<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-474587/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Utrecht</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Besluit tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening 2026</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Utrecht;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 juli 2026, kenmerk 34179456; </al><al>Gelet op artikel 149 en artikel 108 eerste lid Gemeentewet; </al><al>Besluit de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 als volgt te wijzigen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr /><titel>I </titel></kop><lijst><li><li.nr>A.</li.nr><al>In artikel 1:1, onder onderdeel n wordt “artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;” vervangen door “de Omgevingswet;”. </al></li><li><li.nr /><al /></li><li><li.nr>B.</li.nr><al>In artikel 1:1, onder onderdeel o wordt “artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;” vervangen door “artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet;”.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>C.</li.nr><al>In artikel 2:3, derde lid, wordt onderdeel f ingevoegd, luidende:</al></li><li><li.nr /><al /></li><li><li.nr /><al>f.  seksuele intimidatie.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>D.</li.nr><al>In artikel 2:7, derde lid, wordt “Afvalstoffenverordening Utrecht 2010” vervangen door “Afvalstoffenverordening gemeente Utrecht”.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>E.</li.nr><al>In artikel 2:9, vierde lid, wordt “Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” vervangen door “Omgevingswet”, wordt “Wegenverordening provincie Utrecht 2010” vervangen door “Omgevingsverordening provincie Utrecht” en wordt “Afvalstoffenverordening Utrecht 2010” vervangen door “Afvalstoffenverordening gemeente Utrecht”.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>F.</li.nr><al>In artikel 2:11, vierde lid, wordt “Wegenverordening Provincie Utrecht 2010” vervangen door “Omgevingsverordening provincie Utrecht”. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>G.</li.nr><al>In artikel 2:12, eerste lid, wordt “artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” vervangen door “artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet”. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>H.</li.nr><al>In artikel 2:15, tweede lid, wordt “Belemmeringenwet Privaatrecht” vervangen door “Omgevingswet”. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>I.</li.nr><al>Artikel 2:31 vervalt.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>J.</li.nr><al>In artikel 2:35, eerste lid, wordt de punt aan het einde van onderdeel c vervangen door een puntkomma en een onderdeel d ingevoegd, luidende:</al></li><li><li.nr /><al>d.  buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>K.</li.nr><al>Artikel 2:45a komt te luiden:</al></li><li><li.nr /><al><nadruk type="vet">Artikel 2:45a Verbod openlijk harddrugsgebruik</nadruk></al></li><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw harddrugs of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Dit artikel vervalt op 1 november 2028. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>L.</li.nr><al>In artikel 2:47, vijfde lid, wordt “bestemmingsplan” vervangen door “omgevingsplan,”. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>M.</li.nr><al>In artikel 4:1, vijfde lid, wordt “de Wet geluidhinder” vervangen door “de Omgevingswet” en “de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013” door “de Omgevingsverordening provincie Utrecht”. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>N.</li.nr><al>De artikelen 4:7, 4:8, 4:9 en 4:11 vervallen.</al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>O.</li.nr><al>Artikel 5:6, derde lid, wordt gewijzigd en komt te luiden: </al></li><li><li.nr /><al>3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening provincie Utrecht. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>P.</li.nr><al>In artikel 5:17, vijfde lid, onderdeel a, wordt “de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013” vervangen door “de Omgevingsverordening provincie Utrecht”. </al></li></lijst><al /><lijst><li><li.nr>Q.</li.nr><al>Artikel 5:32, eerste lid, onder c wordt gewijzigd en komt te luiden: </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het evenement plaatsvindt op een werkdag of een zaterdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur of op een zondag of officieel erkende feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur of tijdens de jaarwisseling tussen 31 december 13.00 uur en 1 januari 02.00 uur;.