<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-339641/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Bergeijk</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Verordening Jeugdhulp Bergeijk 2026</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad van Bergeijk, </al><al>overwegende het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 mei 2026,</al><al>overwegende het advies van de commissie MZ d.d. 16 juni 2026,</al><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, lid 3 van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>overwegende dat:</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>de verordening de visie en uitgangspunten van het Kempisch Meerjarenbeleidskader Jeugd 2026-2029 vertaalt naar concrete, toetsbare regels voor toegang, toekenning en uitvoering van jeugdhulp.​ De uitgangspunten vanuit het MJBK (voluit) als volgt zijn:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>kinderen en ouders worden zoveel mogelijk laagdrempelig en vanuit preventief oogpunt ondersteund vanuit lokale voorzieningen binnen de sociale basis;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>bij een hulpvraag wordt er samen met kind en ouders gekeken naar mogelijkheden vanuit eigen kracht, binnen het netwerk en voorliggende (collectieve) ondersteuning. Scholen en verenigingen zijn voorbeelden van vind- en werkplaatsen van collectief preventief aanbod;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>jeugdhulp is niet per definitie het antwoord op een hulpvraag;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>benodigde hulp en ondersteuning wordt gezinsgericht en domeinoverstijgend geboden vanuit Stevige Lokale Teams, waarbij maatwerk mogelijk is;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>kinderen worden thuis of zo dicht mogelijk bij huis, geholpen en als dat niet kan, is ‘thuis’ onderdeel van de hulp of ondersteuning die gezinsgericht is vormgegeven en waarbij maatwerk mogelijk is;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>professionele ondersteuning is begrensd om deze beschikbaar te houden voor inwoners die deze het hardst nodig hebben;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>voor jongeren met zorg die door moet lopen na hun 18e verjaardag, is de continuïteit van de hulpverlening geborgd en is er tijdig en voldoende afstemming tussen professionals 18- en 18+;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>we werken cultuursensitief om passende ondersteuning te bieden die toegankelijk, begrijpelijk en effectief is voor álle jeugdigen en gezinnen.</al></li></lijst></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de reikwijdte van de jeugdhulpplicht bewust wordt afgebakend zodat de beschikbare middelen worden ingezet voor jeugdigen in de meest kwetsbare situaties, in lijn met de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028.</al></li></lijst><al>besluit:</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De Verordening Jeugdhulp gemeente Bergeijk 2026 vast te stellen.</al></li></lijst><al>Deze vervangende verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al><al>De Verordening Jeugdhulp Bergeijk 2022, vastgesteld op 2 juni 2022, wordt ingetrokken op de dag na bekendmaking van deze verordening. </al><al><nadruk type="vet">Verordening Jeugdhulp gemeente Bergeijk 2026</nadruk></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 1. </nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 1. </nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al><definitielijst><definitie-item><li.nr /><term>a. <nadruk type="cur">Actieplan:</nadruk></term><definitie><al>een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren en het moment en de wijze waarop de resultaten van de ontvangen jeugdhulpvoorziening met de jeugdige of zijn ouder(s) worden besproken;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>b. <nadruk type="cur">Andere voorziening:</nadruk></term><definitie><al>voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, die valt onder een wettelijk kader op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk &amp; inkomen;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>c. <nadruk type="cur">Budgetbeheerder:</nadruk></term><definitie><al>wettelijke vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>d. <nadruk type="cur">Budgethouder:</nadruk></term><definitie><al>de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de Jeugdwet;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>e. <nadruk type="cur">CJG+ De Kempen:</nadruk></term><definitie><al>uitvoeringsorganisatie welke namens de colleges van de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden de (toegang naar) jeugdhulp uitvoert;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>f. <nadruk type="cur">Collectief aanbod:</nadruk></term><definitie><al>professionele ondersteuning waarbij meerdere jeugdigen en/of hun ouder(s) met een vergelijkbare individuele hulpvraag gezamenlijk worden ondersteund;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>g. <nadruk type="cur">College:</nadruk></term><definitie><al>college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>h. <nadruk type="cur">Domeinoverstijgend werken:</nadruk></term><definitie><al>een integrale werkwijze waarbij professionals, organisaties en instanties uit verschillende beleidsdomeinen (zoals zorg, welzijn, wonen, werk, inkomen en veiligheid) samenwerken rondom de hulpvraag van een inwoner;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>i. <nadruk type="cur">Eigen kracht:</nadruk></term><definitie><al><nadruk type="cur">de </nadruk>eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van jeugdigen, hun ouder(s) en hun sociale netwerk om, al dan niet met hulp uit hun directe omgeving (zoals familie, vrienden of buurtgenoten), zelfstandig de opgroei- en opvoedingsproblemen aan te pakken of te verminderen;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>j.<nadruk type="cur"> Familiegroepsplan:</nadruk></term><definitie><al>een schriftelijk plan waarin ouder(s), samen met hun familie, vrienden en andere personen die tot hun sociale omgeving behoren, aangeven hoe zij zelf de opvoed- en opgroeisituatie van hun kind(eren) willen verbeteren en welke ondersteuning daarbij nodig is;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>k. <nadruk type="cur">Gebruikelijke zorg:</nadruk></term><definitie><al>de zorg en ondersteuning die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid van ouder(s) en huisgenoten mag worden verwacht, gelet op leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige, de gezinsomstandigheden en de gebruikelijke taken in een huishouden;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>l. <nadruk type="cur">Huisgenoot:</nadruk></term><definitie><al> iedere persoon met wie de jeugdige of de ouder(s) gemeenschappelijk een woning bewoont met uitzondering van de persoon die de woning bewoont op basis van een commerciële relatie;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>m. <nadruk type="cur">Hulpvraag:</nadruk></term><definitie><al>behoefte van een jeugdige of ouder(s) in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; </al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>n. <nadruk type="cur">Individuele voorziening:</nadruk></term><definitie><al>een op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die wordt uitgevoerd door een professionele of niet-professionele jeugdhulpverlener en door het college in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt, zoals bedoeld in artikel 3;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>o. <nadruk type="cur">Jeugdhulpaanbieder:</nadruk></term><definitie><al>natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent en daartoe met de gemeente een financiële relatie heeft, in de zin van een contract, subsidie of via een pgb van de inwoner;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>p. <nadruk type="cur">MJBK:</nadruk></term><definitie><al>Kempisch meerjarenbeleidskader jeugd<nadruk type="cur">;</nadruk></al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>q. <nadruk type="cur">NGZ:</nadruk></term><definitie><al>niet-gecontracteerde zorg;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>r. <nadruk type="cur">Onafhankelijke cliëntondersteuning:</nadruk></term><definitie><al>onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>s. <nadruk type="cur">Overige voorziening:</nadruk></term><definitie><al>vorm van jeugdhulp of ondersteuning die het college aanbiedt waarvoor géén individuele indicatie of beschikking vereist is, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>t. <nadruk type="cur">Persoonsgebonden budget (pgb):</nadruk></term><definitie><al>het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; </al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>u. <nadruk type="cur">Sociaal netwerk:</nadruk></term><definitie><al>een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>v. <nadruk type="cur">Sociale basis:</nadruk></term><definitie><al>geheel van voorzieningen, netwerken en activiteiten in de buurt of wijk die bijdragen aan het welzijn van inwoners. Laagdrempelig, dichtbij en voor iedereen toegankelijk;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>w.<nadruk type="cur"> Stevige Lokale Teams:</nadruk></term><definitie><al>Stevige Lokale Teams zijn wijkgerichte, laagdrempelige teams die integraal en domeinoverstijgend werken en die als herkenbaar en centraal aanspreekpunt fungeren voor inwoners met vragen over opgroeien, opvoeden en veiligheid, en die integraal en domeinoverstijgend werken aan vroege signalering, normaliseren en het voorkomen van zwaardere jeugdhulp en gedwongen kaders. Deze zijn nog in ontwikkeling;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>x. <nadruk type="cur">Systeemgericht werken:</nadruk></term><definitie><al>niet alleen naar het kind kijken maar naar het hele gezin en hun netwerk, en hoe die met elkaar omgaan;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>y. <nadruk type="cur">Veilig Thuis:</nadruk></term><definitie><al>het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;</al></definitie></definitie-item><definitie-item><li.nr /><term>z. <nadruk type="cur">Voorliggende voorziening:</nadruk></term><definitie><al>alle andere mogelijkheden, waaronder andere en overige voorzieningen, die de hulpvraag (deels) kunnen oplossen voordat een beroep gedaan kan worden op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet. </al></definitie></definitie-item></definitielijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 2. </nr><titel><nadruk type="vet">Vormen van jeugdhulp</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Overige voorzieningen worden zó ingericht dat zij laagdrempelig, herkenbaar en vroegtijdig toegankelijk zijn.​</nadruk></al></li></lijst><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">De mix van overige en individuele voorzieningen ondersteunt de Kempische lijn “zoveel mogelijk thuis en dichtbij huis”, met zo licht mogelijke, effectieve hulp en zo min mogelijk residentiële en langdurige trajecten.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 2. </nr><titel><nadruk type="vet">Overige voorzieningen</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Advies en informatie, mede ten behoeve van de mogelijke toegang tot individuele voorzieningen.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Alle vormen van individuele of collectieve ambulante ondersteuning bij opgroeien en opvoeding, ontwikkelingsvragen, gedragsproblematiek en casusregie welke wordt verleend door het CJG+ de Kempen, anders dan een individuele voorziening zoals bedoeld in artikel 3 eerste lid.</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Zorg en begeleiding in het reguliere of speciaal onderwijs (speciaal basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs cluster 3 en 4) in Zuidoost-Brabant, in het geval dat de voorziening door het college is georganiseerd binnen de school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 3. </nr><titel><nadruk type="vet">Individuele voorzieningen</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>ambulante spoedhulp;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>begeleiding;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>behandeling;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>verblijf en crisis verblijf; </al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>dagbehandeling;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>gezinshuis;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>jeugdbescherming;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>jeugdreclassering;</al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>jeugdzorgplus;</al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>landelijk ingekochte zorg;</al></li><li><li.nr>k.</li.nr><al>logeren;</al></li><li><li.nr>l.</li.nr><al>pleegzorg;</al></li><li><li.nr>m.</li.nr><al>vervoer.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie met aanbieders afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>doelgroepen;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>activiteiten;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>doorlooptijd;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>intensiteit;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>kwaliteit;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>beoogd resultaat; en</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>vermelding productcode informatiemodel Jeugdwet (iJw).</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 3. </nr><titel><nadruk type="vet">Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd: </nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen en bieden in beginsel zelf hulp, ook als er sprake is van problemen. O</nadruk><nadruk type="vet">ndersteuning wordt voor jeugdigen in een kwetsbare positie alleen waar nodig ingezet.