Nadere regels jeugdhulp gemeente Montfoort 2018

 

Het college van burgemeester en wethouders van Montfoort;

 

gelet op het bepaalde in de Jeugdwet;

 

gelet op artikel 4, artikel 6, artikel 7, artikel 8, artikel 9b en artikel 11 van de Jeugdverordening gemeente Montfoort 2018;

 

B E S L U I T

 

vast te stellen de Nadere regels jeugdhulp gemeente Montfoort 2018

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    verordening: jeugdverordening gemeente Montfoort 2018

Artikel 2. Algemene voorzieningen

Naast de in de verordening genoemde, zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar:

  • 1.

    Preventie:

    • a.

      opvoedcursussen voor ouders;

    • b.

      training kind in echtscheidingssituatie;

    • c.

      training communicatieve en sociale vaardigheden kinderen;

    • d.

      consultatiebureau.

  • 2.

    Versterken opvoedkracht:

    • a.

      workshops door Ouders Lokaal.

  • 3.

    Dagbesteding:

    • a.

      activiteiten via buurtsportcoach;

    • b.

      peuterspeelzaal, BSO, kinderopvang;

    • c.

      DoeMeeHuis.

Artikel 3. Procedure melding hulpvraag

  • 1.

    Er is een laagdrempelige, herkenbare, integrale toegang voor jeugd en/of ouders georganiseerd, waar signalen, vragen over en verzoeken om hulp snel en adequaat wordt geboden of doorgeleid.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid kan ook een professional zoals een huisarts, jeugdarts, medisch specialist, een docent of maatschappelijk werker een hulpvraag melden.

  • 3.

    De melding van een hulpvraag wordt schriftelijk of mondeling gedaan waarna de onderzoeksfase start. Een gesprek maakt daar onderdeel van uit.

  • 4.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal.

  • 5.

    Het college informeert de jeugdige dan wel diens ouders over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten, de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning en de vervolgprocedure.

  • 6.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het een machtiging gesloten jeugdhulp aan in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 4 van deze nadere regels.

Artikel 4. Onderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf, met gebruikelijke hulp (zie bijlage 1) of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • d.

      de mogelijkheid om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om in de hulpvraag te voorzien door het inzetten van een algemene voorziening;

    • f.

      de mogelijkheid om een individuele voorziening te verstrekken;

    • g.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • h.

      hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en

    • i.

      de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 4.

    Het college en de jeugdige of zijn ouders zorgen voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en het gesprek, het zogenoemde ondersteuningsplan. In dit ondersteuningsplan staat in ieder geval:

    • a.

      BSN-gegevens of identificatiedocument;

    • b.

      doelen van de ondersteuning;

    • c.

      inzet eigen mogelijkheden en sociaal netwerk;

    • d.

      hulpverlening vanuit algemene voorzieningen en/of individuele voorzieningen;

    • e.

      beoordeling en conclusie over de oplossingsrichting voor de hulpvraag;

    • f.

      traject en duur ondersteuningsplan;

    • g.

      eventueel ingediend pgb plan;

  • 5.

    Het ondersteuningsplan wordt aan de jeugdige of zijn ouders toegestuurd, tenzij zij hebben aangegeven hierop geen prijs te stellen.

  • 6.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.

Artikel 5. Aanvraag individuele voorziening jeugdhulp

  • 1.

    Het ondersteuningsplan kan gelden als een aanvraag voor een individuele voorziening nadat de jeugdige en/of zijn ouders deze heeft ondertekend.

  • 2.

    Als een jeugdige en/of zijn ouders een familiegroepsplan hebben ingediend wordt in de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening aangegeven in welke mate dit plan betrokken is.

  • 3.

    In het ondersteuningsplan wordt gemotiveerd of een aanvraag voor een individuele voorziening al dan niet wordt toegekend.

  • 4.

