat tot nieuwe
regelgeving wordt overgegaan.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>De vraag op welke wijze een en ander is na te gaan, is van secundaire
aard. Onze stellingname was dat bescherming van het kind boven de privacy
van een individu gaat. Een kind is het waard om beschermd te worden tegen
dit soort gedragingen.</al>
        <al>Voorzitter! Wij hebben gepleit voor een terugkeer naar de jeugd- en zedenpolitie.
De minister-president heeft erop gewezen dat de korpsen over veel specifieke
kennis beschikken. Daar heeft hij gelijk in. Feit is echter dat degenen die
over deze kennis beschikken op grond van efficiencyoverwegingen vaak voor
andere taken worden ingezet. In een groot aantal korpsen is de aandacht voor
het taakgebied van de jeugd- en zedenpolitie niet optimaal.</al>
        <al>Voorzitter! De minister heeft aangegeven dat VNG, IPO en Rijk afspraken
hebben gemaakt over woningen voor asielzoekers. Gemeenten zouden positief
hebben gereageerd omdat sommige corporaties te kampen hebben met leegstand.
Voorzitter! Zal hier geen aanzuigende werking van uitgaan, met alle consequenties
van dien?</al>
        <al>De minister-president heeft gezegd dat Nederland het voorland is van Europa.
Deze stellingname wordt door ons van harte onderschreven, zoals ook blijkt
uit mijn bijdrage in eerste termijn. De minister-president heeft over de ruimtelijke
ordening een aantal behartigenswaardige opmerkingen gemaakt. De toekomst tot
2030 is voor een zeer groot deel al bepaald en wordt binnenkort nog nader
bepaald. Ik noem de houtskoolschets en de vijfde nota. Eenmaal genomen besluiten
moeten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld de Betuwelijn met een noord- en een
zuidtak. Wij wachten de verdere houtskoolschetsen vol belangstelling af.</al>
        <al>Voorzitter! Ik heb gezegd dat er meer inzicht nodig is in het politiek-maatschappelijke
karakter van het MIT. Er moet duidelijker worden ingegaan op de argumenten
die worden aangevoerd in het kader van de afweging van de verschillende projecten.
Daarbij moet tevens sprake zijn van het nader beargumenteren van de kosten
verbonden aan de aankleding van natuur- en milieuoverwegingen. Het tijdens
een behandeling van een bepaald voornemen om een weg aan te leggen almaar
accumuleren van voorzieningen, stuurt de gehele opzet van het MIT in de war.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Ik reageer wat vertraagd, want ik luisterde met één oor,
omdat ik tevens nadenk over mijn eigen tweede termijn. U zegt dat u de regering
houdt aan de uitvoering van de noord- en de zuidtak van de Betuwelijn. Men
weet dat in de discussie standpunten aan het schuiven zijn. Blijft de steun
van de VVD ook aanwezig als de noord- en de zuidtak op de lange baan worden
geschoven?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>De essentie van de positie van Nederland als voorland van Europa –
Europa is dus ons achterland – is dat er logischerwijs ook een zuid-
en een noordtak bij de Betuwelijn aangelegd moet worden.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Dat was mij helder. Wij lopen nu de kans dat de Betuwelijn wordt aangelegd
tot Zevenaar, terwijl de aanleg van de rest nog niet in een besluitvormend
stadium is, laat staan dat er geld voor gefourneerd is. Wordt de steun van
de VVD dan toch gehandhaafd?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>In zo'n geval moet ervan uit worden gegaan dat de essentie van beide takken
duidelijk is en dat zij later worden aangelegd als er wel geld is.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>U blijft vol vertrouwen? De eerste fase mag wat u betreft, worden aangelegd
zonder garanties voor de tweede en de derde?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>Wij zijn altijd vol vertrouwen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Dat is soms ook het probleem!</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>Ik heb in eerste termijn gezegd dat de besluitvorming over Schiphol in
het slop zit. Na de discussies van de afgelopen weken en ook na het betoog
van de minister-president is het goed dat de besluitvorming daar uit wordt
gehaald. Het is uitermate belangrijk dat niet meer het aantal passagiers als
uitgangspunt wordt genomen, maar het aantal vliegbewegingen, waarbij rekening
wordt gehouden met het type vliegtuig, het gebruik en de technologie. Dat
is een belangrijke stap op weg naar een doorzichtiger besluitvorming. Het
is ook bijzonder goed dat de minister-president nog eens heeft beklemtoond
dat er overleg met de sector en met de milieuorganisaties moet zijn. Ik ben
wat verbaasd dat de milieuorganisaties zonder meer dit overleg hebben afgeblazen.
Het zou van meer volwassen gedrag getuigen als zij wel hun boosheid hadden
getoond, maar vervolgens hadden gezegd dat zij de minister hierover in het
toch al geplande overleg nader aan de tand zouden voelen. Dan was er op een
andere wijze mee omgegaan.</al>
        <al>Voorzitter! Wij hebben toch zorgen over de besluitvorming. Wat de optimalisering
betreft, lukt het wel om in 2003 de vijfde baan daadwerkelijk te realiseren?
Als er op basis van de ontwikkelingen eventueel in 2005 weer een andere baan
aangelegd moet worden, lukt het dan wel om de besluitvorming zodanig snel
te doen plaatsvinden dat die baan er tijdig ligt? Lukt het, ongeacht het type
besluit van het kabinet, wel in de besluitvorming dat er bijvoorbeeld in 2010
een eiland in zee is? Met andere woorden: schat het kabinet niet wat optimistisch
in dat op tijd de nodige besluiten worden genomen? Het zou niet voor het eerst
zijn dat de toekomst ons inhaalt. Ik koppel hieraan de vraag  op
welke wijze in de tussentijd, zeker als in de eerste jaren de ruimtelijke
situatie gehandhaafd wordt, het gedoogbeleid wordt gevoerd. Is het de bedoeling
om een zodanig duidelijk referentiekader te formuleren dat niet elke keer
opnieuw specifiek over een dergelijk besluit behoeft te worden gesproken?</al>
        <al>Voorzitter! Ik sprak erover dat wij liever een eventuéle dualisering
van het lokale bestuursmodel hadden gehad. Dat slaat niet op de opdracht aan
de commissie, maar op de formulering die – zoals terecht door de minister-president
is opgemerkt – in het regeerakkoord staat. Ik heb in eerste termijn
gezegd dat de VVD-fractie de regering een dringend advies geeft. Ik begrijp
uit de antwoorden van de minister-president dat hij van mening is dat de regering
dat advies niet moet opvolgen. Ik heb toch behoefte, hier nog even op in te
gaan. Wij vinden namelijk dat een aantal elementen die ook thans onderwerp
van gesprek zijn, wel degelijk in het geheel van de duale structuur thuishoren.
Als bepaalde onderdelen al lange tijd onderwerp van gesprek zijn of als bepaalde
partijen een dergelijk onderdeel van eminent belang vinden, dan kan dat geen
reden zijn om die onderwerpen uit het geheel te halen. Het totale inzicht
wordt dan verbrokkeld. Ik geef een klein voorbeeld. Ik lees in Binnenlands
Bestuur van 13 november: De meeste burgemeesters haken af bij verkiezing.
Als dat zo zou zijn, dan is dat van grote invloed op de vraag of wij tot de
verkiezing van een burgemeester zouden moeten overgaan. Dat heeft zonder meer
te maken met de vraag: Welk type burgemeester zouden wij willen hebben, indien
er sprake is van verkiezing? Ik heb niet de illusie, voorzitter, dat ik de
regering met deze woorden kan overtuigen van de inhoud en de betekenis van
mijn advies. Ik vond het echter nodig om dit nog even naar voren te brengen.</al>
        <al>Voorzitter! Wij hebben bij de behandeling in eerste lezing gevraagd om
nadere informatie over de uitvoeringsregelingen op het punt van het correctief
referendum. De toenmalige bewindsman heeft dat ook toegezegd. Als ik het verslag
van de Tweede Kamer over dit wetsontwerp lees en zie welke vragen ook in tweede
termijn in de Tweede Kamer worden gesteld, dan denk ik dat ons verzoek om
inzicht te hebben in de uitvoeringsregelingen zeer redelijk is. Wij zouden
dat verzoek graag gehonoreerd zien.</al>
        <al>Voorzitter! Wij hebben een signaal gegeven als het gaat om herindeling.
Dat signaal suggereert niet dat wij tegen herindeling zouden zijn, maar vestigt
er de aandacht op dat die herindeling tot nu toe plaatsvindt via een vast
stramien, zonder dat in voldoende mate rekening wordt gehouden met de specifieke
situaties van de gemeenten in herindeling. Wij willen graag maatwerk.</al>
        <al>Voorzitter! Tot slot iets over de positie van de Eerste Kamer. Ik zou
die opmerkingen niet gemaakt hebben als in het regeerakkoord niet die betreffende
zinsnede zou hebben gestaan. Wij blijven van mening dat door de huidige wijze
van verkiezen toch een soort politisering van de Eerste Kamer plaatsvindt,
die uitstijgt boven het begrip 'chambre de réflexion'. Die politisering
is een te constateren feit. Als je gaat kijken naar het aantal wetsontwerpen
dat aangehouden wordt door de regering of door ons verworpen wordt, dan is
er een duidelijk keerpunt in 1983. Sinds die tijd zijn die aantallen aanmerkelijk
groter geworden. Wij blijven daarom van mening dat een terugkeer naar het
oude verkiezingssysteem goed is voor het functioneren van deze Kamer als chambre
de réflexion.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik dank de regering voor de reactie. De minister-president
heeft zich weer bekwaam door de mapjes heen geslagen, al moet gezegd wordt
dat door het leestempo van het laatste uur de presentatie er langzaam maar
zeker niet beter op werd. Zoals de minister-president ongetwijfeld weet, is
overtuigingskracht een combinatie van goede argumenten en sterk neerzetten.</al>
        <al>De minister-president is niet ingegaan op mijn opmerking over de partijpolitieke
ontwikkelingen. Dat had ik eerlijk gezegd ook niet verwacht. Als minister-president
van een coalitiekabinet is dat niet zijn rol en dat is natuurlijk ook oppassen;
een uitglijder is zo gemaakt. Jammer vind ik wel dat hij niet heeft gereageerd
op mijn beschouwing over het functioneren van het besluitvormingsproces en
de in mijn ogen noodzakelijke veranderingen in de werkwijze van het openbaar
bestuur en de daarmee samenhangende andere attitude van bestuurders en ambtenaren,
zeg maar het afscheid van het cockpitmodel. Ik snap wel dat zo'n beschouwing
niet past in de ambtelijke mapjes. Misschien is het zelfs wel mijn bedoeling
met althans een deel van mijn verhaal niet in die mapjes terecht te komen.
Dat is echter geen reden om er niet op te reageren. Ik wil juist bereiken
dat de premier er eens voor gaat staan en ons tien minuten bezighoudt met
wat hij daar nu echt zelf van vindt. Of past zoiets niet in een coalitiekabinet
van deze signatuur? Dat zou kunnen, maar dat wil ik dan ook graag horen.</al>
        <al>Het regeerakkoord laat ik zitten. Persoonlijk zie ik op dit punt meer
in de aanpak zoals die in Duitsland is gebezigd dan in het pak van, naast
ambities natuurlijk, vastgelegd wantrouwen, zoals ik dat heb gekarakteriseerd.</al>
        <al>Ik wil nog iets vragen over de positie van de ambtenaar. Wil de minister-president
kort en krachtig duidelijk maken wat in Paars II de ruimte is van de ambtenaar
en de vrijheid van volksvertegenwoordigers om contact te hebben met medewerkers
op een departement? Het lijkt mij nu allemaal wel een beetje heel angstig
geregeld te gaan worden.</al>
        <al>De operatie van 1,3 mld. van minister Zalm zal wel een stille dood sterven.</al>
        <al>Dan de tour de l'Europe voor een socialer en ecologischer Europa. Toen
ik daar gisteren toe opriep, zag ik de minister-president instemmend knikken,
althans als ik dat goed heb begrepen. Hij heeft er vanmorgen niks over gezegd.
Ik wil weten of hij dat gaat doen.</al>
        <al>Mijn stukje over de Veiligheidsraad is niet helemaal goed begrepen. Ik
heb niet gezegd dat er beloften zijn gedaan om steun te krijgen. Dat zou ik
van dit kabinet echt niet durven veronderstellen. Ik zou daar ook de grootst
mogelijke bezwaren tegen hebben. Nee, de vraag was juist andersom. Hebben
al die landen die ons steun hebben gegeven, geweten dat minister Herfkens
rondloopt met een schraplijst? Was het niet netjes geweest dat duidelijk te
maken, juist om de schijn van een vermenging van zetelsteun en geldelijke
steun te vermijden?</al>
        <al>Over de Betuwelijn worden wij het niet eens. Kernvraag blijft of je bij
zoveel toenemende twijfels, bij het  uitblijven van het vervullen
van de randvoorwaarden en bij het niet realiseren van een flankerend vrachtautobeleid
dit megaproject toch moet voortzetten. Waarom blijft de regering doof en blind
voor voortschrijdend inzicht? Dat heeft ook met bestuursstijl te maken. Bovendien
is er grote onzekerheid. Ik heb geprobeerd daar van collega Ginjaar helderheid
over te krijgen. Die krijg ik niet, want wat hij daarover zegt vind ik boterzacht.
Het CDA heeft daar ook vragen over gesteld. Ik ben eigenlijk wel benieuwd
hoe dat bij de verschillende partijen zit. Als de uitvoering van de noord-
en zuidtak niet 100% gegarandeerd is, aansluitend op de uitvoering van de
Betuwelijn tot aan Zevenaar, blijven die politieke partijen dan desondanks
steun verlenen aan dit hele project? Het lijkt mij te dol voor woorden dat
wij straks wel de lijn naar Zevenaar en eventueel verder naar Duitsland hebben
aangelegd, terwijl er van de rest niks terechtkomt. Dat moet je toch zeker
weten en gegarandeerd hebben voordat je überhaupt als politieke partij
je handtekening zet onder het project zelf? Je gooit toch niet de halve Betuwe
op de schop om halverwege te eindigen? Ik snap wel dat het de intentie niet
is, maar er zijn in dit land wel meer dingen niet doorgegaan waar wij wel
intenties voor hadden en die er toch niet kwamen. Ik zou het heel goed vinden
als politieke partijen daar helderheid over boden. Het CDA verspreidt daar
wat mist over. Men zegt natuurlijk wel dat het moet, maar wat zijn de consequenties
als het niet gebeurt? Vervalt dan de steun van het CDA? De VVD wil natuurlijk
dat het allemaal gebeurt, maar zegt niet: als het niet gebeurt, trekken wij
onze steun in. Van de Partij van de Arbeid en D66 weet ik het niet.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! De heer De Boer heeft nu twee keer een visje uitgeworpen richting
CDA. Mijn antwoord aan hem is heel duidelijk: het CDA is hard in zijn standpunt,
zowel aan de overkant als hier.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Mooi, dat is er een, nou de anderen nog.</al>
        <al>Over het asielbeleid hebben wij veel standpunten uitgewisseld. Ik stel
vast dat de regering opnieuw zal bezien of het realiseren van een behoorlijke
en flexibele bufferruimte niet verre de voorkeur verdient boven het paniekbeleid –
met alle goede bedoelingen, maar daar heb ik het niet over – waar wij
nu toch regelmatig in verzeild raken. Het lijkt mij uitstekend daar heel serieus
naar te kijken.</al>
        <al>Hoe zit het nu precies met de verantwoordelijkheid voor de organisatie
van uitstroom van uitgeprocedeerde asielzoekers? Valt die ook onder de IND
of doet iemand anders dat? Als dat niet zo is, verdient het dan geen aanbeveling,
daartussen meer scheiding aan te brengen? De ene club zou zich bezig moeten
houden met instroomproblematiek, beoordelen etc. Als de bijl gevallen is en
de asielzoeker niet in Nederland wordt toegelaten, moet een ander traject
ingezet worden: teruggaan en wegsturen. Het verdient overweging, dat niet
door dezelfde groep te laten doen. Maar misschien gebeurt het al door twee
verschillende clubs. Ik wil dat even uitgelegd krijgen.</al>
        <al>Ik kom toe aan Schiphol. Door de interruptie van collega Bierman verdween
het antwoord op mijn vraag of de mening van minister Zalm – hij was
waarschijnlijk al blij dat het niet meer hoefde – dat er geen cent overheidsgeld
gaat naar een nieuw vliegveld en de hele reutemeteut er omheen, sterker nog
dat hij vindt dat de gemeenschap daar wat van terug moet zien, een kabinetsstandpunt
is. De volgende vraag is dan wat dit allemaal betekent. Ik neem aan dat dit
in de discussie op weg naar 18 december en later uitgezocht zal worden. Het
lijkt mij wel een belangrijk feit, hier vandaag vastgesteld te krijgen dat
er geen overheidsgeld gaat naar het aanleggen van een nieuw vliegveld.</al>
        <al>Ik heb geen antwoord gekregen op mijn impliciete vraag over het rapport
van de Rekenkamer en de ministeriële verantwoordelijkheid. Ik zou de
minister-president willen vragen of ministeriële verantwoordelijkheid
ophoudt als een minister in een volgend kabinet een andere portefeuille heeft.</al>
        <al>Ik houd mijn twijfels over het positieve effect van het communiceren over
de brainstormsessie van maandagavond in het Catshuis. Ik heb genoteerd dat
het kabinet de komende maand alle belanghebbenden wil betrekken bij de discussie
op weg naar 18 december. Met nog maar vier weken te gaan, lijkt mij dat knap
ingewikkeld. Ik hoor graag hoe dat in zijn werk gaat.</al>
        <al>Wij hebben even het regeerakkoord opgezocht. Ik had gevraagd wat die randvoorwaarden
zijn. Dat is niet helemaal helder, maar wel een beetje. In het regeerakkoord
staan zinnen als: het ruimtebeslag moet binnen aanvaardbare grenzen blijven;
de verbetering – let wel: verbetering! – van de kwaliteit van
het leefmilieu en de omgeving; in maart 1998 is besloten tot 2003 op Schiphol
jaarlijks een beperkte groei van 20.000 vluchten toe te staan onder gelijktijdige
verlaging van het aantal geluidbelaste woningen binnen de 35 KE-zone en er
zijn voldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat daarmee binnen de randvoorwaarde
van de PKB-Schiphol wordt gebleven.</al>
        <al>Mijn interpretatie is dat deze randvoorwaarden nog steeds spijkerhard
zijn. Als dat niet het geval is, hoor ik dat graag. Daarnaast is het kabinet
op weg naar 18 december ook al aan het nadenken over een opmerking van minister
Pronk over beperking van de groei van het luchtvaartverkeer. Want we hebben
het nu over hoe we de groei moeten opvangen, maar er is ook nog de kant van
het beperken van de groei van het luchtvaartverkeer. Daar zou ik ook graag
iets over horen.</al>
        <al>Het geïntegreerde veiligheidsplan is prima. Worden allerlei lokale
initiatieven daarbij betrokken? Heeft het kabinet nu al budgetten uitgetrokken
om straks lokale initiatieven te faciliteren? Want als dat geïntegreerde
veiligheidsplan er volgend jaar ligt, dan moet er ook een heleboel gebeuren
en daar moet geld voor zijn.</al>
        <al>Ten slotte kom ik tot de partijpolitiek en dan ben ik klaar. Een compliment
aan mevrouw Jaarsma voor haar maidenspeech als fractievoorzitter bij de algemene
beschouwingen. Deze bijdrage van de Partij van de Arbeid-fractie is bij ons
vooral naar de inhoud, maar ook naar de toon het best bevallen van de beschouwingen
die ik sinds 1990 hier heb mogen meemaken.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van de Zandschulp</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Inclusief de eigen beschouwingen?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Ik had het over de beschouwingen van de Partij van de Arbeid. We moeten
het wel helder houden natuurlijk. </al>
        <al>Ik sluit af met een paar opmerkingen om de discussie over partijpolitieke
oriëntatie wat te stimuleren. Ik acht het niet onwaarschijnlijk, voorzitter,
dat er in Nederland de komende jaren een politieke herschikking komt. Die
zou er zo uit kunnen zien: een grote sociaal-democratische middenpartij, rechts
daarvan een grote liberale formatie (in de oppositie) en links daarvan een
of twee groeperingen van GroenLinkse en/of christelijk-sociale signatuur.
