Gemeenteblad van Stichtse Vecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Stichtse VechtGemeenteblad 2018, 221721Verordeningen



Beleidsregels bestuurlijke boete Basisregistratie personen Stichtse Vecht

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse vecht,

Gelet op het bepaalde in artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) en titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

Gelet op de circulaire bestuurlijke boete van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 januari 2014 en de handreiking bestuurlijke boete van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken van november 2013,

Overwegende dat het wenselijk is om burgers aan te zetten tot het nakomen van verplichtingen die de Wet basisregistratie personen aan hen oplegt, om fraude en andere onwenselijke gedragingen rondom die verplichtingen te voorkomen en te bestrijden,

Overwegende dat het wenselijk is om de kwaliteit van de gegevens over de ingeschrevenen in de Basisregistratie personen verder te verhogen,

Overwegende dat het wenselijk is om de uitvoering van het handhavingsinstrument van de bestuurlijke boete uit artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen in een beleidsregel vast te leggen,

Besluit vast te stellen:

de navolgende

Beleidsregel bestuurlijke boete Basisregistratie personen Stichtse Vecht

Artikel 1 Begrippen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • A.

    de Wet: de Wet basisregistratie personen (Wet BRP);

  • B.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • C.

    boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 van de Wet;

  • D.

    Overtreder: degene die verwijtbaar niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 2.38, 2.39, 2.40 lid 5, 2.43 t/m 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52 dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 4.17 onder b. van de wet of een valse aangifte heeft gedaan.

  • E.

    ingeschrevene: ingeschrevene als bedoeld in artikel 1.1 sub e van de wet;

  • F.

    gelegenheidsgever: de persoon als bedoeld in artikel 4.17 sub b van de wet;

  • G.

    toezichthouder: de op grond van het bepaalde in artikel 4.2. van de Wet door het college benoemde ambtenaar die belast is met het toezicht op de BRP;

Artikel 2 Doel

De boete heeft ten doel de burger te bewegen alsnog te voldoen aan zijn verplichtingen, zoals genoemd in de artikelen 2.38, 2.39, 2.40 lid 5, 2.43 t/m 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52 van de Wet BRP.

Artikel 3 Opleggen boete

  • 1.

    De boete wordt alleen opgelegd als de overtreder vooraf is geïnformeerd over het risico van oplegging van een bestuurlijke boete bij het niet voldoen aan de verplichtingen als genoemd in de wet.

  • 2.

    Per geconstateerde overtreding kan slechts één boete worden opgelegd.

  • 3.

    Een boete wordt binnen 3 jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd, opgelegd.

  • 4.

    De boete wordt opgelegd aan de overtreder.

  • 5.

    In geval de verplichtingen als bedoeld in de Wet moeten worden vervuld door anderen dan de ingeschrevene of aangifteplichtige zelf, wordt de boete opgelegd aan degenen op wie de verplichting ingevolge de Wet BRP rust;

 

Art. 4. Bevoegdheid en mandatering

Het college is op grond van het bepaalde in artikel 4.17 van de Wet BRP bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Art. 5. Verwijtbaarheid

 

  • 1.

    Voor het opleggen van de boete moet er sprake zijn van verwijtbaarheid.

 

  • 2.

    Het college kan van het opleggen van een boete afzien of kan een boete matigen, indien:

  • A.

    er sprake is van bijzondere in de beleidsregel niet-voorziene omstandigheden die met zich mee brengen dat de gevolgen van handelen overeenkomstig de beleidsregel onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen;

  • B.

    het niet nakomen van een verplichting niet aan degene, die in overtreding is, kan worden verweten, omdat hij op het moment dat hij aan de verplichting moest voldoen verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het de belanghebbende feitelijk onmogelijk maakten om aan zijn verplichtingen te voldoen.

