Gemeenteblad van Geertruidenberg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GeertruidenbergGemeenteblad 2017, 221072Beleidsregels



Nota Archeologie

 

Gemeente Geertruidenberg

Vastgesteld door de raad op 30 november 2017

 

Inhoudsopgave

1 Inleiding 7

  • 1.1

    Een verdere uitbouw van archeologiebeleid 7

  • 1.2

    Archeologie: ondergronds erfgoed 8

  • 1.3

    Leeswijzer 8

     

2 Verkenning 11

  • 2.1

    Beleid en regelgeving van rijk en provincie 11

  • 2.2

    De lokale archeologische (verwachtings)waarden 12

  • 2.3

    Het door ons gevoerde archeologiebeleid 12

  • 2.4

    Verbeterpunten 13

  • 2.5

    Ontwikkelingen 13

  • 2.6

    Samenvatting 15

     

3 Archeologiebeleid 1 7

 

4 Uitvoeringsprogramma 20

 

Bijlagen

Bijlage 1 Achtergrondinformatie bij de Nota Archeologie

Bijlage 2 De gemeentelijke archeologische (verwachtings)waardenkaart en het bijbehorende overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is

Bijlage 3 De gemeentelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart

Bijlage 4 Informatie van het rijk

Bijlage 5 Begrippen en afkortingen

Bijlage 6 Lijst van personen die input hebben gegeven

Bijlage 7 Bronvermelding en fotoverantwoording

 

Een fictieve weergave uit de 18e eeuw van het kasteel van Geertruidenberg.

 

Archeologische resten van het kasteel zijn gevonden aan het Wilhelminaplein te Geertruidenberg.

(van www.canon-geertruidenberg.nl)

 

1 Inleiding

 

1.1 Een verdere uitbouw van archeologie beleid

Het bodemarchief als informatiebron van ons verleden

Archeologische resten zijn een belangrijke informatiebron over een groot deel van ons verleden. Voor veel perioden zelfs de enige. Door onderzoek van deze zichtbare en onzichtbare resten komen we meer te weten over hoe mensen in het verleden leefden en werkten.

 

Archeologisch materiaal in de bodem is onvervangbaar en daarom kwetsbaar, eenmaal vernietigd komt het niet meer terug. Opgraven (behoud ex situ) is daarom een noodoplossing. Na een opgraving is het bodemarchief niet meer te raadplegen in relatie tot zijn context. Het is dus zaak om zuinig te zijn op ondergronds aanwezige archeologische waarden. Behoud ter plekke (behoud in situ) stelt een bodemarchief het beste veilig. Het archief kan zo altijd nog “gelezen” worden op een moment dat kennis en onderzoeksmethoden meer informatie op zullen leveren dan met de huidige stand van zaken mogelijk zou zijn.

 

In de gemeente Geertruidenberg zijn er gebieden met een lage tot zeer hoge kans op het aantreffen van archeologische resten. De kans is vooral hoog in de historische kern Geertruidenberg en in de oude bebouwingslinten van Raamsdonk en Raamsdonksveer.

 

De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de omgang met archeologie

Sinds een wetswijziging in 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor de wijze waarop rekening wordt gehouden met archeologie en heeft wat dit betreft een zorgplicht. Dit betreft ook het integreren van archeologie in de processen van ruimtelijke ordening en omgevingsvergunningverlening. De gemeente kan zelf beleid formuleren hiervoor.

 

Het doel van deze nota

Ons ondergrondse culturele erfgoed en de maatschappelijke waarden ervan verdienen een verder uitgewerkt en integraal archeologiebeleid. Dit beleid is gericht op een verbetering van de omgang met archeologische resten als informatiebron van het lokale verleden en het benutten ervan bij de verdere ontwikkeling van de gemeente (onder andere in relatie met ruimtelijke ordening en toerisme en recreatie).

 

Essentieel onderdeel van het beleid is een geactualiseerd standpunt over de normen die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek eist bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang, bijv. vanwege een bouwplan. Dit vergt een zorgvuldige belangenafweging.

 

Bij het opstellen van het beleid betrokken partijen

Bij het opstellen van het beleid zijn diverse externe partijen betrokken, waaronder de lokale erfgoedinstanties, Cultuurwerft, Toeristisch Platform Geertruidenberg, de monumentencommissie, de archeoloog van het Monumentenhuis Brabant en de regioarcheoloog van het programmabureau RWB (Regio West Brabant). De lokale erfgoedinstanties zijn de vereniging Oudheidkundige kring Geertruydenberghe en de stichtingen Veers Erfgoed, Raamsdonks Historie, Behoud Ons Erfgoed (BOEG) en Spoorbrug Geertruidenberg. Ook is de ZLTO geraadpleegd.

 

1.2 Archeologie: onder gronds erfgoed

Cultureel erfgoed bestaat naast bovengronds erfgoed uit ondergronds erfgoed, dus archeologisch erfgoed. Archeologisch erfgoed betreft bijzondere, zichtbare en onzichtbare resten van vroegere culturen op het land, in de bodem en onder water.

 

Deze nota concentreert zich op archeologisch erfgoed. De in 2016 vastgestelde Erfgoednota gaat over het bovengrondse erfgoed. Vanwege de specifieke aard ervan is het archeologiebeleid afzonderlijk uitgewerkt. We houden rekening met de integraliteit tussen beide beleidsvelden.

 

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een verkenning van huidig beleid en regelgeving, archeologische verwachtingen in de gemeente, verbeterpunten en een beschrijving van ontwikkelingen qua archeologie.

 

Op basis hiervan formuleren we in hoofdstuk 3 de belangrijkste uitgangspunten van het archeologiebeleid. Dit hoofdstuk vormt de inhoudelijke verantwoording van de archeologische verwachtingswaardenkaart en het daarbij behorende beleid omtrent het eisen van archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang. Om de nota compact te houden is achtergrondinformatie opgenomen in bijlagen. In die bijlagen komen nader aan bod: het beleid voor het eisen van archeologisch onderzoek, het proces van de archeologische monumentenzorg, de verankering van het beleid in de organisatie, financiële aspecten en informeren, draagvlakverbreding en bevordering van participatie.

 

In hoofdstuk 4 staan uitvoeringsacties voor de uitwerking van het beleid.

Na de verwoestende Sint-Elisabethsvloeden (1421) werd Geertruidenberg omgeven door water. Op deze kaart uit 1560 ligt de stad rechtsonder het kompas.

 

Prent van de belegering van Geertruidenberg in 1593.

 

2 Verkenning

 

Hieronder komen kort aan bod:

  • -

    Beleid en regelgeving van rijk en provincie

  • -

    Archeologische (verwachtings)waarden in onze gemeente

  • -

    Het door ons gevoerde archeologiebeleid

  • -

    Verbeterpunten

  • -

    Ontwikkelingen

     

2.1 Beleid en regelgeving van rijk en provincie

Rijk

In 1992 hebben Europese landen, waaronder Nederland, het Verdrag van Malta gesloten om beter voor hun archeologische erfgoed te zorgen. In 2007 is dit verdrag in de Nederlandse wetgeving verankerd via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Die wet heeft geleid tot aanpassing van een aantal wetten, waaronder de Monumentenwet 1988. Ook de Wabo-regelgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) sluit hierop aan. Sinds 2016 geldt ook de Erfgoedwet.