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Ouders en jeugdigen kunnen hun vraag eenvoudig, tijdig en zonder drempels stellen bij Stevige Lokale Teams of andere toegangen, die helder zijn over wie wat doet en welke ondersteuning verwacht mag worden. De teams worden ingericht in overeenstemming met de landelijke kaders en afspraken over Stevige Lokale Teams. Het huidige CJG+ de Kempen maakt deel uit van de Stevige Lokale Teams.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Specialistische jeugdhulp is niet automatisch het antwoord op een hulpvraag maar volgt pas als lichtere vormen, zoals ondersteuning vanuit het netwerk, de sociale basis, Stevige Lokale Teams en collectief/groepsaanbod, aantoonbaar tekortschieten en andere onderliggende problemen in het gezin zijn aangepakt. Toeleiding naar hulp is gezinsgericht, domeinoverstijgend en gericht op normaliseren en het beperken van instroom in specialistische zorg.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 4. </nr><titel><nadruk type="vet">Toegang tot overige voorzieningen </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een inwoner die gebruik wil maken van een overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2 eerste lid onder a of b, meldt zich bij het college.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor deze voorziening. De overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2 eerste lid onder a of b wordt alleen ingezet als uit deze beoordeling blijkt dat geen enkele andere voorziening passend is bij de benodigde ondersteuning.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Een overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2 eerste lid onder a of b gaat voor op een individuele voorziening. Dat betekent dat iemand die gebruik kan maken van ondersteuning vanuit het CJG+ de Kempen geen aanspraak kan maken op een individuele voorziening voor dezelfde ondersteuning. </al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Wanneer een inwoner gebruik wil maken van een overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2 lid 1a en 1b, legt het college samen met de jeugdige of zijn ouder(s)) de gemaakte afspraken vast in een actieplan.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Een inwoner die gebruik wil maken van een overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2 lid 1c, meldt zich bij de betreffende school.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>Een overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2 lid 1c gaat voor op een individuele voorziening. Dit betekent dat een inwoner die gebruik kan maken van door het college georganiseerde collectieve zorg of begeleiding binnen het onderwijs, geen aanspraak kan maken op een individuele voorziening binnen het onderwijs voor dezelfde zorg of begeleiding. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 5. </nr><titel><nadruk type="vet">Toegang tot individuele voorzieningen via de gemeente</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college beschouwt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 11, het actieplan, als een aanvraag voor een individuele voorziening.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Als een jeugdige of zijn ouder(s) jeugdhulp zelf wil inkopen met een pgb, dient hij daarvoor een pgb-plan in als bedoeld in artikel 19. Een ondertekend pgb-plan, gecombineerd met een ondertekend verslag, geldt als aanvraag voor een pgb.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Het college beslist binnen tien weken na de intake bij het toegangsteam van het CJG+ de Kempen.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Het college legt het besluit vast in een beschikking.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. De beslissing over de inzet van hulp wordt zo snel mogelijk, in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vastgelegd in een beschikking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6. </nr><titel><nadruk type="vet">Toegang tot individuele voorzieningen via de huisarts, medische specialist of jeugdarts</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de Jeugdwet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, mits deze aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>De huisarts, medisch specialist of jeugdarts stelt het college op de hoogte van iedere verwijzing naar jeugdhulp.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Jeugdhulp die is verleend na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een aanbieder van jeugdhulp die daarvoor geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 6a. </nr><titel><nadruk type="vet">Doorverwijzing naar gecontracteerde jeugdhulpaanbieder door huisarts, medische specialist of jeugdarts</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst, wanneer hij dat noodzakelijk acht, na een melding van een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder(s) door naar een jeugdhulpaanbieder die door de gemeente is gecontracteerd.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Om te zorgen voor een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling en inzet van de individuele voorziening, houdt de jeugdhulpaanbieder zich bij de beoordeling van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels van deze verordening en de afspraken met de gemeente binnen de contract- of subsidierelatie, waaronder het regionale protocol ‘Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts’.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Het protocol schrijft voor dat de jeugdhulpaanbieder bij de beoordeling van de hulpvraag het onderzoek uitvoert zoals bedoeld in artikel 8 en de toekenningscriteria toepast zoals bedoeld in artikel 13.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Bij het bepalen van aard, omvang en duur van de individuele voorziening, zoals bedoeld in het derde lid, onder c, hanteert de jeugdhulpaanbieder het principe van de goedkoopst adequate individuele voorziening. </al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Het protocol wordt opgenomen in de overeenkomst tussen gemeente en jeugdhulpaanbieder, om een zorgvuldige en deskundige uitvoering te waarborgen.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>In deze overeenkomst is vastgelegd dat de gemeente bevoegd is om te controleren of de jeugdhulpaanbieder het protocol correct toepast. De gemeente kan daarbij toetsen of de voorgestelde individuele voorziening juist, passend en conform het principe van de goedkoopst adequate voorziening is vastgesteld, inclusief de omvang en duur daarvan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 7. </nr><titel><nadruk type="vet">Toegang tot niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De aanbieder moet onverwijld, in ieder geval voor de start van de zorg, contact opnemen met de gemeente om hiervoor goedkeuring te krijgen. </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college wijst alleen toe aan een niet-gecontracteerde aanbieder als:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het gecontracteerde zorgaanbod aantoonbaar niet passend is of onvoldoende aansluit bij de benodigde zorg; én </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>er geen mogelijkheid is de benodigde zorg via een pgb in te kopen; én </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>er overeenstemming is over een overeenkomst zorg in natura die gelijkwaardig is aan de afspraken met de al gecontracteerde aanbieders voor vergelijkbaar zorgaanbod.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>De regels uit artikel 6a, lid 2 en verder zijn ook van toepassing wanneer wordt doorverwezen naar een niet-gecontracteerde aanbieder.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>De niet-gecontracteerde aanbieder en de in te zetten zorg voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als gelden voor het betreffende product binnen het gecontracteerde aanbod.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Als er geen overeenkomst tot stand komt zoals bedoeld in lid 2, ontstaat er geen opdracht om zorg te verlenen en accepteert de gemeente geen declaraties van de betreffende aanbieder.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 4. </nr><titel><nadruk type="vet"><nadruk type="vet">Behandeling van een aanvraag voor een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente</nadruk></nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Ouders en jeugdigen krijgen voldoende passende, effectieve en veilige hulp, die niet langer duurt dan noodzakelijk en bij voorkeur in zorg in natura wordt geleverd.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">De ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en gezin is leidend, individuele voorzieningen zijn aanvullend en volgen pas na inzet van eigen kracht, netwerk, sociale basis en passend collectief aanbod, in lijn met de beweging van individuele zorg naar collectieve ondersteuning.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">De hulpvraag is de start voor onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte. Dit onderzoek gebeurt integraal en systeemgericht, waarbij breed wordt gekeken met open informatie-uitwisseling en medewerking tussen gemeente, ouders en jeugdige.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Het belang, de stem en het perspectief van de jeugdige staan centraal, met waar mogelijk aansluiting bij familiegroepsplan, JIM of eigen plannen van het gezin.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Hulp wordt vastgelegd in tijdelijke, doelgerichte beschikkingen op basis van bij voorkeur bewezen effectieve interventies, met expliciete aandacht voor evaluatie, afschaling en continuïteit rond 18 jaar.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 8 </nr><titel><nadruk type="vet">Onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Als een jeugdige of zijn ouder(s) zich meldt met een vraag over jeugdhulp, voert het college, in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s), een onderzoek uit volgens het zesde en zevende lid, en maakt zo snel mogelijk een afspraak voor één of meerdere gesprekken.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college wijst op de mogelijkheid om gebruik te maken van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de Jeugdwet; en</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>gratis onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>Voordat het onderzoek start, kan de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. </al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. De jeugdige wordt zoveel mogelijk betrokken en gehoord tijdens het onderzoek.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) afzien van een gesprek als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>Het college onderzoekt samen met de jeugdige of zijn ouder(s) vanuit een systeemgerichte en domeinoverstijgende brede blik:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>wat de hulpvraag is en wat deze heeft doen ontstaan;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige of zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>welke problemen of stoornissen dat zijn;</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>welke hulp (naar aard en omvang) nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te bieden; en</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn: de mogelijkheden om met inzet van een andere, overige of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;</al></li></lijst></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouder(s);</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>indien van toepassing: hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>7.</li.nr><al>De jeugdige of ouder is verplicht mee te werken aan het onderzoek zoals bedoeld in artikel 12.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 9. </nr><titel><nadruk type="vet">Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het college wint, met inachtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>Het college zorgt voor maatregelen die waarborgen dat het onderzoek en de voorbereiding van besluiten door de gemeente zorgvuldig plaatsvinden. Daarbij wordt er specifiek op gelet dat de organisatie die de jeugdhulp verleent of mogelijk gaat verlenen (of haar medewerkers) niet zelf adviseert over het toekennen van jeugdhulp en ook niet betrokken is bij het nemen van dat besluit. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 10. </nr><titel><nadruk type="vet">Identificatie</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Bij het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 8, controleert het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Het controleren van de identiteit gebeurt in ieder geval aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>ter voorkoming van fraude; of</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of, ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>een verblijfskaart van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een buitenlands paspoort; of</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 11. </nr><titel><nadruk type="vet">Verslag en aanvraag</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Na het onderzoek krijgt de jeugdige of zijn ouder(s) van het college het actieplan. Eventuele opmerkingen of latere aanvullingen van jeugdige of zijn ouder(s) worden door hen aan dit verslag toegevoegd.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college zorgt ervoor dat de jeugdige of zijn ouder(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek goed hebben begrepen.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Blijkt uit het verslag dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, of met inzet van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of zijn ouder(s) teruggestuurd. In dat geval is er geen sprake van een aanvraag voor een individuele voorziening.