<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-334733/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Rotterdam</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,</al><al /><al>gelezen het voorstel van de directeur Sport, Onderwijs en Cultuur van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling van 7 juli 2026, kenmerk M2606-323;</al><al /><al>gelet op de artikelen 3, 4, 6, 7, 8, 11, 12a en 17 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014;</al><al /><al>overwegende, dat het wenselijk is een subsidieregeling vast te stellen voor het realiseren van voorschoolse educatie gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor Rotterdamse peuters die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten en voorschoolse educatie te realiseren die voldoet aan de Rotterdamse kwaliteitseisen ten behoeve van Rotterdamse peuters;</al><al /><al><nadruk type="vet">besluit:</nadruk></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>doelgroeppeuter: peuter voor wie het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente Rotterdam de indicatie Extra spelen en leren heeft afgegeven, dan wel de peuter voor wie de houder de indicatie Gelijke kansen heeft afgegeven;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>gratis uren: uren waarvoor de ouder aan de houder geen ouderbijdrage verschuldigd is voor deelname van de doelgroeppeuter aan het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>houder: degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum exploiteert in de gemeente Rotterdam;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>indicatie Extra spelen en leren: door het Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond in de gemeente Rotterdam afgegeven indicatie aan ouders voor peuters waarbij het Centrum voor Jeugd en Gezin heeft vastgesteld dat er een risico is op een taal- dan wel ontwikkelingsachterstand;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>indicatie Gelijke kansen: door de houder afgegeven indicatie aan ouders voor peuters in gezinnen die aantoonbaar gebruik maken van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dan wel de Wet schuldsanering natuurlijke personen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>kindercentrum: kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>NPRZ-gebied: de gebieden Charlois, Feijenoord en IJsselmonde, bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de wijkraden 2022, waar het Nationaal Programma Rotterdam Zuid wordt uitgevoerd;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>ouder: ouder of verzorger van de peuter;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>ouderbijdrage: bijdrage die de ouder aan de houder betaalt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>peuter: kind woonachtig in de gemeente Rotterdam in de leeftijd vanaf twee jaar tot de leeftijd waarop het kind daadwerkelijk start op de basisschool;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>plusopvang: gespecialiseerde instelling voor kinderopvang als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang 2018;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>110%-regeling: maatregel op grond waarvan een ouder woonachtig in Rotterdam, en waarvan diens verzamelinkomen lager is dan 110%, diens peuter met de indicatie Extra spelen en leren, gratis een ve-programma kan laten volgen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>130%-regeling: maatregel op grond waarvan een ouder woonachtig in het NPRZ-gebied, en waarvan diens verzamelinkomen ligt tussen de 110% en 130%, diens peuter met de indicatie Extra spelen en leren, gratis een ve-programma kan laten volgen in het NPRZ-gebied;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>toezichthouder: toezichthouder als bedoeld in artikel 1.61, tweede lid, van de Wet kinderopvang;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>ve: voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>ve-programma peuteropvang: ve-programma van minimaal 960 uur verdeeld over maximaal 60 weken en gemiddeld 16 uur per week, inclusief de momenten voor brengen en halen, bij een openstelling van 40 weken per kalenderjaar;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>ve-programma dagopvang: ve-programma van minimaal 960 uur verdeeld over maximaal 78 weken en gemiddeld 12 uur en 18 minuten per week bij een openstelling van 50 tot en met 52 weken per kalenderjaar;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>wachtlijst: lijst opgesteld door de houder van peuters die ingeschreven zijn voor plaatsing op een kindercentrum voor wie geen ve-programma peuteropvang of ve-programma dagopvang beschikbaar is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze subsidieregeling is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor het kalenderjaar 2027 voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt ten behoeve van ve voor de volgende activiteiten:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het uitvoeren van een ve-programma peuteropvang, aan een groep waarin ten minste twaalf en ten hoogste zestien peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het uitvoeren van een ve-programma peuteropvang, aan een groep waarin minimaal vijf en ten hoogste acht peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het uitvoeren van activiteiten, die zijn gericht op het kunnen voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen voor het ve-programma peuteropvang, bedoeld in bijlage 1;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>het uitvoeren van een ve-programma dagopvang;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>het uitvoeren van activiteiten, die zijn gericht op het kunnen voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen voor het ve-programma dagopvang, bedoeld in bijlage 1;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker ve, bedoeld in artikel 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en nader uitgewerkt in bijlage 1, onderdeel 8, behorend bij deze subsidieregeling;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>het implementeren van ve in het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan de houder van een kindercentrum gevestigd in de gemeente Rotterdam en geregistreerd in het landelijk register kinderopvang waar het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang wordt uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Kosten die voor subsidie in aanmerking komen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten, genoemd in artikel 3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende kosten komen in ieder geval voor subsidie in aanmerking:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de exploitatiekosten voor een groep waarvoor het ve-programma peuteropvang wordt uitgevoerd;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de kapitaal- en onderhoudslasten voor de locatie waar het ve-programma peuteropvang wordt uitgevoerd;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de kosten voor het coördineren en uitvoeren van het ve-programma dagopvang;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>het verschil tussen de ouderbijdrage per uur voor deelname aan het ve-programma dagopvang en de maximum uurprijs voor dagopvang voor 2026, genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit kinderopvangtoeslag voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>de kosten voor de aan de doelgroeppeuters aangeboden gratis uren ve-programma dagopvang;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de kosten voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>de kosten voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker ve bedoeld in artikel 3, onderdeel f;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>de kosten voor het implementeren van ve in het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt;</al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>de gemaakte accountantskosten ten behoeve van de verantwoording van de op grond van deze regeling ontvangen subsidie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten, genoemd in het tweede lid, onderdelen d en e, voor een peuter die gebruik maakt van het ve-programma dagopvang als voorliggende voorziening bedoeld in artikel 3, onderdeel d, van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018, komen voor subsidie op grond van deze subsidieregeling in aanmerking voor zover het de uren betreft behorende tot het ve-programma dagopvang. De uren ve-programma dagopvang die aldus op grond van deze subsidieregeling aan de houder worden gesubsidieerd, kan de houder niet ten laste brengen van subsidie op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidie bedraagt ten hoogste:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>€ 107.739 per groep voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, voor zover die activiteiten 16 uur per week worden uitgevoerd;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>€ 625 per groep voor de onderhoudslasten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, als de locatie waar de groep is gehuisvest is opgenomen in de collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>€ 2.500 per groep voor de kapitaal- en onderhoudslasten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, als de locatie waar de groep is gehuisvest niet is opgenomen in de collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>€ 477 per peuter voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>het kostenverschil, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel d;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de maximum uurprijs voor dagopvang voor 2027, genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit kinderopvangtoeslag, voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel e;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>€ 11.328 per groep voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen f en g, bij de uitvoering van het ve-programma peuteropvang;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>€ 954 per peuter voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen f en g, bij de uitvoering van het ve-programma dagopvang, waarbij de volgende groepsstaffel wordt toegepast:</al><lijst><li><li.nr>1°.</li.nr><al>€ 9.540 voor een groep met per week 5 tot en met 10 geplaatste peuters;</al></li><li><li.nr>2°.</li.nr><al>€ 954 maal aantal peuters voor een groep met per week 11 tot en met 15 geplaatste peuters;</al></li><li><li.nr>3°.</li.nr><al>€ 15.265 voor een groep met per week 16 of meer geplaatste peuters;</al></li></lijst></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>€ 5.000 per kindercentrum voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel h;</al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>€ 79.773 per groep voor de kosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a, f en g, voor zover die activiteiten 16 uur per week worden uitgevoerd in de groep als bedoeld in artikel 3, onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de subsidiabele activiteiten minder dan het voorgeschreven aantal weken worden uitgevoerd, wordt de hoogte van de subsidie bepaald naar rato van het aantal uitvoeringsweken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De door de houder bij de subsidieaanvraag ingediende prognose voor de inkomsten uit ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang wordt bij de verlening verrekend met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a dan wel j.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a, b, c en g, kan de subsidie worden verhoogd naar rato van het aantal uitvoeringsuren per week als de activiteiten meer dan 16 uur per week worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, kan de subsidie worden verhoogd naar rato van het aantal uitvoeringsuren per week als de activiteiten meer dan 12 uur maar minder dan 16 uur per week worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan de bedragen, genoemd in artikel 6, indexeren met dien verstande dat indien het college besluit tot indexatie de percentages, genoemd in artikel 5 van het Besluit kinderopvangtoeslag van overeenkomstige toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><al>Voor subsidieverlening op grond van deze subsidieregeling geldt voor het kalenderjaar 2027 een subsidieplafond van € 54.730.246, onder voorbehoud dat voldoende middelen voor ve door de gemeenteraad op de begroting beschikbaar worden gesteld. Dit bedrag omvat mede middelen uit de specifieke uitkering ten behoeve van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid bedoeld in de Regeling kansrijke wijk, en de ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van verdeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verdeling van de subsidie geschiedt, totdat het subsidieplafond is bereikt, in de volgende volgorde:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>bestaande groepen waarvoor houders in 2026 reeds subsidie voor ve ontvangen van het college;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>bestaande groepen waarvoor houders in 2026 nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college waarbij sprake is van een wachtlijst met doelgroeppeuters, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst, de overige kindercentra;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>nieuwe groepen waarvoor houders nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college, waarbij sprake is van een wachtlijst met doelgroeppeuters, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst, de overige kindercentra;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>bestaande groepen waarvoor houders in 2026 nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>nieuwe groepen waarvoor houders nog geen subsidie voor ve ontvangen van het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de lengte en de samenstelling van de wachtlijst zijn de gegevens, bedoeld in artikel 12, achtste lid, op de peildatum 1 oktober 2026 bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvraag wordt digitaal ingediend via <extref doc="http://www.rotterdam.nl/bestuur-organisatie/subsidies/"><nadruk type="ondlijn">www.rotterdam.nl/bestuur-organisatie/subsidies/</nadruk></extref> onder gebruikmaking van de daar beschikbaar gestelde aanvraagformulieren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen kunnen worden ingediend tot en met 30 september 2026.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager legt de aanvraagformulieren over welke volledig en naar waarheid zijn ingevuld en in ieder geval zijn voorzien van de volgende gegevens:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een specificatie van de urenstructuur, die de houder hanteert voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang voor het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>een plan met kostenopgave voor implementatie van ve en van een observatiesysteem voor het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het pedagogisch beleidsplan voor het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>een specificatie van de wijze waarop de houder aanzet tot kwaliteitsontwikkeling.