<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-187301/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>GEMEENTEBLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de gemeente Amstelveen</subtitel></kop><gemeenteblad><kop><titel>Besluit van de burgemeester van de gemeente Amstelveen tot vaststelling van de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Amstelveen 2026</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al><nadruk type="vet">Zaaknummer: Z26-053037</nadruk></al><al>De burgemeester van de gemeente Amstelveen;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al><nadruk type="vet">Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Amstelveen 2026</nadruk></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label /><nr /><titel /></kop><al>Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 13b van de Opiumwet en artikel 172 en 174 van de Gemeentewet;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><al>Drugscriminaliteit zoals de handel in en productie van soft- en harddrugs heeft een sterk ondermijnend karakter. Deze illegale en criminele activiteiten tasten de rechtsstaat en de samenleving in brede zin aan door de sterke verwevenheid van onder- en bovenwereld, corruptie en de innesteling in lokale gemeenschappen en maatschappelijke sectoren. Drugshandel gaat veelal gepaard met overlast, criminaliteit en verstoring van de openbare orde.  </al><al>Handel in- en productie van drugs vormen een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Het woon- en leefklimaat en de sociale en/of fysieke veiligheid van burgers worden erdoor aangetast. Hennepplantages en drugslaboratoria vormen een groot gevaar, vanwege het risico van brandgevaar, ontploffing en waterschade. Drugsgebruik vormt een bedreiging voor de gezondheid. Door de in- en uitloop van dealers, gebruikers en andere personen die betrokken zijn bij illegale activiteiten, ervaren omwonenden hinder en krijgt de omgeving vaak een slechte reputatie. </al><al>De burgemeester heeft daarom handhavende bevoegdheden wanneer sprake is van een bij een overtreding van de Opiumwet. In deze beleidsregel staat beschreven onder welke omstandigheden en op welke wijze in Amstelveen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om een bestuurlijke maatregel op te leggen bij overtreding van de Opiumwet.  </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelstelling</titel></kop><al>Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding.</al><al>Hieruit voorkomende nevendoelstellingen (niet limitatief) zijn dat: </al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>de kwaliteit van het woon- en leefklimaat verbetert/herstelt;  </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de openbare orde wordt hersteld;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de rust in de buurt terugkeert;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de burgemeester laat zien dat er tegen drugscriminaliteit wordt opgetreden; </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>aan de overtreder en/of rechthebbende op het gebruik van de zaak kenbaar is welke herstelmaatregel verwacht kan worden na een overtreding, wat een preventieve werking heeft, omdat pandeigenaren zich bewust worden van de verantwoordelijkheden die zij hebben met betrekking tot het verhuren van hun panden;  </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de illegale activiteiten rondom drugs effectief worden bestreden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidskader</titel></kop><al>Deze beleidsregel is van toepassing op de uitoefening door de burgemeester van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid met betrekking tot:</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>woningen en bijbehorende erven;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (bijvoorbeeld horecazaken en winkels);</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (bijvoorbeeld bedrijfsruimten, loodsen en magazijnen).</al></li></lijst><al>In deze beleidsregel wordt met de term pand zowel gedoeld op woningen als op lokalen, inclusief de daarbij behorende erven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Juridisch kader</titel></kop><tussenkop>4.1 Bevoegdheid</tussenkop><al>Artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet luidt als volgt:</al><al>De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.</al></li></lijst><al>De onder artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs. Lijst II heeft betrekking op softdrugs.</al><al>Lijst IA bevat een aantal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld. Het gaat om substanties en de preparaten daarvan die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen, dan wel beogen teweeg te brengen, als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne. Door het toevoegen van lijst IA aan de Opiumwet is er een verbod op hele groepen stoffen, los van de specifieke samenstelling. Alle nieuwe drugs die vallen onder de chemische formule van deze stofgroepen, zijn verboden. Het doel hiervan is voorkomen dat er telkens nieuwe varianten designerdrugs opkomen.</al><al>De verwijzing naar artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet heeft betrekking op middelen die door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn aangewezen bij ministeriële regeling. Dit zijn middelen die de Minister onverwijld onder de werking van de Opiumwet wil brengen omdat er in verband met spoedeisendheid niet gewacht kan worden op een wijziging van (lijst I of II van) de Opiumwet.</al><al>De onder artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet bedoelde situaties doen zich voor als in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen. Oftewel indien sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° (harddrugs), of artikel 11a van de Opiumwet (softdrugs).</al><al>Zowel voor de kwalificatie van drugshandel als die van voorbereidingshandelingen is tevens de Aanwijzing Opiumwet van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie van 27 februari 2015 van belang. Hierop is deze beleidsregel afgestemd.