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Blijkt uit het verslag of uit de opmerkingen of latere aanvullingen dat een individuele voorziening aangewezen of gewenst is, dan wordt het verslag ook door de jeugdige of zijn ouder(s) ondertekend teruggestuurd. Dit ondertekende verslag geldt als een aanvraag voor een individuele voorziening. </al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Bij een aanvraag voor een individuele voorziening informeert het college de jeugdige of zijn ouder(s) over de mogelijkheid te kiezen voor een pgb. Daarbij wordt in begrijpelijke bewoordingen uitgelegd wat de gevolgen van die keuze zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 12. </nr><titel><nadruk type="vet">Medewerkingsverplichting van de jeugdige, ouders en huisgenoten </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De medewerkingsverplichting uit artikel 8.1.2 derde lid van de Jeugdwet heeft betrekking op alle vormen van medewerking die nodig zijn om te kunnen toezien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel bij een pgb als in natura. </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> de jeugdige, de ouder(s) en huisgenoten op te roepen om in persoon te verschijnen en hen te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> de jeugdige, de ouder(s) en huisgenoten te bevragen en/of onderzoeken door één of meer aangewezen deskundigen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>De jeugdige, de ouder(s) en de relevante huisgenoten zijn in het kader van de beoordeling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen verplicht medewerking te verlenen aan de oproep zoals bedoeld in het tweede lid onder a en de bevraging en/of onderzoek zoals bedoeld in het tweede lid onder b.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>De medewerkingsplicht houdt ook in dat zij het college, zowel op verzoek als uit eigen beweging, informeren over feiten en omstandigheden waarvan zij redelijkerwijs kunnen weten dat die van invloed zijn op het recht op de voorziening. Daarnaast kunnen zij worden gevraagd mee te werken aan een bezichtiging van de woon- en leefsituatie of aan een controle van een verstrekte of te verstrekken voorziening.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief. In dat geval kan het college besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 13. </nr><titel><nadruk type="vet">Criteria voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een jeugdige of ouder komt, naast de mogelijkheid van verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts, in aanmerking voor een individuele voorziening van het college als het college van oordeel is dat jeugdhulp nodig is vanwege opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en een andere of overige voorziening de noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt voor zover sprake is van zorg die het normale niveau van gebruikelijke zorg aantoonbaar overstijgt. Of er sprake is van gebruikelijke zorg wordt vastgesteld aan de hand van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>normale opvoeduitdagingen;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de gebruikelijke rol- en taakverdeling in het gezin;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>frequentie en duur van de handelingen; </al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>of de handelingen meelopen in het normale patroon van het gezin;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de belastbaarheid van ouders/huisgenoten.</al><al>In bijlage 3 zijn voorbeelden opgenomen van wat wordt verstaan onder gebruikelijke zorg per leeftijdscategorie, inclusief normale opvoeduitdagingen per leeftijdscategorie. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>Een andere of overige voorziening kan de noodzaak voor een individuele voorziening verminderen of wegnemen als deze:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>daadwerkelijk beschikbaar is; en</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>passend en toereikend is voor de hulpvraag.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>Is een individuele voorziening noodzakelijk, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. </al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Een individuele voorziening wordt alleen toegekend als de inzet doeltreffend wordt geacht: de voorziening moet wezenlijk doelgericht en passend zijn en bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag. Bij voorkeur wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. </al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>Van bewezen effectieve voorzieningen is sprake als de effectiviteit in wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld en de interventie is opgenomen als erkend in:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de zorgstandaarden van de GGZ-standaarden;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>7.</li.nr><al>Heeft de aanvraag betrekking op kosten die al vóór de aanvraag zijn gemaakt, dan kan het college alleen een voorziening verstrekken voor zover het college de noodzaak, passendheid en gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. </al></li><li><li.nr>8.</li.nr><al>De voorziening kan dan in beginsel alleen zien op kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag.</al></li><li><li.nr>9.</li.nr><al>Verlenging van een voorziening is alleen mogelijk als uit evaluatie blijkt dat:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de beoogde resultaten nog niet zijn bereikt;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>voortzetting aantoonbaar bijdraagt aan deze resultaten; en</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>afschalen naar een lichtere (overige) voorziening nog niet mogelijk is.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>10.</li.nr><al>Het college biedt geen individuele jeugdhulpvoorziening voor diensten die volgens de landelijke zorgvormenlijst uitdrukkelijk zijn uitgesloten van jeugdhulp in het kader van een inperking van de reikwijdte van de Jeugdwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 14. </nr><titel><nadruk type="vet">Beoordeling eigen vermogen en probleemoplossend vermogen</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als uit het onderzoek van het college blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om, binnen de eigen mogelijkheden en zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere hulpverlenende instellingen, de nodige hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Tot het sociale netwerk behoren personen uit de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). </al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering, als die is afgesloten.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen neemt het college, gelet op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hiervoor benodigde hulp in beginsel ook door hen kan worden geleverd. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij verregaande aanpassingen doen en maximaal naar oplossingen zoeken, ook als zij werken, studeren of gescheiden zijn. </al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Uit het onderzoek kan echter blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>geobjectiveerde beperkingen<noot><noot.nr>1 </noot.nr><noot.al>Geobjectiveerde beperkingen zijn feitelijk vastgestelde, objectief onderbouwde beperkingen in het functioneren van een persoon, die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige en transparante besluitvorming volgens de eisen van de Algemene wet bestuursrecht.</noot.al></noot> om noodzakelijke hulp te bieden; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>(dreigende) overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting is opgeheven. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>6.</li.nr><al>Bij de beoordeling van de in het voorgaande lid bedoelde overbelasting wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om die overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren. Daarbij houdt het college rekening met:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de aard, frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de planbaarheid van de hulp;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>de benodigde ondersteuningsintensiteit;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 15. </nr><titel><nadruk type="vet">Vervoer </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt voor vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Ouders zorgen in beginsel op eigen kracht voor dit vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. </al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Het college kent een vervoersvoorziening alleen toe als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp én er sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige waardoor zelfstandig reizen met het openbaar vervoer niet mogelijk is; én</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor zij de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige kunnen meereizen; én</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>er is geen andere manier om de jeugdige jeugdhulp te bieden, bijvoorbeeld bij een andere aanbieder dichter bij het woonadres. Daarbij hanteert het college het principe van de goedkoopst adequate individuele voorziening.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid onderzoekt het college de eigen mogelijkheden en eigen kracht van ouders en netwerk. Daarbij vindt geen toets op financiële draagkracht of vermogen van ouders plaats.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk en wordt beëindigd zodra de medische noodzaak of de beperking in de zelfredzaamheid van jeugdige of ouder(s) is opgeheven.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend. </al></li><li><li.nr>7.</li.nr><al>Bij de toekenning van de vervoersvoorziening bepaalt het college de wijze en het tijdstip van verstrekking of uitbetaling van de vergoeding, evenals de duur van de voorziening of vergoeding, waarbij opnieuw het principe van de goedkoopst adequate individuele voorziening geldt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 16. </nr><titel><nadruk type="vet">Dyslexie</nadruk></titel></kop><al>De diagnose en behandeling van ernstige dyslexie (ED) voor kinderen van 7 tot 13 jaar in het basisonderwijs valt onder de Jeugdwet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17. </nr><titel><nadruk type="vet">Kinderopvang en buitenschoolse opvang </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>In uitzonderlijke situaties waarin een kind extra of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet begeleiding worden ingezet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18. </nr><titel><nadruk type="vet">Besluit college en inhoud beschikking </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een besluit over het al dan niet verlenen van een individuele jeugdhulpvoorziening neemt het college op basis van de aanvraag en het onderzoek als bedoeld in de artikelen 8 en 11 van deze verordening.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>In de beschikking waarin een individuele jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt, wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>welke individuele voorziening wordt verstrekt;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de omvang, ingangsdatum en geldigheidsduur van het besluit;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>wie de jeugdhulp gaat bieden;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>wat het beoogde resultaat is;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>Als de betrokken jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp in de vorm van zorg in natura beëindigt vóór afloop van de geldigheidsduur van de beschikking, stelt deze zorgaanbieder het college hiervan op de hoogte.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking, naast het bovengenoemde, in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>voor welk resultaat het pgb moet worden gebruikt;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de hoogte van het pgb en hoe dit bedrag is vastgesteld;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de voorwaarden die aan het pgb verbonden zijn; </al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; </al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de wijze waarop de besteding van het pgb moet worden verantwoord.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>5.</li.nr><al>Bij het verstrekken van een voorziening informeert het college de jeugdige of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de rechten en plichten die horen bij een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; en</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 5. </nr><titel><nadruk type="vet">Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Het pgb is bedoeld om maatwerk en regie van jeugdige/ouders te versterken, niet om niet</nadruk><nadruk type="vet">‑</nadruk><nadruk type="vet">gecontracteerde zorg structureel te faciliteren of professionele kaders te omzeilen. </nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Pgb wordt alleen toegekend als de kwaliteit en resultaten minimaal gelijkwaardig zijn aan zorg in natura én als de budgethouder pgb</nadruk><nadruk type="vet">‑</nadruk><nadruk type="vet">vaardig is of een geschikte beheerder heeft. </nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Pgb wordt zo min mogelijk ingezet voor informele hulp; informele inzet is alleen mogelijk als dit verantwoord is, geen overbelasting geeft en past binnen begrensde professionele ondersteuning. </nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Het ontbreken van pgb</nadruk><nadruk type="vet">‑</nadruk><nadruk type="vet">vaardigheid is geen grond om niet</nadruk><nadruk type="vet">‑</nadruk><nadruk type="vet">gecontracteerde zorg (NGZ) in te zetten.