3. In beginsel wordt het ontbreken van verwijtbaarheid niet aangenomen in onder andere de volgende gevallen:, indien de overtreder:

 

  • a.

    al eerder eenzelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 van de Wet BRP heeft begaan;

  • b.

    de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet zegt te begrijpen, daaronder mede begrepen vanwege gestelde onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal;

  • c.

    stelt niet op de hoogte zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de Wet BRP;

  • d.

    niet aantoonbaar stelt reeds in een eerder stadium aan zijn verplichting te hebben voldaan;

  • e.

    stelt langere tijd niet in staat te zijn geweest zijn belangen te behartigen, doordat hij tijdelijk niet op het adres zegt te wonen. Hieronder wordt ook begrepen tijdelijk verblijf in het buitenland, tijdelijk verblijf in instelling voor de gezondheidszorg, instelling op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling;

  • f.

    stelt door slechte postbezorging of gebreken aan of ontbreken van een brievenbus geen post te hebben ontvangen;

  • g.

    aangemerkt wordt als gelegenheidsgever, die een verklaring heeft getekend dat de andere persoon woont op zijn adres, terwijl vastgesteld is dat hij er niet woont;

  • h.

    aangemerkt wordt als gelegenheidsgever in de zin van sub g van dit artikel en stelt dat de andere persoon niet langer op het adres woont, terwijl hij niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 2.39 en 2.43 van de Wet BRP aangifte heeft gedaan.

Art. 6. Ne bis in idem

  • 1.

    De boete kan niet worden opgelegd aan de overtreder, indien aan hem een boete is opgelegd voor hetzelfde feit.

  • 2.

    Er is in ieder geval geen sprake van hetzelfde feit, indien de overtreder:

  • a.

    eerder niet voldaan heeft aan zijn aangifte of informatie verplichting ten aanzien van een inschrijving op een adres, een adreswijziging of een vertrek naar het buitenland;

  • b.

    niet voldaan heeft aan zijn verplichting andere brondocumenten in de zin van artikel 2.8 van de Wet BRP te overleggen, waarvoor hem een boete is opgelegd;

  • c.

    eerder een boete is opgelegd voor het niet voldoen aan zijn identificatieplicht ten aanzien van een andere situatie;

  • d.

    eerder een boete opgelegd heeft gekregen, vanwege het optreden als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17 lid 2 van de Wet BRP ten aanzien van een andere ingeschrevene dan wel ten aanzien van dezelfde ingeschrevene op een ander moment;

  • e.

    eerder een boete is opgelegd, vanwege de overtreding van de verplichting tot het verstrekken van informatie door een ander dan ingezetene of ingeschrevene aan de gemeente ten behoeve van de bijhouding in de basisregistratie personen, als het een andere persoon betreft dan wel als het een andere overtreding ten aanzien van dezelfde persoon betreft.

Art. 7. Hoogte van de boete

  • 1.

    De hoogte van de op te leggen standaard boete bedraagt € 200,-.

  • 2.

    De hoogte van de op te leggen hogere boete bedraagt € 325,-, deze zal worden opgelegd indien:

A. het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39, 2.43 van de Wet BRP, bewust niet is nagekomen;

B. de overtreder eerder een overtreding heeft begaan, waarvoor de boete opgelegd kan worden;

C. de overtreder aan te merken is als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17 sub b van de Wet BRP;

D. de overtreder valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

Art. 8. Valsheid in geschrifte

  • 1.

    Indien een tot aangifte verplicht persoon een valse of vervalste aangifte doet is er sprake van een overtreding van verplichting als bedoeld in artikelen 2.38, 2.39, 2.43, 2.45 en 2.47 van de Wet BRP.

  • 2.

    De overtreding in de zin van het eerste lid is ook op te vatten als valsheid in geschrifte in de zin van de artikelen 225 en verder van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3.

    Namens het college wordt in geval van overtreding van het bepaalde in het eerste lid aangifte gedaan van valsheid in geschrifte bij de politie.

  • 4.

    Een boete wordt niet opgelegd, als de overtreder strafrechtelijk wordt vervolgd voor dit feit.

Art. 9. Onvoorziene omstandigheden en afwijkingsbevoegdheid

In de gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.

Art. 10 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregel bestuurlijke boete BRP SV.

  • 2.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

 

 

 

 

 

Toelichting

 

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel zijn de in de regeling gebruikte begrippen nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de wettelijke begripsomschrijvingen, die onverkort van toepassing zijn.

 

Artikel 2 Doel

In dit artikel wordt het doel van de invoering van de bestuurlijke boete omschreven, namelijk dat er een prikkel is voor de burger om de gegevens die nodig zijn voor een kwalitatief juiste bevolkingsregistratie door te geven aan de gemeente.

 

Artikel 3 Opleggen van de boete

In dit artikel wordt omschreven in onder welke omstandigheden de boete wordt opgelegd en aan wie.