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Het college beslist binnen acht weken na het sluiten van de aanvraagtermijn op de aanvraag, welke termijn met twaalf weken kan worden verlengd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanvullende weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien subsidie wordt aangevraagd voor één of meerdere groepen en één of meer van die groepen tellen bij de aanvraag minder dan vijf peuters gemiddeld per week, wordt de subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie voor een nieuwe locatie of groep kan worden geweigerd, indien de factor van het aantal doelgroeppeuters extra spelen en leren ten opzichte van het aantal ve-plekken in de betreffende wijk, hoger is dan 1.8.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie kan worden geweigerd indien de subsidieaanvraag wordt ingediend door een houder waartegen op het moment van de subsidieaanvraag sprake is van een formeel herstellend dan wel formeel bestraffend handhavingstraject als bedoeld in de Nalevingstrategie kwaliteit kinderopvang gemeente Rotterdam 2025 in verband met geconstateerde overtredingen van de Wet kinderopvang op het domein Pedagogisch klimaat dan wel het domein Personeel en groepen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat het college subsidieverlening op basis van het derde lid weigert, stelt het de houder in de gelegenheid aan te tonen welke inspanningen worden verricht tot herstel van de geconstateerde overtredingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder zorgt ervoor dat de ve voldoet aan de Rotterdamse kwaliteitseisen, bedoeld in bijlage 1 van deze subsidieregeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder verleent medewerking aan onderzoek naar de uitvoering van de Rotterdamse kwaliteitseisen, dat wordt uitgevoerd door de toezichthouder in samenspraak met de houder en met de gemeentelijke contactpersoon voor ve van de houder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder stelt de peuter die de leeftijd van vier jaar heeft bereikt in de gelegenheid deel te blijven nemen aan ve tot het moment waarop het kind daadwerkelijk start op de basisschool.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder van plusopvang verzoekt het Centrum voor Jeugd en Gezin een kind dat gebruik maakt van de plusopvang te registreren met de indicatie Extra spelen en leren als het kind nog niet over deze indicatie beschikt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De houder bepaalt de volgorde van plaatsing van peuters op de ve-groep en heeft daarbij een inspanningsverplichting om doelgroeppeuters met voorrang te plaatsen. Bij crisisplaatsing kan van deze voorrangsregel worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder is verplicht om in diens communicatie, naast diens eigen huisstijl, ook gebruik te maken van het beeldmerk voor het ve-aanbod in Rotterdam. Het beeldmerk dient in ieder geval, indien mogelijk, aan de buitenzijde van de locatie, zichtbaar vanaf de straat, gebruikt te worden.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De houder verstrekt gedurende de subsidieperiode aan het college maandelijks via het webportaal van Roseman Labs een rapportage ten behoeve van het monitoren van het bereik van ve en de wachtlijst voor ve in Rotterdam.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Aanvullende verplichtingen voor de uitvoering van het ve-programma</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de ve-programma’s gelden de volgende aanvullende verplichtingen:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het ve-programma peuteropvang en het ve-programma dagopvang worden uitgevoerd in dagdelen, waarbij een dagdeel ten minste drie uur omvat;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>in het ve-programma peuteropvang zijn in een dagdeel van drie uur inbegrepen 15 minuten voor het moment van brengen en 15 minuten voor het moment van halen;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang worden gedurende maximaal zes uur per dag aan een peuter aangeboden, waarbij de opvanguren zonder educatief kenmerk niet tot het ve-programma worden gerekend;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang dat wordt aangeboden aan de niet-doelgroeppeuter wordt verdeeld over minimaal twee dagdelen per week die zijn verdeeld over minimaal twee dagen per week;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang dat wordt aangeboden aan de doelgroeppeuter in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar wordt verdeeld over minimaal twee dagdelen per week die zijn verdeeld over minimaal twee dagen per week;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>het ve-programma dagopvang dat wordt aangeboden aan de doelgroeppeuter in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de doelgroeppeuter start op de basisschool wordt verdeeld over minimaal drie dagen per week;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>in afwijking van onderdeel f, kan het ve-programma dagopvang van ten minste 12 uur per week aan de doelgroeppeuter worden aangeboden verdeeld over twee dagen per week als de ouder van de doelgroeppeuter niet meer dan twee dagen per week opvang kan of wil afnemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Urenstructuur ve-programma peuteropvang</titel></kop><al>De houder biedt het ve-programma peuteropvang aan met een zodanige urenstructuur per week dat:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de niet-doelgroeppeuter gemiddeld 8 uur per week kan deelnemen aan het ve-programma peuteropvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 20 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend 480 uur verdeeld over 60 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de niet-doelgroeppeuter start op de basisschool;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de doelgroeppeuter gemiddeld 8 uur per week kan deelnemen aan het ve-programma peuteropvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 20 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend gemiddeld 16 uur per week 960 uur verdeeld over 60 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de doelgroeppeuter start op de basisschool;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de uitbreiding van het ve-programma peuteropvang van gemiddeld 8 uur naar 16 uur per week, bedoeld in onderdeel b, kan worden gestart voordat de doelgroeppeuter de leeftijd van tweeëneenhalf jaar heeft bereikt als de doelgroeppeuter naar het oordeel van de houder daartoe in staat is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Urenstructuur ve-programma dagopvang</titel></kop><al>De houder biedt het ve-programma dagopvang aan met een zodanige urenstructuur per week dat:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de niet-doelgroeppeuter gemiddeld 6 uur en 9 minuten per week kan deelnemen aan het ve-programma dagopvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 26 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend 480 uur verdeeld over 78 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de niet-doelgroeppeuter start op de basisschool;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de doelgroeppeuter gemiddeld 6 uur en 9 minuten per week kan deelnemen aan het ve-programma dagopvang tot een totaal van minimaal 120 uur en maximaal 160 uur verdeeld over 26 weken in de leeftijdsperiode vanaf twee jaar tot tweeëneenhalf jaar en aansluitend gemiddeld 12 uur en 18 minuten per week 960 uur verdeeld over 78 weken in de leeftijdsperiode vanaf tweeëneenhalf jaar tot het moment dat de doelgroeppeuter start op de basisschool;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de uitbreiding van het ve-programma dagopvang van gemiddeld 6 uur en 9 minuten naar 12 uur en 18 minuten per week, bedoeld in onderdeel b, kan worden gestart voordat de doelgroeppeuter de leeftijd van tweeëneenhalf jaar heeft bereikt als de doelgroeppeuter naar het oordeel van de houder daartoe in staat is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Ouderbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel aan het ve-programma dagopvang een ouderbijdrage in rekening bij de ouder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder brengt voor deelname van de doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren na de uitbreiding van het ve-programma peuteropvang, bedoeld in artikel 14, onderdelen b en c, dan wel de uitbreiding van het ve-programma dagopvang, bedoeld in artikel 15, onderdelen b en c, een ouderbijdrage in rekening bij de ouder van 50% van het totale aantal uren, waarbij de overige 50% van het totale aantal uren voor de ouder gratis is. De ouder komt alleen in aanmerking voor 50% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Extra spelen en leren deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van ten minste 720 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder geeft de indicatie Gelijke kansen af voor de peuter van wie de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dan wel de Wet schuldsanering natuurlijke personen volgens de procedure, bedoeld in bijlage 2 van deze subsidieregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder brengt geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder bedoeld in het derde lid. De ouder komt alleen in aanmerking voor 100% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Gelijke kansen deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van ten minste 720 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder brengt geen ouderbijdrage in rekening voor de deelname van de doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren aan het ve-programma peuteropvang, bedoeld in artikel 14, onderdelen b en c, dan wel het ve-programma dagopvang, bedoeld in artikel 15, onderdelen b en c, als aan de volgende eisen wordt voldaan:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het ve-programma wordt uitgevoerd met subsidie van het college in een kindercentrum gevestigd in Rotterdam;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de doelgroeppeuter en de ouder zijn woonachtig in Rotterdam; en</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de ouder heeft een verzamelinkomen lager dan 110% van het wettelijk sociaal minimum.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De houder brengt geen ouderbijdrage in rekening voor de deelname van de doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren aan het ve-programma peuteropvang, bedoeld in artikel 14, onderdelen b en c, dan wel het ve-programma dagopvang, bedoeld in artikel 15, onderdelen b en c, als aan de volgende eisen wordt voldaan:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het ve-programma wordt uitgevoerd met subsidie van het college in een kindercentrum gevestigd in NPRZ-gebied;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de doelgroeppeuter en de ouder zijn woonachtig in NPRZ-gebied; en</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de ouder heeft een verzamelinkomen tussen de 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder volgt bij de bepaling van de hoogte van het inkomen tot 110% dan wel tussen de 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum de procedure, bedoeld in bijlage 3 van deze subsidieregeling.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De houder kan de gratis uren bedoeld in het tweede lid alleen aan de ouder aanbieden als de ouderbijdrage bedoeld in het eerste lid door de houder bij de ouder in rekening is gebracht.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De houder komt uitsluitend in aanmerking voor de subsidie voor gratis uren als bedoeld in het tweede lid als de ouderbijdrage bedoeld in het eerste lid door de houder bij de ouder in rekening is gebracht.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De houder volgt bij de bepaling van de ouderbijdrage de procedure, bedoeld in bijlage 3 van deze subsidieregeling, waarbij:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de ouder met recht op kinderopvangtoeslag aan de houder het maximum uurtarief van de kinderdagopvang betaalt;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de ouder zonder recht op kinderopvangtoeslag aan de houder een inkomensafhankelijke ouderbijdrage betaalt;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur wordt vastgesteld door de houder op basis van de rekenmethode ouderbijdragen voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag, bedoeld in bijlage 4 van deze subsidieregeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Als naar het oordeel van de houder de situatie van de ouder dit rechtvaardigt, kan de houder afwijken van de procedure voor de vaststelling van de ouderbijdrage.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>De houder beschikt over een vastgestelde procedure voor de beoordeling van het afwijken van de procedure voor de vaststelling van de ouderbijdrage.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Als de afwijkingen van de procedure leiden tot een afwijking van meer dan tien procent van de gefactureerde omzet van de gesubsidieerde uren dan meldt de houder dit direct aan het college.</al></lid><lid><lidnr>14.</lidnr><al>De door de houder gehanteerde en vastgestelde incassoprocedure is ten minste:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>schriftelijk vastgelegd;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>openbaar;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>voorzien van duidelijke termijnen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Implementatieperiode</titel></kop><al>De houder die voor het eerst subsidie aanvraagt voor ve en die nog niet kan voldoen aan één of meer subsidieverplichtingen:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>wordt door het college in de gelegenheid gesteld om gedurende een implementatieperiode van maximaal één jaar alsnog te voldoen aan deze subsidieverplichtingen;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>maakt hierover afspraken met het college voorafgaand aan de subsidieverlening;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>kan op verzoek gebruik maken van de mogelijkheid om het kindercentrum gedurende deze implementatieperiode in het landelijk register kinderopvang niet aan te laten merken als een kindercentrum met voorschoolse educatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Tussenrapportages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder verstrekt aan het college uiterlijk op 25 april 2027 en op 24 oktober 2027 een rapportage die betrekking heeft op de realisatie in respectievelijk:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de week van 5 april tot en met 9 april 2027; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de week van 4 oktober tot en met 8 oktober 2027. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rapportages worden ingediend bij het college met behulp van een door het college vastgesteld rapportageformulier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verzoek tot vaststelling van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt uiterlijk op 31 maart 2028 digitaal ingediend via het webportaal van de gemeente Rotterdam met behulp van daarvoor door het college vastgestelde formulieren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de vaststelling van de subsidie verstrekt de houder aan het college:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een volledig ingevuld PDF-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027 kwaliteit’;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>een volledig ingevuld Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’ in Excel-format;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een volledig ingevuld Excel-formulier ‘Verantwoording OGW ve 2027’ per locatie in Excel-format, dan wel een rapportage per locatie over de resultaten van opbrengst gericht werken uit BOSOS dan wel KIJK!;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>indien van toepassing, een overzicht met een onderbouwing van de werkelijke kosten van de implementatie van ve in het kindercentrum waarvoor de houder voor het eerst subsidie aanvraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf € 25.000 tot € 50.000</titel></kop><al>Bij een verleende subsidie vanaf € 25.000 tot € 50.000 verstrekt de houder aan het college aanvullend een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten afgezet worden tegen de inkomsten uit subsidie en de ouderbijdragen en waarin afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening betreffende de subsidieomvang en ouderbijdragen worden toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf € 50.000 tot € 200.000</titel></kop><al>Bij een verleende subsidie vanaf € 50.000 tot € 200.000 verstrekt de houder aan het college aanvullend:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant met beperkte mate van zekerheid aangaande de gerealiseerde prestaties zoals vermeld in het Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het volledig ingevulde Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’ gewaarmerkt door een onafhankelijke accountant;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten afgezet worden tegen de inkomsten uit subsidie en de ouderbijdragen en waarin afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening betreffende de subsidieomvang en ouderbijdragen worden toegelicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf € 200.000</titel></kop><al>Bij een verleende subsidie vanaf € 200.000 verstrekt de houder aan het college aanvullend:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant met redelijke mate van zekerheid aangaande de gerealiseerde prestaties zoals vermeld in het Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het volledig ingevulde Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’ gewaarmerkt door een onafhankelijke accountant;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten afgezet worden tegen de inkomsten uit subsidie en de ouderbijdragen en waarin afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening betreffende de subsidieomvang en ouderbijdragen worden toegelicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Controle accountant</titel></kop><al>Indien een accountantscontrole wordt vereist, dan wordt deze uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften, bedoeld in bijlage 5 van deze subsidieregeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vaststelling van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de subsidie worden de prognoses van de houder bij aanvraag van de subsidie vergeleken met de werkelijke realisatie door de houder opgegeven in het verzoek tot vaststelling van de subsidie. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van de werkelijke realisatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de subsidie wordt de realisatie van de inkomsten uit ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang verrekend met de subsidie bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a dan wel j.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan bij het tijdelijk niet geheel voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 12 en 13 besluiten toch subsidie te verlenen of te blijven verlenen indien het onverkort vasthouden aan deze verplichtingen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mits de gesubsidieerde activiteiten aantoonbaar bijdragen aan het verbeteren van de voorwaarden voor Rotterdamse peuters om met succes in te kunnen stromen in het basisonderwijs.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Intrekken oude subsidieregeling en overgangsrecht</titel></kop><al>De Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van die subsidieregeling zijn aangevraagd of verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze subsidieregeling wordt aangehaald als Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 juli 2026.</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>De secretaris, </functie><functie>G.J.D. Wigmans </functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>De burgemeester,</functie><functie>C.J. Schouten</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl</functie></ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Rotterdamse kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 3, onderdelen c en e, en artikel 12, tweede lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><al /><al><nadruk type="vet">Algemeen</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het kindercentrum waarvoor de houder subsidie aanvraagt voldoet aan de voorwaarden gesteld in de relevante regelgeving. Gegeven de laatste beoordeling van de GGD zijn er geen zwaarwegende belemmeringen om subsidie te verlenen ten behoeve van het kindercentrum.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het kindercentrum waarvoor de houder subsidie aanvraagt voert een programma uit waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. De beroepskracht is in het bezit van een ve-certificaat. Beroepskrachten die hieraan nog niet voldoen, werken samen op de groep met een beroepskracht die wel aan de eisen van de ve-scholing voldoet. Beroepskrachten krijgen 2 jaar de tijd om aan de eisen te voldoen.</al><al>Beroepskrachten, inclusief hbo’ers, voldoen aan de vigerende regelgeving ten aanzien van certificering voor ve-programma’s. Naast de ve-certificaten voor ve-programma’s volstaat ook het volgende:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>beroepskrachten die de ‘4VVE’-scholing hebben afgerond;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>beroepskrachten die de opleiding Speelplezier zoals uitgevoerd door KindeRdam hebben afgerond;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>beroepskrachten die de ‘AD PEP’-scholing hebben afgerond.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>De houder heeft de toetredingsverklaring getekend, waaruit blijkt dat men deelneemt aan en uitvoering geeft aan de afspraken van het Samenwerkingsconvenant SISA.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Groepsruimte</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>De groepsruimte of de speel-leeromgeving is aantrekkelijk en uitdagend ingericht, waarbij rekening is gehouden met de ontwikkelingsfase van de kinderen en voldoet aan de didactische eisen.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Ouderbetrokkenheid</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>5.</li.nr><al>De locatieverantwoordelijke maakt de ouderanalyse zo concreet mogelijk: hoe sluit je aan bij de drijfveren van de ouder? Hoe ga je de ouder informeren over de ontwikkeling van de peuter? Hoe kan je de ouder inspireren om thuis te lezen, praten, zingen, spelen met zijn of haar peuter? Welke tips geeft de pedagogisch medewerker aan de ouder? De locatieverantwoordelijke bespreekt dit plan, de aanpak en de ervaringen met collega’s en ouders.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Zorg</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>6.</li.nr><al>Elke locatie is bekend met en werkt met het Rotterdams Stappenplan Zorg en de Zorgkaart voor 0-4 jaar. In het zorgoverleg, dat minimaal 4 maal per jaar wordt gehouden, worden zorgpeuters besproken. De locatie werkt samen met een voorschools maatschappelijk werker die de verbinding vormt met externe partners zoals CJG en wijkteam. Als er geen voorschools maatschappelijk werker beschikbaar is, heeft de locatie aantoonbaar duidelijke afspraken over de manier waarop het contact met externe partners is geregeld</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">A-kwaliteit</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>7.</li.nr><al>De houder heeft een opleidingsplan en een personeelsplan vastgesteld die van toepassing zijn op het jaar waarvoor subsidie is verleend. In het opleidingsplan zijn op basis van inzicht in de competenties en het leer- of ontwikkelpotentieel van de medewerkers en op basis van een personeelsplanning maatregelen vastgesteld voor kwalificerende opscholing, bijscholing en professionalisering on the job. In het personeelsplan is onderbouwd op welke locaties de hbo’ers, al dan niet in opleiding, of ingezet als coach, worden ingezet.</al></li><li><li.nr>8.</li.nr><al>De houder houdt met betrekking tot iedere groep waarvoor subsidie wordt verleend een functiemix in stand, waardoor wordt voldaan aan de eisen voor de ureninzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Dit kan op meerdere manieren gerealiseerd worden:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie in te zetten als pedagogisch medewerker op de groep; of,</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie als coach of video-interactiebegeleider in te zetten op meerdere groepen voor gemiddeld vier uur per groep per week.</al></li></lijst></li><li><li.nr /><al>Als onderdeel van de functiemix kan de subsidie voor kwaliteit ook worden ingezet voor het faciliteren dat de pedagogisch medewerker een opleiding volgt op hbo-niveau. De pedagogisch medewerker die de hbo-opleiding volgt en nog niet heeft voltooid, voldoet niet aan de eisen voor de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Opbrengstgericht werken</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>9.</li.nr><al>Locaties waarvoor subsidie is verleend, werken continu en aantoonbaar aan de verbetering van opbrengstgericht werken. Ambities op kind-, groeps-, locatie- en organisatieniveau worden geformuleerd. Ontwikkelingsresultaten op kind- en groepsniveau worden geëvalueerd. De werkwijze en ambities worden zo nodig bijgesteld op basis van de ontwikkelingsresultaten.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Domeinen en frequentie van de observaties</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>10.</li.nr><al>In gesubsidieerde groepen zijn op individueel kindniveau op basis van de eerste observaties smart streefdoelen geformuleerd op de domeinen taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling, met het oog op de overgang naar het basisonderwijs. Op grond hiervan worden streefdoelen op groepsniveau geformuleerd. De streefdoelen op kind- en groepsniveau worden ten minste ieder kalenderjaar geëvalueerd.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet"> Observatiesysteem</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>11.</li.nr><al>Iedere groep waarvoor subsidie wordt verleend werkt met een observatiesysteem, dat zodanig is ingericht (dit zijn systeemeisen):</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>dat het de beroepskrachten inzicht kan geven in de ontwikkelresultaten van kinderen in hun voortgang en ontwikkeling, op ten minste de domeinen sociaal-emotioneel, taal, geletterdheid, motoriek en rekenen, volgens de SLO-doelen;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>dat het de locatieverantwoordelijke inzicht kan geven in de ontwikkelresultaten van kinderen in hun voortgang en ontwikkeling, op ten minste de domeinen sociaal-emotioneel, motoriek, taal, geletterdheid en rekenen, volgens de SLO-doelen.</al></li></lijst></li></lijst><al><nadruk type="vet">Frequentie van observaties</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>12.</li.nr><al>In iedere groep waarvoor subsidie is verleend: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>vindt binnen drie maanden na binnenkomst op de voorschool de eerste observatie en registratie plaats bij alle kinderen; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>vindt minimaal één tussentijdse observatie en registratie plaats bij alle kinderen, behalve bij kinderen die zijn ingestroomd na het 3e levensjaar;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>vindt bij uitstroom naar het basisonderwijs de observatie en registratie plaats bij alle kinderen op de leeftijd van 3 jaar en 9 maanden, behalve bij zorgkinderen voor wie de observatie en registratie bij voorkeur plaatsvindt op de leeftijd van 3 jaar en 6 maanden, omdat de basisschool onderzoek moet doen en hier ook tijd voor nodig heeft zoals toegelicht in het Rotterdamse overdrachtsformulier.</al></li></lijst></li></lijst><al><nadruk type="vet">Domeinen van observaties</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>13.</li.nr><al>In een groep waarvoor subsidie is verleend worden doelgroeppeuters geobserveerd en geregistreerd op ten minste de domeinen sociaal-emotioneel, taal, geletterdheid, motoriek en rekenen, volgens de SLO-doelen.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Implementatie periode van het observatiesysteem voor nieuwe ve-groepen</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>14.</li.nr><al>De houder die voor het eerst ve-subsidie ontvangt, heeft maximaal 2 jaar de tijd om te voldoen aan de subsidiecriteria voor wat betreft het gebruik van een observatiesysteem, zoals hierboven bepaald is. De houder formuleert voor wat betreft die punten een implementatieplan, welk plan ter beoordeling van het college bij de subsidieaanvraag wordt gevoegd.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Doorgaande leerlijn</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>15.</li.nr><al>De locatieverantwoordelijke kan per kindercentrum waarvoor subsidie is aangevraagd aan het college op schrift gestelde samenwerkingsafspraken met één of meerdere basisscholen overleggen. Minimaal zijn afspraken opgenomen met betrekking tot een doorgaande leerlijn en afstemming omtrent interne begeleiding en zorg. </al><al>Indien er sprake is van omstandigheden waardoor dit beperkt of niet mogelijk is, wordt dit bij de subsidieaanvraag toegelicht. Voor locaties zonder samenwerking met één of meerdere basisscholen geldt dat met een uitstroom van meer dan 5 kinderen naar één basisschool afspraken worden gemaakt over ten minste het ve-beleid en het wennen van de kinderen aan de school. Als een kinderdagverblijf onderdeel van een IKC is, moet er een samenwerkingsovereenkomst zijn.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Zorg</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>16.</li.nr><al>Ten aanzien van ieder kind dat vanuit een ve-gesubsidieerde groep naar de basisschool gaat, wordt bij de overdracht het 'Overdrachtsdocument Rotterdam VVE-PO' gebruikt. Tenzij er gebruik wordt gemaakt van de gegevens uit het kindvolgsysteem. Het gedeelte over zorg wordt dan wel toegevoegd aan de gegevens uit het kindvolgsysteem. Indien het kind zorg behoeft, is er altijd sprake van een mondelinge, persoonlijke of telefonische overdracht van kindgegevens, voor zover de basisschool daaraan meewerkt.</al></li><li><li.nr>17.</li.nr><al>Bij locaties waar een zorgteam aanwezig is, worden de Intern Begeleider en andere externen uitgenodigd die betrokken zijn rondom de zorg en overdracht van het kind.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Gegevenslevering en subsidieaanvraag</nadruk></al><al /><lijst><li><li.nr>18.</li.nr><al>Houders die subsidie ontvangen werken mee aan het leveren van observatie-, toets- en andere onderzoeksgegevens met betrekking tot kinderen, ten einde te komen tot geanonimiseerde inzichten over de ontwikkelings- en leerresultaten die met de kinderen worden bereikt, indien gewenst op locatie-, instellings- en gebiedsniveau.</al></li><li><li.nr>19.</li.nr><al>Houders die subsidie ontvangen werken mee aan onderzoek of informatieverzameling anderszins m.b.t. de plaatsing van kinderen, de wachtlijsten en de kwaliteit van de uitvoering van ve.