Ontwerp-Warmteprogramma Aa en Hunze 2026 – 2035

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze besluit:

Artikel I

Het Ontwerp-Warmteprogramma Aa en Hunze 2026 – 2035 met bijlagen voor zes weken ter inzage te leggen.

Artikel II

Wij werken aan plannen om alle gebouwen vóór 2040 aardgasvrij te maken. Dit noemen we de warmtetransitie. 

In het Ontwerp-Warmteprogramma wordt beschreven hoe de dorpen in Aa en Hunze in de toekomst verwarmd worden zonder gebruik te maken van aardgas. Het Warmteprogramma beschrijft de kaders en de aanpak in de gemeente, biedt duidelijkheid en handelingsperspectief voor inwoners en organisaties, en beschrijft hoe de voortgang van de warmtetransitie wordt gemonitord.

Artikel III

Het Ontwerp-Warmteprogramma Aa en Hunze 2026 – 2035 met bijlagen is opgenomen in 'bijlage A'.

Bijlage A

Warmteprogramma Aa en Hunze 2026 – 2035

Inhoudsopgave

Samenvatting

Met het Warmteprogramma werken we aan de ambitie uit de Duurzaamheidsvisie Aa en Hunze: in 2040 is de gebouwde omgeving fossielvrij en energieneutraal. Dat betekent dat we ernaar streven dat alle woningen en utiliteitsgebouwen in 2040 zonder aardgas verwarmd worden. Als tussendoel willen we in 2035 een aardgasbesparing van 50% ten opzichte van 2024 hebben behaald. Het isoleren van woningen is een belangrijke eerste stap om dit doel te behalen. Tot en met 2035 steunt de isolatiesubsidie van Nij Begun dit doel. 

De toekomstige warmteoplossing in de gemeente Aa en Hunze is voor de hele gemeente een individuele, elektrische oplossing. Bijvoorbeeld een warmtepomp. Er komen geen grootschalige warmtenetten in Aa en Hunze. Kleine collectieve warmte-initiatieven zijn niet uitgesloten. 

De keuzes in het Warmteprogramma zijn gebaseerd op de kaders: bereidheid, bereik- en betaalbaarheid, urgentie, gezamenlijkheid, lokaal eigendom en transparantie. Deze kaders nemen we mee vanuit de Transitievisie Warmte (de voorganger van het Warmteprogramma) op basis van de evaluatie die we hebben uitgevoerd.

In het Warmteprogramma werken we vanuit vier actielijnen: 

  • 1.

    Stimuleren van verduurzaming op natuurlijke momenten 

  • 2.

    Faciliteren, stimuleren en versterken van lokale initiatieven 

  • 3.

    Gebiedsgerichte aanpak 

  • 4.

    Sociale energieaanpak

We hebben een plan per doelgroep (gemeentebreed) en werken, waar dit van meerwaarde is, gebiedsgericht in de dorpen. Dit doen we samen met de dorpen en lokale energie-initiatieven in bijvoorbeeld dorpsuitvoeringsplannen (DUPs) en in wijkacties van Nij Begun. 

Het Warmteprogramma wordt gemonitord. Jaarlijks informeren we de gemeenteraad over de voortgang via de Planning & Control-cyclus. In 2031 wordt het Warmteprogramma herzien en opnieuw vastgesteld (wettelijke verplichting). 

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Om de opwarming van de aarde tegen te gaan, moet de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd sterk verminderen. Daarom zijn in het Klimaatakkoord (2019) afspraken gemaakt om het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen. Een van die afspraken is dat alle gebouwen en woningen in Nederland uiterlijk in 2050 aardgasvrij zijn. Deze overgang noemen we de warmtetransitie.  

De warmtetransitie draagt niet alleen bij aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. De gaswinning in Groningen is gestopt. Daardoor is Nederland voor een groter deel van zijn aardgas afhankelijk van import. Door minder aardgas te gebruiken, vergroten we onze energiezekerheid.

De gemeente Aa en Hunze werkt al enkele jaren aan deze opgave. In 2022 stelde de gemeenteraad de Transitievisie Warmte vast. Het Warmteprogramma is een actualisatie hiervan.

Met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt de Transitievisie Warmte vervangen door het Warmteprogramma. Dit is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Het Warmteprogramma wordt vastgesteld voor tien jaar, waarbij het elke vijf jaar wordt geactualiseerd.  

1.2 Ambitie van de gemeente

De gemeente Aa en Hunze werkt al enkele jaren aan de overgang naar het duurzaam verwarmen van woningen en gebouwen zonder aardgas. Daarbij vormden de Transitievisie Warmte en de Duurzaamheidsvisie het uitgangspunt. Dit Warmteprogramma bouwt hier grotendeels op voort. 

De gemeenteraad heeft in 2024 de Duurzaamheidsvisie Aa en Hunze vastgesteld. Daarin is voor de warmtetransitie de volgende ambitie opgenomen: 

  • ●

    De gebouwde woonomgeving is in 2040 fossielvrij en energieneutraal.

De gemeente Aa en Hunze wil in 2040 aardgasvrij zijn, tien jaar eerder dan de landelijke doelstelling. Om dit te bereiken is de komende jaren nog veel nodig. De gemeente werkt daarom samen met alle betrokkenen aan de warmtetransitie. 

1.3 Doel van dit Warmteprogramma

In het Warmteprogramma beschrijft de gemeente hoe we de dorpen in Aa en Hunze willen verduurzamen en aardgasvrij maken. Het Warmteprogramma richt zich op de periode voor de komende tien jaar. Er wordt op hoofdlijnen beschreven hoe dit wordt aangepakt. Het Warmteprogramma heeft de volgende doelen:

  • Duidelijkheid en handelingsperspectief bieden. Niet alleen aan inwoners, maar ook aan lokale energie-initiatieven en professionele partners.

  • De basis leggen voor de aanpak in de gemeente, inclusief waar wel en geen uitvoeringsplannen worden gemaakt (zie paragraaf 4.2).

  • Beschrijven hoe de voortgang van de warmtetransitie wordt gemonitord (zie hoofdstuk 5). 

1.4 Afbakening

Het Warmteprogramma gaat over de warmtetransitie: het verduurzamen en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Hieronder vallen woningen en overige gebouwen (utiliteit), zoals winkels en dorpshuizen. Bedrijventerreinen vallen buiten de scope van dit Warmteprogramma (zie paragraaf 4.1). Nieuwbouwwoningen vallen ook buiten de scope van het warmteprogramma. Deze worden al aardgasvrij gebouwd. Het Warmteprogramma richt zich op het gebouwgebonden energieverbruik (voor verwarmen, koelen, ventileren van het gebouw). Het programma gaat niet over procesgebonden energieverbruik, zoals energie voor bedrijfsprocessen. Ook de opwek en opslag van duurzame energie vallen buiten de scope van het Warmteprogramma. Deze onderwerpen, samen met de andere thema’s uit de Duurzaamheidsvisie, kunnen wel in dorpsuitvoeringsplannen (zie paragraaf 4.2) terug kunnen komen wanneer er sprake is van koppelkansen. 

1.5 Nieuwe wetgeving

Het Warmteprogramma moet voldoen aan een aantal kaders vanuit verschillende soorten wet- en regelgeving. Hoofdzakelijk zijn de Omgevingswet en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) van toepassing op het Warmteprogramma.  

Omgevingswet 

Het Warmteprogramma wordt vastgesteld als verplicht programma in de Omgevingswet. Er gelden dan ook verplichte onderdelen voor het Warmteprogramma. Het is verplicht om terug te kijken over de periode sinds de Transitievisie Warmte, en om vooruit te kijken naar de plannen voor de komende tien jaar.  

Onder de Omgevingswet geldt voor het Warmteprogramma een motiveringsplicht op participatie (artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit). Dit betekent dat vermeld moet worden met wie en op welke manier er geparticipeerd is.  