 

Drie principes van het Verdrag van Malta die aldus doorwerken in het proces van de ruimtelijke ordening en omgevingsvergunningverlening zijn:

  • 1.

    Behoud in situ: het streven naar behoud van archeologische resten op de plaats waar deze worden aangetroffen. De bodem is immers de beste conservator van archeologische resten;

  • 2.

    Het in de ruimtelijke ordening tijdig, in een vroeg stadium van de planvorming, rekening houden met archeologie. Voor de bescherming van archeologie en zodat een plan nog hierop kan worden aangepast;

  • 3.

    De verstoorder betaalt: de verstoorder van de bodem betaalt voor het archeologische onderzoek dat nodig is en voor de documentatie.

 

Een belangrijke uitwerking hiervan voor de processen van ruimtelijke ordening en vergunningverlening heeft plaatsgevonden in het ruimtelijke ordeningsrecht en de Wabo-regelgeving.

 

Zo moet de gemeenteraad bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorie en archeologie, aldus artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (BRO). Dit artikel is uitvloeisel van de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo sinds 2009) en beoogt een verandering in de manier van de denken: cultureel erfgoed als belangrijke factor en kans in ruimtelijke ontwikkelingen (beleefbaar maken van cultuurhistorie). Dit geldt ook voor archeologisch erfgoed.

 

Een archeologisch onderzoek kan worden vereist voor afwijken van het bestemmingsplan en voor sloop van een bouwwerk in een rijksbeschermd stadsgezicht. In een bestemmingsplan kan een archeologisch onderzoek worden vereist voor bouwen en aanleggen. Bij al die activiteiten kunnen archeologie beschermende voorschriften worden verbonden aan de vereiste omgevingsvergunning.

 

Als opsteller van het bestemmingsplan en als vergunningverlener is de gemeente verantwoordelijk voor de omgang met archeologie. Zoals blijkt uit de “kan”-bepalingen hierboven bevat de wet geen inhoudelijke norm voor de omgang met archeologie. De gemeente kan wat dat betreft zelf beleid opstellen binnen de grenzen van de gemeentelijke zorgplicht voor archeologisch erfgoed en mits goed onderbouwd en gemotiveerd.

 

Voor meer informatie: zie de bijlagen.

 

Provincie

De provincie heeft haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Daarop zijn 16 archeologische landschappen aangewezen die alleen (zelf)bindend zijn voor de provincie vanuit de eigen structuurvisie. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn geen archeologische landschappen aangeduid in gemeente Geertruidenberg.

 

De provincie voert het interbestuurlijk toezicht uit en controleert of het gemeentelijke erfgoedbeleid (inclusief archeologie) aan de wettelijke eisen voldoet.

 

2.2 De lokale a rcheologische (verwachtings)waarden

Hier wordt mede verwezen naar de archeologische verwachtingswaardenkaart ( zie bijlage) en hoofdstuk 3.

 

In het gebied van de historische stad Geertruidenberg en haar vestingwerken is er een zeer hoge kans op archeologische vondsten vanaf de Middeleeuwen (vanaf de elfde eeuw). In dit gebied zijn dan ook verschillende vondsten gedaan voornamelijk uit de Late Middeleeuwen, zoals de restanten van een kasteel (nabij het Wilhelminaplein) en een zwaard uit de late Middeleeuwen.

 

Daar waar volgens een kaart uit 1832 al sprake was van bebouwingslinten in Raamsdonksveer en Raamsdonk is er een hoge kans op vondsten vanaf de late Middeleeuwen. Daarnaast is er een hoge kans op vondsten vanaf de Steentijd in de gebieden van de dekzandruggen, omdat deze hoger gelegen delen aantrekkelijk waren voor bewoning. De gemeente heeft twee archeologische rijksmonumenten betreffende het oude Kartuizerklooster aan de Kloosterweg.

 

2. 3 Het door ons gevoerde archeologiebeleid

Sinds de aanpassing van de Monumentenwet in 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor de wijze waarop rekening wordt gehouden met archeologie. Daarom is toen in onze opdracht een archeologische verwachtingswaardenkaart opgesteld door archeologisch bureau Baac. In 2009 hebben B&W ingestemd met een voorlopige aanpak voor archeologie. Sindsdien wordt op basis daarvan bij ruimtelijke plannen rekening gehouden met archeologie. De aanpak omvat normen omtrent het eisen van archeologisch onderzoek bij ruimtelijke ontwikkelingen.

 

Het qua archeologie meest gevoelige gebied, namelijk de historische kern Geertruidenberg, is al jaren beschermd via het bestemmingsplan. Voor de rest van de gemeente is archeologie tot op heden niet beschermd via het bestemmingsplan, onder meer vanwege de problematiek van planschade tot enkele jaren geleden en andere prioriteiten. Behalve voor de historische kern Geertruidenberg, leidt het beleid tot nog toe alleen tot de eis van archeologisch onderzoek bij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen en bij afwijkingen van het bestemmingsplan en niet bij conserverende bestemmingsplannen.

 

Wat is er al aan beleid?

  • -

    Een voorlopige aanpak voor archeologie (B&W-besluit in 2009);

  • -

    Een archeologisch verwachtingswaardenkaart (in 2016 geactualiseerd);

  • -

    Bescherming van zeer hoge archeologische verwachtingswaarden in bestemmingsplannen voor de historisch kern Geertruidenberg (Kom G’berg 2012, Dongeburgh en Gasthuiswaard);

  • -

    In 2016 geactualiseerde ambtelijke werkwijzen voor de samenwerking tussen vakgebieden archeologie, ruimtelijke ordening en inrichting van de openbare ruimte. Deze werkwijzen zijn aangepast vanwege de Erfgoednota (2016) en hebben ook betrekking op archeologie. Ook met andere betrokken vakgebieden zijn in 2016 afspraken gemaakt voor het onderling betrekken als er raakvlakken zijn met archeologie;

  • -

    Een metaaldetectorverbod voor heel de gemeente in de APV om schatgraven te voorkomen;

  • -

    De Erfgoedverordening (2017). Deze bevat een regeling voor de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke archeologische monumenten.

 

2.4 Verbeterpunten

Een verder uitgewerkt, integraal , duidelijker kenbaar en door de raad vastgesteld archeologiebeleid

Er is nog geen door de raad vastgesteld, integraal archeologiebeleid voor heel de gemeente. Gezien de gemeentelijke zorgplicht en de maatschappelijke waarden van archeologie is zo’n beleid nodig. Diverse aspecten die bij archeologie spelen, zoals organisatorische en financiële, zijn van belang om hierin te betrekken. Het is van belang dat alle betrokkenen bij planvorming in een vroeg stadium kennis kunnen nemen van dit beleid en van archeologische verwachtingswaarden.

 

Een geactualiseerd standpunt over de normen omtrent het eisen van archeologisch onderzoek

Het is gewenst om de in 2009 door B&W vastgestelde normen te actualiseren die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek vereist van een bodemverstoorder. Mede gezien de ervaring in de afgelopen jaren en de omgang met archeologie door gemeenten in de regio. Dit vergt een afweging van diverse belangen.