 

Artikel 4 Bevoegdheid en mandatering

In dit artikel is de wettelijke basis voor het opleggen van de boete, artikel 4.17 van wet BRP, door het college omschreven.

 

Artikel 5 Verwijtbaarheid

Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als er sprake is van verwijtbaar gedrag. Het gaat hierbij om objectieve en subjectieve verwijtbaarheid.

Bij objectieve verwijtbaarheid gaat het om het handelen of nalaten van betrokkene, heeft betrokkene feitelijk een wettelijke regel overtreden? Bepalend daarbij is of er op hem een verplichting rustte op grond van de Wet BRP. Als uit een geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat op hem geen verplichting rustte, is er geen reden tot opleggen van de boete. Of er sprake is van objectief verwijtbaar gedrag blijkt uit het dossier op grond waarvan uiteindelijk een boete wordt opgelegd. Als kan worden vastgesteld dat de burger niet voldaan heeft aan zijn verplichting, wordt de verwijtbaarheid van de gedraging in beginsel aangenomen. Bij subjectieve verwijtbaarheid gaat het om de persoon zelf: wist of kon hij redelijkerwijs weten, dat hij een verplichting had moeten nakomen? Afhankelijk van de feiten en omstandigheden waarin de burger zich ten tijde van de verplichting bevond, bepaalt de gemeente en eventueel de rechter of er sprake is van een overmacht situatie, waardoor het de burger op subjectieve gronden niet verweten kan worden dat hij niet aan zijn verplichting voldoet. Een voorbeeld daarvan kan zijn een spoedopname in een ziekenhuis, waardoor iemand niet tijdig aan zijn verplichting kan voldoen. Hierbij is het wel van belang dat de overtreder zo snel mogelijk nadat hij ontslagen is uit het ziekenhuis alsnog aan zijn verplichting voldoet. Blijft hij nalatig in het voldoen aan deze verplichting, dan is hij immers nog steeds in overtreding, terwijl de subjectieve omstandigheden waardoor het nalaten niet verwijtbaar was, niet meer aanwezig zijn.

 

In het tweede lid is bepaald in welke situaties het ontbreken van verwijtbaarheid in beginsel niet aangenomen wordt. Dit is een niet-limitatieve lijst van omstandigheden. Dat betekent dat er ook andere omstandigheden kunnen worden aangevoerd, die niet leiden tot het ontbreken van verwijtbaarheid.

 

Artikel 6 Ne bis in idem

In artikel 3 van deze regeling is al opgenomen dat een boete slechts eenmaal voor dezelfde overtreding opgelegd kan worden. Ter voorkoming van onduidelijkheid wat wel en wat niet onder eenzelfde feit verstaan wordt is in lid 2 van dit artikel opgenomen, wat niet verstaan wordt onder hetzelfde feit. Deze opsomming is niet limitatief. Dat betekent dat er ook andere omstandigheden dan in lid 2 genoemd zijn waarbij er geen sprake is van eenzelfde feit:

 

Hiermee wordt gedoeld op de situatie dat de overtreder eerder geen verhuizing, vertrek of inschrijving in de BRP heeft aangegeven en dat nu nog een keer niet doet. Het kan hierbij gaan om de aangifte van verhuizing naar een ander adres, vertrek naar een ander land of inschrijving op een ander adres, maar ook om aangifte van verhuizing naar hetzelfde adres, vertrek naar hetzelfde land of inschrijving op hetzelfde adres. Het gaat in dit geval niet om hetzelfde feit, omdat op een ander moment eenzelfde overtreding wordt begaan.

 

De verplichting om brondocumenten te overleggen voor bijhouding van de BRP kan allerlei brondocumenten betreffen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan geboorteakte, huwelijksakte, echtscheidingsvonnis, paspoort, rijbewijs, verklaring van ongehuwd zijn. Het is goed mogelijk dat aan de overtreder eerder gevraagd is een brondocument te overleggen en dat hem voor het niet nakomen van deze verplichting een boete is opgelegd. Als op een later tijdstip aan de overtreder verzocht wordt een ander brondocument te overleggen, dan kan hem een andere boete opgelegd worden voor het niet voldoen aan de verplichting om het andere brondocument te overleggen. Er is in dit geval geen sprake van hetzelfde feit, om dat het een ander brondocument betreft. Ditzelfde geldt ook voor de situatie dat aan betrokkene gevraagd wordt meerdere brondocumenten te overleggen. Als de overtreder geen van deze brondocumenten overlegt, dan kan hem voor het niet overleggen van elk brondocument een afzonderlijke bestuurlijke boete worden opgelegd.