</al><tussenkop>4.2 Drugshandel</tussenkop><al>In deze beleidsregel wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs dan wel de aanwezigheid van drugs daartoe, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) hanteert als vaste rechtspraak dat bij een meer dan geringe hoeveelheid drugs mag worden aangenomen dat deze niet, althans niet uitsluitend voor eigen gebruik, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden bestemd is. De hoeveelheid drugs die in een woning of lokaal wordt aangetroffen kan daarom een aanwijzing zijn dat sprake is van bedoelde verkoop, aflevering of verstrekking daarvan, waardoor de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet kan worden ingezet. </al><al>Om te beoordelen of de hoeveelheid erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, wordt in de rechtspraak aangesloten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria in de Aanwijzing Opiumwet, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een woning of lokaal die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. <nadruk type="cur"><nadruk type="vet">[1]</nadruk></nadruk></al><al>Als het om een geringe overschrijding van de grens van de gebruikershoeveelheid gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden noemt die erop duiden dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik gaat, is een nadere zorgvuldige beoordeling vereist of er sprake is van een overtreding. De burgemeester betrekt de verklaring van de rechthebbende en de overige omstandigheden in deze beoordeling. </al><al>Wanneer in of bij een pand drugs worden aangetroffen onder omstandigheden die erop wijzen dat deze (deels) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen, waaronder een sluitingsmaatregel. Het voorgaande geldt ook als een in werking zijnde hennepkwekerij of een in werking zijnde drugslaboratorium wordt aangetroffen.</al><al><nadruk type="cur"><nadruk type="vet">[1]</nadruk> ABRvS, 17 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, r.o. 7.1.</nadruk></al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Lachgas</nadruk></nadruk></al><al>Op 28 augustus 2023 is de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet gepubliceerd in de Staatscourant, waarin ten aanzien van lachgas is bepaald dat er bij 1 ampul/1 ballon sprake is van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. </al><al>In de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit wordt een norm voor legaal thuisgebruik aangehouden van maximaal 10 ampullen/ballonnen. In deze beleidsregel wordt uitgegaan van deze ‘gedoogde’ gebruikersgrens.</al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Lijst IA</nadruk></nadruk></al><al>Op 1 juli 2025 is lijst IA aan de Opiumwet toegevoegd. Ten tijde van het opstellen van deze beleidsregel is nog niet duidelijk wanneer er in het geval van lijst IA sprake is van een gebruikers- dan wel handelshoeveelheid. In deze beleidsregel wordt voor wat betreft lijst IA aangesloten bij de gebruikers- en handelshoeveelheden die gelden voor harddrugs. Waar in deze beleidsregel gesproken wordt over harddrugs, wordt tevens een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan bedoeld. Zodra er in de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet richtlijnen worden opgenomen met betrekking tot de gebruiker- dan wel handelshoeveelheid dan wordt daarbij aangesloten.</al><tussenkop>4.3 Voorbereidingshandelingen</tussenkop><al>Van een voorbereidingshandeling is sprake als in een woning of een lokaal, dan wel een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om drugs te produceren, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet.</al><al>De aangetroffen situatie dan wel de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden gebruikt om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet worden betrokken, zoals in geval van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij, waarbij aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid.</al><al>Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. <nadruk type="cur"><nadruk type="vet">[2]</nadruk></nadruk></al><al>Voor de vraag of de burgemeester bevoegd is om gebruik te maken van zijn bevoegdheid als genoemd in artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet is het niet relevant of de aangeschreven persoon de voorwerpen of stoffen zelf voorhanden heeft, maar dat de voorwerpen of stoffen voorhanden zijn. Het gaat dus om de aanwezigheid van de stoffen of voorwerpen in een pand.</al><al>Voor de bevoegdheid is niet vereist dat de betrokkene zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden hoeft te hebben dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs.</al><al>De burgemeester is bevoegd indien hij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat er voorwerpen aanwezig waren, waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor het bereiden van drugs.</al><al>Of de betrokkene wetenschap had en of deze verwijtbaar heeft gehandeld, kan wel relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of de burgemeester van in redelijkheid van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mocht maken (ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523).</al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">[2]</nadruk></nadruk><nadruk type="cur"> ABRvS, 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:368, r.o. 4.1. </nadruk></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitgangspunten</titel></kop><tussenkop>5.1 Onderscheid woningen en lokalen</tussenkop><al>In deze beleidsregel wordt voor het bepalen van het type maatregel en de sluitingsduur onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen.</al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Woning</nadruk></nadruk></al><al>Een woning is een verblijf dat in hoofdzaak dient tot woning dan wel dienstbaar is aan het wonen. Het is een plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook de daadwerkelijk, feitelijk daaraan gegeven bestemming. </al><al>Iemand die incidenteel overnacht in een woning wordt niet aangemerkt als bewoner en het betreffende pand is daarmee geen woning. </al><al>Een inschrijving in de Basisregistratie Personen is een indicatie voor bewoning, maar is niet doorslaggevend. Soms kan er sprake zijn van schijnbewoning, bijvoorbeeld als bewoning wordt gesimuleerd door het plaatsen van wat schaars meubilair of kleding. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk, zodat dan niet wordt aangenomen dat sprake is van een woning. Het betreffen niet alleen koopwoningen en huurwoningen, maar bijvoorbeeld ook stacaravans, woonwagens en woonschepen. </al><al>In de beleidsregel wordt voor wat betreft de te treffen maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. </al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Lokaal</nadruk></nadruk></al><al>Onder een lokaal en het daarbij behorende erf wordt het volgende verstaan: alle al dan niet voor publiek opengestelde lokalen en daarbij behorende erven zoals winkels, horecabedrijven, hotels, buurthuizen, clubhuizen, bedrijfsruimten, magazijnen en loodsen. </al><tussenkop>5.2 Samenhangend geheel</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat drugshandel of voorbereidingshandelingen of daaraan gerelateerde signalen of voorwerpen tegelijkertijd zowel in een woning als in een lokaal of een ander deel van het bijbehorende erf worden aangetroffen. Kunnen de woning en het lokaal (en het bijbehorende erf) worden aangemerkt als een samenhangend geheel dan kan de burgemeester voor het geheel een maatregel treffen. Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Dit laatste kan het geval zijn als in een lokaal een hennepkwekerij wordt aangetroffen en ten behoeve van die kwekerij bij de meter in de woning (illegaal) elektriciteit wordt afgetapt. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn. Is één van de samenhangende onderdelen een woning, dan geldt bij de te treffen maatregel op grond van deze beleidsregel als uitgangspunt dat op het geheel het regime dat geldt voor woningen wordt toegepast. </al><tussenkop>5.3 Aanwezigheid minderjarigen</tussenkop><al>Indien er sprake is van minderjarige bewoners/betrokkenen in een woning waarin drugs worden aangetroffen dan wel waar sprake is van voorbereidingshandelingen, wordt er een melding gedaan bij Veilig Thuis.</al><tussenkop>5.4. Objectgerichte karakter van de maatregel</tussenkop><al>Een last tot sluiten van een woning of lokaal is een pandgebonden maatregel. Dit betekent dat een eventuele overdracht van het pand of de komst van nieuwe huurders, de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet als zodanig niet aantast. </al><tussenkop>5.5 Onderscheid harddrugs en softdrugs</tussenkop><al>In deze beleidsregel wordt bij de te treffen maatregelen onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Dat geldt zowel bij drugshandel als bij voorbereidingshandelingen. Zowel in de Aanwijzing Opiumwet als door de Afdeling wordt dit onderscheid gemaakt. </al><al>De ratio van dit onderscheid is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs. Ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid.</al><al>Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben daarmee een grotere negatieve invloed op, en brengen grotere (gevaars)risico’s met zich mee voor het woon- en leefklimaat. Dit laatste moet wel worden genuanceerd omdat ook de handel in en productie van softdrugs zeer crimineel is waarbij geweld, bedreiging en intimidatie niet worden geschuwd (onder andere bij ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs.</al><al>Daarom worden in deze beleidsregel bij overtredingen van de Opiumwet ter zake harddrugs in het algemeen strengere maatregelen toegepast, dan bij vergelijkbare overtredingen met softdrugs. Is er sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt als uitgangspunt dat de regels worden toegepast die gelden bij harddrugs. De concrete omstandigheden van een geval kunnen nopen tot een andere, minder ingrijpende maatregel.</al><al>Onder een gebruikershoeveelheid harddrugs wordt een hoeveelheid/dosis van 0,5 gram of 0,5 milliliter (of één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil/tablet) verstaan, terwijl onder een gebruikershoeveelheid bij softdrugs verstaan wordt, een hoeveelheid van maximaal 5 gram of 5 hennepplanten.</al><tussenkop>5.6 Strafrechtelijke en bestuurlijke aanpak</tussenkop><al>Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van misdrijven en overtredingen van het gestelde bij of krachtens de Opiumwet. Het strafrechtelijke optreden richt zich op de bij de handel of productie betrokken personen. Strafrechtelijke sancties hebben een punitief karakter, omdat op de overtreding een straf volgt. Om ook handhavende maatregelen te nemen tegen het gebruik van de woningen of lokalen waarin overtredingen zijn begaan, kan de burgemeester aanvullend gebruik maken van de bestuursrechtelijke mogelijkheden. De bestuurlijke maatregelen die de burgemeester treft, hebben een herstellend karakter. De bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot strafrechtelijk optreden staat los van bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester. Dat geldt ook andersom; als het Openbaar Ministerie niet strafrechtelijk optreedt, blijft de burgemeester bevoegd bestuursrechtelijk op te treden.</al><tussenkop>5.7 Afwijkingsbevoegdheid</tussenkop><al>De in de beleidsregel geregelde onderwerpen moeten worden gezien als uitgangspunten, waarvan in bijzondere situaties altijd kan worden afgeweken. Als feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven kan de burgemeester gemotiveerd van de uitgangspunten in deze beleidsregel afwijken door strenger of juist soepeler toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belangenafweging</titel></kop><al>Wanneer de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet bestaat, dient de burgemeester per geval te beoordelen of ook van die bevoegdheid gebruik gemaakt dient te worden. Dit is de zogenoemde evenredigheidstoets, waarbij alle belangen worden afgewogen, onder andere het volgende wordt beoordeeld: </al><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>is het besluit geschikt om het doel te bereiken?