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 19. </nr><titel><nadruk type="vet">Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een jeugdige of ouder(s) die in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wil inkopen met een pgb, dient een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In dit pgb-plan staat in ieder geval:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en waarom een pgb gewenst is;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>welke individuele jeugdhulpvoorziening de jeugdige of zijn ouder(s) met het pgb wil inkopen, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; wie de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening is; op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp wordt gewaarborgd;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>indien van toepassing, welke jeugdhulp vanuit het sociale netwerk wordt betrokken;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de kosten van de voorziening, uitgesplitst naar aantal eenheden en uurtarief;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>een motivatie aan de hand van de punten van artikel 20 lid 1 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de pgb-taken op verantwoorde wijze uit te voeren.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Het college verstrekt een pgb als aan de volgende voorwaarden is voldaan: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de jeugdige of zijn ouder(s) gemotiveerd stelt dat de door het college gecontracteerde voorziening niet passend is; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid (artikel 20) blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder het pgb adequaat kan beheren; en </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>naar het oordeel van het college, met inachtneming van artikel 22, is gewaarborgd dat de met het pgb in te kopen jeugdhulp van goede kwaliteit is en in voldoende mate bijdraagt aan het beoogde resultaat uit het pgb‑plan.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer deze uitvoerder in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>fraude heeft gepleegd (opzettelijke misleiding voor financieel voordeel);</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen die de veiligheid of kwaliteit van hulp in gevaar brengen;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>is veroordeeld tot een gevangenisstraf;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>op grond van een Bibob‑toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>Daarnaast weigert het college een pgb als een wettelijke weigeringsgrond van artikel 8.1.1, vierde lid, Jeugdwet van toepassing is. Er is ook geen recht op een pgb als de jeugdige of zijn ouder(s) zich bij een eerdere pgb‑verstrekking niet aan opgelegde verplichtingen heeft gehouden.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al> Een pgb voor informele hulp wordt alleen toegekend als dit niet leidt tot overbelasting van de zorgverlener. Het college gaat hierbij uit van een maximale werkweek van gemiddeld 40 uur per persoon. Het totaal aantal uren arbeid, inclusief de uren vanuit het pgb, mag die 40 uur per week niet overschrijden. </al></li></lijst><lijst><li><li.nr>6.</li.nr><al>De jeugdige of zijn ouder(s) kan niet kiezen voor een vast totaalbedrag per maand, kwartaal of jaar in plaats van een uurtarief om de jeugdhulp mee in te kopen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel><nadruk type="vet">Pgb-vaardigheid</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het college gaat ervan uit dat de budgethouder op een zorgvuldige wijze invulling geeft aan zijn of haar verantwoordelijkheden. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen, moet de beoogd budgethouder, eventueel met hulp uit het sociale netwerk of van een budgetbeheerder, in elk geval: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een duidelijk beeld hebben van de hulpvraag; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen bij een pgb, of deze zelf (online) kunnen opzoeken; </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>voldoende vaardig zijn in de Nederlandse taal om te communiceren met gemeente, de Sociale Verzekeringsbank en zorgverleners; </al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>zelfstandig kunnen handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener kunnen kiezen; </al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>afspraken kunnen maken en vastleggen en dit kunnen verantwoorden aan het college; </al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>kunnen beoordelen en onderbouwen of de geleverde zorg passend en van voldoende kwaliteit is; </al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>de inzet van zorgverleners kunnen coördineren zodat zorg continu doorgaat, ook bij verlof of ziekte; </al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>als werk- of opdrachtgever zorgverleners kunnen aansturen en aanspreken op hun functioneren;</al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>voldoende kennis hebben van werk-/opdrachtgeverschap of weten waar die kennis te vinden is.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>2.</li.nr><al>Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet pgb-vaardig geacht als één of meer van de volgende omstandigheden gelden: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het beheer wordt gedaan door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert, tenzij deze persoon een eerstegraads bloed- of aanverwant van de jeugdige is; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>er is sprake van één of meer van de volgende situaties: </al><al>1°. schuldenproblematiek; </al><al>2°. ernstige verslavingsproblematiek; </al><al>3°. aangetoonde fraude in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; </al><al>4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; </al><al>5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; </al><al>6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; </al><al>7°. het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift; </al><al>8°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 21. </nr><titel><nadruk type="vet">Onderscheid formele en informele hulp</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Van formele hulp is sprake als jeugdhulp wordt verleend door één van de volgende personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>personen die werkzaam zijn bij een instelling die voor de pgb-taken in het Handelsregister staat ingeschreven en beschikken over de relevante diploma’s;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) staan ingeschreven in het Handelsregister voor de betreffende pgb-taken en beschikken over de relevante diploma’s;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>personen die staan ingeschreven in het BIG-register (artikel 3 Wet BIG) en/of het SKJ-register (artikel 5.2.1 Besluit Jeugdwet) (S) voor beroepen in de jeugdhulp.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>2.</li.nr><al>Als jeugdhulp wordt verleend door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Als de jeugdhulp wordt verleend door een andere persoon dan genoemd in lid 1 onder a, b of c, is er ook sprake van informele hulp.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 22. </nr><titel><nadruk type="vet">Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Voor de kwaliteit van een met pgb ingekochte individuele voorziening (formeel of informeel), geldt dat de uitvoerder van de jeugdhulp in elk geval:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag die bij de start van de zorgovereenkomst niet ouder is dan drie maanden en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar. Ouders zijn uitgesloten van deze eis;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de juiste vaardigheden en deskundigheid heeft om verantwoorde hulp te bieden;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een deugdelijke administratie bijhoudt met registratie van de geleverde hulp;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>voldoende vaardig is in de Nederlandse taal om te communiceren;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de hulp uitvoert conform de beschikking van het college;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>de hulp afstemt op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>de hulp afstemt op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waarvan de jeugdige of zijn ouder(s) gebruikmaakt; </al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>de privacy respecteert en vertrouwelijk omgaat om met informatie over de persoonlijke situatie;</al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling contact opneemt met Veilig Thuis voor advies of voor het doen van een melding;</al></li><li><li.nr>k.</li.nr><al>calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp meldt aan het college;</al></li><li><li.nr>l.</li.nr><al>meewerkt aan toezicht en (on)aangekondigd onderzoek door het college of aangewezen derden, zowel op inhoudelijke kwaliteit als op rechtmatigheid; </al></li><li><li.nr>m.</li.nr><al>naar het oordeel van het college door de verlening van de jeugdhulp niet overbelast is of raakt;</al></li><li><li.nr>n.</li.nr><al>instemt met de in het actieplan gemaakte afspraken over verslaglegging en evaluatie. </al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Voor formele jeugdhulp gelden daarnaast de volgende aanvullende eisen:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de uitvoerder voldoet aan wat is bepaald in artikel 21, eerste en tweede lid;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>handelt in overeenstemming met de professionele standaard;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>werkt op basis van een hulpverleningsplan;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; </al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Er wordt geen pgb verstrekt voor informele jeugdhulp als uit het afwegingskader verantwoorde werktoedeling (op basis van het Kwaliteitskader Jeugd) blijkt dat formele jeugdhulp noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 23. </nr><titel><nadruk type="vet">Hoogte pgb </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De hoogte van het pgb-tarief voor formele hulp wordt bepaald op basis van de in het lopende jaar geldende pgb-tarieven van de gemeente Amsterdam voor de volgende ondersteuningsvormen:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Begeleiding individueel</al><lijst><li><li.nr>I.</li.nr><al>praktische begeleiding en ondersteuning, inclusief persoonlijke verzorging</al></li><li><li.nr>II.</li.nr><al>specialistische begeleiding</al></li></lijst></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Begeleiding in groepsverband</al><lijst><li><li.nr>I.</li.nr><al> praktische begeleiding en ondersteuning</al></li></lijst></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Behandeling individueel </al><lijst><li><li.nr>I.</li.nr><al> specialistische behandeling</al></li></lijst></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>Behandeling in groepsverband</al><lijst><li><li.nr>I.</li.nr><al> specialistische behandeling</al></li></lijst></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>Verblijf binnen een jeugdhulpinstelling</al><lijst><li><li.nr>I.</li.nr><al>met lichte begeleiding</al></li><li><li.nr>II.</li.nr><al>met specialistische begeleiding</al></li><li><li.nr>III.</li.nr><al>met specialistische behandeling</al></li></lijst></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>De hoogte van het pgb-tarief voor de ondersteuningsvorm verblijf/logeervoorziening in de vorm van informele hulp wordt bepaald op basis van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de in het lopende jaar geldende pgb-tarieven van de gemeente Amsterdam; of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de regeling hulp uit sociaal netwerk (artikel 8ab regeling Jeugdwet).</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>De hoogte van het pgb-tarief voor de ondersteuningsvorm begeleiding als informele hulp wordt bepaald op basis van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de in het lopende jaar geldende tarieven van de Wet minimumloon (wettelijk minimum bruto uurloon bij een fulltime werkweek en leeftijd 23 jaar of ouder); of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de regeling hulp uit sociaal netwerk (artikel 8ab regeling Jeugdwet).</al></li></lijst></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Als de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>5.</li.nr><al>Voor vervoer formeel wordt de hoogte van het pgb bepaald op basis van de in het lopende jaar geldende pgb-tarieven van de gemeente Eindhoven.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura.</al></li><li><li.nr>7.</li.nr><al>Als het op basis van bovenstaande regels berekende pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen bij tenminste één jeugdhulpaanbieder, wordt het tarief zodanig aangepast dat dit wel mogelijk is.</al></li><li><li.nr>8.</li.nr><al>Als het zo berekende pgb in een individueel geval hoger is dan nodig is volgens het pgb-plan van de jeugdige of zijn ouder(s), wordt het pgb-tarief aangepast aan het in het pgb-plan vermelde lagere tarief. </al></li><li><li.nr>9.</li.nr><al>Voor het bepalen van de benodigde omvang (uren/volume) van een pgb voor informele hulp baseert het college zich op de normtijden in bijlage 1 en 2 van de verordening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 24. </nr><titel><nadruk type="vet">Bestedingsmogelijkheden pgb</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het pgb worden ingezet voor:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>salariskosten van de zorgaanbieder;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>vervangingskosten bij ziekte van de zorgaanbieder.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het pgb-tarief van de gemeente omvat zowel direct als indirect cliëntgebonden tijd. Naast de directe interactie met de cliënt of diens netwerk, zijn ook werkzaamheden zoals de voorbereiding van gesprekken of activiteiten, verslaglegging, casusoverleg met betrokken professionals en het opstellen van brieven of e-mails in het uurtarief opgenomen.