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr /><titel>II</titel></kop><al>De volgende onderdelen in de toelichting op de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage:</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel C (Verblijfsontzegging, artikel 2:3)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel D (Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters, artikel 2:7) </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel F (Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, artikel 2:11)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel G (Maken, veranderen van een uitweg, artikel 2:12)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel H (Voorzieningen voor verkeer en verlichting, artikel 2:15)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel J (Loslopende honden, artikel 2:35)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel K (Verbod openlijk harddrugsgebruik, artikel 2:45a)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel L (Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat, artikel 2:47)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Artikel I, onderdeel M (Overige geluidhinder, artikel 4:1)</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr /><titel>III</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking op 1 november 2026.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 oktober 2026</functie><functie>De burgemeester,    </functie><functie>Sharon A.M. Dijksma</functie><functie>De griffier,</functie><functie>Miguel Israel</functie></ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label /><nr /><titel>Bijlage: wijzigingen Toelichting Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010</titel></kop><al>De dikgedrukte teksten geven de wijzigingen aan.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel C</al><al>Artikel 2:3 Verblijfsontzegging</al><al>Artikel 2:3 creëert een bevoegdheid voor de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar verblijfsontzeggingen kunnen worden opgelegd aan personen die de openbare orde verstoren. Een verblijfsontzegging is een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden (artikel 1:1, onder m. Apv).</al><al>Voorwaarde voor de aanwijzing van een gebied is de mate van ordeverstoringen die in dat gebied plaatsvinden. Alleen bij ernstige ordeproblemen kan van het artikel gebruik worden gemaakt.</al><al>Deze verstoringen kunnen zowel van structurele als van incidentele aard zijn. Bij incidentele ordeverstoringen zal de gebiedsaanwijzing veelal van tijdelijke aard zijn.</al><al>Een verblijfsontzegging is een bestuurlijke maatregel en geen (strafrechtelijke) sanctie. De algemene motivering voor de hantering van dit instrument is, dat in gebieden waarin de handhaving van de openbare orde onder druk staat het gerechtvaardigd is personen die daarop een inbreuk plegen tijdelijk uit het gebied te verwijderen. De maatregel is dus een instrument ter handhaving van de openbare orde. </al><al>Alleen aan personen die zich in het aangewezen gebied schuldig maken aan bepaalde ordeverstoringen die in het derde lid, onder a. tot en met f. zijn opgesomd kan een verblijfsontzegging opgelegd worden. Deze opsomming is limitatief. De onder a. genoemde artikelen uit de Apv betreffen:</al><al>2:1 Bevel van de politie zijn weg te vervolgen of zich te verwijderen.</al><al>2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.</al><al>2:22a Spelen om geld op de weg.</al><al>2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen.</al><al>2:28 Hinderlijk drankgebruik</al><al>2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen.</al><al>2:45 Handel in verdovende middelen of</al><al>2.45a Verbod openlijk harddrugsgebruik</al><al>2.45b Hinderlijk lachgasgebruik</al><al>3:3 Straatsekswerk (eerste, tweede en negende lid) </al><al>Het derde lid van artikel 2:3 Apv bepaalt op welke gronden een verblijfsontzegging kan worden opgelegd. <nadruk type="vet">Het spreekt vanzelf dat het moet gaan om gedragingen op een openbare plaats in een daartoe aangewezen gebied.</nadruk> Nadat een gebied is aangewezen, kan een ondertekeningsmandaat met daaraan verbonden instructies worden verleend. In die instructies kan worden bepaald dat op grond van (een aantal van) de in het derde lid genoemde gronden een verblijfsontzegging wordt opgelegd conform een standaardmodel verblijfsontzegging. Verblijfsontzeggingen op deze gronden kunnen in beginsel door een mandans ondertekend worden, mits hierbij geheel volgens de instructies van de burgemeester gewerkt wordt. (Het gaat hier om een zgn. gebonden bevoegdheid). Uiteraard moet in de instructies aangegeven zijn voor welke termijn de verblijfsontzegging wordt opgelegd. Voor verblijfsontzeggingen geldt immers dat er uitsluitend sprake kan zijn van een ondertekeningsmandaat en niet van een beslissingsmandaat. Indien een verblijfsontzegging wordt opgelegd op basis van de overige gronden zal de burgemeester zelf het besluit moeten nemen.</al><al>In de verblijfsontzegging dient een termijn te worden opgenomen. Het zou de bewegingsvrijheid van burgers te zeer beperken, indien een verblijfsontzegging voor onbepaalde tijd wordt opgelegd.