<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-200040/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Eersel</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Beleid vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Eersel 2026 </titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>BELEID VERGUNNINGEN, TOEZICHT EN HANDHAVING OMGEVINGSRECHT EERSEL 2026</al><al>Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel houdende regels omtrent Beleid vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Eersel 2026.</al><al /><al>Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders alsmede de burgemeester van Eersel op 7 april 2026.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label /><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><al>Dit ‘Beleid vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Eersel 2026’ (hierna: beleid) maakt inzichtelijk op welke wijze de gemeente omgaat met de uitvoering van haar wettelijke taken en verantwoordelijkheden voor deze vakgebieden.</al><al>Waarom een VTH beleid? Gemeenten moeten op het gebied van het omgevingsrecht voldoen aan landelijke kwaliteitscriteria. De gemeenteraad heeft hiervoor de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht vastgesteld. Deze verordening is, samen met het Omgevingsbesluit, mede de grondslag voor dit VTH beleid. Er worden echter ook buiten het omgevingsrecht om vergunningen verleend, toezicht uitgeoefend en gehandhaafd. Om alles rondom vergunningen, toezicht en handhaving bij elkaar te houden gaat dit VTH beleid ook hierop in. Dit VTH beleid geeft de wijze weer waarop de gemeente zelf, of Samenwerking Kempengemeenten namens hen, de taken uitvoert, maar is ook de basis voor de opdrachtverstrekking bij uitbesteding van taken. </al><al>Jaarlijks stelt het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) een uitvoeringsprogramma vast, waarin concreet wordt aangegeven welke taken worden uitgevoerd, welke personele capaciteit en financiële middelen daarvoor nodig zijn. In het eerste kwartaal van het daarop volgende jaar wordt het uitvoeringsprogramma geëvalueerd via het jaarverslag. </al><al>Met de komst van de Omgevingswet is de gebiedsambitie en het invullen van de ‘vrije ruimte’ nadrukkelijker in handen van de gemeenten komen te liggen. Dit VTH beleid gaat niet in op deze inhoud, maar vooral op de werkprocessen en een risicogerichte aanpak.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.2</nr><titel>Samenwerking Kempengemeenten</titel></kop><al>Gemeente Eersel heeft de meeste taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (hierna: VTH) in mandaat ondergebracht bij Samenwerking Kempengemeenten. De taken op het gebied van bezwaar en beroep en juridische handhaving worden niet door Samenwerking Kempengemeenten uitgevoerd. Dat gebeurt door de gemeente zelf. Ook de verplichte milieutaken worden niet door Samenwerking Kempengemeenten uitgevoerd, maar door Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). Samenwerking Kempengemeenten voert niet alleen die VTH-taken die Oirschot, samen met de andere deelnemende gemeenten, aan hen hebben overgedragen uit, maar ook taken op andere werkvelden. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.2.1</nr><titel>Missie en visie</titel></kop><al>Alle taken die door Samenwerking Kempengemeenten worden uitgevoerd voor een deelnemende gemeente, of het nu onder delegatie of mandaat is, gebeuren vanuit de volgende visie en missie:</al><al>Visie</al><al>Wij maken het verschil voor de inwoners in de Kempengemeenten. Samen met de gemeenten leveren wij een bijdrage voor een gezonde, veilige en leefbare woonomgeving voor onze 93.000 inwoners in de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden.</al><al>Missie</al><al>Wij werken samen, als één netwerkorganisatie, door in verbinding te staan met de Kempengemeenten én de inwoners. Door onze betrokkenheid en samen deskundigheid zorgen wij voor een goede dienstverlening aan gemeenten en hun inwoners en willen we dit elke dag weer een stapje beter doen!</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.3</nr><titel>Missie en Visie VTH</titel></kop><al>De algemene visie en missie van Samenwerking Kempengemeenten zijn verder door vertaald naar een visie en missie specifiek gericht op de vergunningstaken en een visie en missie specifiek gericht op de toezichts- en handhavingstaken die Samenwerking Kempengemeente uitvoert voor de gemeente Eersel. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.3.1</nr><titel>Vergunningen</titel></kop><al>Visie</al><al>Wij zorgen voor betrouwbare en professionele vergunningverlening die bijdraagt aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige woon- en leefomgeving in de Kempengemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden.</al><al>Missie</al><al>Door onze deskundigheid en sterke samenwerking binnen de Kempengemeenten zijn we in staat om continu kwaliteit te leveren met korte doorlooptijden en zo laag mogelijke kosten. We ondersteunen inwoners, bedrijven en partners bij het realiseren van hun plannen door het te toetsen binnen de geldende wet- en regelgeving, met oog voor veiligheid, leefbaarheid en duidelijke communicatie.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.3.2</nr><titel>Toezicht en Handhaving</titel></kop><al>Visie</al><al>Wij zorgen voor betrouwbaar, professioneel en proportioneel toezicht en handhaving die bijdragen aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige woon- en leefomgeving in de gemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden. Wij zien erop toe dat wetten en regels worden nageleefd. Waar dit niet vanzelfsprekend gebeurt, spreken wij overtreders hierop aan en grijpen wij waar nodig preventief of repressief in. Zo bevorderen wij het vertrouwen in de rechtsstaat en dragen wij bij aan een eerlijk en gelijk speelveld voor iedereen.</al><al>Missie</al><al>Vanuit een professionele en deskundige samenwerking binnen de Kempengemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden dragen wij bij aan veilige, leefbare en prettige gemeenten. Wij zorgen ervoor dat iedereen zich fijn en welkom voelt in de publieke ruimte, dat inwoners en bezoekers zich veilig voelen en dat er een gezond woon- en werkklimaat kan bestaan. Daarbij treden wij op tegen illegale en ondermijnende activiteiten, zodat regels eerlijk worden nageleefd en het vertrouwen in de samenleving wordt versterkt.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>1.4</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De gemeente zet zich samen met Samenwerking Kempengemeenten in voor een optimaal woon-, werk- en leefklimaat op basis van landelijk, provinciaal en gemeentelijk vastgestelde regels. De werkzaamheden op het gebied van VTH hebben een directe relatie met onze klanten. De klanten kunnen aanvragers van vergunningen, uitvoerende partijen, overtreders van regels en andere belanghebbenden zijn. De algemene doelstelling voor uitvoering van de VTH-taken wordt als volgt omschreven:</al><al>‘Samen maken en bewaken we een veilige, leefbare en toekomstbestendige gemeente’.</al><al>Meer uitgebreid omschreven betekent dit dat het doel is om als een professionele, deskundige en betrouwbare organisatie bij te dragen aan een veilige, leefbare en toekomstbestendige gemeente. Wij ondersteunen inwoners, bedrijven en partners bij het realiseren van hun plannen binnen de geldende regels en zien er tegelijkertijd op toe dat deze regels eerlijk worden nageleefd. Door betrouwbare dienstverlening, duidelijke communicatie en effectieve handhaving versterken wij het vertrouwen in de samenleving en zorgen wij samen voor een gezonde woon-, werk- en leefomgeving.</al><al>Deze doelstelling staat centraal in onze manier van denken en werken. Het gaat er daarbij ook om dat we constant aandacht hebben voor onze dienstverlening en kijken hoe we deze kunnen verbeteren, op een korte afstand tot onze inwoners. Hierbij hoort ook een duidelijke ‘nee’ te kunnen verkopen wanneer een ontwikkeling niet kan. Negatieve beslissingen worden mondeling toegelicht voordat een besluit wordt verzonden. In het voortraject doen we zo veel mogelijk om te voorkomen dat we achteraf tot handhaving over moeten gaan. </al><al>Vergunningen verlenen en handhaven zijn geen doelen op zich. Het doel is de naleving van de regelgeving bevorderen. Voorschriften beogen de bescherming en verbetering van de kwaliteit van de openbare, bebouwde en onbebouwde ruimte, waarbij gezondheid, veiligheid, leefbaarheid en toekomstbestendigheid (waaronder ook duurzaamheid wordt verstaan) van de woon- en leefomgeving voorop staan. Vergunningverlening en handhaving dragen bij aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige gemeente waar het prettig is om te wonen, te werken en te verblijven. De vraag naar doelmatigheid is steeds aan de orde. We kiezen voor een gerichte aanpak die bestaat uit een mix van instrumenten. Daar waar mogelijk zetten we ook communicatie als preventief middel in. Te denken valt aan het bekendmaken van projecten die we zullen uitvoeren, maar ook aan het communiceren van acties die uitgevoerd zijn en informeren van specifieke doelgroepen over voor die groep geldende wet- en regelgeving. Dit alles om repressieve handhaving te voorkomen en naleving van de regels te bevorderen.</al><al>Het zou ondoenlijk zijn alle regels, wetten en verordeningen naar de letter te handhaven. Wel is het van belang het gehele spectrum van de vergunningverlening en handhaving te bekijken, de risico’s te analyseren en prioriteiten te stellen. Vanuit deze invalshoek geldt voor handhaven dat dit zowel opportuun moet zijn (geschikt en op een passend moment) als proportioneel (in verhouding staan tot het vergrijp of het gevaar). Dit veronderstelt een heldere belangenafweging. </al><al>Om duidelijkheid te verschaffen aan de inwoners van en de bedrijven in onze gemeente stellen we op basis van een risico- en probleemanalyse vooraf onze prioriteiten vast. Op basis daarvan komen we tot een herkenbaar beleid. Daarin geven we aan wat we zeker doen, wat we zo veel mogelijk doen, maar ook waar we geen tijd of energie aan spenderen. Het VTH beleid leidt tot een jaarlijks uitvoeringsprogramma. Daarbij houden we ook rekening met wat we regionaal op basis van gezamenlijke prioriteiten afspreken. Zoals wij de andere partners in de samenwerking vertrouwen, zullen ook zij van ons verlangen dat we doen wat gezamenlijk wordt afgesproken.</al><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>2</nr><titel>VTH algemeen</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.1</nr><titel>Uitgangspunten VTH beleid</titel></kop><al>Dit VTH beleid is gebaseerd op een risicoanalyse. Op basis daarvan is de in hoofdstuk 1 opgenomen algemene doelstelling geformuleerd en zijn prioriteiten bepaald. Dit krijgt vervolgens meer diepgang in de volgende uitgangspunten.</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De <nadruk type="vet">primaire verantwoordelijkheid</nadruk> voor de kwaliteit van de leefomgeving, bouwen, gebruiken en slopen ligt bij de burgers, bedrijven en instanties dan wel de partijen die namens hen optreden.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>De gemeente ziet toe of de verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en onderneemt acties op basis van geschat <nadruk type="vet">risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke prioriteit</nadruk>. De bemoeienis van de gemeente beperkt zich tot een minimum afgesproken niveau.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Altijd moet <nadruk type="vet">voldoende aannemelijk</nadruk> zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf <nadruk type="vet">voldoende kennis en een professionele organisatie</nadruk> op de diverse disciplines bezit, zodat de gemeente zich er altijd van vergewissen of derden voldoen aan de regelgeving. Dit vergt een basis kennisniveau.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>De gemeente heeft een <nadruk type="vet">vangnetfunctie</nadruk> voor de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving.</al></li></lijst><al>Ad 1. Verantwoordelijkheid</al><al>Door ontwikkelingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en evaluaties na calamiteiten, wordt steeds meer een scheiding duidelijk tussen de bestuurlijke en privaatrechtelijke verantwoordelijkheid. De bestuurlijke verantwoordelijkheid richt zich meer op het beperken van risico’s en houden van toezicht hierop. Enerzijds door toetsing van vergunningaanvragen en anderzijds het toezien op de naleving van algemene regels en voorschriften uit vergunningen. Bedrijven en burgers hebben hierin een grote verantwoordelijkheid. Dit geldt voor vergunningplichtige, meldingplichtige maar ook voor vergunningvrije zaken. <nadruk type="vet">Daarom worden initiatiefnemers gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid.</nadruk> Indien nodig worden zij op hun verantwoordelijkheid aangesproken. </al><al>Ad 2. Risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke prioriteit</al><al>Een uitwerking van de wettelijke uitvoeringstaken van gemeenten is het bestuurlijk vastleggen van de wijze waarop taken worden uitgevoerd. Dit VTH beleid gaat hier verderop in dit document concreet op in.</al><al>Ad 3. Voldoende aannemelijk</al><al>Het is voor gemeenten niet mogelijk alle wettelijke aspecten integraal te toetsen en hierop toezicht te houden. Bij de taakuitoefening geldt het uitgangspunt dat altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. Het is niet de bedoeling om het werk van deskundigen (ondernemers, adviseurs, bouwers) over te doen. Afhankelijk van het risico is een keuze gemaakt in het niveau van taakuitoefening.</al><al>Ad 4. Voldoende kennis en een professionele organisatie</al><al>De uitvoering van de taken moet op een adequaat niveau gebeuren. Wat het adequate niveau is, is vastgelegd in <nadruk type="vet">landelijke kwaliteitscriteria</nadruk>, verankerd in de gemeentelijke Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht. VTH zal inzichtelijk maken op welke wijze aan de kwaliteitscriteria is voldaan. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de kwaliteitscriteria en borging van kwaliteit.</al><al>Ad 5. Vangnetfunctie</al><al>De vangnetfunctie heeft vooral een publiekrechtelijk en geen privaatrechtelijk karakter, tenzij de gemeente zelf eigenaar is. Ook hierbij speelt de eigen verantwoordelijkheid een rol. Als de eigen verantwoordelijkheid van een burger of bedrijf onvoldoende of niet wordt genomen, zal de gemeente zorg dragen voor het naleven van de voorschriften, vaak met als gevolg het voeren van handhavingprocedures. De gemeente hanteert hierbij de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil zeggen dat burgers, bedrijven en instanties direct worden aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie met de klant speelt daarbij een centrale rol. Er is sprake van een proactieve en preventieve benadering die probeert te voorkomen dat zaken achteraf tegen hoge kosten moeten worden gecorrigeerd.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.2</nr><titel>Strategisch kader: Doelen en Bestuurlijke prioriteiten</titel></kop><al>Vanwege de grote diversiteit van de taken op het gebied van VTH kan ook deze gemeente niet alle zaken aanpakken met de beschikbare capaciteit. Verspreid over de tijd moeten daarom keuzes gemaakt worden. Daarom zijn – door middel van een risicoanalyse – de risico’s in kaart gebracht. Daaraan zijn bestuurlijk prioriteiten gekoppeld. De uitvoering van de taken is afgestemd met de omliggende gemeenten. De samenwerking met andere Kempengemeenten gaat echter niet zo ver dat ook de prioriteiten gelijk zijn. Lokaal maatwerk is verwerkt in dit VTH beleid.</al><al>Hieronder zijn de algemene prioriteiten waar de gemeente beleidsvrijheid in heeft, weergegeven.</al><al>Prioriteiten*</al><al /><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="7*" /><colspec colname="col2" colwidth="41*" /><colspec colname="col3" colwidth="28*" /><colspec colname="col4" colwidth="13*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al> </al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Thema</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">Aandachtsgebied</nadruk></al></entry><entry colname="col4"><al><nadruk type="vet">Prioriteit</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Risicovolle bedrijven</al></entry><entry colname="col3"><al>Gezondheid – Veiligheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Hoog</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Agrarische bedrijven</al></entry><entry colname="col3"><al>Gezondheid – Leefomgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>Hoog</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Overige bedrijven</al></entry><entry colname="col3"><al>Veiligheid – Duurzaamheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Middel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>Leefomgeving / openbare ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>Veiligheid – Leefomgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>Hoog</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandveiligheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Veiligheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Middel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestemmingsplan</al><al>(Illegale bewoning / gebruik)</al></entry><entry colname="col3"><al>Leefomgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>Laag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>Zonder vergunning bouwen/slopen/aanleggen</al></entry><entry colname="col3"><al>Leefomgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>Laag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>Horeca</al></entry><entry colname="col3"><al>Gezondheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Middel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>Kinderopvang</al></entry><entry colname="col3"><al>Gezondheid – Veiligheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Laag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>Toezicht op vergunningen**</al></entry><entry colname="col3"><al>Gezondheid - Leefomgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>Laag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*de thema’s zijn voor toezicht en handhaving geconcretiseerd naar taken voor de verschillende vakgebieden, zoals risicovolle en agrarische bedrijven, brandveiligheid, leefomgeving etc.. De aandachtsgebieden in de tweede kolom zijn voor vergunningen meer van belang. </al><al>**dit thema omvat toezicht op bouwen, slopen ( inclusief asbestverwijdering), kappen, aanleggen en handelsreclame, APV en bijzondere wetten, evenementen en overige activiteiten omgevingsrecht.</al><al>Naast de geprioriteerde thema’s zijn ook projectgebonden activiteiten voor de gemeente van belang. Dit thema is niet geprioriteerd. Voor projectgebonden activiteiten is de reden dat het project moet voldoen aan de doelstellingen van de gemeente. Levert het project geen bijdrage, dan zal het niet tot uitvoering komen. Dit betekent dat elk project aan moet tonen wat de meerwaarde van het project is om de gemeentelijke doelstellingen te bereiken. </al><al>Verfijning prioriteiten toezicht en handhaving</al><al>Voor de taakuitoefening voor het toezicht en handhaving wordt de verfijning in prioriteiten themagericht ingevuld. De handvatten hiervoor zijn opgenomen in bijlage VI. Bij de opstelling van het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, wordt op basis van deze systematiek de invulling gegeven en een planning gemaakt voor de uitvoering van deze taken.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.3</nr><titel>Borging van middelen</titel></kop><al>De in dit VTH beleid gestelde doelen en prioriteiten hebben gevolgen voor de beschikbare capaciteit en middelen. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt inzichtelijk gemaakt wat de beschikbare en benodigde financiële en personele middelen zijn. Naar aanleiding van tussentijdse evaluaties en incidenten kan het uitvoeringsprogramma worden bijgesteld, mocht dat nodig blijken. Bij tekorten kan de gemeenteraad om extra middelen worden gevraagd.</al><al>De financiële dekking, wensen en nieuwe voorstellen worden opgenomen in de gemeentelijke begrotingscycli en die van de Samenwerking Kempengemeenten. In hoofdstuk 7 is de volledige beleidscyclus voor de VTH-taken en de kwaliteit daarvan nader uitgewerkt.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.4</nr><titel>Systematiek </titel></kop><al>Voor het opstellen van dit VTH beleid zijn diverse VTH-taken geanalyseerd. Dit heeft geleid tot een uitwerking in niveaus voor verschillende activiteiten, zoals bouwen, slopen, monumenten, milieu, brandveilig gebruik, kappen maar ook evenementen, alcohol schenken en leefbaarheid.</al><al>De basisafweging is als volgt omschreven: Hoe intensief wordt het onderdeel op de diverse activiteiten getoetst, toezicht gehouden en gehandhaafd? De keuzes zijn gemaakt aan de hand van een risicoanalyse en bestuurlijke prioriteit. Daarbij heeft afstemming plaatsgevonden tussen de verschillende disciplines van vergunningverlening, toezicht en handhaving.