<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-293145/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Zaltbommel</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Beleidsregels bijzondere bijstand Bommelerwaard 2026</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van de gemeente Zaltbommel,</al><al /><al>Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en op de artikelen 7, eerste lid, onderdeel b en 35 van de Participatiewet,</al><al /><al>besluit vast te stellen: “Beleidsregels bijzondere bijstand Bommelerwaard 2026”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onder c van de Participatiewet. Zonder toepassing van artikel 22a van de Participatiewet;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>woonkosten:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al> bij bewoning van een woning, woonwagen of woonboot in huur, de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>bij bewoning van een woning, een woonwagen of een woonboot, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en/of de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt de bijzondere bijstand om niet (dit betekent: als gift) verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen genoemd in artikel 48 lid 2 van de Participatiewet en ingeval het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft als bedoeld in artikel 51 van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag wordt schriftelijk (digitaal) ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag worden de gegevens overgelegd zoals aangegeven op het aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend tot maximaal zes maanden nadat de kosten zich hebben voorgedaan of zijn opgekomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het derde lid kan worden afgeweken ingeval:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>er sprake is van aantoonbare, uitzonderlijke omstandigheden die buiten de invloed van de aanvrager liggen en die het onmogelijk hebben gemaakt de aanvraag binnen de termijn van zes maanden te doen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Aanleveren bewijsstukken</titel></kop><al>Declaraties (bewijsstukken/bonnen) van kosten waarvoor bijzondere bijstand op declaratiebasis is toegekend, moeten binnen 3 maanden waarin de bijzondere bijstand is toegekend, worden ingeleverd. Bewijsstukken van kosten die later dan deze datum zijn ingediend, worden niet meer uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Algemene voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college toetst een aanvraag voor bijzondere bijstand eerst aan de algemene voorwaarden van paragraaf 2.2 van de Participatiewet. Enkel wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan vindt toetsing aan artikel 35 van de Participatiewet plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er bestaat alleen aanspraak op bijzondere bijstand voor kosten die in Nederland zijn opgekomen en aan Nederland zijn verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Hoogte van de bijzondere bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van de Nibud-prijzengids tenzij de beleidsregels anders bepalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin de Nibud-prijzengids niet voorziet, wordt uitgegaan van de feitelijke noodzakelijke kosten waarbij het uitgangspunt van de goedkoopst adequate voorziening geldt. </al></lid><lid><lidnr /><al>Daarbij kan het college richtprijzen en tweedehands prijzen hanteren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inzet deskundigenadvies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan om deskundigenadvies vragen ingeval dat voor het vaststellen van het recht en/of de hoogte van de bijzondere bijstand noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager verleent desgevraagd zijn medewerking aan het onderzoek dat nodig is voor het advies als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een deskundigenadvies hoeft niet te worden gevraagd als:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Het jaarlijks terugkerende kosten betreft en het college vaststelt dat de (medische) situatie sinds het laatste deskundigenadvies niet is gewijzigd of wanneer herbeoordeling niet wordt geadviseerd.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Het college dat anderszins niet nodig acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten van een advies moeten in redelijke verhouding staan ten opzichte van de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd. Als grensbedrag voor het opvragen van een advies wordt daarom € 250,- gehanteerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al>Het college maakt geen gebruik van een drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 tweede lid van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Het inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van de bijstandsnorm zonder rekening te houden met eventuele kostendelers en/of vakantiegeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het periodieke inkomen van de aanvrager gedurende de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt. Van deze periode van drie maanden wordt een gemiddeld inkomen per maand berekend. Tenzij dit geen juist inzicht geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het in aanmerking te nemen inkomen (volgens artikel 32 en 33 van de Participatiewet) exclusief vakantiegeld geldt een vrijlating van 10% bovenop de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld. Van het inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt in beginsel 100% als draagkracht in aanmerking genomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid wordt de draagkracht op nihil gesteld bij personen in een minnelijke regeling Schuldhulpverlening of via de WSNP (Wet schuldsanering natuurlijke personen).