Het Warmteprogramma moet vastgesteld worden volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure, ofwel de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (3:4 Algemene wet bestuursrecht). Hierbij worden de volgende stappen doorlopen voor de vaststelling:  

  • Kennisgeving ontwerp-Warmteprogramma 

  • Ter inzagelegging ontwerp-Warmteprogramma 

  • Indienen zienswijzen 

  • Besluit vaststelling Warmteprogramma 

  • Bekendmaking besluit 

  • Inwerkingtreding besluit 

Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)

De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten meer mogelijkheden om de warmtetransitie te sturen. Een belangrijk onderdeel hiervan is de zogenoemde aanwijsbevoegdheid. Met deze bevoegdheid kan de gemeente gebieden aanwijzen die binnen een bepaalde termijn van het aardgas af moeten zijn. De wet stelt hiervoor randvoorwaarden vast in het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). Zo moet er altijd ruimte blijven voor een keuze uit een duurzame warmteoplossing en moeten de haalbaarheid en betaalbaarheid worden meegewogen.

De gemeente Aa en Hunze is op dit moment niet van plan de aanwijsbevoegdheid in te zetten. In hoofdstuk 2.1 wordt dit nader toegelicht bij het kader bereidheid.

Wet collectieve warmte (Wcw) 

De Wet collectieve warmte (Wcw) bevat regels voor collectieve warmtesystemen, zoals warmtenetten. De Wcw stelt dat de gemeente de regie heeft in de warmtetransitie. De Wcw reguleert verder taken en verplichtingen van warmtebedrijven. Deze taken en verplichtingen gaan over de bescherming van consumenten, regels over leveringszekerheid en duurzaamheid en een op kosten gebaseerde tariefregulering. 

1.6 Totstandkoming Warmteprogramma

Bij het opstellen van het Warmteprogramma zijn verschillende partijen betrokken geweest. Als eerste stap is een vragenlijst over de Transitievisie Warmte uitgezet onder betrokken externe partijen en interne medewerkers van de gemeente. Deze vragenlijst richtte zich op de evaluatie van de Transitievisie Warmte en op de kaders voor het Warmteprogramma. De volgende partijen hebben de vragenlijst ingevuld: 

  • Enexis

  • Woningcorporatie de Volmacht 

  • Woningcorporatie Woonborg 

  • Huurdersvereniging de Deelmacht 

  • Lokale energie-initiatieven 

  • Energiecoaches

  • Medewerkers gemeente Aa en Hunze 

Daarnaast is er een informerende en interactieve bijeenkomst met de gemeenteraad georganiseerd om de Transitievisie Warmte te evalueren, waarbij de kaders centraal stonden

Met de woningcorporaties en huurdersverenigingen en met de lokale energie-initiatieven zijn daarna nog aparte bijeenkomsten gehouden om input op te halen voor het Warmteprogramma. 

Het ontwerp-warmteprogramma heeft daarnaast zes weken ter inzage gelegen, waarbij iedereen de gelegenheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen. 

Het volledige participatieverslag is opgenomen in bijlage 2. 

2 Onze opgave

2.1 Kaders

De keuzes in het Warmteprogramma zijn gebaseerd op de kaders die in dit hoofdstuk worden beschreven. Deze kaders zijn overgenomen vanuit de Transitievisie Warmte. Uit de evaluatie van de Transitievisie Warmte (bijlage 2) blijkt dat deze kaders nog goed toepasbaar zijn. Wel heeft de evaluatie geleid tot enkele aanpassingen en nuanceringen. 

Bereidheid

De aanpak in Aa en Hunze is gebaseerd op vrijwilligheid. We maken geen gebruik van het nieuwe instrument, de aanwijsbevoegdheid (zie paragraaf 1.5). Investeringen in de eigen woning gaan op basis van vrijwilligheid. Daarbij kiezen we voor een rol die gericht is op stimuleren, faciliteren en het goed informeren van bewoners. Wanneer we samen met het dorp plannen maken zorgen we ervoor dat iedereen die dat wil kan deelnemen. 

Bij de herijking van het Warmteprogramma wordt opnieuw bekeken of het niet inzetten van de aanwijsbevoegdheid nog passend is. Dit omdat een (te) grote mate van vrijblijvendheid de ambities van het Warmteprogramma in gevaar kan brengen. 

Bereik- en betaalbaarheid

Onze aanpak is inclusief. We spannen ons ervoor in om de warmtetransitie voor iedereen toegankelijk en betaalbaar te maken.

Ondanks voorzieningen zoals gunstige financieringsmogelijkheden, weten we dat niet alle huishoudens kunnen of willen investeren. In onze plannen houden we rekening met deze groep en zetten we in op een actieve benadering. We houden rekening met huishoudens die minder te besteden hebben en we werken samen met het sociaal domein. We hebben een regierol en zetten ons in om lastenverzwaring voor inwoners zoveel mogelijk te beperken.

Voor de betaalbaarheid van de warmtetransitie kijken we naar zowel de laagste kosten voor de maatschappij als voor bewoners. Daarbij blijft er aandacht voor realisme, uitvoerbaarheid en ontzorging vanuit de gemeente.

Urgentie

De gemeentelijke ambitie is een fossielvrije en energieneutrale gebouwde omgeving in 2040. Dit is 10 jaar eerder dan de landelijke doelstelling. We beseffen dat het behalen van deze ambitie vraagt om duidelijke keuzes, concrete uitvoering en een gezamenlijke inzet in het Warmteprogramma. Als gemeente hebben we een belangrijke rol in het uitdragen van zowel de urgentie als de gezamenlijkheid van de warmtetransitie. 

We zijn voor het behalen van onze ambitie sterk afhankelijk van andere partijen. Woningcorporaties geven bijvoorbeeld aan dat zij zich houden aan de wettelijke, landelijke doelstelling van 2050 om hun woningbezit te verduurzamen. Ook netcongestie is hierbij een potentieel risico, waarbij we afhankelijk zijn van de netbeheerder(s). Wij blijven daarom inzetten op samenwerking om de ambitie van 2040 te behalen. 

Gezamenlijkheid

Onze aanpak ontwikkelen we samen met inwoners, bedrijven, woningcorporaties, huurdersverenigingen, de netbeheerder en lokale energie-initiatieven. We werken vanuit een integraal perspectief. Als gemeente geloven we in de effectiviteit van gezamenlijke planvorming. 

Lokale initiatieven kunnen een structurele rol vervullen bij het toetsen van beleid, bijvoorbeeld als klankbord voor het Warmteprogramma en bij het signaleren van koppelkansen. Zij zijn bij uitstek geschikt om inwoners te informeren, te verbinden en te betrekken, omdat zij het dorp goed kennen en vaak sneller het vertrouwen van inwoners hebben. 

Bedrijven, woningcorporaties en huurdersverenigingen brengen ieder hun eigen kennis en ervaring in. Bedrijven kennen de markt en uitvoeringspraktijk, woningcorporaties en huurdersverenigingen kennen de leefwereld van huurders en bewoners. Dit samenspel zorgt voor een breed gedragen en beter onderbouwde aanpak.

We organiseren deze samenwerking actief. Hier ontstaat de gezamenlijke kennis en energie die nodig is voor de warmtetransitie. Naast onze rol als regisseur vervullen we ook die van partner, facilitator en aanjager (zie hoofdstuk 3.2).

Lokaal eigendom

Onze aanpak stimuleert lokaal eigendom. Waar mogelijk wordt energie binnen de gemeentegrenzen opgewekt. Hierbij is lokaal eigendom een belangrijk uitgangspunt. Eigenaarschap gaat onlosmakelijk samen met zeggenschap. We ondersteunen lokale initiatieven, zoals energiegemeenschappen. Een energiegemeenschap is een groep inwoners, bedrijven of organisaties die samen duurzame energie opwekken, gebruiken of delen. De deelnemers hebben gezamenlijk invloed op de keuzes die worden gemaakt. Dit sluit aan bij het Beleidskader Zon, waarin vermeld staat waar initiatieven voor de opwek van energie aan moeten voldoen. 

Er zijn meerdere redenen waarom we lokaal eigendom belangrijk vinden. Het beleidsdoel een energieneutrale gemeente te zijn is daar één van. Dit betekent dat alle energie die gebruikt wordt, ook zelf wordt opgewekt. Ook houden we hiermee de opbrengsten van energie-opwek in de eigen gemeente. Een bijkomend voordeel is dat we met lokale energie opwek minder afhankelijk zijn van het buitenland voor onze energielevering. Hierbij is het wel van belang dat het opwekken van elektriciteit geen negatieve impact mag hebben op het elektriciteitsnet.