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Een pgb voor informele hulp mag alleen worden gebruikt voor:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>informele ‘begeleiding individueel’ (inclusief persoonlijke verzorging); </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>informeel ‘verblijf/logeren’; </al><al>én alleen in die gevallen waarin het college deze informele jeugdhulpvoorziening heeft toegekend omdat er sprake is van zorg die niet op eigen kracht kan worden ingevuld.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>kosten voor bemiddeling;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>kosten voor het voeren van een pgb-administratie;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkeringen;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>reiskosten van de zorgverlener;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>bijkomende kosten zoals cursussen, entreegelden en maaltijden bij overwerk;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>kosten die worden gemaakt voor besteding van het pgb in het buitenland, tenzij het college hiervoor expliciet toestemming heeft gegeven; </al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>vervoerskosten als de jeugdige op grond van artikel 15 niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; </al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);</al></li><li><li.nr>k.</li.nr><al>kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag; </al></li><li><li.nr>l.</li.nr><al>kosten voor begeleiding tijdens zwemles.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 6. </nr><titel><nadruk type="vet">Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Toezicht en heroverweging zijn niet alleen gericht op rechtmatigheid, maar ook op doelmatigheid en effectiviteit: wordt de hulp nog gebruikt, is deze passend en kan worden afgeschaald of beëindigd?</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik worden actief tegengegaan door heldere communicatie over rechten en plichten, vroegtijdige signalering en gerichte controles, met oog voor de positie van jeugdige en ouders.​</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Herziening en terugvordering worden ingezet met het doel de beschikbare middelen te richten op de meest kwetsbare jeugdigen, in lijn met de Hervormingsagenda Jeugd en het uitgangspunt van begrensde professionele ondersteuning.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 25. </nr><titel><nadruk type="vet">Herziening, intrekking, opschorting en terugvordering </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het college bekijkt regelmatig of er aanleiding is een besluit over een verstrekking van een individuele voorziening in natura of pgb te heroverwegen.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het college kan, naast artikel 8.1.4 Jeugdwet, een besluit over een individuele voorziening in natura of pgb herzien of intrekken als wordt vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouder(s): </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt terwijl juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>niet langer is aangewezen op de individuele voorziening of het pgb;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>niet voldoet aan de voorwaarden die aan de voorziening in natura of het pgb zijn verbonden;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bestemd is;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>met het pgb jeugdhulp wordt betrokken van een aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 19, derde lid.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de voorziening waarvoor het is toegekend.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al> Een besluit tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als de jeugdige of zijn ouder(s) zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum meldt bij een jeugdhulpaanbieder.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al> Als een besluit is herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a (onjuiste/onvolledige gegevens), kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten voorziening in natura of het pgb. In dat geval kan het college het ten onrechte genoten pgb bij dwangbevel invorderen.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al> Bij een gegrond vermoeden van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om de betalingen uit het pgb geheel of gedeeltelijk te onderbreken voor maximaal dertien weken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 26. </nr><titel><nadruk type="vet">Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Het college onderzoekt, met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regelingeugdwet, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. </al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Het college onderzoekt bij signalen, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de recht- en doelmatigheid daarvan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 27. </nr><titel><nadruk type="vet">Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik </nadruk></titel></kop><al>Het college maakt met gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen overeenkomen met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de daadwerkelijk geleverde prestaties. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 7. </nr><titel><nadruk type="vet">Afstemming en afbakening</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">De gemeente werkt nauw samen met onderwijs en andere wettelijke domeinen als volwaardige partners; </nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Afstemming is gericht op één gezin, één plan en één regisseur, met zo min mogelijk ‘schuiven’ tussen wetten en maximale continuïteit en duidelijkheid voor het gezin. </nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Er wordt tijdig vooruitgekeken naar de overgang naar 18 jaar en de overgang naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz), zodat ondersteuning na 18 jaar voldoende passend en goed georganiseerd is.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 28. </nr><titel><nadruk type="vet">Afbakening andere voorzieningen</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp in de volgende gevallen: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> er bestaat voor de (kern van de) problematiek een recht op grond van de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zvw; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> naar het oordeel van het college bestaat er voor de problematiek aanspraak op een voorziening op grond van een andere wet, met uitzondering van een maatwerkvoorziening begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz, maar de jeugdige of zijn ouder(s) weigert mee te werken aan het verkrijgen van een Wlz-besluit. </al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Als er meerdere oorzaken aan de problematiek ten grondslag liggen en daardoor zowel een vorm van zorg op de grond van Wlz en Zvw als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet mogelijk is, is het college gehouden de jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> De jeugdige of zijn ouder(s) die een aanvraag voor jeugdhulp doet, wordt, als een andere wet voorliggend is, verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening kan worden behandeld. </al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al> Bij een verwijzing richting de Wlz wordt, indien gewenst, onafhankelijke cliëntondersteuning ingeschakeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 29. </nr><titel><nadruk type="vet">Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Het college stemt de jeugdhulp waar een jeugdige of een ouder behoefte aan heeft, ten minste af op voorzieningen en activiteiten op grond van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> de Leerplichtwet; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> de Participatiewet; </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al> de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al> de Wet Inburgering 2021; </al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al> de Wet kinderopvang; </al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al> de Wet langdurige zorg; </al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al> de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; </al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al> de Wet passend onderwijs; </al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al> de Wet publieke gezondheid; </al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al> de Wet tijdelijk huisverbod; </al></li><li><li.nr>k.</li.nr><al> de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Dit gebeurt zodanig dat voorzieningen zo goed mogelijk op elkaar aansluiten en het college de jeugdige of zijn ouder(s) actief ondersteunt bij het verkrijgen van toegang tot andere voorzieningen en bij het behoud van continuïteit van zorg. </al></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>De afgestemde jeugdhulp wordt zo ingezet dat deze leidt tot:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het opheffen van levensbedreigende situaties of situaties die met grote waarschijnlijkheid tot ernstige gezondheidsschade leiden; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>stabilisatie van een crisissituatie (anders dan onder a); </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van de jeugdige of ouder, voor zover dat haalbaar is.</al></li></lijst></li><li><li.nr>4.</li.nr><al> Bij de afstemming van jeugdhulp weegt het college onder meer: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of ouder; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (artikel 14); </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al> welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect heeft en in hoeverre hulp gelijktijdig kan of moet worden ingezet; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al> welke combinatie van hulp en ondersteuning op de langere termijn de minste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. </al></li></lijst></li><li><li.nr>5.</li.nr><al> Als een jeugdige van 16 jaar of ouder jeugdhulp ontvangt en naar verwachting na zijn achttiende levensjaar nog hulp of ondersteuning nodig heeft op grond van een ander wettelijke kader zoals Wmo, Wlz of Zvw, is het college gehouden om: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> voor het 18e jaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de hulp vanaf 18 jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover nodig. </al></li></lijst></li><li><li.nr>6.</li.nr><al> Ter uitvoering hiervan onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de 18e verjaardag en op welke wijze en vanuit welke wet deze ondersteuning na het 18e jaar wordt ingezet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 30. </nr><titel><nadruk type="vet">Afbakening voorliggende voorzieningen </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het college biedt geen jeugdhulpvoorziening voor vormen van ondersteuning die niet onder de Jeugdwet vallen maar onder voorliggende voorzieningen. Het gaat in elk geval om:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>huiswerkbegeleiding en studiecoaching (structuur, plannen, inhoudelijke uitleg bij leerstof);</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>(motorische) remedial teaching, bijles en examentraining;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>extra didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om onderwijsdoelen te halen;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>dyscalculie;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>begeleiding bij taal- en spraakmoeilijkheden in het onderwijs;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>intelligentietests ten behoeve van onderwijs;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>oppas, gastouderopvang, vakantie- en vrijetijdsactiviteiten, sportclubs, muziekles en andere hobby’s;</al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>relatietherapie of individuele hulp voor ouders als de kern van de problematiek bij de ouder(s) zit;</al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>schuldhulpverlening, budgetcoaching en inkomensondersteuning;</al></li><li><li.nr>k.</li.nr><al>hulp bij het vinden van werk of dagbesteding voor ouders of jongvolwassenen;</al></li><li><li.nr>l.</li.nr><al>reguliere woonproblemen (huisvesting, verhuizing, krapte op de woningmarkt)​;</al></li><li><li.nr>m.</li.nr><al>medische diagnostiek en behandeling van lichamelijke aandoeningen;</al></li><li><li.nr>n.</li.nr><al>behandeling van obesitas, eetstoornissen zonder verwijzing van een kinderarts;</al></li><li><li.nr>o.</li.nr><al>algemene leefstijlinterventies (gezond eten, bewegen) zonder specifieke jeugdproblematiek;</al></li><li><li.nr>p.</li.nr><al>langdurige, levensbrede zorg bij een blijvende, zware beperking die onder de Wlz hoort zodra aan de toegangscriteria is voldaan;</al></li><li><li.nr>q.</li.nr><al>begeleiding van ouders met een verstandelijke beperking bij hun eigen functioneren, waarbij het niet gaat om opvoedondersteuning;</al></li><li><li.nr>r.</li.nr><al>structurele taxikosten voor school, sport of hobby’s zonder directe relatie met een jeugdhulptraject;</al></li><li><li.nr>s.</li.nr><al>algemeen maatschappelijk werk en laagdrempelige ondersteuning die al in de sociale basis of Wmo beschikbaar is, zolang die passend en toereikend is; en</al></li><li><li.nr>t.</li.nr><al>familiebezoek als er geen omgangbegeleiding is uitgesproken door een rechter.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 8. </nr><titel><nadruk type="vet">Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Tarieven en contracten zijn zó ingericht binnen de inkoopregio Samen voor Jeugd dat aanbieders verantwoorde kwaliteit, continuïteit en voldoende deskundige professionals kunnen leveren, in lijn met de doelen uit de Hervormingsagenda Jeugd en het MJBK.​</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Inkoop stimuleert effectieve, kortdurende, gezinsgerichte en domeinoverstijgende hulp, met ruimte voor consultatie en mogelijkheden voor afschaling naar lichtere vormen.