<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-332165/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Hilversum</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2026</titel></kop><regeling><aanhef /><regeling-tekst><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,</al><al>overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van de Jeugdwet en de Verordening jeugdhulp gemeente Hilversum 2025;</al><al>gelet op: </al><al>- artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>- titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake ‘beleidsregels’; </al><al>besluit vast te stellen de volgende Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2026.</al><al /><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 1</nadruk><nadruk type="cur">Begripsbepalingen</nadruk></al><al>1. De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de </al><al>Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Verordening</al><al>Gegevensbescherming en de Verordening jeugdhulp gemeente Hilversum 2025 (hierna: ‘de Verordening’).</al><al>2. Voorveld: onder voorveld wordt verstaan het geheel van activiteiten, vrijwilligershulp, (algemene en voorliggende) voorzieningen, onderwijs, (welzijns-)organisaties, stichtingen en netwerken ter ondersteuning van de jeugdige, die vrij toegankelijk (= zonder verwijzing) zijn.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 2</nadruk><nadruk type="cur">Eigen kracht</nadruk></al><al>i. Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kinderen. Bij een aanvraag voor geïndiceerde jeugdhulp wordt daarom onderzocht welke hulp en ondersteuning de ouders zelf kunnen bieden aan de jeugdige. Dit kan ook gaan om zorg die niet standaard bij alle kinderen voorkomt.</al><al>ii. Het onderzoek van de gemeente, zoals bedoeld in artikel 14 van de Verordening, richt zich in ieder geval op:  </al><al>a. het vaststellen van de hulpvraag, </al><al>b. de brede uitvraag binnen het gezin van de jeugdige op de leefgebieden wonen, inkomen, zorg &amp; welzijn, werk &amp; scholing;</al><al>c. het vaststellen of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn, en; </al><al>d. het bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is; en</al><al>e. het vaststellen in hoeverre de eigen mogelijkheden van ouder(s) en/of het sociale netwerk en/of het sociale of pedagogische voorveld toereikend zijn om zelf de hulp te bieden.</al><al>iii. Via het familiegroepsplan, zoals bedoeld in artikel 12 van de Verordening, worden de eigen mogelijkheden van de ouders en het sociale netwerk op alle leefgebieden inzichtelijk gemaakt. Voor de totstandkoming van het familiegroepsplan kan gebruik worden gemaakt van onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 11 van de Verordening.   </al><al>iv. Voor de vaststelling van de eigen kracht wordt rekening gehouden met de volgende factoren: </al><al>a. zijn ouder(s) of het sociaal netwerk in staat de noodzakelijke hulp te bieden? </al><al>Hierbij wordt gekeken naar de vaardigheden of deskundigheid die nodig zijn om de noodzakelijke zorg te bieden en of de ouders in staat moeten worden geacht deze effectief uit te voeren. Het uitgangspunt is dat ouders de zorg bieden die nodig is. Dat geldt ook in geval de jeugdige een bepaalde ziekte of stoornis heeft of wanneer er specifieke zorghandelingen nodig zijn. Zo nodig kan tijdelijke ondersteuning worden geboden om deze aan te leren.</al><al>b. zijn ouder(s)zijn ouder(s) of het sociaal netwerk beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?</al><al>Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de frequentie en het patroon van de zorghandelingen. Van ouders wordt verwacht dat zij zelf tot een oplossing komen voor zover dit redelijkerwijs kan worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan het opnemen van (zorg)verlof of het aanpassen van de arbeidstijden. Tevens worden de  gezinssituatie en de woonsituatie in het onderzoek betrokken.</al><al>c. levert het bieden van de hulp door ouder(s) of het sociaal netwerk geen overbelasting op, zoals bedoeld in artikel 4?</al><al>v. Het college verleent geen geïndiceerde jeugdhulp indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en eigen probleemoplossend vermogen van jeugdige en ouder(s) en/of hun sociale netwerk.</al><al>vi. Het college verleent geen geïndiceerde jeugdhulp, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van passende hulp vanuit het voorveld of overige voorliggende (wettelijke) voorzieningen. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 3     Gebruikelijke hulp </nadruk></al><al>1. Gebruikelijke hulp, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 21 lid 5 van de Verordening, is de </al><al>dagelijkse verzorging, opvoeding, toezichthouding en stimulering van  </al><al>de ontwikkeling die ouders naar algemene maatstaven qua aard en omvang (frequentie en benodigde tijd) aan jeugdigen behoren te bieden. </al><al>2. Gebruikelijke hulp is gerelateerd aan de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. </al><al>Een ziekte, aandoening of beperking van de jeugdige leidt niet automatisch tot meer dan gebruikelijke hulp. </al><al>3. Gebruikelijke hulp is nader uitgewerkt in bijlage 1 bij deze beleidsregels, ‘Richtlijn </al><al>gebruikelijke hulp voor jeugdigen met een normale ontwikkeling, per leeftijdsfase’. De </al><al>richtlijn is onderdeel van de beleidsregels. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 4</nadruk><nadruk type="cur">Overbelasting ouders</nadruk></al><al>1. Als er sprake is van gedragsproblematiek, chronische aandoening, ziekte, stoornis of </al><al>beperking bij een jeugdige, kan het opvoeden en opgroeien extra aandacht vragen waardoor het risico op overbelasting bij ouders aanwezig is (artikel 21 lid 4 en artikel 24 van de Verordening). Of de zorg voor een jeugdige leidt of kan leiden tot overbelasting bij ouders is afhankelijk van de frequentie, het patroon en tijdsomvang van de zorg in combinatie met de draagkracht van ouders. Zorg die niet standaard bij alle kinderen voorkomt, maar die niet vraagt om (veel) extra tijd zal niet snel leiden tot overbelasting. Dit geldt ook voor zorghandelingen die in het dagelijkse leven in de andere handelingen ingevlochten kunnen worden. Bij uitval van één van de ouders is uitgangspunt dat andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige overneemt.</al><al>2. Bij overbelasting door andere oorzaken een drukke baan en/of nevenactiviteiten, ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing in eerste instantie bij de ouders zelf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan oplossingen door aanpassingen te maken in de leefsituatie, op het werk en/of in de nevenactiviteiten. Bij een aanvraag voor geïndiceerde jeugdhulp wordt daarom onderzocht in hoeverre deze oplossingsmogelijkheden zijn bekeken. Bij een aanvraag voor verlenging van de indicatie, wordt gekeken of en welke (aantoonbare) inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Bij de zorgtoewijzing wordt hier rekening mee gehouden.</al><al>3. Er wordt geen geïndiceerde jeugdhulp verleend als de overbelasting kan worden opgeheven met ondersteuning van de naaste omgeving en/of met inzet van een andere algemene of voorliggende voorziening.</al><al>4. Als er sprake is van overbelasting bij ouders wordt er primair ingezet op gezinshulp c.q. andere kortstondige ondersteuning. Er wordt verwacht dat ouders bereid zijn om de betreffende ondersteuning te accepteren om de overbelasting op te heffen. Als bij overbelasting van ouders dergelijke hulp of ondersteuning wordt geweigerd, kan dit gevolgen hebben voor de inzet van andere (duurdere c.q. meer ingrijpende) individuele voorzieningen. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 5     Persoonsgebonden budget</nadruk></al><al>1. Op grond van 22 lid 1 van de Verordening kan het college een persoonsgebonden budget verstrekken, als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder(s) van het persoonsgebonden budget willen betrekken, veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. </al><al>2. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget, indien er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Deze bezwaren zijn er in ieder geval in de volgende situaties (niet limitatieve opsomming): </al><al>a. De jeugdhulp bestaat uit de inzet van crisishulp, crisisopvang en spoedeisende hulp; </al><al>b. De jeugdhulp heeft betrekking op (dag)behandeling en ambulante jeugdhulp verleend door het sociale netwerk; </al><al>c. Er is sprake van opvang van een jeugdige door een pleegouder; wel kan het college een persoonsgebonden budget verstrekken voor jeugdhulp die een jeugdige nodig heeft naast deze opvang. </al><al> 3. In artikel 22 lid 3 van de verordening zijn de voorwaarden opgenomen voor de inzet van het persoonsgebonden budget. Voor zover het persoonsgebonden budget dit toelaat kan de jeugdige of zijn ouders een bedrag van maximaal € 100,00 per jaar verantwoordingsvrij besteden ten behoeve van de jeugdhulp waarvoor de individuele voorziening is toegekend. Denk hierbij aan een presentje voor de betreffende zorgverlener of de bekostiging van een activiteit waarop de jeugdhulp betrekking heeft.