    Bij het toekennen van een individuele voorziening in natura wordt in het ondersteuningsplan en de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke individuele voorziening het betreft en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de individuele voorziening is;

    • c.

      welke gecontracteerde aanbieder de individuele voorziening jeugdhulp biedt;

    • d.

      overige voorwaarden waaronder de individuele voorziening wordt toegekend.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening jeugdhulp in de vorm van een pgb, wordt in het ondersteuningsplan en in de beschikking vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb wordt aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en de wijze van de berekening hiervan;

    • d.

      wie de jeugdhulp gaat leveren;

    • e.

      de ingangsdatum en einddatum van de toekenning;f. hoe de besteding verantwoord moet worden.

Artikel 6. Advies

  • 1.

    Het college kan, met toestemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en met deze in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp.

  • 2.

    In het belang van het onderzoek dan wel de beoordeling van de aanvraag van een individuele voorziening is het college bevoegd de jeugdige en zijn ouders:

    • a.

      op een in overleg met de jeugdige en zijn ouders te bepalen plaats en tijd op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen;

    • b.

      door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen dan wel te onderzoeken.

  • 3.

    Het college kan een aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders toestemming geven aan de adviesinstantie om zijn persoonsgegevens te verwerken;

    • b.

      het een hulpvraag betreft van een jeugdige en zijn ouders met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 4 is gevoerd;

    • c.

      het een hulpvraag betreft van een jeugdige en zijn ouders die wel eerder een individuele voorziening heeft gehad maar van wie de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat deze de noodzaak van de individuele voorziening of de soort voorziening kunnen beïnvloeden.

Artikel 7. Individuele voorziening jeugdhulp midels een pgb

  • 1.

    Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet kan een individuele voorziening in de vorm van een pgb worden toegekend, indien:

    • a.

      de jeugdige en zijn ouders een ondersteuningsplan overeenkomen. Artikel 3, artikel 4 en artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing;

    • b.

      het pgb wordt besteed aan het doel waarvoor het wordt verleend en de voorziening waarvoor het pgb wordt aangewend en voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen.

  • 2.

    Met het pgb kunnen alleen diensten geleverd worden door personen uit het sociale netwerk, wanneer dat, naar het oordeel van het college:

    • a.

      leidt tot effectieve en doelmatige ondersteuning;

    • b.

      de zorg aan de belanghebbende voor de betreffende persoon uit het sociale netwerk niet tot overbelasting leidt.

  • 3.

    De jeugdige en zijn ouders besteden het pgb binnen zes maanden na toekenning aan het doel waarvoor de individuele voorziening in de vorm van een pgb is toegekend.

  • 4.

    Een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt alleen toegekend indien de ouders geacht worden voldoende in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordigers in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

Artikel 8. Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb is gerelateerd aan de tarieven waarvoor het college jeugdhulp heeft gecontracteerd.

  • 2.

    Bij het vaststellen van de hoogte van een pgb houdt het college in ieder geval rekening met de overheadkosten, de kwaliteitseisen die aan de beroepskrachten mogen worden gesteld.

  • 3.

    Het is niet toegestaan het pgb te besteden aan administratiekosten of een éénmalige uitkering.

  • 4.

    Het is niet toegestaan om tussenpersonen of belangbehartigers uit het pgb te betalen.

  • 5.

    De tarieven, bedoeld in dit artikel worden vastgesteld conform de tarieventabel in de bijlage.

  • 6.

    Om in aanmerking te komen voor het tarief voor een zelfstandige zonder personeel gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de zelfstandige zonder personeel is ingeschreven in het Handelsregister als onderneming zoals bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d, of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het Handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of voor het grootste deel bestaan uit het verlenen van jeugdhulp;

    • b.

      de zelfstandige zonder personeel beschikt over een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs.

  • 7.

    Om in aanmerking te komen voor een tarief tot maximaal het inkooptarief, gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de jeugdhulp wordt verleend door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een jeugdhulpaanbieder;

    • b.

      de jeugdhulpaanbieder is ingeschreven in het Handelsregister als onderneming zoals bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d, of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het Handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of voor het grootste deel bestaan uit het verlenen van jeugdhulp;

    • c.

      de jeugdhulpaanbieder kan aantonen dat de jeugdhulpverlener een arbeidsovereenkomst heeft waaruit blijkt dat een voor de betreffende sector relevante cao wordt toegepast. Het dient daarbij te gaan om een voor de betreffende sector relevante cao die aangemeld is bij de directie UAW van het Ministerie van SZW.