</al><al>De ernst van de inbreuk op de openbare orde zal van invloed zijn op de lengte van de termijn. </al><al>Het vijfde lid verleent de burgemeester de bevoegdheid de verblijfsontzegging naar tijd en plaats te beperken, indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven. Als voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan het reizen per openbaar vervoer door het gebied, indien er voor de betrokkene geen andere reële mogelijkheid bestaat om zijn werk te bereiken, noodzakelijk ziekenhuisbezoek af te leggen e.d.</al><al>Het zesde lid verbiedt overtreding van de verblijfsontzegging. Op overtreding staat een strafrechtelijke sanctie. Dit kan artikel 184 Wetboek van Strafrecht zijn.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel D</al><al>Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters</al><al /><al>[...]</al><al><nadruk type="vet">De omgevingswet</nadruk></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder <nadruk type="vet">de Omgevingswet</nadruk>, ook niet als daar een element van handelsreclame in zit.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel F</al><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</al><al>Algemeen</al><al /><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Er is voor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste is wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.</al><al>Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het college is de relatie met <nadruk type="vet">de Omgevingswet van belang</nadruk>. Op grond van <nadruk type="vet">de Omgevingswet</nadruk> mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken of werkzaamheden bij een <nadruk type="vet">omgevingsplan</nadruk> alleen verplicht worden gesteld om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een verwerkelijkte bestemming. <nadruk type="vet">Ingevolge artikel 4.14 van de Omgevingswet mag een vergunning alleen en moet zij worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een omgevingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen</nadruk>. Met de inwerkingtreding van <nadruk type="vet">de Omgevingswet</nadruk> zullen voor deze vergunning de bepalingen, met name ook de termijnen, van die wet gaan gelden. Ook is de activiteit omgevingsvergunningplichtig indien er geen vergunning vereist op grond van <nadruk type="vet">een omgevingsplan,</nadruk> beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Door deze activiteit in alle gevallen omgevingsvergunningplichtig te maken is de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd.</al><al /><al>[...] </al><al /><al>Derde lid</al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen, bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde samenwerkingsverbanden, genoemd worden. </al><al /><al>[....] </al><al /><al>Lex silencio positivo</al><al>De aanlegvergunning gaat op in de omgevingsvergunning op basis van de <nadruk type="vet">Omgevingswet</nadruk>, zodra deze in werking is getreden. Hierop zal dan ook de lex silencio positivo van toepassing worden.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel G</al><al /><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al><al> Algemeen</al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. Er is daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Het stellen van algemene regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.</al><al>Op de wijze waarop dit artikel toen is vormgegeven is terechte kritiek gekomen: door het college de gelegenheid te geven op een melding te reageren met nadere voorschriften, wordt in die gevallen een verkapt vergunningstelsel gecreëerd. De tekst is daarom aangepast en gewijzigd in een meer zuiver vergunningsstelsel, waarbij het college slechts de keus heeft tussen toestaan en verbieden.</al><al>De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de bescherming van openbare groenvoorzieningen. De vergunning valt van rechtswege onder de reikwijdte van de <nadruk type="vet">Omgevingswet</nadruk>. De algemene bepalingen van deze wet zijn van toepassing.</al><al /><al>Tweede lid, onder d.:</al><al>Het tweede lid is aangevuld met sub d.:</al><al>Er is nu geen rechtstreekse koppeling tussen en uitwegvergunning en het gebruik van een tuin/erf voor het parkeren van een voertuig. Ook kan het nog steeds gebeuren dat men op basis van het <nadruk type="vet">omgevingsplan</nadruk> wel een bouwvergunning verkrijgt voor de bouw van een garage of carport, maar geen uitwegvergunning. Omgekeerd bestaat het ook dat er wel een uitwegvergunning wordt verstrekt maar het niet is toegestaan om op een erf de auto te stallen omdat het <nadruk type="vet">omgevingsplan</nadruk> dit verbiedt.</al><al /><al>Derde lid:</al><al>In artikel 1:5 is bepaald dat de vergunning (of ontheffing) persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Het is niet doenlijk en niet wenselijk om telkens bij wisseling van bewoner of bedrijf een nieuwe uitwegvergunning te verstrekken.