 

Verdere juridische bescherming via het bestemmingsplan

Voor de historische kern van Geertruidenberg is archeologie beschermd via het bestemmingsplan. Voor de rest van het gemeentelijke grondgebied is er nog niet zo’n bescherming en wordt in essentie alleen archeologisch onderzoek vereist bij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen en bij afwijkingen van het bestemmingsplan en niet bij conserverende bestemmingsplannen. Na vaststelling van het nieuwe archeologiebeleid is de logische vervolgstap om dit voor heel het gemeentelijke grondgebied juridisch te borgen via het bestemmingsplan.

 

Verbeterpunten uit de Erfgoednota

Enkele verbeterpunten uit de Erfgoednota (2016) voor het bovengrondse erfgoed zijn ook van toepassing voor archeologie, zij het op een wat andere manier vanwege de specifieke aard van archeologie.

 

In 2016 is invulling gegeven aan de uitvoeringsacties in de Erfgoednota ter verbetering van de samenwerking tussen de verschillende vakgebieden die erfgoed raken en hierin is ook archeologie meegenomen. Dit omvat mede het op deze gebieden rekening houden met archeologie bij plannen, het benutten van kansen (o.a. voor ruimtelijke plannen en toerisme en recreatie) en culturele planologie. In de verdere uitvoeringsacties van de Erfgoednota nemen wij archeologie mee.

 

2. 5 Ontwikkelingen

Hieronder volgen de belangrijkste ontwikkelingen aangaande archeologie.

 

a. Bovenlokaal

 

Planschade

Een aantal jaren geleden bestond er een planschaderisico alleen al vanwege het opnemen van archeologie beschermde regels in het bestemmingsplan. Deze fout in de regelgeving is in 2011 hersteld via de aanpassing van de Wabo (art. 4.2). Voor meer informatie: hoofdstuk 4 van bijlage 1.

 

Evaluatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg

In 2011 is deze wet geëvalueerd. Voor een effectievere behartiging van het archeologische belang is een aantal verbeterpunten geformuleerd door het ministerie van OCW. De rijksdienst (RCE) voert een aantal verbeteracties uit, waaronder het realiseren van een Kenniskaart archeologie, een digitaal platform naar bruikbare kennis over de archeologie in Nederland. Ook zijn een paar zaken aangepast in de Erfgoedwet.

 

Erfgoedwet (2016) en Omgevingswet (201 9 )

De nieuwe Erfgoedwet is 1 juli 2016 in werking getreden. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet, die naar verwachting vanaf 2019 van kracht wordt, het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten. Bepaalde onderdelen van de wettelijke bescherming van het cultureel erfgoed verhuizen dan naar de nieuwe Omgevingswet. De vuistregel hierbij is: de ‘duiding’ van erfgoed komt in de Erfgoedwet, de omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

 

De onderhavige Nota Archeologie en bestemmingsplannen ter bescherming van archeologie zullen naar verwachting met behoud van de inhoud op een goede wijze ingevoegd kunnen worden in het toekomstige omgevingsplan in de zin van de Omgevingswet.

 

Economische ontwikkelingen

Vanaf 2007 was er een sterke toename aan archeologische onderzoeken. Door de afgelopen recessie is het aantal onderzoeken erg afgenomen. De afgelopen 10 jaar waren er circa 60 onderzoeken in de gemeente; de afgelopen vijf jaar waren er jaarlijks weinig onderzoeken (0 tot 3). Door de verbetering van de economie en door het nieuwe archeologiebeleid kan dit aantal toenemen.

 

b. Lokaal

Bovenlokale ontwikkelingen en bovenlokaal beleid werken uiteraard ook lokaal door.

 

In de Erfgoednota genoemde ontwikkelingen

Diverse ontwikkelingen die in de Erfgoednota (2016) zijn genoemd voor het bovengrondse erfgoed zijn naar analogie ook van toepassing voor archeologie. Hiervoor verwijzen we naar die nota.

 

In het kort de resultaten van archeologisch onderzoek in de gemeente in de afgelopen 10 jaar

De resultaten van eerdere archeologische onderzoeken en vondsten zijn betrokken bij de actualisering in 2017 van de archeologische verwachtingswaardenkaart en het beleid. Dit betreft onder meer de onderzoeken en vondsten die de archeologisch werkgroep van de Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe heeft gedaan in de historische kern Geertruidenberg van 1976-2005. Vermeldenswaard hierbij zijn onder andere de vondsten van een zwaard aan de Koestraat en de restanten van een Middeleeuws kasteel aan het Wilhelminaplein.

 

De afgelopen 10 jaar zijn er circa 60 onderzoeken geweest. In alle gevallen kon na vereist archeologisch onderzoek de locatie worden vrijgegeven voor de beoogde bouwontwikkeling. Als er vondsten waren, betrof het meestal losse vondsten (aardewerk, bouwmateriaal e.d.) en sporen (funderingen, kelders e.d.). De onderzoeken leverden vaak een puzzelstukje voor een totaalbeeld van de geschiedenis van een plek. Aan de Markt 40-42 in Geertruidenberg heeft in 2009 een beperkte opgraving plaatsgevonden en heeft de gemeente geëist dat de historische kelders behouden blijven. Daarnaast zijn enkele toevalsvondsten van kleinere objecten gedaan, zoals oude munten in Raamsdonk. Een periodieke evaluatie van archeologiebeleid en –onderzoeken (om de 5 jaar) kan aanleiding geven tot aanpassing van de archeologische verwachtingswaardenkaart en van beleid.

 

Regionale samenwerking

In de eerste helft van 2017 heeft het dagelijks bestuur van de Regio West-Brabant (RWB) ingestemd met een samenwerkingsvorm tussen de regiogemeenten, waaronder Geertruidenberg, op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Dit is vanwege de kwaliteitseisen die de Wet VTH (Vergunningverlening, toezicht en handhaving) stelt aan de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht en om regionaal aan die eisen te voldoen. De samenwerkingsvorm houdt in dat de gemeenten bij de deelnemers (andere gemeenten, regio-archeoloog en Monumentenhuis Brabant) vrijblijvend en tegen betaling hulp en advies kunnen inwinnen. Evaluatie van de samenwerkingsvorm vindt plaats voorjaar 2018.

 

Geertruidenberg voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen op het gebied van archeologie en cultuurhistorie en werkt al jaren naar tevredenheid samen met het Monumentenhuis Brabant (voor specifieke diepgaandere advisering qua erfgoed en archeologie). Regionale afstemming kan daarnaast soms een meerwaarde bieden. Archeologie houdt niet op bij de gemeentegrenzen. Voor het nieuwe archeologiebeleid is uitgebreid advies ingewonnen bij de regio-archeoloog (van RWB) voor het benutten van de kennis die de afgelopen jaar in de regio is opgedaan qua archeologie.

 

2. 6 Samenvatting

  • De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor de omgang met archeologie en kan hiervoor zelf beleid opstellen binnen de grenzen van haar zorgplicht voor archeologie.

  • In de gemeente Geertruidenberg zijn er gebieden met een (zeer) hoge kans op het aantreffen van archeologische resten, vooral ook in de historische kern Geertruidenberg en in de oude bebouwingslinten van Raamsdonk en Raamsdonksveer.

  • Tot op heden is alleen voor de historische kern Geertruidenberg archeologie beschermd via het bestemmingsplan.

  • Ons ondergrondse culturele erfgoed en de maatschappelijke waarden ervan verdienen een verder uitgewerkt, integraal, duidelijker kenbaar en door de raad vastgesteld archeologiebeleid.