De D66-aanhang zal uiteenvallen naar de VVD, de Partij van de Arbeid en GroenLinks.
Het CDA blijft waarschijnlijk wel, maar in sterk afgeslankte vorm, bestaan
of kalft af. Van andere groepen, links, rechts en in het midden en van wat
daarvan wordt, hangt het af of het CDA de komende tien jaar binnen of buiten
het kabinet zal blijven. Dat lijkt mij voor die groepering heel serieus. Nog
twee perioden oppositie zal het CDA in deze vorm in mijn ogen niet gemakkelijk
overleven.</al>
        <al>Natuurlijk zal dit waarschijnlijk- heidsscenario D66 en het CDA niet bevallen.
Dat lijkt mij voor de hand te liggen. Hun troost: misschien komt het helemaal
niet uit. Mijn risico: wie weet, gaat het heel anders en komt de toekomstige
positie van GroenLinks in gevaar. Dat zou ook nog heel goed kunnen. Dat is
niet denkbeeldig, maar op dit moment tamelijk onwaarschijnlijk.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Eén vraag aan de heer De Boer: Wie gaat er regeren?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Dat had ik toch al gezegd?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Nee, dat heeft toch geen meerderheid van 76 zetels.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Ja, natuurlijk... Een sterke sociaal-democratie, geflankeerd door de twee
vleugels waar ik het net over had, kan een prachtige regering vormen. Dat
wordt een regering zonder de VVD, en dat lijkt mij heel goed.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Vooral ook zonder GroenLinks, lijkt me.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Dat is nog de vraag, maar dat valt te bezien.</al>
        <al>Ik rond af. Volgend jaar zijn er statenverkiezingen en komt hier een nieuwe
zetelverdeling. Het is dus onzeker of de minister-president en ik elkaar hier
in november 1999 weer in deze rolverdeling zullen ontmoeten, nietwaar. Gezien
het gebrek aan echt inhoudelijke cohesie in deze coalitie, gekoppeld aan de
ontwikkelingen in Europa, schat ik de kans dat ik hier straks weer zit iets
groter in dan dat de minister-president daar staat.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>Mevrouw</aanspr>
          <naam>Jaarsma</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik dank de minister-president voor de gegeven antwoorden,
maar eigenlijk wil ik eerst mijn dank uitspreken aan het adres van de heer
De Boer voor zijn complimenten. Ik geef hem te overdenken wie er nu is opgeschoven:
GroenLinks of de Partij van de Arbeid. Want één van ons moet
in beweging zijn gekomen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Of allebei misschien?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Mevrouw</aanspr>
          <naam>Jaarsma</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Dat zou kunnen.</al>
        <al>Voorzitter! Wij hebben met veel instemming kennisgenomen van het feit
dat wij de minister-president hebben mogen horen zeggen dat evenwicht geen
doel in zichzelf is, maar dat er duidelijke keuzen noodzakelijk zijn. Ik licht
deze zin even uit de antwoorden, omdat het ons niet altijd over de hele linie
opvalt dat dit het geval is.</al>
        <al>Het tweede punt waarvan wij met instemming kennis hebben genomen, is dat
de minister-president net als wij grote betekenis hecht aan de sociale grondrechten.
Wij kregen een tikje de indruk dat daaraan werd geknaagd; wij moeten maar
eens even bekijken hoe dat gaat. De minister-president sprak over serieuze
verantwoordelijkheden van de overheid en normen waaraan de overheid zich gebonden
acht. Voorzitter! Ik vind dat uitspraken om boven het bed te hangen; wij zijn
hier heel tevreden over.</al>
        <al>Vervolgens rijst de vraag hoever je als overheid terug kunt treden en
taken aan de marktsector kunt overdragen terwijl je toch verantwoordelijkheid
blijft dragen voor de in het geding zijnde grondrechten. Dit dilemma is en
wordt op verschillende manieren opgelost door het vorige en het huidige kabinet.
Ik vind dat hierin meer helderheid dient te komen. De minister-president speelt
het een beetje op de down-toer. Hij wekt de indruk dat de overdracht van taken
aan de markt eigenlijk alleen maar een andere manier van overheidsbetrokkenheid
impliceert. Voorzitter! Ik denk dat het over iets anders en iets méér
gaat. Wij zien dit in elk geval voorlopig een slag anders.</al>
        <al>Gaat het over de kernverantwoor- delijkheid van de overheid en dus over
de sociale grondrechten, dan is voor ons allereerst de vraag aan de orde:
wat is het probleem en wiens probleem is het? Over de problematiek in de sociale
zekerheid zegt de minister-president dat de bezuinigingen op de uitvoeringskosten
niet het voornaamste doel vormen. Voorzitter! De kosten zijn dus niet het
probleem. Ik denk dat het probleem zit in het gebrek aan efficiency en effectiviteit.
Die conclusie kan ik hartgrondig onderschrijven, maar als dat zo is, heeft
het probleem twee dimensies, één voor de klant-werkzoekende
en één in de sfeer van de collectieve lasten.</al>
        <al>Het laatste probleem bevindt zich op institutioneel niveau. Te constateren
valt dat de huidige discussie, met iedereen aan tafel – inclusief in-
en uitvliegend bilateraal overleg met z'n allen – uitsluitend een discussie
tussen instituties is. De cliënt-werkzoekende, de burger, is nagenoeg
geheel buiten beeld geraakt terwijl die toch de figuur is die een beroep moet
kunnen doen op de sociale grondrechten. Dat kan niet in directe zin, zoals
de minister-president heeft aangegeven, maar wij hebben hier wél te
maken met de norm voor het overheidshandelen jegens de burger. Voorzitter!
Dit aspect missen wij op dit moment pijnlijk in deze discussie.</al>
        <al>Vervolgens rijst in dit traject de vraag: weten we wel wat wij moeten
weten? Voorzitter! Zoals ik al heb aangegeven, weten wij helemaal niet wat
wij moeten weten. De informatievoorziening op het terrein van de sociale zekerheid
is verre van volmaakt, om het zacht te zeggen; het is werkelijk om niet doorheen
te komen. Het gevolg hiervan is dat er een soort irrationeel proces is ontstaan
sinds de enquête-Buurmeijer, waarbij het óók al niet ging
om een probleem dat de burger in primaire zin raakte; het ging om een primair
probleem van de  politiek. Dit irrationele proces is het eerst
tot uitdrukking gekomen in de NOSV-1995. Dat hebben wij hier hartstochtelijk
behandeld maar er werd geroepen: dit is een tussenstap; u mag niet van ons
vragen om het eindplaatje aan te reiken. Vervolgens stonden we er twee jaar
later weer, aan de hand van de NOSV-1997. Toen was er wéér sprake
van een tussenplaatje en wisten wij wéér niet waar het eindstation
lag.</al>
        <al>Voorzitter! Ik kom niet met een beschuldiging of met een klacht, maar
ik geloof toch dat het voor de kwaliteit van het wetgevingsproces een stuk
beter zou zijn wanneer wij dergelijke zaken tijdig helder voor ons zouden
krijgen. Nog altijd hebben wij te maken met de vraag: waarheen gaan we nu?
Is het, gelet op de meest recente CTSV-rapportage, wel verantwoord om te weten
waar je heengaat, als je niet eens weet waar je bent? Ik onderstreep dat wij
eerst moeten weten en dan pas kunnen besluiten. Dat lijkt mij bijzonder prettig.</al>
        <al>Overigens geldt dat niet alleen voor de sociale zekerheid. Dat proces
van 'eerst besluiten en dan eens kijken hoe het ook alweer was', zien wij
ook op andere terreinen. Zo wordt in het regeerakkoord met betrekking tot
Schiphol gesteld dat eerst duidelijkheid moet worden verkregen over de mogelijkheid
om de beoogde groei binnen de geldende normen voor milieu, veiligheid en gezondheid
op te vangen, vóór voorstellen kunnen worden gedaan om de getalscriteria
aan te passen. In de praktijk zien wij het omgekeerde gebeurden. Voorts is
in het regeerakkoord het voornemen opgenomen om een sollicitatieplicht in
te voeren voor mensen boven de 57,5 jaar. Daar staat dan heel vroom achter
dat dit pas wordt geëffectueerd als in bedrijven het leeftijdsbewust
personeelsbeleid is ingevoerd. Graag krijg ik nu de duidelijke toezegging
dat wij eerst controleren – ook verneem ik dan graag hóé –
dat het leeftijdsbewust personeelsbeleid is ingevoerd, alvorens de sollicitatieplicht
voor 57,5-jarigen in te voeren. Pas als het probleem duidelijk is en wij weten
wat wij moeten weten, komt de volgende stap aan de orde. Gaat het om een onvervreemdbare
overheidsverantwoordelijkheid – sociale grondrechten – dan zou
eerst de vraag moeten worden gesteld of problemen binnen het publieke domein
kunnen worden opgelost. Bij de aan de orde zijnde reorganisatie van de uitvoering
van de sociale zekerheid is noch de probleemanalyse, noch de vraag naar de
oplossingsvariant adequaat beantwoord. Ook is niet bezien hoe anderen zaken
oplossen. In mijn eerste termijn wees ik er al op dat de voorgenomen operatie
uniek is in Europa. Waarom is er niet aan benchmarking gedaan? Als dan uiteindelijk
blijkt dat in het publieke domein geen oplossingen te bedenken zijn, zou overwogen
kunnen worden om ze daarbuiten te vinden. Dan moet wel expliciet antwoord
worden gegeven op de vraag of daarmee geen geweld wordt gedaan aan verwachtingen
die burgers op grond van de Grondwet in relatie tot de overheid mogen koesteren.
Dat lijkt mij een eis van behoorlijk bestuur te zijn. In mijn eerste termijn
heb ik aangegeven dat het losknippen van de reïntegratie uit de polisvoorwaarden
in feite strijdig is met alle vier de onderdelen van de beginselen van behoorlijk
bestuur. De ingreep in de polisvoorwaarden is strijdig met het vertrouwensbeginsel,
de ongelijke behandeling in de markt is strijdig met het gelijkheidsbeginsel
en het verdelingsvraagstuk vraagt om toepassing van het motiveringsbeginsel
en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het spijt mij dat de minister-president hier
niet op in is gegaan, want dit lijken mij essentiële vragen. Daarop moet
in deze Kamer een antwoord komen en dan liefst niet op het moment dat wij
na afloop van een heel traject worden geconfronteerd wetsvoorstellen die voortvloeien
uit onderhandelingsrondes.</al>
        <al>Een overheid die essentiële overheidstaken zodanig van zich heeft
verwijderd, moet zich er ook van vergewissen dat zij instrumenten heeft om
eventuele niet-bedoelde effecten die strijdig zijn met de kerntaak van de
overheid, te corrigeren. Vragen over de toegankelijkheid en bereikbaarheid
in verband met de grondwetsartikelen betreffende onderwijs zijn feitelijk
niet beantwoord. Er is langsheen geredeneerd. Welk instrument is er om een
ROC te dwingen een assistentenopleiding aan te bieden? Met andere woorden:
hoe kan een ROC worden gedwongen om een bijdrage te leveren aan de toegankelijkheid
van het onderwijs? Met welk instrument kan een scholengemeenschap worden gedwongen
om bereikbare nevenvestigingen in stand te houden? Welke sturingsinstrumenten
staan het kabinet voor ogen om haar verantwoordelijkheid waar te maken in
de geprivatiseerde sociale zekerheid? Hoe gaan we dat doen? Of zeggen we gewoon:
we zetten dit zo neer; allemaal de groeten, wij doen het niet meer?!</al>
        <al>Een overheid die kerntaken afstoot, verzelfstandigt of zelfs privatiseert,
moet zich er naar onze mening van vergewissen dat zij bij uitblijvende gewenste
effecten die kerntaken weer terug kan pakken. Bij de voornemens betreffende
de sociale zekerheid baart het ons het meest zorg dat er geen weg terug is
gemaakt. Ik heb op vragen daarnaar geen antwoord gekregen. Onze zorgen op
dit punt zijn nog wat vergroot door het antwoord van de minister-president
aan de heer Ginjaar, dat in het kader van de marktwerking de drempels moeten
worden verlaagd. Ik snap dat wel, want dan komen er meer UVI's en is er ook
meer concurrentie, maar men moet zich dan wel realiseren dat de terugkeer
naar het publieke domein zo'n beetje uitgesloten is.</al>
        <al>Voorzitter! Ten slotte vraag ik de minister-president nog om te reageren
op onze suggesties betreffende de omgangsvormen tussen het kabinet en deze
Kamer. Er is een formele uiteenzetting gegeven over hoe het allemaal anders
zou moeten, maar mij ging het om de toon, over een soepele en vruchtbare omgangsvorm
tussen het kabinet en deze Kamer.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Holdijk</naam>
          <partij>SGP</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik dank de minister-president voor zijn reactie op onze bijdrage
in eerste termijn. Ik wil niet uitgebreid terugkomen op het financieel-economisch
kader van de begroting. Wij zullen nog gelegenheid hebben om er breder en
diepgaander over te discussiëren. Dat zal van onze kant gebeuren op basis
van de opmerkingen die ik dienaangaande in eerste termijn heb gemaakt. Wij
houden de regering aan de verklaring dat zij behoedzaam zal opereren en willen
haar geen paniek of pessimisme aanpraten. Wel bepleiten wij een ruime veiligheidsmarge.
Onze financiële reserves bepalen immers mede onze mogelijkheden als er
 onverhoopt echt een worst case-scenario opdoemt.</al>
        <al>Ik kom op de tolerantie. Tussen de minister-president en ons bestaat geen
verschil in benadering als het gaat om wat ik in eerste termijn de alledaagse
tolerantie heb genoemd. Ik omschrijf het als volgt: het onderdrukken van de
neiging om alles wat wij minder aangenaam of persoonlijk afkeurenswaardig
vinden ook te onderdrukken.</al>
        <al>De minister-president heeft nog eens gezegd dat de Staat geen zedenmeester
is. Hij gaf daar de uitleg aan dat de Staat niet de opvatting van een bepaalde
groep uitdraagt. Met die uitleg kan ik vrede hebben en wie niet? Daarom acht
ik het voortdurend herhalen van die uitspraak niet zo buitengewoon zinvol,
zeker wanneer wij het er inmiddels wel over eens zijn dat ook de overheid
niet op een zinvolle wijze uitvoering aan haar taak kan geven als zij niet
bepaalde morele waarden en normen hanteert. Daar zijn wij het langzamerhand
over eens. Over de invulling en uitwerking van waarden en normen zal de discussie
moeten voortgaan. Wij moeten haar niet smoren door telkens te herhalen dat
de Staat geen zedenmeester is.</al>
        <al>In mijn bijdrage in eerste termijn heb ik er aandacht voor gevraagd dat
tolerantie niet op onverschilligheid gebaseerd mag worden, maar moet berusten
op een vaste overtuiging, die ertoe kan leiden dat men op een gegeven ogenblik
de positie moet innemen: hier sta ik, ik kan niet anders. Verdraagzaamheid
is in mijn ogen niet iets voor slappe mensen die alles wel gauw goed vinden.
De plicht tot tolerantie is niet in de Grondwet opgenomen. Dat kan ook moeilijk.
Wel is een aantal grondrechten in de Grondwet en in internationale verdragen
verankerd. In dit verband heb ik de vrijheid van godsdienst genoemd. Ik voeg
daar nu de vrijheid van levensovertuiging aan toe. Niet om dit grondrecht
een absoluut karakter te verlenen, alsof het een soort supergrondrecht zou
zijn. Wel omdat dit grondrecht bescherming biedt aan vaste overtuigingen en
daarom belangrijk is als basis voor tolerantie, die verder gaat dan die alledaagse
tolerantie. Om die reden bepleit ik dan ook dat in wetgeving, bestuur en rechtspraak
met waarachtig respect met dat grondrecht wordt omgegaan.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ook dank van mijn fractie aan de minister-president voor zijn
antwoord. Zoals gebruikelijk was het inhoudelijk relevant en met kracht van
overtuiging.</al>
        <al>Ook wij hadden in eerste termijn een vraag gesteld waarop nog geen antwoord
is gegeven. Ze heeft te maken met het hoofdstukje over de Europese politiek,
die als binnenlandse politiek gezien kan worden. Ik had gevraagd of dit niet
zou kunnen leiden tot een andere aanpak van de memories van toelichting bij
wetgeving en met name van de behandeling in het parlement daarbij. Ik verwijs
snelheidshalve naar mijn bijdrage in eerste termijn.</al>
        <al>Verder hadden ook wij een passage opgenomen over de positie van ambtenaren,
een punt waarop de heer De Boer al heeft gewezen. Hoe precies de regelgeving
terzake zal luiden, interesseert ook mijn fractie.</al>
        <al>Voorzitter! Ik ben de minister-president er zeer erkentelijk voor dat
hij heel verhelderend heeft aangegeven, wat hij heeft bedoeld met het aspect
van de anonieme aangifte. Het beeld dat vandaag geschetst is, is volstrekt
anders dan wat het mediagebeuren ervan gemaakt heeft. Hij is daar natuurlijk
niet zelf verantwoordelijk voor, maar ik ben zeer erkentelijk voor de manier
waarop hij hierop nu een toelichting heeft gegeven. Misschien is het beter
om in een dergelijke situatie niet van aangifte, maar van aanmelding te spreken,
omdat aangifte natuurlijk wel heel sterk met het idee van juridisering verbonden
is. Aanmelding gaat daaraan vooraf. In die zin zou het aardig zijn, eens te
bekijken hoe het werken met vertrouwensartsen in gevallen van kindermishandeling
werkt. Daarmee is ervaring opgedaan en als je de zaak vanuit dat perspectief
benadert, kun je natuurlijk ook niet zo maar een politiebureau binnenlopen
voor een aanmelding. Nee, dan moeten er ook bepaalde figuren zijn die zich
er speciaal in scholen.</al>
        <al>Ook wij – ik sluit mij aan bij een opmerking van de heer Ginjaar
hierover – zouden het wel interessant vinden om het idee van herinvoering
van jeugd- en zedenpolitie te bespreken. Wij hebben het gevoelen dat er wat
dat betreft toch te veel is weggesneden en dat het goed zou zijn, opnieuw
te bezien of het verstandig is, dit onderdeel van de politie nieuw leven in
te blazen.</al>
        <al>Dan Schiphol. Wel, het is duidelijk dat informeel vergaderen over een
onderwerp als Schiphol eigenlijk nauwelijks mogelijk is. Maar daar staat tegenover
dat er toch ook wel weer begrip voor op te brengen is dat een ministersploeg
er behoefte aan heeft, informeel met elkaar over zo'n onderwerp te discussiëren.