</al><al>Na het algemene uitgangspunt voor het beoordelen van vergunningen en het houden van toezicht zoals omschreven in paragraaf 2.5, is het nodig toets- en toezichtniveaus te bepalen voor aanvragen die wel inhoudelijk zullen worden getoetst en waarop toezicht wordt gehouden. Vanuit een risicoanalyse en prioriteitenstelling voor diverse onderwerpen zijn matrixen opgesteld. Bij het bepalen van het toets- en toezichtniveau is de ernst van de calamiteit (effect) en de kans hierop bepalend voor wijze waarop we de taak uitvoeren. Hoe groter het gevolg en hoe groter de kans des te diepgaander het uitvoeringsniveau zal zijn. De <nadruk type="vet">bestuurlijke prioriteit</nadruk> heeft in een formule voor de uitvoeringsniveaus een duidelijke plaats gekregen. Daarbij spelen volgende factoren een rol: fysieke veiligheid en gezondheid van mensen, het milieu maar ook aspecten als economische en imagoschade. Per onderdeel wordt de kans van het optreden bepaald en wordt vervolgens berekend wat de schade is die op zou kunnen treden als een bedreiging zich daadwerkelijk voordoet. Op grond van een risicoanalyse kan worden vastgesteld welk risico het gemeentebestuur bereid is te accepteren en wat de prioriteiten moeten zijn. </al><al>De volgende formule is gehanteerd:</al><table frame="all"><tgroup cols="1"><colspec colname="col1" colwidth="63*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al>(Kans x Effect = Risico) x Bestuurlijke prioriteit = Uitvoeringsniveau</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Door de bovenstaande formule wordt een score verkregen. De score bepaalt hoe de toets en het toezicht wordt uitgevoerd. In de onderstaande tabel zijn de omschrijvingen van Effect, Kans en Bestuurlijke prioriteit uitgewerkt.</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="10*" /><colspec colname="col2" colwidth="72*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Score</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Effect</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Nihil effect</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Laag effect, hooguit materiële schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemiddeld effect, mogelijke slachtoffers, beperkte tot grote materiële schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Groot effect, met slachtoffers en grote materiële schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> </al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Kans</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Vrijwel nihil</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Lage inschatting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemiddelde inschatting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Redelijke grote inschatting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> </al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Bestuurlijke prioriteit</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Onderdeel wordt niet uitgevoerd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen prioriteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Beperkte prioriteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Hoge prioriteit</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 1 Omschrijving Effect, Kans en Bestuurlijke prioriteit</al><al>Doelstelling</al><al>Het doel van deze systematiek is om de verlening van vergunningen en het toezicht transparanter te maken en uniformiteit in de werkwijzen te bewerkstelligen. Ook vormt de kwaliteitsnormering een basis voor het toezichtniveau. Met het protocol legt de gemeente zichzelf voor iedere vergunning en elke controle een minimum niveau op.</al><al>Beoogd resultaat</al><al>Het bestuurlijk vaststellen van de protocollen beoogd een verantwoorde wijze van vergunningverlening en het houden van toezicht. Naast een transparante werkwijze voor onze klanten, derde-belanghebbenden en politiek bestuur, kunnen de medewerkers afgewogen en expliciete keuzes maken bij uitvoeren van hun werk.</al><al>Keuze van het toets- en toezichtniveau </al><al>Om te kunnen bepalen welke keuzes welke risico’s met zich meebrengen, is een inzicht in de praktijk nodig. Met modellen zijn de risico’s in beeld gebracht. Uitgaande van de huidige capaciteit, rekening houdend met kans op en het gevolg van een calamiteit is daarbij aan het bestuur aangegeven wat het wenselijke niveau van toetsing is. Daarna heeft het politiek bestuur de prioriteiten bepaald. Met de vaststelling van dit nieuwe VTH beleid treedt er geen wijziging op in de prioritering.</al><al>De toets- en toezichtmatrixen kennen de niveaus 0 t/m 4: van niet uitvoeren naar sneltoets, visuele, representatieve en integrale toets.</al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="11*" /><colspec colname="col2" colwidth="19*" /><colspec colname="col3" colwidth="59*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al /><al>Niveau</al></entry><entry colname="col2"><al>Niveau</al></entry><entry colname="col3"><al>Inhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet uitvoeren, geen toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>Aan het betreffende onderdeel wordt geen aandacht geschonken. Er vindt geen toezicht plaats of alleen bij klachten of andere specifieke aanleidingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Snel</al></entry><entry colname="col3"><al>Indieningvereiste: is het aanwezig en klopt de uitkomst? Is de voorgeschreven voorziening aanwezig/uitgevoerd?</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Visueel</al></entry><entry colname="col3"><al>Kloppen de uitgangspunten? Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergegeven om het aspect te kunnen toetsen.</al><al>Visuele controle, een vluchtige beoordeling op het oog op basis van kennis en ervaring met slechts beperkt projectspecifieke tekeningen of details te raadplegen en of hulpmiddelen (bijvoorbeeld meetlat) te gebruiken. Bijvoorbeeld bij controle funderingen, vloeren: ca. 25% van de omvang wordt gecontroleerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Representatief</al></entry><entry colname="col3"><al>Controle van de belangrijkste onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten waarschijnlijk zijn. De belangrijkste berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend.</al><al>Toezicht op hoofdlijnen en kenmerkende details, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Daarnaast worden enkele kritische detailleringen beoordeeld. Er worden algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd en detailtekeningen van kritische detailleringen. Bijvoorbeeld bij controle funderingen, vloeren: ca. 75% van de omvang wordt gecontroleerd. Veiligheidsinstallaties, brandscheidingen e.d. worden visueel en administratief (certificaten) gecontroleerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>Integraal</al></entry><entry colname="col3"><al>Alles controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd.</al><al>Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Projectspecifieke tekeningen, detailtekeningen, berekeningen, rapporten en certificaten worden geraadpleegd. Deskundigen worden zo nodig ingeschakeld voor controle van essentiële zaken, zoals brandveiligheid.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 2 Uitwerking toets- en toezichtniveaus</al><al>De uitwerking van de systematiek is voor de concrete uitvoeringsniveaus opgenomen in bijlagen I tot en met III.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.5</nr><titel>Het kader voor de beoordeling van vergunningen en houden van toezicht</titel></kop><al>Voor de beoordeling van aanvragen om vergunning en de daarbij ingediende gegevens en het houden van toezicht, heeft het college het volgende concrete uitgangspunt vastgesteld:</al><al><nadruk type="vet">Gegevens en werken van en door deskundigen worden alleen steekproefsgewijs getoetst en daarop wordt ook steekproefsgewijs toezicht gehouden, tenzij er aanleiding is die een andere aanpak rechtvaardigt. De aanleiding kan zijn dat de locatie of het onderwerp een uitgebreidere toets vereist of dat uit steekproeven blijkt dat gegevens en werken voor een specifieke activiteit of van bepaalde ondernemer vaker niet correct zijn uitgevoerd.</nadruk></al><al>Hierbij heeft het college zich de vraag gesteld wanneer de burger bescherming van de overheid verwacht of mag verwachten. Dit is in ieder geval bij zaken met een groot maatschappelijk effect, zoals brandveiligheid van grote complexen, kinderopvang, scholen en zorg, grote stallen (grootschalige brandcompartimentering), verkeersveiligheid en externe veiligheid. Hierbij hebben wij overwogen dat de kans op grote maatschappelijke gevolgen klein is, het effect bij een gebeurtenis wel groot kan zijn. Ook de toetsing aan en het houden van toezicht op bijvoorbeeld de regels van het omgevingsplan vindt daarom meer dan steekproefsgewijs en integraal plaats.</al><al>Op basis van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 3:9) (Awb) dient het bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit is de zogenaamde vergewisplicht. Op die expertise mag het college volgens vaste rechtspraak in beginsel afgaan, tenzij blijkt dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inhoudelijk niet consistent, of niet voldoende kenbaar is. Het besluit om gegevens van deskundigen niet altijd meer inhoudelijk te toetsen betekent niet dat wij ons niet vergewissen over de zorgvuldigheid van de gegevens. De toets op de volledigheid van de ingediende gegevens blijven wij altijd wel uitvoeren. We kijken dus bijvoorbeeld wel verder dan alleen de kaft van een rapportage: zijn alle noodzakelijke onderdelen volledig uitgewerkt, berekend etc. Ook voeren we steekproeven uit naar de correctheid van de inhoud van de gegevens die we in beginsel niet inhoudelijk toetsen. Dit alles maakt dat wij voldoen aan onze vergewisplicht zoals bedoeld in de Awb.</al><al>In toets- en toezichtniveaus is de hierboven omschreven beleidskeuze verwerkt. Hierbij vullen wij aan dat onder deskundigen in ieder geval worden verstaan: alle adviseurs in het vakgebied die bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) een onderneming hebben geregistreerd.</al><al>VTH heeft een objectieve systematiek ontwikkeld voor het uitvoeren van steekproeven, zodanig dat deze voor een ieder transparant zijn. Onze werkwijze geldt ook voor de uitbesteding van taken. Concreet betekent dit dat de gemeente niet in alle gevallen, maar steekproefsgewijs advies vraagt aan bijvoorbeeld Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (hierna: ODZOB), Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (hierna: VRBZO) en andere externe adviseurs.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.6</nr><titel>Regionaal beleid basistaken milieu</titel></kop><al>In het Omgevingsbesluit is ingekaderd welke taken verplicht door de omgevingsdienst moeten worden uitgevoerd (zogenaamde basistaken). Ook voor deze taken moet beleid worden vastgesteld, dat regionaal moet zijn afgestemd. Voor de vakgebieden asbest, bodem, vergunningen en toezicht en handhaving is beleid door de colleges van de bij de ODZOB aangesloten gemeenten vastgesteld, het Regionaal Operationeel kader Vergunningen, Toezicht en Handhaving (ROK VTH).</al><al>Asbesttaken</al><al>In het beleid zijn de kaders vastgelegd over het afhandelen van meldingen, houden van regulier toezicht op gemelde asbestsaneringen, een provinciale aanpak van aandachtsbedrijven in de asbestbranche en een regionale aanpak van illegale asbestsaneringen. Bij het regulier toezicht is een risicobenadering geïntroduceerd, waarbij de frequentie van toezicht afhangt van het risico(cijfer) van de gemelde asbestsanering. </al><al>Bodemtaken</al><al>In het beleid zijn de kaders vastgelegd over het afhandelen van meldingen, houden van regulier toezicht en saneringen. Bij het regulier toezicht is sprake van een risico gerichte benadering.</al><al>Toezicht en Handhaving (voorheen ROK TH)</al><al>De wijze van toezicht op de naleving van milieuregels door bedrijven, controlefrequentie en werkwijzen zijn regionaal vastgelegd. Onder meer de controlefrequentie wordt groter dan in het verleden aan de orde was. De gemeente sluit hier op aan en conformeert zich aan regionale afspraken.</al><al>Vergunningverlening (voorheen ROK VV)</al><al>Hoe de omgevingsdienst omgaat met de beoordeling van vergunningen en meldingen is vastgelegd. Ook hier is risicogericht een onderscheid gemaakt bij de afhandeling van meldingen en vergunningaanvragen. Er is een basisniveau, maar deelnemers kunnen plustaken vastleggen in afzonderlijke afspraken met de omgevingsdienst. Daarbij komt meer aandacht voor het proactief toetsen en actualiseren van vergunningen.</al><al>Doordat in regionaal verband beleid is opgesteld voor de hiervoor genoemde thema’s, is dit gemeentelijke VTH beleid daarop aangepast.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.7</nr><titel>Operationele cyclus door VTH</titel></kop><al>Per 1 januari 2023 werken de gemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden samen op het gebied van de VTH-taken binnen het team Vergunningen en het team Toezicht en Handhaving. Deze 2 teams maken onderdeel uit van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten (hierna: GRSK) en worden in dit VTH beleid samen benoemd als ‘VTH’. In deze samenwerking blijft de kwaliteit van de vergunning- en toezichtstaken gewaarborgd, de kwetsbaarheid van de afzonderlijke gemeenten is beperkt en efficiencyvoordelen worden behaald. </al><al>Door deze vorm van samenwerking met betrokken en deskundige medewerkers kan VTH voor de lange termijn invulling blijven geven aan de vraag van de gemeenten. Daarbij wordt inmiddels voldaan aan de wettelijke en kwalitatieve eisen die worden gesteld aan de uitvoering van vergunning- en toezichtstaken. VTH onderscheidt zich van de omgevingsdienst op het gebied van in- en externe klantgerichtheid, lokale sensitiviteit en kennis en maatwerk door de nauwe relatie met de gemeenten. De bedrijfsvoering is verweven met die van de gemeenten. </al><al>Voor het uitvoeren van de taken heeft VTH werkprocessen en werkafspraken vastgelegd. Deze afspraken en werkwijzen worden continue gemonitord en geactualiseerd. Het voorbereiden, uitvoeren en monitoren van de taken, vormt de basis van de operationele cyclus van VTH.</al><al>Per 1 januari 2023 worden de taken op het gebied van juridische handhaving en bezwaar/beroep uitgevoerd door de gemeente zelf. Deze taken vallen buiten de operationele cyclus van VTH.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8</nr><titel>Uitvoering van taken door en afstemming met andere instanties 2.8.1 Omgevingsdienst</titel></kop><al>Een aantal taken op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving zijn verplicht overgedragen aan de ODZOB, het zogenaamde ‘Basistakenpakket’. Dit zijn grotendeels complexe milieutaken. Gemeenten blijven het bevoegd gezag en zijn verantwoordelijk. Zij kunnen aangeven op welke wijze de taken moeten worden uitgevoerd. Dit VTH beleid, samen met regionaal opgesteld beleid zoals eerder genoemd, moet daarom ook door de omgevingsdienst worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor andere adviseurs die in opdracht van de gemeente taken uitvoeren. </al><al>Periodiek vindt afstemming met de ODZOB plaats. Zowel op inhoud van individuele casussen als processen. Circa eenmaal per zes weken is structureel overleg met de accountmanagers van de ODZOB en VTH namens de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.2</nr><titel>Veiligheidsregio</titel></kop><al>De VRBZO adviseert over brandveiligheidsaspecten. Zowel over omgevingsvergunningen als over evenementen en meldingen brandveilig gebruik. Zij adviseren echter niet over alle zaken. De VRBZO heeft op basis van een risicoanalyse een handreiking gemaakt wanneer advies te vragen, het document ‘Taken Risicobeheersing’. Voor zaken die hierin staan omschreven wordt advies gevraagd, andere zaken worden beoordeeld door de medewerkers van VTH. Ook voor toezicht staat in de handreiking beschreven hoe en waar de VRBZO in overleg met de gemeente de controles uitvoert.</al><al>Periodiek vindt afstemming met de VRBZO plaats. Zowel op inhoud van individuele casussen als processen. Circa tweemaal per jaar is structureel overleg met de accountmanagers van de VRBZO en VTH namens de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.3</nr><titel>Politie </titel></kop><al>De samenwerking met de politie bestaat, onder andere, uit de taakverdeling en samenwerking tussen Buitengewoon opsporingsambtenaren (Boa’s) en de politie en afstemming voor grote evenementen met betrekking tot veiligheid. Met de politie vindt afstemming en informatie-uitwisseling plaats over de strafrechtelijke handhaving. Met betrekking tot de taakverdeling bestaat de algemene regel dat, indien het de naleving betreft van gemeentelijke regelgeving, dan de Boa’s verantwoordelijk zijn. De politie houdt toezicht op de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente. In de praktijk is het zo dat men intensief en regelmatig contact heeft, zowel individueel als in structurele afstemmingsoverleggen. Daarnaast staan de Boa’s in direct contact met de meldkamer van de politie voor meldingen en eventuele calamiteiten. </al><al>Voor het opsporen en bestrijden van (middel)zware milieucriminaliteit is binnen de politie Oost-</al><al>Brabant een Regionaal Milieu Team (hierna: RMT) werkzaam. Het RMT en de taak accenthouders van de politie verrichten enerzijds zelfstandig opsporingsactiviteiten en geven anderzijds een strafrechtelijk vervolg aan constateringen van onze toezichthouders. In de werkwijze worden de afspraken gevolgd zoals deze zijn vastgelegd in de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht.</al><al>Periodiek vindt afstemming met de politie plaats. Zowel op processen als inhoud van individuele casussen waarbij de link wordt gelegd met strafrechtelijke handhaving. Circa éénmaal per maand is structureel overleg met de operationeel experts gebiedsgebonden politiezorg van de politie en VTH namens de gemeente. Voor vaststelling van dit VTH beleid is in het structurele overleg met de politie een concept van het VTH beleid besproken en afgestemd.</al><al>Met basisteam De Kempen van politie-eenheid Oost-Brabant en het OM zijn in een handhavingsarrangement wederzijdse afspraken opgenomen over de samenwerking tussen deze partijen en de gemeente/Samenwerking Kempengemeenten. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.4</nr><titel>Waterschap </titel></kop><al>Sinds de oprichting van de omgevingsdiensten hebben de waterschappen noch formeel noch via een dienstverleningsovereenkomst een rol als het gaat om de wettelijke taken omtrent indirecte lozingen. Deze taken zijn belegd bij het bevoegd gezag en kunnen uitgevoerd worden door de omgevingsdiensten (de basistaak bedrijven).</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.5</nr><titel>Provincie Noord-Brabant </titel></kop><al>De provincie heeft een toezichthoudende en coördinerende taak bij de realisatie en instandhouding van de handhavingsstructuur met betrekking tot de Omgevingswet (artikel 18.24). Hiernaast heeft de provincie bevoegdheden verkregen voor afstemming van toezicht en handhaving (artikel 18.19 Omgevingswet) richting het gemeentebestuur en waterschapsbestuur. Binnen de gemeente zijn bedrijven gevestigd die onder provinciaal gezag staan. Daarnaast zijn er bedrijven die eerder onder provinciaal gezag stonden en nu onder het gezag van de gemeente vallen. De samenwerking tussen de gemeente en de provincie op dit vlak is georganiseerd via de ODZOB.</al><al>De rol van toezichthouder op het gebied van interbestuurlijk toezicht is één van de kernrollen van de provincie. De provincie beoordeelt of lokale overheden hun taken uitvoeren volgens de geldende wet- en regelgeving en zet bij de uitoefening van deze rol in op een betere balans tussen toezicht houden en adviseren, grip houden en loslaten en tussen leren en corrigeren. Hierdoor wil de provincie met het toezicht meer impact hebben op de uitvoeringspraktijk van de gemeente. De provincie geeft het toezicht een modernere vorm en brengt het in lijn met landelijke ontwikkelingen. Daarbij ligt de nadruk meer op lerend toezicht en de dialoog, dan voorheen op ‘sober en op afstand’. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.6</nr><titel>Overige overheidsinstanties</titel></kop><al>In enkele wettelijk voorgeschreven gevallen, dan wel door in een dienstverleningsovereenkomst vastgelegde afspraken, adviseert de gemeente ook aan andere overheidsinstanties. Dit is vooral aan de orde bij aanvragen omgevingsvergunning waarbij de Minister of Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is. De dienstverlening en de niveaus van uitvoering van de taken door de gemeente aan een andere instantie vindt op dezelfde wijze plaats als dat de gemeente het bevoegd gezag zou zijn, tenzij nadrukkelijk anders afgesproken.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.7</nr><titel>GGD en GHOR</titel></kop><al>GGD en GHOR Nederland zijn sinds 1 januari 2014 juridisch één vereniging: GGD GHOR Nederland. GGD staat voor Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst. GHOR voor de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio. Samenwerking met de GGD GHOR bestaat uit de afstemming van controles bij kinderopvang, advies over gezondheidsaspecten bij vergunningverlening (bij omgevingsvergunningen milieu en bij evenementenvergunningen). Ook wordt soms gebruik gemaakt van de GGD GHOR (in de coördinatie) voor de inzet bij grote evenementen. De afstemming met de GGD GHOR op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving wordt integraal waargenomen door de veiligheidsregio. Er is geen structureel overleg tussen de GGD GHOR en de gemeente op dit vakgebied.