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het op nihil stellen van de draagkracht als benoemd in lid 5 kan specifiek voor de kosten van bewindvoering voor- en achteraf met maximaal drie maanden worden verlengd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Het vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het vermogen dat de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet overschrijdt, wordt een bedrag ter hoogte van één maand bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de draagkracht. Het resterende deel wordt volledig als draagkracht in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het vermogen in de woning en het bijbehorende erf wordt niet meegerekend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Draagkrachtperiode</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De draagkracht wordt voor een jaar vastgesteld, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn ontstaan. De draagkracht kan voor kortere of langere tijd vastgesteld worden, als de omstandigheden daar aanleiding toe geven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt in de situaties bedoeld in artikel 9 lid 5 de draagkrachtperiode voor de duur van het minnelijk dan wel wettelijk traject vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt bij de aanvrager die een uitkering op basis van de Participatiewet ontvangen, de draagkrachtperiode vastgesteld voor de duur van de uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Wijziging draagkracht(periode)</titel></kop><al>Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan alleen worden gewijzigd als een wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de aanvrager daartoe aanleiding geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Woonkostentoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Woonkostentoeslag voor een huurwoning, gehuurde woonwagen of gehuurde woonboot:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Als iemand in een woning woont die recht geeft op huurtoeslag, maar door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen huurtoeslag kan krijgen, wordt een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop hij wel huurtoeslag krijgt.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die hij per maand volgens de Wet op de huurtoeslag zou ontvangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Woonkostentoeslag voor een woning in eigendom</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Als iemand een eigen woning bezit en daarin woont, maar geen huurtoeslag kan krijgen omdat het een eigen woning is, wordt een woonkostentoeslag verstrekt.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die hij volgens de Wet op de huurtoeslag zou ontvangen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurprijs: </al></lid><lid><lidnr /><al>Als iemand in een huurwoning woont of een eigen woning heeft, kan er een woonkostentoeslag worden gegeven voor woonkosten boven de maximale huurprijs volgens artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. Deze toeslag wordt berekend volgens dit artikel lid 1 onder b van deze beleidsregels, waarbij de woonkosten boven de maximale rekenhuur volledig in aanmerking komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonkostentoeslag wordt eenmalig verstrekt tot de datum waarop iemand wel huurtoeslag kan krijgen, of voor maximaal één jaar als huurtoeslag niet aan de orde is. Deze periode kan verlengd worden bij bijzondere omstandigheden. De aanvrager moet deze omstandigheden aantonen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de woonkostentoeslag zoals beschreven in het eerste lid, wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting verbonden dat iemand zo spoedig mogelijk verhuist naar een goedkopere woning, waarvoor geen aanspraak meer gedaan hoeft te worden op woonkostentoeslag, dan wel, als de woning een eigen woning betreft, de woning zo spoedig mogelijk te koop aanbiedt, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De verhuisplicht wordt niet opgelegd als: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>De hoge huur veroorzaakt wordt door voorzieningen die zijn aangebracht vanwege een handicap van de huurder, partner of medebewoner. </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Er voor gepensioneerden geen redelijk goedkoper woonalternatief is gezien medische en sociale omstandigheden. </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Huishoudens van 8 personen of meer wonen in een woning die geschikt is voor ten minste 8 personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Als iemand naar vermogen getracht heeft goedkopere woonruimte te vinden, maar dit niet is gelukt, dan wordt de woonkostentoeslag met maximaal één jaar verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Het recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>Het college verleent de aanvrager op verzoek een individuele inkomenstoeslag mits hij voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 36 van de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag 2018.