Het is jammer dat het effect in de publiciteit niet wat duidelijker bij de
afspraken voor dat informele overleg betrokken is, want met name de fanatieke
reactie van de milieubeweging, die wij ook niet zo verstandig vinden, is vervelend,
omdat dit onderwerp daarmee meteen in een bepaalde sfeer getrokken wordt,
terwijl wij nu juist proberen om de milieunormen op basis van een bepaald
concept alle aandacht te geven.</al>
        <al>De minister-president heeft gesproken over herdefiniëring van de
milieunormen. Die is nodig, omdat alleen al het loslaten van het maximumaantal
passagiers daartoe leidt. Maar als je dan eenmaal tot zo'n herdefiniëring
bent gekomen, zijn er kansen om binnen de gegeven kaders die milieunormen
heel duidelijk en strak te houden. Het zou verstandig zijn als juist de milieubeweging
de kans om daarop invloed uit te oefenen, niet liet lopen. Wij hebben in dit
land heel vaak te maken met mensen die iets niet democratisch noemen, maar
dan toch nogal eens bedoelen dat zij hun zin niet hebben gekregen. Dat is
niet de houding waar wij naar moeten kijken. Het is duidelijk dat er een keuze
gemaakt is die ook D66 voorstaat, namelijk een gematigde groei van het aantal
vliegbewegingen. Kijkend naar de middellange termijn kan het niet anders dan
dat dit op locatie gebeurt. Daarbinnen is er echter heel veel mogelijk als
het gaat om de inkadering van het milieu. Daar zijn voldoende rapporten over.
Het is duidelijk dat op de regering de verplichting rust om, als het 18 december
is geweest, ook een indicatie te geven van hoe de besluitvorming op lange
termijn gaat verlopen. Ik zie het als een uitdaging om te zeggen dat dit binnen
deze kabinetsperiode moet gebeuren.</al>
        <al>Ik heb bij interruptie al iets gezegd over de positie van de HSL. Dat
deed ik niet zo maar. Als je op langere  termijn naar de vliegbewegingen
en de discussie over het land kijkt, dan betekent dit wel degelijk iets voor
de treinbewegingen. Voor de middellange termijn heeft dat nog geen gevolgen,
maar ik vraag er toch aandacht voor.</al>
        <al>Mijn fractie is tevreden over de beantwoording van onze vragen over de
opdracht van de staatscommissie. De heer Ginjaar heeft er ook wat over gezegd.
Ik val hem in die zin bij dat het voor een aantal onderwerpen inderdaad van
belang is dat de adviezen van de staatscommissie terzake niet volstrekt contrair
gaan aan de bestaande wetgeving. In het regeerakkoord is daar overigens in
voorzien. Op pagina 120 wordt aan de minister van Binnenlandse Zaken nadrukkelijk
de mogelijkheid gegeven om bij voorrang een aantal adviezen te vragen. Wellicht
kunnen wij met elkaar discussiëren op basis van dat model.</al>
        <al>Het komt maar zelden voor dat er tussen de algemene beschouwingen op de
ene dag en de beantwoording een dag later sprake is van zoveel actualiteiten.
Vanochtend stond er in De Volkskrant, in grote opmaak, dat de Europese Rekenkamer
dit keer iets heeft gezegd over de inkomsten van Europa. Het gaat nu dus niet
over de uitgaven, maar over de inkomsten. De douaneheffingen spelen daarbij
een belangrijke rol. Wij weten allemaal dat Nederland een zeer belangrijke
speler is op het gebied van douaneheffingen, vanwege Rotterdam. Kan de minister-president
al een indicatie geven of de kritiek van de Europese Rekenkamer ook Nederland
treft? Als dat het geval is, nuanceert dat de nettobetalingspositie van Nederland
dan niet? De discussie over de douaneheffingen speelt daar namelijk een heel
belangrijke rol in.</al>
        <al>Een tweede nieuwsbericht dat ook indruk maakt betreft de rechterlijke
uitspraak die de Koppelingswet nuanceert. Het is al de tweede keer dat dit
gebeurt. Ook dit keer raakt die uitspraak de positie van uitgeprocedeerde
asielzoekers. Is dat voor de regering geen aanleiding voor een vervroegde
evaluatie van de Koppelingswet? Wij kunnen ons niet permitteren dat de rechters
wat dat betreft keer op keer contrair gaan.</al>
        <al>Dan kom ik op iets dat mijn collega Glastra van Loon hier bij herhaling
naar voren heeft gebracht, namelijk de kwestie-Spijkers bij het ministerie
van Defensie. Destijds is al gebleken dat het ontslag op zichzelf dubieus
was, maar nu blijkt dat de juridische afwikkeling en de positie van de rechtsprekende
rechter aan kritiek onderhevig zijn. Het punt is aan de overzijde overgenomen.
Wij hebben er vorig jaar bij de algemene beschouwingen ook al iets over gezegd.
Collega Glastra van Loon heeft er drie jaar lang opmerkingen over gemaakt,
ook in relatie tot het ministerie van Defensie. Ik zou graag zien dat de minister
van Defensie, nu hij inzet op een nieuw beleid, deze rotte appel van het Defensiebeleid
ruimhartig opruimt.</al>
        <al>Mijn fractie distantieert zich van de buitengewoon onsmakelijke en opruiende
advertentie over het rekeningrijden die de afgelopen dagen te zien is. In
tekeningen laten de minister van Financiën en de minister-president zich
op de achterbank van een auto lachend uit over de honderden miljoenen die
dit zou gaan opbrengen. Dit heeft meer met opruiing dan met informatie te
maken, maar er blijft wel een reële vraag over. Dat heeft iets met die
opruiing te maken. In de advertentie staat dat iemand die vijf dagen per week
gedurende een jaar naar zijn werk gaat, ƒ 10.000 kwijt zou zijn. Dan
is van tevoren bekend dat geen enkele partij in de Tweede Kamer en in dit
huis zich kan permitteren daar voor te stemmen. Het zal dus wel anders liggen,
maar het zou prettig zijn als de minister-president daar iets over zou kunnen
zeggen. Hoe actueel zoiets is, wil ik met een anekdote aangeven. Ik heb morgenochtend
overleg met mijn ondernemingsraad in het ziekenhuis en ik werd gisteravond
gebeld met de vraag of het ziekenhuis bereid is om die kosten te gaan compenseren.
Ik heb dus ook een persoonlijk belang bij het antwoord van de minister-president.</al>
        <al>Er is gesproken over de uitkomsten van het Centraal Planbureau en een
groei van 2,5%. De minister-president heeft in zijn beantwoording in eerste
termijn heel verstandig en heel correct gezegd: luister eens, wij hebben enige
ruimte; laten wij ons daarom geen paniek aanpraten. Daar ben ik ook absoluut
niet voor, maar het behoedzame scenario gaat wel uit van 2,25% groei en dat
ligt daar heel dicht bij. Met andere woorden, er is wel enige reden om ons
toch te bezinnen op de ontwikkelen als ook die 2,5% nog iets zou tegenvallen.</al>
        <al>Ik wil nog een opmerking maken aan het adres van de heer De Boer, die
heeft gevraagd naar de positie van D66 met betrekking tot de Betuwelijn. Ik
volg de drie punten die de heer Van Leeuwen heeft genoemd, want daar gaat
het om.</al>
        <al>1. Aansluiting met Duitsland. Die is evident noodzakelijk. Zonder die
aansluiting zal er geen Betuwelijn zijn. Ook achter de regeringstafel zit
niemand die pleit voor een Betuwelijn die geen aansluiting heeft.</al>
        <al>2. De zuidtak. Het is evident dat die zuidtak er ook moet komen. Dat staat
niet alleen in het partijprogramma van D66, maar dat is ook afgesproken. De
discussie gaat over de geleidelijkheid van de betaling. De beslissing daarover
moet duidelijk zijn.</al>
        <al>3. Private financiering. Mijn fractie heeft nooit zo heel veel geloof
gehecht aan de private financiering van publieke zaken als treinen, vliegtuigen
en dergelijke. Het is meegenomen als het lukt, maar het is voor ons geen breekpunt.
Ik begrijp overigens best dat de minister van Financiën in de eerste
fase van het beleid zo'n kreet slaakt. Dat zou ik ook doen als ik Zalm heette.
De werkelijkheid is echter iets anders.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Het is mij voor 95% glashelder. Nu de laatste 5% nog. Die beslissing om
ook de zuidtak en de noordtak aan te leggen, moet er liggen. Moet er ook een
beslissing liggen over de datum waarop dat gebeurt? Moet het aansluiten of
bestaat de mogelijkheid dat wel de beslissing wordt genomen en dat wij de
eerste fase, de lijn van Zevenaar naar Duitsland, voltooien, maar dat ruimte
wordt gecreëerd om de andere twee takken bijvoorbeeld tien jaar later
te doen? Sluit u dat uit of niet?</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Een termijn van tien jaar lijkt mij zeer extreem. Het aardige van de politiek
is echter dat je naar elkaars argumenten luistert en dat het mogelijk is dat
je van elkaars standpunt overtuigt raakt. Over dit punt kan ik alleen maar
zeggen dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat dat zich voor zal doen.
Mocht het zo zijn dat gezegd wordt dat wij drie, vier of vijf jaar moeten
wachten, dan komt mij dat ongeloofwaardig voor. Ik geef de regering dan echter
wel de gelegenheid om mij te kunnen overtuigen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Dat kan ik volgen, maar dat kan alleen maar met handhaving van de rentabiliteit,
neem ik aan.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuyer</naam>
          <partij>D66</partij>
        </wie>
        <al>Als ik spreek over die private financiering, heb ik ook op het oog dat
rentabiliteit van wegen, treinen en dergelijke buitengewoon discutabel is.
Wij stellen die vraag nooit bij de aanleg van een weg. Het is heel merkwaardig
dat wij dat als het gaat om treinen wel steeds doen. Ik ben daar niet zo zeker
van.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Batenburg</naam>
        </wie>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ook ik ben dankbaar voor hetgeen de minister-president
in eerste termijn naar voren heeft gebracht. Het is mij opgevallen dat tot
nu toe al mijn collega's dankbaar waren. Mijn betoog in eerste termijn bevatte
geen vragen, maar de minister-president heeft hierin wel vragen onderkend.
Daarom ben ik dubbel dankbaar.</al>
        <al>Regeren is vooruitzien. De door mij genoemde solidariteitswet is gericht
op de lange termijn. Op lange termijn krijgen wij te maken met een productieproces
waar nagenoeg geen mensenhand meer aan te pas komt. Wat moeten wij tegen die
tijd met de werkloosheid? Banenplannen werken dan niet meer. Tegen die tijd
hebben wij echter wel te maken met mensen die willen leven. Voor die mensen
hebben wij de zorg.</al>
        <al>Ik heb gesproken over het bedrijfsleven en vooral over de grote bedrijven
die de winsten in eigen zak steken, terwijl die winsten zijn behaald door
het op straat zetten van mensen. Die desbetreffende werknemers moesten het
maar uitzoeken.</al>
        <al>Bovendien heb ik gehoord dat Philips 100 mln. heeft gekregen voor ontwikkeling
van de technologie. Ik weet niet of dat bedrag juist is, maar ik ga ervan
uit dat het klopt. Waar is die ontwikkeling voor nodig? Om ervoor te zorgen
dat er minder mensen aan het werk komen? Indirect is dat het gevolg. In de
achterliggende jaren hebben mammoetbedrijven grote aantallen mensen ontslagen.
Dat doen zij toch zeker om winst te maken. Die winst wordt echter gepakt van
de werknemer die op straat is gezet. Deze bedrijven hebben de plicht, ervoor
te zorgen dat deze mensen een toekomst hebben.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuurman</naam>
          <partij>RPF</partij>
        </wie>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik heb allereerst een vraag aan u. Worden de schriftelijk
beantwoorde vragen opgenomen in de Handelingen?</al>
      </spreker>
      <voorz nw="nee">
        <al>Dat pleegt het geval te zijn.</al>
      </voorz>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Schuurman</naam>
          <partij>RPF</partij>
        </wie>
        <al>Dank u wel. Ik had die informatie nodig, omdat ik straks kort op één
van die vragen zal ingaan.</al>
        <al>Voorzitter! Ook ik dank de minister-president hartelijk voor de manier
waarop hij zowel mondeling als schriftelijk op de inbreng van de Kamer in
eerste termijn is ingegaan.</al>
        <al>Voorzitter! Ik wil op een paar punten ingaan, allereerst de kabinetsformatie.
De minister-president begon daar vanmorgen mee. Hij heeft vooral verwezen
naar de grote meerderheid van dit kabinet in de Tweede Kamer. Hij heeft ook
nog andere redenen voor de totstandkoming van dit kabinet genoemd. In eerste
instantie heb ik gezegd dat ook D66 in deze Kamer wel een beslissende rol
gespeeld zal hebben bij de totstandkoming van dit kabinet, omdat zonder D66
de Partij van de Arbeid en de VVD hier geen meerderheid hebben. Ik vraag niet
aan de minister-president om daar nog eens een beschouwing aan te wijden,
maar mijn vraag is wel: Dat is toch zo? Als hij antwoordt: 'Ja, natuurlijk',
vind ik dat heel begrijpelijk. Als hij 'nee' zou zeggen, zou ik zeggen: 'Maar
D66 heeft er wel heel hardop over nagedacht dat het die positie in deze Kamer
had.'</al>
        <al>Voorzitter! Ik ben erg ingenomen met het intersectorale beleid dat het
kabinet op het punt van de ouderen gaat voeren. Dit zal er waarschijnlijk
op neerkomen dat een groter beroep gedaan zal worden op ouderen om een bijdrage
te blijven leveren aan de maatschappij. Ik werk aan universiteiten. Deze universiteiten
staan op dit moment voor een groot probleem. Binnen vijf tot tien jaar moeten
er heel wat hoogleraren aftreden. Sommigen willen dat vroegtijdig. Niemand
legt deze mensen een strobreed in de weg. Er zijn echter ook hoogleraren die
langer willen blijven. De universiteit heeft ze eigenlijk nodig, want het
merkwaardige feit doet zich voor dat nieuwe hoogleraren niet zo makkelijk
te krijgen zijn. Is het de bedoeling dat de pensioengerechtigde leeftijd van
65 jaar als discriminatie wordt gezien, dat deze opschuift of helemaal verdwijnt?</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Zowel de VVD als D66 hebben tot mijn genoegen
gezegd dat het goed zou zijn om weer meer aandacht te geven aan de jeugd-
en zedenpolitie. Ook de minister-president heeft met betrekking tot het jeugdprobleem,
met name de criminaliteit, gezegd een sterker regressief beleid te willen
voeren. Toen het over een preventief beleid ging, deed hij vooral een beroep
op de ouders en de scholen. Heeft de overheid ook hier niet een verantwoordelijkheid
om dat preventieve beleid wat sterker aan te zetten? Ik heb in dat verband
verwezen naar nieuwe technologische ontwikkelingen. De heer Van der Reijden,
voorzitter van Veronica, heeft gezegd – als hij het zegt, luister ik
extra goed – dat de nieuwe techniek van de virtual reality, waarbij
de man of vrouw die participeert niet meer alleen passief toeschouwer is maar
ook actief betrokken wordt in allerlei spelen – zoals geweldspelen,
seksspelen en andere – in zijn uiterste consequentie een aanslag is
op de geest van onze jeugd. Dat is een bij uitstek ethische kwestie. Het zou
goed zijn als de overheid zich daar vroegtijdig op bezint, omdat dit de oorzaken
van jeugdcriminaliteit niet zou wegnemen maar eerder zou kunnen versterken.
Ik vind het terecht dat de minister-president naar ouders en scholen verwijst.
Hij maakte echter nog een tweede verwijzing, die ik helemaal niet heb begrepen.
Het gaat om een ethische kwestie, maar hij verwijst naar een notitie die van
de minister van Economische Zaken komt. Ik acht de minister van Economische
Zaken erg hoog, maar ik heb het idee dat zij vooral aandacht zal geven aan
de economische ontwikkeling in verband met deze nieuwe techniek van informatie,
communicatie en virtual reality. Die ethische kwesties die op de een of andere
manier een juridische inkadering vereisen, zullen ook door andere departementen
bekeken moeten worden. Ik zou daar graag nog een reactie op hebben.</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik heb rondom de kwestie Schiphol een algemener
probleem aan de orde  gesteld: de economische ontwikkeling en
de eis van duurzaamheid. Ik ben de minister-president dankbaar dat hij daar
een schriftelijke reactie op heeft gegeven. Hij zegt daarin: 'Het kabinet
probeert afwegingen binnen een duurzame ontwikkeling inzichtelijker te maken
door het naast elkaar in kaart brengen van economische, ecologische en sociale
factoren: op zoek naar het meten van een breder begrip van economische groei.'</al>
        <al>Ik heb deze zin onderstreept, want hij is mij uit het hart gegrepen. Economos
betekent niet alleen maar produceren, maar ook hoeden, verzorgen, beschermen,
bewaren. Dus de economie is veel meer dan onze productie-economie. Ik ben
blij dat dit antwoord wordt gegeven. Ik begrijp best dat daarmee nog niet
meteen de wissel genomen is, maar wij verkeren misschien met betrekking tot
de technisch-economische ontwikkeling wel op een tweesprong. De consequenties
zullen wij beslist niet volledig kunnen doordenken als het om de kwestie Schiphol
gaat. En na Schiphol zullen er ongetwijfeld andere kwesties komen op het gebied
van techniek, economie en ecologie.</al>
        <al>In dat verband vraag ik de minister-president of het geen zaak wordt om
een breed en diepgaand maatschappelijk debat over techniek, economie en duurzaamheid
te starten, zodat allerlei frustraties en ongenoegens in de maatschappij geuit
kunnen worden, maar ook gezamenlijk gekozen kan worden voor een uitweg voor
een groot aantal dilemma's en paradoxen waar wij op het ogenblik mee te maken
hebben.</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik vraag nog kort de aandacht voor twee problemen
die ik aan de orde heb gesteld, maar waar de minister-president niet op in
is gegaan. De overheid doet veel aan het millenniumprobleem via de activiteiten
van het millenniumplatform. Wij weten allen dat dit probleem ook door de media
en de commercie wordt aangegrepen; het kan ook als een rondwarend spook worden
gebruikt. Mensen worden onnodig ongerust gemaakt. Over het millenniumprobleem
wordt periodiek verslag uitgebracht. Er wordt gesteld dat bepaalde sectoren
millenniumproof zijn. Dat is technisch een realiteit. Kan dat duidelijk worden
gemaakt aan de burgers in Nederland, zodat het spook van het millenniumprobleem
binnen de perken wordt gehouden? Kan duidelijk gemaakt worden dat wij verschillende
systemen proberen te simuleren – in de tijd vooruitlopen – om
na te gaan welke ongunstige consequenties dat per 1 januari 2000 heeft? Wallstreet
heeft dat ondertussen gedaan, zoals de beurs in Amsterdam afgelopen zondag –
jammer genoeg werd daar de zondag voor gebruikt – de situatie op 1 januari
1999 heeft gesimuleerd in verband met de euro. Dat kan met allerlei andere
problemen ook gebeuren, zoals in de gezondheidszorg en de energievoorziening.