</al><al /><al>Lex silencio positivo</al><al>De uitwegvergunning gaat op in de omgevingsvergunning op basis van de <nadruk type="vet">Omgevingswet</nadruk>, zodra deze in werking is getreden. Hierop zal dan ook de lex silencio positivo van toepassing worden.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel H</al><al>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al /><al>Afbakening</al><al>De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt <nadruk type="vet">de Omgevingswet</nadruk> het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. <nadruk type="vet">De omgevingswet</nadruk> is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. In verband met o.a. de integratie van de Waterstaatswet 1900 in de Waterwet (inwerkingtreding van de Waterwet eind 2009) is lid 2 hierop aangepast.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel J.</al><al>Artikel 2:35 Loslopende honden</al><al><nadruk type="vet">Het oogmerk van dit artikel is om overlast door loslopende honden te voorkomen en te bestrijden. Hierbij gaat het om het voorkomen van hinder en gevaar voor de (verkeers)veiligheid, het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden, het bestrijden van verontreiniging door honden en het beschermen van dieren door het voorkomen van dierenleed. </nadruk></al><al><nadruk type="vet">Het eerste lid voorziet in verschillende plaatsen waar de hoofdregel is dat het aanlijngebod van toepassing is. Dit gebod komt erop neer dat binnen de bebouwde kom in principe een aanlijngebod van kracht is. Het college kan binnen de bebouwde kom plaatsen aanwijzen waar het aanlijngebod niet geldt (tweede lid). Buiten de bebouwde kom bestaat in het algemeen geen aanlijngebod, behalve op plaatsen die het college specifiek heeft aangewezen (eerste lid, aanhef en onder d). Verder kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie is in het derde lid een uitzondering opgenomen.</nadruk></al><al>- Artikel I, onderdeel K</al><al>Artikel 2:45a Verbod openlijk harddrugsgebruik </al><al>Dit artikel bevat een verbod op het gebruik van harddrugs (lijst I <nadruk type="vet">en lijst Ia</nadruk> van de Opiumwet), het treffen van voorbereidingen voor dat gebruik en het bezit van voorwerpen en stoffen die als hulpmiddel kunnen dienen bij het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte en in voor het publiek toegankelijke gebouwen. Het verbod heeft als doel de openbare orde te beschermen door het tegengaan van overlast en hinder die met het gebruik van harddrugs op voor publiek toegankelijke plaatsen gepaard gaan. Dit is een ander doel dan de Opiumwet, waarmee het belang van de volksgezondheid wordt beschermd. Overigens verbiedt de Opiumwet het openlijk gebruik van harddrugs als zodanig niet.</al><al>Een verbod op openlijk harddrugsgebruik is noodzakelijk, omdat de overlast als gevolg van openlijk harddrugsgebruik ernstig is toegenomen. De groep van kwetsbare harddrugsgebruikers is gegroeid en andere aanpakken om deze overlast tegen te gaan hebben niet het beoogde effect gehad. Zonder openlijk harddrugsverbod blijft het voor grote groepen gebruikers, ondanks het ruime zorgaanbod, aantrekkelijk om in de openbare ruimte harddrugs te gebruiken. Om kwetsbare harddrugsgebruikers meer naar opvang en zorg toe te geleiden is een verbod op openlijk harddrugsgebruik noodzakelijk. Het verbod kan ervoor zorgen dat kwetsbare harddrugsgebruikers bij daartoe aangewezen maatschappelijke instellingen binnen harddrugs gebruiken en de nodige zorg en begeleiding krijgen.</al><al>Met dit verbod wordt aantasting van de openbare orde tegengegaan. Het overlastgevende harddrugsgebruik brengt sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid met zich mee en gaat vaak gepaard met criminaliteit. Zo hebben de plekken waar openlijk harddrugs worden gebruikt een aanzuigende werking op dealers, andere drugsgebruikers, verslaafden en kwetsbare personen. Vervuiling en verloedering liggen op de loer.</al><al>Het verbod geldt voor de gehele gemeente. Om de handhavingscapaciteit effectief en efficiënt in te zetten wordt gehandhaafd op excessen. Daarmee zal handhaving alleen worden ingezet op plaatsen waar structureel overlast wordt ervaren van openlijk harddrugs gebruik. Bij de handhaving wordt oog gehouden voor de zorg voor drugsverslaafden en worden zij zoveel mogelijk gewezen op de mogelijkheid om bij daartoe aangewezen maatschappelijke instellingen binnen drugs te gebruiken.</al><al /><al>Artikel I, onderdeel L </al><al>Artikel 2:47 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat</al><al /><al>Eerste lid</al><al>Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij het begrip leidinggevende in artikel 1 van <nadruk type="vet">de Alcoholwet</nadruk> De vergunning wordt verleend aan de exploitant. Hiermee wordt de ondernemer bedoeld. Hieruit vloeit voort dat de exploitant altijd ingeschreven moet zijn in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit geldt ook voor stichtingen en verenigingen. Het kan voorkomen dat meerdere personen als exploitant moeten worden aangemerkt (bijvoorbeeld bij een vennootschap onder firma). Een gevolmachtigde kan eveneens als exploitant worden aangemerkt. De exploitant is altijd verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om het bedrijf. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke perso(o)n(en) of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd sprake te zijn van een natuurlijke persoon (of meerdere natuurlijke personen) die kan (kunnen) worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger(s) van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij één of meerdere beheerder(s) rusten. In het kader van de vergunningverlening wordt dan ook gewerkt met een beheerderslijst. Deze lijst maakt deel uit van de vergunning en wordt hierbij als aanhangsel opgenomen.</al><al /><al>…</al><al /><al>Artikel I, onderdeel M</al><al /><al>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</al><al>Afdeling 4.1 Overige Geluidhinder</al><al>Inrichtingen</al><al>Besluit</al><al /><al><nadruk type="vet">Het voormalige besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 komen te vervallen. De daarin opgenomen regels zijn grotendeels overgegaan naar het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna; Bal).</nadruk> Het Besluit geeft, evenals het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- en lichthinder. In Utrecht betreft dit de Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer.  </al><al /><al>Artikel 4:1 Overige geluidhinder</al><al><nadruk type="vet">De Omgevingsverordening provincie Utrecht is</nadruk> toegevoegd in het vijfde lid. In de Omgevingsverordening  kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij de omgevingsverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De Omgevingsverordening provincie Utrecht  gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening. </al><al /><al>Artikel 2:5 cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>Particulier eigendom</al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan zijn de vrijelijk voor het publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen, stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het belang van de handhaving van de openbare orde.</al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel 151c Gemeentewet. De NS heeft overigens een eigen publiekrechtelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid en orde <nadruk type="vet">in de Spoorwegwet en de Wet Personenvervoer 2000.</nadruk></al><al /><al>De toezichtcamera’s die NS in de stationshallen en op de perrons heeft geplaatst in Utrecht vallen onder deze verantwoordelijkheid.</al><al /><al>Camera’s</al><al>Artikel 151c Gemeentewet heeft niet langer betrekking op het langdurig plaatsen van vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde. Met het begrip vast wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast moesten zijn bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan gevels of dakranden van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. Met het begrip “vast” wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd beeld weergeven. Het gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de observatiehoek en de grootte van de observatiehoek op afstand kan worden ingesteld (pendelen/in- en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor interactieve toepassingen, zoals het gebruik van noodknoppen en de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op hun gedrag toe te spreken. Tot 1 juli 2016 kon uitsluitend op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet worden besloten tot langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde.</al><al>Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en veiligheid dan het hiervoor bedoelde vaste en langdurige gebruik, werd door de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet met name gedacht worden aan kortstondig en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan <nadruk type="vet">artikel 3 van de Politiewet 2012.</nadruk></al><al>Doordat de vaste plaatsing van camera’s een wettelijk vereiste was, kon met behulp van cameratoezicht minder snel worden gereageerd op zich snel aandienende en zich verplaatsende overlast/verstoringen van de openbare orde. Daarom is nu in de wet opgenomen om camera’s in door de burgemeester aan te wijzen gebieden flexibel in te zetten. De begrenzing van het gebied waarin door middel van camera’s toezicht wordt gehouden moet door middel van borden worden aangegeven. Binnen dit gebied is het dan mogelijk om camera’s te verplaatsen zonder dat per camera een specifiek plaatsingsbesluit vereist is.</al><al /><al>Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Omgevingswet waarin regels zijn opgenomen ter bescherming van dieren.