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.8</nr><titel>Kempische Interventie Team/Prostitutie Interventie Team</titel></kop><al>Bij complexe grensoverschrijdende handhavingsvraagstukken kunnen afzonderlijke acties onvoldoende effectief zijn. Een versnipperde aanpak zorgt niet voor structurele en duurzame oplossingen. Om een effectieve, structurele en duurzame aanpak te creëren voor dergelijke vraagstukken is het Kempisch Interventie Team (hierna: KIT) opgericht. Binnen het KIT opereren de gemeentes die behoren tot basisteam De Kempen van politie-eenheid Oost-Brabant samen met deze eenheid, de ODZOB en de VRBZO. De basis hiervoor en de onderlinge (samenwerkings) afspraken zijn vastgelegd in een convenant. Het KIT wordt ondersteund door een gezamenlijke coördinator. </al><al>Gemeenten dragen de verantwoordelijkheid voor het toezicht op zowel vergunde als onvergunde seksinrichtingen. Omdat met name voor het houden van toezicht op de onvergunde seksinrichtingen specialistische kennis nodig is wordt het toezicht op de onvergunde seksinrichtingen uitgevoerd door een apart team binnen het KIT, het Prostitutie Interventie Team (PIT). </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.8.9</nr><titel>Leeftijdsgrenzenteam Alcoholwet</titel></kop><al>Bij controles in het kader van de Alcoholwet kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde ‘lokjongeren’. De jongeren kunnen in worden gezet om anoniem controles uit te voeren. Zij kunnen geen sancties opleggen, maar informeren de gemeentelijke Alcoholwet toezichthouder als er zich overtredingen met betrekking tot leeftijdsgrenzen voordoen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.9</nr><titel>Toepassing van de Wet Bibob</titel></kop><al>De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bibob) is een belangrijk instrument in de aanpak naar georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Bij de uitvoering van de VTH-taken wordt aan het gemeentelijke beleid getoetst of Bibob van toepassing is. De volledigheids- en inhoudelijke toetsing wordt uitgevoerd door de Bibob-coördinator van de gemeente. Deze schakelt zo nodig het Regionale Informatie en Expertise Centra en/of het Landelijk Bureau Bibob in.</al><al>Correspondentie wordt voor alle aspecten integraal, inclusief Bibob, via de procedures van de VTH-taken gevoerd. Bij besluitvorming wordt samen opgetrokken met de Bibob-coördinator van de gemeente.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.10</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>Binnen VTH zijn werkafspraken over dienstverlening gemaakt. Deze zijn geborgd in de werkprocessen en het VTH handboek. De dienstverleningsafspraken zijn, onder andere, als volgt: </al><al>We bellen z.s.m., maar in ieder geval binnen 3 werkdagen, terug, ook al is het om te zeggen dat we nog geen antwoord hebben en wanneer we er op terug komen. </al><al>We sturen z.s.m., maar in ieder geval binnen 3 werkdagen, een reactie op een e-mail, ook al is het om te laten weten dat we op een later moment (benoemen) antwoord kunnen geven.</al><al>Bij een negatief besluit bellen we de aanvrager/overtreder altijd eerst op. </al><al>PowerBrowser wordt goed en duidelijk gevuld. Ook de memo en trefwoorden worden daarbij ingevuld. </al><al>Alle relevante zaken (mails, adviezen en documenten) worden in de PowerBrowser zaak gezet. </al><al>De werkvoorraad van collega’s wordt bij meer dan 1 week vakantie of ziekte overgenomen (ontvankelijkheidtoets). </al><al>Een aanvrager kan er voor kiezen om correspondentie over een vergunningaanvraag digitaal te ontvangen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.11</nr><titel>Omgevingsbewust handelen</titel></kop><al>Uit de dagelijkse praktijk blijkt dat in een aantal gevallen het zinvol en effectief is om in plaats van de formele vergunning- of handhavingsprocedure te doorlopen, omgevingsbewust te handelen: het gesprek aan te gaan met alle direct betrokkenen/belanghebbenden. Deze gemeente handelt omgevingsbewust. Doel van omgevingsbewust handelen is dat geen ongewenste onomkeerbare situaties ontstaan, het creëren van draagvlak en herstellen van vertrouwen tussen burgers, ondernemers en overheid. </al><al>Vertrekpunt bij omgevingsbewust handelen is de toets aan bestaande wet- en regelgeving. Omgevingsbewust betekent met name dat eventuele gevoeligheden die verband houden met de omgeving bij de advisering over vergunningen en het houden van toezicht expliciet worden meegenomen. </al><al>Extra aandacht voor een zaak is in ieder geval aan de orde als:</al><al>De medewerker op basis van zijn of haar expertise stelt: ‘Goh. Ik zou met dit verzoek niet blij zijn als ik hier in de buurt zou wonen of werken’.</al><al>Vergunningverlening mogelijk leidt tot bestuurlijke commotie.</al><al>Er sprake is van onrust in het gebied, weerstand bij burgers, bezwaren/bedenkingen.</al><al>Er veel klachten zijn (geregistreerd).</al><al>Er sprake is van varkens, kippen, geiten of honden (waaronder hondenfokkerijen).</al><al>Er sprake is van mestverwerking.</al><al>Er sprake is van een voor geur overbelast gebied.</al><al>Er sprake is van experimentele stalsystemen, innovatie.</al><al>Er nieuwe loodsen worden aangevraagd, waarbij aandacht is voor de noodzakelijkheid van de loods.</al><al>Er nevenactiviteiten binnen de relevante artikelen van het omgevingsplan (van rechtswege) worden aangevraagd, als: </al><al>op minder dan 50 meter andere mensen wonen of bedrijvigheid plaats vindt;</al><al>als het gaat om nevenactiviteiten op een agrarisch perceel, niet zijnde bij een agrarisch bedrijf.</al><al>verwacht wordt dat het een gevoelige locatie betreft.</al><al>Er sprake is van NIMBY-achtige activiteiten, bv windmolens.</al><al>Er zonnepanelen buiten bouwvlak/dan wel woonbestemming worden aangevraagd.</al><al>Er sprake is van huisvesting arbeidsmigranten.</al><al>Er toename is van het verhard oppervlak in relatie tot borging van waterberging.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>2.12</nr><titel>Wet kwaliteitsborging voor het bouwen</titel></kop><al>Per 1 januari 2024 geldt de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb). Deze nieuwe wet legt de verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit nadrukkelijker dan voorheen bij de markt zelf. De bouwtechnische bouwplantoetsing en toezicht op de bouw verschuiven van de gemeente deels naar private kwaliteitsborgers, die werken volgens een toegelaten instrument. Dit nieuwe stelsel beoogt verbetering van de bouwkwaliteit, grotere verantwoordelijkheid van de bouwers voor de bouwkwaliteit en een sterkere positie van de opdrachtgever en bouwconsument. De overheid stelt hierbij de kaders en doet een stapje terug. Gemeenten blijven als bevoegd gezag niettemin verantwoordelijk. </al><al>Het nieuwe stelsel geldt vooralsnog alleen voor bouwwerken welke behoren tot gevolgklasse 1 (o.a. grondgebonden woningen, bedrijfshallen en kleine infrastructurele werken), behoudens enkele uitzonderingen. Bouwwerken welke vallen onder gevolgklasse 2 en 3 (o.a. appartementen, winkelcentrums en andere grote bouwwerken) vallen vooralsnog niet onder het stelsel en zullen mogelijk na een evaluatie ook worden toegevoegd aan het stelsel.</al><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>3</nr><titel>Vergunningen</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.1</nr><titel>Inleiding vergunningen</titel></kop><al>Met de hoofdstukken 1 en 2 is de basis van dit VTH beleid gelegd. Onder meer de visie en missie, de doelstelling op het gebied van dienstverlening, de uitgangspunten en ontwikkelingen zijn aan de orde gekomen. In dit hoofdstuk is het onderdeel vergunningen verder uitgewerkt. Onder vergunningen verstaan we naast de behandeling van aanvragen voor vergunningen ook de behandeling van meldingen en ontheffingen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.2</nr><titel>Doelstellingen vergunningverlening</titel></kop><al>De vergunning is een veelgebruikt middel voor het realiseren van publieke doelen en het mogelijk maken van ontwikkelingen waarbij vergunningverlening onderdeel is van het gehele proces van totstandkoming van wijzigingen in de fysieke leefomgeving. Binnen de in hoofdstuk 1 omschreven visie en missie en de algemene doestelling zijn specifiek voor vergunningverlening de volgende doelstellingen geformuleerd gemeente luidt: </al><al>Vergunningen worden zorgvuldig en juridisch correct afgehandeld.</al><al>De doorlooptijd van vergunningenprocedures is zo kort mogelijk.</al><al>Werkprocessen zijn zodanig optimaal dat kosten niet stijgen en er geen sprake is van kwaliteitsverlies.</al><al>De continuïteit in dienstverlening is geborgd, ook bij ziekte, piekbelasting of verlof.</al><al>Geïnvesteerd wordt in het versterken van het vertrouwen van inwoners, ondernemers en partners.</al><al>Er wordt structureel kennis gedeeld tussen Samenwerking Kempengemeenten en de gemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden om deskundigheid en uniformiteit te bevorderen.</al><al>Het is onmogelijk alle activiteiten tot in detail te toetsen aan alle geldende regelgeving voordat een vergunning verleend wordt. Enerzijds door de capaciteit en kosten en anderzijds vanwege de wettelijke termijnen. Burgers en bedrijven hebben de laatste jaren door aanpassingen van wetgeving en als gevolg van jurisprudentie een grotere eigen verantwoordelijkheid gekregen met betrekking tot het naleven van wettelijke voorschriften. Gevolg hiervan is dat meer wordt gedereguleerd waarbij steeds meer activiteiten meldingplichtig of vergunningvrij zijn geworden. Uitgangspunt bij toetsing is hetgeen zoals omschreven in paragraaf 2.5: ‘<nadruk type="cur">Gegevens van deskundigen worden alleen steekproefsgewijs getoetst, tenzij er aanleiding is die een andere aanpak rechtvaardigt</nadruk>.’ Op basis van een risicoanalyse zijn ook voor vergunningverlening prioriteiten bepaald. De risicoanalyses met bijbehorende toetslijsten zijn opgenomen in bijlage I.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.3</nr><titel>Meetbare indicatoren (SMART)</titel></kop><al>De gemeente is van mening dat een goed functionerende organisatie voor het behandelen van vergunningaanvragen, behoort tot de basisdienstverlening. Bovengenoemde doelstellingen dragen daaraan bij. In dit VTH beleid is een volgende stap gezet om een aantal aspecten binnen deze doelstellingen meetbaar te maken. Hiervoor zijn de volgende indicatoren vastgelegd:</al><al /><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="65*" /><colspec colname="col2" colwidth="24*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Beschrijving</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Indicator</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Binnen 3 werkdagen na ontvangst van een aanvraag/melding wordt de ontvangst daarvan bevestigd.</al></entry><entry colname="col2"><al>95%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De in PowerBrowser opgenomen procedurestappen worden (op)gevolgd.</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alle handelingen die verricht worden voor het behandelen van een aanvraag worden (onderbouwd) gedocumenteerd in PowerBrowser.</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Minimum percentage van aanvragen om omgevingsvergunningen, niet zijnde voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, dat binnen de (verlengde) termijn van orde wordt afgehandeld.</al></entry><entry colname="col2"><al>98%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Minimum percentage van aanvragen om vergunningen APV en Bijzondere wetten dat binnen de wettelijke (verlengde) termijn dan wel de termijn van orde wordt afgehandeld.</al></entry><entry colname="col2"><al>90%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wanneer een wettelijke termijn dan wel termijn van orde niet gehaald dreigt te worden, wordt de termijn tijdig verlengd.</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen of in stand houden en gebruiken van een bouwwerk wordt nagegaan of er sprake is van een monument (in welke vorm dan ook).</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ongeacht of bij de aanvraag om omgevingsvergunning de activiteit ‘Monument onderhouden, restaureren, veranderen of slopen’ wordt aangevraagd, wordt bij de beoordeling van een aanvraag gekeken of er sprake is van een monument, in welke vorm dan ook.</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Deze indicatoren worden op basis van steekproef (kwaliteitscontroles) gemonitord en verantwoord in het jaarverslag.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.4</nr><titel>Uitgangspunten bij indieningvereisten</titel></kop><al>De indieningvereisten voor aanvragen om vergunningen, ontheffingen en meldingen zijn opgenomen in diverse regelingen, zoals de Omgevingsregeling (voorheen Ministeriële regeling omgevingsrecht), het Bal, Bbl, Alcoholwet of de APV. In bijzondere gevallen kunnen voor de beoordeling andere gegevens nodig zijn dan in specifieke regelingen is opgenomen of wanneer er geen indieningvereisten zijn vastgesteld. Op grond artikel 4:2 van de Awb kan het college om (specifieke) aanvullende gegevens vragen. </al><al>Wanneer een aanvraag niet volledig is ingediend, worden eenmaal aanvullende gegevens gevraagd. Wanneer daarna niet alle noodzakelijke gegevens zijn ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Uitstel van de termijn voor het indienen van aanvullende gegevens, wordt uitsluitend bij hoge uitzondering en in zeer bijzondere situaties verleend.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.5</nr><titel>Uitgangspunten bij toetsing schetsplan</titel></kop><al>Ter voorbereiding op een volledige aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan een schetsplan worden ingediend. De toets bij een schetsplan is vooral bedoeld om te kijken naar het omgevingsplan, de omgevingskwaliteit en de eventuele monumentale status. Een schetsplan kan ook worden ingediend om een indicatie te krijgen of een voorgenomen project voldoet aan de geldende criteria voor vergunningsvrij bouwen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.6</nr><titel>Uitgangspunten bij omgevingstafel</titel></kop><al>De omgevingstafel wordt ingezet bij zeer complexe aanvragen. Alle nodige partijen worden uitgenodigd om op hetzelfde moment de volledige aanvraag te bespreken. De omvang, complexiteit en dergelijke bepalen wie deel moeten nemen aan de omgevingstafel (zoals: initiatiefnemers, beleidsmedewerkers van verschillende disciplines, ketenpartners, belanghebbenden en externe specialisten of adviseurs).</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.7</nr><titel>Uitgangspunten bij toets monumenten</titel></kop><al>Ongeacht of bij de aanvraag om omgevingsvergunning de activiteit ‘Monument onderhouden, restaureren, veranderen of slopen’ wordt aangevraagd, wordt bij de beoordeling van de aanvraag gekeken of er sprake is van een monument, in welke vorm dan ook. Wanneer er sprake is van een monument dan vindt er los van de inhoudelijke toetsing van de aanvraag ook een toetsing plaats door respectievelijk de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: Rijksdienst) of de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit (hierna: adviescommissie). In beginsel wordt het advies van de Rijksdienst of de adviescommissie overgenomen, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de advisering. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.8</nr><titel>Uitgangspunten bij toets archeologie</titel></kop><al>Bij de uitvoering van projecten moet soms een archeologisch onderzoeksrapport worden ingediend. In dezelfde lijn met de toetsing van andere zaken worden deze rapporten beoordeeld. Concreet geldt de volgende werkwijze voor archeologie: Archeologische onderzoeksrapporten in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bijvoorbeeld gebieden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 1 of 2’ in een omgevingsplan (van rechtswege) of volgens de archeologische waardenkaart) worden altijd getoetst. De toetsing wordt uitgevoerd door een deskundige op gebied van archeologie. In de meeste situaties zal hiervoor de ODZOB ingeschakeld worden. In andere gebieden blijft de algemene werkwijze gelden: toets volledigheid van het rapport. Ook voor deze toets volledigheid van het onderzoeksrapport kan soms advies van een deskundige nodig zijn. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.9</nr><titel>Uitgangspunten bij toets gelijkwaardigheid</titel></kop><al>De regelgeving is in heel Nederland gelijk. De voorschriften, bijvoorbeeld uit het Bbl, zijn vooral geënt op veelvoorkomende zaken. Het is voor het college soms mogelijk af te wijken van een voorschrift als op basis van gelijkwaardigheid door de aanvrager is aangetoond dat op een andere wijze aan het voorschrift wordt voldaan. Gelijkwaardigheid moet altijd naar het genoegen van het college worden aangetoond. Dit laatste is niet zonder belang. Bij vraagstukken over gelijkwaardigheid kan de lokale situatie een belangrijke rol spelen. Zo zal bijvoorbeeld bij brandveiligheidsvraagstukken, onder meer de ligging en bereikbaarheid van het gebouw en de capaciteit van de lokale brandweer relevant zijn voor de beoordeling van een voorgestelde gelijkwaardige oplossing. Dit is maatwerk waarbij een net zo veilige situatie moet worden gerealiseerd als met de geldende regelgeving is bedoeld. Daarom kan het zo zijn dat een gelijkwaardige oplossing in verschillende situaties anders moet worden benaderd. De gemeente heeft, vooral ook als het gaat over veiligheid en gezondheid, wettelijk een belangrijke rol en moet een zorgvuldige overweging maken om al dan niet akkoord te gaan met een gelijkwaardige oplossing. Bij complexe materie vraagt het college advies aan de deskundigen. Hiervoor wordt ten aanzien van de brandveiligheidsvraagstukken bijvoorbeeld deskundigheid ingeschakeld van de VRBZO.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.10</nr><titel>Uitgangspunten bij beoordeling meldingen (niet zijnde bouwactiviteiten en APV en bijzondere wetten)</titel></kop><al>De laatste jaren zijn veel vergunningstelsels vervangen door een systeem van meldingen. Door het stellen van algemeen verbindende regels is maatwerk van een vergunning minder vaak nodig. Deze transitie vindt al jaren plaats in de milieuwetgeving. Een voorbeeld hiervan is de milieumelding Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, voorheen Activiteitenbesluit). Voor brandveilig gebruiken en slopen is een systeem van meldingen opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, voorheen Bouwbesluit).</al><al>Bij meldingen gaat de wetgever ervan uit dat voor bepaalde activiteiten volstaan kan worden met een mededeling aan het bevoegd gezag. Aan het bevoegd gezag is het de taak te beoordelen of de activiteit inderdaad meldingplichtig is en of de melding volledig is ingediend. Een inhoudelijke beoordeling en acceptatie van de melding past niet in deze richting. Het accent van de taken van de gemeente met betrekking tot meldingen verplaatst zich naar het uitvoeren van toezicht.</al><al>Het algemene uitgangspunt voor de behandeling van meldingen is als volgt:</al><al>Volledigheid: is de melding volledig ingediend?</al><al>Aannemelijkheid: is voldoende aannemelijk dat de melding overeenkomt met het werkelijk (voorgenomen) gebruik of de (voorgenomen) uitvoering van werken? Een uiterst globale schouwing op basis van ervaring.</al><al>Toetsing: de ingediende gegevens worden niet inhoudelijk getoetst, tenzij wettelijk voorgeschreven.</al><al>Maatwerkvoorschriften: globale beoordeling of mogelijk maatwerkvoorschriften nodig zijn.</al><al><nadruk type="vet">Nadrukkelijk wordt gesteld dat een melding niet als vergunning wordt behandeld.</nadruk> Een inhoudelijke beoordeling van gegevens en het verbinden van nadere voorschriften kan slechts in bijzondere situaties aan de orde zijn.</al><al>Uit toezicht en handhaving kan blijken dat maatwerkvoorschriften nodig zijn. Het is nauwelijks mogelijk maatwerkvoorschriften in een algemene werkwijze te formuleren. De wettelijk voorgeschreven procedure is vanzelfsprekend leidend.</al><al><nadruk type="cur">Milieu- en sloopmeldingen</nadruk></al><al>De wijze omtrent de beoordeling en het houden van toezicht op milieu- en sloopmeldingen is vastgelegd in regionaal beleid, omdat het een basistaak van de ODZOB is, en daarom niet meer opgenomen in dit VTH beleid. Zie paragraaf 2.6.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.11</nr><titel>Uitgangspunten bij beoordeling meldingen en informatieplichten Wkb 3.11.1 Bijzondere lokale omstandigheden</titel></kop><al>Bij het opstellen van een risicobeoordeling en het borgingsplan, welke bij de bouwmelding ingediend moeten worden, moet rekening worden gehouden met risico’s uit de omgeving, de zogenaamde ‘bijzondere lokale omstandigheden’. Voor de volgende bijzondere lokale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn daarmee rekening te houden:</al><al>Draagkracht van de bodem, al dan niet via een sonderingsonderzoek.</al><al>De gesteldheid van de bodem (gemeentelijke Nota bodembeheer, regionale Bodemkwaliteitskaart en de rapportagemodule bodeminformatie van Provincie Noord-Brabant). </al><al>Op korte afstand (ongeveer 150 meter) gelegen bodemenergiesystemen (WKO tool).</al><al>Archeologische verwachtingswaarden (omgevingsplan en gemeentelijke Erfgoedverordening).</al><al>Watervoerende lagen in de ondergrond die mogelijk een risico vormen bij grondgevormde funderingspalen.</al><al>Grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied Vessem/Wintelre (Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant).</al><al>Hogere grenswaarden rechtstreeks doorwerkend uit omgevingsplan</al><al>Resten van funderingen of andere materialen in de bodem die mogelijk van invloed kunnen zijn op de funderingswijze.</al><al>Specifieke funderingsconstructies van belendende bebouwing die van invloed kunnen zijn op de fundering van het te bouwen bouwwerk of op de belendende fundering alsmede het belendende bouwwerk zelf.</al><al>Verhoogde wind- en sneeuwbelasting door bouwwerken in de directe omgeving.</al><al>Aansluiting riool en afvoer hemelwater.</al><al>Lokale infrastructuren en aanwezige (ondergrondse) voorzieningen welke een invloed kunnen hebben op het bouwproces of het inrichten van het bouwterrein (onder andere rijtroutes hulpdiensten, bluswatervoorzieningen en ondergrondse containers. </al><al>Molenbiotoop Jacobus, Wilhelminalaan 18 in Vessem.</al><al>Obstakelbeheergebied (funnel) Eindhoven Airport/Vliegbasis Eindhoven.</al><al>Snelweg A67.</al><al>Pijpleiding Rotterdam-Beek (PRB-leiding), ter hoogte van de markeringen en aanduidingen in het veld.