       

Artikel 9. Intrekken besluit bij jeugdverordening en nadere regels pgb

Met de inwerkingtreding van deze nadere regels wordt het Besluit bij jeugdverordening gemeente Montfoort en de Nadere regels inzake persoonsgebonden budget, ingetrokken met dien verstande dat besluiten die zijn genomen op grond van dit besluit met de daarbij behorende rechten en plichten in stand blijven.

Artikel 10. Overgangsrecht

Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze nadere regels en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden hiervan worden afgehandeld krachtens deze nadere regels.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze nadere regels treden in werking een dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2018.

  • 2.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels jeugdhulp gemeente Montfoort 2018.

Bijlage 1

 

In de Jeugdverordening is vastgelegd dat geen jeugdhulpvoorziening toegekend zal worden als de ouders of de jeugdige op eigen kracht of met hulp van het eigen sociale netwerk de hulpvraag kunnen oplossen. Gebruikelijke hulp is een invulling van deze voorwaarde. De vraag of en zo ja, welk onderdeel van de hulpvraag tot gebruikelijke hulp behoort, beoordeelt het college op grond van deze nadere regels gebruikelijke hulp.

1. Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen.

Ouders of andere verzorgers of opvoeders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft.

 

1.1 Onderscheid kortdurende en langdurige zorgsituatie

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige zorgsituaties. 1

Kortdurend:

Langdurig:

In kortdurende zorgsituaties kan van ouders of andere verzorgers/opvoeders worden verwacht dat ze alle persoonlijke verzorging en begeleiding zelf bieden. Dit betreft gebruikelijke hulp.

Alleen in langdurige zorgsituaties kan derhalve sprake zijn van bovengebruikelijke hulp waarvoor het college jeugdhulp moet inzetten. Dat sprake is van een langdurige zorgsituatie kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er hoeft dan dus niet eerst 3 maanden te worden ‘gewacht’ alvorens het college jeugdhulp in kan zetten.

 

1.2  Beschermende woonomgeving

Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 17 jaar gebruikelijke hulp. Van ouders of verzorgers/opvoeders kan (tot een leeftijd van 17 jaar) worden verwacht dat ze een woonomgeving bieden waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarin een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking.

Jeugdigen vanaf 17 jaar die vanwege hun aandoening, stoornissen en beperkingen nog niet in staat zijn zelfstandig te wonen, maar dat wel kunnen leren, kunnen onder omstandigheden wel in aanmerking komen voor verblijf in een beschermende woonomgeving op grond van de Jeugdwet. Met als doel om zich verder te ontwikkelen naar zelfstandig wonen.

Kan een jeugdige niet bij (een van) de ouder(s) wonen vanwege de onmogelijkheden van de ouder(s) om een veilig thuis te bieden, dan kan verblijf bij pleegouders, een gezinshuis of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan de orde zijn.

 

1.3  Afweging gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp1.3.1 Beoordelingsfactoren gebruikelijke hulp

Om vast te stellen welke hulp bovengebruikelijk is, beoordeelt het college welke hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. In deze nadere regels is een richtlijn opgenomen voor gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen zonder beperkingen (zie onderdeel 4). Bij de beoordeling welke hulp hier bovenuit gaat, betrekt het college de volgende factoren:

  • 1.

    Leeftijd van de jeugdige

  • 2.

    Aard van de zorghandelingen

  • 3.

    Frequentie en patroon van de zorghandelingen

  • 4.

    Tijdsomvang van de zorghandelingen

    Het is van belang dat deze criteria telkens in samenhang worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin (zie onderdeel 1.3.2).

     

    Ad a) Leeftijd van de jeugdigeBij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de ene jeugdige meer zorg nodig hebben dan de andere. Het ene kind is nu eenmaal ‘gemakkelijker’ of sneller zelfstandig dan het andere kind.

 

Voorbeeld

Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet. Maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Deze stimulans en hulp mag je verwachten van ouders/verzorgers en is gebruikelijke hulp.

Ad b) Aard van de zorghandelingen

Voor zorghandelingen die de jeugdige zelfstandig kan uitvoeren, hoeft geen hulp te worden toegekend. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen, die een gebruikelijke hulp-handeling vervangen, of om handelingen, die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

Voorbeeld

  • .

