<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-325853/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Súdwest-Fryslân</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Participatieverordening Súdwest-Fryslân</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van gemeente Súdwest-Fryslân;</al><al /><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 maart 2026;</al><al /><al>gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit; </al><al /><al>b e s l u i t:</al><al /><al>vast te stellen de </al><al /><al>Participatieverordening Súdwest-Fryslân</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;</al></li><li><li.nr>a.</li.nr><al>bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>inspraak; zoals bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet. De mogelijkheid die een bestuursorgaan aan een doelgroep biedt om hun zienswijze te geven;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités en andere organisaties die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid van de Gemeentewet. </al></li></lijst><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelstelling</titel></kop><al>Het doel van deze verordening is: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>kaders te geven aan het bestuursorgaan en de participerende doelgroepen rondom participatietrajecten;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de kwaliteit van inwonersparticipatie te verbeteren;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>stimuleren dat inwonersparticipatie altijd een duidelijk doel heeft;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>in te zetten op een gelijkwaardig, inclusief en transparant participatieproces;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>evaluatiemomenten tijdens en na het participatieproces te stimuleren.</al><al /></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid of en hoe inwonersparticipatie plaatsvindt en ten aanzien van zijn eigen taken of om toepassing van het uitdaagrecht kan worden verzocht.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het bestuursorgaan past bij het vaststellen of significant wijzigen van de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en het omgevingsplan deze verordening toe. Daarbij houdt het bestuursorgaan rekening met de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Deze verordening is aanvullend op participatie, inspraak of andere inbreng en initiatieven van inwoners die al zijn geregeld in andere al dan niet gemeentelijke verordeningen, regelgeving of procedures.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Het bestuursorgaan laat in elk geval geen inwonersparticipatie plaatsvinden of past het uitdaagrecht niet toe als:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of beleid gaat, dat is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>naar het oordeel van het bestuursorgaan de uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moeten wegen;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>het om onderwerpen gaat die alleen effect hebben op de interne organisatie van het bestuursorgaan;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen zoals bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat.</al></li></lijst></li></lijst><al /><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Inwonersparticipatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Plan voor inwonersparticipatie</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Bij het starten van de voorbereidingen van nieuw beleid wordt door het bestuursorgaan een gemotiveerde keuze gemaakt of in de fasen voorbereiding, uitvoering en evaluatie wordt geparticipeerd.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Indien sprake is van participatie rondom het maken van nieuw beleid stelt het bestuursorgaan een participatieplan op. Dit plan kan onderdeel uitmaken van een groter (beleids-) plan of op zichzelf staan. In het plan komen de volgende onderwerpen aan bod:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het doel van het participatieproces;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>welke doelgroepen door het voorgenomen beleid rechtstreeks of middellijk worden geraakt, waarbij het bestuursorgaan motiveert op welke wijze deze doelgroepen worden betrokken in het participatieproces;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>waarover geparticipeerd kan worden en waarover niet;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>een weloverwogen keuze over de grootte van het participatieproces;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>welke invloed participanten hebben (raadplegen, adviseren, coproductie, meebeslissen of faciliteren);</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>wat de rolverdeling is tijdens het participatieproces;</al></li><li><li.nr>g.</li.nr><al>een planning van het participatieproces met vastgestelde communicatiemomenten rondom ontwikkelingen en besluitvorming;</al></li><li><li.nr>h.