</al><al> 4. Als uitgangspunt geldt dat alleen de daadwerkelijk gewerkte uren gedeclareerd kunnen </al><al>   worden. Er zijn daarom geen vaste periodieke uitkeringen mogelijk via een persoonsgeboden </al><al>budget. Dit geldt ook in geval van overlijden. Echter, het kan zijn dat er ook na overlijden nog werkzaamheden worden verricht die verband houden met de zorgrelatie waarop het persoonsgebonden budget ziet. In die gevallen kunnen de werkzaamheden tot een maand na overlijden ook nog worden gedeclareerd conform de indicatie jeugdhulp. Daarvoor moet echter wel een expliciet verzoek worden ingediend, omdat de indicatie automatisch wordt beëindigd per de datum van overlijden. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 6 Begeleiding algemeen</nadruk></al><al> 1. Onder begeleiding als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder sub B van de verordening  </al><al>  wordt verstaan: ondersteuning van de jeugdige bij de uitvoering van de dagelijkse   </al><al>  levensverrichtingen en het aanbrengen en/of behouden van structuur en regie over het </al><al>   persoonlijke leven. Dit gebeurt onder andere door het aanleren en inslijten van vaardigheden.  </al><al>  Voor de inzet van begeleiding is het van belang dat de jeugdige voldoende leerbaar is om de    </al><al>  gestelde doelen en de beoogde resultaten te kunnen bereiken.</al><al> 2. In geval van ernstig regieverlies of motivatiegebrek bij de jeugdige kan de ondersteuning  </al><al>   (mede) zijn gericht op de ondersteuning binnen het gezin van de jeugdige.</al><al> 3. Om in aanmerking te komen voor begeleiding moet worden vastgesteld dat de jeugdige matige  </al><al>    tot zware beperkingen heeft met betrekking tot zijn psychosociaal functioneren die het gevolg  </al><al>  zijn van een psychische of psychiatrische aandoening dan wel van een verstandelijke  </al><al>  beperking.</al><al> 4. De begeleiding heeft betrekking op de volgende leefgebieden:</al><al>   - Sociale zelfredzaamheid (Zelfreflectie, gespreksvoering, contacten leggen, sociaal netwerk)</al><al>   - Bewegen en verplaatsen/fysieke zelfredzaamheid (mobiliteit);</al><al>   - Probleemgedrag (overlast, ondermijning);</al><al>   - Psychisch functioneren (structuur, zelfbeeld, verzorging, initiatief, besluiten nemen);</al><al>   - Geheugen en oriëntatie (besef van tijd en plaats).</al><al>5. Begeleiding gericht op het plannen en organiseren en uitvoeren van schoolactiviteiten, zoals huiswerkbegeleiding, valt onder de taak van het voorveld dan wel de eigen kracht van de jeugdige en diens  ouders. Dat geldt ook indien er sprake van een beperking.</al><al>6. Begeleiding wordt ingezet wanneer een algemene voorziening of dagbesteding niet  </al><al>  (voldoende) passend is voor het bereiken van het resultaat. Als behandeling of revalidatie  </al><al>mogelijk is, is dit voorliggend op de inzet van begeleiding vanuit de Jeugdwet.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 7 Bepaling omvang begeleiding</nadruk></al><al>1. Indicaties voor begeleiding worden afgegeven voor een periode van maximaal één jaar. In deze periode dienen de beoogde resultaten te worden behaald. In geval de resultaten van begeleiding nog niet zijn behaald, kan de indicatie – al dan niet met bijstelling van de doelen – met telkens een periode van maximaal 6 maanden worden verlengd. Van de hiervoor genoemde termijnen kan, bijvoorbeeld in geval van complexe situaties of gewijzigde omstandigheden, gemotiveerd worden afgeweken. In geval van een tweede verlenging wordt een gedragsdeskundige geraadpleegd voor advies.</al><al>2. Als richtlijn voor de inzet van begeleiding wordt hetvolgende gehanteerd:</al><al>- tot max 2 uur per week (inclusief indirecte tijd) in geval van 1 begeleidingsmoment per week; </al><al>- 2 tot 3 uur per week (inclusief indirecte tijd) in geval van 2 begeleidingsmomenten per week;</al><al>Het gaat in de regel om situaties waarbij veel herhaling nodig is om nieuwe vaardigheden aan te leren. Veelal is er sprake van een forse ontwikkelingsachterstand in het zelfstandig functioneren van de jeugdige ten opzichte leeftijdsgenoten;  </al><al>- &gt; 3 uur week (inclusief indirecte tijd) in geval van 3 of meer begeleidingsmomenten per week.