    Het legen van een katheterzakje is een handeling die het verschonen kan vervangen. Als dat het geval is, is sprake van gebruikelijke hulp.

  • .

    Oefenen met het gebruik van pictogrammen bij een jeugdige met een verstandelijke beperking is een handeling die oefenen met lezen of topografie kan vervangen. Dit is in dat geval gebruikelijke hulp. 

Ad c) Frequentie en patroon van de zorghandelingen

Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals 3 keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt.

Voorbeeld

  • .

    Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt.

  • .

    Het aanreiken van spullen of speelgoed bij kinderen met een lichamelijke beperking na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, past in een normaal patroon van dagelijkse zorg en is dus gebruikelijke hulp.

  • .

    Als een ouder meerdere malen per nacht zorg moet bieden aan een ouder kind, lopen die handelingen niet mee in het normale patroon van dagelijkse zorg. Dit is geen gebruikelijke hulp.

Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. Zie daarover ook het onderdeel “begeleiding en gebruikelijke hulp”.

Ad d) Tijdsomvang van de zorghandelingen

De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is.

Voorbeeld

Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en aankleden. Als deze handelingen veel meer tijd kosten, bijvoorbeeld vanwege spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien.

1.3.2 Samenhangende beoordelingDe hiervoor in onderdeel 1.3.1 genoemde criteria moeten telkens in samenhang met elkaar worden beoordeeld. En steeds moet gekeken worden naar de individuele omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een kind van een bepaalde leeftijd gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie). Of veel meer tijd kosten (tijdsomvang). Waardoor deze zorg niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt.

Voorbeeld

  • .

    Het geven van medicatie (aard) bij een kind van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke hulp. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon. Dan moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke hulp te beschouwen.

1.4  Overbelasting

Bij het onderzoek naar de gebruikelijke hulp moet het college vaststellen of degene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden, of dat sprake is van (dreigende) overbelasting. Er moet aandacht zijn voor de draaglast en draagkracht van de ouder of verzorger/opvoeder. Het college moet bekijken of hij/zij naast zijn of haar werk en de te verlenen zorg fysiek en psychisch nog in staat is de gebruikelijke hulp te verlenen. Als dat niet het geval is en er sprake is van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een voorziening moeten verstrekken. In eerste instantie zal die voorziening van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.

  

2. Persoonlijke verzorging

2.1  Wat valt onder persoonlijke verzorging?

Jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet omvat onder andere het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging. De hulp is gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij de jeugdige. 2  

Persoonlijke verzorging betreft hulp en zorg bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Het gaat dan onder andere om de volgende activiteiten (niet uitputtend):

  • .

    wassen

  • .

    aankleden en uitkleden

  • .

    aanbrengen of aantrekken van hulpmiddelen, prothesen, elastische kousen

  • .

    eten en drinken

  • .

    zich verplaatsen (in/uit bed, in/uit bad, van bed naar stoel)

  • .

    naar het toilet gaan (aanleggen van een urinaal, verwisselen van incontinentiemateriaal)

  • .

    wisselen van lig- of zithouding

  • .

    medicijnen innemen

  • .

    opmaken van het bed van een bedlegerig kind

  • .

    reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging, scheren, hand- en voetverzorging

  • .

    schoonhouden en verzorgen van stoma en andere onnatuurlijke lichaamsopeningen 

    Een jeugdige kan ondersteuning krijgen bij deze ADL-activiteiten, maar de handelingen kunnen ook worden overgenomen. Het stimuleren van de jeugdige om de persoonlijke verzorging uit te voeren of aan te leren, kan ook onderdeel zijn van de in te zetten hulp.

2.2  Persoonlijke verzorging en gebruikelijke hulp

Bij de beoordeling van de vraag welke activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging als (boven)gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt, gelden de hoofdregels zoals vermeld bij onderdeel 1. Hieronder staan enkele uitzonderingen dan wel bijzondere situaties, die specifiek voor persoonlijke verzorging gelden.