Transparantie

Onze aanpak is gebaseerd op transparante criteria. Dit is niet alleen de basis van het Warmteprogramma, maar een randvoorwaarde voor alles wat de gemeente doet. We maken inzichtelijk welke keuzes we maken, welke afwegingen daarbij een rol spelen en op welke informatie deze keuzes zijn gebaseerd.

Daarnaast zijn we transparant over het proces, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van het Warmteprogramma en de uitvoeringsplannen. We informeren inwoners, bedrijven, en andere belanghebbenden op een passende manier, met begrijpelijke taal. Ook wanneer nog niet alles vaststaat of onzeker is, communiceren we hier open over. 

2.2 Participatie

Samen doen

Om de plannen voor de warmtetransitie van papier naar praktijk te brengen, is de betrokkenheid van inwoners, ondernemers en organisaties belangrijk. In Aa en Hunze werken we volgens het principe van ‘samen doen’. Dit betekent dat inwoners, waar mogelijk, actief worden betrokken bij het meedenken en meedoen aan de uitvoering van de warmtetransitie.

We bouwen voort op bestaande structuren en samenwerkingen, zoals:

  • vrijwillige energiecoaches, Fixteam Drenthe en het Drents Energieloket 

  • lokale energie-initiatieven 

  • samenwerking met woningcorporaties en huurdersverenigingen 

Deze netwerken vormen een belangrijke basis voor de uitvoering van de warmtetransitie.

Doel van participatie 

De notitie Vertrekpunten participatie laat zien wat gemeente Aa en Hunze belangrijk vindt bij participatie. De visie is erop gericht meer te besturen vanuit co-creatie, met de nadruk op: samen doen, vroegtijdig betrekken en maatwerk per situatie. 

Participatie in de uitvoering van de warmtetransitie heeft als doel om draagvlak te creëren en actieve betrokkenheid te stimuleren. Dit past bij de rol die de gemeente neemt als aanjager, facilitator en partner (zie paragraaf 3.2).

Uitvoering 

De invulling van participatie wordt per activiteit afgestemd, hierbij wordt gekeken welke stakeholders betrokken kunnen worden en hoe de doelgroep eruitziet. De keuze van middelen is afhankelijk van de doelgroep en de fase van uitvoering. Voorbeelden van middelen zijn bijeenkomsten, aanbelacties en enquêtes. 

3 Aanpak voor de hele gemeente

3.1 Verwachte resultaten

Binnen het Warmteprogramma werken we aan de ambitie die in de Duurzaamheidsvisie is vastgesteld: 

  • ●

    De gebouwde woonomgeving is in 2040 fossielvrij en energieneutraal.

Om deze ambitie te realiseren werken we met tussendoelen. Deze tussendoelen richten zich op isolatie, gemeentelijke gebouwen en inspanningsdoelen. De komende jaren ligt de nadruk op het isoleren van woningen. Ons doel daarbij is: 

  • ●

    In 2035 zijn alle koopwoningen geïsoleerd tot de isolatiestandaard (Nij Begun).

Nij Begun is een pakket van 50 herstelmaatregelen voor de gevolgen van de gaswinning in Groningen en Noord-Drenthe. Een van die maatregelen is de isolatie- en ventilatiesubsidie. Het uitgesproken doel van deze isolatieaanpak is dat in 2035 alle koopwoningen zijn geïsoleerd tot de isolatiestandaard. Dit biedt voor de woningeigenaren in de gemeente een prachtige stimulans om de woning zodanig te isoleren en ventileren, dat deze klaar is om zonder aardgas te verwarmen. 

Om dit doel te bereiken zullen er per jaar veel woningen geïsoleerd moeten worden, waarbij we een zwaartepunt verwachten in de periode van 2028-2032. Dit zwaartepunt wordt verwacht vanwege de opstartfase van Nij Begun. 

Bij het isoleren van woningen en gebouwen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Dat volgt uit de Omgevingswet. Het is verboden beschermde dieren opzettelijk te verstoren of te doden en hun vaste rust- en verblijfplaatsen te beschadigen of te vernielen. In de gebouwde omgeving gaat het vooral om vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen.

Om de verduurzaming van woningen te versnellen én deze soorten te beschermen, werkt de gemeente aan een soortenmanagementplan (SMP). Hiervoor wordt onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van gebouwbewonende soorten en worden waar nodig compenserende maatregelen getroffen, zoals het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen. Op basis hiervan wordt een gebiedsgerichte vergunning aangevraagd, waardoor verduurzamingswerkzaamheden onder voorwaarden eenvoudiger kunnen worden uitgevoerd. Naar verwachting is het SMP begin 2027 gereed.

Totdat het SMP in werking treedt, moeten isolatiewerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de geldende regels voor natuurvriendelijk isoleren of op een andere wijze die voldoet aan de Omgevingswet. Ook na vaststelling van het SMP blijven maatregelen nodig om gebouwbewonende soorten te beschermen, maar deze worden dan uitgevoerd volgens de voorwaarden van het SMP.

  • ●

    In 2035 is een aardgasbesparing van 50% gerealiseerd ten opzichte van 2024 in de gebouwde omgeving. 

In de Duurzaamheidsvisie is als tussendoel opgenomen dat in 2030 een aardgasbesparing van 20% wordt behaald. Dit doel is inmiddels gerealiseerd[1]. Om het einddoel in 2040 (aardgasvrije gebouwde omgeving) te behalen, is de komende jaren een verdere versnelling in het terugbrengen van het aardgasverbruik nodig. 

Een belangrijke eerste stap is het isoleren en ventileren van woningen. In 2035 zijn naar verwachting alle koopwoningen in Aa en Hunze tot de isolatiestandaard geïsoleerd, mede met behulp van Nij Begun. De grootste aardgasbesparing vindt echter pas in de stap daarna plaats, wanneer woningen niet meer met aardgas, maar met elektriciteit worden verwarmd. 

Daarmee wordt verwacht dat de sterkste daling van het aardgasverbruik plaatsvindt in de periode 2035 – 2040, in de laatste fase richting een volledig aardgasvrije gebouwde omgeving. 

In figuur 1 is een prognose van het aardgasverbruik weergegeven op basis van dit tussendoel. Tot 2035 wordt een geleidelijke versnelling verwacht die aansluit op de historische trend (2010-2024), resulterend in een besparing van 50% in 2035. In de periode daarna volgt een versnelde afbouw van het resterende aardgasverbruik richting 2040.

afbeelding binnen de regeling
Figuur 1: Reductiepad aardgasverbruik woningen Aa en Hunze

De gemeente heeft ook gebouwen in eigendom. Hiervoor geldt het volgende doel:

  • ●

    In 2030 is de CO₂-uitstoot van deze gebouwen 49 procent lager ten opzichte van 1990.

Dit doel is afgesproken in het Klimaatakkoord (2019) en heeft de gemeente overgenomen in haar Duurzaamheidsvisie (2024). De afgelopen jaren zijn al veel stappen gezet in het verduurzamen van gemeentelijke gebouwen. We werken aan een plan om inzicht te creëren en de CO2-reductie stapsgewijs te realiseren. 

Om deze doelen te behalen, zetten we in op een aantal inspanningsdoelen:

Doel

Inspanning

In 2035 zijn alle koopwoningen geïsoleerd tot isolatiestandaard.

-We zetten in op een gerichte aanpak rondom de isolatiesubsidie van Nij Begun. We informeren en activeren inwoners om hiervan gebruik te maken.

-Dit doen we onder andere door de ontzorgingsaanpak Nij Begun, waarbij inwoners die dat nodig hebben worden ondersteund en ontzorgd, onder andere via de gemeentelijke subsidieadviseur.

In 2035 is een aardgasbesparing van 50% gerealiseerd ten opzichte van 2024 in de gebouwde omgeving. 

-We werken binnen vier actielijnen om onze doelen te bereiken (zie paragraaf 3.3). 

