<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-339532/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Oost Gelre</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Oost Gelre</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oost Gelre</al><al /><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 juni 2026;</al><al /><al>gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;</al><al /><al>gezien het advies van Presidium </al><al /><al>b e s l u i t </al><al /><al>vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Oost Gelre’.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definitiebepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>raadslid: lid van de gemeenteraad. </al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>raadscommissielid: commissielid bedoeld als in artikel 4 lid 3 van het Reglement van orde raadscommissie gemeente Oost Gelre 2026.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Toelage raadslid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie]</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend van het maximumbedrag genoemd in artikel 3.1.1. eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers.. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt voor de duur van de activiteiten van de commissie een maximale toelage toegekend conform het rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toelage vaste voorzitter raadscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vaste voorzitter van de raadscommissie ontvangt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage als bedoeld in artikel 3.1.4a van het Rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage bedraagt het maximumbedrag genoemd in artikel 3.1.4. eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid wordt per maand een bedrag toegekend ter hoogte van het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden voor één maand, bedoeld in artikel 3.1.9, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, waarmee het raadslid voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op een raadslid dat de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, op grond van artikel 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raads- of raadscommissielid dat een vergoeding wil ontvangen voor deelname aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor het uitvoeren van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij dit verzoek worden documenten met benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek wordt uitgevoerd nadat het verzoek is getoetst aan de kaders van deze regeling, het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. De griffier beoordeelt of en in welke mate de scholing in tijd en/of kosten wordt gefaciliteerd en besluit vervolgens op de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de voorzitter van de adviescommissie voor bezwaarschriften wordt een vergoeding toegekend van drie keer de vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers aanspraak op maakt omdat hij op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan een lid van de adviescommissie voor bezwaarschriften wordt een vergoeding toegekend van twee keer de vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers aanspraak op maakt omdat hij op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid worden de vergoedingen zoals genoemd in artikel 6 halfjaarlijks uitbetaald aan de voorzitter en de leden van de adviescommissie voor bezwaarschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Betaling en declaratie van onkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur,</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>betaling vooruit uit eigen middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden zo spoedig mogelijk na factuurdatum of betaling door raads- of raadscommissieleden ingediend bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden met de eerst mogelijke salarisverwerking wordt verwerkt en overgemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Oost Gelre 2019 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze verordening wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Oost Gelre.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Oost Gelre op 7 juli 2026,</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>De voorzitter, </functie><functie>G. Hofstede </functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>De griffier,</functie><functie>L. Schellevis.</functie></ondertekening><ondertekening><functie /></ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel> Verordening rechtspositie raads- en commissieleden</titel></kop><al><nadruk type="vet">ALGEMEEN</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Wettelijke regelingen</nadruk></al><al>In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.</al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</nadruk></al><al>In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.</al><al>Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.</al><al /><al><nadruk type="vet">De arbeidsverhoudingen en fiscale positie</nadruk></al><al>Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst. </al><al>Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. </al><al>De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.</al><al /><al><nadruk type="vet">ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2. Toelage lid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie] van raadsleden</nadruk></al><al>Deze artikelen betreffen de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie, de rekenkamerfunctie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde drie zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, en anderzijds de onderzoekscommissie. </al><al /><al>Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie geldt een vast (belast) bedrag van € 137,84 per maand. Voor de hoogte van de toelage voor het lidmaatschap van een bijzondere commissie geldt een bedrag van maximaal € 137,84 per maand. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 3 Toelage vaste voorzitter raadscommissie</nadruk></al><al>Artikel 3.1.4a van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers biedt gemeenten de mogelijkheid om een toelage toe te kennen aan vaste voorzitters van raadscommissies. Met dit artikel maakt de gemeente Oost Gelre gebruik van die bevoegdheid. Het voorzitterschap vraagt een structureel hogere tijdsinvestering dan het reguliere commissielidmaatschap, onder andere door extra voorbereiding, afstemming met de griffie en het college, en het bewaken van een ordelijk en zorgvuldig verloop van de vergaderingen. Ook kan deelname aan aanvullende voorzitterstrainingen onderdeel zijn van de rol. De toelage vormt een passende waardering voor deze extra taken en verantwoordelijkheden.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 4. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden</nadruk></al><al>Op grond van artikel 3.1.9 bestaat de aanspraak voor raadsleden om jaarlijks een bedrag te ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Er is gekozen voor een centrale, voor alle betrokken volksvertegenwoordigers geldende regeling, met dien verstande dat degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Voor degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt, is het onmogelijk zich alsnog te verzekeren voor pensioen, nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheid. De gemeente Oost Gelre betaalt deze voorziening maandelijks uit.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 5. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden</nadruk></al><al>Voor raads- en commissieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. </al><al /><al>Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.</al><al>Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente. Er is ruimte voor lokale accenten. Het beoordelen van en/of fiatteren van scholingsaanvragen is in onze gemeente gemandateerd aan de griffier.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 6. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak</nadruk></al><al>De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet zijn imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse voor elke bijgewoonde vergadering van de commissie. In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 7. Informatie- en communicatievoorzieningen</nadruk></al><al>We verstrekken informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Wij kiezen ervoor geen overname van een ICT-middel mogelijk te maken na het eindigen van de functie bij de gemeente. Het overnemen is geen recht van de ambtsdrager maar het gevolg van een keuze van de gemeente. Wij hechten grote waarde aan de beheersbaarheid van beveiliging en continuïteit van onze ICT-beheersstructuur. Daarnaast kan de mogelijkheid van overname leiden tot problemen met informatiebeveiliging en de AVG. Deze risico’s willen we niet lopen.</al><al>Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Een computer is een desktop, een tabletcomputer of een laptop. Er mag slechts één computer verstrekt worden.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 8 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</nadruk></al><al>In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. </al><al>Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte -tot 1,2% fiscale loonsom- onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 9 Betaling vaste vergoedingen &amp; artikel 10 Betaling en declaratie van onkosten</nadruk></al><al>Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.</al></nota-toelichting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>