De ouder/verzorger heeft zelf beperkingenAls een ouder of verzorger/opvoeder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke persoonlijke verzorging uit te voeren, kan niet alle gebruikelijke hulp van hem of haar worden verwacht. De handelingen die bij een kind zonder beperkingen niet voorkomen, kan niet van deze ouder of verzorger worden verwacht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van medicijnen.

 

Beschikbaarheid ouder/verzorger vanwege werkVoor zover gebruikelijke persoonlijke verzorging bij jeugdigen van niet uitstelbare aard is en de ouder of verzorger/opvoeder niet beschikbaar is wegens werk, valt dit niet onder gebruikelijke hulp. Van de ouder kan dan niet worden verwacht dat hij die taken op zich neemt.

 

Persoonlijke verzorging tijdens kinderopvangDe opvang/zorg die instanties voor kinderopvang plegen te bieden is gebruikelijke hulp. Alleen voor de hulp die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg zoals instanties voor kinderopvang die plegen te bieden, kan het college een voorziening verstrekken. De niet-uitstelbare persoonlijke verzorging kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden.

 

Voorbeeld

  • .

    Een baby krijgt bij de kinderopvang 3 keer per dag een flesje. Voor een baby valt het geven van een flesje onder normale dagelijkse zorg zoals kinderopvang die biedt. Nu kost het bij deze baby, vanwege ernstige slikproblemen, extra tijd om dat flesje te geven. Voor het geven van een flesje staat gemiddeld 20 minuten per keer en bij deze baby kost het 35 minuten per keer. De minuten meertijd komen voort uit aandoeningsgerelateerde stoornissen en beperkingen. Voor de extra tijd die het kost om het flesje te geven, kan het college hulp inzetten: 3 keer 15 minuten = 45 minuten per dag dat het kind gebruik maakt van de kinderopvang. Deze extra tijd valt niet onder gebruikelijke hulp.

Persoonlijke verzorging tijdens onderwijsDe school biedt gangbare en normale dagelijkse zorg, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse zorg kan geen voorziening worden verstrekt.

Gedurende de tijd dat een kind de school bezoekt, is er voor de niet uitstelbare zorg geen verplichting voor de ouders of verzorgers/opvoeders om deze hulp op school te leveren. Dit wordt gezien als bovengebruikelijke hulp. Voor deze hulp kan het college dus een voorziening toekennen.

Intieme persoonlijke verzorging voor een jeugdige ouder dan 12 jaarVoor zover een jeugdige van 12 jaar of ouder geen intieme persoonlijke verzorging wil ontvangen van de ouder of verzorger/opvoeder wordt geen bijdrage van die ouder/verzorger verwacht. Er is dan dus geen sprake van te verwachten gebruikelijke hulp.

 

3. Begeleiding 

 

3.1  Wat valt onder begeleiding?Jeugdhulp omvat het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een beperking. 3 Zodat ze in staat worden gesteld voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. 4 Om dit te bereiken, kan het college begeleiding inzetten.

Bij begeleiding gaat het om het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Bij jeugdigen wordt (een beperking in de ) zelfredzaamheid en participatie vergeleken met de mate van zelfredzaamheid en participatie van een ‘gezond’ kind van dezelfde leeftijd. Zie hiervoor ook de richtlijn in onderdeel 4. Begeleidingsactiviteiten kunnen onder andere bestaan uit:

  • 1.

    het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen, zoals leren om dagelijkse handelingen als wassen en aankleden zelfstandig te kunnen doen;

  • 2.

    het oefenen met aanbrengen van structuur, bijvoorbeeld hulp bij plannen van activiteiten en dag structureren;

  • 3.

    ondersteuning bij het sociaal functioneren en maatschappelijk participeren (psychosociale zelfredzaamheid), zoals thuis, bij winkelen of vrijetijdsbesteding;

  • 4.

    het overnemen van toezicht op de jeugdige.

3.2 Begeleiding en gebruikelijke hulp

Bij de beoordeling van de vraag welke activiteiten op het gebied van begeleiding als (boven)gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt, gelden de hoofdregels uit Hoofdstuk 2.

Hierna komen enkele uitzonderingen dan wel bijzondere situaties aan de orde die specifiek voor begeleiding gelden.