</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast; en</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>is de maatregel evenwichtig? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?</al></li></lijst><al>De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. Omgekeerd kan een besluit met minder ingrijpende gevolgen ook onevenredig zijn, bijvoorbeeld omdat de met het besluit te dienen doelen in verhouding minder zwaar wegen.</al><tussenkop>6.1 Geschiktheid</tussenkop><al>Geschiktheid betekent dat het besluit gericht moet zijn op een legitiem doel en daadwerkelijk geschikt moet zijn om dat doel te bereiken. </al><al>Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat het pand moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. </al><tussenkop>6.2 Noodzakelijkheid</tussenkop><al>Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Een overtreding van de Opiumwet heeft gevolgen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en gaat in meer of mindere mate gepaard met een verstoring van de openbare orde. De burgemeester betrekt die effecten op de omgeving in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.</al><al>Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van een pand over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit het pand worden verhandeld en of het pand feitelijk bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van het pand ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van het pand in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van het pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot het pand wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een pand ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van het pand over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op het voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester rekening te houden met het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat.</al><tussenkop>6.3 Evenwichtigheid</tussenkop><al>Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. </al><al><nadruk type="cur">Verwijtbaarheid</nadruk></al><al>De burgemeester moet de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. </al><al>Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of samen met andere omstandigheden maken dat er niet in redelijkheid van de sluitingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Zo kan de betrokkene bijvoorbeeld geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning of het lokaal. </al><al>Van degene die een pand verhuurt, wordt verwacht dat hij concreet toezicht houdt op het gebruik van het pand dat hij verhuurt. Het is niet voldoende als een verhuurder het pand alleen maar bezoekt. De verhuurder moet daarbij controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand.</al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Gevolgen van de sluiting</nadruk></nadruk></al><al>Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Het is inherent aan een sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Dit wordt anders als de bewoner een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Het gaat hierbij om binding met de woning en niet met de omgeving van de woning. De burgemeester zal overeenkomstig de vaste rechtspraak in principe nagaan in hoeverre de betrokkene zelf vervangende woonruimte kan regelen, zoals bij familie, vrienden, kennissen of via andere kanalen. De verantwoordelijkheid om vervangende woonruimte te vinden ligt primair bij de betrokkene zelf. Er kan echter ook een rol weggelegd zijn voor de burgemeester, bijvoorbeeld als de betrokkene na geleverde inspanningen, toch niet in staat blijkt een vervangend onderkomen te vinden. In dat geval kan van de burgemeester gevergd worden dat hij informeert naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. Dit betreft een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De betrokkene heeft geen afdwingbaar recht op een andere, vervangende woning via de gemeente. De burgemeester hoeft dus niet concreet een vervangende woning aan te bieden. </al><al>Ook is van belang hoe lang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.</al><al>De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding.</al><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Minderjarigen </nadruk></nadruk></al><al>In een woning kunnen minderjarigen aanwezig zijn. De burgemeester dient de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming te betrekken. De aanwezigheid van minderjarigen levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien. Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik maakt of een minder ingrijpende maatregel treft. Van belang is dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. Daarbij dient de burgemeester te informeren in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen. Lukt dat niet, dan zal de burgemeester bij een sluitingsmaatregel de mogelijkheden van vervangende huisvesting moeten onderzoeken. </al><tussenkop>6.4 Last onder bestuursdwang, last onder dwangsom of waarschuwing</tussenkop><al>Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Bestuursdwang geschiedt in de praktijk, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in de vorm van een sluitingsmaatregel.</al><al>Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht regelt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. </al><al>Tot slot volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.