-Met dit Warmteprogramma als basis werken we aan dit doel. Over vijf jaar wordt het warmteprogramma herijkt en wordt onze aanpak waar nodig herzien.

In 2030 is de CO₂-uitstoot van deze gebouwen 49 procent lager ten opzichte van 1990.

-We voldoen aan de wettelijke rapportageverplichtingen over energiegebruik en reductie.

-We stellen een plan op voor onze gemeentelijke gebouwen om de CO₂-reductie stapsgewijs te realiseren. Hiervoor gebruiken we een analyse van het energieverbruik van onze gebouwen van de afgelopen jaren.

3.2 Rol van de gemeente

De gemeente heeft de regierol in de warmtetransitie. Deze regierol vullen we in als aanjager, facilitator en partner.

  • Aanjager: We jagen de warmtetransitie aan door te informeren en stimuleren. Dit doen we vanuit onze gebiedsgerichte aanpak (zie paragraaf 3.3, actielijn 3), en vanuit een sociale energieaanpak die bijdraagt aan de bereikbaarheid en betaalbaarheid van de warmtetransitie. 

  • Facilitator: We ondersteunen inwoners, energie-initiatieven, bedrijven, woningcorporaties en huurdersverenigingen bij de uitvoering van de warmtetransitie. 

  • Partner: De warmtetransitie is een transitie die iedereen raakt. Het komt echt achter de voordeur. We willen en kunnen het daarom niet alleen doen. We faciliteren, stimuleren en versterken lokale energie-initiatieven voor de kracht van onderop. Daarnaast werken we ook samen met bijvoorbeeld de woningcorporaties en netbeheerder. 

3.3 Actielijnen

Om de gestelde doelen te behalen, werkt de gemeente Aa en Hunze vanuit meerdere actielijnen aan de warmtetransitie:



  • ●

    Actielijn 1: Stimuleren van verduurzaming op natuurlijke momenten. 

    We stimuleren woningeigenaren om hun woning te verduurzamen op natuurlijke momenten, zoals bij verhuizing of verbouwing. Daarbij zetten we in op het optimaal benutten van de isolatiesubsidie van Nij Begun. Hiervoor zoeken we de samenwerking met makelaars en hypotheekadviseurs. 



    We zorgen ervoor dat alle inwoners hulp kunnen krijgen bij het verduurzamen van hun woning. Dit doen we bijvoorbeeld door de inzet van het Drents Energieloket en het begeleiden en opleiden van vrijwillige energiecoaches. Het kader ‘bereidheid’ vormt een belangrijke basis voor deze actielijn.



  • ●

    Actielijn 2: Faciliteren, stimuleren en versterken lokale initiatieven.

    Lokale energie-initiatieven zijn een belangrijke schakel in de warmtetransitie. Vanuit onze kaders ‘lokaal eigendom’ en ‘gezamenlijkheid’, richten we ons op het ondersteunen, stimuleren en faciliteren van deze initiatieven. Dit doen we door structurele kennisuitwisseling te organiseren, door samen te werken met de initiatieven in projecten en waar mogelijk financiële ondersteuning te bieden. Daarbij zien we ook dat de lokale initiatieven draaien op vrijwilligers. We houden daarom rekening met de beperkte tijd en capaciteit van deze vrijwilligers.



  • ●

    Actielijn 3: Gebiedsgerichte aanpak. 

    We werken graag samen met de dorpen. Waar het meerwaarde heeft zetten we een gebiedsgerichte aanpak of gebiedsgerichte acties in. Hiermee kunnen we meer inwoners in één keer bereiken en ondersteunen bij de stappen die nodig zijn voor een fossielvrije en energieneutrale gebouwde omgeving in 2040. 



    Daarnaast weten bewoners zelf vaak beter hoe hun eigen dorp in elkaar zit. Door de krachten te bundelen ontstaan er betere aanpakken. De kaders ‘lokaal eigendom’ en ‘gezamenlijkheid’ vormen hierbij belangrijke uitgangspunten. Ook kunnen door gebiedsgericht te werken, koppelkansen met andere thema’s in het gebied benut worden. Voorbeelden van gebiedsgerichte aanpakken zijn het maken van dorpsuitvoeringsplannen (DUP) en wijkacties van Nij Begun. In hoofdstuk 4.2 wordt toegelicht waar deze aanpakken de komende jaren worden ingezet.



  • ●

    Actielijn 4: Sociale energieaanpak. 

    Om inwoners te helpen bij het verduurzamen van hun woning, zetten we verschillende ondersteuningsmaatregelen in. We doen dit hoofdzakelijk vanuit het kader ‘bereik- en betaalbaarheid’. Voorbeelden van deze ondersteuning zijn de gemeentelijke subsidieadviseur, het Fixteam Drenthe, het Drents Energieloket, isolatiesubsidies en de inzet van vrijwillige energiecoaches. Ook kijken we naar gerichte ondersteuning voor doelgroepen zoals huurders, inwoners in energiearmoede, senioren en laaggeletterden. We werken daarvoor samen met interne afdelingen van de gemeente, maar ook met woningcorporaties en huurdersverenigingen en de welzijnsorganisaties.  

3.4 Warmtetechnieken

Voor de Transitievisie Warmte is een uitgebreide analyse uitgevoerd naar de mogelijke warmteoplossingen voor de gemeente Aa en Hunze. De afgelopen jaren is er meer inzicht ontstaan over de haalbaarheid en betaalbaarheid van verschillende warmteoplossingen. Daarbij is duidelijk geworden dat grootschalige collectieve warmtenetten op dit moment niet haalbaar en betaalbaar zijn in Aa en Hunze. Dit hangt samen met een relatief lage warmtevraagdichtheid en de beperkte beschikbaarheid van geschikte warmtebronnen. 

Het uitgangspunt is daarom in de hele gemeente dat de toekomstige warmtetechniek een individuele, elektrische oplossing is. 

Kansrijke alternatieven

Individuele warmtepomp

De individuele warmtepomp is de meest geschikte warmteoplossing voor de gebouwde omgeving in Aa en Hunze. Een warmtepomp gebruikt elektriciteit om een woning en het tapwater te verwarmen. Voor woningen die nog niet voldoende geïsoleerd zijn, kan een hybride warmtepomp een geschikte tussenstap zijn.

Er zijn verschillende typen warmtepompen beschikbaar. De meest voorkomende zijn lucht-waterwarmtepompen en lucht-lucht warmtepompen (airco’s), die de warmte uit de buitenlucht halen. Daarnaast zijn er warmtepompen die gebruikmaken van bodemenergie of warmte uit water. Dit kan uit grondwater, oppervlaktewater of met PVT-panelen. Voor sommige systemen is een vergunning nodig. 

Kleine collectieve systemen

Grote warmtenetten zijn niet haalbaar en betaalbaar in de gemeente Aa en Hunze. Wel kan het rendabel zijn om gezamenlijk met meerdere woningen een mini-warmtenet aan te leggen met een gezamenlijke (bodem)warmtepomp. 

Niet kansrijke alternatieven

Groengas

Door biomassa, zoals mest, slib of GFT-afval, te vergisten ontstaat biogas. Biogas dat wordt opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit heet groengas. Groengas kan dan worden ingevoerd in het bestaande gasnet en worden bijgemengd met aardgas. Daarmee kan het de komende jaren een rol spelen in het vergroenen van het slinkende aardgasverbruik op het bestaande gasnet dat nog wel even blijft liggen. 

Groengas is een ontwikkeling die met name provinciaal wordt gestuurd. Als inwoner heb je geen invloed of er daadwerkelijk groengas door het gasnetwerk stroomt. Daarnaast zal groengas aardgas nooit volledig kunnen vervangen; simpelweg omdat daar veel biomassa voor nodig is en dat heeft Aa en Hunze niet. Daarmee valt dit alternatief af. 

Waterstof

Op dit moment wordt waterstof veelal gebruikt voor de industrie. In 2023 is er landelijk in het nationaal plan energiesystemen (NPE) besloten dat waterstof vanwege de schaarste vooral wordt toegewezen aan de industrie (en deels zwaar transport) en minder aan de gebouwde omgeving, omdat hier voldoende alternatieven beschikbaar zijn. 