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Ontbreken uitzicht op inkomensverbetering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitzicht op inkomensverbetering, als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet, wordt niet aanwezig geacht ingeval:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Niet werkende: als de niet werkende uitkeringsgerechtigde(n) voldoet/voldoen aan de vereiste van een langdurig laag inkomen. </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Werkende: als de werkende voldoet aan de vereisten van een langdurig laag inkomen, en hij/zij vanwege in de persoon gelegen omstandigheden niet in staat wordt geacht door urenuitbreiding of (aanvullende) werkzaamheden elders het inkomen te verbeteren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarnaast moet binnen een periode van 12 maanden geen uitzicht zijn op het verwerven van inkomsten die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm. Is dat mogelijk wel het geval over een langere periode van 12 maanden, dan is dat een beoordelingspunt voor de volgende individuele inkomenstoeslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Aanwezigheid van uitzicht op inkomensverbetering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitzicht op inkomensverbetering, als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet, wordt aanwezig geacht als het aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 maanden inkomsten gaat ontvangen die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm. Is daarvan pas na 12 maanden sprake, dan wordt dit uitzicht op inkomensverbetering (voor de komende 12 maanden) niet aanwezig geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uitzicht op inkomensverbetering wordt in beginsel aanwezig geacht bij de aanvrager die een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos), dan wel een studie genoemd in de Wet Studiefinanciering (WSF 2000) volgt of die in de 12 maanden voorafgaand aan de peildatum heeft gevolgd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager die inkomsten uit arbeid ontvangt onder de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag en bewust kiest voor een deeltijdbaan, maar wel potentieel heeft om zijn inkomen te verbeteren, wordt ook geacht zicht op inkomensverbetering te hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Woninginrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen dan ook in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan er worden afgeweken van het eerste lid. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn ingeval er een medische of sociale noodzaak voor het maken van de kosten bestaat of wanneer een aanvrager in het kader van de taakstelling huisvesting verblijfsgerechtigden in de Bommelerwaard komt wonen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een complete woninginrichting wordt in afwijking van de Nibud-prijzengids uitgegaan van maximaal 50% van de genoemde prijzen van inventarispakketten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van huishoudtypen (en inventarispakketten) die door het Nibud onderscheiden worden, worden op de adressen waar meerdere mensen op basis van kamerbewoning gehuisvest zijn de hoogte van de bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting vastgesteld op maximaal 37% van het genoemde bedrag voor alleenstaanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt. Alleen in bijzondere omstandigheden kan de bijstand om niet worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>(Sociaal) medische kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergoedingen in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) zijn voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15 lid 1 van de Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt vanuit de bijzondere bijstand geen vergoeding verstrekt voor de kosten van de eigen bijdrage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan een aanvrager, die zich als gevolg van betalingsachterstand bij zijn/haar zorgverzekeraar niet aanvullend kan verzekeren, kan geen bijzondere bijstand worden verstrekt voor de medische kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tandartskosten</titel></kop><al>Bijzondere bijstand voor tandartskosten tot een maximum van €250,- kan worden verstrekt aan een aanvrager die:</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>aanvullend verzekerd is;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>noodzakelijke tandheelkundige behandeling(en) ondergaat;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>kosten maakt die niet volledig worden vergoed door de tandartsverzekering;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>kiest voor de goedkoopst adequate voorziening.</al></li></lijst><al /></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Zelfstandig functioneren van mensen met een beperking</titel></kop><al>De volgende niet verzekerbare medische noodzakelijke kosten komen in aanmerking voor bijzondere bijstand:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>extra verwarmingskosten als gevolg van een beperking of langdurige ziekte.