</al><al>Transport pijpleiding Z-506 van Gasunie, ten noorden van Knegsel en doorlopend naar ten noorden van Duizel.</al><al>Zonnepark Landsardseweg, nabij Generaal-Majoor De Ruyter van Steveninck Kazerne, Eindhoven Airport en recreatiegebied De Landsard (in ontwikkeling).</al><al>Bovenstaande lijst is geen uitputtende lijst. Alle risico’s moeten in kaart worden gebracht en nagegaan moet worden of alle risico’s voldoende worden beheerst en welke maatregelen daarvoor nodig zijn. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.11.2</nr><titel>Meldingen en informatieplichten</titel></kop><al><nadruk type="cur">Bouwmelding</nadruk></al><al>Bij bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (artikel 2:17 Bbl) is geen vergunning nodig voor de technische bouwactiviteit. De initiatiefnemer heeft hiervoor wel een meldingsplicht. De melding moet uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw bij de gemeente ingediend worden via het omgevingsloket (niet eerder dan 1 jaar van tevoren). Bij de melding wordt een passende risicobeoordeling en een borgingsplan ingediend, waarbij rekening is gehouden met de lokale bijzondere omstandigheden. De gemeente beoordeelt binnen 4 weken of de melding volledig is ingediend. Daarbij wordt gekeken of het bouwwerk onder gevolgklasse 1 valt, of de kwaliteitsborger gerechtigd is, of een juist instrument voor kwaliteitsborging wordt gebruikt en of de risico’s zijn beoordeeld en geborgd. Er vindt door gemeente in principe geen inhoudelijke beoordeling plaats. Echter, wanneer onvoldoende inzicht wordt gegeven in de beoordeling en borging van risico’s dan vraagt de gemeente nadere informatie op over dat betreffende onderdeel bij de initiatiefnemer. Wanneer de gemeente niet binnen 4 weken een reactie heeft gegeven wordt de melding geacht volledig te zijn en kan gestart worden met de bouwwerkzaamheden. </al><al>Wanneer de melding niet volledig is, de kwaliteitsborger niet gerechtigd is of een verkeerd instrument voor kwaliteitsborging is gekozen, is er geen sprake van een melding. De gemeente stuurt hierover bericht naar de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet dan een nieuwe melding indienen. Zolang er geen (tijdige) melding is gedaan is er sprake van een bouwverbod. </al><al><nadruk type="cur">Start bouwactiviteit</nadruk></al><al>Uiterlijk 2 dagen voor de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden informeert de initiatiefnemer de gemeente via het omgevingsloket over de start. Het niet (tijdig) informeren van de gemeente heeft geen (juridische) gevolgen.</al><al><nadruk type="cur">Gereedmelding</nadruk></al><al>Als het bouwwerk technisch gereed is, maar nog niet is opgeleverd moet de initiatiefnemer uiterlijk 2 weken voor ingebruikname een gereedmelding doen bij de gemeente via het omgevingsloket. Bij de gereedmelding moet een verklaring van de kwaliteitsborger worden toegevoegd waaruit blijkt dat het gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat het bouwwerk voldoet aan het Bbl. Ook moet een dossier voor het bevoegd gezag worden verstrekt. De gemeente controleert of de melding en het dossier volledig zijn. Wanneer de gereedmelding en het dossier bevoegd gezag volledig zijn wordt de gereedmelding zonder verder inhoudelijke beoordeling gearchiveerd. Het bouwwerk mag vervolgens in gebruik worden genomen. </al><al>Wanneer de melding niet volledig is, is er geen sprake van een melding. De gemeente stuurt hierover bericht naar de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet dan een nieuwe melding indienen. Zolang er geen (tijdige) melding is gedaan is er sprake van een verbod op ingebruikname. Wanneer, nadat eerst een onvolledige melding is gedaan, alsnog een volledige melding wordt gedaan vindt steekproefsgewijs een inhoudelijke beoordeling van de stukken plaats voordat de melding gearchiveerd wordt. Pas na controle van de volledige melding mag het bouwwerk alsnog in gebruik worden genomen. </al><al><nadruk type="cur">Beëindiging bouwactiviteit</nadruk></al><al>Uiterlijk 1 dag na beëindiging van de bouwwerkzaamheden informeert de initiatiefnemer de gemeente via het omgevingsloket over de beëindiging van de bouwwerkzaamheden. Het niet (tijdig) informeren van de gemeente heeft geen (juridische) gevolgen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12</nr><titel>Uitgangspunten bij beoordeling vergunningen, meldingen en ontheffingen op basis van de APV en Bijzondere wetgeving 3.12.1 Openbare orde en veiligheid bij evenementen</titel></kop><al>Er wordt de laatste jaren steeds meer belang gehecht aan een adequate uitvoering van de taken op het gebied van de APV en andere bijzondere wetgeving, zoals de Alcoholwet. De rol van de gemeente is veranderd en de burgemeester in het bijzonder heeft een duidelijkere plaats gekregen in het proces van vergunningverlening en toezicht, vooral bij evenementen. Enkele incidenten waarbij slachtoffers zijn gevallen op evenementen maken dat aandacht voor openbare orde en veiligheid meer aandacht heeft gekregen en ook behoud. Om openbare orde en veiligheid een nadrukkelijke plek te geven in de vergunningverlening en bij het toezicht is het Uitvoeringsbeleid evenementen gebaseerd op de Handreiking evenementenveiligheid van het Instituut Fysieke Veiligheid. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.1.1</nr><titel>Voorbereiding besluitvorming</titel></kop><al>Het besluitvormingsproces wordt gestructureerd en procesmatig uitgevoerd. Hiervoor wordt de software gebruikt die ook voor onder andere omgevingsvergunningen wordt gebruikt. Per zaak wordt een verantwoordelijke voor het hele proces aangewezen. </al><al>De basis voor een goede beoordeling is de noodzaak voor een volledige aanvraag om vergunning. De gemeente is kritisch: een onjuiste of onvolledige aanvraag kost later in het proces vaak extra tijd. Onvolledig ingediende aanvragen om vergunningen worden niet behandeld. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen een redelijke termijn aan te vullen en te verbeteren. Aanvragen die te laat binnenkomen (minder dan de in de APV/Uitvoeringsbeleid evenementen voorgeschreven termijn) worden niet in behandeling genomen dan wel geweigerd. Deze werkwijze geldt bij alle evenementen, ook die al vaker zijn georganiseerd.</al><al>Bij alle vergunningaanvragen wordt de behandelaanpak bepaalt aan de hand van de Behandelscan Evenementen Brabant van de VRZBO. Daarna start het adviestraject. In ieder geval wanneer uit de Behandelscan Evenementen Brabant het evenement wordt geclassificeerd als een C-evenement wordt advies gevraagd aan de veiligheidsmedewerker van de gemeente, politie, veiligheidsregio en GHOR. Er wordt een multi-gedisciplineerd overleg gepland. Bij evenementen met behandelaanpak tot en met ‘B’ zal in bijzondere situaties ook advies van 1 of meerdere van de hiervoor genoemde adviseurs nodig zijn. Nadat de adviezen zijn ontvangen, wordt besloten of de vergunning wordt verleend. Zo nodig wordt hierbij de burgemeester, als portefeuillehouder openbare orde en veiligheid, betrokken. Op basis van de adviezen worden voorschriften aan het besluit verbonden. </al><al>De noodzaak voor het aanvragen van advies vraagt deskundigheid en alertheid van de medewerkers die belast zijn met de behandeling van vergunningen. Daarbij zal vooral ook veel aandacht moeten zijn voor de politieke sensitiviteit. Een ogenschijnlijk klein evenement kan maatschappelijk grote gevolgen hebben, zodat soms toch advies van een derde nodig is.</al><al>Om de deskundigheid van de medewerkers te vergroten en te borgen hebben wij eisen geformuleerd waaraan de medewerkers moeten voldoen. Deze eisen zijn opgenomen in bijlage III. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.1.2</nr><titel>Betrokkenheid burgemeester</titel></kop><al>Ieder jaar worden meer dan honderd evenementen in de gemeente gehouden. De burgemeester wordt niet bij alle evenementen actief betrokken. De burgemeester wordt voor C-evenementen in ieder geval in kennis gesteld van aanvragen om vergunning en er vindt altijd overleg plaats met de burgemeester. Van dit overleg wordt een verslag gemaakt. Ook evenementen met een lagere behandelaanpak kunnen vanwege hun risico bestuurlijke betrokkenheid verlangen. De medewerker die belast is met de vergunningverlening zal hier aandacht voor hebben. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.1.3</nr><titel>Planvorming en Toezicht</titel></kop><al>Het toezicht op het evenement wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente en VTH. Bij grotere evenementen zullen ook de politie, veiligheidsregio en GHOR betrokken worden. Op welke wijze dit gebeurt is beschreven in bijlage V en in het Uitvoeringsbeleid evenementen. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.1.4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>De gemeente wil leren en verbeteren. Een evaluatie maakt onderdeel uit van de cyclus voor de beoordeling van aanvragen om vergunning voor evenementen en het houden van toezicht. Dit wordt altijd uitgevoerd bij C-evenementen. Bij de evaluatie worden de organisator van het evenement en de hiervoor aan de orde gekomen hulpdiensten/adviseurs betrokken. De evaluatie wordt in een verslag vastgelegd. Bij een volgend evenement wordt de kennis en ervaring van voorgaande evenementen betrokken.</al><al>Bij nieuwe B-evenementen, die zijn bedoeld om jaarlijks terug te keren, vindt in ieder geval na het plaatsvinden van de eerste editie een volledige evaluatie plaats. De jaren daarna indien daar bij één van de partijen behoefte aan is. Dat geldt ook voor eenmalige evenementen.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.2</nr><titel>Meerjarige vergunningen, ontheffingen en meldingen</titel></kop><al>Veel activiteiten keren jaarlijks terug, zoals optochten, buurtfeesten en andere evenementen. De gemeente heeft ervoor gekozen, indien mogelijk en bij minder risicovolle zaken, meerjarige vergunningen, ontheffingen en meldingen af te geven. De dienstverlening verbetert: voor klanten een verminderde administratieve last, minder legeskosten en geen hinder van procedures met bijbehorende doorlooptijden. Als lokale of landelijke regels meerjarige vergunningen, ontheffingen of meldingen toestaan, is het algemene uitgangspunt dat medewerking wordt verleend voor een termijn van maximaal vijf jaren.</al><al>Voor het organiseren van evenementen zijn vaak meerdere vergunningen, ontheffingen of meldingen nodig, zoals een evenementenvergunning, ontheffing Alcoholwet, melding voor tenten en een reclamevergunning. Deze vergunningen en ontheffingen al dan niet in combinatie met meldingen, verlenen wij voor maximaal vijf jaar. Deze werkwijze geldt voor evenementen die in de Behandelscan Evenementen Brabant op geen enkel onderdeel behandelaanpak C omvat. Hierbij is een aanvullende voorwaarde dat voor de eerste 3 edities dat een evenement wordt gehouden, deze ook slechts voor één jaar wordt toegestaan. Na evaluatie en een positief oordeel van alle 3 de eerder edities kan daarna, volgens onderstaande nadere voorwaarden, voor maximaal vijf jaar toestemming worden verleend.</al><al>Voor de meerjarige vergunningen, ontheffingen en meldingen geldt dat het gehele evenement in omvang en aard (exploitant/vergunninghouder, locatie, faciliteiten, et cetera) jaarlijks identiek moet zijn. Bij wijziging van één of meerdere zaken moet een nieuwe vergunning of ontheffing worden aangevraagd. Dit is in ieder geval nodig in de volgende situaties (niet limitatief):</al><al>andere exploitant/vergunninghouder;</al><al>andere locatie;</al><al>bezoekersaantal of gewijzigde doelgroep/leeftijdsopbouw;</al><al>andere tent(en);</al><al>andere leidinggevende (bij ontheffing Alcoholwet);</al><al>andere tijdsduur evenement.</al><al>Is voor een enkel onderdeel een nieuwe vergunning of ontheffing nodig, dan wordt deze verleend tot uiterlijk de termijn van de eerste vergunning, dus maximaal vijf jaar vanaf de eerste vergunning.</al><al>Voorbeeld: Voor een evenement is een evenementenvergunning en ontheffing Alcoholwet verleend voor de jaren 2026 tot en met 2030. Wijzigt in 2027 de leidinggevende van de ontheffing, dan moet deze ontheffing opnieuw worden aangevraagd. Deze ontheffing wordt in dit voorbeeld dan verleend tot en met 2030. Vanaf 2031 is een volledig nieuwe vergunning nodig, voor alle onderdelen.</al><al>De organisator van een evenement moet jaarlijks schriftelijk aangeven of het evenement wederom plaatsvindt, de exacte datum en een bevestiging dat de activiteit identiek is aan de eerdere vergunning of ontheffing. Een meerjarige vergunning of ontheffing kan in bijzondere omstandigheden worden ingetrokken. Intrekken kan in ieder geval als:</al><al>blijkt dat er sprake is van substantiële wijzigingen en daarvoor geen nieuwe vergunning of ontheffing is aangevraagd; </al><al>de voorschriften van de vergunningen niet worden nageleefd;</al><al>er een calamiteit heeft voorgedaan;</al><al>er serieuze klachten zijn ontvangen;</al><al>als onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.</al><al>Intrekken kan ook als de burgemeester dit om andere redenen noodzakelijk acht. Ook kunnen er vanwege bijzondere omstandigheden nadere voorschriften aan de meerjarige vergunning of ontheffing worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><al>Voor het innemen van een standplaats is een standplaatsvergunning nodig. Standplaatsvergunningen kunnen eveneens voor een periode van vijf jaren worden verleend. In een enkele specifieke situatie, waarbij bijvoorbeeld het aantal aanvragen groter is dan de plaatsen die vergeven worden, wordt een standplaats verloot. De Beleidsregel standplaatsen is hierin leidend.</al><al>Ook voor de standplaatsvergunningen geldt dat de omvang van de standplaats, de exploitant, locatie, et cetera telkens identiek moet zijn. Wijzigt één of meerdere van deze zaken, is een nieuwe vergunning nodig. Een meerjarige vergunning kan in bijzondere omstandigheden worden ingetrokken. Ook kunnen er vanwege bijzondere omstandigheden nadere voorschriften aan de meerjarige vergunning worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.12.4</nr><titel>Beoordelingsrichtlijnen</titel></kop><al>In 2018 hebben de burgemeesters beoordelingsrichtlijnen vastgesteld voor alcoholvergunningen (destijds nog drank- en horecavergunningen) en voor grote evenementen. Deze richtlijnen zijn in lijn met dit VTH beleid waarin het onderdeel ‘Veiligheid’ een hoge prioriteit en ‘Bruikbaarheid’ een lage prioriteit heeft. Deze beoordelingsrichtlijnen maken nu integraal onderdeel uit van dit VTH beleid (bijlage IV en V).</al><al>In paragraaf 3.12 is de werkwijze voor reguliere vergunningen en ontheffingen op basis van de APV en bijzondere wetten weergegeven. Grote evenementen vragen echter een specifieke benadering met aandacht voor bijzonderheden die dergelijke zaken met zich meebrengen. In de beoordelingsrichtlijn voor grote evenementen is dit uitgewerkt.</al><al>Voor alcoholvergunningen vindt, gelet op de maatschappelijke belangen op enkele onderdelen, zoals eisen ten aanzien van maatvoering van ruimten en de inrichting van gescheiden toiletten, geen toetsing en geen handhaving plaatsvindt bij (verenigings-)gebouwen met een beperkte omvang. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.13</nr><titel>Uitgangspunten bij toetsing na zienswijzen, bezwaar- of beroep</titel></kop><al>Op grond van de wet- en regelgeving kunnen bij vergunningprocedures zienswijze(n) worden ingediend, bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld. De inhoud hiervan kan zich richten tot een specifiek onderdeel van de inhoudelijke beoordeling van de vergunning. In deze situaties wordt, bij de behandeling van de zienswijzen, het bezwaar- of beroepschrift het betreffende onderdeel uit de vergunning waartegen wordt geageerd, opnieuw getoetst op het hoogste niveau (niveau 4). Als gevolg van deze toetsing kan het voorkomen dat een aanvraag om een vergunning aanpassing en/of nadere motivatie vereist dan wel dat een mogelijke verlening van een vergunning wordt herzien en de vergunning alsnog moet worden geweigerd.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.14</nr><titel>Uitgangspunten bij in- en externe afstemming</titel></kop><al>Integrale vergunningverlening is een onderdeel van de dienstverlening van een gemeente. Een adequate interne afstemming is nodig om aanvragen binnen de wettelijke termijnen compleet af te handelen en draagt daardoor in grote mate bij aan de klantbeleving van de dienstverlening. In eerste instantie behelst een goede afstemming, zowel tussen vergunningverleners en andere intern betrokkenen onderling, als tussen vergunningverlener, toezichthouder, handhaver en adviseurs. Deze afstemming is van wezenlijk belang voor een eenduidige en uniforme toetsing en optreden naar buiten toe.</al><al /><al>Daarnaast omvat interne afstemming de relatie met andere organisatieonderdelen, zoals de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke plannen en de uitvoering van projecten. Hierover zijn vaak al afspraken en werkprocessen vastgelegd.</al><al>De werkprocessen en -afspraken die de organisatie aangaan worden in afzonderlijke documenten vastgelegd. Deze dynamische uitwerking is een reactie van de organisatie op de bestuurlijke keuzes in dit VTH beleid.</al><al>Externe afstemming is van belang om te komen tot een optimaal en integraal resultaat in zowel vergunningverlening, toezicht als handhaving. De samenwerkende partners (waterschap, politie, VRBZO, ODZOB, provincie, ministerie enz.) benutten zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie over en weer. Ook het overleg met adviseurs van aanvragers, zoals architecten, milieuadviseurs etc., zal veelal nodig zijn en bijdragen aan het gewenste eindresultaat.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.15</nr><titel>Uitgangspunten bij intrekken vergunningen en ontheffingen</titel></kop><al>Na het verlenen van een vergunning of ontheffing wordt vaak snel gevolg gegeven aan de uitvoering of ingebruikname. Het komt ook voor dat geen of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende vergunning of ontheffing. Wanneer ongebruikte vergunningen of ontheffingen jaren geleden zijn verleend en niet zijn ingetrokken, blijft vaak het recht bestaan om hiervan gebruik te maken.</al><al>Om uiteenlopende redenen is het ongewenst om verleende vergunningen en ontheffingen in stand te laten zonder dat daar binnen een bepaalde termijn gebruik van wordt gemaakt. Voor de rechtszekerheid van omwonenden en belanghebbenden is het ongewenst oude vergunningen en ontheffingen in stand te houden. Doordat de bekendmaking van deze besluiten lang geleden kunnen hebben plaatsgevonden, kunnen zij alsnog verrast worden door de activiteiten. Ook vanuit administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijke (bouw)archief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie. Ook voor het beheer van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is een actuele administratie nodig.</al><al>Aanleiding voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen kan zijn handhaving, waarbij het intrekken van een vergunning als sanctie wordt gezien, intrekken op verzoek van de vergunninghouder of belanghebbende. Ook kan ambtshalve de procedure tot het intrekken van vergunningen of ontheffingen worden gestart.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.15.1</nr><titel>Intrekken omgevingsvergunningen</titel></kop><al>In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen. De gemeente wil voorkomen dat een stuwmeer aan ongebruikte omgevingsvergunningen ontstaat. Daarmee wordt ook voorkomen dat (nieuwe) planologische, stedenbouwkundige of andere inzichten over de fysieke leefomgeving doorkruist worden door vergunde, nog te realiseren of te slopen bouwwerken en het gebruik ervan. Door oude vergunningen in stand te houden kunnen projecten worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen conform verouderde (bouw)technische inzichten, verouderde milieutechnische aspecten of zelfs in strijd met nieuwe (planologische) regels. Dit vindt de gemeente ongewenst. Na verloop van een bepaalde periode worden omgevingsvergunningen geheel of gedeeltelijk intrekken.</al><al>De gronden voor het intrekken van omgevingsvergunningen zijn opgenomen in de Omgevingswet. In principe kunnen vergunning worden ingetrokken als gedurende een jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of niet gestart is met bouwen of aanleggen. Op deze termijn zijn voor sommige milieuactiviteiten uitzonderingen gemaakt (paragraaf 8.10.2 Besluit kwaliteit leefomgeving). De gemeente heeft er voor gekozen alle niet-gebruikte vergunningen in te trekken na een termijn van drie jaren. Het intrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘afwijken van het omgevingsplan (van rechtswege) (planologisch strijdig gebruik)’ zal vooraf met medewerkers Ruimtelijke Ordening worden afgestemd vanwege de mogelijkheid van nadeelcompensatie voor het intrekken van deze besluiten. Wanneer er regionaal beleid komt voor het intrekken van omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten zal dat beleid in plaats treden of aanvullend zijn op het intrekkingenbeleid uit deze paragraaf.</al><al><nadruk type="cur">Voornemen intrekken vergunning</nadruk></al><al>Voor het verstrijken van de hiervoor genoemde termijnen voor het intrekken van de vergunning, kan de gemeente de procedure tot intrekking van de vergunning starten door middel van het sturen van een voornemen tot intrekken. </al><al><nadruk type="cur">Zienswijze</nadruk></al><al>Voordat tot intrekking van de vergunning wordt overgegaan, wordt de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen naar voren te brengen. Zo nodig wordt het voornemen tot intrekken van de vergunning gepubliceerd.