Voor het verwarmen van woningen zijn op dit moment andere oplossingen, zoals warmtepompen, beter beschikbaar en efficiënter. Waterstof wordt daarom niet beschouwd als een kansrijke warmteoplossing voor de gebouwde omgeving in Aa en Hunze.

Houtstook en houtpelletkachels

Houtstook en houtpelletkachels dragen niet bij aan de ambitie van de Duurzaamheidsvisie van Aa en Hunze. Bij verbranding van hout komt CO₂ vrij en kan invloed ontstaan op de luchtkwaliteit. Om deze redenen worden houtstook en houtpelletkachels niet beschouwd als een kansrijke warmteoplossing binnen de warmtetransitie in Aa en Hunze.

3.5 Onderbouwing van de keuzes

De gemeente Aa en Hunze kiest in dit Warmteprogramma hoofdzakelijk voor individuele elektrische warmteoplossingen, met name individuele warmtepompen. Deze keuze is gebaseerd op een afweging van betaalbaarheid, haalbaarheid en uitvoerbaarheid. Betaalbaarheid is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Vanuit Nij Begun wordt ingezet op het isoleren van woningen naar de isolatiestandaard. De woning wordt daarmee geschikt voor een warmtepomp of lage temperatuur warmtenet. Vanwege de lage warmtevraagdichtheid in de gemeente, lopen de kosten voor een warmtenet snel op. 

We kijken daarbij naar zowel de laagste kosten voor de maatschappij als de laagste kosten voor de eindgebruiker. Hiervoor maken we gebruik van de Eindgebruikerskostentool van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Uit deze analyses blijkt dat voor de meeste wijken in de gemeente Aa en Hunze de individuele lucht-waterwarmtepomp de goedkoopste maatschappelijke optie is. Ook voor de eindgebruiker zien we dat deze oplossing vaak goedkoper is per jaar dan verwarmen met aardgas. 

Naast de betaalbaarheid speelt haalbaarheid een belangrijke rol. De elektrificatie van de warmtevoorziening vraagt extra capaciteit van het elektriciteitsnet. Het elektriciteitsnet is op sommige plekken vol. Dit wordt netcongestie genoemd. De gemeente is hierover in gesprek met de netbeheerder. Samen wordt gekeken naar de mogelijkheden en hoe we slim om kunnen gaan met elektrische oplossingen. 

De netbeheerder pakt per buurt, dorp of regio het elektriciteitsnet aan. Enexis noemt dit de Buurtaanpak. Met deze Buurtaanpak wordt het elektriciteitsnet toekomstbestendig gemaakt voor een all-electric samenleving. Dat betekent dat uitgegaan wordt van elektrificatie van de warmtevraag van gebouwen, maar ook elektrificatie van bijvoorbeeld vervoer. 

De planning van Enexis komt tot stand op basis van veiligheid, gepland onderhoud en toekomstige ontwikkelingen. Stapsgewijs worden zo de kernen in Aa en Hunze aangepakt. Via de website van Enexis is de voorlopige planning van de Buurtaanpak van Enexis te bekijken.  

Mer-beoordeling

Voor het Warmteprogramma is een mer-beoordeling uitgevoerd. In deze beoordeling zijn de mogelijke milieueffecten van verschillende warmtetechnieken onderzocht voor de verschillende wijktypen binnen de gemeente Aa en Hunze. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Voor de beoordeling zijn de volgende technieken onderzocht: 

  • lucht-waterwarmtepomp; 

  • bodem-waterwarmtepomp;

  • water-waterwarmtepomp;

  • hybride warmtepomp.

Per techniek is gekeken naar mogelijke effecten op geluid, trillingen, bodem, water, natuur en biodiversiteit, en archeologie en cultuurhistorie. Deze effecten kunnen zich voordoen bij de aanleg, of bij het gebruik van de techniek. Ook dit is onderzocht. 

De conclusie is dat de individuele warmtetechnieken niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, mits deze buiten de restrictie- en verbodszones plaatsvinden. Er worden wel effecten verwacht, maar die zijn beperkt van aard. Ook zijn er mitigerende maatregelen die genomen kunnen worden om de milieueffecten verder te beperken of tegen te gaan.

Met behulp van het inzicht in negatieve milieueffecten per techniek per gebied, heeft de gemeente mede bepaald welke technieken logisch zijn voor welke gebieden. De lucht-waterwarmtepomp blijkt kansrijk in alle woonwijken door de relatief eenvoudige inpassing en beperkte aanlegvereisten. Mogelijke nadelen zijn geluidsoverlast, visuele impact van buitenunits en effecten op cultuurhistorische panden. Deze nadelen kunnen echter worden beperkt door het toepassen van gerichte mitigerende maatregelen, zoals geluidsarme modellen, strategische plaatsing van buitenunits en het plaatsen van een geluidskap. 

Ecologische en waterhuishoudkundige risico’s spelen vooral bij bodem-water- en water-waterwarmtepompen en vragen om zorgvuldig onderzoek vooraf. Daarnaast valt het gebied af voor bodemwarmtepompen waar restrictie en/of verbodszones zijn. Dit zijn de kernen Annen, Eexterveen, Rolde en Ekehaar (en omliggende kernen) (figuur 2).

Figuur 2. Verbods- en restrictiezones voor bodemwarmtepompen in de gemeente Aa en Hunze.

4 Aanpak per gebied

4.1 Gemeentebrede planning

De gebouwde omgeving in Aa en Hunze bestaat uit 11.637 woningen en 3.336 utiliteitsgebouwen. Binnen deze gebouwde omgeving onderscheiden we verschillende doelgroepen. Voor iedere doelgroep is een andere aanpak nodig. Hieronder beschrijven we hoe we hier invulling aan geven. 

Particuliere woningen

Aantal

8.898

Bron

DDE[2]

In voorgaande hoofdstukken is onderbouwd waarom in Aa en Hunze vooral wordt ingezet op individuele warmteoplossingen. Om een woning geschikt te maken voor een warmtepomp is goede isolatie nodig, zodat verwarming op lage temperatuur mogelijk wordt. Daarom ligt de focus de komende jaren op het isoleren van particuliere woningen. Hiermee wordt de energievraag verminderd en wordt de basis gelegd voor aardgasvrij verwarmen. 

Vanuit de isolatieaanpak van Nij Begun werken we toe naar woningen die uiterlijk in 2035 voldoen aan de isolatiestandaard. Via de subsidie van Nij Begun is er tot maximaal €40.000,- subsidie voor woningeigenaren beschikbaar voor isolatie- en ventilatiemaatregelen. 

Parallel hieraan heeft de gemeente een informerende en stimulerende rol bij warmteoplossingen zoals de individuele warmtepomp. Naarmate steeds meer woningen voldoende geïsoleerd zijn, wordt de overstap naar aardgasvrij verwarmen voor steeds meer woningeigenaren relevant. We onderzoeken de komende jaren, in samenwerking met andere Drentse gemeenten, hoe we deze stap kunnen stimuleren. Bijvoorbeeld met een subsidieregeling voor warmtepompen. Dit als aanvulling op de al bestaande landelijke ISDE subsidie voor warmtepompen.

In onze gemeente staan ook woningen waarbij verduurzaming lastiger kan zijn en de investering hoog kan zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij oude (woon)boerderijen en monumentale woningen. We inventariseren wat deze doelgroep (extra) nodig heeft en maken op basis daarvan een aanpak voor deze doelgroep.

Sociale huurwoningen

Aantal

2.157

Bron

DDE

Met de woningcorporaties en huurdersverenigingen maakt de gemeente jaarlijks prestatieafspraken. Daarnaast zijn er kaderafspraken gemaakt over onder andere de verduurzaming van sociale huurwoningen. Hierin is onder meer afgesproken dat woningen met energielabel E, F of G uiterlijk in 2028 zijn verbeterd, mits deze woningen bestemd zijn voor doorexploitatie. Woningcorporaties informeren de gemeente jaarlijks over hoeveel woningen zij gaan verduurzamen. 