</al><al>Behalve intensieve begeleiding voor de bevordering van de zelfredzaamheid van de jeugdige is er </al><al>vaak ook sprake van (fysieke) gevaar voor de jeugdige zelf en/of diens omgeving. De ondersteuning richt zich tevens op het voorkomen van uithuisplaatsing.</al><al>De inzet van begeleiding is gemaximeerd tot 15 uur per week. Wanneer er meer uren nodig zijn, is de algemene gedachte dat begeleiding niet langer de beproefde ondersteuningsvorm voor de jeugdige is. In dat geval zal worden gekeken naar andere vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld deeltijdverblijf.</al><al>3.  Bij de vaststelling van de indicatie voor begeleiding wordt rekening gehouden met de belastbaarheid van de jeugdige (o.a. school en buitenschoolse activiteiten).</al><al>4. Wanneer de resultaten zijn bereikt en er (tijdelijk) alleen nog een zogeheten “vinger aan de pols” nodig is, dan wordt dit in beginsel vanuit het voorveld georganiseerd. Er wordt geen aanvullende indicatie voor afgegeven.  </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 8 School</nadruk></al><al>1. Individuele begeleiding op basis van een indicatie Jeugdhulp vindt in de regel op de gezinslocatie plaats. In overleg met de gemeente kan de begeleiding ook op school worden gegeven. Hieraan wordt een maximum gesteld van 8 begeleidingsuren per week. De onderwijsonderstelling en het Samenwerkingsverband (Unita en Qinas) worden betrokken bij de procedure met het oog op passend onderwijs. Bij een voorziening vanuit de jeugdwet moet zijn vastgesteld dat de te behalen resultaten gericht zijn op gedrag en dat dit gedrag gerelateerd is aan de problematiek van de jeugdige.</al><al>2. Er worden geen indicaties verstrekt voor begeleidingsuren die verband houden met de  </al><al>onderwijsdoelen op school of soortgelijke ondersteuning zoals remedial teaching en  </al><al>huiswerkbegeleiding. </al><al>3. De begeleiding op school is tijdelijk van aard en wordt afgegeven voor een maximale periode van 6 maanden, met een maximale verlengingsmogelijkheid van 6 maanden, indien er sprake is van een overgangssituatie naar bijvoorbeeld speciaal onderwijs of dagbesteding. </al><al /><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 9 Jeugdhulpvervoer</nadruk></al><al>Dit hoofdstuk is alleen van toepassing als het gaat om een vervoersvraag:</al><al>a) voor een jeugdige;</al><al>b) die een indicatie heeft voor een individuele voorziening (in natura of persoonsgebonden budget);</al><al>c) met een vervoersvraag voor vervoer van of naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden die is ingezet vanuit de Jeugdwet; en</al><al>d) er geen recht bestaat op vervoer door middel van de voorliggende voorziening leerlingenvervoer voor (een deel van) het vervoer naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden die is ingezet vanuit de Jeugdwet.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 10 Vormen jeugdhulpvervoer</nadruk></al><al>1. a) een vergoeding voor vervoer door een vrijwilliger naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening;</al><al>b) aangepast vervoer (taxi vervoer) dat in natura wordt geboden.</al><al>2. Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor wordt gekozen.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 11 Redenen voor vervoersvoorziening</nadruk></al><al>1. Uitgangspunt is dat de wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige ervoor verantwoordelijk is    </al><al>dat de jeugdige op de locatie van de jeugdhulpaanbieder komt en vandaar weer thuiskomt.</al><al>2. Een individuele voorziening in het kader van vervoer jeugdwet is mogelijk indien er sprake is van de situaties zoals onderstaand beschreven onder A in combinatie met B of A in combinatie met C. Bij de tweede situatie wordt het afwegingskader uit artikel 12 toegepast.</al><al>A) Als er door een wettelijk verwijzer het risico is gesignaleerd dat de jeugdige niet (of niet altijd) de jeugdhulp op locatie kan krijgen die hij/zij nodig heeft in verband met het vervoer.</al><al>B) Er is sprake van medisch vervoer (ziekenvervoer) dat redelijkerwijs niet door ouder(s)/verzorger(s) of het netwerk kan worden geboden of waarbij ouder(s)/verzorger(s) en het netwerk niet beschikken over het benodigde vervoersmiddel, de benodigde medische apparatuur of de benodigde medische of verpleegkundige vaardigheden. In die gevallen is bijzonder individueel vervoer aan de orde, gefaciliteerd door de gemeente.