Voor het kunnen simuleren moeten er wel parallelle systemen zijn. Ik pleit
er dus voor om duidelijk te maken op welke wijze iets millenniumproof wordt
verklaard om onnodige ongerustheid en bezorgdheid bij de burger weg te nemen.
Die bezorgdheid kan, zoals gezegd, gemakkelijk gevoed worden door de media
en commerciële krachten.</al>
        <al>Voorzitter! Het kabinet doet een beroep op de versterking van het verantwoordelijkheidsbesef
van de burger. In dat verband heb ik in eerste termijn mijn verontrusting
erover uitgesproken dat verschillende levensbeschouwelijke organisaties, waarvan
de leden en de werknemers moreel en religieus sterk verbonden zijn en ook
een sterk verantwoordelijkheidsbesef hebben, zich door het paarse beleid bedreigd
voelen. Dat is toch een kwestie die misschien onder de aandacht van het paarse
kabinet gebracht mag worden. Dat de verantwoordelijkheid van de burger moet
worden versterkt, zijn toch niet alleen politieke woorden, om vervolgens met
een politieke hand die verantwoordelijkheid weg te nemen bij organisaties
die zich juist bij uitstek inzetten om hun eigen en maatschappelijke verantwoordelijkheid
te dragen? Ik noem ze maar bij name, onder andere stichting De Hoop in Dordrecht,
maar ook de psychiatrische begeleiding via het GLIAGG. Verontrusting in die
kringen werkt gemakkelijk door in de richting van het bijzonder onderwijs.
Ik vraag de minister-president om deze organisaties te garanderen dat zij
wat betreft hun verantwoordelijkheid en de steun van de kant van de overheid
eigenlijk niets te vrezen hebben.</al>
        <al>Een laatste punt betreft de Eerste Kamer. Zij voelt in meerderheid niet
zo veel voor het terugzendingsrecht. Ik denk dat dit bij een mogelijk conflict
tussen het kabinet en de Eerste Kamer geen oplossing is. Er is waarschijnlijk
een betere oplossing te vinden voor zo'n mogelijk conflict en dat is: teruggaan
naar het systeem van de verkiezing van de helft van de Kamer eens in de drie
jaar. Dan gaan wij dus terug naar het systeem van voor 1983. Dat lost niet
alles op, want het huidige kiezersbestand is van dien aard dat door verkiezingen
heel forse verschuivingen kunnen ontstaan. Ik meen echter toch dat het de
taak is van het kabinet en de Eerste Kamer om voor de toekomst mogelijke conflicten
zoveel mogelijk terug te dringen. De verkiezing van de Eerste Kamer zou daarom
in twee etappes moeten plaatsvinden, namelijk in etappes van drie jaar zoals
wij dat gehad hebben. Dat doet volgens mij niet de politieke macht van de
Eerste Kamer toenemen, maar wel de politieke beïnvloeding. In een debat
met het kabinet kan dan meer nadruk worden gelegd op de bezinning. Daardoor
kan verder teruggekeken worden, maar ook verder vooruit. Ik herinner mij dat
een van de ministers van een vorig kabinet mij toevertrouwde dat de behandeling
van het begrotingsdebat in de Eerste Kamer voor hem een aanleiding was om
al de volgende dag te gaan werken aan een gedeelte van de inhoud van de memorie
van toelichting op de begroting voor het volgende jaar, omdat hij de bijdrage
via de bezinning van de Eerste Kamer daarvoor van voldoende belang vond. Als
je de politieke bezinning en de politieke invloed op die manier hanteert,
komt het onderwerp terug bij de Tweede Kamer waar het dan bij de bespreking
van de begroting voor het volgende jaar aan de orde komt. Wil de Eerste Kamer
politieke invloed hebben, dan zal er dus meer politieke bezinning moeten plaatsvinden
in overleg met het kabinet en zal de Eerste Kamer uit de buurt moeten blijven
van politieke macht en vooral ook van de macht van coalitiepartijen. De Eerste
Kamer zal dan veel meer als één lichaam gaan werken en in onderling
saamhorigheid politieke kwesties aan de orde stellen die dan met een minder
politieke lading in deze Kamer kunnen worden behandeld.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ruers</naam>
          <partij>SP</partij>
        </wie>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Om te beginnen wil ik de minister-president bedanken
voor zijn uitvoerig antwoord. Op een aantal van die antwoorden wil ik reageren
en ik wil ingaan op een aantal punten waarop hij nog niet is ingegaan.</al>
        <al>Ik hoorde de minister-president zeggen dat het ziekteverzuim scherp is
gedaald. Ik had in mijn bijdrage al aangegeven dat dit naar mijn mening niet
juist was. Ik heb de cijfers van het CBS er nog eens even naast gelegd. De
afgelopen vijf jaar, te beginnen bij 1994, waren die cijfers: 5,5, 5,5, 5,1,
5,1, terwijl de prognose voor dit jaar volgens het CBS 5,6 is. Dat kan ik
niet als een daling zien. De nieuwe Ziektewet is in 1994 ingevoerd. Je moet
naar mijn mening dus in ieder geval vaststellen dat de Ziektewet op dat punt
niet heeft gewerkt, maar dat wij wel zitten met de negatieve gevolgen van
de Ziektewet die ik gisteren heb aangegeven. Een van de belangrijkste punten,
het terugdringen van het ziekteverzuim, is dus niet gerealiseerd. Die zal
naar mijn mening toch eens moeten worden heroverwogen.</al>
        <al>Ik heb de Tobin-tax aangehaald. De minister heeft hierop kort geantwoord
door te verwijzen naar andere discussies die hierover kort geleden werden
gevoerd, vooral aan de overkant. Toch wil ik hierop nog een nuancering aanbrengen
en de mening van de minister daarover vragen. Wij willen een nuancering geven
zoals die ook door Goudzwaard en Hall in het begin van deze maand in de NRC
in een artikel is gegeven. Prof. Soete heeft dat in het begin van dit jaar
in de ESB gedaan. Zij komt er ongeveer op neer dat een onderscheid wordt gemaakt
tussen de niet speculatieve transacties – die dan tegen een lager tarief
zouden moeten worden belast – en de speculatieve transacties, die juist
tegen een hoger tarief zouden moeten worden belast. Voorzover mij bekend is,
heeft de minister daar nog niet zijn mening over gegeven. Ik stel het op prijs
die van hem te mogen vernemen.</al>
        <al>Over de Betuwelijn heeft de minister een aantal interessante opmerkingen
gemaakt. Twee aspecten wil ik naar voren halen. Hij heeft gezegd dat het schrappen
van de Betuwelijn – maar dat ligt niet in zijn voornemen – leidt
tot een toename van het goederenvervoer op de weg. Ons voorstel was letterlijk:
laat de Betuwelijn varen. Dat heeft een dubbele betekenis: afzien van de spoorlijn
en gebruik maken van het vervoer over het water. Zoals bekend, zijn er zeer
goede alternatieven. Als je de spoorlijn alleen maar schrapt en je doet er
niets voor terug, krijg je een probleem met het vervoer. Over het alternatief,
vervoer over water, hoor ik eigenlijk niets, terwijl er uit allerlei richtingen
steeds meer berichten binnenkomen dat het een heel goed alternatief is. Het
geld dat je met de Betuwelijn uitspaart, zou je kunnen besteden aan verbetering
van het bestaande spoor. Dat zou weer goed zijn zowel voor het goederenvervoer
als voor het personenvervoer per spoor. Het geld is dan naar mijn mening veel
beter besteed.</al>
        <al>De tweede reden voor de Betuwelijn is, zoals de minister-president letterlijk
zegt, dat Duitsland erom vraagt. Ik heb vernomen dat er andere berichten zijn
uit Duitsland. Als je kijkt naar de gelden die in Duitsland zijn vrijgemaakt,
met name in Nordrheinland-Westfalen, dan zie je dat er nog nauwelijks investeringen
zijn gedaan of reserveringen zijn gemaakt voor de aansluiting van die dure
lijn van 10 mld. die wij tot Zevenaar leggen. Nordrheinland-Westfalen heeft
grote problemen met de aansluiting in zijn gebied. Ik heb begrepen dat Nordrheinland-Westfalen
met veel waardering kijkt naar de mogelijkheid, de binnenvaart daarvoor in
te schakelen. Ik weet dat er afspraken voor Warnemünde zijn gemaakt.
Gezien de interesse op dit moment in Nordrheinland-Westfalen, zou het belangwekkend
zijn te vernemen of er nog zoveel behoefte in Duitsland is aan die spoorlijn.
Als de minister-president zegt dat dit wel het geval is, dan zou ik het op
prijs stellen als hij later, bijvoorbeeld op schrift, ons daarvan precies
in kennis stelt. Mijn informatie is een andere.</al>
        <al>Over Randstadspoor heeft de minister-president gezegd dat daar onbetwist
voldoende middelen voor zijn. Ik betwijfel dat. Randstadspoor is met name
bedoeld voor de Vinex-gebieden. Er zijn enkele grote Vinex-gebieden, waarvan
een mij van dichtbij bekend is, namelijk in Utrecht waar 30.000 huizen gebouwd
zullen worden de komende tien, vijftien jaar. Randstadspoor is absoluut noodzakelijk
voor goede aansluiting op het openbaar vervoer in die nieuwe gebieden. In
het Vinex-gebied rond Utrecht, een van de belangrijkste in het land, staat
voor Randstadspoor op de agenda als eerste planfase 2006-2008. De tweede planfase
komt na 2010. Ik kan niet zeggen dat daarvoor voldoende middelen aanwezig
zijn, tenzij de minister-president zegt dat deze berekend zijn over een termijn
van vijftien, twintig jaar. Maar daar gaat het niet om. De Vinex-gebieden
moeten tijdig ontsloten worden door openbaar vervoer en Randstadspoor. Ik
hoor graag zijn visie.</al>
        <al>Het hoofdpunt voor deze Kamer wordt gevormd door de bescherming van de
sociale grondrechten. Mevrouw Jaarsma is daarop ingegaan. Voor mij is dat
een heel belangrijk punt. De sociale cohesie wordt daarmee bevorderd. Een
ander punt is of er sprake is van een grondrecht in een rechtstaat. Naar mijn
mening kun je dat ernstig in twijfel trekken. Ik heb gisteren – ik heb
op die vraag geen antwoord gekregen – ernstige ontwikkelingen gesignaleerd
op het gebied van gefinancierde rechtshulp, de Wet op de rechtsbijstand en
de positie van de sociale advocatuur. De minister-president heeft daar niets
over gezegd. De feiten zijn zeer schrijnend. Er gebeurt iets waarvan je kunt
zeggen dat het strijdig is met het begrip grondrecht in een rechtsstaat. Als
de minister-president zegt de sociale cohesie te willen bevorderen, doet hij
op dit gebied naar mijn mening het tegenovergestelde. Ik hoor graag hoe hij
dit rijmt met de bescherming van de grondrechten in een rechtsstaat. Voor
ons is dat een heel belangrijk punt.</al>
        <al>Tot slot wil ik nog iets zeggen over de positie van de Eerste Kamer. Collega
De Boer heeft er iets over gezegd. Ik heb gisteren de richtlijn externe contacten
rijksambtenaren aangehaald. Ik heb mijn ervaring daarmee verteld. Ik heb van
een ander Kamerlid gehoord dat hij een soortgelijke ervaring heeft. Ik hoor
graag van de minister-president hoe die richtlijn uitpakt als wij als Kamerleden
niet die informatie krijgen die iedere andere burger normaal wel krijgt.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Bierman</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik kan de minister-president niet bedanken voor de aandacht
die hij aan mijn betoog heeft besteed, maar ik verwijt  dat
vooral mijzelf. Ik realiseer mij dat ik vooral bezig ben geweest met het geven
van antwoorden en wel op vragen die het kabinet naar mijn mening zouden moeten
bezighouden. Aangezien daarop verder geen mededeling is gekomen, ga ik ervan
uit dat deze vragen het kabinet bezighouden. Ik zou het nu kort kunnen houden
en de minister-president kunnen vragen: zijn er verder nog vragen? Om wille
van de tijd zal ik mij beperken tot een paar antwoorden.</al>
        <al>In eerste termijn heb ik gesproken over het gevaar dat mogelijkerwijze
schuilt in het najagen van extra welvaart met als product geluk ten opzichte
van de welvaart en het geluk die wij reeds hebben opgebouwd. Ik stelde, dat
de balans daarbij naar mijn gevoel gevaarlijk doorslaat naar de gevarenzone.
Ik zou zeggen dat dit in de eerste plaats moet betekenen dat in de plankwaliteit
niet naar maximalisatie, maar naar optimalisatie wordt gestreefd. Ik zie daar
op dit moment nog helemaal niets van en wil twee concrete situaties noemen
om dat nog even aan te stippen.</al>
        <al>Mijnheer de voorzitter! Ik begrijp dat er maandag overleg heeft plaatsgehad
over Schiphol, weliswaar informeel, maar het leidt wel al een bepaalde kant
op. Ik constateer dat niet eerst is bekeken wat eigenlijk precies de duurzaamheid
is en welke ruimte de duurzaamheid biedt om welke optie dan ook te hebben
ten aanzien van verdere groei van Schiphol. Nee, men is meteen al overgegaan
tot de redenering: de tendens in de rapporten die er liggen, gaat duidelijk
in een zodanige richting dat wij substantiële extra groei kunnen realiseren.
Ik heb mij even afgevraagd hoe het toch komt dat het kabinet zo doet. Het
lijkt wel een aandeelhoudersvergadering! Daarin kun je dat soort zaken verwachten.
En dat was het natuurlijk ook, want 75,8% van de aandelen Schiphol is in handen
van de staat. Dat vind ik hier ook geen punt. Laat de aandeelhouders vergaderen,
maar wíj moeten het hebben over de rol van de overheid als wetgever,
als regelgever, als controleur op de naleving van de regels en in mijn ogen
ook als schatbewaarder van datgene wat al is opgebouwd. Dat zie ik in het
geheel niet. Ik hoop dat er toch een gebaar wordt gemaakt. We kunnen natuurlijk
spreken van fanate reacties van de milieubeweging, maar ik vind het eigenlijk
een reactie die zo voor de hand ligt dat je die niet had mogen oproepen door
je gedrag. Maar goed, aandeelhouders hebben we nu eenmaal niet in de hand.</al>
        <al>Optimalisering kan toch, want het gaat goed met de luchtschepen. Ik zou
er dus alsnog voor willen pleiten dat in ieder geval de optimalisering per
luchtschip wordt nagestreefd om de vakantievluchten zo snel mogelijk over
te hevelen naar de regionale luchthavens die daarvan ook een economische impuls
zouden kunnen krijgen. Dan ben je toch een beetje aan het optimaliseren. Wie
weet wat er dan allemaal nog op Schiphol kan blijven als we de werkelijke
hinder afzetten tegen de groei.</al>
        <al>De Betuweroute is ook zo'n mooi voorbeeld waarbij de optimalisatie zichtbaar
kan zijn. De Betuweroute was eigenlijk de Betuwelijn. Die kon daar niet verlengd
worden. Men heeft toen niet gezegd: nu gaan we terug naar de oorspronkelijke
vraag, namelijk hoe kunnen we de betere achterlandverbindingen die nodig zijn
bereiken? Nee, men heeft gewoon gezegd: dan leggen we 'm ernaast. Toen is
eigenlijk het grote probleem begonnen en zijn alle incrementele beslissingen
genomen door het ding op te tuigen met allerlei kostenverhogende factoren
als schermen, tunneltjes en wat niet al. Met andere woorden, in de plankwaliteit
zit al ingebakken dat een maximum aan weerstand wordt opgeroepen. Dat was
niet nodig geweest, want – dit is even een gedachtespinsel – als
was teruggegaan naar de vraag naar betere achterlandverbindingen, dan waren
we wellicht op de Brabantroute uitgekomen. Daaraan zouden wij samen met de
binnenscheepvaart en de IJzeren Rijn en een complementair havenbeleid samen
met Antwerpen, natuurlijk voor een aantal jaren genoeg hebben.</al>
        <al>Dat hoefde niet het enige te zijn, want als de minister-president, zo
begrijp ik het, op een gegeven moment zegt 'we moeten nu al stoptreinen eruit
gooien om de goederentreinen door te laten, dus de nood is hoog', dan zeg
ik: laat u daardoor toch niet in de war brengen, want het ligt natuurlijk
voor de hand dat diegenen die willen dat dit soort dingen gebeurt, nu een
soort nood zullen suggereren. Immers, er zijn twee oplossingen die direct
zouden kunnen werken, namelijk het gebruik van 25 kilovolt waarmee een veelvoud
aan capaciteit te realiseren is, en het meelopend blok waar we nu nog het
staand blok hebben in het seinwezen. Dan zouden we al een heel stuk verder
zijn.</al>
        <al>Dit alles zou je dus hebben gedaan, wanneer je de dwingende doelstelling
van optimalisering meteen vanaf het begin in het beslistraject had ingebouwd.
Dat is niet gebeurd. Nu kan ik tevreden zijn, want of straks de linkervleugel
het kabinet zal bijten of de rechtervleugel, als dat niet gebeurt, zal het
kabinet in ieder geval zichzelf in eigen staart bijten als hierop niet wordt
ingegaan.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Veling</naam>
          <partij>GPV</partij>
        </wie>
        <al>Mijnheer de voorzitter! De heer Batenburg zei zojuist: regeren is vooruitzien.
Ik denk dat regeren in de praktijk ook vaak reageren is. Kenmerken van het
regeerakkoord en ook van verkiezingsprogramma's geven aan dat dit inderdaad
zo is. De agenda wordt vaak bepaald door wat zich aandient. Als je als coalitie
een regeerakkoord moet opstellen, ga je het lijstje langs en poog je om het
eens te worden over al die zaken die zich aandienen; vervolgens ga je van
start. Dit is de plaats – ook vandaag is er weer over de 'chambre de
réflexion' gesproken – om met wat meer afstand te kijken naar
het regeerakkoord en de coalitie. Mijn bijdrage was een poging daartoe.</al>
        <al>Voorzitter! Ik heb gesproken over de plaats van de nationale overheid
in een situatie waarin andere overheden of andere overheidsbevoegdheden zich
aandienen. Ik denk aan Europa, de decentralisatie naar provincie en gemeenten
en aan verzelfstandiging. In het uitoefenen van overheidsfuncties is een grotere
diversiteit aan het ontstaan. De vraag rijst, waar in dit geheel de plaats
van de nationale overheid is. De minister-president heeft zich gericht op
de vraag hoe wij de samenleving ordenen. Doen wij dat met heel gerichte en
geleide ordening of biedt de open ordening, die volgens de WRR-studie aan
betekenis wint, op termijn een bevredigende oplossing? Zijn er wat dit betreft
geen grenzen? Loopt men hiermee geen risico's?</al>
        <al>Een andere vraag is hoe wij in Nederland omgaan met de overheidsverantwoordelijkheid
ten  opzichte van burgers die zonder achterstelling hun plaats
in de samenleving moeten kunnen innemen. Op welke wijze waarborgen wij gelijkheid?