  • Een geactualiseerd standpunt is nodig over de normen die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek vereist van een bodemverstoorder.

  • Een standpunt is nodig over verdere bescherming van archeologie via het bestemmingsplan voor het hele gemeentelijke grondgebied.

  • Bij de uitvoeringsacties in de Erfgoednota (2016) betrekken we archeologie.

 

De archeologische werkgroep van de Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe voerde diverse archeologische onderzoeken uit tussen 1976 en 2005

 

3 Ar cheologiebeleid

 

Hier volgt kort het archeologiebeleid. Uitgebreidere informatie staat in de bijlagen bij deze nota.

 

Beleid voor het eisen van archeologisch onderzoek

Een standpunt over de normen die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek eist bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang, bijv. vanwege een bouwplan, vergt het aanbrengen van een maatschappelijk aanvaardbare balans tussen:

  • a.

    het belang van een zorgvuldig beheer van het bodemarchief en

  • b.

    de (financiële) belangen van de bodemverstoorders (grondeigenaren, ontwikkelaars, agrariërs).

     

De gemeente heeft hierbij beleidsvrijheid, binnen de grenzen van de wet en van haar zorgplicht voor archeologie. De geëigende wijze om dit als gemeente te regelen is via een archeologische verwachtingswaardenkaart en beleid daarbij en uiteindelijk via het bestemmingsplan.

 

Bij a: het belang van een zorgvuldig beheer van het bodemarchief

Ons ondergrondse culturele erfgoed en de maatschappelijke waarden ervan verdienen onze zorg. Archeologische resten zijn een belangrijke informatiebron over een groot deel van ons verleden. Voor veel perioden zelfs de enige. Door onderzoek van deze zichtbare en onzichtbare resten komen we meer te weten over hoe mensen in het verleden leefden en werkten. Het is van belang om deze archeologische resten te behouden voor het nageslacht en de wetenschap. In de gemeente Geertruidenberg zijn er gebieden met een lage tot zeer hoge kans op het aantreffen van archeologische resten. De kans is vooral hoog in de historische kern Geertruidenberg en in de oude bebouwingslinten van Raamsdonk en Raamsdonksveer. De archeologische (verwachtings)waarden zijn inzichtelijk gemaakt door de archeologische verwachtingswaardenkaart, die in 2017 is geactualiseerd op basis van de in de regio opgedane kennis en ervaring. Zie bijlage 2.

 

Bij b: de belangen van bodemverstoorders

De wet gaat uit van het ‘de verstoorder betaalt’-principe: de verstoorder van het bodemarchief moet de kosten van archeologisch onderzoek en de uitwerking ervan betalen. Vanwege haar zorgplicht is het van belang dat de gemeente in haar ruimtelijk beleid hierop anticipeert middels een eigen en duidelijk kenbaar archeologiebeleid, waardoor alle betrokkenen bij het planvormingsproces in een vroeg stadium, proactief, inzicht kunnen krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Aldus wordt de ‘veroorzaker’ niet onverwacht met kosten geconfronteerd, want de kans op het aantreffen van archeologische resten is aldus op voorhand bekend. Huis-, tuin- en keukenplannen bij woningen zijn meestal zo klein van oppervlakte dat hiervoor volgens de normen geen archeologisch onderzoek nodig is.

 

De kosten van archeologisch vooronderzoek kunnen al snel een paar duizend euro’s bedragen. De kosten kunnen verder oplopen als vervolgonderzoek nodig is en helemaal als een opgraving nodig is. De gemeentelijke aanpak in relatie met de eis van archeologisch onderzoek in een concreet geval is vaak maatwerk, waarbij ernaar gestreefd wordt om, waar dat kan, de kosten voor de initiatiefnemer zo beperkt mogelijk te houden.

 

Voor de totstandkoming van de Nota Archeologie hebben we gekozen we voor een verscherpte aandacht voor realistische en duidelijke voorwaarden aan ingrepen in de bodem van de archeologisch meest waardevolle delen van de gemeente. Hierbij hebben wij met name aansluiting gezocht bij het beleid van de buurgemeenten en de kennis en ervaring benut, die de afgelopen 10 jaar in de regio is opgedaan met de omgang met archeologie.

 

Voor de normen per archeologische verwachtingswaarde, die we voorstaan, verwijzen we naar het schema onderaan dit hoofdstuk.

 

Tegemoetkomingen aan de belangen van agrariërs

Normale agrarische activiteiten tot 50 cm onder maaiveld krijgen niet te maken krijgen met de eis van archeologisch onderzoek. Met de ZLTO spreken we af om de aanleg door agrariërs van nieuwe drainage die dieper gaat dan 50 cm door agrariërs eenmalig toe te staan zonder archeologisch onderzoek, mits vervanging van de buizen in de toekomst daarna op dezelfde plaats gebeurt waardoor geen nieuwe bodemverstoringen ontstaat. Op deze wijze wordt het archeologisch erfgoed minimaal geschaad en wordt de agrariër niet in de bedrijfsvoering gehinderd.

 

In 2017/2018 bieden we via de lokale ZLTO eenmalig aan de lokale agrariërs de mogelijkheid dat zij gezamenlijk en op hun eigen kosten de verstoringsdiepte aantonen buiten de normen van de archeologische beroepsgroep, de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (hierna: KNA). Dit aan-tonen gebeurt via grondboringen in de gronden waarop sprake is van agrarische landbewerking. Het onderzoek geldt niet voor de bouwblokken of gronden waarop bestemmingsplanmatig gebouwd kan worden, omdat die onder de gewone ruimtelijke procedures vallen, net zoals dat geldt voor particulieren en ontwikkelaars, waarvoor een volwaardig archeologisch onderzoek volgens de KNA nodig is. De resultaten van die boringen zullen dan door ons aanvaard worden als voldoende informatie voor de conclusie of de bodem van een perceel wel of niet al verstoord is in een bepaalde mate. Voor verstoorde grond is geen archeologisch onderzoek nodig.

 

Juridisch borgen van het archeologiebeleid als logische vervolgstap

Wij houden bij nieuwe bestemmingsplannen, afwijkingen van het bestemmingsplan en aanvragen voor de sloop van een bouwwerk in beschermd stadsgezicht rekening met archeologie in de zin van het beleid. Dit is ook relevant zolang er nog geen bestemmingsplan is dat archeologie beschermt. In nieuwe bestemmingsplannen beschermen we archeologie juridisch overeenkomstig het beleid.

 

Wij stellen een paraplubestemmingsplan op, zodat het beleid in deze nota, optimaal en het duidelijkst kenbaar, planologisch wordt vertaald voor heel het gemeentelijke grondgebied.

 

(Excessieve) kosten vanwege archeologie

We hanteren het hiervoor genoemde wettelijke principe “de verstoorder betaalt”. Vooralsnog zien we af van een regeling voor compensatie van (excessieve) kosten vanwege archeologie en van een archeologiefonds daarbij. Excessieve kosten zijn kosten die in een uitzonderlijk geval zo hoog zijn dat deze redelijkerwijs niet geheel voor rekening van een initiatiefnemer zouden moeten blijven.