</al></li><li><li.nr>20.</li.nr><al>Houders die subsidie aanvragen specificeren in hun subsidie aanvraag hoe en aan welke aanzetten tot kwaliteitsontwikkeling, zoals omschreven in de notitie 'Rotterdamse kwaliteit in voorschoolse voorzieningen. Kwaliteitskader voorschoolse educatie', zij bovendien uitvoering geven.</al></li><li><li.nr>21.</li.nr><al>Houders die subsidie aanvragen verklaren in de aanvraag te voldoen of te kunnen voldoen aan bovenstaande kwaliteitscriteria. Houders lichten in hun aanvraag de kwaliteitscriteria toe, waaraan zij niet of niet volledig kunnen voldoen.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Procedure voor bepaling van de indicatie Gelijke kansen, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><al /><al><nadruk type="vet">De doelgroep Gelijke kansen</nadruk></al><al>Uit recent onderzoek blijkt dat armoede en schuldenproblematiek in een gezin eveneens belangrijke risicofactoren zijn die de ontwikkeling van jonge kinderen negatief kunnen beïnvloeden. De definitie van de doelgroep voor voorschoolse educatie is daarom met ingang van 2020 uitgebreid met de indicatie Gelijke kansen voor peuters in gezinnen die gebruik maken van een vorm van schuldregelen op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen. In Rotterdam betreft dit naar schatting 500 peuters. De ouders van doelgroeppeuters met de indicatie Gelijke kansen betalen geen ouderbijdrage voor deelname aan de voorschoolse educatie. </al><al /><al><nadruk type="vet">Intakegesprek </nadruk></al><al>In het intakegesprek met ouders kan worden meegenomen dat de doelgroep definitie is uitgebreid met de indicatie Gelijke kansen voor peuters in gezinnen die gebruik maken van een vorm van schuldregelen op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, hierna te noemen Wgs, of de Wet schuldsanering natuurlijke personen, hierna te noemen Wsnp. </al><al /><al><nadruk type="vet">Check</nadruk></al><al>Om te kijken of een ouder recht heeft op een indicatie op basis van de Wgs of Wsnp leveren ouders hier het bewijs voor aan. De check kan als volgt worden gedaan: </al><al /><al><nadruk type="vet">Wsnp</nadruk></al><al>Online kan worden gekeken of een persoon onder de Wsnp valt. Zie website: <extref doc="https://insolventies.rechtspraak.nl/#!/zoeken/index"><nadruk type="ondlijn">https://insolventies.rechtspraak.nl/#!/zoeken/index</nadruk></extref></al><al>Bij zoeken op natuurlijke persoon kan de achternaam en de geboortedatum ingevuld worden. Hierna, klik op de zoekknop. </al><al /><al><nadruk type="vet">Wgs</nadruk></al><al>Informatie of iemand is toegelaten bij de gemeente tot schuldhulpverlening in het kader van de Wgs is te achterhalen bij de betrokkene zelf. De ouder moet dan een beschikking laten zien van de afdeling Geldplein van de gemeente Rotterdam. Hier moet uit blijken dat er een vorm van schuldregelen uitgevoerd door Geldplein.</al><al /><al><nadruk type="vet">Vastleggen van gegevens in de administratie van de houder over de doelgroep. </nadruk></al><al>De houder stelt vast dat de ouder de benodigde informatie heeft overgelegd en registreert in het administratiesysteem uitsluitend dat de peuter tot de doelgroep Gelijke kansen behoort. </al><al /></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Procedure voor bepaling van de hoogte van tot 110 % dan wel tussen 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum, als bedoeld in artikel 16, zevende lid, en voor de bepaling van hoogte van de ouderbijdrage, als bedoeld in artikel 16, tiende lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><al /><al>A</al><al>De houder toetst volgens de procedure bedoeld in bijlage 2 van deze subsidieregeling bij de intake of de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, hierna te noemen Wgs; of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de Wet schuldsanering natuurlijke personen, hierna te noemen Wsnp.</al></li></lijst><al>De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang <nadruk type="vet">geen ouderbijdrage</nadruk> in rekening bij de ouder die aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wgs respectievelijk de Wsnp. De houder registreert in dit geval in het administratiesysteem dat de peuter tot de doelgroep Gelijke kansen behoort.</al><al /><al>B</al><al>De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang een ouderbijdrage in rekening bij de ouder.</al><al>De houder toetst bij de intake of de ouder recht heeft op kinderopvangtoeslag.</al><al>Bij ouders die bevestigen dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag:</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>factureert de houder de bruto kosten voor het aantal in rekening gebrachte uren voor het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang aan de ouder. De uurprijs voor deze uren is het maximum uurtarief voor de kinderdagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Bij ouders die bevestigen dat zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag bepaalt de houder de inkomensafhankelijke ouderbijdrage op basis van de volgende gegevens:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het verzamelinkomen, waaronder wordt verstaan het totaal van het inkomen uit werk en woning uit box 1, het inkomen uit aanmerkelijk belang uit box 2 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen uit box 3 van de beide ouders dan wel verzorgers van het kind;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het aantal uren deelname aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma kinderdagopvang;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het toepasselijke uurtarief volgens de tabel ouderbijdragen, bedoeld in bijlage 4 behorend bij deze subsidieregeling.</al></li></lijst></li></lijst><al>De procedure voor de houder om het verzamelinkomen te bepalen van de ouder die bevestigt geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag is als volgt.</al><al /><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De houder verzoekt aan de ouder gegevens te verstrekken over de hoogte van het verzamelinkomen op basis van:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de meest recente aanslag inkomstenbelasting;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>indien de meest recente aanslag inkomstenbelasting niet kan worden overgelegd, een inkomensverklaring afgegeven door de Belastingdienst over het meest recente jaar, waarbij geldt dat als er twee ouders dan wel verzorgers zijn, voor beiden een inkomensverklaring van de Belastingdienst wordt overgelegd;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een op jaarbasis bruto gekapitaliseerde uitkeringsspecificatie die op de datum van het opmaken van het contract voor plaatsing niet ouder is dan twee maanden indien sprake is van een recente inkomensdaling waardoor de inkomsten lager zijn dan zou blijken uit de aanslag inkomstenbelasting of een inkomensverklaring afgegeven door de Belastingdienst omdat deze gebaseerd zijn op het inkomen in t-2.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het verzamelinkomen wordt eenmalig bepaald bij het aangaan van het contract voor plaatsing voor de gehele contractperiode en wordt alleen herzien bij een nieuwe plaatsing van een kind uit het gezin, tenzij er aanleiding is het contract te herzien omdat het verzamelinkomen van de ouder onder de 110% ligt of zou kunnen liggen. Voor contracten van kinderen die onder de eerdere 130% regeling vielen is dit niet van toepassing. Binnen NPRZ-gebied geldt dit alleen op de nieuwe aanmeldingen, contracten van zittende kinderen worden niet opnieuw herzien.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>De documenten die de ouder aan de houder ter inzage geeft voor het bepalen van de hoogte van het verzamelinkomen worden niet door de houder bewaard.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>In het contract dat de houder met de ouder sluit voor deelname aan het ve-programma wordt in ieder geval overeengekomen:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>dat de gegevens over het verzamelinkomen naar waarheid zijn verstrekt;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>dat maar eenmaal gebruik wordt gemaakt van gratis uren voor doelgroeppeuters, voor zover dat op de ouder van toepassing is.</al></li></lijst></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Indien de ouders geen inkomensgegevens overleggen aan de houder, gaat de houder voor de bepaling van de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage uit van het hoogste verzamelinkomen, bedoeld in de kinderopvangtoeslagtabel.</al></li></lijst><al>C</al><al>De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder woonachtig in Rotterdam als de peuter de doelgroepindicatie Extra spelen en leren heeft en gebruik maakt van ve op een locatie in Rotterdam en de ouder een verzamelinkomen heeft tot 110% van het wettelijk sociaal minimum</al><al /><al>De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder woonachtig in het gebied Charlois, Feijenoord of IJsselmonde als de peuter de doelgroepindicatie Extra spelen en leren heeft en gebruik maakt van ve op een locatie in het gebied Charlois, Feijenoord of IJsselmonde en de ouder een inkomen heeft tussen de 110 en 130% van het wettelijk sociaal minimum.</al><al /><al>Of het verzamelinkomen lager is dan 110% dan wel ligt tussen de 110 en 130% van het wettelijk sociaal minimum wordt als volgt door de houder bepaald:</al><al /><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>op basis van het bruto-jaarinkomen volgens de ouderbijdragetabel ve 2027, bedoeld in bijlage 4:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>voor een alleenstaande ouder wordt het maximaal bruto jaarinkomen nader bepaald op basis van gegevens over het wettelijk sociaal minimum zoals vastgesteld in de dan geldende Normenbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarna bekend gemaakt aan de houder;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>voor gehuwde dan wel samenwonende ouders wordt het maximaal bruto jaarinkomen nader bepaald op basis van gegevens over het wettelijk sociaal minimum zoals vastgesteld in de dan geldende Normenbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarna bekend gemaakt aan de houder;</al></li></lijst></li></lijst><al>D</al><al>De houder kan de peuter uit het ve-programma uitschrijven conform de incassoprocedure van de houder als de ouder de ouderbijdrage niet betaalt. Een peuter wordt uitgeschreven bij een betalingsachterstand van maximaal drie maanden, tenzij er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 16, elfde lid. Uitschrijving van de peuter laat onverlet dat de ouder de niet betaalde ouderbijdrage verschuldigd blijft.</al><al /></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>4</nr><titel>Rekenmethode ouderbijdragen voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 16, tiende lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><al /><al>De houder berekent de inkomensafhankelijke ouderbijdragen per uur eerste kind en volgend kind voor het kalenderjaar 2027 op basis van de volgende rekenmethode: </al><al><nadruk type="cur">Stap 1: (vergoedingspercentage / 100) * maximum uurprijs 2027 = A; </nadruk></al><al><nadruk type="cur">Stap 2: maximum uurprijs 2027 - A = ouderbijdrage 2027 (afgerond op 2 decimalen).</nadruk></al><al>Onder vergoedingspercentage wordt verstaan het vergoedingspercentage, als bedoeld in Bijlage I behorende bij artikel 6 van het Besluit kinderopvangtoeslag, voor het kalenderjaar 2027. Onder maximum uurprijs wordt verstaan de maximum uurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, en artikel 5 van het Besluit kinderopvangtoeslag, voor het kalenderjaar 2027. </al><al /></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>5</nr><titel>Accountantscontrole, als bedoeld in artikel 23 van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><al /><al>Voor de subsidieverantwoording gelden de voorwaarden, bedoeld in de Subsidieverordening Rotterdam 2014 en het bijbehorende Subsidieprotocol, in de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027 en in de verleningsbeschikking.</al><al /><al>Bij de aanvraag van de subsidie heeft de houder in het Excel-aanvraagformulier prognoses gegeven voor de uit te voeren activiteiten. Bij de verantwoording vermeldt de houder in het Excel-verantwoordingsformulier de werkelijke realisatie van de uitgevoerde activiteiten.</al><al /><al>Bij <nadruk type="ondlijn">verleende</nadruk> subsidiebedragen vanaf € 50.000,00 overlegt de houder bij het Excel-verantwoordingsformulier een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant. Het assurance-rapport is met beperkte of redelijke mate van zekerheid afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag. De accountant waarmerkt het Excel-verantwoordingsformulier.</al><al /><al>In overleg met houders is per onderwerp van de verantwoording dat door de accountant wordt gecontroleerd een toelichting en een werkwijze voor de accountant opgesteld. De onderwerpen voor verantwoording zijn voor peuteropvang en kinderdagopvang niet altijd gelijk. Het Excel-verantwoordingsformulier vermeldt of er sprake is van peuteropvang, hierna te noemen POV, of kinderdagopvang, hierna te noemen KDV. Onderstaand schema vermeldt per onderwerp of de accountantscontrole geldt voor POV, KDV of voor beide categorieën.</al><al /><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA" /><colspec colname="colB" /><tbody><row><entry /><entry><al><nadruk type="vet">TOELICHTING VOOR DE ACCOUNTANT</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">1a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder die ve uitvoert met subsidie van het college van de gemeente Rotterdam registreert van elke peuter die gebruik maakt van de ve: naam, geboortedatum, adres, woonplaats, aanmeldingsdatum, eerste bezoekdatum, laatste bezoekdatum en, indien van toepassing, of het een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren of met de indicatie Gelijke kansen betreft of een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maakt van de 110% dan wel 130%-regeling.</al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">1b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert of de registratie aanwezig is bij de houder.</al></entry></row><row><entry /><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">2a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal peuters aan wie gedurende de subsidieperiode in twee telweken voorschoolse educatie is aangeboden. Voor de verantwoording over het kalenderjaar 2027 gelden de volgende twee telweken:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de week van 5 april tot en met 9 april 2027</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de week van 4 oktober tot en met 8 oktober 2027</al></li></lijst><al>Er wordt onderscheid gemaakt tussen niet-doelgroeppeuters, doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren, dan wel met de indicatie Gelijke kansen en doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 110% dan wel 130%-regeling.</al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">2b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert of de aantallen peuters zoals opgenomen in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomen met de aantallen ingeschreven peuters in de administratie van de houder en of voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren dan wel met de Gelijke kansen en voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 110% dan wel 130%-regeling, de doelgroepindicatie aanwezig is.