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de meerkosten bij dieetkosten die staan op de dieetlijst van de Belastingdienst.</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de meerkosten in verband met was- en slijtagekosten die staan op de GMD-lijst of Nibudlijst.</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>de kosten voor sociale personenalarmering als de noodzaak is aangetoond via de thuiszorgorganisatie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder gezinsleden of naaste familieleden als bedoeld in dit artikel worden verstaan: de partner of de eerste of tweede graad bloedverwanten van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder reiskosten wordt in ieder geval verstaan in verband met het bezoek:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Aan een gezinslid of naast familielid dat verblijft in een ziekenhuis. </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Aan een gezinslid of naast familielid die verblijft in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, als bedoeld in de wet of de Wet langdurige zorg of thuis wordt verzorgd dan wel verpleegd.</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Van de ouder(s) voor het bezoek aan de instelling, niet zijnde een ziekenhuis, waar hun kind verblijft.</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>Aan een gedetineerd gezinslid of naast familielid in Nederland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor reiskosten als er geen sprake is van een voorliggende voorziening en deze kosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De reiskosten van minderjarige kinderen van de aanvrager als bedoeld in het eerste lid kunnen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het tweede lid wordt in beginsel gebaseerd op een bezoekfrequentie van maximaal twee keer per week. Daarbij houdt het college rekening met de aard van de relatie tussen de aanvrager en de persoon aan wie de bezoeken worden afgelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het reguliere tweedeklas OV-tarief, zoals bepaald aan de hand van het goedkoopste reisadvies van www.9292.nl.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer het college van de aanvrager niet kan verlangen dat hij of zij gebruikmaakt van het openbaar vervoer, of wanneer gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is, bedraagt de bijzondere bijstand € 0,23 per kilometer. Het aantal kilometers wordt vastgesteld op basis van de kortste route zoals berekend via de routeplanner op <extref doc="http://www.anwb.nl"><nadruk type="ondlijn">www.anwb.nl</nadruk></extref>.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bijzondere bijstand wordt om niet verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Uitvaartkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de aanvrager die als erfgenaam wordt of kan worden aangemerkt bijzondere bijstand verlenen voor de uitvaartkosten. Voor zover de nalatenschap geen of onvoldoende middelen bevat of nog niet bekend is of dat het geval is of zal zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal het bedrag van de Nibud-prijzengids of een bedrag naar rato in het geval van meerdere erfgenamen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afwijken van richtbedragen als bedoeld in het vorige lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijzondere bijstand wordt om niet verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Kosten bewindvoering, mentorschap en curatele</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent, als de noodzaak voor de onderbewindstelling blijkt uit een beschikking van de rechtbank, bijzondere bijstand voor de kosten van onderbewindstelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder bewindvoeringskosten als bedoeld in dit artikel worden verstaan:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Curatele.</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Beschermingsbewind.</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Mentorschap.</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>Budgetbeheer.</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>Beheer PGB.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bewindvoeringskosten kunnen uiterlijk 6 maanden na de dag waarop de kosten zijn gemaakt, worden aangevraagd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Rechtsbijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent bijzondere bijstand voor de kosten van de bijdrage die verschuldigd is voor rechtsbijstand en noodzakelijke bijkomende kosten indien een toevoeging op grond van de wet op de rechtsbijstand (Wrb) is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de bijzondere bijstand genoemd in het tweede lid van dit artikel wordt de korting van het Juridisch Loket te allen tijde in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Collectieve zorgverzekering voor minima (CZM)</titel></kop><al>De aanvrager met een netto maandinkomen tot 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering van VGZ. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat moment vervallen alle eerder vastgestelde beleidsregels met betrekking tot de bijzondere bijstand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze beleidsregels kunnen aangehaald worden als Beleidsregels bijzondere bijstand Bommelerwaard 2026.