 

Wij gaan uit van een ad-hoc beoordeling van eventuele verzoeken om vergoeding van excessieve kosten. Dit is vanwege het genoemde principe en het tot op heden ontbreken van de noodzaak voor zo’n regeling en fonds. Mocht in de toekomst blijken dat er toch behoefte is aan zo’n regeling en een fonds, dan passen wij dit aan. Bij de ad-hoc beoordeling zullen we onder meer kijken naar het financiële belang en de draagkracht van de verstoorder, de moeite die de verstoorder heeft genomen om kosten te voorkomen en de maatschappelijke belangen. Indien, in uitzonderlijke gevallen, een kostenvergoeding op zijn plaats is, kan deze worden betaald ten laste van de begrotingspost onvoorzien via raadsbesluit.

 

Interne en externe samenwerking

  • -

    Intern: ter uitvoering van het archeologiebeleid is een integrale samenwerking van belang tussen de verschillende vakgebieden.

  • -

    Extern: we hebben binnen onze gemeente verschillende organisaties die zich inzetten voor het behoud van ons (historisch) erfgoed. We hebben deze organisaties op een proactieve wijze betrokken bij de totstandkoming van deze Nota Archeologie. Uiteraard maken we dankbaar gebruik van hun kennis en enthousiasme bij de uitvoering van het archeologiebeleid.

 

We gaan uit van continuering van de goede samenwerking met het Monumentenhuis Brabant (voor specifieke diepgaandere advisering qua archeologie, met name over archeologisch onderzoek). Daar waar nadere regionale afstemming meerwaarde biedt, vragen we de regio-archeoloog van de regio West-Brabant om advies.

 

Categorie

Kleur

Archeologische v erwachting en waarde

V rijstellingsgrens

Onderzoeksmethode (indicatief, want vergt maatwerk)

1

Rood met grijze arcering

Zeer hoge waarde

Dit betreft de twee wettelijk beschermde rijksmonumenten van het vm. Kartuizerklooster

Rijksbeleid: geen bodemingrepen toegestaan zonder vergunning van de Minister

Rijksbeleid als voorheen in de Monumentenwet 1988 met daarin besloten de Wet op de Archeologische Monumenten zorg 2007. Nu vervangen door de Erfgoedwet 2016, vooruitlopend op de Omgevingswet.

2

Donkerrood

Zeer hoge verwachtingswaarde

Dit betreft de historische kern Geertruidenberg en haar vestingwerken

50m2 en 30 cm –Mv (-Mv: onder maaiveld)

Uitvoerig bureauonderzoek, of gelijk het uitvoerige bureauonderzoek in Programma van Eisen voor proefsleuvenonderzoek opnemen. Indien een initiatiefnemer perse wil starten met een booronderzoek, dan zal het plan daarvoor gemotiveerd moeten worden en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd.

3

Roze met nadere lijnaanduiding

Hoge verwachtingswaarde

-Locaties waar al in 1832 bebouwing was en een zone van 10 m daar omheen

-Vestingwerken ten zuiden en zuidwesten van de woonkern Geertruidenberg en een zone van 10 m daar omheen

100m2 en 40 cm –Mv

Uitvoerig bureauonderzoek, of gelijk het uitvoerige bureauonderzoek in Programma van Eisen voor proefsleuvenonderzoek opnemen. Indien een initiatiefnemer perse wil starten met een booronderzoek, dan zal het plan daarvoor gemotiveerd moeten worden en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd.

4

Roze

Hoge verwachtingswaarde

-Dekzandruggen incl. kleine dekzandvlakten

100m2 en 50 cm –Mv

Starten met een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase om de bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven.

5

oranjegeel

Middelhoge verwachtingswaarde

-Oeverkanten

-Gebied rondom het Oude Maasje

-Zone langs de Donge

-Middeleeuws cultuurlandschap bij AMK-terreinen van het vm. Kartuizerklooster

-Dryas terras

-Grote doorbraakkreek op Dryas terras

1000 m2 en 50 cm –Mv

Starten met een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase om de bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven.

6

Lichtgeel

Lage verwachtingswaarde

-Vlakte- en getijafzettingen (minus zone AMK-terreinen)

-Kleine doorbraakkreken

-Ontgonnen veenvlakte

-Grote dekzandvlaktes

Onderzoek vroeg in planfase bij MER-plichtige projecten, projecten vallend onder de Wro, de Wet Milieubeheer of de Tracewet en bij ontgrondingen met een planoppervlak van 5 hectare of meer; en waarbij ook sprake is van een bodemverstoring dieper dan 50 cm - MV.

Starten met bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase om bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven. Het plangebied is één geheel en opknippen daarbinnen is niet toegestaan. Meldingsplicht van kracht op basis van artikel 5.10 Erfgoedwet e.v. bij het aantreffen van archeologische vondsten en waarnemingen.

7

Wit

Geen verwachtingswaarde

Vrijgeven

 

8

Arceringen

Onderliggende verwachtingswaarde geldt ; dit betreft ophogingen of ontgravingen

Overeenkomstig de onderliggende verwachting

Maatwerk in overleg met gemeente. Diepte van de veronderstelde verstoring of dikte van de opgebrachte bodemlaag aantonen in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen). (Zie ook par. 1.5 van bijlage 1 bij Nota Archeologie.)

Overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is; behorend bij de archeologische (verwachtings)waardenkaart van Geertruidenberg

 

4 Uitvoeringsprogramma

 

1. Bestuurlijk vaststellen van de archeologische (verwachtings)waardenkaart en beleid daarbij

Na vaststelling door de raad zal het archeologiebeleid worden gepubliceerd op de gemeentelijke website. Essentieel onderdeel hiervan zijn de archeologische (verwachtings(waarden)kaart en de normen die bepalen wanneer de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek vereist bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang (zie het schema in hoofdstuk 3). Aldus kunnen alle betrokkenen bij planvorming in een vroeg stadium kennisnemen van dit beleid en van archeologische verwachtingswaarden.

 

2. Betrekken van archeologie bij de uitvoering van actiepunten uit de Erfgoednota

Bij de uitvoering van de actiepunten uit de Erfgoednota is/wordt ook archeologie betrokken. Dit betreft:

  • -

    het verbeteren van de integrale samenwerking met andere vakgebieden;

  • -

    één geïntegreerde commissie ruimtelijke kwaliteit;

  • -

    het opstellen van een specifiek handhavingsbeleid voor erfgoed;

  • -

    het benutten van erfgoed in relatie met toerisme en recreatie en subsidie;

  • -

    erfgoededucatie.

     

3. Opstellen van een paraplubestemmingsplan voor archeologie

Wij stellen een paraplubestemmingsplan op, zodat het beleid in deze nota planologisch wordt vertaald voor heel het gemeentelijke grondgebied. De verwachte externe kosten hiervan (tot circa € 5.000) kunnen worden betaald van het budget voor de uitvoering van erfgoedbeleid. Dit parapluplan wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan geïntegreerd.

 

Indien het gemeentebestuur (via een apart voorstel) akkoord gaat met een aanwijzing van het gebied van het Kerkplein te Raamsdonk als beschermd dorpsgezicht willen we dit gebied zo mogelijk ook beschermen in dit parapluplan. We zien ervan om dit te combineren met een paraplubestemmingsplan voor ander bovengronds erfgoed, gezien wat hiervan al beschermd is en wordt (met name ook via aanwijzingen tot gemeentelijk monument).