Ik herinner wat dit betreft aan de suggestie die ik in eerste termijn heb
gedaan. Waar het gaat om het bevorderen van een samenleving waarin mensen
hun leven naar eigen inzichten en op bevredigende wijze kunnen inrichten,
kan de emancipatie van de individuele burger worden gekozen. Ik heb de indruk
dat het kabinet dat ook doet. Natuurlijk is er over deze doelstelling veel
goeds te zeggen, maar de vraag rijst of dit uitgangspunt niet erg overheersend
is geworden en door een zekere eenzijdigheid wordt gekenmerkt. Ik verwijs
hierbij naar de wijze waarop wij de afgelopen jaren zijn omgegaan met de sociale
zekerheid. Het moest een activerend stelsel worden en ook daarin zit iets
van het emanciperen van het individu. Echter, wij hebben vaak over de maatvoering
gesproken; daar kunnen vraagtekens bij worden gezet.</al>
        <al>Ook de vrouwenemancipatie vormt een belangrijke doelstelling. Echter,
naar het mij voorkomt, levert daarbij de wens om individuen de mogelijkheid
te bieden om zich te emanciperen, een wat eenzijdige invalshoek op. In eerste
termijn sprak ik over het forceren van andere vormen van samenleven naast
het huwelijk, inclusief het adopteren van kinderen. Ook dat lijkt mij eerder
ingegeven door de wens om individuen mogelijkheden voor emancipatie te bieden
dan dat is nagegaan of hier niet ook andere factoren een rol mogen spelen.</al>
        <al>Ik kom hierop terug omdat de minister-president heeft aangegeven dat er
van alles op moreel terrein moet gebeuren maar dat hij zichzelf liever geen
zedenmeester noemt, maar beschermer van rechten.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Grondrechten!</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Veling</naam>
          <partij>GPV</partij>
        </wie>
        <al>Dat begrijp ik; dat sluit ook heel goed aan bij wat ik zo-even signaleerde.
Je kunt gemakkelijker maatregelen vanuit de grondrechten bepleiten. Dan sta
je sterk. Je benadert dan de morele orde vanuit het idee van individuele rechten,
maar dat heeft toch iets eenzijdigs. Het is niet moeilijk om dit in het huidige
beleid te constateren. Echter, als je als overheid je best doet om allerlei
vormen van verslaving tegen te gaan, kun je dat heel moeilijk onder de noemer
'rechten' onderbrengen. Dat moet je ook niet willen, maar daarom is het nog
wel een belangrijke taak. Terecht is de overheid daar actief in. Als wordt
gewezen op het belang van maatschappelijke cohesie, is het heel lastig om
daarover te spreken in termen van rechten. Dat lijkt geforceerd, maar daarmee
is het wel een belangrijke doelstelling. Als je als overheid verantwoordelijk
bent voor de hygiëne van de publieke ruimte – in de ruimste zin
des woords: er mag geen geweld zijn, mensen moeten er zich in kunnen begeven
en moeten zich er plezierig voelen – dan kun je dat moeilijk formuleren
in termen van grondrechten, maar dat laat onverlet dat er wel wat aan moet
worden gedaan. Ik 'zoom' hier nog even op in. Wil de minister-president reageren
op de vraag of het kabinet in zijn concept van regeren niet een zekere eenzijdigheid
vertoont waar het gaat om de emancipatie van individuen als uitwerking van
de overheidsverantwoordelijkheid voor het waarborgen van een rechtvaardige
samenleving?</al>
      </spreker>
      <draad>
        <al>De vergadering wordt van 16.08 uur tot 16.30 uur geschorst.</al>
      </draad>
      <spreker nw="ja">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng in tweede
termijn. Kennelijk stak de presentatie in het laatste uur schraal af bij eerdere
gelegenheden. Dat is jammer. Daarom is dat allereerst een aansporing om ervoor
te zorgen dat ik hier volgend jaar ook nog sta, want dan kan ik het weer van
mijzelf winnen. Ik heb voorts begrepen dat er hier en daar kleine lacunes
in de beantwoording zijn ontstaan. Dat is echter onvermijdelijk. Ik begrijp
dat het voor sommigen grote lacunes zijn, maar je zit in de late en vroege
kleine uurtjes te staren op alle teksten, waarna je een keuze moet maken.
Sorry, maar zelfs in tweede termijn kan er hier en daar iets blijven liggen.
Dan kan ik echter altijd nog bezien, samen met mijn medewerkers, of dat aanleiding
is voor een schriftelijke reactie. Wellicht kan de Kamer ook rekening houden
met het feit dat hier nog een hele reeks van begrotingen, wetsvoorstellen
en nota's aan de orde komt. Ik zal in ieder geval proberen om zo goed mogelijk
op de gemaakte opmerkingen te reageren. Ik begin in omgekeerde volgorde.</al>
        <al>De heer Veling heeft, verwijzend naar zijn bijdrage in eerste termijn,
gesproken over de plaats van de nationale overheid, in de verhouding tussen
de lokale overheden, de decentralisatie en de provincies en de verhouding
tot Europa. Ik heb de indruk, kijkend naar de wijze waarop hij de problematiek
van de grondrechten benadert, dat er niet zoveel licht zit tussen mijn inbreng
en de zijne, behalve als het gaat om de onoverbrugbare verschillen die wij
met ons dragen.</al>
        <al>Ik kom op één element terug. De heer Veling legde sterk
de nadruk op de emancipatie van het op de individuele burger gerichte karakter
van een aantal keuzen dat ook in het verleden is gemaakt. Hij noemde als voorbeeld
de activerende sociale zekerheid, waarbij burgers in staat moeten worden gesteld
beter tot hun recht te komen. Ook wees de heer Veling op de emancipatie van
de vrouw en op de adoptiemogelijk- heden voor partners van gelijk geslacht.
Ik heb wat het laatste onderwerp betreft helemaal niet de indruk dat dit een
op de individuele burger gerichte beslissing is. Het gaat hier om een beslissing,
waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere wensen en aspiraties van
partners van hetzelfde geslacht. Dat heeft ook iets te maken met een vorm
van emancipatie.</al>
        <al>Ik ben van mening, kijkend naar de bijdrage van de heer Veling op dat
punt en zijn andere voorbeelden, dat individuele keuzen, gericht op de vrijmaking
van de individuele burger, nooit los mogen worden gezien van de maatschappelijke
verantwoordelijkheid die wij met elkaar hebben. Een gemeenschap is pas werkelijk
een gemeenschap als er sprake is van voldoende binding. Het gaat dan niet
om het alledaagse respect of dat sleetse begrip tolerantie, maar om werkelijk
respect voor elkaar en saamhorigheid. Dat kan het best tot zijn recht komen
in een samenleving van vrije en vrijgemaakte burgers die daar op basis van
hun individualiteit recht op hebben.</al>
        <al>In die zin maak ik een kanttekening bij enkele voorbeelden van de heer
Veling, vooral als het gaat om de vraag of daarbij inderdaad sprake is van
individuele burgers. Ik zie in het vrijmaken van de individuele burger en
het collectief ervaren van  gemeenschapszin, als daar inhoud
aan is gegeven, geen tegenstelling. Het is wel wenselijk om wat dat betreft
tot een aanvulling te komen. Dat is iets anders dan een gemakkelijke poging
om een brug te slaan. Ik weet heel goed dat juist dit heel lastig ligt. Het
Sociaal en cultureel planbureau heeft daar in zijn Sociaal en cultureel rapport
1998 heel veel behartigenswaardige dingen over gezegd. De voordelen van vrijmaking
en het meer ruimte geven aan de individualiteit worden geplaatst tegenover
de nadelen die daaraan zijn verbonden. Het komt er steeds op aan, daarin op
de juiste wijze een zekere balans te vinden.</al>
        <al>Ik heb nog wat beter gekeken naar de bijdrage van de heer Bierman in eerste
termijn. Voor hem draait alles om geluk. Hij zegt eigenlijk dat wij daar al
zoveel van binnen hebben dat dit een extra reden is om meer naar optimalisering
dan naar maximalisering te streven. Even afgezien van de vraag of iedereen
het er wel mee eens is dat wij genoeg geluk hebben, heeft dit natuurlijk ook
sterk met welvaartsontwikkeling te maken. Optimalisering staat bij het kabinetsbeleid
in belangrijke mate voorop, maar het blijkt dat je bij het hanteren van dit
begrippenkader al snel stuit op een aantal keuzes. De heer Bierman heeft ook
duidelijk gezegd dat er verschillen zijn.</al>
        <al>Maar ik vind dat hij niet helemaal recht doet aan bijvoorbeeld de diepgang
waarmee de hele problematiek van Schiphol wordt benaderd. De heer Bierman
zei dat wij in een soort aandeelhoudersvergadering meteen een sprong vooruit
naar groei hebben gemaakt, terwijl het aspect duurzaamheid nauwelijks zou
zijn geanalyseerd. Wie dit zo ziet, maakt misschien toch de vergissing, een
lange periode over het hoofd te zien waarin in het kader van de nut en noodzaak-discussie
op weg naar een integrale beleidsvisie heel grondig wordt bekeken, hoe de
groei zodanig geaccommodeerd kan worden dat die gepaard gaat met het zoveel
mogelijk realiseren van wenselijkheden op het vlak van milieu en ecologie,
en zo mogelijk zelfs het creëren van win/win-situaties.</al>
        <al>Nogmaals, verschil van inzicht kan er zijn. Dat geldt voor Schiphol, het
geldt ook voor de Betuweroute, maar toen ik de tweede termijn van de heer
Bierman aanhoorde en ook mijn aantekeningen van de eerste termijn nog eens
nakeek, kreeg ik toch de indruk dat hij de wijze waarop het kabinet dergelijke
kwesties heeft benaderd, iets te eenzijdig afdoet. Het pleidooi om ook de
zachte sector een stevig accent te geven is mij uit het hart gegrepen, maar
ook daarbij geldt dat je de 'zachte' sector beter tot z'n recht kunt laten
komen in een economie die op basis van optimalisering concurrerend en hoogwaardig
is, waarbij toch ook die 'harde' component nodig is.</al>
        <al>De heer Ruers heeft nog over de cijfers voor het ziekteverzuim gesproken.
Nu heeft het CBS voor 1997 een cijfer van 4,6% genoemd, exclusief zwangerschap
en bevalling, en 5,1% in totaal. In het eerste en het tweede kwartaal van
dit jaar is het cijfer licht gestegen, maar met de aantekening dat het verzuim
in het eerste halfjaar altijd iets hoger is dan het jaargemiddelde. Ik heb
dan ook de indruk dat wij nu over cijfermateriaal uit verschillende bronnen
spreken. Dit is wellicht een reden temeer om er bij een andere gelegenheid
uitgebreider op in te gaan met in het bijzonder de bewindslieden van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.</al>
        <al>'De Betuwelijn laten varen.' Ik vind het zo goed mogelijk gebruik maken
van de waterwegen voor het goederenvervoer prima, maar ik heb niet de indruk
dat dit een volledig, volwaardig alternatief is voor het gebruik van het spoor.
En wat de behoefte van Duitsland betreft, ik heb in de afgelopen jaren en
vooral in de afgelopen maanden nogal wat mensen ontmoet die in Duitsland een
verantwoordelijke positie hebben en die zich geweldige kopzorgen maken over
de toenemende congestie aldaar. Zij hebben dan ook buitengewoon veel belangstelling
voor en belang bij hoogwaardig goederenvervoer dat ervoor zorgt dat de overbelasting
van de weg niet nog ernstiger wordt.</al>
        <al>Een Tobin-tax kan natuurlijk alleen maar werken als alle landen in de
hele wereld daaraan meewerken. Daar blijkt tot nu toe nog niet veel aanhang
voor te bestaan. Een taks van 0,5% kan kapitaalvlucht niet voorkomen; als
men een devaluatie van bijvoorbeeld 50% vreest, gaat het om een honderdvoud
daarvan. Zo'n belasting heeft ook een negatieve uitwerking op allerlei onomstreden
kredieten, en dat brengt ons precies bij het punt waar het om gaat.</al>
        <al>De heer Ruers vraagt of daarbij dan geen onderscheid kan worden gemaakt
tussen speculatief en ander kapitaal. Ik denk dat dat gemakkelijker gezegd
dan gedaan is. Morgen is er een algemeen overleg in de Tweede Kamer, tijdens
hetwelk minister Zalm naar aanleiding van de jaarvergadering van het IMF en
de Wereldbank aan een kruisverhoor zal worden onderworpen. Daar zal deze kwestie
ook zeker nader aan de orde komen.</al>
        <al>De positie van de sociale advocatuur is nooit gemakkelijk geweest. Zoals
in het debat met de Tweede Kamer is aangegeven, is de positie thans zorgelijk.
In dit kader wordt onderzoek verricht naar de kwantiteit en kwaliteit van
de rechtsbijstand. Dat gezegd zijnde, gaat het mij wat ver om de gemaakte
opmerkingen rechttoe-rechtaan gelijk te stellen met de vraag of Nederland
wel een rechtsstaat is. Daarbij zou iets meer aan de orde zijn, maar ik begrijp
de verzuchting. Ook de voorganger van de heer Ruers in deze Kamer heeft hier
regelmatig belangrijke opmerkingen over gemaakt.</al>
        <al>Ik kom op de informatieverschaffing door en de mogelijkheden van contacten
van ambtenaren met derden, waaronder Kamerleden. Ik heb nog steeds het gevoel
dat daar een vuurtje is gaan lopen dat een dynamiek heeft gekregen die ik
in ieder geval nooit heb gewild. Ergens in maart van dit jaar hebben wij een
aangepaste notitie van Binnenlandse Zaken gehad, waarin enige actualiseringen
stonden van aanwijzingen en richtlijnen voor ambtenaren in contacten met derden.
Het gaat daarbij natuurlijk niet om het verstrekken van feitelijke informatie
over een of ander onderwerp. Er is geen sprake van dat wij richtlijnen over
dat soort dingen zitten te maken.</al>
        <al>Iets anders is dat het, gegeven de verantwoordingsplicht en de plicht
tot informatieverschaffing door de minister aan de Kamer, verstandig is om
heel heldere afspraken te hebben over de vraag hoe de verantwoor- dingsplicht
van de minister tegenover de Kamer zich verhoudt tot de rol van ambtenaren
daar langsheen. Er is geen sprake van een verbod voor medewerkers om met Kamerleden
te communiceren. Als het echter om wat ingrijpender  onderwerpen
gaat, als het niet alleen informatieverschaffing is, maar als er ook andersoortige
bijdragen worden geleverd aan het denken – ik denk aan het meewerken
aan de voorbereiding van amendementen en aan initiatiefvoorstellen –
is het een gulden regel dat dat wordt gemeld. De minister en de staatssecretaris
moeten daarvan weten; dat is doodnormaal.</al>
        <al>Wat was er in maart aan de orde? Een aantal dingen, waaronder het adviesstelsel,
was veranderd. Daarom was een zekere actualisering nodig met hier en daar
wat punten en komma's en andere woorden in de al geldende aanwijzingen. De
ministerraad heeft dat vastgesteld en vervolgens is het in de Staatscourant
gepubliceerd. Iemand heeft dat maanden later nog eens bekeken en in relatie
gebracht met een nieuw kabinet. Er zou een aanscherping zijn. De knoet zou
er overheen gaan. Ambtenaren zouden niets meer mogen. Het is echt buiten iedere
proportie geraakt. Wij moeten niet koudwatervreesachtig omgaan met meningsuitingen
van ambtenaren. Immers, ook zij kunnen een bijdrage leveren aan het maatschappelijk
debat. Er zijn echter wel eens momenten waarop men, door de positie die men
heeft of door de aard van de uitspraken, op gespannen voet komt te staan met
datgene waarvoor de minister politiek staat en waarop deze ook wordt aangesproken.</al>
        <al>Kort en goed, als Kamerleden voor hun functioneren behoefte hebben aan
feitelijke informatie mag er sowieso geen probleem zijn. Als het gaat om overige
ondersteuning die men nodig heeft in het functioneren als Kamerlid, is een
gouden regel, die in de aanwijzing is herbevestigd, dat dit wel aan de minister
bekend moet zijn en dat de minister er in voorkomende gevallen over kan oordelen.
Dit om te voorkomen dat sluipenderwijs een soort uitholling van de informatieplicht
en verantwoordingsverplichting van de minister tegenover de Kamer ontstaat.
Dat is alles wat ik hierover wilde zeggen. Het was misschien toch wel weer
lang, maar dan heb ik het ook eens van mij afgepraat.</al>
        <al>De heer Schuurman heeft gezegd: geef eens eerlijk antwoord op de vraag
hoe het nu zat met D66 en of de Eerste Kamer ook een rol speelde. Ik weet
werkelijk niet wat bij iedereen een rol kan hebben gespeeld. Ik weet alleen
dat de drie tot de vorige coalitie behorende partijen, de verkiezingen zijn
ingegaan met de mededeling: als u ons in voldoende mate steunt, kiezers, willen
wij bij voorrang een poging doen om een nieuw kabinet met dezelfde samenstelling
tot stand te brengen. Dat was de lijn. Ik heb in mijn beantwoording van vanmorgen
aangegeven dat de verkiezingsuitslag bij de partij die verliezen had opgelopen
natuurlijk de vraag opriep of wij wel of niet door zouden gaan. Dat heeft
in een vroeg stadium tot de beantwoording van een aantal vragen geleid. De
andere twee partijen hechtten zeer aan de voortzetting van de combinatie.
In die afweging, voorzover ik die heb kunnen meemaken, heeft de vraag hoe
het in de Eerste Kamer stond, niet expliciet een rol gespeeld. De heer Schuurman
vroeg mij dat op de man af. Ik geef hem op deze wijze een antwoord. Ik zie
in zijn ogen dat hij er het zijne van denkt. Dat is over het algemeen een
goede eigenschap. Ik denk ook over heel veel dingen het mijne.</al>
        <al>Ten aanzien van het ouderenbeleid en de universiteiten is gevraagd hoe
het moet met de pensioengerechtigde leeftijd. Dat is een kwestie van de wijze
waarop dat punt in dat soort sectoren wordt aangepakt. De 65-jarige leeftijd
als leeftijd waarop de AOW ingaat, moeten wij volgens mij handhaven. Daar
wordt wel eens verschillend over gedacht, maar het lijkt mij dat wij dat zo
moeten houden. Voor het overige lijkt het mij buitengewoon belangrijk dat
wij flexibeler met deeltijd-VUT, flexibele pensionering, prepensionering omgaan.