​</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">De gemeente stuurt op data over volume, duur, wachttijden, uitkomsten en cliënttevredenheid en gebruikt deze gegevens om met aanbieders te werken aan verbetering, normalisering en beheersing van kosten.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 31 </nr><titel><nadruk type="vet">Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</nadruk>  </titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Het college hanteert tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering die een goede prijs‑kwaliteitverhouding waarborgen. De tarieven zijn in elk geval gebaseerd op de volgende kostprijselementen: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al> overheadkosten;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al> kosten voor indexering.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Het college legt bij gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulp en gecertificeerde instellingen vast dat zij deze prestaties alleen aan derden mogen uitbesteden als zij die derden een reële prijs betalen, die is opgebouwd uit dezelfde kostprijselementen als hierboven.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Het bovenstaande geldt voor subsidies alleen voor zover deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouder(s), en de omvang van de subsidie direct of indirect is gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 9. </nr><titel><nadruk type="vet">Klachten en zeggenschap</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">De ervaringen en meningen van jeugdigen en ouders zijn een volwaardig vertrekpunt voor verbetering van beleid en uitvoering.</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Gemeente en CJG+ werken transparant, uitnodigend en responsief: klachten worden laagdrempelig ontvangen, zorgvuldig behandeld en benut om het systeem toegankelijker, eenvoudiger en menselijker te maken.​</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Adviesraden worden betrokken bij besluitvorming over verordeningen</nadruk><nadruk type="vet">.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 32. </nr><titel><nadruk type="vet">Klachtregeling</nadruk></titel></kop><al> Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouder(s) over de afhandeling van aanvragen op grond van deze verordening en over de uitvoering van jeugdhulp door het CJG+ de Kempen overeenkomstig de Klachtenregeling Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33. </nr><titel><nadruk type="vet">Betrekken van ingezetenen bij het beleid </nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Het college stelt jeugdigen, hun ouder(s) en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid om voorstellen voor het jeugdhulpbeleid te doen en advies uit te brengen over verordeningen en beleidsvoorstellen op het gebied van jeugdhulp, en zorgt voor ondersteuning zodat zij hun rol effectief te kunnen vervullen. </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk </label><nr> 10. </nr><titel><nadruk type="vet">Slotbepalingen</nadruk></titel></kop><artikel><kop><titel>Nadere specificering van de uitgangspunten uit het MJBK</titel></kop><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="vet">Voor dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten uit het MJBK als volgt nader gespecificeerd:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Overgangsrecht wordt zo toegepast dat de continuïteit en veiligheid van lopende hulp voorop staan, met waar mogelijk afschaling en normalisering conform de bewegingen van het MJBK.​</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Evaluatie van de verordening sluit aan op de MJBK-cyclus en de Kempische datamonitoring, zodat bijstelling van regels plaatsvindt op basis van effecten, ervaringen en financiële houdbaarheid.​</nadruk></al></li><li><li.nr>•</li.nr><al><nadruk type="vet">Bij toekomstige aanpassing van landelijke en regionale kaders (Jeugdwet, Hervormingsagenda, Toekomstscenario, Meerjarenplan Samen voor Jeugd) wordt de verordening tijdig herijkt, met behoud van het Kempisch fundament: preventie, normaliseren, veiligheid en regievoeren.</nadruk></al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 34. </nr><titel><nadruk type="vet">Evaluatie</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt ten minste één keer per vier jaar geëvalueerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 35. </nr><titel><nadruk type="vet">Overgangsrecht</nadruk></titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Een jeugdige of ouder behoudt recht op een lopende voorziening die is verstrekt op grond van de ‘Verordening jeugdhulp 2022’, totdat het college hierover een nieuw besluit heeft genomen.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening jeugdhulp 2022’ en waarop tijdens inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden afgehandeld op basis van deze verordening.</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>Bezwaarschriften tegen besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de ‘Verordening jeugdhulp 2022’ die voor die zaken zijn rechtskracht behoudt. Hiervan kan in het voordeel van de jeugdige of zijn ouder(s) worden afgeweken als heroverweging op basis van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Bergeijk 2026 tot een gunstiger uitkomst leidt. </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de ‘Verordening jeugdhulp 2022’ te herzien: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al> op de gronden die in de ‘Verordening jeugdhulp 2022’ zelf zijn vermeld;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al> als uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat op basis van de op dat moment geldende verordening een ander besluit zou zijn genomen; </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al> als de jeugdige of ouder wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm </al></li></lijst></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Het college kan een pgb dat is verstrekt onder de ‘Verordening jeugdhulp 2022’, terugvorderen op de gronden die in deze verordening zijn genoemd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 36. Inwerkingtreding, intrekking oude verordening en citeertitel</nr></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al> Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al> De ‘Verordening jeugdhulp 2022’ wordt met ingang van dezelfde datum ingetrokken.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Bergeijk 2026.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Zoals besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Bergeijk van 02 juli 2026.</al></slotformulering><ondertekening><functie>De gemeenteraad,</functie><deze>Namens deze,</deze><naam><voornaam>P.T. </voornaam><achternaam>Franx</achternaam></naam><functie>Raadsgriffier</functie><naam><voornaam>W.J.G. </voornaam><achternaam>Delissen-van Tongerlo</achternaam></naam><functie>Voorzitter</functie></ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label> Bijlage </label><nr>Toelichting op de verordening jeugdhulp gemeente Bergeijk 2026</nr></kop><artikel><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>A.</label><nr>Opbouw van de verordening </nr></kop><al>De verordening start met begripsbepalingen (hoofdstuk 1), beschrijft daarna welke vormen van jeugdhulp beschikbaar zijn (hoofdstuk 2) en hoe jeugdigen en ouders toegang krijgen tot overige en individuele voorzieningen (hoofdstuk 3). Vervolgens wordt vastgelegd hoe het onderzoek naar de hulpvraag verloopt, hoe besluiten worden voorbereid en welke criteria gelden voor toekenning (hoofdstuk 4). Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het persoonsgebonden budget (pgb). De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten algemene bepalingen over herziening en terugvordering, afstemming met andere wetten, prijskwaliteit, klachten en medezeggenschap, overgangsrecht en evaluatie.</al></artikel><artikel><kop><label>B.</label><nr> Opdracht van de wetgever</nr></kop><al>Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp, vastgelegd in de Jeugdwet. De wet verplicht de gemeenteraad om bij verordening in ieder geval regels te stellen over:​</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>de voorwaarden en beoordeling van overige en individuele voorzieningen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>afstemming met andere domeinen, waaronder Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), onderwijs, Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz) en werk &amp; inkomen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en ten onrechte ontvangen voorzieningen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de betrokkenheid van jeugdigen, ouders en cliëntenvertegenwoordigers bij beleid.​</al></li></lijst><al>De verordening jeugdhulp 2026 geeft aan deze opdracht uitvoering, met expliciete aansluiting op de Hervormingsagenda Jeugd 20232028 en op het Kempisch Meerjarenbeleidskader Jeugd (MJBK) 20262029.</al></artikel><artikel><kop><label> C. </label><titel> Taken en bevoegdheden</titel></kop><al>In deze verordening wordt het college van burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan genoemd. In de praktijk mandateert het college (een deel van) deze taken aan het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG+ de Kempen). Dit betekent dat het CJG+ namens het college de toegang tot jeugdhulp verzorgt en besluiten neemt over de inzet van passende ondersteuning. Het college blijft hierbij eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdhulp en de naleving van de wettelijke kaders.</al></artikel><artikel><kop><label> D. </label><titel>Relatie met het Kempisch Meerjarenbeleidskader Jeugd</titel></kop><al>Het MJBK beschrijft de gezamenlijke visie en uitgangspunten m.b.t. jeugdbeleid van de Kempengemeenten. De verordening vertaalt deze visie en uitgangspunten naar concrete, toetsbare regels over onder andere:​</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>de mix van overige en individuele voorzieningen (licht waar het kan, zwaar waar het moet);</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de rol van Stevige Lokale Teams als laagdrempelige toegang en regisseur;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de prioritering van jeugdigen in kwetsbare situaties;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>het beperken van residentiële en langdurige trajecten (zoveel mogelijk thuis en dichtbij huis).​</al></li></lijst><al>De verordening kan niet los worden gezien van het MJBK: het beleidsplan bepaalt de inhoudelijke koers, de verordening legt de juridische randvoorwaarden vast voor toegang, indicatie en uitvoering.</al></artikel><artikel><kop><label> E. </label><titel>Doelgroep, reikwijdte en afbakening jeugdhulp</titel></kop><al>De verordening heeft betrekking op jeugdigen tot 18 jaar en, waar de Jeugdwet dat mogelijk maakt, op jongvolwassenen tot 23 jaar bij verlengde jeugdhulp. Jeugdhulp wordt geboden bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, gedragsproblemen, psychosociale problemen en beperkingen die leiden tot belemmeringen in ontwikkeling en participatie.</al><al>De reikwijdte van de jeugdhulpplicht wordt bewust afgebakend:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>hulp die op eigen kracht, met gebruikelijke zorg of met inzet van de sociale basis kan worden geboden, valt niet onder de jeugdhulpplicht;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>voorzieningen die onder andere wettelijke kaders vallen (zoals Wlz, Zvw, Wmo, onderwijs, kinderopvang) worden in principe niet vanuit de Jeugdwet gefinancierd;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>normale opvoeduitdagingen en algemene maatschappelijke voorzieningen worden niet als jeugdhulp aangemerkt.</al></li></lijst><al>Deze afbakening is in lijn met de Hervormingsagenda Jeugd, waarin is afgesproken dat jeugdhulp vooral beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er onder de jeugdhulpplicht valt. De toekomstige wet reikwijdte jeugdwet kan leiden tot aanpassingen van de verordening. </al><al>Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen. </al><al>De verordening voorziet in: </al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>Een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet.</al></li></lijst><al>Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label> F. </label><titel>Artikelsgewijs</titel></kop><al>In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen van) bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>1. </nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 1. </nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt, veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><al><nadruk type="cur">‘1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;</nadruk></al><al><nadruk type="cur">2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en</nadruk></al><al><nadruk type="cur">3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’.</nadruk></al><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).</al><al><nadruk type="cur">‘iJw’: </nadruk>is in de Regeling Jeugdwet gedefinieerd als de ‘<nadruk type="cur">door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties</nadruk>’. De iJw is de iStandaard om cliënten in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Het doel is een snelle en efficiënte inzet van zorg ondersteunen en bijdragen aan een afname van administratieve lasten. Daarnaast moet iJw een betrouwbare en duurzame bron van informatie zijn over Jeugdwet-zorg (<extref doc="https://www.istandaarden.nl/ijw">https://www.istandaarden.nl/ijw</extref>).</al><al>In de definities worden verschillende voorzieningen benoemd. Naast individuele voorzieningen zijn er voorliggende voorzieningen. Dit betreft ondersteuning die voorliggend is aan individuele jeugdhulp. Deze voorliggende voorzieningen zijn onder te verdelen in drie categorieën:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Andere voorzieningen op grond van andere wetten dan de Jeugdwet.