Naast het verduurzamen van huurwoningen wordt in het kader van energiearmoede energiebewust gedrag gestimuleerd. Hiervoor wordt vier keer per jaar het huurders- en energieoverleg georganiseerd, waarin gemeente, woningcorporaties en huurdersverenigingen samenwerken aan activiteiten en projecten. Voorbeelden hiervan zijn voorlichting over energiebesparing en de inzet van het Fixteam Drenthe bij huurders. 

Particuliere huurwoningen

Aantal

500 (inschatting)

Bron

DDE

In de gemeente Aa en Hunze zijn ook een aantal particuliere huurwoningen. Het exacte aantal is niet bekend. De verantwoordelijkheid voor de verduurzaming van deze woningen ligt bij de verhuurder. Particuliere verhuurders kunnen ook gebruik maken van de isolatie- en ventilatiesubsidie van Nij Begun. De komende jaren worden de mogelijkheden onderzocht om met particuliere verhuurders in contact te komen, zodat zij gericht geïnformeerd kunnen worden.  

Vereniging van Eigenaren (VvE’s)

Aantal VvE’s met woning

35

Aantal woningeigenaren

185

Bron

DDE

Via de isolatieaanpak van Nij Begun wordt in 2026 en 2027 gebruikgemaakt van het VvE-loket van de gemeente Groningen om Verenigingen van Eigenaren (VvE's) te ondersteunen en te begeleiden bij de verduurzaming. Na deze periode wordt de effectiviteit van deze werkwijze geëvalueerd. Binnen Aa en Hunze is er sprake van een relatief kleine VvE-doelgroep. 

Utiliteit

Aantal

3.336

Bron

DDE

In de gemeente staan ruim 3000 gebouwen die worden aangemerkt als utiliteitsgebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een maatschappelijke functie, zoals scholen, zorginstellingen en dorpshuizen. Ook winkels, kantoren en mkb’ers vallen onder utiliteit. Utiliteitsbouw heeft eigen regels om aan te voldoen, die anders zijn dan voor woningen. Zo is het voor kantoorgebouwen, die groter zijn dan 100m2, sinds 2023 verplicht om minimaal te voldoen aan energielabel C. Voor een deel van de bedrijven geldt de energiebesparingsplicht. De energiebesparingsplicht verplicht bedrijven en instellingen om alle energiebesparende maatregelen - met een terugverdientijd van 5 jaar of minder - uit te voeren. De doelgroepen ondernemers en bedrijventerreinen worden ondersteunt via verschillende programma’s van de provincie Drenthe. Dit gebeurt via Ik ben Drents Ondernemer(IBDO); en programma verduurzaming bedrijventerreinen (PVB).

Voor een deel van de utiliteitsgebouwen heeft de gemeente een duidelijke rol als eigenaar van het gebouw. Het gemeentelijk vastgoed moet verduurzaamd worden. Hiervoor wordt gewerkt aan beleid voor maatschappelijk vastgoed en worden al energiescans uitgevoerd bij dorpshuizen, zowel in gemeentelijk eigendom als niet gemeentelijk eigendom. De komende jaren is het belangrijk dat er een grote slag wordt gemaakt in de verduurzaming van deze gebouwen. 

Voor scholen geldt dat we werken met een Integraal Huisvestingsplan (IHP). Daarin is per schoolgebouw aangegeven wat de toekomstplannen op het gebied van duurzaamheid zijn, wat de planning is, en welke verantwoordelijkheden bij de gemeente en het schoolbestuur liggen. 

Voor utiliteitsgebouwen waar de gemeente geen eigenaar van is, is de rol van de gemeente minder helder. De doelgroepen maatschappelijk vastgoed en ondernemers worden ondersteunt door verschillende programma’s van de provincie Drenthe. Dit gebeurt via het ontzorgingsprogramma verduurzamen maatschappelijk vastgoed; Daarnaast biedt de provincie leningen voor ondernemers en maatschappelijke instellingen via het energiefonds Drenthe. Ook Ik Ben Drents Ondernemer (IBDO) biedt ondersteuning voor ondernemers.  

4.2 Planning per dorp

Zoals in de voorgaande hoofdstukken beschreven geldt voor de keuze van het alternatief voor aardgas voor alle dorpen in Aa en Hunze hetzelfde uitgangspunt, namelijk individuele warmteoplossingen. Dit betekent dat er in de gemeente geen grootschalige collectieve warmtenetten worden ontwikkeld waarvoor een gebiedsgerichte aanvraag nodig is. Toch is het voor dorpen mogelijk om in gezamenlijkheid iets te doen, waarbij we als gemeente een rol kunnen en willen spelen. Hieronder beschrijven we wat we daarin wel en niet doen. 

Ondersteuning van energie-initiatieven

Vanuit actielijn 2 faciliteren, stimuleren en versterken we lokale energie-initiatieven. Dit gebeurt door structurele kennisuitwisseling te organiseren, door samen te werken met de initiatieven aan activiteiten en projecten en waar mogelijk financiële ondersteuning te bieden. 

Dorpsuitvoeringsplannen

De gemeente staat er in principe voor open om met alle dorpen die dat willen een dorpsuitvoeringsplan (DUP) op te stellen. In een DUP staan activiteiten die de gemeente en het lokale energie-initiatief de komende jaren organiseren. Het DUP is daarmee een middel om inwoners te informeren en stimuleren in de warmtetransitie. 

Het opstellen van een DUP vraagt tijd en inzet van zowel inwoners als gemeente. Daarom is het belangrijk dat er voldoende draagvlak en energie in het dorp aanwezig is. In de praktijk zien we dat dit vaak de dorpen zijn waar een lokaal energie-initiatief actief is. Daarnaast is er ook bij de gemeente sprake van beperkte capaciteit. Daarom wordt per jaar bekeken welke DUPs en andere activiteiten er op de planning staan en maken op basis daarvan afspraken met de dorpen over de mogelijkheden tot het maken van een DUP. 

Voor het maken van een DUP kan het eerder vastgestelde plan van Gasteren als basis dienen. Dit zorgt ervoor dat niet overal het wiel opnieuw uitgevonden hoeft te worden. In bijlage 1 staan alle dorpen uit de gemeente weergegeven. Daarbij is aangegeven welke actieve energie-initiatieven op het moment van schrijven bekend zijn, en wat de bij ons bekende status van het initiatief is. Hier kunnen in de toekomst uiteraard nieuwe initiatieven bijkomen.  

Wijkacties Nij Begun

In bepaalde dorpen organiseren we wijkacties voor de isolatie- en ventilatiesubsidie van Nij Begun. Tijdens deze acties worden inwoners geïnformeerd over de isolatiesubsidie van Nij Begun en gestimuleerd om hier gebruik van te maken. Voorbeelden van activiteiten binnen een wijkactie zijn: 

  • Informatiemarkten

  • Informatieavonden 

  • Aanbelacties

  • Inloopspreekuren met isolatieondersteuners en subsidieadviseurs 

  • Panelgesprekken

  • Webinars

De keuze voor dorpen of wijken waar een wijkactie wordt uitgevoerd, is afhankelijk van onder andere de mate van activiteit en het aantal aanvragen in het gebied, de aanwezigheid van energiearmoede en mogelijke koppelkansen. 

De wijkacties die in 2026 en 2027 worden uitgevoerd of gepland zijn, staan genoemd in tabel 1. 

Tabel 1: Wijkacties Nij Begun 2026 en 2027

Dorp

Start 

Gieten

2026 

Rolde

2026  

Veendorpen 

2026  

Annen

2027

Gasselternijveen

2027

4.3 Kosten en capaciteit

Om uitvoering te kunnen geven aan de warmtetransitie is capaciteit nodig bij de gemeente. In tabel 2 is in kaart gebracht wat de huidige capaciteit bij de gemeente Aa en Hunze is voor de warmtetransitie. Dit is een grove inschatting. Uit het overzicht blijkt dat er naar schatting 4,5 FTE beschikbaar is op het moment van schrijven. Daarbij is jaarlijks nog 0,5 FTE flexibele externe inzet beschikbaar vanuit het Flexteam Drenthe. Voor de ondersteuning van inwoners maken we daarnaast gebruik van verschillende ondersteuningsstructuren, zoals het Drents Energieloket en de vrijwillige energiecoaches. 