Dat zou in het kader van het moderne ouderenparticipatiebeleid een goede zaak
zijn.</al>
        <al>Ik heb over de jeugdproblematiek, de jeugdcriminaliteit en de preventieve
kant daarvan allerminst door de ouders of de scholen te noemen willen zeggen
dat de rol van de overheid daarin zou moeten worden veronachtzaamd. Opmerkingen
zijn vaak weer een reactie op iets dat je wel eens hoort. Er wordt nogal eens
gezegd dat wij daar de overheid voor hebben. Ik vind het ook een hoofdtaak
van de overheid om hierin verantwoordelijkheid te nemen, maar laten wij die
verabsolutering van de rol van de overheid niet te ver doorvoeren. Dit is
toch een aanvulling die nodig is. Vandaar dat dat was terug te vinden in de
Troonrede en in de regeringsverklaring. Iedereen is verantwoordelijk. Het
begint thuis, hoe dat 'thuis' er ook uitziet. Ook de school speelt daarin
een rol.</al>
        <al>Over de notitie van Economische Zaken het volgende. Het is niet de bedoeling
om EZ om te dopen tot het departement van 'ethische zaken'. Men heeft echter
een verantwoordelijkheid. Zo coördineert EZ de elektronische snelweg
en de actieplannen. Op het punt van wetgeving speelt Justitie een rol. Daar
zijn ook de nodige producten over verschenen vanuit Justitie. Er zitten echter
ook andere aspecten aan, zoals ICT en moderne technologie. In de Tweede Kamer
is bij de begrotingsbehandeling van EZ in een motie aan minister Jorritsma
gevraagd om vanuit haar verantwoordelijkheid een notitie aan te reiken. Dat
was de zin van mijn opmerking.</al>
        <al>Wij zijn op zoek naar een betere definiëring van groei. Eigenlijk
zijn wij daar al langer mee bezig. Ik denk dat het verstandig is om op die
weg door te gaan. Wij moeten ons niet blindstaren op de in zogenaamde welvaartstermen
gemeten ontwikkeling van de groei. Wij moeten niet alleen beseffen dat die
kwaliteitsfactor er is, maar ook proberen die steeds zichtbaarder te maken.</al>
        <al>Een breed debat over techniek, milieu, economie en alles wat daarmee verband
houdt, wordt volgens mij al gevoerd naar aanleiding van een aantal nota's.
Milieu en economie biedt daar een basis voor, evenals het NMP 3 en het vervolg
daarop. Het kabinet ondersteunt uiteraard initiatieven die daarop zijn en
worden ontwikkeld.</al>
        <al>Voorzitter! Ik heb inderdaad niet gereageerd op de opmerkingen van de
heer Schuurman over het millenniumprobleem. Hij vroeg zich af of wij wel evenveel
oog hebben voor de maatschappelijke onvrede die hiervan het gevolg kan zijn
als voor het technische probleem. Wij geven voorrang aan de oplossing voor
maatschappelijk vitale sectoren. Alles is erop gericht, geen maatschappelijke
ontwrichting te laten ontstaan op terreinen zoals veiligheid, zorg, energievoorziening,
telecommunicatie en betalingsverkeer. Het maakt uiteraard niet uit of een
sector binnen of buiten de overheidsorganisatie valt. Wij voelen ons verantwoordelijk
voor het zo goed mogelijk coveren van het  geheel. Medio dit
jaar is een onderzoek uitgevoerd naar de kennis van de Nederlandse burger
over aard en mogelijke impact van het probleem. De burger blijkt relatief
goed op de hoogte en weet over het algemeen een goede inschatting te maken
van wat er allemaal mis kan gaan.</al>
        <al>Over een eventuele brede publiciteitscampagne wordt in het vroege voorjaar
besloten. Deskundigen op het gebied van communicatie benadrukken dat de publiekscampagne
alleen succes heeft als burgers concrete informatie en oplossingen geboden
kunnen worden. Ervaringen in het buitenland bevestigen dit. Overigens, in
grote delen van het buitenland is men minder ver dan wij. Nederland is samen
met onder andere het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen verder
dan menig ander land in Europa.</al>
        <al>De heer Schuurman wijst erop dat mensen zich zorgen blijven maken over
deze problematiek, ook al lijkt een en ander onder controle. Daar heeft hij
gelijk in, maar wij moeten het probleem aanpakken waar het op te lossen is.
Gerichte informatieverschaffing over oplossingen blijft uiteraard van groot
belang.</al>
        <al>De heer Schuurman heeft aandacht gevraagd voor de wijze waarop medewerkers
van identiteitsgebonden instellingen hun werk doen. Ik meen dat er in elk
geval geen sprake kan zijn van een tegenstelling. Van iedereen wordt verantwoordelijkheidsbesef
gevraagd. De heer Schuurman wijst erop dat mensen die bij identiteitsgebonden
instellingen werken ervan verzekerd willen zijn dat zij hun werk ongestoord
kunnen doen. Hij vroeg zelfs of de overheid kan garanderen dat dit soort instellingen
niets te vrezen heeft. Voorzitter! Dat gaat heel ver, maar wij hebben zeker
grote aandacht voor dit onderwerp. Wij hebben veel waardering voor de prestaties
van deze instellingen. Ik ga ervan uit dat bij de komende begrotingsbehandelingen,
ook in de Tweede Kamer, aandacht voor deze thematiek wordt gevraagd. Wij kunnen
uiteraard geen gouden bergen beloven.</al>
        <al>Het verraste de heer Batenburg dat ik in mijn eerste termijn inging op
ferme uitspraken die niet van een vraagteken waren voorzien. Voorzitter! Aangezien
dit in zijn tweede termijn ook niet het geval was, zou ik mij snel van zijn
bijdrage kunnen afmaken. Ik heb er echter toch behoefte aan, kort te reageren.
De heer Batenburg schetste een toekomst waarin alle werknemers zijn vervangen
door apparaten. Dat beeld delen wij niet. Bijvoorbeeld de sectoren zorg en
onderwijs kunnen alleen functioneren via intermenselijke contacten. Wie door
een robot wordt verpleegd, zal niet genezen. Wie geen inspirerende leraren
heeft, zal ook niet leren.</al>
        <al>Voorzitter! De heer Batenburg heeft kritiek geuit op het beleid ten aanzien
van Philips. Ik zeg met nadruk dat Philips 20% van de totale research and
development van het Nederlands bedrijfsleven voor zijn rekening neemt. Philips
zou een groter beslag op overheidsmiddelen kunnen leggen als het bedrijf gebruik
zou maken van reguliere subsidiestromen. Er is een convenant gesloten waarin
is vastgelegd dat Philips geen gebruik maakt van dit soort instrumenten. Overigens
is het door de heer Batenburg genoemde bedrag niet correct. Het kabinet heeft
recent, als invulling van de bezuinigingen overeengekomen in het regeerakkoord,
de subsidie met 25 mln. verminderd, waardoor het in totaal neerkomt op 65
mln.</al>
        <al>De heer Schuyer heeft een groot aantal opmerkingen gemaakt. Hij heeft
gezegd dat in memories van toelichting ook het EU-beleid, informatie over
Europese richtlijnen en dergelijke zou moeten staan. Het kabinet probeert
de informatievoorziening over voorgenomen Europese regelgeving zo optimaal
mogelijk te doen zijn. Ik geef voorbeelden. Alle commissievoorstellen worden
via BNC-fiches naar het parlement gestuurd. Agenda's en verslagen van alle
raden, ook informele, gaan naar het parlement. Over de staat van de Europese
Unie is iets in het regeerakkoord gezegd. Ik dacht dat de heer Schuyer daar
ook even op aanhaakte. De wijze van behandeling is een zaak van de Tweede
en Eerste Kamer. Ik heb in de Algemene Beschouwingen óf in het debat
over de regeringsverklaring in de Tweede Kamer gezegd dat het kabinet zeer
openstaat voor suggesties om hier tot vernieuwing en verbetering te komen.
Als Europa zozeer deel is van ons nationale beleid – en dat is het geval –
is het van betekenis dat dit in de wijze van werken aandacht krijgt. Dat vraagt
het nodige van het kabinet en de departementen, maar het is uiteraard aan
de Kamer om te bezien hoe zij daarmee wil omgaan.</al>
        <al>Ik vrees dat ik mijn aantekeningen over de Algemene Bestuursdienst of
de positie van de ambtenaren ben kwijtgeraakt. Dat is niet fraai. Ik heb gezegd
dat de mobiliteit van de Algemene Bestuursdienst door een inzetbaarheid op
meerdere plaatsen in het overheidsapparaat verder zal worden bevorderd. In
het algemeen heb ik in eerste termijn gezegd dat we ook in de arbeidsvoorwaardensfeer
breder op prestatie willen beoordelen en dan uiteraard twee kanten op. Dat
is echt nodig. De wijze waarop topambtenaren worden aangesteld en beloond
maar ook op contractbasis eventueel korter kunnen werken kan daarin een heel
aparte plaats krijgen.</al>
        <al>Ik neem de opmerkingen over aanmelding en aangifte graag ter harte. Als
ik in Amsterdam op straat met mensen zou praten over iets wat er gebeurd is,
zou men zeggen: 'Is er al aangifte gedaan?' en niet: 'Is er al aanmelding
gedaan?' Maar ik begrijp dat hier een wereldje achter zit.</al>
        <al>Bij Schiphol gaat het er niet om, af te wijken van de in het regeerakkoord
geformuleerde normen op het gebied van het milieubeleid in den brede. Ook
de heer De Boer heeft daarnaar gevraagd. Er zal op 18 december een indicatie
moeten worden gegeven over het beleid en de richting van de oplossingen op
lange termijn.</al>
        <al>Voorzitter! De heer Schuyer heeft verder gevraagd of thans een reactie
kan worden gegeven op het bericht in de Volkskrant van hedenochtend inzake
'Geknoei met de EU-begroting'. Ik kan de heer Schuyer in antwoord hierop meedelen
dat het kabinet ieder jaar een reactie aan de Kamer stuurt op het rapport
van de Europese Rekenkamer. Die reactie zal er vermoedelijk in januari a.s.
liggen. Ik ben graag bereid om van deze reactie ook een afschrift aan de Eerste
Kamer te sturen. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen.</al>
        <al>De heer Schuyer heeft ook gevraagd welke consequenties enkele gerechtelijke
uitspraken hebben voor de Koppelingswet. Deze uitspraken worden uiteraard
uitgevoerd. Waar hoger beroep noodzakelijk wordt geacht om de uitspraak te
toetsen en zekerheid te verkrijgen omtrent wat rechtens is,  zal
dit uiteraard worden ingesteld. Op het gebied van de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid is dat gebeurd. Het is te vroeg om meer fundamentele
vragen over de Koppelingswet thans te beantwoorden. Wij zullen de vraag over
het moment van evaluatie in dat licht nader bezien. Voorlopig houden wij het
bij het schema, zoals dat is ingezet.</al>
        <al>Over de kwestie Spijkers bij Defensie zijn schriftelijke vragen gesteld
door de Tweede Kamer. Het antwoord op die vragen kan tegemoetkomen aan de
belangstelling van de heer Schuyer voor dit onderwerp.</al>
        <al>Eerlijk gezegd zijn de advertenties over rekeningrijden mij ontgaan. De
bedragen die kennelijk worden genoemd, zijnde de totale kosten die men dan
per week, per maand of per jaar zou moeten opbrengen, ook als men vijf dagen
per week reist, zijn buiten iedere realiteit. Als je vijf dagen per week werkt,
zijn deze kosten circa ƒ 1000 per jaar. Dat is natuurlijk niet niks,
maar die kosten kunnen gedrukt worden als je carpoolt of het openbaar vervoer
gebruikt. Het is wel de bedoeling dat het ook enig effect heeft. Overigens
worden de opbrengsten ervan volledig teruggesluisd. In het regeerakkoord is
vastgelegd dat de middelen worden heringezet voor lastenverlichtende maatregelen.
In bijvoorbeeld ziekenhuizen gelden roostertijden. Bezien kan worden –
dat kan overigens niet onbeperkt – of er mogelijkheden zijn om de roostertijden
zodanig aan te passen dat geen gebruik gemaakt hoeft te worden van de weg
op tijden dat ervoor betaald moet worden. Nogmaals, het zal niet onbeperkt
kunnen. Dit geldt overigens ook voor andere bedrijven. Het rekeningrijden
zal een aansporing zijn voor bedrijven, instellingen en arbeidsorganisaties
om na te gaan of er geschoven kan worden. Je brengt mensen aan het denken.</al>
        <al>Voorzitter! De heer Holdijk heeft het veilig begroten en veilig ramen
met enige kritische zin begroet. Hij vindt het goed, te horen dat het zo is,
maar hij wil wel zien of het allemaal ook zo uitkomt. Zijn opmerkingen over
waarden en normen roepen bij mij geen kritische reactie op. Mijn opmerking,
geen zedenmeester te zijn, is hier en daar nogal ingeslagen. Ik heb die opmerking
niet gemaakt als antithese ten opzichte van het goed tonen dat de overheid
ten aanzien van waarden en normen wel degelijk een rol heeft te vervullen
en een verantwoordelijkheid heeft voor de samenleving en de burgers. Verdraagzaamheid
is inderdaad niet iets voor slappe mensen. In wetgeving, bestuur en rechtspraak
dienen de door de heer Holdijk ingebrachte elementen in de afweging te worden
betrokken.</al>
        <al>Ik kom op het betoog van mevrouw Jaarsma. Inderdaad, evenwicht is geen
doel, ook als het om de spanningsvelden in het regeringsbeleid gaat. Het kan
ook gaan om hetgeen in het regeerakkoord is neergelegd. Sociale grondrechten
zijn belangrijke verantwoordelijkheden waarop de overheid aanspreekbaar is.
Dat roept wel een aantal vervolgvragen op, bijvoorbeeld over de wijze waarop
de realisatie en veiligstelling van de grondrechten tot stand komen. Een hoofdelement
in het betoog van mevrouw Jaarsma is dat dit eigenlijk niet past bij een terugtredende
overheid. Ik heb moeite met die stelling. Wij hebben de verantwoordelijkheid
om vanuit de publieke taakvervulling erop toe te zien dat bepaalde rechten
worden gerealiseerd. Dat kan in een goede ordening van de rol van de overheid
en die van marktkrachten en anderen die in dat proces verantwoordelijkheid
dragen ook goed tot zijn recht komen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Mevrouw</aanspr>
          <naam>Jaarsma</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Ik ontken – voor de Handelingen – dat ik heb gezegd dat dit
niet kan. Ik heb alleen een aantal stringente randvoorwaarden aangegeven waaraan
voldaan moet worden voordat tot die stap besloten wordt. Vervolgens heb ik
geconstateerd dat daar in een aantal gevallen in de huidige praktijk nog niet
aan voldaan wordt.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Dat brengt mij op de beoordeling van enkele opmerkingen. Mevrouw
Jaarsma heeft met instemming kennisgenomen van enkele van mijn algemene uitgangspunten
inzake de sociale grondrechten. Wij achten die inderdaad van groot belang.
In het vervolg van haar betoog heeft zij een aantal zorgen die zij in eerste
termijn had uitgesproken, nader toegelicht. Ik zal mijn antwoord uit eerste
termijn niet herhalen. Het kabinet is thans nog niet toe aan het formuleren
van een finaal kabinetsstandpunt op dat grote thema. Daarover is al eerder
gesproken; de Kamer gisteren en ik vanmorgen. Dat zal in het vroege voorjaar
gebeuren. Het lijkt mij van belang dat in de standpuntbepaling terdege rekening
wordt gehouden met de opmerkingen die vandaag zijn gemaakt. Er moet een goede
reactie worden gegeven op uitgesproken zorgen en kritische kanttekeningen.</al>
        <al>Voor eén punt wil ik in het licht van het betoog van mevrouw Jaarsma
met nadruk aandacht vragen. Het feit dat de Grondwet de regering bepaalde
opdrachten geeft, betekent naar mijn opvatting niet dat de uitvoering van
die taken alleen door degenen kan geschieden die door de overheid worden betaald.
Veel uiterst belangrijke publieke taken worden in ons land uitgevoerd door
organisaties die geen overheidsstatus hebben. Bij 'markt' is vaak ook sprake
van een bepaalde notie, alsof die een tegen de overheid geplaatste signatuur
draagt, terwijl 'de markt', de arbeidsmarkt, de markt van de sociale zekerheid
en de verantwoordelijkheid daar in belangrijke mate bestaat uit de organisaties
van sociale partners. Dan is betrokkenheid, medeverantwoordelijkheid en kwaliteitsverbetering
vanuit die invalshoek van groot belang. Laten wij bij organisaties die geen
overheidsstatus hebben ook eens denken aan het onderwijs en aan de gezondheidszorg.
De regering heeft daarbij de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de
taken naar publieke normen gemeten kunnen worden en goed kunnen worden verricht.
In die zin blijft de toetssteen van het sociale grondrecht als beoordelingskader
voor de kwaliteit, voor de prestatie het uitgangspunt.</al>
        <al>Mevrouw Jaarsma heeft ook veel aandacht gevraagd voor de reïntegratie
van uitkeringsgerechtigden op de arbeidsmarkt. Daarbij speelt de arbeidsvoorziening
thans een heel belangrijke rol, zij het dat ook andere private organisaties
reïntegratietrajecten verzorgen. Gelet op de discussie die hierover thans
wordt gehouden, wil ik hier niet te diep op ingaan, maar in het regeerakkoord
is voorzien dat een deel van de arbeidsvoorziening, die thans de integratietaken
en andere taken verricht, dat zal blijven doen. De continuïteit zal gewaarborgd
blijven, maar ook andere bedrijven zullen die taken kunnen verrichten.  Er zullen budgetten beschikbaar zijn om ervoor te zorgen dat deze
taken ook goed worden verricht.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Mevrouw</aanspr>
          <naam>Jaarsma</naam>
          <partij>PvdA</partij>
        </wie>
        <al>Ik ben dankbaar voor het antwoord op de vraag die ik niet heb gesteld.
Ik heb het woord 'arbeidsvoorziening' niet in de mond genomen. Wij hanteren
immers het principe dat je je daar in deze Kamer van onthoudt als je erbij
betrokken bent. Dat heb ik dan ook gedaan. Ik weet niet welke ijverige ambtenaar
dit heeft bedacht.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dank voor dit grote compliment. Dit was wel mijn hoogtepunt van deze dag.</al>
        <al>Maar er volgt nog meer. Er is een vraag gesteld over het mogelijk weer
invoeren van een sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57,5 jaar. Daarover
zal advies worden gevraagd aan de SER in het kader van de vergroting van de
arbeidsparticipatie van oudere werknemers. In de SER-adviesaanvrage zal uitdrukkelijk
aandacht worden besteed aan leeftijdsbewust personeelsbeleid. Het kabinet
zou graag van de SER vernemen hoe naar de mening van de SER het beste gemeten
kan worden of zo'n leeftijdsbewust personeelsbeleid succesvol is. Ook dit
is weer een antwoord op een niet gestelde vraag, want de vraag was: gaan wij
dat eerst beoordelen en komt dan de beslissing om tot een eventuele herinvoering
van die plicht over te gaan? In het regeerakkoord staat het niet voor niets
zoals het er staat. Er zit natuurlijk een volgtijdelijkheid in en dat zal
altijd een moment opleveren waarop het kabinet in gemeen overleg met de Kamer
nagaat of er voldoende aanleiding is om die weg op te gaan.</al>
        <al>Wat is het instrument om een ROC te dwingen een assistentenopleiding in
stand te houden? De wet heeft geen instrument om een dergelijk aanbod per
se overeind te houden. Dat heb ik overigens in eerste termijn ook al gezegd.
Voor het overige verwijs ik hierbij naar mijn eerste termijn.</al>
        <al>De opmerking over de omgangsvormen bewaar ik nog even tot het eind, als
ik twee of drie afsluitende opmerkingen maak over de plaats van de Eerste
Kamer in de toekomst.</al>
        <al>De heer De Boer heeft nog partijpolitieke ontwikkelingen gememoreerd.