 

De ouder/verzorger heeft zelf beperkingenAls een ouder of verzorger/opvoeder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke begeleiding uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt geen bijdrage van hem verwacht.

 

Begeleiding gedurende werk of studie ouders/verzorgersWanneer ouders of verzorgers werken of studeren, blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van hun kinderen. De begeleiding die buiten dit werk om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken of studeren niet als voorziening worden toegekend. Alleen voor bovengebruikelijke begeleiding kan het college een voorziening verstrekken.

 

Begeleiding tijdens onderwijsAls een kind, vanwege een aandoening, stoornis of beperkingen, gedrag heeft dat het leren bemoeilijkt, valt de daarbij behorende begeleiding onder het onderwijs. Het gaat daarbij om begeleiding die te maken heeft met de lessen, het leren, de vakinhoud en de pedagogische en didactische omgang. Een concentratieprobleem van een kind kan op zichzelf dus geen reden zijn voor inzet van begeleiding. In het kader van passend onderwijs voorziet een school in begeleiding van leerlingen tijdens het onderwijs. Ook remedial teaching of huiswerkbegeleiding richten zich op het helpen van kinderen met leerproblemen. Dit zijn onderwijsgebonden problemen en behoren tot het domein van het onderwijs.

Als het gedrag de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt, kan wel begeleiding in de vorm van toezicht aangewezen zijn. Te denken valt hierbij aan begeleiding bij ‘vrije’ of praktijklessen als schoolzwemmen of schoolgym. Bij dit type lessen/activiteiten is er sprake van een minder strakke structuur en een ander type (leer)omgeving. Dit is vaak van invloed op het gedrag van het kind met een zorgvraag. Essentieel is dat het leren voor iedereen doorgang kan vinden. Ook bij de omgang met andere kinderen en/of bij spel kan het gedrag om toezicht en/of interventie vragen. Dit is bovengebruikelijk toezicht waarvoor begeleiding ingezet kan worden.

  

Ouderlijk toezichtOuderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp. Kinderen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. Zie ook de richtlijnen in bijlage I.

Bovengebruikelijke begeleiding bij kinderen tot 3 jaar komt in de praktijk niet vaak voor. Kinderen in deze leeftijd hebben volledige verzorging en begeleiding van een ouder nodig. Toch kan bovengebruikelijk toezicht aan de orde zijn. Bovengebruikelijk toezicht is toezicht dat nodig is vanwege de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van het kind en is aanvullend op gebruikelijk ouderlijk toezicht. Het kan gericht zijn op (toezicht op en aansturen van) gedrag vanwege een aandoening, stoornis of beperking, of op het bieden van fysieke zorg zodat tijdig kan worden ingegrepen bijvoorbeeld bij complicaties bij een ziekte.

[1] Zie de definitie van het begrip ‘jeugdhulp’, onderdeel 2°, in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

[2] Zie artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet.

Voorbeeld

  • 1.

    Bij kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel is pedagogische correctie op gedrag gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.

  • 2.

    Begeleiding naar ziekenhuis: als een kind vanwege bijvoorbeeld nierdialyse meerdere keren per week naar het ziekenhuis moet, is het gebruikelijk dat een ouder of verzorger meegaat. Hiervoor hoeft het college geen voorziening toe te kennen. Deze uren worden wel meegewogen in de weging van de over)belasting van ouders/verzorgers voor de zorg van hun kind vanwege de aandoening.

  • 3.

    Begeleiding naar zwemles: hiervoor hoeft het college geen voorziening toe te kennen. Het is gebruikelijk dat ouders met hun kind meegaan naar zwemles.

 

4. Richtlijn gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel 

 

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • .

    hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

  • .

    ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • .

    zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • .

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • .

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • .

    kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • .

    hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

  • .

    hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • .

    hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • .

    zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • .

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • .

    kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • .

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • .

    hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • .

    hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • .

    zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • .

    hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

  • .

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • .

    hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • .

    kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • .

    kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

  • .

    kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • .

    hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • .

    hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • .

    hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • .

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • .

    hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Bijlage 2 Tabel maximale PGB tarieven

= actuele inkooptarieven jeugdhulp Utrecht West

 

Naar boven