</al><al>Op grond van de rechtspraak dient in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikershoeveelheden drugs afgewogen te worden of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing kan worden volstaan. In de beleidsregel wordt bij woningen, in geval van een eerste constatering van drugshandel of voorbereidingshandelingen als uitgangspunt gehanteerd dat volstaan wordt met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel, zoals een last onder dwangsom. Het beleid biedt ruimte om maatwerk te leveren en de bevoegdheidstoepassing af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het geval. In deze beleidsregel is nader uitgewerkt wanneer volgens de burgemeester sprake is van een ernstig geval.</al><al>Als een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt, geldt het bovenstaande uitgangspunt in beginsel niet. Uitgangspunt is dat op niet-bewoonde woningen hetzelfde regime wordt toegepast als op lokalen. Omgekeerd kan een lokaal wél als woning worden aangemerkt als daarin feitelijk wordt gewoond, afgeleid uit alle omstandigheden van het geval. In dat geval wordt op het betreffende lokaal het regime toegepast dat geldt voor woningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Handhavingstabellen</titel></kop><al>Om de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet adequaat, proportioneel en subsidiair toe te passen, is het met het oog op de kenbaarheid en de consistentie van bestuurlijk handelen en daarmee voor de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van belang dat de handhavingsstappen die genomen worden, zijn vastgelegd in beleid.</al><al>De zwaarte van de maatregel sluit aan op de ernst van de overtreding. Dat betekent bijvoorbeeld dat de sluitingstijd langer is bij herhaling van een overtreding, omdat de bekendheid van het pand groter zal zijn en de maatregel kennelijk niet voldoende is geweest om herhaling van de overtreding te voorkomen.</al><al>Wanneer in onderstaande handhavingstabellen wordt gesproken over een last onder dwangsom, zal de hoogte van de op te leggen dwangsom afhangen van de hoeveelheid aangetroffen drugs of drugsgerelateerde goederen. Het opleggen van de last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom houdt de burgemeester er rekening mee dat deze zodanig wordt vastgesteld dat deze een voldoende prikkel vormt om verbeuring van de dwangsom te voorkomen. </al><tussenkop>7.1 Aantreffen drugs in een woning</tussenkop><al>In het geval er drugs in een woning of op een daarbij behorend erf worden aangetroffen, wordt in beginsel opgetreden conform onderstaande handhavingstabel.</al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="30*" /><colspec colname="col2" colwidth="30*" /><colspec colname="col3" colwidth="30*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Softdrugs</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">Harddrugs</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering (geen ernstig geval)</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Waarschuwing/last onder dwangsom</al></entry><entry colname="col3"><al>Waarschuwing/last onder dwangsom</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering (ernstig geval)</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 3 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">2e constatering </nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">3e constatering en volgende</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 18 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>7.2 Aantreffen drugs in een lokaal</al><al>In het geval er drugs in een lokaal of op een daarbij behorend erf worden aangetroffen, wordt in beginsel opgetreden conform onderstaande handhavingstabel.</al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="30*" /><colspec colname="col2" colwidth="30*" /><colspec colname="col3" colwidth="30*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Softdrugs</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">Harddrugs</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 3 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">2e constatering </nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">3e constatering en volgende</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 18 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> 7.3 Voorbereidingshandelingen in woning</al><al>In het geval er sprake is van voorbereidingshandelingen in een woning of op een daarbij behorend erf, wordt in beginsel opgetreden conform onderstaande handhavingstabel.</al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="30*" /><colspec colname="col2" colwidth="30*" /><colspec colname="col3" colwidth="30*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Softdrugs</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">Harddrugs</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering (niet complete opstelling en/of geen ernstig geval)</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Waarschuwing/last onder bestuursdwang/last onder dwangsom</al></entry><entry colname="col3"><al>Waarschuwing/last onder bestuursdwang/last onder dwangsom</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering (complete opstelling en/of ernstig geval)</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 3 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">2e constatering </nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">3e constatering en volgende</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 18 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Er is sprake van een niet complete opstelling als slechts een deel van de voorwerpen en/of stoffen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, dan wel een productiepunt voor harddrugs. Er is sprake van een complete opstelling als sprake is van een samenstelling en/of opstelling van voorwerpen en/of stoffen waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij of een productiepunt voor harddrugs in principe direct kan plaatsvinden, maar waarbij de drugs nog niet daadwerkelijk zijn geproduceerd. Ook is sprake van een complete opstelling als met weinig handelingen de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij of het productiepunt voor harddrugs in werking te brengen is, bijvoorbeeld omdat vrijwel alle benodigdheden daarvoor voorhanden zijn (toelichting: wordt een niet complete opstelling aangetroffen, dan is minder aannemelijk dat het pand een actuele schakel vormt in de productie of distributie van drugs. De opstelling is daarvoor (nog) niet geschikt en er zal nog het nodige moeten gebeuren om het productieproces operationeel te hebben. Het afgeven van een signaal door middel van een sluiting ligt hierbij minder voor de hand. Dat neemt niet weg dat er goederen en stoffen aanwezig zijn die in principe geschikt zijn voor de productie van drugs. Van de betrokkene kan onder bestuursdwang of dwangsom worden gelast dat hij deze voorwerpen en stoffen afvoert naar een erkende afvalverwerker, zodat de goederen niet alsnog in het drugscircuit kunnen worden benut. Van een complete opstelling is wel aannemelijk dat deze een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Een sluiting is hierbij, tenzij geen sprake zou zijn van een ernstig geval, passend).