</li.nr><al>een motivering waaruit blijkt hoe rekening is gehouden met een evenwichtige vertegenwoordiging van relevante doelgroepen, waaronder kinderen, jongeren, volwassenen en ouderen, voor zover het voorgenomen beleid naar het oordeel van het bestuursorgaan gevolgen heeft voor deze doelgroepen.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Bij het participatieproces zorgt het bestuursorgaan ervoor dat het zich houdt aan de volgende voorwaarden die volgens kinderen in Súdwest-Fryslân belangrijk zijn:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de doelgroep op tijd wordt betrokken;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>duidelijk wordt gemaakt wat er wel en niet kan;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de doelgroep voldoende kennis en informatie krijgt om goed te kunnen participeren;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>bij een zo divers mogelijke groep informatie wordt opgehaald;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>afspraken worden gemaakt over wat er met de uitkomsten wordt gedaan;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de doelgroepen worden uitgenodigd op de voor die doelgroep meest geschikte manier. </al></li></lijst></li><li><li.nr /><al /></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inspraak</titel></kop><al>Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander participatieproces vaststelt.</al><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Eindverslag inwonersparticipatie</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een verslag van de inwonersparticipatie op.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het verslag bevat in elk geval;</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een beschrijving van het participatieproces dat is gevolgd;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de ideeën en argumenten van de doelgroepen die hebben geparticipeerd;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een toelichting wat er met die ideeën en argumenten is gedaan, hoe het beleid daarop is aangepast;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>een evaluatie met de doelgroepen van het participatieproces.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Als het college op grond van artikel 4, derde lid het plan voor de inwonersparticipatie heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Uitdaagrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verzoek om toepassing uitdaagrecht</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indienen wanneer zij een gemeentelijke taak in samenwerking uit willen voeren of geheel over willen nemen.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Het verzoek bevat in ieder geval:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een omschrijving van de gemeentelijke taak die de verzoeker wil overnemen;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>uitleg hoe verzoeker deze taak beter, goedkoper, duurzamer, of met meer maatschappelijke impact kan uitvoeren;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>een indicatie van het draagvlak in de samenleving voor het overnemen van deze taak door verzoeker;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>een omschrijving van de manier waarop de verzoeker met de gemeente wil samenwerken;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>een tijdsindicatie over de periode waarin verzoeker de taak wil overnemen.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.</al></li><li><li.nr /><al /></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Als de gemeenteraad op het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Onverminderd artikel 3, vierde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het verzoek niet voldoet aan de in artikel 7, tweede lid, gestelde eisen;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>de tijd die het kost om de procedure op te zetten naar het oordeel van het bestuursorgaan niet in verhouding staat tot de periode waarin de taak wordt overgenomen.</al></li></lijst></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Het bestuursorgaan reageert binnen zes weken op het ingediende verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met vier weken verlengen en meldt dit aan verzoeker.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen twee weken openbaar.</al></li><li><li.nr /><al /></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering taak</titel></kop><al>Als het bestuursorgaan het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de samenwerking en rolverdeling tussen gemeente en verzoeker;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>welke partij risicoaansprakelijk is en wat dit betekent voor de samenwerking;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak;</al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>de evaluatie van de uitvoering van de taak.