Vervolgens heeft hij die terzijde geplaatst in de wetenschap dat die in het
krachtenveld in deze Kamer ook door de fracties kunnen worden becommentarieerd.
Dat is nog maar matigjes gebeurd, maar dat is ieder zijn eigen keuze.</al>
        <al>Het besluitvormingsproces, attitudes van het bestuur, geen cockpitmodel:
ik weet eigenlijk niet wat ik mij onder dat cockpitmodel moet voorstellen,
behalve dan dat ene citaat dat werd gegeven. Van de zomer heeft de heer De
Boer iets aangetroffen van een op het kookpunt geraakt fractielid van een
van de fracties, opgewonden over het feit dat hij of zij had kunnen meedraaien
in een werkgroep en dus echt de besturingsmechaniek van Nederland vorm had
kunnen geven. Ik denk dat je toch wel zo'n ruimte, cockpit genaamd, in zo'n
vliegtuig moet hebben. De passagiers moeten natuurlijk zeggen waar zij heen
willen en zij kunnen wel of niet instappen, maar een beetje sturen hoort er
wel bij. Ik ben in het algemeen voor een open houding vanuit het openbaar
bestuur, ook voor de medewerkers aan het openbaar bestuur. Vandaar dat wij
het Catshuis-overleg niet stiekem houden. Er moet echter wel richting zijn.
Het mooie van deze samenleving is, hoewel het altijd vervelend is als je ongelijk
krijgt van anderen, dat er van alles aan tegenspraak op je afkomt. Ook in
dit huis valt meestal op waar men het niet mee eens is en minder waar men
het wel mee eens is. Maar richting moet er wel zijn.</al>
        <al>Het cockpitmodel heeft onder andere tot functie daarvoor te zorgen. Iedere
persoonlijke annotatie is afwezig bij die cockpit, het gaat echt om het besturingsmechaniek.
Een moderne overheid moet op alle niveaus besturen, richting geven en daarvoor
steun organiseren. Zij moet voldoende openstaan in de processen om uit de
reacties die komen – dat kan via adviezen of informele burgerparticipatie –
lering te trekken. Zonder sturen komen wij nergens. Dit is waarschijnlijk
maar een zeer beperkte reactie op een veel diepzinniger vraag. De heer De
Boer moet dan misschien nog even kort zeggen wat echt het kernpunt is in dat
model dat hij niet wenst.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>De minister-president kan altijd de Handelingen nog een keer nalezen op
een rustig moment, maar dat rustige moment is hem niet zo vaak gegund. Ik
realiseer mij dat wel.</al>
        <al>Mij gaat het erom en dat is het verschil met vroeger, dat bestuur veel
meer interactief tot stand moet komen. Dat staat een beetje haaks op die anekdote
over de cockpit: dat je met vier, vijf mensen het gevoel hebt de lijnen uit
te zetten tot ver in de volgende eeuw. Zo werkt het naar mijn mening niet.
Daar heb ik in mijn tekst de filosofie omheen gebouwd dat de attitude van
de bestuurder veranderen moet om op het stadhuis, in die ivoren toren, achter
het bureau beleid te maken. Beleid breng je in een moderne samenleving interactief
tot stand. Communicatie is tweezijdig. Via overheidsvoorlichting wordt niet
meer alleen de richting aangegeven. Ik heb dus niets tegen sturen, integendeel,
er moet gestuurd worden. Daarover zijn wij het heel gauw eens. De vraag is
op welke manier.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik heb de tekst van de heer De Boer heel goed gehoord gisteren
en goed gelezen en herlezen. Ik vond hem een beetje vaag. Ik hoop dat hij
mij vergeeft dat ik dit zo zeg, maar hij is tegen mij ook niet altijd zuinig
met zijn opmerkingen. Dat beleid interactief tot stand komt, ja... Als er
een land is waar dat gebeurt en dat is ook een van de kenmerken van het poldermodel,
dan is dat ons land. Dat scheepje blijft maar heen en weer varen. Je kunt
toch niet zeggen dat wij hier niet naar elkaar luisteren. Ik zou haast zeggen:
het houdt bijna nooit op!</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Was dat maar waar. Er zijn gisteren en vandaag wel een paar voorbeelden
geweest waar ik in ieder geval anders over denk. Die interactiviteit valt
wat tegen. Mijn verhaal berustte op de wijze waarop het regeerakkoord tot
stand gekomen is. Dat vond ik bepaald niet interactief.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Maar dat is een andere kwestie. Nu praten wij over de vraag: wat is het
contract dat enkele politieke partijen met elkaar sluiten of fracties van
politieke partijen op het moment dat zij hun zegen geven – vergeef mij
het woord, juist bij paars – aan een nieuwe combinatie. De heren Schröder
en Fischer in Duitsland hebben dat op de achterkant van een paar doosjes in
enkele dagen gedaan. Wij met onze Nederlandse Gründlichkeit doen dat
wat uitgebrei der. Maar van het begin tot het eind komt het
erop aan welke afspraken je aan het begin van die rit met elkaar wilt maken.
Je doet dat in de wetenschap dat als die afspraken zijn gemaakt – zelfs
ondanks het feit dat je politiek op de steun van een meerderheid in de volksvertegenwoordiging
kunt rekenen, althans in de Tweede Kamer – je, vanwege dat aangegane
commitment, ieder uur van de dag gehouden bent om te argumenteren, te overtuigen
en samenspraak te organiseren met de samenleving als dat nodig is. Het maken
van een regeerakkoord, het geven van richting aan afspraken die in dat regeerakkoord
worden neergelegd en de wijze van besturen moeten niet te gemakkelijk met
elkaar worden verward. Dat deed de heer De Boer wel.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Ik begrijp dat u dat vindt. Ik vraag aandacht voor de spanning die er
is, als je in een regeerakkoord alles vergaand en minutieus – ik heb
het woord 'verzekeringspolis' gebruikt – vastlegt. De ruimte om daar
vrij over te discussiëren, bijvoorbeeld in het parlement, maar ook in
de samenleving, wordt daarmee metterdaad kleiner, omdat je je dan in feite
al hebt vastgelegd op een aantal vergaande uitvoeringspunten. Ik geef onmiddellijk
toe dat je in een regeerakkoord goede afspraken moet maken, zeker als het
gaat om partijen die het niet per definitie met elkaar eens zijn omdat er
behoorlijk grote verschillen tussen zijn. Ik zou graag een politiek willen,
die op hoofdlijnen de zaak regelt, en vervolgens in het parlement door overtuigingskracht
probeert meerderheden te verwerven. Dat vind ik een leukere manier om in een
moderne samenleving tot beleid te komen. Maar daarover kun je van mening verschillen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>De praktijk van de afgelopen maanden laat in ieder geval zien dat de uitgebreidheid
van een regeerakkoord niet rechttoe, rechtaan evenredig is aan het gemak waarmee
parlementaire steun kan worden verworven. Maar dat is een ander verhaal.</al>
        <al>Voorzitter! De heer De Boer zegt met iets te veel graagte in zijn stem
en met iets te veel pret in zijn ogen dat het idee om 1,3 mld. op Europa te
besparen wel in schoonheid zal sterven. Ik hoop dat wij hem zullen laten zien
dat dit niet waar is, dat wij inderdaad een eerlijker deel krijgen in de Europese
inkomsten en uitgaven en dat de soberheid wordt betracht die wij in Nederland
ook moeten opbrengen. De tour d'Europe om ervoor te zorgen dat naast de markt
en de munt ook ecologisch en sociaal de kwaliteit van Europa verbetert, is
voor mij niet iets nieuws wat moet gebeuren. Dat is bij wijze van spreken
een missie die al jarenlang wordt uitgevoerd. Men kan verschillend denken
over het resultaat, maar het is in ieder geval wel de ambitie.</al>
        <al>Het is absoluut niet zo dat ons beroep op steun voor een zetel in de Veiligheidsraad
gebaseerd was op bijdragen die Nederland bilateraal levert aan de kas van
andere landen. Onze campagne en het beroep op steun waren gebaseerd op onze
multilaterale inspanningen, onze stem in de VN-instellingen, onze steun daaraan
en onze oriëntatie. Die inspanning blijft natuurlijk voluit bestaan om
de manier waarop men Nederland kent, ook waar te maken en degenen die ons
gesteund hebben niet teleur te stellen.</al>
        <al>Over de Betuwelijn is nu wel voldoende gezegd. Wij zijn het daarover eenvoudig
niet eens. Ik ben ervan overtuigd dat de noord- en de zuidtak er wel zullen
komen. De kans dat ze er komen, is groter als er vanuit de cockpit druk wordt
uitgeoefend om te bereiken dat het gebeurt. Ik waag het zeer te betwijfelen
dat de critici hun kritiek vooral baseren op voortschrijdend inzicht. Het
is meestal inzicht dat allang bestond en dat men op geëigende momenten
herhaalt en in een ogenschijnlijk nieuw jasje stopt.</al>
        <al>Ik meen dat de verantwoordelijkheid ten aanzien van de uitstroom van asielzoekers
al gescheiden is. De IND is verantwoordelijk voor de behandeling van asielverzoeken.
De Vreemdelingendienst is en blijft verantwoordelijk voor alle maatregelen
op het gebied van toezicht en verwijdering van die vreemdelingen die niet
in Nederland mogen blijven. De IND faciliteert wel ten aanzien van de vreemdelingen
die zeer moeilijk verwijderd kunnen worden – en daarbij moet men denken
aan Ter Apel – en ten aanzien van de inspanningen om laissez passers
te verkrijgen. Lukt dat laatste, dan is het weer de Vreemdelingendienst die
zorgdraagt voor de verwijdering, bijvoorbeeld met behulp van de marechaussee.</al>
        <al>Wat de financiering van de toekomstige mogelijke aanvullende locatie betreft,
zal de vraag wat er van overheidszijde gestoken wordt in de directe investering
of in de begeleidende infrastructuur, beantwoord moeten worden als alle informaties,
inzichten en cijfers erover beschikbaar zijn. Ik zeg dit met een schuine priemende
blik van de minister van Financiën in mijn linkerwang. Zijn stelling
is een heldere en een heel belangrijke voor het kabinet. Die geeft aan dat
wij hier afgewogen bedrijfseconomisch mee willen omgaan. Wij beoordelen dit
ook op grond van de belangen van de belastingbetaler maar het houdt natuurlijk
bij een luchthaven sec, waar die ook ligt, niet op. Er is altijd de nodige
infrastructuur bij. Wij zullen dit in elk geval buitengewoon kritisch bekijken.
De sector is vaak zeer gemakkelijk in het aanreiken van verantwoordelijkheden
aan de belastingbetaler en, namens hem, het kabinet terwijl men later wél
een bovenevenredig gedeelte van de voordelen binnenhaalt. Ik vind dat er sprake
moet zijn van een heel strakke beoordeling van het financiële geheel.</al>
        <al>Wat de beperking van de groei van het luchtverkeer betreft zullen wij
uiteraard alles doen wat wij kunnen om er, in het kader van de selectiviteit,
aandacht voor te vragen en invulling aan te geven. Er is ook mondiaal het
nodige aan de hand, maar wij gaan niet zover dat wij die mondiale bekommernis
zodanig laten terugslaan op Nederland, dat wij er op grond van mondiale overwegingen
van afzien. Dat is niet de hoofdlijn.</al>
        <al>Op het terrein van het integrale veiligheidsbeleid sluiten wij zeker aan
bij lokale initiatieven. Hiervoor zijn vrij grote bedragen beschikbaar in
het kader van het grotestedenbeleid. Het integrale veiligheidsbeleid is daarvan
een onderdeel.</al>
        <al>De heer De Boer stelt voorts een vraag over de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid
van de minister. Voorzitter! Om elk misverstand weg te nemen, onderstreep
ik dat minister Jorritsma helemaal niets aan verantwoordelijkheden wegwimpelt.
Zij heeft alleen willen zeggen dat zij niet een zodanige situatie wil dat
een zittende minister van Verkeer en Waterstaat en een oud-minister van Verkeer
en  Waterstaat beiden in een staatsrechtelijke hoedanigheid
over hetzelfde onderwerp met de Kamer communiceren. Het is slechts één
minister die het doet en dat is de huidige minister. De oud-minister van Verkeer
en Waterstaat loopt voor niets weg maar in staatsrechtelijke zin kan er geen
misverstand bestaan. Draagt iemand, als hij of zij in een nieuw kabinet een
andere portefeuille heeft gekregen, ook in die nieuwe situatie staatsrechtelijke
verantwoordelijkheid voor de vorige periode met zich mee? Heeft de huidige
minister van Economische Zaken, waar het gaat om V en W-aangelegenheden uit
de vorige periode, een subrol te spelen? Neen, voorzitter, zo werkt het staatsrechtelijk
niet.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>De Boer</naam>
          <partij>GroenLinks</partij>
        </wie>
        <al>Los van de situatie en de persoon hecht ik eraan om hierover glasheldere
duidelijkheid te verkrijgen. Als een dergelijke situatie zich voordoet en
een Kamer op grond van een rapport van de Algemene Rekenkamer tot het oordeel
komt dat er in het verleden iets is gebeurd dat absoluut niet kan, is de zittende
minister verantwoordelijk voor dat oordeel van de Kamer. Niettemin is het
heel lastig om tegen die zittende minister, die er part noch deel aan heeft
gehad, te zeggen dat je het er grondig mee oneens bent en dat de staatsrechtelijke
verantwoordelijkheid aan de orde moet worden gesteld. Tegelijkertijd zit de
minister die met een en ander in het verleden te maken had, in het kabinet
maar die is in formele zin niet meer verantwoordelijk omdat hij of zij een
andere portefeuille heeft. Voorzitter! Ik vind dit een lastige casus.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Het is de heer De Boer bekend dat er wat dit betreft voorbeelden
te geven zijn, maar het is niet zo gemakkelijk om een schets te maken waarmee
een antwoord kan worden gegeven op alle eventuele casussituaties. Het is sterk
afhankelijk van wat een oud-bewindspersoon ten laste wordt gelegd, om het
in die termen te vertalen. Het is op enig moment de Kamer die haar standpunt
bepaalt tegenover de minister die thans de portefeuille heeft of de minister
die de portefeuille heeft beheerd. De Kamer maakt, in het licht van gedachtewisselingen
en uitspraken die daarover zijn gedaan, uit in hoeverre er sprake is van stokkend
vertrouwen. Echter, de mij voorgelegde vraag is: hoe zit het met die verantwoordelijkheid?
Nogmaals, in de concrete situatie heeft mevrouw Jorritsma – dat is ook
haar kenmerk niet – absoluut niet de bedoeling om weg te lopen, voor
wat dan ook. Geheel afgezien daarvan is het de nieuwe minister die tegenover
het parlement verantwoordelijk is voor de informatieverschaffing, de gedachtewisselingen
enz., óók waar het gaat om de vorige periode. Dat geldt ook
wanneer in die vorige periode iemand bewindspersoon was, die thans ook deel
uitmaakt van het nieuwe kabinet.</al>
        <al>Voorzitter! De heer Ginjaar heeft enkele opmerkingen gemaakt over de kwestie
van de positie ten opzichte van het kabinet, het onderlinge respect en vertrouwen.
Een en ander zal zeker ook gelden voor het partijgenootschappelijke verkeer
tussen degenen die in de Tweede en in de Eerste Kamer functioneren.</al>
        <al>Ten aanzien van het financieel-economisch beleid werd gevraagd naar wat
er precies moet worden verstaan onder 'meeademen'. De heer Ginjaar gaf mij
op dit punt een compliment, maar ik vraag mij dan altijd onmiddellijk af of
het ook echt wel zo bedoeld is. Waarschijnlijk was dat in dit geval niet zo.
In mijn woorden gezegd, wordt met 'meeademen' het volgende bedoeld. Doordat
wij nu zeer royaal onder de 3%-norm zitten – we bevinden ons ongeveer
op 1,25% EMU-tekort – is het beleidsmatig mogelijk om bij conjuncturele
bewegingen niet onmiddellijk een averechtse budgettaire reactie te geven.
Dat is geen vrijbrief om voor onbeperkte tijd alle mogelijke rampen over je
heen te laten komen. Je hebt echter wel beleidsruimte. Het trendmatig begrotingsbeleid
dat in het verlengde van de vorige periode tot stand is gebracht, geeft daartoe
de mogelijkheid. Dát bedoelde ik te zeggen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Ginjaar</naam>
          <partij>VVD</partij>
        </wie>
        <al>De minister moet mijn compliment niet met wantrouwen bejegenen. Ik had
zelfs nog een andere uitdrukking in het hoofd, maar die heb ik niet uitgesproken.
Ik wil dat nu wel doen: hoe verzint'ie het?! Daar ben ik jaloers op.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Dat ligt aan de onvolprezen creativiteit van de minister van Financiën.
Hij souffleert ons regelmatig op dit soort punten. Overigens weet ik niet
of er wel een alternatief is voor meeademen. Dat lijkt mij een goede levenshouding.</al>
        <al>Voorzitter! Ik kom te spreken over cijfers van het CPB en de OESO. Geleidelijk
aan begin ik hier wat over in verwarring te geraken. De OESO heeft afgelopen
dinsdag in de World Economic Outlook voorspeld dat het BBP volgend jaar met
2,7% groeit. Dat sluit precies aan bij de verwachtingen van de Commissie.
Vandaag stond in de krant dat het CPB haar voorspelling voor de BBP-groei
in 1999 heeft verlaagd naar 2,5%. Dat cijfer ken ik niet. Wel is het zo dat
rekenmeesters in Den Haag de vinger voortdurend aan de pols houden. Dat is
niet onbelangrijk. Ten tijde van de opstelling van de MEV in het kabinet hebben
wij in de REA al aan de directeur van het CPB gevraagd welke onzekerheidsvarianten
worden gehanteerd. Ook hebben wij gezegd dat de vinger aan de pols moet worden
gehouden, overigens zonder op grond daarvan direct te vervallen in een budgettaire
reactie. Om de zo-even al gegeven reden is dat nu niet nodig. Dat komt vanzelf
bij de voorjaarsnota aan de orde. Wij moeten echter de vinger aan de pols
houden om majeure afwijkingen in het economisch beeld te signaleren. Het kan
natuurlijk niet zo zijn dat wij signalen krijgen uit alle hoeken van de wereld –
IMF, OESO, de Europese Commissie – en dat onze eigen hooggewaardeerde
macro-economen en CPB-rekenaars winterslaap houden. Dat is niet de bedoeling.
Wij moeten weten hoe de zaak erbij ligt. In de loop van de komende weken zullen
wij daar wellicht iets meer over horen. Halfjaarlijks verschijnt namelijk
een tussentijdse rapportage waarin het CPB zijn visie op de economische ontwikkeling
geeft. Als ik nu een verwachting zou moeten uitspreken over de vraag of een
gunstig of behoedzaam scenario moet worden gehanteerd, dan zou ik zeggen dat
de kans dat in de komende periode wat meer moet worden gegaan in de richting
van het behoedzame scenario groter wordt dan die op het hanteren van het gunstige
scenario uit de afgelopen vier jaar. Redenerend vanuit het beginsel van cyclische
conjunctuurbewegingen, is dat ook niet onlogisch. Wij hebben met 4% natuurlijk
een enorm  groei-jaar gehad, maar de ontwikkelingen in het buitenland
gaan ons natuurlijk niet in de koude kleren zitten, ook al hebben wij relatief
weinig exportbanden met Azië of Rusland. Het werkt allemaal wel door.