</al><tussenkop>7.4 Voorbereidingshandelingen in lokaal</tussenkop><al>In het geval er sprake is van voorbereidingshandelingen in een lokaal of op een daarbij behorend erf, wordt in beginsel opgetreden conform onderstaande handhavingstabel.</al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="30*" /><colspec colname="col2" colwidth="30*" /><colspec colname="col3" colwidth="30*" /><tbody><row><entry colname="col1"><al /></entry><entry colname="col2"><al><nadruk type="vet">Softdrugs</nadruk></al></entry><entry colname="col3"><al><nadruk type="vet">Harddrugs</nadruk></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering (niet complete opstelling)</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Waarschuwing/last onder bestuursdwang/last onder dwangsom</al></entry><entry colname="col3"><al>Waarschuwing/last onder bestuursdwang/last onder dwangsom</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">1e constatering (complete opstelling)</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 3 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">2e constatering</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 6 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><nadruk type="vet">3e constatering en volgende</nadruk></al></entry><entry colname="col2"><al>Sluiting 12 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>Sluiting 18 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>7.5 Recidivetermijn</tussenkop><al>Wanneer er volgens bovenstaande handhavingstabellen sprake is van een niet ernstig geval of van een niet complete opstelling, geldt een recidivetermijn van twee jaren. In alle overige gevallen geldt een recidivetermijn van drie jaren. Indien een volgende overtreding binnen een termijn van twee dan wel drie jaren na een voorgaande constatering plaatsvindt, geldt het regime voor de volgende overtreding.</al><tussenkop>7.6 Indicatoren ernstig geval</tussenkop><al>Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Onderstaande indicatoren zijn tevens relevant bij de belangenafweging. De indicatorenlijst is niet limitatief. Ook op basis van een enkele hieronder genoemde omstandigheden kan reeds sprake zijn van een ernstig geval waarbij een sluiting van een woning bij een eerste overtreding gerechtvaardigd kan zijn.</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet. Bij harddrugs geldt dat sprake is van een ernstig geval als ten minste 5 gram of 5 milliliter (of voor zover dit de 5 gram of 5 milliliter niet overschrijdt, 10 pillen, 10 ampullen, 10 bolletjes of 10 wikkels) wordt aangetroffen. Bij softdrugs wordt een ernstig geval aangenomen bij minimaal 50 gram, minimaal 50 cannabis/hennepplanten of meer dan 10 ampullen/ballonnen lachgas;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>een combinatie van soft- en harddrugs;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel plaatsvindt of drugs aanwezig is. Dit kan o.a. blijken uit politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van omwonenden of betrokkenen, (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht. Ook kan dit blijken uit het aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals: verpakkingsmaterialen, een weegschaal, wapens, versnijdingsmiddelen en/of grote sommen contant geld;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de aanwezigheid van één of meer (vuur)wapen(s), munitie en overige attributen zoals kogelwerende vesten, bivakmutsen etc.; </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan. Dit gegeven draagt bij aan de gevaren waar de buurt aan is blootgesteld; </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>er is sprake van recidive: er zijn sterke aanwijzingen dat de betrokkene eerder betrokkenheid heeft gehad bij drugshandel; </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>er is sprake van verwijtbaar gedrag van de betrokkene. Dit geldt als aannemelijk is dat de betrokkene zelf betrokken is bij de aangetroffen drugshandel/productie van drugs of dat hij/zij op de hoogte is dan wel redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugshandel/productie van drugs in de woning. Hierbij kan meewegen of sprake is van antecedenten, betrokkene relaties heeft met personen die bij de politie bekend staan als drugsdelinquenten, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit, of als de betrokkene zelf als zodanig bij de politie bekend staat. Ook speelt in dit verband mee, de mate waarin degene die een woning verhuurt of anderszins aan anderen in gebruik geeft zich in voldoende mate en tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Woningeigenaren en hoofdhuurders moeten concreet toezicht houden op het gebruik van hun pand. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand; </al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de mate van gevaarzetting of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n). Hierbij kan worden gedacht aan een buurt waarin de woning zich bevindt en de mate waarin deze kwetsbaar is voor (de gevaren die verbonden zijn aan) drugscriminaliteit, gelet op dat al langer druk op de omgeving bestaat in verband met drugsoverlast, of vanwege de vermoedelijke betrokkenheid van (georganiseerde) drugscriminaliteit en daarmee verband houdende gevaren, zoals geweldpleging, de aanwezigheid of inzet van vuurwapens/explosieven, etc.;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de aannemelijkheid dat naast de woning of het bijbehorende erf, nog een of meer andere locaties betrokken zijn bij de geconstateerde drugshandel (dit vormt een sterke indicator dat sprake is van betrokkenheid van een drugscircuit);</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>bij hennepteelt of de productie van harddrugs, de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage/-kwekerij of productiepunt. Bijvoorbeeld illegale stroom-aftap, diefstal van water, aanwezige hennep-/drugsresten van een productie, aanwezigheid van precursoren, preprecursoren, IBC’s en randapparatuur voor het in stand houden en onderhouden van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>feiten en omstandigheden die duiden op georganiseerde criminaliteit;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>betrokkenheid van minderjarigen.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Indien er sprake is van voorbereidingshandelingen, gelden ook de volgende indicatoren.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de aard van de stoffen of goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij kan bij softdrugs aangesloten worden bij paragraaf 3.2.1 en bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Bij harddrugs is dit een kwestie van een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Gedacht kan worden aan voor de productie van harddrugs geprepareerde ketels. De mate van professionaliteit van de goederen en stoffen duidt op de betrokkenheid van een drugscircuit waarin die goederen en stoffen voorhanden zijn en beschikbaar worden gesteld;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de combinatie van aangetroffen stoffen;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de hoeveelheid aangetroffen stoffen of goederen. Hier kunnen de Aanwijzing Opiumwet en het Opiumwetbesluit worden meegewogen;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de mate van bekendheid van de woning en het daarbij behorende erf waar dergelijke producten geproduceerd, verkocht, verhandeld of gebruikt kunnen worden;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Hierbij kan gedacht worden aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door de ontwikkeling van giftige dampen.</al></li></lijst><tussenkop>7.7 Spoedsluitingen</tussenkop><al>Indien zich een spoedeisend geval voordoet, kan de burgemeester besluiten een spoedsluiting op te leggen voor een periode van ten hoogste twee weken. Het bevel van de burgemeester kan mondeling worden bekendgemaakt en wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd. Al naar gelang de omstandigheden van het geval kan er gekozen worden voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In de artikelen 5:31 en 4:11, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht, zijn de procedureregels opgenomen die gevolgd moeten worden als tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt overgegaan. De spoedsluiting wordt in mindering gebracht op een eventuele tijdelijke sluiting van een woning of lokaal.</al><al>Onder een spoedeisend geval wordt in ieder geval verstaan één of meer van de volgende situaties (niet limitatief):</al><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>directe gevaarzetting voor mens of milieu (brandgevaar, elektrocutiegevaar, risico op lekkende vaten chemisch afval, explosiegevaar, gezondheidsrisico’s voor mens en dier);</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>aan het gebruik van het pand te relateren ernstige geweldsincidenten (waaronder geweld tegen een ambtenaar in functie) of ernstige incidenten waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid in het geding is;</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>aanwijzingen dat de overtreding zich direct na constatering ter plaatste zal voortzetten.</al></li></lijst><tussenkop>7.8 Verzoek opheffen sluiting</tussenkop><al>Er kan alleen tot opheffing van een sluiting worden besloten indien sprake is van een schriftelijk verzoek van een belanghebbende waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat het op basis van veranderde feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet zullen worden gepleegd in of vanuit de desbetreffende woning of het lokaal. Bij zijn beslissing op een dergelijk verzoek neemt de burgemeester onder meer in overweging of de te realiseren doelen van de sluiting zijn behaald. Deze afweging kan mede worden gemaakt op basis van een door de politie te overleggen bestuurlijke rapportage met een advies over een eventuele opheffing.</al><al>Van belang is de bereidheid en bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde overtreding(en) te voorkomen. Aan het opheffen van een sluiting wordt geen medewerking verleend eerder dan na de helft van de sluitingsduur. Het besluit op een verzoek tot opheffing van de sluiting wordt op schrift gesteld en is vatbaar voor bezwaar en beroep.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Procedure sluiting woning of lokaal</titel></kop><tussenkop>8.1 Bestuurlijke rapportage</tussenkop><al>Nadat er een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen in een woning of lokaal of indien er sprake is van voorbereidingshandelingen in een woning of lokaal wordt zo snel als mogelijk een bestuurlijke rapportage opgesteld door de politie met daarin de relevante bevindingen in en omtrent het betreffende pand.