 

4. Rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen , afwijkingen van het bestemmingsplan en sloopaanvragen in beschermd stadsgezicht

Wij houden bij nieuwe bestemmingsplannen, afwijkingen van het bestemmingsplan en aanvragen voor de sloop van een bouwwerk in beschermd stadsgezicht rekening met archeologie in de zin van deze Nota Archeologie. Dit is ook relevant zolang er nog geen bestemmingsplan is dat archeologie beschermt. In nieuwe bestemmingsplannen beschermen we archeologie juridisch overeenkomstig het beleid in deze nota.

 

5. Tegemoetkomingen aan de belangen van agrariërs

Met de ZLTO spreken we af om de aanleg van nieuwe drainage door agrariërs eenmalig toe te staan zonder archeologisch onderzoek, mits vervanging van de buizen in de toekomst daarna op dezelfde plaats gebeurt waardoor geen nieuwe bodemverstoringen ontstaat.

 

In 2017/2018 bieden we via de lokale ZLTO eenmalig aan de lokale agrariërs de mogelijkheid dat zij gezamenlijk en op hun eigen kosten via grondboringen de verstoringsdiepte aantonen buiten de normen van de archeologische beroepsgroep (KNA). Dit betreft de gronden die agrarisch bewerkt worden (niet de gronden van bouwblokken). Voor aldus aangetoonde verstoorde grond is later geen archeologisch onderzoek nodig.

 

6. Budget voor archeologie

Bij de vaststelling van de Erfgoednota in 2016 is incidenteel € 48.000 aangewezen voor de  uitvoering van erfgoedbeleid, naast het jaarlijkse structurele budget voor erfgoed van circa € 3.200. Dit betreft het saldo van de reserve monumenten, dat aangewend kan worden hiervoor. Daarnaast is er voor 2017 en 2018 jaarlijks € 25.000 beschikbaar voor erfgoeddoelen. We willen dit budget op dezelfde voet benutten voor de uitvoering van archeologiebeleid. Mocht in de toekomst blijken dat aanvulling van het budget voor archeologie nodig is, dan zal hiertoe een raadsvoorstel volgen.

 

7. Vooralsnog ad-hoc beoordelen van verzoeken om vergoeding van excessieve kosten en afzien van een regeling voor de compensatie van (excessieve) kosten vanwege archeologie

We hanteren het wettelijke principe “de verstoorder betaalt”: de verstoorder van het bodemarchief moet de kosten van archeologisch onderzoek en de uitwerking ervan betalen.

 

Vooralsnog zien we af van een regeling voor compensatie van (excessieve) kosten vanwege archeologie en van een archeologiefonds daarbij. Excessieve kosten zijn kosten die in een uitzonderlijk geval zo hoog zijn dat deze redelijkerwijs niet geheel voor rekening van een initiatiefnemer zouden moeten blijven. Wij gaan uit van een ad-hoc beoordeling van eventuele verzoeken om vergoeding van excessieve kosten. Dit is vanwege het genoemde principe en het tot op heden ontbreken van de noodzaak voor zo’n regeling en fonds. Mocht in de toekomst blijken dat er toch behoefte is aan zo’n regeling en een fonds, dan passen wij dit aan.

 

8. Co mmunicatie

Het archeologiebeleid inclusief de archeologische verwachtingswaardenkaart zullen raadpleegbaar gemaakt worden op de website. Indien mogelijk integreren we daarnaast deze kaart in de gemeentelijke erfgoedkaart (op www.geertruidenbergopdekaart.nl). We optimaliseren de communicatie over archeologie. We betrekken hierbij ook het digitaal raadpleegbaar maken van onderzoeken. We actualiseren de informatiebrief over archeologie voor initiatiefnemers.

 

Bij elk interessant en groter gravend archeologisch onderzoek willen we de mogelijkheden nagaan om de inwoners en het onderwijs hierbij te betrekken. Hierbij kunnen de lokale erfgoedinstanties ook een rol vervullen.

 

9. Voortzetting van de samenwerking met het Monumentenhuis en waar dit meerwaarde biedt regionaal samenwerken

We gaan uit van continuering van de goede samenwerking met het Monumentenhuis Brabant (voor specifieke diepgaandere advisering qua archeologie, met name over archeologisch onderzoek). Daar waar nadere regionale afstemming meerwaarde biedt, vragen we de regio-archeoloog van de regio West-Brabant om advies.

 

In 2017 wordt gestart met een nieuwe samenwerkingsvorm op het gebied van erfgoed tussen de regiogemeenten, waaronder Geertruidenberg, regio-archeologen en Monumentenhuis, die voorjaar 2018 wordt geëvalueerd. Hierbij kan vrijblijvend onderling advies worden ingewonnen.

 

10. Evaluatie en actualisatie elke vijf jaar

Elke vijf jaar actualiseren wij de archeologische verwachtingswaardenkaart en evalueren en actualiseren we het archeologiebeleid en de uitvoering ervan. Dit gebeurt in overleg met de erfgoedinstanties. Nieuwe kennis en inzichten, door archeologisch onderzoek, kunnen leiden tot bijstelling van archeologische verwachtingswaarden en van het beleid. De resultaten hiervan geven we ter kennisneming aan de raad.

 

 

  • Nota Archeologie Bijlagen

    30 november 2017

 

     

Nota Archeologie

Gemeente Geertruidenberg

Bijlagen

 

Vastgesteld door de raad op 30 november 2017

                  

Bijlagen

Blz.

Bijlage 1 Achtergrondinformatie bij de Nota Archeologie 5

Bijlage 2 De gemeentelijke archeologische (verwachtings)waardenkaart en het bijbehorende overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is 29

Bijlage 3 De gemeentelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart 30

Bijlage 4 Informatie van het rijk 31

Bijlage 5 Begrippen en afkortingen 32

Bijlage 6 Lijst van personen die input hebben gegeven 34

Bijlage 7 Bronvermelding en fotoverantwoording 35

Bijlage 8 Schematisch overzicht van gevoerd en nieuw archeologiebeleid 38

                     

Bijlage 1: Achtergrondinformatie bij de Nota Archeologie

 

De volgende onderwerpen worden nader besproken.

Blz.

 

Hoofdstuk 1 Beleid voor het eisen van archeologisch onderzoek 6

  • 1.1

    Totstandkoming van de archeologische verwachtingswaardenkaart 6

  • 1.2

    Archeologische verwachtingen en waarden 6

  • 1.3

    De normen die bepalen of archeologisch onderzoek vereist is 6

  • 1.4

    Normen per archeologische (verwachtings)waarde 13

  • 1.5

    Verstoringen: ophogingen, afgravingen en ontgrondingen 15

  • 1.6

    Drainage 15

  • 1.7

    Eenmalige mogelijkheid voor agrariërs voor gezamenlijk booronderzoek 16

  • 1.8

    Eigen verantwoordelijkheid van de bodemverstoorder 17

 

Hoofdstuk 2 Het proces van de archeologische monumentenzorg 17

2.1 Algemeen 17

2.2 Toelichting op de stappen van het AMZ-proces 18

2.3 De inzet van amateur-archeologen 20

  • 2.4

    Meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming 21

 

Hoofdstuk 3 Verankering van het archeologiebeleid in de organisatie 21

3.1 Rekening houden met archeologie bij ruimtelijke plannen 21

  • 3.2

    Een paraplu-bestemmingsplan voor archeologie 23

3.3 Integraliteit met beleid voor bovengronds erfgoed en andere vakgebieden 23

 