</al></entry></row><row><entry /><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">3a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal weken dat de ve gedurende de subsidieperiode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027 is aangeboden.</al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">3b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert of het aantal weken dat ve is aangeboden zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier juist is.</al></entry></row><row><entry /><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">4a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal peuters aan wie gedurende de subsidieperiode ve is aangeboden en van wie de ouders hebben bevestigd geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag. Deze ouders betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor het ve-programma peuteropvang of voor het ve-programma dagopvang. </al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">4b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert of voor peuters van wie de ouders hebben bevestigd geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag een inkomensafhankelijke ouderbijdrage is gefactureerd aan de ouders.</al></entry></row><row><entry /><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">5a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Alleen voor POV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier de gefactureerde en de geïnde ouderbijdragen voor het ve-programma peuteropvang over het kalenderjaar 2027 en over de voorgaande subsidieperiode voor zover niet opgenomen in de verantwoording over 2026. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ouderbijdragen van ouders met recht op kinderopvangtoeslag en ouderbijdragen van ouders die hebben bevestigd dat zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.</al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">5b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor POV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert of de totalen van de gefactureerde en de geïnde ouderbijdragen zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomen met de administratie van de houder.</al></entry></row><row><entry /><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">6a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Alleen voor KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier <nadruk type="ondlijn">voor het kalenderjaar 2027</nadruk>:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat geen gebruik maakt van de 130%-regeling en aan aan wie gratis uren zijn aangeboden;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het aantal doelgroeppeuters met indicatie Gelijke kansen aan wie gratis uren zijn aangeboden;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters, bedoeld in de onderdelen a en b;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 130%-regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters, bedoeld in onderdeel d;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 110%-regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters, bedoeld bij onderdeel f.</al></li></lijst></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">6b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>of het aantal doelgroeppeuters aan wie gratis uren zijn aangeboden zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>of voor doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren aan wie gratis uren zijn aangeboden de CJG-doelgroepindicatie aanwezig en geregistreerd is in de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>of voor doelgroeppeuters met indicatie Gelijke kansen aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>of voor doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 130%-regeling aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>of voor doelgroeppeuters met indicatie Spelen en leren die gebruik maken van de 110% regeling aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>of het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met de administratie van de houder.</al></li></lijst></entry></row><row><entry /><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">7a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Alleen voor KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier <nadruk type="ondlijn">voor het kalenderjaar 2027</nadruk>:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het aantal gefactureerde uren waarvoor subsidie wordt gevraagd voor het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur van ouders die bevestigd hebben geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd voor het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdragen van ouders die bevestigd hebben geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag.</al></li></lijst></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">7b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor KDV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>of het aantal gefactureerde uren waarvoor subsidie wordt gevraagd zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met het aantal uren dat aan ouders is gefactureerd;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>of het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de gefactureerde inkomensafhankelijke ouderbijdragen.</al></li></lijst></entry></row><row><entry><al /></entry><entry><al /></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">8a</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Onderwerp verantwoording. Alleen voor POV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier <nadruk type="ondlijn">voor het kalenderjaar 2027</nadruk>:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 110% regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 130%-regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters onder a.</al></li></lijst></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">8b</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor POV.</nadruk></al></entry></row><row><entry /><entry><al>De accountant controleert:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>of doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 110% regeling zijn geregistreerd in de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>of doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 130%-regeling zijn geregistreerd in de administratie van de houder;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het aantal gratis uren dat is aangeboden aan deze doelgroeppeuters.</al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table><al /></bijlage><nota-toelichting><kop><label /><nr /><titel>Toelichting bij de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2027</titel></kop><al><nadruk type="vet">Algemeen</nadruk></al><al /><al>Het college heeft in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid een wettelijke taak met betrekking tot voorschoolse educatie. Voor het uitvoeren van deze wettelijke taak ontvangt het college jaarlijks middelen van het rijk. Deze subsidieregeling is het instrument van het college om die middelen beschikbaar te stellen voor de uitvoering van voorschoolse educatie.</al><al /><al>In grote lijnen behelst deze wettelijke taak dat het college zorgt voor voldoende plaatsen voor voorschoolse educatie in aantal en spreiding over de stad voor alle peuters met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal. De voorschoolse educatie moet voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.</al><al /><al>Met houders en schoolbesturen zijn afspraken gemaakt voor de verdere verhoging van de kwaliteit van de voorschoolse educatie in het <nadruk type="cur">Kwaliteitskader voorschoolse educatie 2022, Rotterdamse kwaliteit in voorschoolse voorzieningen</nadruk>. Alle Rotterdamse kindercentra met voorschoolse educatie hebben dezelfde hoge Rotterdamse kwaliteit en alle Rotterdamse peuters kunnen daar gebruik van maken, ongeacht hun achtergrond wat betreft doelgroep/niet-doelgroep of het hebben van wel/niet werkende ouders. Deze afspraken blijven onverminderd van kracht.</al><al /><al>Voorschoolse educatie is een speerpunt van het Nieuw Rotterdamse Onderwijsbeleid voor de periode 2024-2027. Een belangrijk onderdeel van het beleid is het vergroten van het bereik onder twee- en driejarige doelgroeppeuters. Dat betekent dat de driejarige doelgroeppeuters die niet zijn bereikt met voorschoolse educatie waarschijnlijk met een achterstand aan de basisschool zijn begonnen. Om het bereik te vergroten en drempels voor ouders weg te nemen om kinderen te laten deelnemen aan de voorschoolse educatie zijn er een aantal maatregelen toegevoegd sinds 2024 en 2026. Ouders van Rotterdamse doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren met een verzamelinkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum, hoeven geen ouderbijdrage aan de houder te betalen voor ve in Rotterdam. In de gebieden Charlois, Feijenoord en IJsselmonde de ve gratis voor de ouders van doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren, met een verzamelinkomen tussen de 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum, die in deze gebieden wonen en gebruik maken van een door het college gesubsidieerde ve-locatie in deze gebieden. Deze maatregelen beogen financiële drempels voor deelname aan ve voor de ouders van doelgroeppeuters weg te nemen en dragen daarmee bij aan het verbeteren van het bereik van doelgroeppeuters. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikelsgewijs</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 1 Begripsbepalingen</nadruk></al><al>In dit artikel zijn de begrippen omschreven die in de subsidieregeling worden gehanteerd. </al><al /><al><nadruk type="cur">Indicatie Extra spelen en leren</nadruk></al><al>De indicatie Extra spelen en leren wordt afgegeven door het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) binnen de gemeente Rotterdam. Deze doelgroep-indicatie is als volgt bepaald:</al><al /><al>Als een kind is verschenen op consult bij 14 dan wel 24 maanden bij het CJG dan wordt het risico op een taal- dan wel ontwikkelingsachterstand geïndiceerd. Een indicatie wordt afgegeven als:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het opleidingsniveau van de ouder die met de dagelijkse zorg is belast mbo-1 niveau of lager is; of,</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de thuistaal niet Nederlands is en de ouder die met de dagelijkse zorg is belast een opleidingsniveau heeft van maximaal mbo-4 niveau; of,</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>uit de onderbouwde observatiegegevens van het CJG blijkt dat het kind baat heeft bij de indicatie vanwege een ontwikkelingsachterstand.</al></li></lijst><al>Wanneer de houder op basis van observatiegegevens constateert dat er zorgen zijn over de taalontwikkeling of sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind, dan kan de houder via de ouder van het kind de doelgroep-indicatie Extra spelen en leren aanvragen bij het CJG. Dit verloopt via een speciaal indicatieformulier Extra spelen en leren, dat de houder verstrekt aan de ouder. Een kind dat gebruik maakt van de plusopvang ontvangt automatisch de indicatie Extra spelen en leren van het CJG.</al><al /><al><nadruk type="cur">Indicatie Gelijke kansen</nadruk></al><al>De indicatie Gelijke kansen wordt afgegeven door de houder als de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen. De procedure voor de werkwijze van de houder is opgenomen in bijlage 2.</al><al /><al><nadruk type="cur">Ve-programma peuteropvang</nadruk></al><al>Het college is wettelijk verplicht om een aanbod voor doelgroeppeuters te realiseren zodanig dat zij in de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar 960 uur gebruik kunnen maken van ve. Het ve-programma peuteropvang wordt 16 uur per week gedurende 40 weken per kalenderjaar aangeboden. In de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar kan een doelgroeppeuter 60 weken maal 16 uur, in totaal 960 uur, gebruik maken van ve.</al><al /><al><nadruk type="cur">Ve-programma dagopvang</nadruk></al><al>Voorschoolse educatie wordt ook uitgevoerd in kinderdagverblijven. De kinderdagopvang kent een openstelling van 50 uur of meer per week gedurende 52 weken per kalenderjaar. Het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur voor doelgroeppeuters in de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar wordt dus verdeeld over 78 weken. Omdat het ve-programma dagopvang wordt verdeeld over een groter aantal weken dan het ve-programma peuteropvang is het aantal gesubsidieerde uren ve in het ve-programma dagopvang lager dan in het ve-programma peuteropvang, namelijk 12 uur en 18 minuten per week. Een niet-doelgroeppeuter, die recht heeft op de helft van het aanbod van een doelgroeppeuter, kan dus gebruik maken van 6 uur en 9 minuten gesubsidieerde ve per week. De 18 minuten voor een doelgroeppeuter en de 9 minuten voor een niet-doelgroeppeuter kunnen in de dagelijkse praktijk moeilijk te verwezenlijken zijn. De houder kan hier pragmatisch mee omgaan, zolang de totale omvang van het ve-programma dagopvang voor doelgroeppeuters voldoet aan de wettelijke eis van 960 uur in de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar. Voor peutergroepen in de kinderdagopvang kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd volgens de regels die gelden voor het ve-programma dagopvang en niet volgens de regels die gelden voor het ve-programma peuteropvang.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 3 Activiteiten</nadruk></al><al>In dit artikel wordt bepaald welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen. Het gaat om het uitvoeren van een programma voor voorschoolse educatie in de peuteropvang en in de kinderdagopvang dat voldoet aan de Rotterdamse kwaliteitseisen.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 4 Doelgroep</nadruk></al><al>In dit artikel wordt bepaald wie in aanmerking komt voor de subsidie. De subsidie kan alleen worden toegekend aan houders van kindercentra die geregistreerd zijn in het Landelijk register kinderopvang (Lrk) binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen</nadruk></al><al>In dit artikel wordt bepaald welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kosten voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang en kosten voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang.</al><al /><al><nadruk type="cur">Kosten voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang</nadruk></al><al>Het ve-programma peuteropvang wordt uitgevoerd in een groep gedurende 16 uur per week en 40 weken per kalenderjaar overeenkomstig de weken waarin basisscholen zijn geopend. In afwijkende gevallen waarin het kalenderjaar 39 of 41 openingsweken telt, wordt voor de subsidieverlening gerekend met 40 openingsweken. De groep is uitsluitend geopend voor de uitvoering van voorschoolse educatie. Voor deze groep komen de volgende kosten in aanmerking voor subsidie: de exploitatiekosten, de kapitaal- en onderhoudslasten van de locatie waar de groep is gehuisvest, de kosten voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en de kosten voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie.</al><al /><al><nadruk type="cur">Kosten voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang</nadruk></al><al>Het ve-programma dagopvang wordt uitgevoerd in een kinderdagverblijf dat 50 uur of meer per week en 50, 51 of 52 weken per kalenderjaar is geopend. Gedurende de week wordt tijdens een deel van de opvanguren het ve-programma dagopvang uitgevoerd. Voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang komen de volgende kosten in aanmerking voor subsidie: de kosten voor het coördineren en uitvoeren van het ve-programma dagopvang, de kosten voor de uren voorschoolse educatie van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, de kosten voor de gratis uren van doelgroeppeuters, de kosten voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en de kosten voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie.</al><al /><al><nadruk type="cur">Kosten voor de uitvoering van de accountantscontrole </nadruk></al><al>In dit artikel wordt uitgelegd welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. De bedoelde accountantskosten in dit artikel maken deel uit van het totaal verleende bedrag. Er worden geen extra middelen beschikbaar gesteld.</al><al /><al><nadruk type="cur">Peuters met een sociaal-medische indicatie (SMI)</nadruk></al><al>Op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018 is de voorschoolse educatie een voorliggende voorziening voor peuters met een sociaal-medische indicatie. De deelname van deze peuters aan het ve-programma dagopvang komt dan ook voor subsidie in aanmerking volgens de regels van deze subsidieregeling. Om dubbele financiering uit te sluiten mag de houder de kosten van deelname van deze peuters aan de voorschoolse educatie die worden gesubsidieerd door deze subsidieregeling niet ook ten laste brengen van subsidie op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018. De subsidie op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018 kan wel als aanvulling worden ingezet op de subsidie van de Subsidieregeling voorschoolse educatie 2026, maar mag daarmee niet overlappen.</al><al /><al><nadruk type="cur">Implementatiesubsidie</nadruk></al><al>De houder die voor een kindercentrum voor het eerst subsidie aanvraagt voor de uitvoering van voorschoolse educatie komt in aanmerking voor subsidie voor de eenmalige kosten van implementatie. Deze kosten kunnen betrekking hebben op: aanschaf ve-programma, aanschaf ve-materialen, training ve-programma voor pedagogisch medewerkers, aanschaf ve-observatiesysteem, training werken met ve-observatiesysteem voor pedagogisch medewerkers, aanpassing pedagogisch beleid.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 6 Hoogte van de subsidie</nadruk></al><al>In dit artikel wordt de hoogte van de subsidie bepaald. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de hoogte van de subsidie voor de kosten voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang en de hoogte van de subsidie voor de kosten voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang.</al><al /><al><nadruk type="cur">Subsidie voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang</nadruk></al><al>De subsidie wordt verleend per groep per kalenderjaar voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang in een groep waarin minimaal 12 en maximaal 16 peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn gedurende 16 uur per week en 40 weken per kalenderjaar. In verband met een efficiënte besteding van middelen wordt voor peuteropvanggroepen met een capaciteit van minder dan 12 peuters bij aanvraag van de subsidie in overleg met de houder bezien of er een oplossing kan worden gevonden. De subsidie voor deze peuteropvanggroep bedraagt op kalenderjaarbasis maximaal €107.739. Dit bedrag is in beginsel voldoende om de exploitatielasten (personeel, huisvesting, materialen, activiteiten en overhead) van de peuteropvanggroep te dekken. Als een groep in de peuteropvang per 1 januari 2027 het voorschoolse programma (nog) niet 16 uur per week kan uitvoeren, maar het voorschoolse programma 12 uur per week uitvoert dan bedraagt de subsidie voor de exploitatielasten maximaal € 79.563. In beide gevallen wordt de subsidie voor de exploitatielasten aangevuld met een subsidie van maximaal € 11.328 per groep per kalenderjaar voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. Voor een groep waarin maximaal 8 peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn en waarin het ve-programma wordt uitgevoerd door één pedagogisch medewerker bedraagt de totale subsidie voor de exploitatielasten en voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie € 79.773.</al><al /><al>De houder ontvangt van de ouders een ouderbijdrage voor deelname aan de voorschoolse educatie. De inkomsten van de houder uit ouderbijdragen worden verrekend met de subsidie zodanig dat het totaal van de subsidie en de ouderbijdragen uitkomt op € 119.067. Dit bedrag is de optelsom van € 107.739 voor de exploitatielasten en € 11.328 voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. In de praktijk werkt de verrekening als volgt. De houder geeft bij de subsidieaanvraag een prognose voor de inkomsten uit ouderbijdragen. Dit betreft zowel de ouderbijdragen van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag als de ouderbijdragen van ouders met recht op kinderopvangtoeslag. Stel: de houder geeft bij de subsidieaanvraag een prognose voor inkomsten uit ouderbijdragen van € 20.000. Bij verlening van de subsidie worden deze inkomsten uit ouderbijdragen verrekend met de subsidie. De verleende subsidie bedraagt dan € 99.067, want dit bedrag samen met de ouderbijdragen van € 20.000 komt uit op € 119.067.</al><al /><al>De houder die het ve-programma peuteropvang uitvoert in een schoolgebouw ontvangt aanvullend subsidie voor huisvestingslasten. Als het schoolgebouw is opgenomen in de Collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen dan ontvangt de houder € 625 subsidie voor de kosten van de onderhoudslasten. Als het schoolgebouw niet is opgenomen in de Collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen dan ontvangt de houder € 2.500 subsidie voor de kosten van de kapitaal- en onderhoudslasten.</al><al /><al><nadruk type="cur">Subsidie voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang</nadruk></al><al>De subsidie voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang in de kinderdagopvang bestaat uit vier onderdelen:</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een subsidie van € 477 per peuter per kalenderjaar voor de kosten van coördinatie, materialen, activiteiten en trainingen gerelateerd aan de uitvoering van het ve-programma dagopvang.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Een subsidie van € 954 per peuter per kalenderjaar voor de kosten van het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en voor de kosten van de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. Op deze subsidie is een staffel van toepassing.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Een subsidie voor het verschil tussen het maximum uurtarief van de kinderdagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Een subsidie per uur volgens het maximum uurtarief van de kinderdagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag voor de gratis uren voor doelgroeppeuters.</al></li></lijst><al>Bij de subsidieaanvraag geeft de houder voor de subsidies genoemd onder 1 en 2 een prognose voor het gemiddelde aantal peuters dat in een week is ingeschreven voor het ve-programma dagopvang. Het gemiddeld aantal peuters maal de bedragen onder 1 en 2, rekening houdend met de staffel, is bepalend voor de hoogte van de subsidie. Voor de subsidie genoemd onder 3 geeft de houder bij de subsidieaanvraag een prognose voor het aantal peuters en het aantal uren die in de subsidieperiode voor deze subsidie in aanmerking komen en een prognose van de hoogte van dat subsidiebedrag. Voor de subsidie genoemd onder 4 geeft de houder bij de subsidieaanvraag een prognose van het totale aantal doelgroeppeuters en het totale aantal gratis uren dat in de subsidieperiode zal worden uitgevoerd. De hoogte van de subsidie voor onderdeel 4 wordt bepaald door het aantal gratis uren te vermenigvuldigen met het maximale fiscale uurtarief volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag.</al><al /><al><nadruk type="cur">Implementatiesubsidie</nadruk></al><al>De houder kan een éénmalige subsidie van maximaal € 5.000 aanvragen voor implementatie van de voorschoolse educatie in een kindercentrum waarvoor voor het eerst subsidie wordt aangevraagd. Hiervoor verstrekt de houder bij de subsidieaanvraag een implementatieplan en een onderbouwing van de geraamde kosten voor de implementatie.</al><al /><al><nadruk type="cur">Indexatie </nadruk></al><al>In artikel 6, zesde lid is de bevoegdheid van het college opgenomen om de bedragen, genoemd in artikel 6 te indexeren. In het geval het college daartoe besluit, vindt de indexatie plaats volgens de systematiek van artikel 5 van het Besluit kinderopvangtoeslag. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 7 Subsidieplafond</nadruk></al><al>Het subsidieplafond is inclusief een inschatting van de hoogte van de inkomsten uit ouderbijdragen. De inschatting is gemaakt op basis van de ervaringen in de afgelopen jaren. Als het totaal van deze ouderbijdragen hoger uitvalt dan vooraf ingeschat dan wordt de extra subsidieruimte ingezet voor nieuwe groepen of verdere verbetering van de kwaliteit van de voorschoolse educatie. Als het totaal van de ouderbijdragen lager uitvalt dan de inschatting stijgen de subsidie uitgaven.</al><al>Voor de bekostiging van de maatregel om de ve gratis te maken voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren met ouders met een inkomen tot 130% van het wettelijk sociaal minimum woonachtig in NPRZ-gebied die gebruik maken van ve in NPRZ-gebied is door het Rijk een specifieke uitkering beschikbaar gesteld. De middelen uit deze specifieke uitkering voor 2027 zijn toegevoegd aan het subsidieplafond.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 8 Wijze van verdeling</nadruk></al><al>Om de continuïteit in de uitvoering van de voorschoolse educatie te waarborgen komen groepen waarvoor in het voorgaande kalenderjaar subsidie is verleend als eerste in aanmerking voor subsidie. Daarna komen bestaande niet-gesubsidieerde groepen in een kindercentrum met een wachtlijst voor doelgroeppeuters in aanmerking voor subsidie, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna de kindercentra in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst. Vervolgens komen nieuw te starten niet-gesubsidieerde groepen in een kindercentrum met een wachtlijst voor doelgroeppeuters in aanmerking voor subsidie, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna de kindercentra in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst. Ten slotte komen niet-gesubsidieerde groepen in aanmerking voor subsidie, waarbij bestaande groepen voorrang hebben op nieuw te starten groepen. Voor de lengte en de samenstelling van de wachtlijst zijn de gegevens van de rapportage van de houders aan het college via het webportaal van Roseman Labs per 1 oktober 2026 bepalend.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 9 Aanvraag</nadruk></al><al>Nadat de subsidieregeling is vastgesteld door het college ontvangen houders met een kindercentrum in de gemeente Rotterdam informatie over de subsidieregeling, een informatiebrochure over voorschoolse educatie en informatie over de procedure voor het aanvragen van deze subsidie. Voor de subsidieaanvraag worden digitale aanvraagformulieren ter beschikking gesteld. De subsidieaanvraag bestaat uit een PDF-aanvraagformulier en een Excel-aanvraagformulier.</al><al /><al>In het PDF-aanvraagformulier geeft de houder aan of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. Als dat niet het geval is, geeft de houder aan hoe en wanneer wel aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In dat geval kunnen maatwerkafspraken worden gemaakt met de houder over de wijze waarop en de periode waarbinnen de houder zal gaan voldoen aan de subsidievoorwaarden.</al><al /><al>In het Excel-formulier geeft de houder aan voor welke locaties en groepen subsidie wordt aangevraagd. De houder vermeldt daarbij de prognoses voor de van toepassing zijnde subsidieonderdelen voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang.</al><al /><al>Houders die voor een kindercentrum voor het eerst subsidie aanvragen voegen bij de aanvraag bovendien een specificatie van de urenstructuur voor de uitvoering van het ve-programma, een implementatieplan voor voorschoolse educatie en een observatiesysteem, een opgave van de implementatiekosten met onderbouwing en het pedagogisch beleidsplan.</al><al /><al>Houders met wie de gemeente Rotterdam al een subsidierelatie heeft voor voorschoolse educatie ontvangen automatisch de aanvraagformulieren. Houders die voor het eerst subsidie willen aanvragen kunnen hiervoor contact opnemen met de gemeente. De contactgegevens van de gemeente zijn vermeld in de informatiebrochure. De subsidieaanvraag moet uiterlijk op 30 september 2026 digitaal via het webportaal van de gemeente Rotterdam zijn ingediend.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 11 Aanvullende weigeringsgronden</nadruk></al><al>De hoogte van de subsidie per groep is gebaseerd op groepen met 12 tot en met 16 peuters. In verband met een efficiënte besteding van gemeenschapsmiddelen wordt er geen subsidie voor een groep verleend als bij aanvraag in die groep minder dan vijf peuters gebruik maken van de voorschoolse educatie. </al><al /><al>Voor alle nieuw te starten locaties en/of groepen geldt dat de gemeente eerst zal onderzoeken of er noodzaak is in de respectievelijke wijk een locatie en/of groep wordt geopend. Dit wordt berekend op basis van het aantal doelgroepkinderen Extra Spelen en Leren en het aantal ve-plekken in de respectievelijke wijk. Wanneer deze aanbod-vraagfactor boven de 1,8 plekken komt per peuter kan de aanvraag worden afgewezen. </al><al /><al>Bij de subsidieverlening wil het college een verband leggen met het gemeentelijke toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang, zoals bepaald in de Wet kinderopvang en de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang. Dit betekent concreet dat als uit toezichtinformatie van de GGD-inspectierapporten naar voren komt dat ten tijde van de subsidieaanvraag de basiskwaliteit van de opvang in een kindercentrum niet in orde is op het domein ‘Pedagogisch klimaat’ of het domein ‘Personeel en groepen’ en handhaving heeft niet het gewenste effect, de subsidie voor voorschoolse educatie kan worden geweigerd. Voordat het college daartoe overgaat, vindt overleg plaats met de houder. De houder wordt in de gelegenheid gesteld aan te tonen welke inspanningen worden verricht om de overtredingen te herstellen. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 12 Verplichtingen</nadruk></al><al>In dit artikel staat aan welke verplichtingen de houder moet voldoen. Daarnaast moet de houder voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen, die opgenomen zijn in bijlage 1 bij deze subsidieregeling, en medewerking verlenen aan onderzoek naar de uitvoering van de Rotterdamse kwaliteitseisen, dat wordt uitgevoerd door de toezichthouder in samenspraak met de houder en met de gemeentelijke contactpersoon. De houder moet het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang uitvoeren en peuters in de gelegenheid stellen om hieraan te blijven deelnemen tot het moment waarop het kind daadwerkelijk start op de basisschool. De houder die plusopvang uitvoert, verzoekt het Centrum voor Jeugd en Gezin een kind dat gebruik maakt van plusopvang te registreren met de indicatie Extra spelen en leren als het kind daar nog niet over beschikt. Als er sprake is van een wachtlijst voor een kindercentrum dan hanteert de houder bij plaatsing van de peuters de vastgestelde voorrangsregels. Vanaf 2026 wordt gewerkt met één beeldmerk voor het ve-aanbod in Rotterdam. In de loop van 2025 heeft de houder materialen van de gemeente ontvangen om alvast met dit beeldmerk te gaan werken in al hun communicatie. Zo wil het college de ve en de aanbieder van ve nog herkenbaarder maken in de stad. Het beeldmerk dient in ieder geval, indien mogelijk, aan de buitenzijde van de locatie (zichtbaar vanaf de straat) gebruikt te worden. Vanaf 2026 is de subsidieontvanger verplicht om in diens communicatie, naast diens eigen huisstijl, ook gebruik te maken van dit beeldmerk.