</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>Overige voorzieningen vanuit de Jeugdwet waarvoor geen individuele voorziening nodig ( CJG+ de Kempen).</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>Voorliggend veld/preventieve voorzieningen binnen de Kempengemeenten.</al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="gmb-2026-339641-1.png" type="foto" breedte="15cm" id="ie61f4408-5b99-4628-b85e-f2b53cc16401" hoogte="8.38cm" /></plaatje></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van Jeugdhulp</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Inleiding Vormen van Jeugdhulp</label></kop><al>Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is, uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente, welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 2. </nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Dit artikel operationaliseert de wettelijke ruimte om een eigen mix van lichte, vrij toegankelijke ondersteuning in te richten. Dat ondersteuningsaanbod is bewust breed geformuleerd (advies, ambulante ondersteuning, casusregie, voorzieningen in school) zodat het college flexibel kan inspelen op regionale ontwikkelingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 3. </nr><titel>Individuele voorzieningen</titel></kop><al><nadruk type="vet">Eerste lid </nadruk></al><al>De opsomming van individuele voorzieningen volgt de productstructuur van de Kempische inkoop en iJwproductcodes, met toevoeging van landelijk ingekochte zorg en jeugdbeschermingsketen. Door deze benoeming in de verordening wordt de vertaalslag gemaakt van abstracte Jeugdwetbegrippen naar concrete vormen van hulp, waarmee ook de rechtszekerheid van jeugdigen en ouders wordt versterkt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet is afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouder(s).</al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>Het tweede lid legt vast dat afspraken over doelgroep, intensiteit en resultaat primair in de contractering worden vastgelegd, in lijn met de modelverordening jeugdhulp van de VNG van februari 2026 (modelverordening). Dit voorkomt dat de verordening te gedetailleerd en inflexibel wordt, terwijl de sturingsinformatie wel normatief is verankerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>3.</nr><titel>Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 4. </nr><titel>Toegang tot overige voorzieningen (CJG+ de Kempen en onderwijs)</titel></kop><al>De keuze om de toegang tot de meeste overige voorzieningen via CJG+ de Kempen te laten lopen, sluit aan bij de bestaande Kempische praktijk en borgt een uniform afwegingskader. De aanvullende route via school voor ondersteuningsvormen die binnen het onderwijs zijn georganiseerd, voorkomt dubbele toegang en legt verantwoordelijkheid neer waar de voorziening feitelijk wordt aangeboden.</al><al>De bepaling dat overige voorzieningen voorgaan op individuele voorzieningen is de uitwerking van het uitgangspunt “licht waar het kan, zwaar waar het moet” uit de Hervormingsagenda. In de uitvoering betekent dit dat in het actieplan expliciet moet worden gemotiveerd waarom een overige voorziening al dan niet toereikend is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 5. </nr><titel>Toegang tot individuele voorzieningen via de gemeente</titel></kop><al>Het koppelen van de aanvraag aan het ondertekende actieplan is in deze verordening expliciet gemaakt. Daarmee wordt voorkomen dat er een formele aanvraag wordt gedaan zonder dat het wettelijk vereiste onderzoek heeft plaatsgevonden; het onderzoek wordt leidend, de aanvraag volgt daar logisch op. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 6. </nr><titel>Toegang tot individuele voorzieningen via de huisarts, medische specialist of jeugdarts</titel></kop><al>De verordening volgt de modelverordening in de lijn dat medische verwijzing toegang tot jeugdhulp geeft, maar dat die toegang inhoudelijk aan dezelfde toekenningscriteria en het principe goedkoopst adequaat is gebonden. Het regionale protocol dat in artikel 6a wordt genoemd, is het instrument waarmee het stappenplan van de CRvB (Centrale Raad van Beroep) in de praktijk van gecontracteerde aanbieders wordt verankerd. </al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. </al><al><nadruk type="vet">Derde lid</nadruk></al><al>De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouder(s) na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a. </nr><titel>Doorverwijzing naar gecontracteerde jeugdhulpaanbieder door huisarts,<nadruk type="vet"> medische specialist of jeugdarts</nadruk></titel></kop><al>In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Op grond van artikel 6 zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Dit artikel bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 8 is voorgeschreven en het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2 zijn opgesomd. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.</al><al>Onderstaand een schematisch overzicht van het toegangsproces tot jeugdhulp via de huisarts, medische specialist of jeugdarts en via de gemeente.</al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="gmb-2026-339641-2.png" type="foto" breedte="15cm" id="i637035e7-f861-4f33-ae4f-9763b0048b66" hoogte="8.36cm" /></plaatje></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 7. </nr><titel>Toegang tot niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieders</titel></kop><al>Dit artikel zet de strikte lijn uit de memorie van toelichting van de modelverordening voort: niet gecontracteerde zorg wordt alleen vergoed als aantoonbaar geen passend gecontracteerd aanbod beschikbaar is en een pgb geen optie is. De nadruk ligt op het “vooraf” contact en de noodzaak om onder dezelfde voorwaarden en kwaliteitskaders te gaan werken; daarmee wordt voorkomen dat achteraf declaraties ontstaan zonder dat de gemeente inhoudelijk heeft kunnen sturen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>4.</nr><titel>Behandeling van een aanvraag voor een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente </titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 8. </nr><titel>Onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren</titel></kop><al>De inhoud van dit artikel is rechtstreeks geïnspireerd op artikel 5 van de modelverordening en de CRvB jurisprudentie. De verordening maakt van twee keuzes expliciet werk:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>het onderzoek is systeemgericht en domeinoverstijgend; professionals moeten bewust kijken naar onderliggende problematiek in gezin, school, werk, gezondheid en financiën;</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>het familiegroepsplan krijgt een serieuze plek: als zulke plannen worden ingebracht, mag het college er niet lichtvaardig aan voorbijgaan.</al></li></lijst><al>Door de elementen a t/m e in het zesde lid over te nemen, wordt voorkomen dat in bezwaar en beroep wordt geoordeeld dat het onderzoek “onvoldoende breed” is geweest.</al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. </al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen en ouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.</al><al><nadruk type="vet">Derde lid en vierde lid</nadruk></al><al>Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. </al><al><nadruk type="vet">Zesde lid</nadruk></al><al>De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Stap 1 - inventariseer de vraag.</al></li></lijst><al>Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. </al></li></lijst><al>Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. </al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. </al></li></lijst><al>De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja met welke omvang, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, moet worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. </al></li></lijst><al>Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.</al></li></lijst><al>Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. </al><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 6 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo, Wlz of Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 28 e.v.).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 9. </nr><titel>Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming</titel></kop><al>Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 8 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hieraan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>taal- en leerproblemen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>somatische aandoeningen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>kindermishandeling en huiselijk geweld.</al></li></lijst><al>Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 9, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.</al><al>Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college, in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 10. </nr><titel>Identificatie</titel></kop><al>Het college gebruikt volgens de wet het burgerservicenummer (BSN) bij het regelen, adviseren over, bepalen of inzetten van jeugdhulp (artikel 7.4.0, eerste lid, onder a, van de wet). Op grond van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer moet het college daarbij controleren of het BSN hoort bij de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. De wet kent in dit verband ook een verplichting tot het vaststellen van het BSN van de jeugdige bij het eerste contact door raadpleging van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, tenzij de gegevens zijn verkregen uit een betrouwbare bron waarbij mag worden aangenomen dat die deze controle al heeft uitgevoerd (artikelen 7.2.2 en 7.2.3 van de wet; en Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 210).</al><al>De wet kent geen algemene identificatieplicht. Het is voor deze controle dus niet verplicht om een identiteitsbewijs te vragen. Het college moet steeds afwegen of het nodig en proportioneel is om een identiteitsbewijs te vragen, of dat een minder ingrijpende methode voldoende is. Bijvoorbeeld door een aantal controlevragen te stellen die in het systeem kunnen worden nagekeken. Het college maakt deze afweging zelf. Wel mag het college om een identiteitsbewijs vragen als dat nodig wordt gevonden, bijvoorbeeld vanwege de aard of de zwaarte van de zorg. Ook kunnen jeugdigen via hun ouders worden geïdentificeerd, omdat ouders meestal wel een identiteitsbewijs hebben. Van het college wordt verwacht dat het hiermee rekening houdt bij de beoordeling of een maatregel proportioneel is.</al><al>In het tweede lid worden een aantal concrete punten genoemd waarmee het college in ieder geval rekening moet houden bij de afweging, naast de wettelijke controleplicht. Sub c van het tweede lid is vooral van belang wanneer de voorziening bedoeld is voor de jeugdige zelf. In dat geval moeten de gezaghebbende ouder(s) hiervan op de hoogte zijn en ermee instemmen. Gaat het om een voorziening voor de ouder(s), zoals opvoedondersteuning, dan is dit punt niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 11. </nr><titel>Verslag en aanvraag</titel></kop><al>In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. </al><al>De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het actieplan en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. In dat geval kunnen de jeugdige en zijn ouders in het ondertekende actieplan aangeven welke jeugdhulpvoorziening(en) zij zelf nodig achten. Het ondertekende actieplan, inclusief schriftelijke en voldoende concrete toelichting op de door de jeugdige of zijn ouder(s) nodig geachte jeugdhulpvoorziening(en), geldt dan als aanvraag zodat het college hierover een besluit kan nemen. </al><al>Het derde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 12. </nr><titel>Medewerkingsverplichting van de jeugdige, ouders en huisgenoten </titel></kop><al>Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp. De toevoeging dat ook “bezichtiging van de woon- en leefsituatie” kan worden verlangd is bedoeld om in complexe casuïstiek de feitelijke situatie te kunnen beoordelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 13. </nr><titel>Criteria voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening</titel></kop><al>In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.</al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.</al><al>Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden, vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg en normale opvoeduitdagingen zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze verordening. </al><al><nadruk type="vet">Derde en vierde lid</nadruk></al><al>Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.</al><al>Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.</al><al><nadruk type="vet">Vijfde en zesde lid</nadruk></al><al>Het zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (<extref doc="https://www.nji.nl/interventies">https://www.nji.nl/interventies</extref>), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (<extref doc="https://www.ggzstandaarden.nl/">https://www.ggzstandaarden.nl/</extref>) en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).</al><al><nadruk type="vet">Tiende lid</nadruk></al><al>Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14. </nr><titel>Beoordeling eigen vermogen en probleemoplossend vermogen</titel></kop><al><nadruk type="vet">Algemeen</nadruk></al><al>Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf, zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen, niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 14 geconcretiseerd.</al><al>De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).</al><al>De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. </al><al>Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.</al><al>Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:</al><al><nadruk type="cur">“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.