</al><tussenkop>8.2 Voornemen en zienswijze</tussenkop><al>Het voornemen tot het treffen van een bestuurlijke maatregel op grond van artikel 13b van de Opiumwet wordt in beginsel schriftelijk gedaan, maar kan in een spoedeisend geval ook mondeling kenbaar worden gemaakt. Belanghebbenden bij een op te leggen maatregel worden uitgenodigd een zienswijze in te dienen ten aanzien van het voornemen van de burgemeester om het betreffende pand te sluiten. Belanghebbenden zijn in ieder geval de eigenaar en de gebruiker(s) van het pand. Een zienswijze kan zowel schriftelijk als mondeling worden ingediend. Van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze wordt afgezien indien de vereiste spoed zich hiertegen verzet (artikel 4:11, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht). De zienswijzemogelijkheid is onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van het uiteindelijke besluit en stelt belanghebbenden in staat om eventuele bijzondere omstandigheden naar voren te brengen die de burgemeester bij zijn belangenafweging dient te betrekken. In het definitieve besluit zal de burgemeester toelichten hoe hij de zienswijzen waardeert en of deze aanleiding geven om al dan niet geheel of gedeeltelijke af te wijken van het voorgenomen besluit.</al><tussenkop>8.3 Besluit</tussenkop><al>Wanneer wordt overgegaan tot sluiting van een woning of lokaal, wordt het besluit op schrift gesteld en bekendgemaakt aan de overtreder(s) en de rechthebbende(n) op het gebruik.</al><tussenkop>8.4 Effectuering van de sluiting</tussenkop><al>Indien een sluitingsmaatregel wordt getroffen, vindt een verzegeling van de toegangen tot het pand of het bijbehorende erf plaats. Voordat tot sluiting wordt overgegaan, wordt een inspectie uitgevoerd in het te sluiten pand. Bekeken wordt o.a. of er al dan niet nog personen en/of dieren verblijven in het pand. Verder wordt een controle uitgevoerd op de nutsvoorzieningen en wordt bekeken of ramen en (achter)deuren deugdelijk zijn afgesloten. De sloten van de toegangsdeuren worden op kosten van de overtreder vervangen. Op deze manier is verzekerd dat bijvoorbeeld gebruikers na de sluiting niet op normale wijze het pand kunnen betreden. De sleutels worden in bewaring genomen door de gemeente. Verzegeling vindt plaats door middel van het aanbrengen van sluitingszegels op alle toegangsdeuren.</al><al>Tijdens de periode van de sluiting heeft niemand toegang tot het pand. Als het gesloten pand toch wordt betreden, is sprake van een strafbaar feit (artikel 2:41, tweede lid van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Amstelveen). Alleen personen wiens aanwezigheid wegens dringende redenen in het pand noodzakelijk is, mogen het pand betreden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een persoon die een lekkage in het gesloten pand dient te verhelpen.</al><tussenkop>8.5 Aanbrengen kennisgeving</tussenkop><al>Na verzegeling van het pand, wordt een kennisgeving aangebracht dat dit pand op last van de burgemeester is gesloten. Op deze wijze is duidelijk kenbaar voor eenieder dat het pand is gesloten, waardoor de bekendheid van het pand als drugspand bij kopers, exploitanten en faciliteerders teniet wordt gedaan. Voor omwonenden is duidelijk dat tegen de productie van en de handel in drugs van overheidswege wordt opgetreden. Het afscheuren, onleesbaar maken of beschadigen van een kennisgeving is een overtreding van de artikelen 187 en 447 van het Wetboek van Strafrecht.</al><tussenkop>8.6 Aanzegging tot kostenverhaal</tussenkop><al>In het besluit tot opleggen van een last onder bestuursdwang kan tegelijk een aanzegging tot kostenverhaal worden opgenomen. De kosten van bestuursdwang kunnen op basis van het bepaalde in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht verhaald worden op de overtreder(s). </al><al>Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan kosten die gemaakt zijn voor het vervangen van de sloten, kosten voor dierenopvang en kosten voor de opslag van zaken. De genoemde kosten zijn niet limitatief.</al><tussenkop>8.7 Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen</tussenkop><al>Het besluit tot sluiting van een woning of een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet wordt geregistreerd in de zin van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). </al><al>Het Wkpb-register houdt deze publiekrechtelijke beperking betreffende de onroerende zaak bij. Indien de sluiting wordt opgeheven of wanneer de sluitingstermijn afloopt, wordt dit aangepast in het Wkpb-register. Eenieder kan, voordat hij een pand in gebruik neemt, op deze wijze kennis hebben van een eventuele eerdere sluiting en het risico bij ingebruikname van het pand.</al><tussenkop>8.8 Bewonersbrief</tussenkop><al>De burgemeester kan de gebruikers van omliggende panden via een bewonersbrief informeren over het sluitingsbesluit. </al><tussenkop>8.9 Controle verzegeling</tussenkop><al>Met regelmaat wordt gecontroleerd of de verzegeling intact is. Indien een zegel is verbroken, wordt daarvan aangifte gedaan bij de politie en wordt de verzegeling vervangen. Het verbreken van een zegel is strafbaar gesteld in artikel 199, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en is een misdrijf tegen het openbaar gezag. </al><tussenkop>8.10 Einde van de sluiting</tussenkop><al>Nadat de sluitingstermijn is verlopen, worden de sleutels overgedragen aan de rechthebbende. Deze heeft zodoende weer de beschikking over het pand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregel kan worden aangehaald als: ‘Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Amstelveen 2026’,</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Besluit</titel></kop><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Het ‘Beleid toepassing artikel 13b Opiumwet gemeente Amstelveen 2022’, zoals vastgesteld op 6 december 2022, in te trekken;  </al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>De ‘Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Amstelveen 2026’ vast te stellen;</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Te bepalen dat deze beleidsregel in werking treedt op de dag na bekendmaking.</al></li></lijst><al /></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Amstelveen, 30 maart 2026.</functie><functie>De burgemeester van de gemeente Amstelveen,</functie><functie>Tjapko Poppens</functie></ondertekening></regeling-sluiting></regeling></gemeenteblad></officiele-publicatie>