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Vastgesteld door het college van Zaltbommel op 16 december 2025,</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>W. (Wouter) Abee </functie><functie>Secretaris </functie><functie /></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>M. (Marnix) Bakermans</functie><functie>Burgemeester</functie></ondertekening><ondertekening><functie /></ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label /><nr /><titel>Toelichting Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 Bommelerwaard</titel></kop><al><nadruk type="cur">Artikel 1</nadruk></al><al>In dit artikel worden enkele begrippen toegelicht. Deze begrippen sluiten aan op de begrippen uit de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 2</nadruk></al><al>Bijzondere bijstand kan worden verstrekt als gift (om niet) of als renteloze lening. Standaard is de bijstand een gift, tenzij sprake is van situaties waarin volgens de Participatiewet of vanwege het soort kosten (zoals duurzame gebruiksgoederen) een lening meer passend is.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 3</nadruk></al><al>Bijstand op grond van de Participatiewet wordt toegekend vanaf de datum waarop het recht op bijstand is ontstaan, mits deze datum niet vóór de dag ligt waarop de aanvrager zich heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. In de praktijk leidt dit regelmatig tot afwijzende besluiten, omdat kosten zijn gemaakt vóór de melding.</al><al>Om hierin enige tegemoetkoming te bieden, is bepaald dat een aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend tot maximaal zes maanden nadat de kosten zich hebben voorgedaan of zijn opgekomen. Dit beleid dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid.</al><al>Deze regeling is echter niet van toepassing op de kosten zoals genoemd in artikel 13 van deze beleidsregels. Woonkostentoeslag betreft namelijk maandelijkse noodzakelijke bestaanskosten. Voor deze kosten geldt de hoofdregel van de Participatiewet: er wordt geen bijstand met terugwerkende kracht verleend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Ook is deze bepaling niet van toepassing op bijzondere bijstand voor incidenteel voorkomende algemene bestaanskosten.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 5</nadruk></al><al>In paragraaf 2.2 van de Participatiewet staan de algemene voorwaarden voor het recht op (bijzondere) bijstand. Dat betekent dat het college (in beginsel) geen bijzondere bijstand mag verlenen als een van deze artikelen niet van toepassing is.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 6</nadruk></al><al>In dit artikel wordt verwezen naar de normbedragen zoals deze voor de verschillende bijzondere kostensoorten verstrekt kunnen worden. De hoogte van de bijstand wordt gebaseerd op de actuele Nibud-prijzengids wat een objectieve en breed erkende bron hiervoor is. Als het Nibud geen richtlijn biedt, worden de daadwerkelijke noodzakelijke kosten beoordeeld, waarbij steeds wordt gekeken naar de goedkoopst adequate oplossing. Tweedehands en richtprijzen mogen worden gebruikt om de kosten te bepalen.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 7</nadruk></al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak en/of de hoogte van de bijzondere bijstand beschikt het college niet altijd over de benodigde deskundigheid. In dergelijke gevallen heeft het college de bevoegdheid om extern deskundigenadvies in te winnen.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 9</nadruk></al><al>Het college beschikt over de bevoegdheid om te bepalen welk deel van de beschikbare middelen wordt meegenomen bij de beoordeling van de draagkracht bij een aanvraag om bijzondere bijstand. Met de invoering van de Participatiewet is het noodzakelijk dat het college zich uitspreekt over de vraag of bij de bepaling van de draagkracht rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm.</al><al>Alleen wanneer sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, bestaat er recht op bijzondere bijstand. Het feit dat een aanvrager woonkosten kan delen met anderen doet niet af aan het individuele karakter van de bijzondere kosten. Deze kosten kunnen niet, direct of indirect, worden afgewenteld op anderen met wie slechts algemene kosten gedeeld worden.</al><al>Het inkomen wordt gedefinieerd als de som van alle netto inkomensbestanddelen, exclusief vakantiegeld, waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De individuele inkomenstoeslag wordt bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand niet tot het inkomen gerekend. Dit om rechtsongelijkheid te voorkomen tussen personen die de toeslag reeds hebben ontvangen en degenen die deze op een later moment aanvragen. </al><al>Bij een inkomen tot en met 110% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op nihil. Voor het inkomen boven deze grens wordt het meerdere volledig in aanmerking genomen als draagkracht.</al><al>Voor personen die deelnemen aan een minnelijke schuldregeling of een wettelijk traject in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), geldt dat de draagkracht eveneens op nihil wordt gesteld. De consulent Schuldhulpverlening beoordeelt tijdens het kennismakingsgesprek welk traject wordt ingezet. Dit moment geldt als startpunt voor de toepassing van deze regeling.