</al><al /><al>Artikel 2:38b Verbod voeren van dieren</al><al>Uitzonderingen</al><al>Het verbod geldt niet voor de in het tweede lid genoemde uitzonderingen. De uitzondering onder a spreekt voor zich: een beheerder moet immers in staat worden gesteld om de dieren waarvoor hij de zorg heeft het juiste voedsel in de juiste hoeveelheid te kunnen geven. Personen die dit in zijn opdracht uitvoeren handelen dan niet in strijd met het verbod.</al><al>Voor de sportvisserij geldt al veel bijzonder regelgeving, bijvoorbeeld op basis van de Visserijwet 1963, de Wet Dieren, <nadruk type="vet">de Omgevingswet</nadruk>. Om die reden is de uitzondering onder b. opgenomen.</al><al /><al>Artikel 2:43 Afleveren van vuurwerk</al><al>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</al><al>Op basis van artikel 2:43 van de APV kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen.</al><al>De verkoopvergunning wordt voor onbepaalde tijd verleend.</al><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4 en het commentaar daarbij.</al><al>De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten via het <nadruk type="vet">Omgevingslan</nadruk>  of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente.</al><al>Een gemeente kan voor de verkoop van consumentenvuurwerk beleidsregels vaststellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op dwingende redenen van algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de lokale situatie kunnen bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden opgenomen:</al><al>∙het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente, bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over kernen;</al><al>∙het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het centrum(gebied);</al><al>∙de onderlinge afstand tussen verkooppunten;</al><al>∙het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels, tankstations, (afsluitbare) winkelcentra enz.</al><al>∙In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles door politie, brandweer, afdeling milieu van de betreffende gemeente of milieudienst.</al><al>Koopzondag</al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al /><al>Afdeling 4.3 Het bewaren van houtopstanden</al><al>Kapvergunning en <nadruk type="vet">Omgevingswet</nadruk></al><al>Na inwerkingtreding van <nadruk type="vet">de Omgevingswet</nadruk> zal de huidige kap/vergunning worden omgezet in de omgevingsvergunning inclusief de lex silencio positivo (De vergunning wordt geacht te zijn verleend wanneer niet binnen de genoemde termijn een beslissing is genomen op de aanvraag). </al><al> [...]</al><al /><al>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</al><al>Afdeling 5.1 Parkeerexcessen</al><al /><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader <nadruk type="vet">(omgevingsplan).</nadruk></al><al /><al>Artikel 5:13 Straathandel</al><al><nadruk type="vet">Omgevingswet</nadruk></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend Omgevingswet. Wanneer wel een vergunning, zoals vereist krachtens artikel 5:13 APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het geldende omgevingsplan worden gesteld, van kracht. Het college moet een aanvraag voor het innemen van een standplaats dan mede opvatten als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het omgevingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen.</al><al /><al>Wet milieubeheer</al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Denk ook aan vis- en oliebollenkramen. Naast de Wet milieubeheer is ook de <nadruk type="vet">Afvalstoffenverordening gemeente Utrecht</nadruk> van belang.</al><al /><al>Afdeling 5.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</al><al>Artikel 5:15 Crossterreinen</al><al /><al><nadruk type="vet">4.Omgevingswet</nadruk> en Apv</al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch gebied” of “natuurgebied”.</al><al>De vraag is dan of voor het gebruik van het betreffende terrein als motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het gebruikvoorschrift. Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten behoeve van het motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een omgevingsplanwijziging.</al><al /><al>Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden</al><al>3.Verordening stiltegebieden</al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze verordening wordt <nadruk type="vet">Omgevingsverordening provincie Utrecht</nadruk> genoemd en vervangt de oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder. Volgens <nadruk type="vet">de Omgevingsverordening is</nadruk> het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al>Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al>In Utrecht zijn geen bij of krachtens <nadruk type="vet">de provinciale omgevingsverordening</nadruk> aangewezen stiltegebieden.</al></bijlage></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>