 

De burger is op verschillende momenten verplicht zich te identificeren bij de gemeente op grond van de Wet basisregistratie personen. Als een burger eerder verzocht is zich te identificeren en ten gevolge van een weigering van hem om dit te doen hem een boete is opgelegd, dan kan hem op een later tijdstip bij een andere weigering nogmaals een boete opgelegd worden. Het gaat dan niet om hetzelfde feit, aangezien het tijdstip en mogelijke locatie en reden verschillend zijn.

 

Ook een gelegenheidsgever kan vaker een boete opgelegd krijgen, wanneer het een andere ingeschrevene betreft of dezelfde ingeschrevene op een ander moment. In dit geval is er geen sprake van hetzelfde feit van tijdstip en/of persoon die het betreft zijn verschillend. Het is derhalve mogelijk dat een gelegenheidsgever, die meerdere personen tegelijkertijd gelegenheid geeft om zich als wonend op zijn adres te registreren, terwijl hij weet dat ze er niet woonachtig zijn, beboet wordt voor de overtredingen ten aanzien van alle personen afzonderlijk. Ook is het mogelijk dat een gelegenheidsgever eerst voor de ene overtreding beboet wordt en dan voor de andere overtreding.

 

Het is mogelijk dat er eerder aan een ander dan de ingeschrevene verzocht is om informatie te geven over ingeschrevene of over een ander dan de ingeschrevene ten behoeve van bijhouding in de BRP. Deze verzoeken worden gedaan aan onder meer de briefadresgever, het hoofd van een instelling waar iemand verblijft, wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen en curatoren. Als dit verzoek op een ander tijdstip gedaan is en/of het een andere ingeschrevene betreft, dan is er geen sprake van hetzelfde feit.

 

Artikel 7 Hoogte van de boete

In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen lage en hoge bestuurlijke boeten. Voor lage bestuurlijke boeten gelden minder voorschriften en administratieve regels dan voor hogere boeten. De grens ligt op € 340,--. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, heeft de wetgever voor het opleggen van boeten ingevolge de Wet BRP gekozen voor een maximum boetebedrag van € 325,-. De Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) heeft geadviseerd per overtreding een bedrag van minimaal € 200,-- op te leggen, zodat het beoogde effect wordt bereikt. Een boete als deze kan alleen worden opgelegd, als betrokkene er van tevoren op gewezen is, dat bij niet voldoen aan de verplichting mogelijk een boete zal worden opgelegd. Communicatie over dit onderwerp is dus van groot belang, temeer daar van dit handhavingsinstrument juist ook een preventieve werking dient uit te gaan. Daarom zal de mogelijkheid tot het opleggen van een boete vanaf heden worden vermeld in alle relevante correspondentie, er komt een aanduiding op de aangifteformulieren en ook op de gemeentelijke website komt informatie over de bestuurlijke boete te staan. In het algemeen wordt de standaardboete opgelegd. In een aantal gevallen zoals genoemd in art 7 lid 2 wordt de maximale, hogere boete opgelegd.

 

Artikel 8 Valsheid in geschrifte

Er is sprake van valsheid in geschrifte wanneer iemand een geschrift, dat bestemd is om als bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Uit deze wettelijke definitie blijkt, dat het om een schriftelijk document moet gaan, dat een bewijsbestemming heeft, dat valselijk is opgemaakt of vervalst met de intentie het als echt en onvervalst te gaan gebruiken. Ook het opzettelijk gebruiken van een door iemand anders valselijk opgemaakt of vervalst geschrift is valsheid in geschrifte. Bij een valse aangifte als hier bedoeld kan een bestuurlijke boete worden opgelegd, vanwege overtreding van de aangifteplicht. Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht. Als er naast het overtreden van de aangifteplicht tevens sprake is van valsheid in geschrifte, dient de zaak eerst aan het Openbaar Ministerie (OM) te worden voorgelegd. Besluit het OM niet strafrechtelijk te vervolgen, dan kan alsnog een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht 2 oktober 2018.

 

burgemeester,

secretaris,