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere regels college</titel></kop><al>Het college kan over inwonersparticipatie en het uitdaagrecht nadere regels vaststellen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening.</al><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De ‘Inspraakverordening gemeente Súdwest-Fryslân’ wordt ingetrokken.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>De ‘Inspraakverordening gemeente Súdwest-Fryslân’ blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.</al></li></lijst><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Súdwest-Fryslân.</al></li></lijst><al /></artikel></hoofdstuk><artikel><kop><label /></kop><al /></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 juli 2026,</functie><functie /><functie>mr. drs. J.A. de Vries, voorzitter</functie><functie /><functie>G.W. Stegenga, griffier</functie></ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><nadruk type="ondlijn">Algemeen deel</nadruk></al><al>Voordat in deze toelichting wordt gesproken over de aanleiding van deze verordening, is het zinvol om te onderscheiden over welke vorm van participatie de verordening gaat. Participatie is een veelgebruikt begrip met meerdere betekenissen. In het geval van deze verordening spreken we van beleidsparticipatie, of wel het uitoefenen van invloed door ingezetenen en belanghebbenden op de besluiten die de gemeente Súdwest-Fryslân neemt. Vormen van inwonersparticipatie zijn: inspraak- of inloopavonden, enquêtes, digitale participatie, burgerberaden of burgerbegrotingen en (samen)werkgroepen van inwoners en gemeente. Bij inwonersparticipatie worden inwoners, organisaties en andere betrokkenen op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces betrokken. </al><al /><al>Aanleiding: wet versterking participatie op decentraal niveau</al><al>Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 2023, hierna: de wet). Deze wet wijzigt artikel 150 van de Gemeentewet, waarin per 1 januari 2025 staat dat gemeenten inwoners bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid moeten betrekken. </al><al /><al>Gemeenten staan voor grote maatschappelijke uitdagingen, waarin het van belang is om de mensen om wie het gaat vroegtijdig en zorgvuldig te betrekken. Deze opgaven zijn niet alleen van de gemeente, maar van de gehele samenleving. Daarbij is een goede samenwerking onmisbaar. </al><al /><al>In de wet staat ook dat de gemeente regels op moet nemen op het gebied van het uitdaagrecht. Met het uitdaagrecht kunnen belanghebbenden en ingezetenen gemeentelijke taken (artikel 150, derde lid onder a van de Gemeentewet) of taken die aan gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b Gemeentewet) overnemen wanneer zij dit slimmer, beter, goedkoper of anders kunnen doen. </al><al /><al>In de verordening staat niet genoemd welke vormen de participatie aan moet nemen. Per project, onderwerp en/of vraagstuk zal een bepaalde vorm van participatie of een combinatie van meerdere vormen het meest geschikt zijn. In sommige gevallen zal de vorm door de gemeente worden bedacht en in andere gevallen zal de vorm worden bedacht in samenwerking met de participanten. De participatieverordening vervangt de inspraakverordening, maar inspraak blijft een instrument dat kan worden toegepast in het kader van participatie. </al><al /><al>Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet </al><al>In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager. </al><al /><al><nadruk type="ondlijn">Artikelsgewijs</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Hoofdstuk 1 – inleidende bepalingen </nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 1. Begripsbepalingen </nadruk></al><al>Beleid</al><al>Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Dit kunnen thematische en strategische programma’s zijn, maar ook programma’s en plannen in het kader van de omgevingswet. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.</al><al /><al>Uitdaagrecht</al><al>Zoals bedoeld in artikel 150, derde lid van de Gemeentewet. Op grond hiervan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen. Een gemeentelijke taak is terug te vinden in de begroting van de gemeente met een duidelijke kostenpost en opdracht. Het is niet mogelijk om het uitdaagrecht toe te passen op taken die niet van de gemeente zijn. Het woord ‘uitdaagrecht’ suggereert een conflicterende houding tussen indiener en gemeente, wat in de praktijk vaak niet het geval is. Er is eerder sprake van een samenwerking tussen indiener en gemeente, gezien de gemeente in de meeste gevallen aansprakelijk blijft voor eventuele risico’s. Het is dan ook de bedoeling om een verzoek tot het uitdaagrecht aan te pakken als een samenwerking tussen beide partijen met de mogelijkheid tot gehele overname wanneer dit juridisch gezien mogelijk is. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2. Doelstelling </nadruk></al><al>Onder dit artikel staan de doelstellingen van deze verordening omschreven. De verordening omvat spelregels voor inwonersparticipatie voor de gemeente. In dit artikel kunnen participanten lezen wat ze van de gemeente kunnen verwachten en waar men de gemeente op aan kan spreken wanneer de participatie anders loopt dan gedacht.</al><al>Met inclusie bedoelen we hier dat iedereen ertoe doet en van waarde is, ongeacht verschillen. Participatie moet zodanig zijn ingericht dat verschillende (doel)groepen zich welkom voelen om mee te doen. </al><al> De doelstellingen komen overeen met de ambities uit de visie op inwonersparticipatie en gaan vanaf sub c in op de drie verschillende fasen waarin ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij het opstellen van gemeentelijk beleid, namelijk de voorbereiding (c ), uitvoering (d), en evaluatie (e). </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 3. Reikwijdte</nadruk></al><al>In dit artikel staat omschreven wat het bereik van de participatieverordening is. Met andere woorden, waar heeft deze verordening wel betrekking op en waarop niet. Uitgangspunt n de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun taken en bevoegdheden, bepalen of inwonersparticipatie plaatsvindt en of het mogelijk is het uitdaagrecht toe te passen. </al><al>Deze verordening is aanvullend op participatie, inspraak of andere inbreng en initiatieven van inwoners die al zijn geregeld in andere al dan niet gemeentelijke verordeningen, regelgeving en procedures. Hiermee wordt bedoeld dat er ook andere verordeningen, regels en procedures binnen de gemeente zijn waar participatie onderdeel van uitmaakt, of waarbij participatie het middel is om een bepaald doel te bereiken. Die verplichtingen blijven ongewijzigd bestaan. Hieronder volgt een voorbeeld. </al><al /><al>Súdwest-Fryslân kent de Adviesraad Sociaal Domein en de Cliëntenraad Werk en Inkomen Súdwest-Fryslân. Deze constructie is een vorm van inwonersparticipatie. De Cliëntenraad Werk en Inkomen adviseert over de thema’s die binnen de Participatiewet en de Wet Inkomensvoorziening Oudere en Gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze werknemers (IOAW) van toepassing zijn. De wettelijke grondslag ligt in artikel 47 van de Participatiewet en artikel 42 van de IOAW. De gemeente heeft voor de cliëntenraad ook een verordening opgesteld. De Adviesraad Sociaal Domein richt zich op thema’s binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en de Jeugdwet. De samenstelling van deze raden bestaat uit inwoners die ervaringsdeskundige zijn op specifieke thema’s binnen het Sociaal Domein. De wettelijke grondslag van deze raden en de manier van samenwerken wijzigt met de komst van de participatieverordening niet. Het vormen of instellen van een adviesraad rondom een bepaald beleidsthema kan een vorm van inwonersparticipatie zijn die op verschillende manieren kan worden vastgelegd. </al><al /><al>In lid 4 staan een aantal uitzonderingen geformuleerd. Met deze uitzonderingsgronden moet zorgvuldig om worden gegaan. Het feit is dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering en evaluatie. Daarom dient er goed gekeken te worden in welke fase de participatie zich bevindt. Als er sprake is van één of meerdere uitzonderingen dan moet er gemotiveerd worden waarom van participatie wordt afgezien. </al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdstuk 2 - inwonersparticipatie</nadruk></al><al>Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op inwonersparticipatie. Het derde hoofdstuk gaat specifiek in op het uitdaagrecht. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 4. Plan voor inwonersparticipatie</nadruk></al><al>Lid 1: Gemotiveerde keuze</al><al>Voordat er wordt begonnen met een proces tot het maken van beleid er worden afgewogen of inwonersparticipatie in de drie fasen (voorbereiding, uitvoering en evaluatie) toegevoegde waarde heeft. Er moet sprake zijn van een bewuste en gemotiveerde keuze om wel of geen inwonersparticipatie toe te passen. Volgens de doelstellingen van deze verordening wordt er alleen geparticipeerd met een duidelijk doel. Participatie is altijd een middel en geen doel op zich. Deze afweging kan een plaats krijgen in verschillende vormen, zoals een plan van aanpak, in een college-advies, een startnotitie of als onderdeel in het onder lid 2 genoemde participatieplan. </al><al /><al>Lid 2: Het participatieplan</al><al>Wanneer bewust en gemotiveerd is besloten om inwonersparticipatie toe te passen bij het maken van beleid, moet er een participatieplan worden opgesteld. Het participatieplan gaat helpen bij het verwoorden van het doel van participatie en de afspraken daarover met de mensen om wie het gaat. Dit plan kan door de gemeente of door middel van een samenwerking tussen gemeente en de participanten worden gemaakt. Het participatieplan kan onderdeel uitmaken van een projectplan, voordracht of beleidsstuk, maar kan ook een losstaand document zijn. Uitgangspunt van dit plan is dat het na vaststelling door het college, wordt gedeeld met de gemeenteraad. </al><al>Onder ‘e’ staan enkele gradaties van invloed, zoals raadplegen, adviseren, coproductie, meebeslissen of faciliteren. Deze gradaties zijn gebaseerd op de participatieladder, die in verschillende vormen kan worden gebruikt om na te denken over de ruimte voor invloed die inwoners hebben en wat de gevolgen daarvan zijn.