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 13 Aanvullende verplichtingen voor de uitvoering van het ve-programma</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 14 Urenstructuur ve-programma peuteropvang</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 15 Urenstructuur ve-programma dagopvang</nadruk></al><al /><al>In artikel 13 zijn aanvullende verplichtingen bepaald voor de uitvoering van het ve-programma. De urenstructuur voor de uitvoering van het ve-programma is bepaald in de artikelen 14 en 15 voor respectievelijk het ve-programma peuteropvang en het ve-programma dagopvang.</al><al /><al>In Rotterdam wordt voorschoolse educatie uitgevoerd voor peuters vanaf de leeftijd van 2 jaar. In 2018 werd door het Rijk een wettelijke verplichting voor gemeenten aangekondigd om aan doelgroeppeuters in de leeftijdsperiode vanaf 2 ½ tot 4 jaar een aanbod van 960 uur voorschoolse educatie te doen. Gemeente en houders hebben daarna uitvoerig overleg gevoerd op welke manier aan deze nieuwe wettelijke verplichting het beste vorm kon worden gegeven. Dit overleg heeft geleid tot afspraken die de houder voldoende flexibiliteit geven om de urenuitbreiding in te vullen binnen de beschikbare mogelijkheden. Daarnaast geven de afspraken aan de gemeente zekerheid dat de voorschoolse educatie met voldoende intensiteit per week worden uitgevoerd. Verder zijn afspraken gemaakt over het aantal uren waarvoor de ouders de ouderbijdrage betalen binnen het nieuwe stelsel.</al><al /><al>De afspraken over de vormgeving van het ve-programma, over de urenstructuur en over de uren waarvoor de ouderbijdrage geldt zijn hierna in twee tabellen weergegeven: tabel 1 voor het ve-programma peuteropvang en tabel 2 voor het ve-programma dagopvang.</al><al /><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="colA" /><colspec colname="colB" /><colspec colname="colC" /><colspec colname="colD" /><tbody><row><entry namest="colA" nameend="colD"><al><nadruk type="vet">Tabel 1 Aanbod en deelname voorschoolse educatie in het ve-programma <nadruk type="ondlijn">peuteropvang</nadruk> met ingang van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027.</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Leeftijd peuter</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">2 – 2,5 jaar</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">2,5 – 4 jaar</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Totaal</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Aantal weken</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">20 weken</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">60 weken</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">80 weken</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Aanbod voor doelgroep-peuter</nadruk></al></entry><entry><al>Aanbod en deelname van minimaal 120 en maximaal 160 uur ve</al></entry><entry><al>Wettelijk aanbod en deelname aan 960 uur ve</al></entry><entry><al>Minimaal 1.080 uur en maximaal 1.120 uur ve</al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Aanbod voor niet-doelgroep-peuter</nadruk></al></entry><entry><al>Aanbod en deelname van minimaal 120 en maximaal 160 uur ve</al></entry><entry><al>Aanbod en deelname aan 480 uur ve</al></entry><entry><al>Minimaal 600 uur en maximaal 640 uur ve</al></entry></row><row><entry namest="colA" nameend="colD"><al><nadruk type="vet">Afspraken voor structurering van het aanbod:</nadruk></al></entry></row><row><entry><al>Dagdeel ve</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Het ve-programma wordt aangeboden in dagdelen, waarbij een dagdeel ten minste 3 uren omvat (inclusief 15 minuten voor de momenten voor brengen en 15 minuten voor de momenten van halen).</al></entry></row><row><entry><al>Maximaal aantal uren ve per dag</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Het ve-programma wordt gedurende maximaal 6 uur per dag aan een peuter aangeboden. De opvanguren zonder educatief kenmerk (zoals bijvoorbeeld voor slapen en rusten) mogen niet worden gerekend tot het ve-programma.</al></entry></row><row><entry><al>Aanbod ve</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Niet-doelgroeppeuters:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>In de leeftijd van 2 tot 4 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 600 tot maximaal 640 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 80 weken.</al></li></lijst><al>Doelgroeppeuters:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>In de leeftijd van 2 tot 2,5 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 120 tot maximaal 160 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 20 weken.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Intensivering van aanbod en deelname gericht op het wettelijk verplichte aanbod ve zoals hierna vermeld, kan starten op het moment dat het kind er klaar voor is, maar start uiterlijk op de leeftijd van 2,5 jaar.</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>In de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar wordt het wettelijk verplichte aanbod en deelname aan ve van 960 uur verdeeld over 60 weken, waarbij het aanbod gedurende de week wordt verdeeld over zoveel mogelijk dagen.</al></li></lijst></entry></row><row><entry><al>Wenperiode</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>In de leeftijd van 2 jaar tot 2 jaar en 3 maanden kan afgeweken worden van de afspraken voor het aanbod ve om het kind te laten wennen aan de deelname aan het ve-programma.</al></entry></row><row><entry><al>Differentiatie naar leeftijd</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Het is toegestaan om groepen in te delen naar leeftijd (groepen van tweejarigen en groepen van driejarigen).</al></entry></row><row><entry namest="colA" nameend="colD"><al><nadruk type="vet">Ouderbijdrage</nadruk></al></entry></row><row><entry><al>Periode van 1-1-2027 t/m 31-12-2027</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>In de periode van 1-1-2027 tot en met 31-12-2027:</al><lijst><li><li.nr>d.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een niet-doelgroeppeuter in de leeftijd van 2 tot 4 jaar de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 600 en maximaal 640 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren in de leeftijd van 2 jaar tot de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 120 en maximaal 160 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren vanaf de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor 50% van dat aanbod. De andere 50% zijn gratis voor de ouder. De gratis uren voor de ouder subsidieert de gemeente aan de houder. De ouder komt alleen in aanmerking voor 50% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Extra spelen en leren deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur.</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Gelijke kansen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma. De ouder komt alleen in aanmerking voor 100% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Gelijke kansen deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren woonachtig in Rotterdam geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma in Rotterdam als de ouder een inkomen heeft lager dan 110% van het wettelijk sociaal minimum.</al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren woonachtig in Charlois, Feijenoord of IJsselmonde geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma in Charlois, Feijenoord of IJsselmonde als de ouder een inkomen heeft lager dan 130% van het wettelijk sociaal minimum.</al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table><al /><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="colA" /><colspec colname="colB" /><colspec colname="colC" /><colspec colname="colD" /><tbody><row><entry namest="colA" nameend="colD"><al><nadruk type="vet">Tabel 2 Aanbod en deelname voorschoolse educatie in het ve-programma <nadruk type="ondlijn">dagopvang</nadruk> met ingang van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027.</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Leeftijd peuter</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">2 – 2,5 jaar</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">2,5 – 4 jaar</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">Totaal</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Aantal weken</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">26 weken</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">78 weken</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="vet">104 weken</nadruk></al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Aanbod voor doelgroep-peuter</nadruk></al></entry><entry><al>Aanbod en deelname van minimaal 120 en maximaal 160 uur ve</al></entry><entry><al>Wettelijk aanbod en deelname aan 960 uur ve</al></entry><entry><al>Minimaal 1.080 uur en maximaal 1.120 uur ve</al></entry></row><row><entry><al><nadruk type="vet">Aanbod voor niet-doelgroep-peuter</nadruk></al></entry><entry><al>Aanbod en deelname van minimaal 120 en maximaal 160 uur ve</al></entry><entry><al>Aanbod en deelname aan 480 uur ve</al></entry><entry><al>Minimaal 600 uur en maximaal 640 uur ve</al></entry></row><row><entry namest="colA" nameend="colD"><al><nadruk type="vet">Afspraken voor structurering van het aanbod:</nadruk></al></entry></row><row><entry><al>Dagdeel ve</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Het ve-programma wordt aangeboden in dagdelen, waarbij een dagdeel ten minste 3 uren omvat.</al></entry></row><row><entry><al>Maximaal aantal uren ve per dag</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Het ve-programma wordt gedurende maximaal 6 uur per dag aan een peuter aangeboden. De opvanguren zonder educatief kenmerk (zoals bijvoorbeeld voor slapen en rusten) mogen niet worden gerekend tot het ve-programma.</al></entry></row><row><entry><al>Aanbod ve</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Niet-doelgroeppeuters:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>In de leeftijd van 2 tot 4 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 600 en maximaal 640 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 104 weken.</al></li></lijst><al>Doelgroeppeuters:</al><lijst><li><li.nr>b.</li.nr><al>In de leeftijd van 2 tot 2,5 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 120 en maximaal 160 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 26 weken.</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Intensivering van aanbod en deelname gericht op het wettelijk verplichte aanbod ve zoals hierna vermeld, kan starten op het moment dat het kind er klaar voor is, maar start uiterlijk op de leeftijd van 2,5 jaar.</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>In de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar wordt het wettelijk verplichte aanbod en deelname aan ve van 960 uur verdeeld over 78 weken, waarbij het aanbod gedurende de week wordt verdeeld over minimaal 3 dagen. Als een ouder niet meer dan 2 dagen opvang kan of wil afnemen, is het toegestaan om ten minste 12 uur ve verdeeld over 2 dagen per week aan de doelgroeppeuter aan te bieden.</al></li></lijst></entry></row><row><entry><al>Wenperiode</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>In de leeftijd van 2 jaar tot 2 jaar en 3 maanden kan afgeweken worden van het kader voor het aanbod ve om de peuter te laten wennen aan de deelname aan het ve-programma.</al></entry></row><row><entry><al>Differentiatie naar leeftijd</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>Het is toegestaan om groepen in te delen naar leeftijd (groepen van tweejarigen en groepen van driejarigen).</al></entry></row><row><entry namest="colA" nameend="colD"><al><nadruk type="vet">Ouderbijdrage</nadruk></al></entry></row><row><entry><al>Periode van 1-1-2027 t/m 31-12-2027</al></entry><entry namest="colB" nameend="colD"><al>In de periode van 1-1-2027 tot en met 31-12-2027:</al><lijst><li><li.nr>e.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een niet-doelgroeppeuter in de leeftijd van 2 tot 4 jaar de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 600 en maximaal 640 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren in de leeftijd van 2 jaar tot de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 120 en maximaal 160 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren vanaf de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor 50% van dat aanbod. De andere 50% zijn gratis voor de ouder. De gratis uren voor de ouder subsidieert de gemeente aan de houder. De ouder komt alleen in aanmerking voor 50% gratis uren als de doelgroeppeuter deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur.</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Gelijke kansen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma. De ouder komt alleen in aanmerking voor 100% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Gelijke kansen deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur;</al></li><li><li.nr>i.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren woonachtig in Rotterdam geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma in Rotterdam als de ouder een inkomen heeft lager dan 110% van het wettelijk sociaal minimum.</al></li><li><li.nr>j.</li.nr><al>betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren woonachtig in Charlois, Feijenoord of IJsselmonde geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma in Charlois, Feijenoord of IJsselmonde als de ouder een inkomen heeft lager dan 130% van het wettelijk sociaal minimum.</al></li></lijst></entry></row></tbody></tgroup></table><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 16 Ouderbijdrage</nadruk></al><al>In artikel 16 is bepaald hoe de ouderbijdrage voor deelname aan voorschoolse educatie wordt vastgesteld. De houder brengt voor de deelname aan het ve-programma een ouderbijdrage in rekening bij de ouder van de peuter. Voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren van het CJG is 50% van het ve-aanbod gratis, onder de voorwaarde dat de houder de verschuldigde ouderbijdrage voor de andere 50% van het ve-aanbod bij de ouder in rekening heeft gebracht. Voor doelgroeppeuters met de indicatie Gelijke kansen is het gehele ve-aanbod gratis. Ouders van doelgroeppeuters komen alleen in aanmerking voor gratis uren als het ve-aanbod minimaal 720 uur omvat. De houder bepaalt of een ouder tot de doelgroep Gelijke kansen behoort en volgt hiervoor de procedure bepaald in bijlage 2 behorend bij deze subsidieregeling.