In 2026 wordt een onderzoek afgerond naar de gehele duurzaamheidsopgave van de gemeente. Binnen het onderzoek wordt in kaart gebracht hoeveel capaciteit er nodig is om uitvoering te geven aan het Warmteprogramma. 

afbeelding binnen de regeling

Financiën 

Voor de uitvoering van de warmtetransitie maken we zoveel mogelijk gebruik van door het Rijk verstrekte middelen. Daarnaast hebben we de uitvoeringskosten die we daar niet uit kunnen betalen voor 2027 aangevraagd bij de begroting. Voor de jaren daarna worden eerst de totale duurzaamheidsopgave en de daarvoor beschikbare middelen in kaart gebracht. Zodra dat beeld compleet is zal inzichtelijk gemaakt worden wat er aan middelen nodig is om de uitvoering van dit Warmteprogramma te bekostigen.

5 Monitoring en evaluatie

Om inzicht te houden in de voortgang richting onze doelen en ambities van het Warmteprogramma wordt de uitvoering gemonitord. Zo weten we of we op de goede weg zijn, of dat we ergens moeten bijsturen. De gemeente wil tegelijkertijd ook leren van de warmtetransitie. Dat betekent dat we onze aanpak regelmatig evalueren en waar nodig bijstellen. 

Voor de monitoring van de voortgang van de warmtetransitie in Aa en Hunze worden de volgende indicatoren gevolgd:

Tabel 3: Indicatoren monitoring Warmteprogramma

Indicator

Uitwerking

Frequentie

Bron

Gasverbruik woningen

Totaal gasverbruik van woningen

Jaarlijks

Klimaatmonitor Rijksoverheid

Hoofdverwarmings-installatie

Samenvatting per dorp: aandeel woningen met CV-ketel, (hybride) warmtepomp of andere verwarmingsvorm

Jaarlijks

Klimaatmonitor Rijksoverheid

Aantal woningen op isolatiestandaard

Aantal woningen dat een subsidie heeft toegekend voor de isolatiesubsidie van Nij Begun

Halfjaarlijks

Nij Begun/ SNN

Aantal huisbezoeken energiecoaches

Aantal woningen dat door de energiecoaches bezocht is

Jaarlijks

Gemeente Aa en Hunze

Aantal bezoeken fixteam Drenthe

Aantal woningen dat bezocht is door het Fixteam

Jaarlijks

Fixteam Drenthe

Aantal contactmomenten met het Drents Energieloket

Aantal contactmomenten van inwoners met het Drents Energieloket, zowel telefonisch als fysiek

Jaarlijks

Drents Energieloket

Aantal contacten gemeentelijke subsidieadviseur

Aantal contactmomenten van inwoners met de gemeentelijke subsidieadviseur

Jaarlijks

Gemeente Aa en Hunze

De resultaten van de monitoring worden jaarlijks in de Planning & Control-cyclus gedeeld met de gemeenteraad. 

In 2031 wordt het Warmteprogramma herzien en opnieuw vastgesteld. Als de evaluatie daartoe aanleiding geeft, worden de planning en aanpak tussentijds bijgesteld.

Bijlage 1 Overzicht dorpen en energie-initiatieven

Bijlage 2 Evaluatie Transitievisie Warmte en Participatieverslag

Inleiding 

Het warmteprogramma is een actualisatie van de Transitievisie warmte (2022). Voor het warmteprogramma is een startnotitie vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders. In deze startnotitie is de participatieaanpak uitgewerkt, inclusief een stakeholderanalyse.  

Er zijn verschillende participatiemethoden gebruikt: 

  • Een enquête voor stakeholders en collega’s. Met deze enquête hebben we een evaluatie van de huidige Transitievisie warmte gedaan. 

  • Een interactieve informerende bijeenkomst met de gemeenteraad. 

  • Overleggen met stakeholders. Met de meeste stakeholders hebben we al geregeld contact of zelfs een standaard overlegstructuur. Hiervan hebben we gebruik gemaakt om hen te betrekken bij het opstellen van het warmteprogramma. 

  • Het delen van het concept-ontwerp warmteprogramma. Het concept-ontwerp is gedeeld met interne en externe stakeholders. Zij hebben op deze manier opmerkingen en vragen kunnen delen. 

  • In de uniforme openbare voorbereidingsprocedure kan iedereen zienswijzen indienen op het ontwerp-warmteprogramma.  

Volgens de participatieverordening, wordt de opgehaalde informatie vastgesteld in dit eindverslag.   

Verloop van het proces 

17 juni 2025 

Vaststellen startnotitie 

Q3 2025 

Enquête voor stakeholders en collega’s 

18 december 2025 

Interactieve informerende bijeenkomst gemeenteraad 

Q4 2025 + Q1 2026 

Overleggen met stakeholders 

Q3 2026  

Concept-ontwerp warmteprogramma gedeeld met interne en externe stakeholders 

Q3-Q4 2026 

Uniforme openbare vaststellingsprocedure 

Enquête voor stakeholders en collega’s 

Om de Transitievisie warmte te evalueren, is een digitale enquête uitgezet onder collega’s en stakeholders. Op deze vragenlijst zijn 24 reacties gekomen. Hierin zijn de netbeheerder, woningcorporaties, huurdersvereniging, lokale initiatieven en energiecoaches vertegenwoordigd.  

Uit deze enquête komt een positief beeld naar voren van de Transitievisie warmte, deze wordt gemiddeld beoordeeld met een 7,2. Er wordt genoemd dat de samenwerking met inwoners en stakeholders, met ruimte voor kansen van onderop als goed ervaren wordt. Ook de realistische plannen en nadruk op isoleren en gedrag zijn goed. Er blijft ook ruimte voor verbetering. Er is vooral vraag naar meer ambitie en concrete voorstellen in het warmteprogramma.  

In de enquête zijn de kaders van de Transitievisie warmte voorgelegd. Uit de reacties blijkt dat de stakeholders en collega’s alle kaders nog steeds belangrijk vinden, en er geen belangrijke kaders ontbreken. Wel wordt benadrukt dat er aandacht moet blijven voor realisme, uitvoerbaarheid en ontzorging door de gemeente. 

De resultaten van deze enquête zijn gedeeld met de gemeenteraad in de interactieve informerende sessie. Vanuit deze enquête is de conclusie dat er een goede basis ligt met de Transitievisie warmte, en is daarom ook gebruikt als basis voor het warmteprogramma. Daarbij is wel aandacht voor de verbeterpunten die uit de enquête naar voren zijn gekomen. In het warmteprogramma zijn manieren gezocht om de rol van de gemeente te versterken.  

Interactieve informerende bijeenkomst met de gemeenteraad 

Op 18 december 2025 is een interactieve informerende bijeenkomst georganiseerd voor de gemeenteraad. Deze begon met een informerend deel over het warmteprogramma, gevolgd door een consulterend deel met een kadercarrousel. In het informatieve deel werden de raadsleden bijgepraat over het nut en noodzaak van het warmteprogramma, en de stand van zaken. Er werden vragen gesteld over de koppelkansen met Avebe, en de aanwijsbevoegdheid.  

Hierna volgde het interactieve deel met het kadercarrousel. Hierbij waren de kaders uit de transitievisie warmte afgedrukt op grote flaps, waar de raadsleden post-its bij konden plakken. Raadsleden konden hierop rode en groene stickers plakken om weer te geven of ze het met het kader eens (groen) of oneens (rood) waren, en konden met een tekst op een oranje post-it hier een uitgebreidere toelichting of nuancering op geven. Het doel van de avond was om te toetsen of de kaders uit de Transitievisie warmte meegenomen kunnen worden richting het warmteprogramma.  

In de tabel hieronder is weergegeven hoe de gestickerd is per kader.  

 

Kader 

Ja 

Nee 

1 

Lokaal: we stimuleren lokaal eigendom. 

15 

0 

2 

Urgentie: fossielvrij in 2040, hoe meer besparing hoe beter! 

11 

2 

3 

Bereik- en betaalbaarheid: voor iedereen toegankelijk en betaalbaar.  

15 

 

4 

Transparantie: we handelen op basis van transparante criteria. 