</al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, </al><al>medewerking aan dit onderzoek.</al><al><nadruk type="vet">Derde lid</nadruk></al><al>Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.</al><al><nadruk type="vet">Vierde, vijfde en zesde lid </nadruk></al><al>De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid. Het vijfde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vijfde en zesde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15. </nr><titel>Vervoer</titel></kop><al>In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. </al><al>Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer. Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken. Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college. Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het zevende lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 16. </nr><titel>Dyslexie</titel></kop><al>Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de CRvB volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie (ED) onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zvw naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 17. </nr><titel>Kinderopvang en naschoolse opvang</titel></kop><al>In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. </al><al>Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. </al><al>Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 18. </nr><titel><nadruk type="vet">Besluit college en inhoud beschikking </nadruk></titel></kop><al>De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5. </nr><titel>Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19. </nr><titel>Aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een pgb</titel></kop><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura (ZIN). Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 20 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.</al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder niet passend achten; en</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Derde lid</nadruk></al><al>In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. </al><al><nadruk type="vet">Vierde lid</nadruk></al><al>Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van ZIN waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 20. </nr><titel>Pgb-vaardigheid </titel></kop><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.</al><al>Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (<extref doc="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf">https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf</extref>):</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Goed werkgeverschap;</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Voeren van een administratie;</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en </al></li><li><li.nr>7.</li.nr><al>In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.</al></li></lijst><al>Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.</al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Problematische schuldenproblematiek</al><al>Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.</al><al>Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de branchevereniging voor schuldhulp en financiële hulpverlening (NVVK) wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>2.</li.nr><al>Ernstige verslavingsproblematiek</al><al>Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van een verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>3.</li.nr><al>Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag</al><al>Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>Een aanmerkelijke verstandelijke beperking</al><al>Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die, zonder ondersteuning, participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. </al></li></lijst><lijst><li><li.nr>5.</li.nr><al>Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld</al><al>Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod in de vorm van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>6.</li.nr><al>Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis</al><al>Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>7.</li.nr><al>Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift</al><al>Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (SVB) is en doet in relatie tot het pgb.</al></li></lijst><lijst><li><li.nr>8.</li.nr><al>Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 21. </nr><titel>Onderscheid formele en informele hulp</titel></kop><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP’er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener geregistreerd is op grond van de wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) of bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Hierop geldt één belangrijke uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.</al><al>Professionals die hulp verlenen, ook vanuit een pgb, moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb. Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). </al><al>In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.</al><al><nadruk type="vet">Tweede en derde lid</nadruk></al><al>Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.</al><al>Bloedverwantschap ontstaat door:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>geboorte</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>afstamming van dezelfde voorvader</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>erkenning</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>gerechtelijke vaststelling van het vaderschap</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>adoptie</al></li></lijst><al>Bloedverwanten zijn in de:</al><al><nadruk type="cur">Eerste graad:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>(adoptie)ouders</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>(adoptie)kinderen</al></li></lijst><al><nadruk type="cur">Tweede graad:</nadruk></al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>grootouders</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>kleinkinderen</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>broers en zussen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 22. </nr><titel>Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb</titel></kop><al>Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van ZIN, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (zie ook bij artikel 19).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 23. </nr><titel>Hoogte pgb</titel></kop><al>In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092).</al><al>Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.</al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>In het eerste lid is het tarief voor formele jeugdhulp vastgelegd. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. </al><al><nadruk type="vet">Tweede lid en derde lid</nadruk></al><al>Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk, opgenomen in lid 2 en 3, bestaat de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun informele hulpverlener vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wet minimumloon of overige wetten van het arbeidsrecht. Als een budgethouder de tegemoetkoming of onkostenvergoeding wenst te laten betalen aan zijn hulpverlener, dient hij daarvoor een verklaring Hulp uit sociaal netwerk in bij de SVB. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel deze verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De gemeente bepaalt per individueel geval de hoogte van de tegemoetkoming met een maximum van € 141 per maand. </al><al>In het derde lid is geregeld dat het pgb-tarief voor de ondersteuningsvorm begeleiding informeel kan worden vastgesteld op het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend. </al><al><nadruk type="vet">Zevende lid en achtste lid</nadruk></al><al>Het college moet in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Als uit het pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden, dan mag worden uitgegaan van dit lagere tarief. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24. </nr><titel>Bestedingsmogelijkheden pgb</titel></kop><al>Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. </al><al><nadruk type="vet">Vierde lid</nadruk></al><al>Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten en bemiddelingskosten worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.</al><al>De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. </al><al>Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de wet, is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>6. </nr><titel>Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 25. </nr><titel>Herziening, intrekking, opschorting en terugvordering</titel></kop><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking.</al><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.</al><al>De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de CRvB blijkt herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). </al><al><nadruk type="vet">Derde en vierde lid</nadruk></al><al>Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken. </al><al><nadruk type="vet">Vijfde lid </nadruk></al><al>In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.</al><al>In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.  </al><al><nadruk type="vet">Zesde lid</nadruk></al><al>Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat:</al><lijst><li><li.nr>1)</li.nr><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); </al></li><li><li.nr>2)</li.nr><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of</al></li><li><li.nr>3)</li.nr><al>de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e).</al></li></lijst><al>Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.</al><al> Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.</al><al>Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 26. </nr><titel>Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s</titel></kop><al>Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de wet toezichthouders kan aanwijzen, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.</al><al><nadruk type="vet">Tweede en derde lid</nadruk></al><al>Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing over een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 26 tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb. </al><al>Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27. </nr><titel>Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik </titel></kop><al>Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen te waarborgen en fraude te voorkomen. Er is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp. </al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>7. </nr><titel>Afstemming en afbakening</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 28. </nr><titel>Afbakening andere voorzieningen</titel></kop><al><nadruk type="vet">Eerste en tweede lid </nadruk></al><al>Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of op grond van de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing. </al><al>Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).</al><al>Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht, duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.</al><al><nadruk type="vet">Derde en vierde lid</nadruk></al><al>Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen. Bij een verwijzing naar zorg op grond van de Wlz wordt indien gewenst ook cliëntondersteuning ingeschakeld om de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger te ondersteunen bij het aanvraagproces.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29. </nr><titel>Afstemming voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning </titel></kop><al>Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. </al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.</al><al><nadruk type="vet">Tweede en derde lid</nadruk></al><al>Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.</al><al><nadruk type="vet">Vijfde en zesde lid</nadruk></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30. </nr><titel>Afbakening voorliggende voorzieningen</titel></kop><al>Een belangrijke afbakening is de afbakening met het onderwijs. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet. </al><al>Als een gedragswetenschapper ED vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is er geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de wet. Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp. </al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>8. </nr><titel>Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 31. </nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering  </titel></kop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al><al>Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp. </al><al>Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>9. </nr><titel>Klachten en zeggenschap</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 32. </nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. </al><al>In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de aanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen aanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33. </nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid </titel></kop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>10. </nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 34. </nr><titel>Evaluatie </titel></kop><al>De verordening schrijft voor dat het beleid ten minste eens per vier jaar wordt geëvalueerd, in samenhang met de MJBK-cyclus en de Kempische datamonitoring.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35. </nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>terugvordering.</al></li></lijst><al>Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.</al><al>Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.</al></artikel></bijlage></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>