Gemeenteblad van Veere

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
VeereGemeenteblad 2020, 301338Verordeningen



Verordening op de heffing en invordering van Rioolheffing 2021

De raad van de gemeente Veere;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2021.

 

 

 

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • b.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • c.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

  • d.

    woning: een roerende of een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient;

  • e.

    niet-woning: een roerende of een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient;

  • f.

    garagebox: een overdekte en afsluitbare stallingsruimte welke volgens de maatschappelijke opvattingen bestemd is voor het parkeren van motorvoertuigen.

 

Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater;

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven:

    a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering; verder te noemen; eigenarendeel; en

    b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen; gebruikersdeel.

  • 2.

    Voor het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3.

    Voor het gebruikersdeel wordt:

    a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde emeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

    c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

 

 

Artikel 4. Voorwerp van de belasting

  • 1.

    Voorwerp van de belasting is een perceel.

  • 2.

    Als perceel wordt aangemerkt:

    a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

    b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

    c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

 

Artikel 5. Maatstaf van heffing

  • 1.

    Het eigenarendeel wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel.

  • 2.

    Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 8 bedoelde kalenderjaar geldt.

  • 3.

    Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17 , 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 4.

    Voor het eigenarengedeelte vindt er tariefdifferentiatie plaats tussen percelen die in hoofzaak tot woning dienen en percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Een perceel dient in hoofdzaak tot woning als de waarde in het economische verkeer van dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden

  • 5.

    Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 6.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op:

    a. het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water naar een jaarverbruik herleid.

    b. 1 m3 indien er geen sprake is van een aansluiting op de waterleiding.

  • 7.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

    De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 8.

    De op de voet van het zesde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de aantoonbaar hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.

 

Artikel 6. Belastingtarieven

Het eigenarendeel bedraagt:

waarde in het economische verkeer van het perceel.

 

voor percelen die in hoofdzaak tot woning dienen

voor percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen

€ 1 tot € 100.000

€ 61,31

€ 93,20

€ 100.000 tot € 200.000

€ 63,77

€ 95,64

€ 200.000 tot € 300.000

€ 66,21

€ 98,09

€ 300.000 tot € 400.000

€ 68,67

€ 100,56

€ 400.000 tot € 500.000

€ 71,12

€ 103,00

€ 500.000 tot € 600.000

€ 73,57

€ 105,46

€ 600.000 tot € 700.000

€ 76,06

€ 107,90

€ 700.000 tot € 800.000

€ 78,47

€ 110,35

€ 800.000 tot € 900.000

€ 80,94

€ 112,82

€ 900.000 tot € 1.000.000

€ 83,38

€ 115,26

€ 1.000.000 tot € 2.000.000

€ 85,83

€ 117,72

€ 2.000.000 of meer

€ 88,29

€ 120,16

Geen waarde

€ 61,31

€ 93,20

 

2. Het gebruikersdeel bedraagt:

€ 65,49 van 0 m³ tot en met 75 m³ water (grondslag 1);

€ 91,87 van 76 m³ tot en met 150 m³ water (grondslag 2);

€ 118,21 van 151 m³ tot en met 300 m³ water (grondslag 3);

€ 232,96 van 301 m³ tot en met 1000 m³ water (grondslag 4);

€ 347,60 voor meer dan 1000 m³ vermeerderd met € 0,45 per m³ voor elke m³ waarmee de hoeveelheid afgevoerd water die 1000 m³ te boven gaat.

 

Artikel 7. Vrijstelling

Het gebruikersdeel wordt niet geheven van garageboxen voor zover de hierbij behorende directe of indirecte aansluiting uitsluitend dient voor de afvoer van hemelwater.

 

Artikel 8. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 9. Wijze van heffing

De belasting worden bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar, of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voordat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

 

Artikel 11. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de hiervoor gestelde termijnen.

 

Artikel 12. Kwijtschelding

  • 1.

    Bij de invordering van de rioolheffing kan kwijtschelding worden verleend

  • 2.

    In uitzondering van artikel 12 lid 1 wordt bij de invordering van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde heffing geen kwijtschelding verleend.

 

Artikel 13. Overgangsrecht

De "Verordening rioolheffing 2020", vastgesteld bij besluit van 12 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13 tweede lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

 

Artikel 14. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

 

Artikel 15. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening rioolheffing 2021".

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 12 november 2020.

De voorzitter,

De griffier,