15 

 

5 

Gezamenlijkheid: we doen het samen met inwoners, bedrijven, woningcorporaties, netbeheerder en energie-initiatieven.  

11 

1 

6 

Bereidheid: we gebruiken geen dwang, maar gaan uit van vrijwilligheid.  

7 

1 

In de toelichtingen zijn belangrijke nuanceringen benoemd. Vooral bij het kader ‘urgentie’, zijn opmerkingen gemaakt over de haalbaarheid van de ambitie. Ook hier komt de wens voor concrete voorstellen in het warmteprogramma naar voren. Bij het kader ‘bereik- en betaalbaarheid’ zijn meerdere opmerkingen over verschillende doelgroepen en de haalbaarheid geschreven. Bij het kader ‘bereidheid’ worden nuanceringen aangebracht dat eventueel dwang als laatste optie ingezet kan worden.  

Raadsleden hebben ook ruimte gekregen voor aanvullende opmerkingen. Hier werden lokale fixteam en inzet vanuit dorpshuizen benoemd. Ook werd gevraagd om expliciete aandacht voor energiearmoede en technologische ontwikkeling.  

Aan het eind van de raadsavond werd gezamenlijk geconcludeerd dat we met deze kaders verder kunnen met het warmteprogramma. De toelichtingen en nuances worden meegenomen hierin.  

Overleg met huurdersverenigingen en woningcorporaties 

Op 26 maart vond het huurders en energieoverleg plaats. Hierbij waren de woningcorporaties de Volmacht en Woonborg aanwezig, en de huurdersverenigingen de Deelmacht en AH-Woon.  

In dit overleg is het perspectief van huurders in de warmtetransitie opgehaald. Hierbij kwamen vooral de zorgen over de betaalbaarheid van de energierekening naar voren, en het afschaffen van de salderingsregeling. Daarnaast speelt bij huurders ook de vraag over hoe zij van het gas af komen: hoeveel ruimte neemt zo'n boiler in? Wanneer gebeurt er iets? Wat betekent de warmtetransitie voor mij? Hierbij wordt benadrukt dat de zorgen van huurders vooral over de korte termijn spelen. Het gaat om wat zij nu tot binnen een half jaar merken. 

De plannen van de woningcorporaties voor de komende jaren zijn tijdens het overleg in kaart gebracht. De focus ligt hierbij vooral op het isoleren van de woningen met slechte energielabels. Over het algemeen wordt bij bestaande bouw nog geen verandering aan installaties doorgevoerd. Zij zien dan ook graag een focus op isolatie terug in het warmteprogramma. Maar wel met duidelijke keuzes voor de volgende jaren. 

Een belangrijk aandachtspunt is de spanning tussen de gestelde ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn en het aanhouden van vrijwilligheid in de warmtetransitie. De woningcorporaties hebben aangegeven dat voor hen de wettelijke verplichting leidend is. 

Bijeenkomst lokale initiatieven 

Tijdens de bijeenkomst voor lokale energie-initiatieven van de gemeente Aa en Hunze op 20 april, hebben we de lokale initiatieven gevraagd mee te denken over het warmteprogramma. Bijna alle lokale initiatieven waren vertegenwoordigd.  

Na een onderdeel kennisuitwisseling en leren van elkaar, hebben we een introductie gegeven over het warmteprogramma. In deze introductie is uitgelegd wat het warmteprogramma is, wat er uit de evaluatie van de transitievisie warmte is gekomen, en hoe het proces er uitziet. 

Met een werkvorm waarbij de lokale initiatieven in de schoenen van de gemeente mochten stappen, is de input van de lokale initiatieven opgehaald. Hierin zijn drie vragen gesteld: 

1. Op welke manier zou jij de lokale initiatieven inzetten? 

Lokale initiatieven kunnen een structurele rol krijgen bij het ontwikkelen en toetsen van beleid, bijvoorbeeld als klankbord voor het warmteprogramma en bij het signaleren van koppelkansen. Zij zijn bij uitstek geschikt om inwoners te informeren, te verbinden en te betrekken, omdat zij het dorp goed kennen en vaak sneller vertrouwen genieten. Daarnaast kunnen initiatieven praktijkvoorbeelden en ervaringen ophalen en delen, waardoor beleid concreter wordt en beter aansluit bij wat lokaal werkt. 

2. Welke ondersteuning zou je bieden aan de lokale initiatieven? 

De ondersteuning richt zich op duidelijke en consistente kaders, met één vast aanspreekpunt, ambtelijke inzet en verankering van betrokkenheid in beleid. Praktisch betekent dit het bundelen en delen van kennis, juridische en financiële ondersteuning, hulp bij vergunningen, netcongestie en contacten met woningcorporaties en het actief delen van succesverhalen. Daarnaast kan de gemeente faciliteren door eigen middelen en netwerk in te zetten, zoals daken voor zon, voorbeeldgedrag met eigen gebouwen en een blauwdruk voor uitvoeringsplannen. 

3. Welke zorgen, kansen en signalen vanuit de lokale initiatieven moet je weten? 

Belangrijke zorgen zijn de beperkte tijd en capaciteit van vrijwilligers, financieringsdrempels voor inwoners en VvE’s en belemmeringen vanuit regelgeving, welstand en bestemmingsplannen. Tegelijk liggen er kansen in betere kennisdeling, koppeling met andere ruimtelijke opgaven, energiedelen met sociale doelen en het leren van ervaringen buiten de regio. Signalen vragen om meer ontzorging van inwoners, aandacht voor huurders en langdurige inzet, bijvoorbeeld via onderwijs en lokale spreekuren. 

Feedback Concept-ontwerp warmteprogramma 

Het concept-ontwerp van het warmteprogramma is in de zomerperiode gedeeld met zowel interne als externe stakeholders. Op deze manier hebben zij op een laagdrempelige manier vragen kunnen stellen en reactie kunnen geven op het concept-ontwerp. We hebben reacties ontvangen van de woningcorporaties (de Volmachten Woonborg), de energie-initiatieven van Gaselternijveen, Gasteren, Eext en Schoonloo, Anloo en Grolloo, en interne collega's bij de gemeente.  

Deze reacties hebben we beoordeeld en waar nodig verwerkt in het warmteprogramma. We hebben op basis hiervan onder andere de afbakening voor nieuwbouw verduidelijkt, een uitleg over regelgeving van utiliteitsbouw gegeven, aandacht voor oude (woon)boerderijen en monumenten toegevoegd en verduidelijking van jaartallen voor de herijking van het warmteprogramma toegevoegd. Er is een individuele terugkoppeling gestuurd op de ontvangen reacties. Naast aanpassingen in het warmteprogramma hebben de reacties ook een aantal aandachtspunten als gevolg. Bijvoorbeeld de koppeling met de duurzaamheidsvisie. Opvallend is dat de energie-initiatieven en de woningcorporatie de zorg over de vrijwilligheid van de warmtetransitie uiten. Vanuit deze partijen wordt voordeel gezien van het eventueel inzetten van de aanwijsbevoegdheid. 

Ter inzagelegging ontwerp-warmteprogramma 

Volgens de uniforme openbare vaststellingsprocedure is het ontwerp-warmteprogramma zes weken ter inzage gelegd door het College van Burgemeester en Wethouders. Als reactie wordt een nota van zienswijzen opgesteld.  

Bijlage 4 Overzicht informatieobjecten

Plan mer-beoordeling warmteprogramma Aa en Hunze.pdf

/join/id/regdata/gm1680/2026/Bijlage3_plan_mer_beoordeling_warmteprogrammaAaenHunze/nld@2026‑08‑25;1

  • [1]

     Op basis van een analyse van de gegevens over het totale gasverbruik van woningen in Aa en Hunze die beschikbaar zijn op het dashboard ‘Regionale Klimaatmonitor’ van RVO. In de Duurzaamheidsvisie is geen basisjaar opgenomen. In het dashboard gaat de monitor terug tot 2010 en loopt tot en met 2024. In die periode is het totale gasverbruik van woningen met 42% gedaald.   Terug naar link van noot.

  • [2]

     Drents Dataplatform Energie   Terug naar link van noot.

Naar boven