</al><al /><al>Lid 3: informeren van de gemeenteraad</al><al>Om de gemeenteraad hun taak als volksvertegenwoordiger, maar ook de rol van controlerend orgaan goed uit te laten voeren, is het belangrijk dat zij worden meegenomen in besluiten rondom participatie. De manier waarop de gemeenteraad wordt meegenomen kan in de vorm van actieve informatie of als raadsbesluit, afhankelijk van welk bestuursorgaan beslisbevoegd is. </al><al /><al>Lid 4: goede participatie volgens kinderen in Súdwest-Fryslân</al><al>Op grond van artikel 12 van het Kinderrechterverdrag hebben kinderen het recht om gehoord te worden over zaken die hen aangaan. Het is daarom belangrijk om kinderen en jongeren goed mee te nemen in het maken van beleid, plannen, projecten of programma’s die over hen gaan. De uitgangspunten onder lid 4 zijn bedacht door basisschoolleerlingen uit Súdwest-Fryslân die in 2025 meededen aan de kinderconferentie. De rode draad in dat advies is een helder proces en bovenal duidelijke communicatie. Wanneer iets niet kan, moet de gemeente dat zeggen en uitleggen waarom. De gemeente moet volgens hen ook zijn best doen om verschillende doelgroepen (waaronder jongeren) te bereiken op een manier die bij hen past. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 5. Inspraak</nadruk></al><al>Inspraak is een vorm van inwonersparticipatie. Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.</al><al /><al>De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 6. Verslag inwonersparticipatie</nadruk></al><al>Een veelgemaakte fout rondom inwonersparticipatie is dat er niet wordt gecommuniceerd over wat er is gedaan met de informatie die bij participanten wordt opgehaald. </al><al>Daarom moet het bestuursorgaan, op grond van dit artikel nadat de participatie heeft plaatsgevonden, een verslag opstellen. Dit verslag is vormvrij en kan worden opgenomen in een losstaand document, onderdeel zijn van een beleidsnota, projectplan, digitale omgeving, filmpje van een evaluatiebijeenkomst, voordracht of passage in een brief zijn. In dit artikel staat omschreven waar dat verslag ten minste aan dient te voldoen. Dit verslag wordt gedeeld met de participanten en wanneer mogelijk, samen met hen opgesteld. </al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdstuk 3 –Uitdaagrecht</nadruk></al><al>Dit hoofdstuk gaat specifiek over de toepassing van het uitdaagrecht. Het tweede hoofdstuk bevat de bepalingen die gaan over inwonersparticipatie. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 7. Verzoek toepassing uitdaagrecht</nadruk></al><al>Toepassing van het uitdaagrecht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. De reden hiervoor is om het verzoek zo laagdrempelig mogelijk te maken. Het verzoek dient te voldoen aan de in dit artikel genoemde voorwaarden. Indien meer informatie nodig is om het plan te kunnen beoordelen dat kan het college deze informatie opvragen. Uitgangspunt van het uitdaagrecht is dat de gemeente open staat voor samenwerking met de aanvrager. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 8. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht</nadruk></al><al>In dit artikel staan enkele gronden waarop een verzoek tot het uitdaagrecht kan worden afgewezen. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en openbaar maken.</al><al>Bij de toepassing van het uitdaagrecht worden aanbestedingsregels, het aanbestedingsbeleid van de gemeente en het aansprakelijkheidsrecht altijd nageleefd. Het uitdaagrecht overschrijft deze regels niet. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 9. Uitvoering taak</nadruk></al><al>Voordat het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan afspraken met de indiener over de uitvoering van de taak en ook welke stappen er volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een overeenkomst. Deze wordt dan samen met de initiatiefnemer opgesteld. </al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdstuk 4 - Slotbepalingen</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 10. Nadere regels college</nadruk></al><al>Het college mag nadere regels vaststellen. Dat betekent dat het college bepaalde artikelen uit de verordening nader uit kan werken indien gewenst. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 11. Hardheidsclausule</nadruk></al><al>Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijkt. In het geval het gaat om een bevoegdheid van de gemeenteraad zal het college aan de gemeenteraad moeten voorstellen om de hardheidsclausule toe te passen.</al><al /></nota-toelichting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>