</al><al>C) Beperkingen in de zelfredzaamheid die te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte van de jeugdige of diens wettelijk verzorgers, die tijdelijk of chronisch van aard kunnen zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Financiële draagkracht is geen criterium voor de beoordeling van de zelfredzaamheid.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 12 Afwegingskader</nadruk></al><al>1. Indien sprake is van een risico op het niet krijgen van noodzakelijke jeugdhulp op grond van een situatie als bedoeld in artikel 11 lid 2 onder sub A en sub C, dan wordt op de volgende wijze een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de eerst beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de daaronder beschreven optie in beeld en zo verder. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk als alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn:</al><al>a) De jeugdige gaat op eigen gelegenheid (o.a. fiets), al dan niet onder begeleiding van zijn/haar wettelijk vertegenwoordigers of personen uit het sociale netwerk, naar de jeugdhulplocatie;</al><al>b) De jeugdige reist met het openbaar vervoer (afstand &gt; 6 km. Enkele reis), eventueel begeleid door zijn/haar wettelijk vertegenwoordigers of door personen uit het sociale netwerk, naar de jeugdhulplocatie.</al><al>Er zijn 3 redenen waarom openbaar vervoer geen opties is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur van deur tot deur (van het verblijfadres van de jeugdige tot de jeugdhulplocatie). Kinderen tot 12 jaar hebben doorgaans begeleiding van ouders nodig bij het reizen met openbaar vervoer. Deze begeleiding wordt als gebruikelijk gezien;</al><al>c) De ouder(s)/verzorger(s) of personen uit het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz.);</al><al>d) Er is een vrijwilliger beschikbaar die de jeugdige begeleidt met het openbaar vervoer of de jeugdige met eigen gemotoriseerd vervoer vervoert;</al><al>e) De jeugdhulpaanbieder verplaatst de begeleiding/behandeling naar het verblijfadres van de jeugdige.</al><al>2. Voor de kosten van openbaar vervoer en de eventuele kosten van gemotoriseerd eigen vervoer van de vrijwilliger (optie d) is een vergoeding mogelijk. De regels voor vergoedingen en de berekening daarvan zijn opgenomen in artikel 13. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 13 Vergoeding voor kosten openbaar vervoer en eigen vervoer van een vrijwilliger</nadruk></al><al>1. De vergoeding voor openbaar vervoer van de vrijwilliger is gelijk aan de werkelijke kosten van openbaar vervoer per maand. In overleg met de jeugdconsulent wordt binnen de mogelijkheden van de jeugdige (en de begeleider) de optimale route bepaald en vervolgens de minimale kosten voor deze route.</al><al>2. De vergoeding voor eigen, gemotoriseerd vervoer door een vrijwilliger bedraagt € 0,23 per kilometer. In overleg met de jeugdconsulent wordt de optimale route bepaald en vervolgens de minimale kosten voor deze route.</al><al>3. In zeer bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de vergoedingsregeling als bedoeld in artikel 12 lid 2 en artikel 13. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie van heel intensieve jeugdhulp (&gt;3 dagen per week) buiten de regio gedurende een zeer lange periode. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 14 Motivering besluit</nadruk></al><al>Het besluit om een individuele voorziening te verlenen bevat, bij toepassing van deze beleidsregels, een motivering gebaseerd op deze beleidsregels.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 15 Intrekking oude beleidsregel en overgangsrecht  </nadruk></al><al>1. Met ingang van de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels jeugdhulp  gemeente Hilversum 2018 ingetrokken. </al><al>2. Een besluit, genomen op grond van de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2018 blijft na inwerkintreding van de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2024, voor de duur van dat besluit van kracht totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. </al><al>3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2018 en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze beleidsregels, worden afgehandeld krachtens de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2018. </al><al>4. Op bezwaarschriften en (hoger-)beroepschriften tegen een besluit op grond van de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2018 wordt beslist met inachtneming van de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2018. </al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 16  Inwerkingtreding</nadruk></al><al>Deze beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2026 treden in werking op de dag na de dag van bekendmaking en is van toepassing op aanvragen die op of na de dag van inwerkingtreding worden ingediend en op bezwaarschriften en (hoger-)beroepsschriften tegen een besluit genomen op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Hilversum 2025.