Hoofdstuk 4 Financiële aspecten 24

4.1 Rekening houden met archeologie en kosten van archeologisch onderzoek 24

4.2 Planschade en excessieve kosten  24

4.3 Archeologieleges  25

4.4 Gemeentelijke overeenkomsten en grondexploitatiebijdrage  26 4.5 Rijksbijdragen 26

4.6 Gemeentelijk budget 27

 

Hoofdstuk 5 Informeren, draagvlakverbreding en bevordering van participatie 27

5.1 Algemene informatievoorziening 27

5.2 De lokale erfgoedinstanties 27

5.3 Draagvlakverbreding en bevordering van participatie 27

5.4 Erfgoededucatie 28

          

Hoofdstuk 1: Beleid voor het eisen van archeologisch onderzoek

 

1.1 Totstandkoming van de archeologische verwachtingswaardenkaart

In 2007/2008 heeft archeologisch bureau Baac op basis van bureauonderzoek een analyse gemaakt van het gemeentelijke bodemarchief. Hiervoor is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke opbouw, bekende archeologische informatie (vindplaatsen, onderzoeken, vondsten) en recente verstoringen. Op basis hiervan is een archeolandschappelijke eenhedenkaart vervaardigd. Daarna heeft een veldinspectie plaatsgevonden. Met de toenmalige kennis over de relatie tussen archeologische waarden en de ligging ervan in het landschap is vervolgens een archeologische verwachtingswaardenkaart opgesteld. Deze kaart is in 2016 door Baac geactualiseerd met recente gegevens van lokale archeologische onderzoeken en vondsten.

 

Sinds 2007 is archeologiebeleid opgesteld voor de gemeenten in de regio West-Brabant. De kennis over de relatie tussen landschappelijke eenheden en archeologische verwachtingen is hierdoor aanzienlijk toegenomen. Voor een zo goed mogelijke kaart hebben we daarom voorjaar 2017 het team regioarcheologie van de regio West-Brabant opdracht gegeven om onze kaart te herzien met de regionale en actuele kennis. Dit team heeft het archeologiebeleid opgesteld voor de meeste West-Brabantse gemeenten. Dit team heeft ons ook nader advies gegeven vanaf welke mate van bodemverstoring een bepaalde kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten.

 

Het resultaat is nu een kaart met de bekende archeologische waarden en een aanduiding in zones van een zo realistisch mogelijke verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten.

 

1.2 Archeologische verwachtingen en waarden

Wat betreft de kaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. Archeologische verwachtingen zijn een uitdrukking van de verwachte dichtheid aan archeologische resten in de ondergrond. Deze kans wordt uitgedrukt in zeer hoge, hoge, middelhoge en lage verwachting.

 

Van archeologischewaarde wordt gesproken indien is vastgesteld dat op een terrein daadwerkelijk een archeologische vindplaats aanwezig is. Dit betreft de twee archeologische rijksmonumenten aan de Kloosterweg en de locatie van het kasteel te Geertruidenberg (zijnde AMK-terreinen; AMK: Archeologische Monumentenkaart).

 

 

1.3 De normen die bepalen of archeologisch onderzoek vereist is

Essentieel onderdeel van archeologiebeleid is een standpunt over de normen die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek eist bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang, bijv. vanwege een bouwplan. Dit vergt het aanbrengen van een maatschappelijk aanvaardbare balans tussen:

  • a

    het belang van een zorgvuldig beheer van het bodemarchief, gezien de kans op het aantreffen van archeologisch resten volgens de door deskundigen opgestelde archeologische (verwachtings)-waardenkaart en

  • b

    de (financiële) belangen van de bodemverstoorders (grondeigenaren, projectontwikkelaars en agrariërs) en van de gemeente zelf.

 

De gemeente heeft hierbij beleidsvrijheid, binnen de grenzen van de wet en van haar zorgplicht voor archeologie. De geëigende wijze om dit als gemeente te regelen is via een archeologische verwachtingswaarden-kaart en beleid daarbij en uiteindelijk via het bestemmingsplan.

  

Bij a: het belang van een zorgvuldig beheer van het bodemarchief

Ons ondergrondse culturele erfgoed en de maatschappelijke waarden ervan verdienen onze zorg. Archeologische resten zijn een belangrijke informatiebron over een groot deel van ons verleden. Voor veel perioden zelfs de enige. Door onderzoek van deze zichtbare en onzichtbare resten komen we meer te weten over hoe mensen in het verleden leefden en werkten. Het is van belang om deze archeologische resten te behouden voor het nageslacht en de wetenschap. In de gemeente Geertruidenberg zijn er gebieden met een lage tot zeer hoge kans op het aantreffen van archeologische resten. De kans is vooral hoog in de historische kern Geertruidenberg en in de oude bebouwingslinten van Raamsdonk en Raamsdonksveer. De archeologische (verwachtings)waarden in de gemeente zijn inzichtelijk gemaakt door de archeologische verwachtingswaardenkaart, die in 2017 door de regioarcheoloog is geactualiseerd op basis van de in de regio opgedane kennis en ervaring.

 

Bij b: de belangen van bodemverstoorders

De wet gaat uit van het ‘verstoorder betaalt’-principe. Wanneer behoud ter plekke (in situ) niet mogelijk is, betaalt de bodemverstoorder voor het archeologisch onderzoek en de documentatie. Door dit principe kunnen gemeenten voorwaarden stellen aan de omgang met het bodemarchief en aan de initiatiefnemers van een bodem verstorende ontwikkeling afhankelijk van de archeologische verwachting. Dit biedt de initiatiefnemer ook de mogelijkheid om de kosten voor onderzoek of behoud af te wegen binnen de volledige te volgen ruimtelijke procedure. Bij vroegtijdige opsporing kunnen de archeologische waarden soms nog ingepast worden in het plan, zodat de kosten voor een vervolgonderzoek of opgraving eventueel beperkt kunnen worden. Vanwege haar zorgplicht is het van belang dat de gemeente in haar ruimtelijk beleid hierop anticipeert middels een eigen archeologiebeleid, waardoor alle betrokkenen bij het planvormingsproces in een vroeg stadium, proactief, inzicht kunnen krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Aldus wordt de ‘veroorzaker’ niet onverwacht met kosten geconfronteerd, want de kans op het aantreffen van archeologische resten is aldus op voorhand bekend. Een archeologische vondst of waarneming kan leiden tot een vertraging of belemmering van de uitvoering van een ruimtelijk plan en daarmee tot aanzienlijke kosten leiden voor de initiatiefnemer. Denk hierbij aan een beoordeling hierover door de betrokken overheidsinstantie en een zorgvuldige omgang met archeologie.

 

De kosten van archeologisch onderzoek kunnen al snel een paar duizend euro bedragen. De kosten van archeologisch onderzoek zijn sterk afhankelijk van de grootte van het te onderzoeken gebied en het soort onderzoek dat moet worden uitgevoerd. Bij een reeks aanvullende onderzoeken op hetzelfde terrein stapelen bovendien de kosten. Tenslotte geldt dat onderzoek waarbij met graafmachines moet worden gewerkt vaak veel duurder is dan het bureau- en booronderzoek. Voor een gebied van 1000 m2 zijn de volgende kosten indicatief (ex btw). Voor informatie over de soorten onderzoek binnen het proces van archeologische monumentenzorg wordt verwezen naar hoofdstuk 2 hierna.