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 10</nadruk></al><al>Het college heeft besloten dat bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand en bij de toepassing van regelingen in het kader van het minimabeleid wordt uitgegaan van dezelfde vermogensgrens als geldt voor de algemene bijstand.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 11</nadruk></al><al>De draagkracht wordt meestal voor een periode van één jaar vastgesteld, te rekenen vanaf de maand waarin de kosten zijn ontstaan. In bepaalde situaties, zoals bij inwoners in een schuldregeling (minnelijk dan wel wettelijk) of met een Participatiewet-uitkering, kan de periode gelijk lopen met de duur van het traject of de uitkering. Zo sluit de beoordeling aan bij de persoonlijke situatie van de aanvrager.</al><al>De draagkrachtperiode kan afwijkend worden vastgesteld. Dit is in ieder geval aan de orde in de situaties genoemd in artikel 9 lid 5.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 12</nadruk></al><al>In het belang van de rechtszekerheid en een eenduidige uitvoering geldt als uitgangspunt dat de draagkracht, eenmaal vastgesteld, in beginsel definitief is voor de gehele draagkrachtperiode. Herziening van de draagkracht binnen deze periode vindt in principe niet plaats. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt in geval van ingrijpende wijzigingen in de gezinssituatie.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 13</nadruk></al><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarin er weliswaar recht bestaat op huurtoeslag, maar dit recht (nog) niet kan worden geëffectueerd. Een voorbeeld hiervan is een plotselinge daling in het inkomen, waardoor de huur niet langer uit het beschikbare inkomen kan worden voldaan, terwijl – op basis van het rekeninkomen – nog geen recht op huurtoeslag bestaat. Dit recht ontstaat dan pas in het daaropvolgende toeslagtijdvak. In de tussenliggende periode kan een woonkostentoeslag worden verstrekt om in de noodzakelijke woonlasten te voorzien.</al><al>Daarnaast geldt dat personen met een eigen woning geen recht hebben op huurtoeslag. Als het inkomen dusdanig laag is dat de woonlasten niet (volledig) kunnen worden gedragen, kan in principe aanspraak bestaan op woonkostentoeslag.</al><al>In dit artikel is tevens de mogelijkheid opgenomen om een verhuisplicht op te leggen. Bij de beoordeling of hiervan gebruik wordt gemaakt, dienen zwaarwegende belangen in overweging te worden genomen. Zo kan het niet wenselijk zijn om een aanvrager te dwingen de woning met verlies te verkopen, wat kan leiden tot het ontstaan van een schuld. Ook de verwachte duur van de bijstandsafhankelijkheid speelt een rol bij de afweging of een verhuis- of verkoopplicht passend is.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 14</nadruk></al><al>Op grond van artikel 36 van de Participatiewet bestaat recht op een individuele inkomenstoeslag wanneer er gedurende een langere periode geen uitzicht is op inkomensverbetering.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 15</nadruk></al><al>Het ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering wordt verondersteld als niet-werkende uitkeringsgerechtigden voldoen aan de eis van de referteperiode.</al><al>Voor personen die (al dan niet in deeltijd) werken en een inkomen verwerven dat onder de gestelde inkomensgrens blijft, is het beoordelen van het perspectief op inkomensverbetering afhankelijk van de individuele omstandigheden. Bij uitbreiding van het dienstverband of het verkrijgen van een beter betaalde functie met meer uren, bijvoorbeeld vanwege gezondheidsredenen of andere persoonlijke beperkingen, niet mogelijk is, kan worden aangenomen dat er geen reëel uitzicht op inkomensverbetering bestaat.</al><al>Studenten zijn expliciet uitgesloten van het recht op een individuele inkomenstoeslag. De achterliggende gedachte is dat zij zich door middel van studie voorbereiden op toetreding tot de arbeidsmarkt op een hoger niveau, en daarmee wel degelijk uitzicht hebben op inkomensverbetering.</al><al>In uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding zijn om, met toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hiervan af te wijken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een student, door in de persoon gelegen omstandigheden, slechts in zeer beperkte mate perspectief op inkomensverbetering heeft. De situatie van de student dient dan in voldoende mate vergelijkbaar te zijn met die van werkenden met een langdurig laag inkomen.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 16</nadruk></al><al>Dit artikel beschrijft de situaties waarin wél sprake is van inkomensverbetering. Bijvoorbeeld bij iemand die studeert of recent een opleiding volgde, of die werkt in deeltijd terwijl er potentieel is om meer te werken. Ook hier geldt de termijn van twaalf maanden: als binnen die termijn verbetering wordt verwacht, wordt de toeslag niet toegekend. Als verbetering pas na twaalf maanden wordt verwacht, is dit geen belemmering voor de huidige aanvraag, maar kan het wel invloed hebben op een volgende aanvraag.