</al><al /><al>Met ingang van 1 augustus 2024 betaalt de ouder van een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren woonachtig in Charlois, Feijenoord of IJsselmonde geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma in Charlois, Feijenoord of IJsselmonde als de ouder een verzamelinkomen heeft tussen de 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum. </al><al>De houder volgt bij het bepalen van de hoogte van de ouderbijdrage en voor het vaststellen of een verzamelinkomen lager is dan 130% van het wettelijk sociaal minimum de procedure vastgesteld in bijlage 3 behorend bij deze subsidieregeling. Ouders met recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder voor de uren ve waarvoor de ouderbijdrage is verschuldigd het maximum uurtarief<noot><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Houders bepalen zelf de hoogte van het uurtarief. Dit kan afwijken van het maximum uurtarief voor de kinderdagopvang zoals vastgesteld in het Besluit kinderopvangtoeslag. </noot.al></noot> voor dagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag en vragen bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag aan. </al><al /><al>Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder voor de uren ve waarvoor de ouderbijdrage is verschuldigd een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. De hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag stelt de houder vast op basis van de rekenmethodiek in bijlage 4 behorend bij deze subsidieregeling. </al><al /><al>Voorbeeldberekening van deze ouderbijdrage op basis van de bedragen van het kalenderjaar 2026:</al><al>96 / 100 * € 11,23 = 10,781;</al><al>€ 11,23 - 10,781 = 0,449 </al><al>Ouderbijdrage = € 0,45</al><al /><al>Met ingang van 1 januari 2026 betaalt de ouder van een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren woonachtig in Rotterdam geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma in Rotterdam als de ouder een verzamelinkomen heeft lager dan 110% van het wettelijk sociaal minimum. </al><al>De houder volgt bij het bepalen van de hoogte van de ouderbijdrage en voor het vaststellen of een verzamelinkomen lager is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum de procedure vastgesteld in bijlage 3 behorend bij deze subsidieregeling. Ouders met recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder voor de uren ve waarvoor de ouderbijdrage is verschuldigd het maximum uurtarief1 voor dagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag en vragen bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag aan. Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder voor de uren ve waarvoor de ouderbijdrage is verschuldigd een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. De hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag stelt de houder vast op basis van de berekening van de ouderbijdrage in bijlage 4 behorend bij deze subsidieregeling. </al><al /><al>In schrijnende gevallen kan de houder afwijken van de procedure voor de bepaling van de ouderbijdrage en een lagere of geen ouderbijdrage voor de uren ve vragen aan de ouder. De houder registreert deze gevallen. Als deze afwijkingen van de procedure in verband met schrijnende gevallen leiden tot een afwijking van meer dan tien procent van de gefactureerde omzet van de gesubsidieerde uren ve dan meldt de houder dit direct aan het college.</al><al /><al>De houder hanteert een vastgestelde incassoprocedure waarvoor minimaal geldt dat deze schriftelijk is vastgelegd, openbaar is en duidelijke termijnen stelt.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 17 Implementatieperiode voorschoolse educatie</nadruk></al><al>In artikel 17 is bepaald welke afspraken over de implementatie van voorschoolse educatie kunnen worden gemaakt met de houder die voor het eerst voor een kindercentrum subsidie aanvraagt. De houder die voor het eerst subsidie voor voorschoolse educatie aanvraagt kan mogelijk niet direct aan subsidieverplichtingen voldoen. In dat geval kan met de houder voor de duur van 1 jaar een implementatieperiode worden afgesproken waarin de houder alsnog aan de verplichtingen gaat voldoen. Hierover worden afspraken gemaakt voorafgaand aan de subsidieverlening. Op diens verzoek kan de houder gebruik maken van de mogelijkheid om gedurende de implementatieperiode het kindercentrum waarvoor voor het eerst subsidie is aangevraagd in het Landelijk register kinderopvang niet aan te laten merken als een kindercentrum met voorschoolse educatie. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 18 Tussenrapportages</nadruk></al><al>In artikel 18 is bepaald welke tussenrapportages de houder gedurende de subsidieperiode aan het college verstrekt. Daarbij is aangegeven op welke periode de rapportages betrekking hebben en op welke datum de rapportages uiterlijk moeten worden aangeleverd. Voor deze rapportages ontvangt de houder door het college vastgestelde rapportageformulieren. Met deze rapportages kunnen de prognoses van de houder gedaan bij de subsidieaanvraag tussentijds worden vergeleken met de werkelijke realisatie. Met deze gegevens monitort het college de uitputting van het budget en de beleidsmatige doelstelling ten aanzien van het bereik van voorschoolse educatie. Daarnaast wordt met deze rapportage vastgesteld of er sprake is van een wachtlijst voor ve.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 19</nadruk><nadruk type="vet">Verzoek tot vaststelling van de subsidie</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 20</nadruk><nadruk type="vet">Verzoek tot vaststelling van subsidies van € 25.000 tot en met € 50.000</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 21</nadruk><nadruk type="vet">Verzoek tot vaststelling van subsidies van € 50.000 tot en met € 200.000</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 22</nadruk><nadruk type="vet">Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf € 200.000</nadruk></al><al /><al>In de artikelen 19 tot en met 22 is vastgesteld welke gegevens de houder, afhankelijk van de hoogte van de verleende subsidie, aan het college verstrekt voor het verzoek tot vaststelling van de subsidie. Het verzoek tot vaststelling van de subsidie moet de houder uiterlijk op 31 maart 2028 bij het college indienen via het webportaal van de gemeente Rotterdam. De houder ontvangt door het college vastgestelde formulieren voor het indienen van het verzoek tot vaststelling van de subsidie. Dit betreft een formulier voor de verantwoording van de kwaliteit van ve en een Excel-formulier voor de verantwoording van de realisatie van de uitvoering van de ve. Daarnaast levert de houder per locatie een verantwoording over de resultaten van opbrengst gericht werken, hierna te noemen OGW. Houders die implementatiesubsidie hebben ontvangen, dienen bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie een overzicht in van de werkelijke kosten van de implementatie van voorschoolse educatie met een onderbouwing.</al><al /><al>Voor subsidieverleningen van € 25.000 en hoger levert de houder bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie aanvullend een financiële verantwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten worden afgezet tegen de inkomsten uit subsidie en ouderbijdragen. Afwijkingen van meer dan 10% van de subsidieverlening moeten worden toegelicht.</al><al /><al>Voor subsidieverleningen van € 50.000 en hoger levert de houder bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie aanvullend een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant. Bij het assurance-rapport voegt de houder het Excel-formulier voor de verantwoording van de realisatie van de uitvoering van de ve gewaarmerkt door de accountant. Voor subsidieverleningen van € 50.000 tot en met € 200.000 betreft het een assurance-rapport met beperkte mate van zekerheid. Voor subsidieverleningen vanaf € 200.000 betreft het een assurance-rapport met redelijke mate van zekerheid.</al><al /><al>In het volgende overzicht zijn de documenten voor het verzoek tot vaststelling van de subsidie vermeld. Per subsidiecategorie is vermeld of de aanlevering van de vermelde documenten verplicht of niet van toepassing is. Voor de kosten van implementatie geldt aanlevering van de vermelde documenten alleen indien implementatiesubsidie van toepassing is.</al><al /><table frame="all"><tgroup cols="5"><colspec colname="colA" /><colspec colname="colB" /><colspec colname="colC" /><colspec colname="colD" /><colspec colname="colE" /><tbody><row><entry><al>Door de houder aan te leveren documenten voor het verzoek tot vaststelling van de subsidie</al></entry><entry><al>Subsidies tot € 25.000</al></entry><entry><al>Subsidies vanaf € 25.000 tot € 50.000</al></entry><entry><al>Subsidies vanaf € 50.000 tot € 200.000</al></entry><entry><al>Subsidies vanaf € 200.000</al></entry></row><row><entry><al>Formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027 kwaliteit’</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Excel-formulier ‘Verantwoording OGW ve 2027’ of rapportage uit BOSOS of KIJK!</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Financiële verantwoording over de werkelijke lasten afgezet tegen de inkomsten uit subsidie en ouderbijdragen</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Assurance-rapport met beperkte mate van zekerheid</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry></row><row><entry><al>Assurance-rapport met redelijke mate van zekerheid</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Door de accountant gewaarmerkt Excel-formulier ‘Verantwoording subsidie ve 2027’</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>N.v.t.</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Overzicht kosten implementatie ve met onderbouwing</al></entry><entry><al>Indien van toepassing</al></entry><entry><al>Indien van toepassing</al></entry><entry><al>Indien van toepassing</al></entry><entry><al>Indien van toepassing</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 23 Controle accountant</nadruk></al><al>In artikel 23 is geregeld dat indien een accountantscontrole is vereist bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie deze accountantscontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van bijlage 5 behorend bij deze subsidieregeling.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 24 Vaststelling van de subsidie</nadruk></al><al>Bij de subsidieaanvraag heeft de houder voor de verschillende subsidieonderdelen prognoses gegeven. In het verzoek tot vaststelling heeft de houder de werkelijke realisatie voor deze subsidieonderdelen gegeven. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van de werkelijke realisatie.</al><al /><al><nadruk type="cur">Vaststelling subsidie voor het ve-programma peuteropvang</nadruk></al><al>In het verzoek tot vaststelling vermeldt de houder welke ve-groepen op welke locaties gedurende de subsidieperiode zijn uitgevoerd, inclusief het aantal weken uitvoering. Daarnaast vermeldt de houder hoeveel peuters en doelgroeppeuters deelnamen aan het ve-programma op twee telmomenten en of hun ouders wel of geen recht hadden op kinderopvangtoeslag. Ten slotte vermeldt de houder de gefactureerde en de werkelijk geïnde inkomsten uit ouderbijdragen.</al><al /><al>Bij vaststelling van de subsidie worden de werkelijk geïnde inkomsten verrekend met de subsidie. Dit kan betekenen dat de subsidie hoger of lager wordt vastgesteld afhankelijk van de hoogte van de inkomsten uit ouderbijdragen. De ouderbijdragen en de subsidie voor een groep waarin het ve-programma peuteropvang 16 uur per week gedurende 40 weken per jaar is uitgevoerd, tellen samen op tot een bedrag van € 119.067, zie hiervoor de toelichting bij artikel 6. Stel: in het verzoek tot vaststelling van de subsidie meldt de houder dat de werkelijke inkomsten uit ouderbijdragen € 10.000 bedragen. De subsidie wordt dan vastgesteld op € 109.067, want dit bedrag samen met de inkomsten uit ouderbijdragen komt uit op € 119.067. Als de werkelijke inkomsten uit ouderbijdragen in dit voorbeeld € 30.000 bedragen dan wordt de subsidie vastgesteld op € 89.067 want dit bedrag samen met de inkomsten uit ouderbijdragen komt uit op € 119.067. Voor een peuteropvanggroep die minder dan 40 weken is uitgevoerd, wordt de subsidie vastgesteld naar rato van het aantal weken dat de groep is uitgevoerd.</al><al /><al><nadruk type="cur">Vaststelling subsidie voor het ve-programma dagopvang</nadruk></al><al>In het verzoek tot vaststelling vermeldt de houder welke ve-groepen op welke locaties gedurende de subsidieperiode zijn uitgevoerd, inclusief het aantal weken uitvoering. Daarnaast vermeldt de houder hoeveel peuters en doelgroeppeuters deelnamen aan het ve-programma op twee telmomenten en of hun ouders wel of geen recht hadden op kinderopvangtoeslag. Voorts vermeldt de houder het aantal uren op jaarbasis dat peuters met ouders die geen recht hadden op kinderopvangtoeslag deelnamen aan het ve-programma dagopvang en het bijbehorende subsidiebedrag voor het verschil tussen de ouderbijdragen die de houder heeft ontvangen en het maximale fiscale uurtarief volgens het Besluit kinderopvangtoeslag. Ten slotte vermeldt de houder op jaarbasis het aantal doelgroeppeuters en het aantal gratis uren dat zij deelnamen aan het ve-programma dagopvang.</al><al /><al>De houder heeft bij de subsidieaanvraag een prognose gedaan voor het aantal peuters dat gemiddeld per week gebruik maakt van de voorschoolse educatie. De vaststelling van de subsidie voor dit onderdeel vindt plaats op basis van de werkelijke realisatie van het gemiddeld aantal bereikte peuters. Deze realisatie wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal van de twee telmomenten. Het gemiddeld aantal peuters maal het subsidiebedrag per peuter, rekening houdend met de staffel voor het subsidiebedrag voor kwaliteit, is bepalend voor de hoogte van de vaststelling van dit subsidieonderdeel. Voor een peuteropvanggroep die minder dan 50 weken is uitgevoerd, wordt de subsidie vastgesteld naar rato van het aantal weken dat de groep is uitgevoerd.</al><al /><al>De subsidie ter aanvulling van de ouderbijdrage van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag tot het maximale fiscale uurtarief volgens het Besluit kinderopvangtoeslag wordt vastgesteld op basis van de werkelijke realisatie op jaarbasis.</al><al>Ook de subsidie voor de gratis uren voor doelgroeppeuters wordt vastgesteld op basis van de werkelijke realisatie op jaarbasis. Het vastgestelde aantal gratis uren wordt vermenigvuldigd met het geldende maximale fiscale uurtarief volgens het Besluit kinderopvangtoeslag.</al><al /><al><nadruk type="cur">Vaststelling implementatiesubsidie</nadruk></al><al>Bij de subsidieaanvraag onderbouwt de houder de geraamde kosten voor de implementatie. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie vermeldt de houder de werkelijke kosten voor de implementatie met een onderbouwing. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 25 Hardheidsclausule</nadruk></al><al>De ve-programma’s worden uitgevoerd in kindercentra voor kinderdagopvang en peuteropvang. In deze sector is er landelijk sprake van krapte op de arbeidsmarkt. Houders van kindercentra ondervinden in toenemende mate problemen bij het aantrekken en behouden van personeel met de juiste kwalificaties voor het uitvoeren van de ve-programma’s die voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen. De hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van de verplichtingen, bedoeld in artikel 12 en 13, mits de gesubsidieerde activiteiten aantoonbaar bijdragen aan het verbeteren van de voorwaarden voor Rotterdamse peuters om met succes in te kunnen stromen in het basisonderwijs.</al></nota-toelichting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>