Vertrouwen is ook heel belangrijk. Verder is het ook heel belangrijk of Zuid-Amerika,
en dan in het bijzonder Brazilië, het houdt. Dat alles heeft effect op
de economische ontwikkeling. Des te belangrijker is het dat de basis gezond
is. Dat geldt voor het geheel van de landen van de Unie, maar zeker ook voor
Nederland. Je kunt iets hebben, maar op dat vermogen om een stootje op te
vangen moet je ook weer niet al te zeer gaan teren. Je moet wel zorgen dat
je de dynamiek, de kracht van je economie en de weerbaarheid ervan, op peil
houdt en waar nodig vergroot. In die zin is er dus echt meer aan de hand dan
af en toe een statistiek bekijken.</al>
        <al>Verder heeft de heer Ginjaar nog gesproken van een onevenwichtigheid in
de begroting voor 1999, omdat er per saldo net wat meer geïnvesteerd,
uitgegeven dan omgebogen wordt. Ik wijs erop dat deze onevenwichtigheid voor
een deel verband houdt met het plooien van bepaalde bedragen door de jaren
heen, maar natuurlijk ook met economische impulsen. Investeren in technologie,
kennis-infrastructuur, maar ook in een aantal sectoren die wel eens tot de
zachte sector gerekend worden, is van groot economisch belang. Het weerspiegelt
ook de politieke prioriteiten van de partijen die voorafgaand aan 6 mei de
steun van de kiezers hebben gevraagd. Ik wil maar zeggen dat er ook flinke
bedragen zijn uitgetrokken voor veiligheid, criminaliteitsbestrijding en de
hele keten van de rechtshandhaving. Ik denk ook dat het van belang is dat
wij bij het aantreden van het nieuwe kabinet snel hebben laten blijken dat
wij deze weg echt willen inslaan.</al>
        <al>Ik heb kennisgenomen van de opmerkingen van de heer Ginjaar over het registreren
van pedofielen; hij geeft de kwetsbaarheid van het kind altijd prioriteit
boven overwegingen van privacy, hoe dit ook geregeld zou worden. Ik heb geprobeerd
aan te geven, hoe wij hiervoor in het kader van de registratie een goede weg
hebben gevonden. Ik denk ook dat er niet echt sprake is van een verschil van
mening op dit punt.</al>
        <al>Dan is er nog gevraagd om overleg met gemeenten en provincies om additionele
huisvesting tot stand te brengen voor mensen die echt op gemeentelijke huisvesting
zijn aangegeven. Ik denk dat daarvan niet de grootste aanzuigende werking
van uitgaat; het allerbelangrijkste lijkt mij het goed beperkt zien te houden
van de instroom, ook in het kader van de Europese getalsverhoudingen, en een
veel succesvoller terugkeerbeleid.</al>
        <al>Wij zullen zeker nog eens nadenken over de opmerking dat het MIT meer
is dan een optelsom van plannen met getallen erbij. Dat is ook nu al zo. Het
gewicht van de argumenten om bepaalde dingen te doen of juist te laten, inclusief
de keuzes om de kosten van aankleding op te voeren, komt zeker ook nog bij
de begrotingsbehandeling aan de orde. Wij zullen bezien of er kwaliteitsverbeteringen
mogelijk zijn.</al>
        <al>Wat Schiphol betreft, de tijd is inderdaad heel krap. De verschillende
jaren die hierbij van belang zijn, zijn al genoemd. Ook om in de tussentijd
voortdurend gedoogbeleid te voorkomen zullen wij a tempo moeten doorwerken.</al>
        <al>Over het model voor een duaal lokaal bestuur heb ik een aantal opmerkingen
gemaakt. In het regeerakkoord is het 'of' beantwoord, het 'hoe' nog niet.
Ik heb vanochtend al bij interruptie gezegd dat bij het antwoord op 'hoe'
natuurlijk ook 'of'-vragen in de commissie aan de orde kunnen komen. Deze
vraag zal eerst van een antwoord worden voorzien. De heer Ginjaar heeft in
Binnenlands Bestuur van 13 februari jongstleden gelezen dat er bij verkiezingen
burgemeesters zouden afhaken. Het is interessant om daar kennis van te nemen,
maar dat hoeft natuurlijk op zichzelf geen argument te zijn om de ene of de
andere route te volgen. Het kabinet zal dus bezien, hoe de verschillende onderwerpen
die aan de orde zijn geweest, die een eigen plaats in de wetgeving hebben,
in procedure kunnen worden gebracht, ook in relatie met de staatscommissie.
Deconstitutionalisering is al uitgebreid in procedure gebracht; dat hadden
wij ook al lang voordat het nieuwe regeerakkoord tot stand kwam gedaan. De
wethouder van buiten de raad zullen wij nog nader afwegen. Bij artikel 61
is het advies van de Raad van State natuurlijk in hoge mate van belang. Dat
advies is niet beslissend, maar wel belangrijk, en wij kennen het nog niet.</al>
        <al>Wat het correctief referendum betreft, na mijn antwoord in eerste termijn
heb ik blz. 71 van het regeerakkoord nog eens nagelezen. Daar staat: 'De parlementaire
behandeling van de grondwetsherziening wordt voortgezet. Het kabinet zal terstond –
ik herinner me de gedachtewisseling hierover in de informatieperiode nog heel
goed – de wetgeving die nodig is om het referendum op centraal en decentraal
niveau nader vorm en inhoud te geven, ter hand nemen, opdat deze voorstellen
kunnen worden ingediend zodra de grondwetswijziging haar beslag heeft gekregen.'
In de volgorde der dingen is er eerst de grondwetswijziging en pas dan de
wetgeving die het referendum op centraal en decentraal niveau nader vorm en
inhoud geeft. De mededeling dat de wetgeving terstond ter hand wordt genomen,
maakt het mogelijk om op het moment van de behandeling van de grondwetswijziging
meer indicaties te bieden. Dat lijkt mij van belang. De formule in het regeerakkoord
kan ik niet anders lezen dan dat de uitvoeringswetgeving pas komt na de behandeling
en bij voorkeur aanvaarding van het grondwetsvoorstel, maar dat het terstond
ter hand nemen van de uitvoeringswetgeving inhoudt dat ten tijde van de behandeling
van de grondwetswijziging daarover zijdens het kabinet het nodige kan worden
gezegd.</al>
        <al>Wat de herindelingskwesties betreft heb ik kennisgenomen van de opvattingen
van de VVD-fractie. Ze zullen zeker terugkomen bij de begrotingsbehandeling.</al>
        <al>De heer Van Leeuwen heeft gezegd dat er zowel op Ontwikkelingssamenwerking
als op Defensie wordt bezuinigd. Bij mijn weten wordt er op Ontwikkelingssamenwerking
niet bezuinigd.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Per saldo wordt er zeker bezuinigd, gezien het feit dat Ontwikkelingssamenwerking
heel andere taken krijgt. Ik noem de financiering langs de lijn van het vreemdelingenbeleid.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Ik wil daar wel iets over zeggen, zonder uitgebreid op de techniek in
te gaan. Wij hebben daar een stukje van de zomer aan besteed. Indertijd is
conform  internationale afspraken gezegd dat een gedeelte van
de kosten die met het verblijf van asielzoekenden zijn verbonden, voor rekening
van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking wordt gebracht. Daar was niets
verkeerds aan; het werd algemeen aanvaard. Een jaar of drie geleden is ervoor
gekozen, dit met een vast bedrag jaar in jaar uit af te maken. Het is op een
bedrag van ongeveer 130 mln. afgemaakt.</al>
        <al>Ten tijde van de kabinetsformatie hebben wij laten narekenen wat in de
laatste jaren de feitelijke kosten waren. Nogmaals, dat is geen truc geweest.
Het is gewoon een regel die ook in andere landen wordt gehanteerd. Wij hebben
bezien of het forfaitaire bedrag van 130 mln. nog dekkend was voor de werkelijke
kosten die door de Nederlandse samenleving worden gemaakt. Het bleek dat dat
bedrag in de laatste twee jaren veel groter was geweest. Ik meen dat wij in
de buurt kwamen van het tweevoud. Daarop is besloten de regel te handhaven,
maar het bedrag aan te passen aan de werkelijkheid. That's all. Ik noem dat
geen bezuinigen op Ontwikkelingssamenwerking. Je zou kunnen zeggen dat wij
het een paar jaar lang voor Ontwikkelingssamenwerking relatief voordelig hebben
gehouden. Voor het overige groeit de begroting, anders dan praktisch alle
andere dingen op de rijksbegroting, jaar in jaar uit mee met het BBP. In geld
bezien is het tussen 1998 en 2002, zelfs in het behoedzame scenario, gewoon
een nominale ontwikkeling die met de beste wil van de wereld niet kan worden
vertaald in de opmerking dat er op Ontwikkelingssamenwerking wordt bezuinigd.
Ik weet wel dat er in de aan dit kabinet deelnemende partijen mensen zijn
die graag zien dat er wat bij komt, maar dat is een andere zaak.</al>
        <al>Op Defensie wordt bezuinigd op een wijze die recht doet aan de wens om
structurele bezuinigingen af te stemmen op wat wij strategisch willen en kunnen.
Dat antwoord gaf ik ook aan de heer Ginjaar op het punt van de hoofdlijnennotitie.
Er komt een strategisch concept, dat in het kader van 50 jaar NAVO de komende
winter wordt voorbereid. In samenspraak vindt een gedachtewisseling plaats
over de omvang van de uitgaven, over de taakverdeling. Keuzen over de vraag
hoe je structurele ombuigingen invult, kun je pas maken als je weet of dat
qua taakuitoefening op een verantwoorde wijze kan. Daarom zijn de ombuigingen
in de eerste jaren van incidentele aard. Dat gaat ook altijd van 'au', maar
die incidentele keuzen hebben naar hun aard meer betrekking op uitfasering
en temporiseringen en niet op het werkelijk ingaan van een gans andere weg.</al>
        <al>Er is inderdaad een partiële lastenverzwaring 1999. Omdat wij de
vermogensinhaal niet over nog meer jaren willen uitsmeren en het jaar 1999
daar niet mee willen belasten, moeten wij iets doen in de premiesfeer voor
bedrijven en burgers. Daarmee komt de vermogenspositie van de fondsen eerder
in evenwicht. De heer Van Leeuwen vroeg of wij de verschillen in de ramingen
goed willen analyseren en structuurfouten willen opsporen, zodat de kwaliteit
van het ramen in de toekomst beter wordt. Wij zullen blijven doorgaan met
lering te trekken uit ervaringen en te bekijken hoe het beter kan. Voor de
time being hebben wij niet om opportunistische redenen, maar om inhoudelijke
redenen geen aanleiding om daar waar onze inzichten slechts een verklaring
geven voor een deel van wat de Ziekenfondsraad naar voren heeft gebracht,
de rekensom van de Ziekenfondsraad over te nemen.</al>
        <al>De heer Van Leeuwen vroeg of die 4,5 mld. lastenverlichting over de hele
periode de ruimte is bij een behoedzaam scenario. Het antwoord daarop is 'ja'.
In het eventuele geval van een wat betere economische ontwikkeling zou er
voor een pakket van tekortreductie en lastenverlichting in de overeengekomen
sleutels in het regeerakkoord meer ruimte zijn. Wij sparen die ruimte voor
lastenverlichting dus op tot het moment van de herziening van het belastingstelsel.</al>
        <al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal bij een
andere gelegenheid misschien nog eens in kunnen gaan op de vraag hoe je veiligheidsresultaten
meet en op welk moment hij zijn belofte waar zal maken om als dingen niet
helemaal voldoen aan wat hij zichzelf aan normen had gesteld, terug te treden.
Daar zullen wij tegen die tijd nog eens over moeten praten. Het ging de heer
Van Leeuwen vooral om de vraag hoe je een veiligheidsvooruitgang meet. Dat
is inderdaad een belangrijk onderwerp.</al>
        <al>Het is beschamend dat de landsadvocaat erbij moest komen toen het ging
om de vraag waar men op het punt van de infrastructuur juridisch aan is gebonden.
Door de jaren heen zijn er nogal wat harde en minder harde afspraken gemaakt
vanuit de rijksoverheid met verschillende regio's, ook over infrastructuur.
Het regeerakkoord heeft er veel geld bij gelegd en een aantal accenten verlegd.
Er is bijvoorbeeld veel meer ruimte voor de vitaliteit van de grote stad.
Binnen de bereikbaarheid wordt een zwaarder accent gelegd op openbaar vervoer
en een naar verhouding wat minder zwaar accent op wegen. Ik heb het nu over
de extra ruimte. Dat plaatst een aantal projecten in regioverband wat naar
achteren op de lijst. Vanuit een aantal regio's werden de afgelopen maand
wel eens geluiden gehoord dat men het hier niet bij zou laten zitten en dat
men eventueel bij de rechter zijn verhaal zou halen. Op zichzelf begrijp ik
heel goed dat men, als men verontwaardigd is en meent goede papieren te hebben
om dat te kunnen onderbouwen, zegt: dat laten wij er niet bij zitten. Maar
als de discussie op die toon wordt gevoerd – ik zeg dit absoluut niet
verwijtend, maar probeer het analyserend te zeggen – zal de minister
van V en W, die ook gehouden is om volstrekt adequate informatie aan de Kamer
te verstrekken, die juridische toets wel hanteren. Ik zeg er onmiddellijk
bij dat de wereld niet ophoudt bij alleen het juridische verhaal. Ik vind
dat waar men bestuurlijk aan gecommitteerd is ook van groot belang. Dat er
intern een juridische beoordeling komt, lijkt mij gegeven de omstandigheden
wel te verdedigen.</al>
        <al>De contacten met België en Duitsland leiden beleidsmatig niet altijd
tot dezelfde lijn leidt, omdat wij niet altijd hetzelfde belang hebben. Men
ziet niet altijd zonder tegenzin een aantal van de mensen doorgaan naar hier.
Daarom is er sprake van een zekere spanning. Het overleg is goed, maar wij
hebben niet altijd precies dezelfde belangen. Ik vind wel dat de Benelux-landen
en Duitsland sterk gemeenschappelijke belangen hebben in het geheel van de
EU. Vandaar ook de aandacht voor het verbreden van het overleg.</al>
        <al>De minister van Onderwijs heeft op 2 november jongstleden een brief met
bijlagen aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin prognoses zijn  opgenomen
inzake van vraag en aanbod van leraren in het primair en het voortgezet onderwijs.
Dat probleem is zo ernstig dat alle hens aan dek moet om het aanbod bij de
vraag te krijgen. Op welke wijze dat gebeurt, staat in die brief. Mocht er
naar de mening van deze Kamer nog informatie over de precieze aantallen ontbreken,
dan wil ik graag bevorderen dat de minister in elk geval voordat zijn begroting
hier wordt behandeld, daarover aanvullende informatie geeft.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>De heer</aanspr>
          <naam>Van Leeuwen</naam>
          <partij>CDA</partij>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik heb gevraagd of de tweede generieke korting ten aanzien
van de varkenssector niet onder de tafel verdwijnt. Het is van belang dat
de desbetreffende bedrijven niet worden geconfronteerd met financiers die
op grond van de onzekere toepassing van deze korting faillissement aanvragen.</al>
      </spreker>
      <spreker nw="nee">
        <wie>
          <aanspr>Minister</aanspr>
          <naam>Kok</naam>
        </wie>
        <al>Voorzitter! Ik heb in eerste termijn gewezen op de brief aan de Tweede
Kamer over het pakket maatregelen. Die maatregelen vallen uiteen in sociaal
beleid voor de wijkers en stimulerend beleid voor de blijvers. Het pakket
moet opnieuw dynamiek in de sector brengen. Dat is van belang om de tweede
generieke korting, zoals vastgelegd in de wet, zo beperkt mogelijk te houden.
Daarmee is het antwoord op de vraag al gegeven. Het is wel duidelijk dat wanneer
de maatregelen voldoende werken, de onplezierige effecten van de tweede korting
zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven.</al>
        <al>Voorzitter! Misschien heb ik geleidelijk te veel verwachtingen gewekt
waar het de Eerste Kamer betreft. Ik wil afrondend zeggen dat ik goed geluisterd
heb naar alles wat naar voren is gebracht over de vraag of al dan niet wijzigingen
moeten komen in de verkiezing en positie. Ik heb in eerste instantie gewezen
op de wens van het kabinet om heel goed tot zich te laten doordringen hoe
de opvattingen in de beide Kamers hierover liggen, voordat we echt met grondwetsvoorstellen
komen. De heer Ginjaar heeft gezegd, dat ik vragen heb uitgelokt door de passage
in het regeerakkoord. Daar heeft hij gelijk in. Desondanks acht ik het van
belang om in de komende tijd voor onszelf beter te wegen hoe de opvattingen
hierover liggen en ons op basis daarvan een idee te vormen.</al>
        <al>Voorzitter! Wat de 'omgangsvormen' betreft – hoe kijkt het nieuwe
kabinet tegen de plaats en de positie van de Eerste Kamer aan – wil
ik, zonder in al te veel argwaanwekkende hoffelijkheden te vervallen, zeggen
dat we daar buitengewoon ernstig en serieus mee omgaan om twee redenen. In
de eerste plaats omdat de Eerste Kamer die belangrijke rol heeft bij het beoordelen
van kwaliteit en zorgvuldigheid, zonder dat ik daarmee wil suggereren dat
het adviseren van de Raad van State, de behandeling in de Tweede Kamer, of
de kwaliteit van de wetgeving vanuit het kabinet zodanig onder de maat is,
dat dat licht hier per se nog moet gaan schijnen. Maar we hebben ook uit de
achterliggende jaren voorbeelden van de wijze waarop de Eerste Kamer die functie
vervult. Verder heb ik in eerste termijn gewezen op de politieke beoordeling.
Ik kan absoluut niet ontkennen dat velen van ons op het moment dat de hamer
na de stemming in de Tweede Kamer is gevallen, het door mevrouw Jaarsma genoemde
gevoel van opluchting hebben van: 'Hèhè, dat is dat.' Dat is
trouwens een prima reflex. Maar we doen dat toch altijd in de wetenschap dat
er de volgende dag weer een moment komt, waarop we moeten gaan nadenken hoe
we de route naar de Eerste Kamer succesvol tot een afronding kunnen krijgen.</al>
        <al>Voorzitter! Ik besef dat enkele leden – ook enkele leden die vandaag
en gisteren in dit debat het woord hebben gevoerd – naar alle waarschijnlijkheid
of zeer zeker bij de straks nieuwe samenstelling van de Eerste Kamer niet
meer aanwezig zullen zijn. Ik wil hen, als dat mij is toegestaan, danken voor
de inbreng die vaak gedurende vele jaren is geleverd.</al>
        <al>Ik wil tot slot zeggen dat ik popel van verlangen om volgend jaar op deze
plaats aan de heer De Boer te wijzen dat hij het één keer fout
had.</al>
      </spreker>
      <voorz nw="nee">
        <al>Dan zeg ik: tot 16 november volgend jaar.</al>
      </voorz>
      <draad>
        <al>De beraadslaging wordt gesloten.</al>
      </draad>
      <draad>
        <al>Sluiting 17.52 uur</al>
      </draad>
    </item>
  </part>
</handeling>