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 17</nadruk></al><al>Onder inrichtingskosten worden zowel duurzame gebruiksgoederen als stoffering verstaan, zoals vloerbedekking, gordijnen en vitrage. De kosten voor de woninginrichting van een eerste woning vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om in het bestaan te voorzien. Van de aanvrager mag worden verwacht dat hiervoor tijdig wordt gereserveerd.</al><al>Al er onvoldoende reservering heeft plaatsgevonden, is bijstandsverlening voor woninginrichting niet mogelijk. Uitzonderingen worden slechts gemaakt in bijzondere omstandigheden. Een voorbeeld hiervan betreft statushouders die voor het eerst in de Bommelerwaard worden gehuisvest en die aantoonbaar niet over de middelen beschikken om de woninginrichting zelf te bekostigen.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 18</nadruk></al><al>Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich voldoende te verzekeren tegen medische kosten. De gemeente ondersteunt dit door een bijdrage te leveren in de premie van de aanvullende zorgverzekering via de Collectieve Zorgverzekering Minima. Hierbij heeft de gemeente afspraken gemaakt over de inhoud van de verzekeringspakketten waar personen zich op kunnen aansluiten.</al><al>De basisverzekering vormt samen met de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg een passende en toereikende voorziening voor medische kosten. Aanvragen om vergoeding van medische kosten die onder de aanvullende verzekering vallen, worden dan ook doorgaans afgewezen.</al><al>Uitzonderingen worden gemaakt in zeer schrijnende situaties, waarin bijzondere bijstand voor medische kosten kan worden toegekend.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 19</nadruk></al><al>Inwoners die ondanks hun aanvullende verzekering geconfronteerd worden met tandartskosten, kunnen via dit artikel een tegemoetkoming aanvragen. De gemeente toetst daarbij altijd de noodzaak van de behandeling, de dekking van de zorgverzekering en de keuze voor de goedkoopste en meest adequate voorziening.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 20</nadruk></al><al>Bepaalde extra kosten die voortvloeien uit een medische beperking of chronische aandoening komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dit betreft onder andere extra stookkosten, dieetkosten (volgens de Belastingdienstlijst), was-/slijtagekosten (volgens GMD- of Nibudlijsten) en personenalarmering. Deze kosten zijn niet via de zorgverzekering te vergoeden maar wel noodzakelijk voor het dagelijks functioneren.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 21</nadruk></al><al>Dit artikel bevat de regels voor het verlenen van bijzondere bijstand voor reiskosten die gemaakt worden voor het bezoeken van gezinsleden en naaste familieleden. Hieronder vallen de partner van de aanvrager en bloedverwanten in de eerste en tweede graad.</al><al>In het algemeen geldt dat iedereen reiskosten kan hebben in verband met het bezoeken van anderen. Dit zijn echter normale, algemeen voorkomende kosten van het bestaan die niet noodzakelijk zijn in de zin van de wet en niet voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Deze kosten dient een aanvrager in principe zelf uit het eigen inkomen te betalen.</al><al>Er kunnen echter situaties zijn waarbij reiskosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Een voorbeeld hiervan zijn (kinderen van) statushouders die vanwege een taalbarrière naar een internationale schakelklas moeten reizen. Van sommige kinderen kan niet verwacht worden dat zij zelfstandig met de fiets naar school gaan.</al><al>Voor deze reiskosten worden de daadwerkelijke kosten op basis van het openbaar vervoer, tweede klas, vergoed.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 22</nadruk></al><al>De kosten van de uitvaart behoren tot de nalatenschap van de overledene. Wanneer een aanvrager de nalatenschap zuiver aanvaardt, is hij volledig verantwoordelijk voor deze kosten. Bij meerdere erfgenamen zijn alle erfgenamen gezamenlijk naar rato aansprakelijk voor de uitvaartkosten.</al><al>Het kan enige tijd duren voordat duidelijk is of de nalatenschap zuiver wordt aanvaard, bijvoorbeeld doordat nog niet bekend is of er schulden zijn binnen de nalatenschap.</al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 25</nadruk></al><al>De mogelijkheid om categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende ziektekostenverzekering is geregeld in artikel 35 lid 6 van de Participatiewet. De gemeente biedt via VGZ een collectieve zorgverzekering aan voor mensen met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm. Het gaat om 2 pakketten: VGZ GemeentePakket Compact en VGZ GemeentePakket Compleet + € 0 eigen risico. Voor de aanvullende verzekering zijn kortingsafspraken gemaakt. Voor de premie van het aanvullende deel wordt gedeeltelijk een bijdrage verstrekt die al in de premie richting de aanvrager is verwerkt. De aanvrager kan geen aanspraak maken op de bijdrage zelf. De gemeente betaalt een deel van de premie direct aan VGZ. Deze gemeentelijke bijdrage is verwerkt in de premie en wordt niet afzonderlijk uitbetaald. Het pakket biedt een ruimere dekking en is bedoeld om medische zorg toegankelijk te houden voor minima.</al></nota-toelichting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>