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 17  Citeertitel</nadruk></al><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: “Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hilversum 2026”.</al><al /><al>Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Hilversum op 30 juni 2026,</al><al>Burgemeester en wethouders van Hilversum, </al><al>de gemeentesecretaris,  de burgemeester,</al><al>mr. C.P. Torres Barrera  dr. ir. G.M. van den Top</al><al /><al /><al /><al /><al /><al /><al><nadruk type="vet">Bijlage 1  </nadruk><nadruk type="vet" /><nadruk type="vet">Richtlijn gebruikelijke hulp aan jeugdigen met een normale ontwikkeling, per leeftijdsfase </nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdlijn </nadruk></al><al>Als de hulp qua aard en omvang (frequentie en benodigde tijd) zodanig is dat deze naar algemeen aanvaarde opvattingen verwacht mag worden van de betreffende ouders van de jeugdige, dan is er sprake van gebruikelijke hulp. De taak van de ouders is om de kinderen op te voeden. Daar horen zij alles voor te doen wat zij zelf kunnen, maar niet meer. Dus de ouder geeft hulp zo lang de ouder niet overbelast is.  </al><al>Als ouders jeugdhulp vragen voor taken waarvan het gebruikelijk is dat ze dit zelf oppakken, kent het college geen jeugdhulp toe. Indien voldoende duidelijk is dat ze die taken ook kúnnen oppakken. De eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen (de eigen kracht) van de ouders zijn dan immers toereikend. </al><al>Ook kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe voor taken waarvan het gebruikelijk is dat ouders dit zelf oppakken, indien een (dreigende) overbelasting van ouders kan worden opgeheven met ondersteuning van de naaste omgeving, en/of met inzet van een andere, voorliggende, voorziening en/of met de inzet van een algemene voorziening. </al><al /><al><nadruk type="vet">Hoe wordt beoordeeld of er sprake is van gebruikelijke hulp: </nadruk></al><al>Aan de hand van de volgende criteria bepaalt het college of sprake is van gebruikelijke hulp.  </al><al>Leeftijd </al><al>Jonge kinderen (gezond of met een aandoening) hebben meer hulp nodig van hun ouders dan oudere kinderen. Sommige handelingen zijn dus op jonge leeftijd nog gebruikelijke hulp maar worden op latere leeftijd als ongebruikelijke hulp gezien.  </al><al>Voorbeeld: Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, toezicht of hulp bij nodig heeft. Dit is dus gebruikelijke hulp. </al><al>Zie in meer detail hieronder bij het kopje ‘Gebruikelijke hulp per leeftijdsfase’. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Aard van de handeling </nadruk></al><al>Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Maar toch als gebruikelijke hulp worden aangemerkt omdat ze gelijkwaardig de gebruikelijke hulphandeling vervangen. </al><al>Voorbeeld </al><al>Het legen van een katheterzakje in plaats van het verschonen van een luier; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Frequentie </nadruk></al><al>Hulp die meeloopt in het normale patroon van dagelijkse hulp voor een kind, zoals drie keer per dag eten, is gebruikelijke hulp.  </al><al>Voorbeeld </al><al>a. Bij een kind dat bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse hulp voor een kind en is dit gebruikelijke hulp. </al><al>b. Een kind meerdere malen per nacht hulp bieden terwijl dit niet meer past bij de leeftijdsfase van dit kind is hulp die niet meeloopt in het normale patroon van dagelijkse hulp van ouders aan een kind. Dit is dus geen gebruikelijke hulp. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Tijdsduur </nadruk></al><al>De tijdsduur die nodig is om de hulp te verlenen. </al><al>Voorbeeld </al><al>Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten, vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, is deze extra tijd geen gebruikelijke hulp. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Samenhangende beoordeling </nadruk></al><al>De hiervoor genoemde criteria beoordeelt het college telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van de jeugdige en het gezinssysteem. </al><al>Voorbeeld </al><al>a. Het geven van orale medicatie (aard) bij een kind van 9 jaar (leeftijd) is in beginsel gebruikelijke hulp. Als de medicatie echter elke nacht meerdere malen (frequentie) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon. Ouders kunnen ervoor kiezen deze niet gebruikelijke hulp toch zelf te geven zonder inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening omdat in dit gezin de draaglast aanvaardbaar is. Op enig moment kan de inzet van ouders echter toch hun draagkracht te boven gaan. Dan kan alsnog een individuele jeugdhulpvoorziening geïndiceerd worden. </al><al>b. Ook voor handelingen die een kind zelf kan uitvoeren (zelfhulp), kan geen hulp worden geïndiceerd. B.v. een kind van 14 met diabetes dat zelf zijn bloedsuiker kan prikken en insuline kan spuiten. </al><al /><al><nadruk type="vet">Voor alle leeftijdsfases tot 18 jaar geldt een veilige woonomgeving = gebruikelijke hulp </nadruk></al><al>Het door ouders bieden van een veilige thuisomgeving om te wonen is gebruikelijke hulp. Dit betekent dat: </al><al>• de lichamelijke en sociale veiligheid van de jeugdige is gewaarborgd, en </al><al>• er een bij de leeftijd van de jeugdige passend opvoedkundig klimaat is, en </al><al>• de jeugdige de hulp, begeleiding en stimulans krijgt die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.  </al><al /><al>Als ouders geen veilige woonomgeving kunnen bieden bv. vanwege opvoedingsonmacht van de ouders, is een individuele voorziening jeugdhulp op grond van de Jeugdwet mogelijk. Welke voorziening is afhankelijk van de specifieke gezinssituatie. Uitgangspunt daarbij is dat jeugdigen in beginsel niet uit huis geplaatst worden en dat ambulante gezinsgerichte ondersteuning wordt geïndiceerd. Indien uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, dan is het uitgangspunt ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ in combinatie met inzet op terug naar huis bij (tijdelijk) verblijf buiten het eigen gezin. </al><al>In volgorde van wenselijkheid kan dan zo nodig de volgende hulp worden ingezet: </al><al>1. ambulante hulp voor jeugdige en gezin; </al><al>2. (tijdelijk) verblijf elders in een netwerkpleeggezin; </al><al>3. (tijdelijk) verblijf  in een pleeggezin;  </al><al>4. (tijdelijk) verblijf in een gezinshuis; </al><al>5. (tijdelijk) verblijf in een kleinschalige woonvoorziening; </al><al>6. (tijdelijk) verblijf in een instelling. </al><al /><al><nadruk type="vet">Gebruikelijke hulp per leeftijdsfase </nadruk></al><al><nadruk type="ondlijn">Kinderen van 0 tot 3 jaar </nadruk></al><al>• hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; </al><al>• ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; </al><al>• zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; </al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Kinderen van 3 tot 5 jaar </nadruk></al><al>• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); </al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; </al><al>• kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; </al><al>• hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; </al><al>• hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; </al><al>• zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Kinderen van 5 tot 12 jaar </nadruk></al><al>• kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; </al><al>• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); </al><al>• hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; </al><al>• hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; </al><al>• zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; </al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; </al><al>• hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Kinderen van 12 tot 18 jaar </nadruk></al><al>• hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; </al><al>• kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; </al><al>• kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; </al><al>• hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; </al><al>• hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; </al><al>• hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; </al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); </al><al>• hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. </al><al /></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--></ondertekening></regeling-sluiting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>