</al><al>Als de vergunninghouder niet reageert op een voornemen tot intrekking van een vergunning, wordt de vergunning ingetrokken. Bij zienswijzen wordt een belangenafweging gemaakt. Hierbij wordt beoordeeld of voldoende gronden aanwezig zijn om niet tot intrekking van de vergunning over te gaan. Van redelijke gronden is in ieder geval sprake als met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een ondernemer die de werkzaamheden zal uitvoeren, facturen van bestelde (bouw)materialen die nodig zijn voor de uitvoering en/of in gebruik name van het werk en/of hiermee gelijk te stellen documenten) de intentie tot op korte termijn (een aantal weken) het starten met de uitvoering en/of in gebruik name van de werken aangetoond wordt.</al><al>Het ontbreken van financiële middelen of conflicten met uitvoerende partijen (architect of aannemer) leiden niet tot het afzien van intrekking van de omgevingsvergunning. In familiaire kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de vergunninghouder de reden goed wordt gemotiveerd, intrekking van de vergunning worden uitgesteld. Ook hierbij zal voldoende aannemelijk gemaakt moeten worden wanneer wel van de vergunning gebruik zal worden gemaakt.</al><al><nadruk type="vet">Wanneer bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en/of een technische bouwactiviteit uitstel wordt verleend is dat slechts eenmalig en voor maximaal 1 jaar na het versturen van het voornemen tot intrekken mogelijk. </nadruk></al><al>Voor het intrekken van omgevingsvergunningen voor zowel bouw als milieu en mogelijke andere activiteiten die betrekking hebben op stallen (dierenverblijven) wordt in beginsel geen uitstel verleend. Drie jaar is de maximale termijn. De regels voor stallen, zoals die in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderijen zijn opgenomen, zijn en worden vaak aangepast. Ook verschijnt er veel jurisprudentie over regels voor stallen. Vanwege deze aanpassingen en de maatschappelijke discussie over dierhouderijen (geur en fijnstof), acht de gemeente het ongewenst ongebruikte vergunningen voor stallen langer in stand te houden. In zeer bijzondere situaties kan de effectueringsdatum van een besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning in de toekomst worden gesteld. In de Omgevingsverordening heeft Provincie Noord-Brabant ook opgenomen dat ze ongebruikte natuurvergunningen of ruimte in natuurvergunningen actief gaan intrekken. Dit heeft geen invloed op het intrekken van de omgevingsvergunningen.</al><al>Hierbij wordt toegevoegd dat bij het gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning milieu in beginsel sprake zal moeten zijn van een duidelijk af te kaderen deel, bijvoorbeeld, niet limitatief, de dierbezetting van een gehele stal of een gehele diercategorie. Een (tijdelijk) lagere dierbezetting van een stal alleen is geen reden om direct tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning over te gaan. Reden daarvoor is dat dan mogelijk juist voor het milieu minder gewenste effecten worden bewerkstelligd. Gedurende de intrekkingsprocedure kan de vergunninghouder er namelijk alsnog voor kiezen de (tijdelijk) onbenutte dierruimte volledig op te vullen. Van belang daarbij is dat er vergunningen zijn verleend voor het houden van dieren. Welke specifieke dieren dit zijn, blijkt uit de vergunning, aanvraag en voorschriften. Indien er andere diersoorten, op bijvoorbeeld dierplekken voor andere diersoorten of in een specifieke stal, zijn gehouden dan vergund of gemeld, dan is er soms wel gebruik gemaakt van de vergunning (voor het houden van dieren) maar worden de voorschriften overtreden. Er zal dan (indien van toepassing) een nieuwe vergunning aangevraagd moeten worden of een melding moeten worden gedaan. Indien er geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning, dus geen of substantieel minder dieren worden gehouden, (in hele inrichting of op stal- of afdelingsniveau) gedurende drie jaar, dan kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Het slechts tijdelijk houden van minder dieren is geen reden voor het intrekken van een vergunning. Er zal altijd een belangenafweging plaatsvinden.</al><al><nadruk type="cur">Nadere termijn</nadruk></al><al>Indien redelijke gronden aanwezig zijn om niet direct tot intrekking van de vergunning over te gaan, stellen wij een concrete nadere termijn (met einddatum) waarbinnen de vergunninghouder alsnog gebruik moet maken van de vergunning (dit betekent feitelijk aanvangen van of hervatten van de uitvoering van de werkzaamheden en/of ingebruikname). De nadere termijn wordt schriftelijk vastgelegd.</al><al>Als na de nader gestelde termijn geen aanvang is gemaakt met de uitvoering of hervatting van de werkzaamheden of in gebruik name van het project, wordt de vergunning alsnog ingetrokken. De procedure wordt opnieuw doorlopen, inclusief het voornemen tot intrekken van de vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.15.2</nr><titel>Uitsluiting overige intrekkingsgronden omgevingsvergunningen</titel></kop><al>Het bovenstaande laat de besluitvorming over de overige in de artikelen 5.39 en 5.40 van de Omgevingswet of andere wetgeving opgenomen intrekkingsgronden onverlet.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.15.3</nr><titel>Intrekken overige vergunningen en ontheffingen</titel></kop><al>Behalve in de Omgevingswet zijn ook in andere wetgeving regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen. Net als voor omgevingsvergunningen geldt voor andere vergunningen en ontheffingen in het algemeen dat voorkomen moet worden dat regels en inzichten doorkruist worden door oude vergunningen of ontheffingen. Het is daarom nodig na verloop van een bepaalde periode overige vergunningen en ontheffingen geheel of gedeeltelijk in te trekken.</al><al>Tenzij wettelijk een ander minimale termijn is bepaald, kunnen overige vergunningen en ontheffingen na een termijn van één jaar worden ingetrokken. De stappen en overwegingen in de besluitvorming vinden plaats op dezelfde wijze als omschreven bij omgevingsvergunningen, vanzelfsprekend met inachtneming van de geldende wettelijke voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.15.4</nr><titel>Hardheidsclausule - belangenafweging</titel></kop><al>Het college blijft bevoegd om af te wijken van bovengenoemd intrekkingenbeleid, vooral wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen of als sprake is van urgentie en/of zwaarwegende planologische of maatschappelijke belangen.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>3.16</nr><titel>Overige uitgangspunten (vangnet)</titel></kop><al>Als algemene leidraad voor de toetsing van vergunningen geldt dat uit de ingediende gegevens altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf voldoende kennis op de diverse disciplines bezit of zorgt dat deze kennis via derden wordt verkregen, zodat de gemeente zich er altijd van kan vergewissen of rapporten en adviezen van derden voldoen aan de regelgeving.</al><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>4</nr><titel>Toezicht en Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.1</nr><titel>Inleiding toezicht en handhaving</titel></kop><al>Ook voor toezicht en handhaving zijn de visie, missie, doelstellingen en basis uitgangspunten uit de hoofdstukken 1 en 2 van toepassing. In dit hoofdstuk is toezicht en handhaving verder uitgewerkt. </al><al>Deze gemeente spreekt burgers en bedrijven aan op het nakomen van afspraken die vastgelegd zijn in wet- en regelgeving of in gemeentelijk beleid. Om van het begin aan duidelijkheid te scheppen, worden de termen toezicht, controle en handhaving gedefinieerd. Een in de bestuursrechtelijke literatuur veelgebruikte definitie van handhaving luidt: </al><al>“Het door toezicht en het toepassen van bestuursrechtelijke, strafrechtelijke of privaatrechtelijke middelen bereiken dat de algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften worden nageleefd.”</al><al /><al>Verdere definities van handhaving, toezicht en controle staan hieronder weergegeven. Wij onderscheiden verschillende stappen in het “doen naleven van rechtsregels”:</al><al>voorlichting: creëren van draagvlak, stimuleren van gewenst of verplicht gedrag, uitleg over de achtergronden van de regel en communiceren van de resultaten van de handhavingsinspanningen;</al><al>preventieve handhaving: uitvoeren van controles en toezicht;</al><al>repressieve handhaving: opleggen en uitvoeren van bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke sancties. </al><al><nadruk type="cur">Toezicht</nadruk>: het toezien op de naleving van de door de wet gestelde regels, meestal binnen een specifiek gebied of voor een specifieke activiteit. </al><al><nadruk type="cur">Controle</nadruk>: het verzamelen en beoordelen van informatie om vast te stellen of wordt voldaan aan de gestelde eisen.</al><al><nadruk type="cur">Interventie/handhaving</nadruk>: het (zo nodig) inzetten van bestuursrechtelijke maatregelen om naleving te bereiken.</al><al><nadruk type="cur">Handhaving</nadruk>: het zo nodig afdwingen van naleving van door de overheid gestelde regels. </al><al>Hierbij is ook van belang om duidelijkheid te verschaffen over wat onze gemeente verstaat onder integraal toezicht en handhaving: </al><al><nadruk type="cur">Integraal toezicht en handhaving</nadruk>: toezicht en handhaving dat oordeelsvorming bevat op meerdere gebieden (bijvoorbeeld bouw, milieu en brandveiligheid) en op meerdere niveaus (organisaties, samenwerking, het stelsel van uitvoering). Integraal toezicht en handhaving betekent ook dat bevindingen, prioritering en interventiekeuze multidisciplinair worden afgestemd (één regievoerder, één dossier, één afwegingsmoment). </al><al>De handhavingsactiviteiten zijn primair gericht op beëindiging van de overtreding of overlast, op herstel van een situatie volgens de gestelde normen, op het ontmoedigen om soortgelijke overtredingen (nogmaals) te begaan.</al><al>Daar waar nodig werkt de gemeente samen met politie en justitie die met het strafrecht zich vooral richten op het straffen van de overtreder en op het wegnemen van diens wederrechtelijk genoten (concurrentie)voordeel.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.2</nr><titel>Doelstellingen toezicht en handhaving</titel></kop><al>Het houden van toezicht en handhaving zijn geen doelen op zich. Het doel is de naleving van regelgeving en het nakomen van (voorschriften uit) vergunningen te bevorderen. Voorschriften beogen de bescherming en zelfs verbetering van de kwaliteit van de openbare, bebouwde en onbebouwde ruimte, waarbij gezondheid, veiligheid, leefbaarheid en toekomstbestendigheid van de woon- en leefomgeving voorop staan. Toezicht en handhaving dragen dus bij aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige gemeente waar het prettig is om te wonen, te werken en te verblijven. Daardoor is de vraag naar doelmatigheid, ook wel aangeduid als het spanningsveld tussen principe en pragmatisme, steeds aan de orde. Wij kiezen voor een gerichte aanpak om naleefgedrag te verbeteren. De aanpak bestaat uit een doordachte mix van handhavingsinstrumenten. Preventieve instrumenten van handhaving hebben daarbij duidelijk de voorkeur boven repressieve instrumenten. Zichtbaarheid vanuit een verbindende proactieve houding speelt hierbij ook een belangrijke rol. </al><al>Het is ondoenlijk om op alle regels, wetten en verordeningen permanent en intensief toezicht te houden. Daarom wordt toezichtcapaciteit en controles risicogericht geprioriteerd. Dit laat onverlet dat bij geconstateerde overtredingen en handhavingsverzoeken een zorgvuldige besluitvorming plaatsvindt. Ook is het van belang het gehele spectrum van toezicht en handhaving te bekijken, de risico’s te analyseren en prioriteiten te stellen. Vanuit deze invalshoek moet het houden van toezicht en het handhaven zowel opportuun zijn (geschikt en op een passend moment) alsmede proportioneel (in verhouding staan tot het vergrijp of het gevaar). Dit veronderstelt een heldere belangenafweging. </al><al /><al>Om duidelijkheid te verschaffen aan de inwoners van en de bedrijven in onze gemeente stellen wij, zoals omschreven in hoofdstuk 1, duidelijk en vooraf onze prioriteiten vast. Dit gebeurt via dit VTH beleid.</al><al>Het college heeft, zoals in de uitgangspunten aangegeven, de ambitie om minder repressief te handhaven en meer te werken aan preventie. Dit wil het college doen door burgers, bedrijven en instanties aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheden. Anderzijds moet de handhaafbaarheid van wet- en regelgeving worden bekeken. De ambities staan hieronder verwoord:</al><al>Verschuiving van repressief naar preventief handhaven.</al><al>Extern draagvlak creëren door onder andere het verbeteren van de in- en externe samenwerking en communicatie op het gebied van handhaving.</al><al>Eenheid in de uitvoering van handhaving door het realiseren van een integrale en interactieve aanpak.</al><al>Uniforme en gelijke aanpak.</al><al>De kwaliteitseisen, zoals vastgesteld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit op te volgen.</al><al>Verbeteren en bevorderen van het naleefgedrag van burgers, bedrijven en instanties.</al><al>Een leefbare en veilige omgeving te bevorderen waar het prettig is om te wonen, te werken en te verblijven. </al><al>Hinder, overlast, verrommeling en aantasting van de openbare ruimte te beperken. </al><al>Deze ambities zijn geconcretiseerd in doelstellingen. Deze doelstellingen worden per jaar uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma, maar worden gebaseerd op onderstaande beleidsdoelstellingen.</al><al>Doelstellingen:</al><al>Zwaartepunt handhaving van repressief naar preventief verschuiven door burgers, bedrijven en instanties aan te spreken op en informeren over hun eigen verantwoordelijkheden.</al><al>Betere interne en externe afstemming tussen disciplines die betrokken zijn bij de handhaving in onze gemeente.</al><al>Diverse publicaties per jaar over toezicht of handhaving in een lokaal blad, website of social media.</al><al>Zorgen voor een goede structuur van de werkwijze en de werkprocessen.</al><al>Burgers aanmoedigen in eerste instantie hun eigen verantwoordelijkheid te nemen zonder tussenkomst van de gemeente.</al><al>Borgen dat beleid en plannen handhaafbaar worden en niet-handhaafbare regels schrappen. </al><al>Het college gaat er op het gebied van de aan hun bij wet toegewezen taken van uit dat toezicht en (preventieve) handhaving uiteindelijk zullen leiden tot een betere en betrouwbare dienstverlening voor de inwoners en bedrijven van haar gemeente. Het college verliest daarbij echter niet uit het oog dat repressief handhaven soms noodzakelijk zal blijken, maar dat ook dit uiteindelijk leidt tot een betrouwbare gemeente en een beter naleefgedrag van de wet- en regelgeving.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.3</nr><titel>Meetbare indicatoren (SMART)</titel></kop><al>De gemeente is van mening dat een goed functionerende organisatie voor het houden van toezicht en uitvoeren van handhaving, behoort tot de basisdienstverlening. Bovengenoemde doelstellingen dragen daaraan bij. In dit VTH beleid is een volgende stap gezet om een aantal aspecten binnen deze doelstellingen meetbaar te maken. Hiervoor zijn de volgende indicatoren vastgelegd*1:</al><al /><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="19*" /><colspec colname="col2" colwidth="49*" /><colspec colname="col3" colwidth="21*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Prioriteit</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Beschrijving</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">Termijn/indicator</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>De afhandeling van toezicht- en handhavingsvraagstukken vindt op de volgende wijze plaats (prioriteiten volgens systematiek in bijlage VI):</al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Handhavingsverzoeken</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Verzoeken die in juridische zin als handhavingsverzoeken moeten worden aangemerkt, worden direct opgepakt volgens de wettelijk voorgeschreven procedure met de daarbij behorende wettelijke (verlengde) termijnen.</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Bij een handhavingsverzoek kan (indien nodig voor de duiding) contact opgenomen worden met de indiener over het doel van het verzoek en de gewenste uitkomst.</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Anonieme verzoeken worden niet als aanvraag/handhavingsverzoek in behandeling genomen. Deze geregistreerd als melding/signaal en kunnen aanleiding zijn voor eigen toezicht op basis van de prioritering.</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Stillegging/</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Spoedsluiting*2</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Mondelinge stillegging/sluiting</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">1 werkdag</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Schriftelijke bevestiging stillegging/sluiting wordt verzonden binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>1 week</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Prio.0</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Controle wordt uitgevoerd binnen</nadruk>:</al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">2 weken</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Bij overtreding wordt een voorgenomen handhavingsbeschikking verzonden binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>2 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop begunstigingstermijn wordt een hercontrole uitgevoerd binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>2 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Vervolgstappen zijn afhankelijk van de bevindingen dan wel zienswijzen die kunnen worden ingediend.</al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Prio.1</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Controle wordt uitgevoerd binnen</nadruk>:</al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">8 weken</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Bij overtreding wordt een voorgenomen handhavingsbeschikking verzonden binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>8 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop begunstigingstermijn wordt een hercontrole uitgevoerd binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>2 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Vervolgstappen zijn afhankelijk van de bevindingen dan wel zienswijzen die kunnen worden ingediend.</al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Prio.2</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Werkvoorraad</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Na controle wordt controlerapport wordt verwerkt in het registratiesysteem binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>2 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Na verwerken controlerapport wordt een wrakingsbrief dan wel waarschuwingsbrief verzonden binnen:</al></entry><entry colname="col3"><al>2 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Prio. 2 controles worden opgepakt wanneer er geen prio. 0 en 1 meer opgepakt hoeven te worden.</al></entry><entry colname="col3"><al>Onbepaalde termijn</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Prio.3</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Zaken worden niet actief opgepakt</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Naar bevind van zaken wordt een wrakingsbrief verzonden. Terloopse constateringen worden geregistreerd in het registratiesysteem onder de vermelding van de overtreding en het feit dat ter zake geen nadere actie volgt.</al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Klachten/meldingen/handhaving</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Voor de behandeling van klachten en meldingen zijn er actuele werkprocessen en protocollen </al></entry><entry colname="col3"><al>Actuele handleiding VTH</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering bij constatering van overtredingen vindt plaats volgens de vastgestelde sanctiestrategie</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Klachten en meldingen worden conform de prioritering uit bijlage VI in combinatie met bovenstaande termijnen opgepakt (indiener wordt op de hoogte gesteld van de prioritering)</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>Klachten en meldingen worden opgenomen in meldingensysteem en doorgezet naar een Boa/toezichthouder binnen een termijn van 2 werkdagen</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al>De indiener van een klacht of melding ontvangt een terugkoppeling met betrekking tot de behandeling van de klacht of melding binnen een termijn van 4 werkdagen.</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Voortvarende afhandeling</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al /></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*1 Deze termijnen zijn streeftermijnen/servicenormen. Wettelijke termijnen en de vereisten van zorgvuldigheid en hoor/wederhoor blijven leidend.</al><al>*2 Er is sprake van (hoge) spoed en een onomkeerbare situatie.</al><al>Deze indicatoren worden gemonitord en verantwoord in het jaarverslag.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.4</nr><titel>Afbakening </titel></kop><al>Het terrein van de wet- en regelgeving van de fysieke leefomgeving is een breed terrein. Daarom is het van belang hier duidelijk aan te geven hoever dit VTH beleid strekt. Het is het terrein van de Omgevingswet, de Woningwet, het Bbl, de Welstandsnota en aan de Omgevingswet aangehaakte lokale geldende verordeningen, zoals de geurverordening e.d. De Omgevingswet bundelt een aantal wetten en besluiten tot één toetsingskader met op elkaar afgestemde voorschriften. Het toetsingskader vormt de onderdelen van de integrale beschikking. Daarnaast betreft dit VTH beleid diverse onderdelen die niet onder de Omgevingswet vallen maar wel om een integrale klantbenadering vragen. Voorbeelden hiervan zijn overige APV onderdelen, zoals uitstallingen, terrassen en bijzondere wetten zoals de Alcoholwet, de Wet op kansspelen en de Opiumwet. Andere wetgeving, zoals op bestuursrechtelijk gebied de leerplichtwetgeving en sociale wetgeving, valt buiten de reikwijdte van dit VTH beleid. Ook privaatrechtelijke en strafrechtelijke handhaving is geen onderdeel van dit VTH beleid. Voor strafrechtelijke handhaving vindt echter wel afstemming en informatie-uitwisseling plaats van de politie. Zie hiervoor paragraaf 2.8. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.5</nr><titel>Prioriteiten</titel></kop><al>De algemene prioriteiten van de gemeentelijke handhaving zijn eerder in dit VTH beleid beschreven. Specifiek voor toezicht en handhaving heeft een nadere concretisering plaatsgevonden, welke in 2024 is geactualiseerd. In bijlage VI is een totaaloverzicht van de resultaten van deze prioritering weergegeven. Voor het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt geprogrammeerd op basis van dat overzicht. <nadruk type="vet">Het college kan daarnaast bepalen welke thema’s of gebieden extra aandacht vragen.</nadruk> Enkele voorbeelden zijn integrale gebiedscontroles op bedrijventerreinen of vakantieparken en themacontroles op bewoning van panden door arbeidsmigranten. De onderwerpen met de hoogste prioriteit zijn hieronder weergegeven.</al><table frame="all"><tgroup cols="1"><colspec colname="col1" colwidth="90*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Prioriteiten</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Adressencontrole: leegstand, samenwoners, (uitkerings)fraude, overbewoning, huisvesting arbeidsmigranten, illegale bewoning</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op alcoholgebruik onder 18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op het Bbl: technische bouwvoorschriften veiligheid (waaronder brandveiligheid), gezondheid, bruikbaarheid, energiezuingheid en milieu</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op evenementen en festiviteiten (APV)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op strijdig gebruik (van gronden en bouwwerken)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op afval/vuilnis (inclusief dumpingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht verleende OW vergunningen bouw: gereedmeldingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op parkeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht loslopende of gevaarlijke honden, hondenpoep</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.6</nr><titel>Nalevingsstrategie 4.6.1. Inleiding</titel></kop><al>Naast het maken van keuzes waarop de handhavingsinspanning gericht moet worden, is ook het vastleggen van kaders en stappenplannen en het maken van afspraken van belang. Als uitgangspunt van de handhaving geldt een eenduidige lijn in het optreden tegen overtredingen.</al><al>Integrale handhaving houdt in dat gemeentelijke handhavers van diverse disciplines samenwerken en hun toezicht en handhaving zoveel mogelijk samen uitvoeren. Voor effectieve handhaving is ook structurele samenwerking en afstemming vereist tussen bestuurlijke en strafrechtelijke partners. Samenwerking kan op allerlei manieren plaatsvinden. </al><al>De noodzakelijke samenwerking wordt bevorderd door duidelijke afspraken te maken over hoe op te treden in geval van niet normconform gedrag. Dit betekent dat de handhavers in gelijke gevallen gelijk handelen en dat hun handelen transparant wordt gemaakt. Afstemming is nodig om de handhavingstaak goed te verdelen, maar ook om elkaar van de juiste informatie te voorzien. Daarnaast kan gezamenlijk optreden van bestuurlijke en strafrechtelijke partners nodig zijn. De instrumenten van het bestuursrechtelijk optreden richten zich vooral op het herstel van de situatie en op het wegnemen van de overlast. De instrumenten van het strafrecht richten zich vooral op het straffen van de overtreder en op het wegnemen van diens wederrechtelijk genoten (concurrentie)voordeel. De ene instantie versterkt het optreden van de andere. Door middel van samenwerking en duidelijke afspraken willen we de effectiviteit van de handhaving, de rechtsgelijkheid en geloofwaardigheid van de overheid en daarmee een betere naleving van de regelgeving bevorderen. </al><al>De nalevingstrategie behelst het geheel van middelen die de naleving van wetten en regels realiseren, zowel preventief en repressief. Het uiteindelijke doel van handhaving - het naleven van de wettelijke regels - kan alleen bereikt worden door het inzetten van een combinatie van beide methodes.</al><al>De preventieve dimensie bestaat uit communicatie richting burger en bedrijf, voorlichting over het VTH beleid en de prioriteiten van de gemeente en het genereren van publiciteit in de lokale media om een bredere kennisverspreiding te bewerkstelligen. De repressieve handhavingsstrategie bestaat uit toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. Binnen de repressieve handhavingsstrategie wordt gebruik gemaakt van bestuurs- en strafrechtelijke handhaving. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.6.2</nr><titel>Gefaseerde handhaving</titel></kop><al>Een gefaseerde handhavingsstrategie houdt in dat het bestuursorgaan besluit om niet alle soortgelijke overtredingen tegelijkertijd aan te pakken vanwege de geringe capaciteit. In plaats daarvan wordt er op basis van een specifieke strategie een plan gemaakt om over een langdurige periode alle overtredingen aan te pakken. Hierbij ligt de nadruk op de intentie van het bevoegd gezag om alle overtredingen aan te pakken, echter in een langere periode. Gefaseerde handhaving kan alleen worden toegepast op basis van een vooraf kenbare en concrete strategie (opname selectiecriteria, planning en uitzonderingen bij acute risico’s). Indien het college veelvoorkomende problemen binnen haar gemeentelijke grondgebied wenst aan te pakken, maar niet de capaciteit beschikbaar heeft om dit tot uitvoering te brengen, dan biedt de gefaseerde handhavingsstrategie een optie. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.7</nr><titel>Preventiestrategie</titel></kop><al>In hoeverre gestelde normen ook daadwerkelijk worden nageleefd wordt bepaald door een groot complex aan factoren. De primaire taak van een handhavingsorganisatie is om naleving van de gestelde regels te bewerkstelligen. Daarvoor zijn primair “klassieke” handhavingsinstrumenten beschikbaar. Daarnaast kan een verbetering van het naleefgedrag ook beïnvloed worden door de inzet van preventieve instrumenten, zoals voorlichting en communicatie.</al><al>De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij burgers en bedrijven. Hierdoor zal de betrokkenheid toenemen en het draagvlak voor spontane naleving groter worden. Resultaat zal zijn dat er minder repressief gehandhaafd hoeft te worden en dat er minder overtredingen worden vastgesteld die ongedaan gemaakt moeten worden.</al><al>Spontane naleving is het door burgers naleven van regels zonder dat handhavingsinstrumenten hoeven te worden ingezet. Voor spontane naleving is onder andere kennis van de regels vereist. Door voorlichting en communicatie kunnen veel overtredingen worden voorkomen. Voorlichting levert een bijdrage aan het creëren van draagvlak, het stimuleren van gewenst of verplicht gedrag.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.7.1</nr><titel>Interne en externe afstemming</titel></kop><al>Interne afstemming behelst in eerste instantie een goede afstemming tussen de vergunningverlener en de toezichthouder/handhaver. Deze afstemming is van wezenlijk belang voor een eensluidend en uniform optreden naar buiten toe. Daarnaast omvat interne afstemming de afstemming met andere organisatieonderdelen, zoals beleid.</al><al>Externe samenwerking is van belang om te komen tot een optimaal en integraal resultaat in handhavingsactiviteiten. De samenwerkende partners (omgevingsdiensten, waterschap, NVWA, politie enz.) benutten zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie over en weer. De externe samenwerkingsverbanden zijn in hoofdstuk 2 toegelicht. </al><al>Voor strafrechtelijke handhaving vindt afstemming en informatie-uitwisseling plaats van de politie. Zie hiervoor paragraaf 2.8.3.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.7.2</nr><titel>Communicatie en voorlichting</titel></kop><al>Het college hanteert het uitgangspunt dat de eerste verantwoordelijkheid voor overtredingen bij burgers en ondernemers ligt. Uit ervaring is gebleken dat overtredingen bij burgers en ondernemers regelmatig voortkomen uit het gebrek aan kennis over de geldende wetten en regels. Door dit gebrek aan kennis beseft de overtreder vaak niet dat hij/zij in overtreding is.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.7.2.1</nr><titel>Informatievoorziening handhaving</titel></kop><al>Informatievoorziening over de geldende wetten en regels richting burger en ondernemer draagt bij aan hun kennis over de relevante regelgeving en hun naleefgedrag. De gemeente zal hen zoveel mogelijk informeren over handhaving in het algemeen of, indien gewenst, over specifieke onderwerpen.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.7.2.2</nr><titel>Middelen</titel></kop><al>Door gebruik te maken van de (lokale) media, inclusief en vooral ook social media, kan meer aandacht worden gevestigd op de verantwoordelijkheid van de burgers en ondernemers. Door specifieke informatie over handhaving te publiceren worden burgers en ondernemers herinnerd aan hun verantwoordelijkheid en mogelijk gemotiveerd om meer informatie op te zoeken of aan te vragen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat het naleefgedrag wordt beïnvloed door simpele publicaties in lokale media.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.8</nr><titel>Handhavingsstrategie 4.8.1 Inleiding</titel></kop><al>De handhavingsstrategie focust zich voornamelijk op de repressieve kant van handhaving. Zij bevat drie verschillende elementen: de toezichtstrategie per handhavingsgebied, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie. Deze drie elementen samen vormen de basis voor het repressief handhaven binnen de gemeente. Het streven is om een eenduidige integrale aanpak te bewerkstelligen. Hiertoe zijn verschillende afspraken met externe organisaties gemaakt die gezamenlijk handhaven. De komende paragrafen geven weer op welke manier het toezicht, sanctioneren (handelen) en gedogen in onze gemeente is georganiseerd. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.8.2</nr><titel>Toezichtstrategie</titel></kop><al>Toezicht geeft de mogelijkheid om de naleving van regels te bevorderen. Toezicht kan zich richten op een specifieke doelgroep waar extra aandacht voor is vereist. Tijdens een controle kan gewezen worden op eventuele gebreken of gewaarschuwd worden voor mogelijke overtredingen. Door middel van toezicht kunnen overtredingen voorkomen worden of makkelijk worden hersteld.</al><al>Toezicht en handhaving kunnen diverse grondslagen hebben. Er wordt onder meer gecontroleerd op grond van klachten, op grond van de prioriteitenlijsten en op grond van bijvoorbeeld regionale projecten. </al><al>De controles kunnen zich richten op:</al><al>routinematige c.q. programmatische controles;</al><al>gebiedsgerichte of thematische handhaving;</al><al>toezicht op onderdelen (kernpunten of voorschriften);</al><al>ketenbeheer;</al><al>administratieve controles.</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="32*" /><colspec colname="col2" colwidth="57*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Toezichtsvorm</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Toelichting</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Routinematig toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>Systematisch toezicht op eenzelfde object, waarbij de frequentie jaarlijks wordt bepaald (afhankelijk van prioriteit en naleefgedrag)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toezicht op tijdelijke activiteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>Toezicht op tijdelijke activiteiten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Projectmatig toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>Toezicht dat zicht richt op een specifiek thema, branche etc, en een projectmatige aanpak vergt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Surveillance</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebiedsgericht toezicht (bijv. parkeertoezicht)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Administratief toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>Beoordelen administratieve bescheiden alsmede toezicht via internet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Controle n.a.v. klacht /melding /verzoek om handhaving</al></entry><entry colname="col2"><al> </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De concrete toezichtniveaus zijn opgenomen in bijlage II. </al><al>Routinematige c.q. programmatische controles worden in beginsel altijd aangekondigd, tenzij er een belangrijke reden is om af te zien van aankondiging. Een hercontrole wordt in beginsel niet aangekondigd, tenzij er een belangrijke reden is om de hercontrole wel aan te kondigen.</al><al>Toezicht dient programmatisch te worden opgezet aan de hand van het jaarlijkse door het college vastgestelde uitvoeringsprogramma. Het toezicht wordt hierbij in sterke mate bepaald door de prioriteit toekenning. De gegeven prioriteit bepaalt hoe vaak (frequentie) geïnspecteerd wordt, op welke thema’s en met welke diepgang, of in het kader van surveillances, op welke aspecten specifiek gelet wordt.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.8.3</nr><titel>Toezicht door de ODZOB</titel></kop><al>De wijze van beoordelen van omgevingsvergunningen (milieu) en meldingen voor inrichtingen en het houden van toezicht op inrichtingen en asbest- en sloopwerkzaamheden is vastgelegd in regionaal beleid (ROK VTH) en daarom niet meer opgenomen in dit VTH beleid. Zie hiervoor paragraaf 2.6. De diepgang van controles, controlefrequenties etc. zijn in het regionale beleid vastgelegd. De gemeente sluit hierbij aan. Het controleprogramma wordt daarop gebaseerd.</al><al><nadruk type="ondlijn">Consignatiedienst</nadruk></al><al>Calamiteiten, rampen en situaties waarbij overlast door bedrijven wordt ervaren, houden zich niet aan kantooruren. En juist als er acuut gevaar dreigt is het van groot belang dat er altijd deskundigen klaar staan om maatregelen te nemen en de omgeving te informeren. De consignatiedienst van de ODZOB pakt dit voor alle deelnemers op. Met de ODZOB zijn afspraken gemaakt wanneer direct actie wordt ondernomen of wanneer de melding alleen wordt geregistreerd. Wanneer direct handhavend optreden noodzakelijk is zijn de medewerkers van de ODZOB daartoe gemandateerd. </al><al>Als het niet bij een incident blijft, maar sprake is van een calamiteit volgens GRIP-structuur of ramp, wordt de consignatiedienst ingeschakeld bij de bestrijding ervan voor het deelproces milieubeheer in samenwerking met partners als de brandweer, politie en GGD.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.8.4</nr><titel>Sanctiestrategie</titel></kop><al>Als algemene handhavingsstrategie maakt onze gemeente gebruik van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (hierna: LHSO). Deze strategie is ontwikkeld vanuit het milieurecht, met oog voor het bredere omgevingsrecht, en heeft in eerste instantie betrekking op de Omgevingswet. Toepassing van de LHSO leidt tot afgestemd en effectief bestuursrecht en/of strafrechtelijk handelen. De ODZOB past de LHSO eveneens toe bij de voorbereiding en uitvoering van basis- en verzoektaken die voor de gemeente worden uitgevoerd.</al><al>Voor het bepalen van de bestuursrechtelijke acties , de begunstigingstermijn en de hoogte van de sanctie wordt gebruik gemaakt van de bij de LHSO behorende ‘Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen’ en de bijbehorende bijlage ‘Leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen’. Deze leidraden ondersteunen bij het motiveren van de begunstigingstermijn en de evenredigheid van de hoogte van de last. De leidraad benoemt veelvoorkomende overtredingen en bevat standaard begunstigingstermijnen en standaard dwangsombedragen. Wanneer een overtreding niet voorkomt in de leidraad wordt aangesloten bij de overtreding die het meest op de geconstateerde situatie lijkt. Wanneer de overtreding niet voorkomt in de leidraad wordt aansluiting gezocht bij de overtreding die het meest op de geconstateerde overtreding lijkt. </al><al>Conform de werkafspraken VTH worden overtreders geïnformeerd over aankomende aanschrijvingen. Daarbij wordt uitleg gegeven over het vervolg.</al><al><nadruk type="ondlijn">Begunstigingstermijn - uitgangspunten en uitzonderingen</nadruk></al><al>Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn, op verzoek, wordt verlengd tot maximaal zes weken na het besluit op bezwaar. Verlenging tot na het besluit op bezwaar wordt in de regel redelijk geacht. In bijzondere gevallen wordt echter van dit uitgangspunt afgeweken en wordt de begunstigingstermijn niet verlengd. Dit kan het geval zijn wanneer de omstandigheden vragen om sneller herstel of directer optreden. Bij deze beoordeling worden onder meer betrokken: de aard en ernst van de overtreding, de risico’s of mogelijke schade, de noodzaak van tijdig herstel en andere zwaarwegende maatschappelijke of bestuurlijke belangen.</al><al /><al>Verzoeken om de begunstigingstermijn te verlengen tot na de uitspraak op beroep of hoger beroep worden in beginsel afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.8.5</nr><titel>Gedoogstrategie</titel></kop><al>In beginsel treedt het college op tegen iedere overtreding. Afwijken van deze handhavingslijn kan alleen bij bijzondere omstandigheden en wordt gemotiveerd vastgelegd. Ook wordt slechts onder bijzondere omstandigheden van handhaving afgezien (gedogen). Passief gedogen houdt in dat stilzwijgen wordt afgezien van handhaving. Actief gedogen betekent dat het bestuur uitdrukkelijk te kennen geeft niet te zullen optreden. Indien besloten wordt te gedogen, gebeurt dit nooit passief, maar actief, en wel schriftelijk door het opstellen van een gedoogbeschikking. Hierdoor is gedogen openbaar en wordt de motivering kenbaar. Aan een gedoogbeschikking worden voorschriften verbonden die een verantwoorde situatie garanderen en is bovendien tijdelijk van aard. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.8.6</nr><titel>Betrokkenheid portefeuillehouder</titel></kop><al>In de gemeente worden jaarlijks meerdere bestuurlijke handhavingsprocedures gestart en gevoerd. Bestuurlijke betrokkenheid is van belang. De portefeuillehouder wordt geïnformeerd wanneer een handhavingsprocedure formeel wordt gestart, dus voordat het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom of het voornemen tot het toepassen van bestuursdwang wordt verstuurd.</al><al>Dit moet in ieder geval wanneer de waarschuwingsbrief is verstuurd, er geen (re)actie heeft plaatsgevonden en er dus een handhavingstraject gaat lopen. Bij mogelijk bestuurlijk gevoelige zaken wordt de portefeuillehouder eerder geïnformeerd. Hiervoor wordt van de juridische medewerkers een bestuurlijke sensitiviteit verwacht. De bestuurlijke informatievoorziening laat de feitvaststelling, juridische kwalificatie en belangenafweging in het individuele dossier onverlet.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.9</nr><titel>Uitgangspunten bij Wkb</titel></kop><al>Bij bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (artikel 2:17 Bbl) is geen vergunning nodig voor de technische bouwactiviteit. Hiermee vervalt eveneens het directe toezicht door gemeente hierop. De initiatiefnemer heeft hiervoor wel meldings- en informatieplichten (paragraaf 3.11 van dit VTH beleid). Op bouwwerken in gevolgklasse 2 en 3 blijven de overige paragrafen uit hoofdstuk 4 van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.9.1</nr><titel>Tijdig, volledig én juist</titel></kop><al>Wanneer tijdig, volledig én juist is voldaan aan de 2 vereiste meldingsplichten (bouw- en gereedmelding) vindt in beginsel alleen de administratieve controle, zoals beschreven in paragraaf 3.11 van dit VTH beleid, plaats. Er wordt geen verdere informatie opgevraagd en er wordt ook niet ter plaatse gecontroleerd. Bij concrete signalen/risico’s kan aanvullend toezicht alsnog plaatsvinden. </al><al>Mocht gedurende het proces blijken dat er zaken toch fout (lijken) te gaan, dan kan de gemeente alsnog inhoudelijk meekijken of de bouwlocatie bezoeken. Ook voor themacontroles, zoals bijvoorbeeld op breedplaatvloeren of galerijen/balkons, of wanneer specifieke omgevingsrisico’s aan de orde zijn, zoals bij activiteiten die voor gevolgen kunnen hebben voor omliggende percelen, kan de gemeente alsnog controles uitvoeren en dus een inhoudelijke beoordeling maken. De gemeente blijft immers bevoegd om waar nodig handhavend op te treden. Themacontroles en specifieke omgevingsrisico’s kunnen ook aanleiding geven om vooraf informatie op te vragen over de bouwactiviteit. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.9.2</nr><titel>Niet, niet tijdig, niet volledig en/of niet juist</titel></kop><al>Wanneer niet, niet tijdig, niet volledig en/of niet juist is voldaan aan de 2 vereiste meldingsplichten (bouw- en gereedmelding) kunnen er vanuit de gemeente toezicht- en/of handhavingstaken uitgevoerd worden. Wanneer de meldingen niet, niet tijdig, niet volledig en/of niet juist zijn wordt daar als volgt mee omgegaan:</al><al><nadruk type="ondlijn">Bouw- of gereedmelding ontbreekt of is niet volledig</nadruk></al><al>Als de bouw- of gereedmelding onvolledig is, dan wordt de melding geacht niet te zijn gedaan. De initiatiefnemer wordt op de hoogte gesteld van een onvolledige melding, met het verzoek een volledig nieuwe melding in te dienen (niet aanvullen). Er is een bouwverbod of een verbod tot ingebruikname, zolang de gemeente niet heeft bevestigd dat de melding volledig is. </al><al>Wanneer geconstateerd wordt dat er wel een omgevingsplanactiviteit is vergund, maar een (volledige) bouwmelding ontbreekt en er toch gestart wordt met de bouwwerkzaamheden of het pand in gebruik genomen wordt zonder (volledige) gereedmelding, wordt handhavend opgetreden. Bij het starten van de bouwwerkzaamheden zonder (volledige) melding wordt via bestuursdwang een bouwstop opgelegd, vergezeld van een voorgenomen last onder dwangsom. Wanneer een pand in gebruik wordt genomen zonder dat een gereedmelding is gedaan, inclusief dossier bevoegd gezag, of als wel een gereedmelding is gedaan en die, of het daarbij horend dossier bevoegd gezag, is nog niet volledig, wordt een voorgenomen last onder dwangsom opgelegd, om in gebruikname te staken tot de gereedmelding alsnog (volledig) is gedaan. Daarnaast wordt als het dossier bevoegd gezag niet direct volledig wordt ingediend alsnog een inhoudelijke beoordeling van het dossier gemaakt en kan de gemeente als het dossier daar aanleiding toe geeft een controle ter plaatse uitvoeren. </al><al><nadruk type="ondlijn">Bouw- of gereedmelding is niet juist</nadruk></al><al>Als uit een melding blijkt dat er strijdigheden zijn, dat er bepaalde risico’s niet worden benoemd en/of dat risico’s onvoldoende zijn geborgd in het borgingsplan, kan dat voor de gemeente reden zijn om ter plaatse te gaan kijken. De start van de bouw of de ingebruikname kan tegen worden gehouden als niet aan de regels wordt voldaan. </al><al><nadruk type="ondlijn">Bouw- of gereedmelding is te laat</nadruk></al><al>Wanneer binnen de termijn voor de beoordeling van de bouwmelding (4 weken) of de gereedmelding (2 weken) gestart wordt met de bouwwerkzaamheden dan wel het pand in gebruik wordt genomen zal conform hetgeen is omschreven bij het niet of niet volledig indienen van een melding handhavend worden opgetreden. </al><al><nadruk type="ondlijn">Niet voldaan aan informatieplicht </nadruk></al><al>Er worden door de gemeente geen toezichts- of handhavingstaken uitgevoerd wanneer de gemeente niet wordt geïnformeerd over de startdatum van de bouwwerkzaamheden of beëindiging van de bouwactiviteiten. Voor de BAG-registratie houdt de gemeente, bij het niet voldoen aan de informatieplicht, de start en beëindiging zelf in de gaten op basis van verplichte meldingen. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.9.3</nr><titel>Overige constateringen</titel></kop><al><nadruk type="ondlijn">Bouwmelding te vroeg</nadruk></al><al>Een bouwmelding mag maximaal 12 maanden voor de start van de bouwwerkzaamheden worden ingediend. Wordt er gestart met de bouwwerkzaamheden na de periode van 12 maanden dan is er geen sprake meer van een melding en wordt gehandeld conform het bovenstaande geldt voor het niet indienen van een bouwmelding.</al><al><nadruk type="ondlijn">Wijzigingen gedurende bouwperiode</nadruk></al><al>Wanneer er wijzigingen optreden ten opzichte van de ingediende bouwmelding moet dat gemeld worden bij de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het tussentijds overstappen naar een andere kwaliteitsborger of het wisselen van het instrument van kwaliteitsborging. Worden deze wijzigingen niet gemeld en er wordt geconstateerd dat niet conform de ingediende melding wordt gehandeld wordt handhavend opgetreden door het opleggen van een bouwstop, vergezeld van een voorgenomen last onder dwangsom.</al><al><nadruk type="ondlijn">Bouwen zonder kwaliteitsborger</nadruk></al><al>Wanneer geconstateerd wordt dat er bouwwerkzaamheden plaatsvinden zonder dat een kwaliteitsborger is aangesteld, wordt een bouwstop opgelegd, vergezeld van een voorgenomen last onder dwangsom. </al><al><nadruk type="ondlijn">Twijfels over kwaliteit</nadruk></al><al>Bij concrete twijfels over de prestatie van de aangestelde kwaliteitsborger wordt door de gemeente een melding gedaan bij de instrumentaanbieder (de eerstelijns toezichthouder op de kwaliteitsborger). Als daar onvoldoende respons uit volgt wordt door de gemeente een melding gedaan bij de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw. Bij concrete twijfels over de kwaliteit van de bouw, vraagt de gemeente in eerste instantie per brief extra informatie op bij de initiatiefnemer. Dit mag de gemeente doen op basis van de Awb en artikel 2.20 van het Bbl. </al><al>Pas als de gemeente niet tevreden is met de reactie hierop (of er komt geen reactie), gaat de gemeente over tot fysiek toezicht. Dit kan uiteindelijk resulteren in handhavend optreden door het (gedeeltelijk) stilleggen van de bouw (bij moeilijk onomkeerbare werk zoals een constructie) of het nemen van een besluit met verbod op ingebruikname van het bouwwerk. </al><al><nadruk type="ondlijn">Gelijkwaardige voorziening of geen gevolgklasse 1</nadruk></al><al>Als een kwaliteitsborger constateert dat een bouwwerk niet (langer) voldoet aan de definitie van gevolgklasse 1 dan kan de kwaliteitsborger het project niet uitvoeren en wordt dit meegedeeld aan de initiatiefnemer. In dat geval moet de initiatiefnemer bij de gemeente een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit aanvragen of de werkzaamheden in overeenstemming brengen met gevolgklasse 1. </al><al>Komen partijen pas na de start er achter dat een bouwwerk geen gevolgklasse 1 is, bijvoorbeeld door de noodzaak een gelijkwaardige maatregel toe te moeten passen voor brand of constructies, dan moet de kwaliteitsborger zich terugtrekken uit het project en vervalt de bouwmelding. De kwaliteitsborger moet dit ook melden aan de gemeente. Vervolgens moet er alsnog een omgevingsvergunning een bouwactiviteit worden aangevraagd bij de gemeente en ligt de bouw stil totdat de omgevingsvergunning is verleend en in werking is getreden. </al><al>Er volgt een formele bouwstop in combinatie met het opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er toch wordt doorgebouwd zonder de benodigde omgevingsvergunning. Dit maakt het mogelijk om direct handhavend op te treden bij overtreding van de last.</al><al><nadruk type="ondlijn">Strijdigheid Bbl</nadruk></al><al>De kwaliteitsborger is verplicht de gemeente te informeren als een strijdigheid met het Bbl is ontdekt die niet meer voor gereedmelding (staat los van de oplevering van een bouwwerk) wordt opgelost en dus een verklaring van de kwaliteitsborger tegenhoudt. De gemeente gaat ter plaatse samen met de kwaliteitsborger en initiatiefnemer dan wel aannemer naar de strijdigheid kijken. Afhankelijk van de aard van de strijdigheid vraagt de gemeente in een brief op hoe de initiatienemer van plan is het probleem op te lossen. Maar, als (al direct) blijkt dat er sprake is van een onherstelbaar feit, dan laat de gemeente in een brief weten of hier wel of niet op gehandhaafd gaat worden. Waar het gaat om constructieve veiligheid (sterkte, stijfheid en stabiliteit), gebruiksveiligheid (vallen en overbruggen van hoogteverschillen) en/of brandveiligheid (voorkomen van brand, detecteren/waarschuwen, vluchten/redden, blussen) treedt de gemeente in beginsel handhavend op. Als besloten wordt wél te handhaven, zegt de gemeente daarmee in feite “zoek maar een oplossing”, want de gemeente gaat de gereedmelding zonder verklaring van de kwaliteitsborger dan niet accepteren, wat ingebruikname in de weg staat. De bouw wordt in dat geval stilgelegd en de initiatiefnemer moet of alsnog de strijdigheid ongedaan maken of middels gelijkwaardigheid aantonen dat het bouwwerk alsnog kan voldoen aan de wet- en regelgeving. </al><al>Uitgangspunt hierbij is dus dat er wordt gehandhaafd waar het gaat om veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Er zijn verschillende mogelijkheden om handhavend op te treden. Zo kan de gemeente de ingebruikname tegenhouden zolang niet aan de regels wordt voldaan. Bij sommige overtredingen is dit echter een te zwaar middel, bijvoorbeeld bij alleen het ontbreken van bepaalde documenten in bouwdossier. Dan is bijvoorbeeld het opleggen van een dwangsom een geschikter handhavingsinstrument. Alleen wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden kan van de handhavingslijn afgeweken worden. Van handhaven kan worden afgezien als de afwijking disproportioneel is gezien de grootte van het onherstelbare feit. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij kleine afwijkingen van het Bbl, gevallen waarbij geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid is of de gemeente het vertrouwen heeft dat de strijdigheid alsnog wordt hersteld of opgelost.</al><al>De gemeente moet in de praktijk ervaring gaan opdoen wanneer afwijkingen ontoelaatbaar zijn en ingebruikname niet wordt toegestaan. Elke situatie daartussen is grijs gebied en wordt van geval tot geval beoordeeld, net als dat ook zo was voor inwerkingtreding van de Wkb. Hierbij legt de gemeente goed vast hoe in deze situatie zijn afgehandeld. Met als doel vergelijkbaar en navolgbaar handelen in vergelijkbare situaties (gelijke monniken, gelijke kappen principe), wat nu voor al handhaving het uitgangspunt is. </al><al><nadruk type="ondlijn">Verklaring kwaliteitsborger ontbreekt</nadruk></al><al>Onderdeel van een volledige gereedmelding is een verklaring van de kwaliteitsborger. Wanneer een verklaring ontbreekt, omdat de kwaliteitsborger geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat het bouwwerk voldoet aan de wet- en regelgeving, wordt eerst nagegaan of de kwaliteitsborger eerder in het bouwproces de gemeente al heeft geïnformeerd over afwijking. Is dat niet gemeld dan zal een melding worden gedaan over de kwaliteitsborger bij de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw. Het is vervolgens aan initiatiefnemer om aan te tonen dat op een andere manier aan de wet- en regelgeving is voldaan. </al><al>Is de gemeente wel geïnformeerd over de afwijking en de gemeente heeft aangegeven niet te handhaven op die afwijking dan staat het ontbreken van de verklaring ingebruikname niet in de weg. De gemeente zal in deze gevallen overgaan tot het opstellen van een maatwerkvoorschrift ingebruikname.</al><al><nadruk type="ondlijn">Maatwerkvoorschrift ingebruikname</nadruk></al><al>Wanneer de kwaliteitsborger door een afwijking geen verklaring kan afgeven kan de gemeente de gereedmelding niet accepteren. Het pand mag dan niet in gebruik worden genomen. Omdat het verbod op ingebruikname niet altijd proportioneel is ten opzichte van het doel van de regels waaraan niet wordt voldaan kan de gemeente een maatwerkvoorschrift stellen om ingebruikname alsnog toe te staan. Het stellen van een maatwerkvoorschrift gebeurt alleen als door initiatiefnemer hier gemotiveerd om wordt verzocht. Gemotiveerd moet worden waarom de afwijking onherstelbaar is en waarom herstel van de afwijking disproportioneel zou zijn. De gemeente gaat uitsluitend over tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als de afwijking gedurende het bouwproces is gemeld en de gemeente daarop heeft aangegeven niet te handhaven. In een maatwerkvoorschrift wordt vermeld waarom het bouwwerk niet voldoet aan de wet- en regelgeving en wordt een afweging opgenomen waarom herstel disproportioneel zou zijn. Het maatwerkvoorschrift wordt conform de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen geregistreerd (Wkpb). </al><al><nadruk type="ondlijn">Overige</nadruk></al><al>Wanneer bovengenoemde handelswijze geen oplossing biedt voor een ontstane situatie wordt per geval beoordeeld hoe daar mee om te gaan. Er wordt in dat geval gezamenlijk met de kwaliteitsborger en/of aannemer e/of initiatiefnemer gezocht naar een oplossing.</al><al>Handhavingsverzoeken over bouwactiviteiten kunnen aanleiding geven om (steekproefsgewijs) controles uit te voeren. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.9.4</nr><titel>Gefaseerde ingebruikname</titel></kop><al>Bij woningbouwprojecten is het gebruikelijk dat een deel van de woningen al in gebruik wordt genomen voordat het gehele project gereed is. De gereedmelding in het kader van de Wkb kan pas worden gedaan als het gehele project is afgerond. Dat betekent dat woningen die eerder klaar zijn niet al eerder in gebruik genomen kunnen worden. Om dit te voorkomen kan bij gefaseerde gereedmelding voor elk afzonderlijk bouwwerk een gereedmelding worden ingediend. Per afzonderlijk bouwwerk kan de gereedmelding dan worden geaccepteerd en mag dat bouwwerk in gebruik worden genomen. Ondanks dat deze manier van werken meer administratieve lasten met zich mee brengt, is dit wettelijk gezien wel de enige mogelijkheid.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.10</nr><titel>Uitgangspunten bij Wkpb</titel></kop><al>Wanneer sprake is van prioriteit 1 (bijlage VI) op de volgende toezichtsprioriteiten: toezicht op strijdig gebruik door bedrijven, toezicht op het Besluit bouwwerken leefomgeving: voorschriften gebruik bouwwerken, open erven en terreinen, toezicht op strijdig gebruik door particulieren, toezicht op bouwen zonder vergunning en toezicht op bewoning in strijd met het omgevingsplan <nadruk type="cur">én</nadruk> het pand te koop staat of het aannemelijk is dat het betreffende pand te koop komt wordt (na bekendmaking van het besluit) beoordeeld of de definitieve last onder dwangsom ingeschreven wordt in het beperkingenregister op grond van de Wkpb. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.11</nr><titel>Uitgangspunten bij overig (bouw)toezicht</titel></kop><al>De gemeente hanteert bij de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden voor de omgevingsaspecten de ‘Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid’ van de Vereniging Bouw- &amp; Woningtoezicht Nederland (versie 2.15 augustus 2024 of diens opvolger) als uitvoeringskader. Dit VTH beleid is daarmee het beleid zoals bedoeld in het Bbl. Alleen bij risicovolle situaties wordt een veiligheids- en gezondheidsplan opgevraagd. Waar nodig wordt gemotiveerd afgeweken. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.12</nr><titel>Uitgangspunten bij Wet goed verhuurderschap</titel></kop><al>Op 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap in werking getreden. Met de invoering van deze wet krijgen gemeenten een belangrijke rol bij het bevorderen van goed verhuurderschap. De Wet goed verhuurderschap (Wgv) is een reactie op problemen die zich voordoen op de huurmarkt zoals discriminatie, intimidatie en bedreiging, excessief hoge huren, hoge servicekosten en onrechtmatige huurcontracten. Op basis van meldingen en klachten van de afgelopen jaren blijkt dat er jaarlijks hooguit een enkele melding of klacht over huisvesting van arbeidsmigranten is ontvangen, waarbij het gaat over strijdigheid met het omgevingsplan en niet over de omstandigheden van huisvesting. Ook in de toekomst worden in onze gemeente nauwelijks meldingen via het meldpunt goed verhuurderschap verwacht. De meldingen en klachten die wel via het meldpunt komen worden vooralsnog als maatwerk behandeld. Er wordt voor zowel toezicht als de juridische handhaving geen extra capaciteit geraamd. De werkzaamheden worden binnen de reguliere taken uitgevoerd. Er wordt ook al toezicht gehouden op de bestaande woningvoorraad, inclusief de huisvesting van arbeidsmigranten.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.13</nr><titel>Uitgangspunten bij certificering gasverbrandingsinstallaties</titel></kop><al>Alleen gecertificeerde installatiebedrijven mogen werkzaamheden uitvoeren aan gasverbrandingsinstallaties. Wanneer een installatiebedrijf bij werkzaamheden een te hoge koolmonoxidewaarde meet moet hiervan melding worden gedaan bij de gemeente. Alleen meldingen die via de daarvoor ontwikkelde app bij de gemeente binnenkomen worden opgepakt. Wanneer het risico van de te hoge waarde is weggenomen door het installatiebedrijf neemt de gemeente de melding uitsluitend voor kennisgeving aan. Is het risico niet weggenomen dan wordt bij een waarde tussen de 20 en 400 ppm per geval beoordeeld of handhavend zal worden opgetreden. Bij een waarde van meer dan 400 ppm wordt de brandweer ingeschakeld en wordt het pand ontruimd. Vervolgens zal een onderzoek naar de bron van de hoge waarde worden gestart. </al><al>De gemeente kan ook optreden tegen bedrijven en particulieren die niet gecertificeerd zijn, maar wel werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uitvoeren. Ook kan opgetreden worden tegen monteurs van gecertificeerde installatiebedrijven die niet individueel beschikken over een bewijs van Vakmanschap CO of een geldig Certificaat module gas. Wanneer hierover meldingen worden ontvangen, beoordeeld de gemeente afhankelijk van de handhavingsprioritering wat met de meldingen wordt gedaan. Er wordt niet actief zelf gecontroleerd of bedrijven gecertificeerd zijn. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.14</nr><titel>Uitgangspunten bij verwijzing HALT</titel></kop><al>Bij enkele veiligheidsvraagstukken kan een Boa een minderjarige verwijzen naar HALT (Het Alternatief). Een verwijzing naar HALT gebeurt bij de volgende constateringen bij jongeren tussen 12 en 18 jaar: </al><al>Alcohol voorhanden hebben of gebruiken in de openbare ruimte;</al><al>Openbaar dronkenschap door jongeren;</al><al>Het buiten de toegestane tijden afsteken van consumentenvuurwerk of APV-feiten gerelateerd aan vuurwerk door jongeren. </al><al>Bij verwijzing naar HALT wordt een boete achterwege gelaten. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.15</nr><titel>Uitgangspunten bij opkopers</titel></kop><al>Handelaren in tweedehandsgoederen moeten zich melden bij de gemeente via het Digitaal Opkopers Loket (DOL). Daarnaast moeten handelaren elke aan- en verkoop van tweedehandsgoederen registreren in het Digitaal Opkopers Register (DOR). Er wordt niet actief zelf controleert of handelaren ingeschreven staan in het DOL en/of dat handelaren de aan- en verkopen registreren in het DOR. Er wordt uitsluitend op meldingen hieromtrent geacteerd. In het geval van een melding wordt eerst een digitale controle gedaan, alvorens eventueel een bedrijfsbezoek zal worden gebracht.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.16</nr><titel>Uitgangspunten bij afvaldumping</titel></kop><al>De gemeentelijke Afvalstoffenverordening met het daarbij horende uitvoeringsbesluit bevat de mogelijkheid om bestuursrechtelijk op te treden tegen de dumping van afval(stoffen). Deze stukken bevatten niet de wijze waarop (spoedeisend) bestuursrechtelijk opgetreden zal worden. Dat wordt via dit VTH beleid alsnog bepaald. Bestuursrechtelijk optreden zal, op termijn, leiden tot ontmoediging van het begaan van overtredingen. Daarnaast worden de kosten die gemaakt worden om de overtreding ongedaan te maken op de overtreder verhaald. </al><al>Bij het onjuist aanbieden van afval is er sprake van een spoedeisend karakter, omdat het afval zorgt voor vervuiling, overlast en verloedering en hierdoor zwerfafval kan ontstaan wat door verspreiding tot nog meer vervuiling, overlast en verloedering kan leiden. </al><al>Persoonsgegevens in afval vormen een aanwijzing voor overtrederschap. Betrokkene krijgt de gelegenheid aannemelijk te maken dat de overtreding niet is begaan. Dit wordt zorgvuldig beoordeeld. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.16.1</nr><titel>Op heterdaad</titel></kop><al>De overtreder krijgt een strafrechtelijke boete. Hierbij worden geen bestuursrechtelijke maatregelen ingezet. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.16.2</nr><titel>Buiten heterdaad</titel></kop><al><nadruk type="ondlijn">Huishoudelijk en bedrijfsmatig (zwerf)afval</nadruk></al><al>Wanneer huishoudelijk afval, bedrijfsafval of zwerfafval buiten heterdaad wordt aangetroffen op plekken en locaties waar dat niet is toegestaan, wordt daarvan een foto gemaakt (voordat het wordt verplaatst). Vervolgens wordt het afval ter plaatse doorzocht op persoonsgegevens. Als ter plaatse doorzoeken niet mogelijk is wordt het afval afgevoerd naar de gemeentewerf dan wel milieustraat. Op de gemeentewerf dan wel milieustraat wordt het opgeruimde afval alsnog doorzocht op persoonsgegevens. Wanneer persoonsgegevens aan worden getroffen die naar iemand herleid kunnen worden, wordt de volgende procedure gevolgd: </al><al>De toezichthouder stelt een proces-verbaal van bevindingen op met daarbij de gemaakte foto(‘s);</al><al>De op basis van het proces-verbaal van bevindingen opgestelde beschikking tot het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang wordt toegezonden aan de overtreder. Hierin wordt ook omschreven welke maatregelen zijn getroffen en hoe kosten worden verhaald.</al><al>De invorderingsbeschikking met daarin de verplichting tot het betalen van de kosten wordt aan de overtreder verzonden. </al><al>Tegen zowel de bestuursdwang- als invorderingsbeschikking staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Bij de spoedeisende bestuursdwang kan bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last. De schriftelijke vastlegging/kennisgeving volgt dan zo spoedig mogelijk. </al><al><nadruk type="ondlijn">Grof vuil</nadruk></al><al>Wanneer meubelen, witgoed of ander grof huishoudelijk afval buiten heterdaad wordt aangetroffen op plekken en locaties waar dat niet is toegestaan, wordt via buurtonderzoek nagegaan of de overtreder achterhaald kan worden. Vervolgens wordt een proces-verbaal van bevindingen opgesteld door de toezichthouder. Daarbij word een foto gevoegd van het geconstateerde afval. Daarna wordt het afval afgevoerd naar de gemeentewerf dan wel milieustraat. Wanneer achterhaald is wie de overtreder is, wordt vervolgens dezelfde procedure gevolgd als hierboven genoemd bij ‘buiten heterdaad’. </al><al><nadruk type="ondlijn">Ander afval</nadruk></al><al>Bovenstaande werkwijze geldt niet voor asbest- of drugsafval, gevaarlijke stoffen of ander speciaal afval. Hiervoor wordt per geval bekeken op welke wijze dat aangepakt wordt, dan wel wordt wanneer er sprake is van calamiteuze stoffen het protocol van de ODZOB gevolgd. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.16.3</nr><titel>Kosten</titel></kop><al>Van kostenverhaal wordt uitsluitend afgezien als degene van wie de persoonsgegevens zijn aangetroffen aannemelijk heeft gemaakt dat hij de overtreding niet heeft begaan. </al><al>Op basis van de Awb moeten voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang de door de gemeente gemaakte kosten worden berekend en moeten de te verhalen kosten bij overtreding worden vastgesteld. Het te verhalen bedrag mag niet hoger zijn dan de gemaakte kosten. De kosten die gemaakt worden bestaan uit het doorzoeken en opruimen van het afval en uit het opstellen van de bestuursdwang- en kostenverhaalbeschikking. Omdat de kosten van spoedeisende bestuursdwang hoger zijn dan wanneer een strafrechtelijke of bestuurlijke boete gegeven zou worden, wordt voor de kosten die bij spoedeisende bestuursdwang betaald moeten worden aangesloten bij de boetebedragen die voor de betreffende overtreding zijn opgenomen in de boetebase van het Openbaar Ministerie en in onderdeel C van het ‘Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte’. Als beleidsmatige matiging kan (gemotiveerd) worden afgezien van volledig kostenverhaal en kan een lager bedrag worden vastgesteld, mits dit binnen het wettelijk kader van kostenverhaal past. </al><al>Waar het gaat om ‘ander afval’ geldt dit kostenverhaal niet. Hierbij zal per overtreding bekeken worden welke kosten in rekening gebracht worden bij overtreder. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.16.4</nr><titel>Mandaat</titel></kop><al>Het college is bevoegd tot toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang. De uitvoering en besluitvorming zijn conform de (specifieke) mandaatregeling(en) gemandateerd aan de medewerkers van de gemeente. De toezichthouders die het afval doorzoeken en een proces-verbaal opmaken bij het aantreffen van persoonsgegevens zijn echter in dienst van Samenwerking Kempengemeenten. De gemeentelijke mandaatregeling is daarom niet op hen van toepassing. Via de ‘Mandaatregeling VTH-taken Samenwerking Kempengemeenten’ zijn zij wel gemandateerd tot het doorzoeken van het afval en het opruimen. De toezichthouders of andere medewerkers van Samenwerking Kempengemeenten zijn echter niet gemandateerd voor ook het versturen van het besluit tot het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang bij specifiek afval. Omdat het wel efficiënt is de uitvoering en het versturen van het besluit bij elkaar te houden wordt via de ‘Mandaatregeling VTH-taken Samenwerking Kempengemeenten’ de bevoegdheid tot specifiek het toepassen van spoedeisende bestuursdwang bij afval aan de medewerkers van Samenwerking Kempengemeenten gemandateerd. Besluiten tot invordering zijn reeds gemandateerd aan de invorderingsambtenaar. Dit blijft zo. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.16.5</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Eind 2026 wordt deze werkwijze geëvalueerd. Gekeken wordt dan of deze werkwijze efficiënte afhandeling van afvaldumpingen mogelijk heeft gemaakt. Wanneer dit niet blijkt te zijn zal worden onderzocht of het opleggen van een bestuurlijke boete, door opnemen in de Afvalstoffenverordening, tot een meer efficiënte aanpak kan leiden. </al><al>Bij de evaluatie wordt ook nagegaan in hoeverre de extra werkzaamheden cq administratieve lasten die uitgevoerd moeten worden voor het verhalen van de kosten van de spoedeisende bestuursdwang opwegen tegen de inkomsten hiervan.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>4.17</nr><titel>Buitengewoon opsporingsambtenaren</titel></kop><al>Boa’s hebben 2 verschillende rollen, ze zijn bestuursrechtelijke toezichthouders en ze zijn beëdigd om strafrechtelijk op te treden. Op de bestuursrechtelijke werkzaamheden van de Boa’s is dit VTH-beleid van toepassing. Echter wanneer het gaat om strafrechtelijke handhaving door Boa’s vallen die werkzaamheden niet onder dit VTH-Beleid. </al><al>Boa’s hebben een discretionaire bevoegdheid om zelf een keuze te maken of een waarschuwing wordt gegeven of dat een proces-verbaal wordt opgemaakt. Dit betekent dat per overtreding beoordeeld moet worden wat de meest doeltreffende manier van handelen is, onder andere rekening houdend met de aard van de overtreding, de ernst van de situatie en de houding van de overtreder. Bij gebruik van de discretionaire bevoegdheid moet voldaan worden aan de landelijke ‘Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar’. Vanuit de gemeente worden er geen extra of aanvullende regels of verplichtingen gesteld aan gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid.</al><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>5</nr><titel>Bezwaar en beroep</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>5.1</nr><titel>Inleiding Bezwaar en beroep</titel></kop><al>Met de hoofdstukken 1 en 2 is de basis van dit VTH beleid gelegd. Onder meer de algemene visie op dienstverlening, de uitgangspunten en ontwikkelingen zijn aan de orde gekomen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de gemeente invulling geeft aan de behandeling van bezwaar- en beroepschriften binnen het kader van de Awb.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>5.2</nr><titel>Doestellingen bezwaar en beroep</titel></kop><al>Beslissingen op bezwaar worden zorgvuldig voorbereid, volledig heroverwogen en deugdelijk gemotiveerd, conform de Awb. Dit draagt bij aan een betrouwbare overheid.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>5.3</nr><titel>Meetbare indicatoren (SMART)</titel></kop><al>De gemeente is van mening dat een goed functionerende organisatie voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften behoort tot de basisdienstverlening. Daarbij is van belang dat beslissingen op bezwaar zorgvuldig tot stand komen en leiden tot juridisch houdbare besluiten.</al><al>Bij de behandeling van bezwaren vindt een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats. In de praktijk komt het voor dat bezwaren ongegrond worden verklaard, terwijl het bestreden besluit in de beslissing op bezwaar nader of vollediger wordt gemotiveerd. Dit past bij het karakter van de bezwaarprocedure en draagt bij aan de kwaliteit van de besluitvorming.</al><al>Om inzicht te krijgen in de kwaliteit en houdbaarheid van beslissingen op bezwaar en beroep is ervoor gekozen dit aspect meetbaar te maken. Hiervoor is de volgende indicator vastgelegd:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="65*" /><colspec colname="col2" colwidth="24*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">Beschrijving</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Indicator</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Jaarlijks neemt het aandeel beslissingen op bezwaar en beroep dat door een bezwaarschriftencommissie of rechter wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek af</al></entry><entry colname="col2"><al>Jaarlijkse daling</al><al /></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Deze indicator wordt gemonitord en verantwoord in het jaarverslag. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>5.4</nr><titel>Uitgangspunt bij bezwaar en beroep</titel></kop><al>Zowel bij vergunningen als bij toezicht en handhaving geldt dat de gemeente bij bezwaar en beroep streeft naar een zorgvuldige, onafhankelijke en tijdige behandelng van bezwaar- en beroepschriften, conform de Awb en binnen de geldende en wettelijke termijnen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>5.5</nr><titel>Uitgangspunten bij bemiddeling 5.5.1 Bemiddeling bij vergunningen (bezwaar en beroep)</titel></kop><al>Omdat het voorkomen en oplossen van geschillen de voorkeur heeft boven juridische procedures, wordt bij bezwaar en rechtstreeks beroep tegen vergunningen in beginsel geprobeerd om via overleg (bemiddeling) tot een oplossing te komen. Dit gebeurt in ieder geval tot het moment dat de zaak wordt behandeld in de bezwaarschriftencommissie van de gemeente dan wel tot aan de zitting van de rechtbank. Bemiddeling vindt uitsluitend plaats op vrijwillige basis en laat de rechtspositie en procesrechten van partijen onverlet.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>5.5.2</nr><titel>Overleg bij handhavingszaken</titel></kop><al>Bij handhavingszaken wordt tot aan het moment van verzenden van het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom in beginsel geprobeerd om via overleg een overtreding ongedaan te laten maken. Na verzending van het voornemen staat de formele procedure centraal. Dit neemt niet weg dat ingediende zienswijzen aanleiding kunnen geven tot nader overleg, bijvoorbeeld ter verduidelijking van feiten of het bespreken van herstelmogelijkheden. Het doel hiervan is een zorgvuldige besluitvorming. Het overleg laat de formele besluitvorming en de verdere voortgang van het handhavingstraject onverlet. </al><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>6</nr><titel>Beleid en procedures</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>6.1</nr><titel>Inleiding beleid en processen</titel></kop><al>Waar dit VTH beleid over de algemene zaken rondom onder de VTH-taken gaat, is er ook gemeentelijke regelgeving die op de inhoud van deze VTH-taken ingaat. Het biedt onder andere een inhoudelijk toetsingskader voor bepaalde soorten vergunningen, maar ook voor toezicht en handhaving van diverse aspecten. Om de doelstellingen op het gebied van de VTH-taken uit te kunnen voeren is het van belang dat gewerkt kan worden op basis van regelgeving die actueel en uitvoer is. Ook is het voor het uitvoeren van de doelstellingen van belang dat voor een ieder duidelijk is hoe verschillende procedures lopen en welke handelingen wanneer verricht moeten worden. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>6.2</nr><titel>Doelstellingen beleid en processen</titel></kop><al>Doel is de basis op orde te hebben, niet alleen in gemeentelijke beleid, ook in te volgen processen en procedures. Door de basis op orde te hebben bestaat er geen discussie in toetsing en voert iedereen de procedures op een gelijke manier uit.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>6.3</nr><titel>Meetbare indicatoren (SMART)</titel></kop><al>Om te zorgen dat het meetbaar wordt dat de basis op orde is bevat dit VTH beleid meetbare aspecten. Hiervoor zijn de volgende indicatoren vastgesteld.</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="70*" /><colspec colname="col2" colwidth="19*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al>Beschrijving</al></entry><entry colname="col2"><al>Indicator</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Binnen 6 maanden worden wetswijzigingen of door de Vereniging Nederlandse Gemeente voorgestelde wijzigingen geïmplementeerd door opnemen in procedures dan wel wordt het proces gestart tot aanpassing van de gemeentelijke regelgeving daarop.</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ten behoeve van het opstellen van het Uitvoeringsprogramma VTH wordt jaarlijks beoordeeld welke gemeentelijke regelgeving niet meer actueel dan wel uitvoerbaar is en welke voor actualisatie in het Uitvoeringsprogramma opgenomen moet worden. </al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Procedures op het gebied van vergunningen zijn beschreven en opgenomen in PowerBrowser. Wanneer het noodzakelijk is worden wijzigingen doorlopend doorgevoerd.</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Deze indicatoren worden gemonitord en verantwoord in het jaarverslag.</al><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>7</nr><titel>Beleidscyclus en Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /><al>Dit hoofdstuk beschrijft de structuur om de continue kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken te borgen en verbeteren. Aan de hand van de wettelijke eisen vanuit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit worden verscheidene aspecten van organisatie en kwaliteit besproken.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.1</nr><titel>Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht</titel></kop><al>Op grond van de artikelen 18.20 en 18.23 van de Omgevingswet heeft de gemeenteraad de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht vastgesteld. In deze verordening is bepaald dat de taken op deze vakgebieden volgens de meest actuele versie van de kwaliteitscriteria worden uitgevoerd. Dit geldt zowel voor de taken uitgevoerd door de teams Vergunning en Toezicht &amp; Handhaving, als de door de gemeente zelf uitgevoerde taken als de door de omgevingsdiensten uitgevoerde basistaken. </al><al>In het jaarverslag wordt gerapporteerd op welke wijze de gemeente invulling heeft gegeven aan de kwaliteitscriteria.</al><al>De verordening bepaalt alleen de kwaliteit van het werk over het omgevingsrecht. Het college streeft echter ook naar uniforme kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en handhaving van vergunningen, ontheffingen en meldingen op grond van de APV en andere bijzondere wetten, zoals de Alcoholwet. Voor de taakuitoefening van deze vakgebieden heeft het college, aansluitend op de hiervoor genoemde kwaliteitscriteria, zichzelf criteria opgelegd. In bijlage III zijn deze criteria opgenomen. </al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2</nr><titel>Beleidscyclus , procescriteria en borging van middelen</titel></kop><al>In afdeling 18.3 van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van het Omgevingsbesluit zijn de vereisten voor de beleidscyclus, de procescriteria volgens de kwaliteitscriteria en het waarborgen van kwaliteit opgenomen. Het college geeft daar op de volgende wijze vorm aan.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2.1</nr><titel>VTH beleid</titel></kop><al>Dit VTH beleid is het beleidsdocument zoals bedoeld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, waarin gemotiveerd is aangegeven welke doelen het college zich stelt bij de uitvoering en handhaving. In dit VTH beleid is aangegeven hoe wij de activiteiten zullen uitvoeren.</al><al>Het Uitvoeringbeleid betekent zoeken naar evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. De taken kunnen op verschillende uitvoeringsniveaus worden gerealiseerd. Aan elk uitvoeringsniveau hangt een prijskaartje en wordt vooral bepaald door de inzet van personele capaciteit. Aan elk uitvoeringsniveau hangt ook een risicoprofiel. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau worden bepaalde risico’s wel of niet gedekt. In de hoofdstukken 3 tot en met 6 zijn doelen per onderdeel bepaald. In het jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma komt dit tot uitdrukking.</al><al>Kortom er wordt gezocht naar de kritische massa of kritieke massa personeel. Dit is de minimale hoeveelheid personeel die nodig is om de taken adequaat te kunnen uitvoeren. Deze kritieke massa voor personeel heeft betrekking op vakmanschap. Hiermee wordt bedoeld dat de uitvoeringsorganisaties zorgen voor de aanwezigheid van: </al><al>Voldoende opgeleide werknemers;</al><al>Voldoende ervaren werknemers;</al><al>Kennis voor het uitoefenen van de wettelijk gestelde eisen;</al><al>Onderhouden en borgen van bovengenoemde punten. </al><al>Een cyclus van continue procesverbetering hoort hierbij volgens het volgende figuur.</al><al /><al><plaatje><illustratie id="id07a8ce1-ee2f-4d59-af05-19c11afb6cc0" naam="gmb-2026-200040-1.png" breedte="15.48cm" type="foto" hoogte="8.43cm" /></plaatje></al><al>Voor de medewerkers zijn, zoals hiervoor genoemd, diverse protocollen en werkprocessen vastgelegd (zie ook hoofdstuk 6). Deze geven een uniform beeld van de procedures die de gemeente hanteert voor verschillende situaties over vergunningen, toezicht en handhaving. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2.2</nr><titel>Uitvoeringsprogramma</titel></kop><al>Jaarlijks zal het college dit VTH beleid vertalen in een Uitvoeringsprogramma. Hierin wordt aangegeven welke van de voorgenomen activiteiten uitgevoerd gaan worden: wat gaan we doen? De prioriteiten die zijn gesteld in dit VTH beleid zijn hiervoor de basis. De gemeenteraad wordt geïnformeerd over het uitvoeringsprogramma.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2.3</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Een groot deel van de VTH-taken worden voor de gemeente uitgevoerd of gecoördineerd door Samenwerking Kempengemeenten. De volgende taken uit de kwaliteitscriteria worden door de gemeentelijke organisatie zelf uitgevoerd:</al><al>Groen en ecologie;</al><al>Stedenbouw en inrichting openbare ruimte;</al><al>Grondexploitatie en planeconomie;</al><al>Cultuurhistorie.</al><al>Ook de juridische handhaving en de taken rondom bezwaar en beroep worden uitgevoerd en gecoördineerd door de gemeentelijke organisatie zelf.</al><al>De gemeente richt de eigen organisatie zodanig in dat een adequate en behoorlijke uitvoering van deze taken gewaarborgd is. Hierbij borgt de gemeente de personeelsformatie, functiescheidingen en de bereikbaarheid binnen en buiten kantooruren. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2.4</nr><titel>Monitoring, Evaluatie en Jaarverslag </titel></kop><al>Vanuit het Omgevingsbesluit (artikel 13.11) is het verplicht om het VTH beleid en het jaarlijkse uitvoeringprogramma te evalueren en monitoren. Gedurende het jaar wordt middels een tussentijdse rapportage gemonitord of het mogelijk is om de gestelde doelen te halen of dat er bijgestuurd moet worden. Jaarlijks wordt via het jaarverslag gemonitord of de gestelde doelen zijn behaald. Door beide wordt ervoor gezorgd dat de taakuitvoering transparant is. Punten uit de evaluatie van het uitvoeringsprogramma en uit het jaarverslag worden meegenomen om dit VTH beleid actueel te houden.</al><al /><al>In het Omgevingsbesluit worden nadere regels gegeven over de vereisten ten aanzien van monitoring van de VTH-taken. Het kwaliteitssysteem heeft tot doel het adequate proces te borgen, de efficiency en het kwaliteitsniveau te verhogen en de monitoring en rapportage te vereenvoudigen. Deze monitoring is meer op inhoud gericht en wordt periodiek gemonitord op basis van de indicatoren die genoemd zijn in het interne controleplan. </al></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2.5</nr><titel>Borging van middelen </titel></kop><al>Voor de uitvoering van dit VTH beleid zorgt de gemeente er voor, conform artikel 13.10 van het Omgevingsbesluit, dat de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk zijn. In de begroting van de gemeente en de begroting van de Samenwerking Kempengemeenten zijn in hoofdlijn de beschikbare middelen inzichtelijk. In het jaarlijks door het college vast te stellen uitvoeringsprogramma wordt gespecificeerd welke middelen nodig en beschikbaar zijn voor de concrete uitvoering van de VTH-taken. De keuzes in het uitvoeringsprogramma zijn gebaseerd op dit VTH beleid en worden gestructureerd opgepakt op basis van de beleidscyclus zoals hiervoor beschreven.</al><al>De gemeente gaat zorgvuldig om met de arbeidscapaciteit en zet deze op de meest efficiënte manier in. Niet voor alle aandachtsgebieden heeft de gemeente capaciteit in huis om de taken uit te kunnen voeren. Er zal altijd een duidelijke afweging gemaakt worden tussen de prioriteiten, de kennis &amp; capaciteit en de minimale wettelijke verplichte taken. Deze drie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Elk jaar wordt gekeken welke taken minimaal verricht moeten worden en of de beschikbare capaciteit (opleiding en fte) en de financiën daarin voorzien. Zo nodig wordt de gemeenteraad om extra middelen gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label /><nr>7.2.6</nr><titel>Schema beleidscyclus (informatief)</titel></kop><table frame="all"><tgroup cols="1"><colspec colname="col1" colwidth="60*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al><plaatje><illustratie id="i01067de4-ea48-484c-923a-f0680d26d74d" naam="gmb-2026-200040-2.png" breedte="10.26cm" type="foto" hoogte="7.14cm" /></plaatje></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al /></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label /><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>8.1</nr><titel>Intrekken huidige versie VTH beleid</titel></kop><al>Het ‘Uitvoeringsbeleid kwaliteit vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht 2024 gemeente Eersel’, vastgesteld op 23 januari 2024, wordt ingetrokken.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>8.2</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het VTH beleid heeft de status van beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3 en artikel 4:81 van de Awb. Er moet volgens het beleid gehandeld worden, maar de burgemeester dan wel het college blijven bevoegd om af te wijken (artikel 4:84 Awb). Afwijken is mogelijk wanneer de gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>8.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Het VTH beleid treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking.</al><al /></artikel><artikel><kop><label /><nr>8.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregel kan worden aangehaald als: ‘Beleid vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Eersel 2026’. </al><al /><al>Aldus besloten door burgemeester en wethouders van Eersel en de burgemeester van Eersel op 7 april 2026.</al><al /></artikel></hoofdstuk><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al /></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Burgemeester en wethouders alsmede de burgemeester van Eersel,</functie><functie>de secretaris, </functie><functie>H.M.L. Offermans </functie><functie>de burgemeester,</functie><functie>drs. W.A.C.M. Wouters</functie></ondertekening></regeling-sluiting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>