 

  • -

    bureauonderzoek: € 500 tot € 1.000,-

  • -

    booronderzoek: € 500 tot € 2.000,-

  • -

    bureau- en booronderzoek: € 1.500 tot € 1.800

  • -

    proefsleuvenonderzoek: € 3.000 tot € 3.500-

  • -

    proefsleuvenonderzoek en opgraving: € 5.000,- tot € 50.000,-;

  • -

    archeologisch begeleiding: € 1.500,- tot € 3.000,- per dag;

  • -

    programma van eisen of plan van aanpak voor archeologisch onderzoek: € 800 tot € 1.500

 

Een grote opgraving kan € 50.000 tot € 150.000 of meer kosten. Ook de kosten van conservering en documentatie van vondsten zijn voor de bodemverstoorder. Hiernaast zijn er voor de initiatiefnemer legeskosten voor het voor een beoordeling in relatie met archeologisch onderzoek door de gemeente inwinnen van advies bij haar externe archeologisch adviseur. De legeskosten zijn de werkelijke kosten en bedragen indicatief per beoordeling van een onderzoek € 320,- en van een programma van eisen, plan van aanpak, offerte e.d. € 160 (prijspeil 2017). De gemeentelijke aanpak in relatie met de eis van archeologisch onderzoek in een concreet geval is vaak maatwerk, waarbij ernaar gestreefd wordt om, waar dat kan, de kosten voor de initiatiefnemer zo beperkt mogelijk te houden.

 

Voor de totstandkoming van de Nota Archeologie hebben we gekozen voor een verscherpte aandacht voor, en het stellen van, realistische en duidelijke voorwaarden aan ingrepen in de bodem van de archeologisch meest waardevolle delen van het gemeentelijke grondgebied. Hierbij hebben wij met name aansluiting gezocht bij het beleid van de buurgemeenten en de kennis en ervaring benut, die de afgelopen 10 jaar in de regio is opgedaan met de omgang met archeologie.

 

Huis-, tuin- en keukenplannen bij woningen zijn meestal zo klein van oppervlakte dat hiervoor volgens de normen geen archeologisch onderzoek nodig is. Voor de historisch kern Geertruidenberg geldt 50 m2 als grens (bij zeer hoge archeologische verwachtingswaarde). Voor de rest van de woongebieden in de gemeente geldt 100 m2 als norm bij hoge archeologische verwachtingswaarde of 1000 m2 voor middelhoge verwachtingswaarde. Jaarlijks zijn er tot circa 5 bouwplannen die meer dan 100 m2 betreffen.

 

Voor de totstandkoming van het beleid hebben wij overleg gehad met de lokale ZLTO met het oog op de agrarische belangen. Het beleid is zo ingestoken dat normale agrarische activiteiten tot 50 cm onder maaiveld niet te maken krijgen met de eis van archeologisch onderzoek. Om verder tegemoet te komen aan de belangen van de agrariërs kiezen wij voor een soepelere omgang met het aanleggen van drainage en willen wij de agrariërs eenmalig de mogelijkheid aanbieden om gezamenlijk op hun eigen kosten een booronderzoek te laten uitvoeren waarmee is aan te tonen of en in welke mate hun gronden al verstoord zijn. Zie hierna. Blijkens informatie van de ZLTO komt diepploegen in principe niet voor in Geertruidenberg.

 

   

Afbeelding 3. Voor normaal agrarisch gebruik tot 50 cm diep is geen archeologisch onderzoek nodig.

  

Een vergelijking met het eerder gevoerde beleid

Ter vergelijking met het sinds 2009 door ons gevoerde beleid het volgende. Zie ook bijlage 8.

Behalve voor de historische kern Geertruidenberg, leidde het beleid tot nog toe alleen tot de eis van archeologisch onderzoek bij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen en bij afwijkingen van het bestemmingsplan en niet bij conserverende bestemmingsplannen. Het nieuwe beleid is gericht op juridische borging ervan via het bestemmingsplan.

 

De eerdere normen voor een zeer hoge archeologisch verwachtingswaarde, in de historische kern Geertruidenberg, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan daarvoor, handhaven wij. Het eerdere uitgangspunt om bij een lage verwachtingswaarde geen archeologisch onderzoek te eisen handhaven wij, met dien verstande dat wij voortaan wel onderzoek willen eisen bij een milieu- effectrapportageplicht of bij een ruimtelijk project van groter dan 5 hectare. Bij projecten van die omvang is archeologisch onderzoek op zijn plaats gezien de kans op archeologische resten.

Dieptemaat hierbij is 50 cm of dieper.

Wat betreft hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarden hanteerden wij overwegend ruimere oppervlaktematen dan de 100 m2 die archeologisch bureau Baac hiervoor adviseerde. Wat betreft gebieden met een hoge verwachtingswaarde handhaven wij de norm van archeologisch onderzoek die gold op locaties waar al in 1832 bebouwing aanwezig was. Voor het overige gebied van de hoge verwachtingswaarde maken wij geen onderscheid meer tussen ligging binnen of buiten de bebouwde kom, omdat dit onderscheid niet gefundeerd is op het archeologische belang. Voor dit gebied hanteren we voortaan grenzen die meer aansluiten op die van buurgemeenten, namelijk een vrijgestelde oppervlaktemaat van 100 m2 en een vrijgestelde dieptemaat van 50 cm. Het eerdere beleid ging uit van 250 m2 in de bebouwde kom en 1000 m2 daarbuiten en van een dieptemaat van 40 cm.

Wat betreft gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde maken wij net zoals bij de hoge verwachtingswaarde geen onderscheid meer tussen ligging binnen of  buiten de bebouwde kom. Voor heel dit gebied hanteren we grenzen die aansluiten op die van buurgemeenten en opgedane kennis en ervaring in de regio, namelijk een vrijgestelde oppervlaktemaat van 1000 m2. Het eerdere beleid ging uit van 1000 m2 in de bebouwde kom en 2000 m2 daarbuiten. De dieptemaat van 60 cm wordt in aansluiting op regionaal beleid aangepast naar 50 cm. Zie hierna voor meer uitleg over de nieuwe normen die bepalen of archeologisch nodig is.

 

Een toelichting op de aanpassing van de archeologische kaarten

De archeologische verwachtingswaardenkaart en de archeolandschappelijke eenhedenkaart zijn in 2016 door bureau Baac geactualiseerd met recente gegevens van lokale archeologische onderzoeken en vondsten. In 2017 zijn deze kaarten verder geactualiseerd en aangepast op basis van advies van de archeologen van de regio West-Brabant en na advies van de archeoloog van het Monumentenhuis. Hieronder volgt een toelichting op deze aanpassingen ten opzichte van de eerder door Baac opgestelde kaarten. De aanpassingen sluiten aan op beleid van gemeenten in de regio.

 

Wat betreft de oeverkanten bij het Oude Maasje (oranje op de archeolandschappelijke eenhedenkaart): de zone in het uiterste noordoostelijke deel van de gemeente (Overdiepse polder) kent een bewoningszone rondom het Oude Maasje. Het Oude Maasje is een gantel en vormde geen oeverwallen. De oeverzone zag er derhalve voor de steentijd maar zeker ook in de middeleeuwen totaal anders uit. Het gebied rondom het “Oude Maasje” is onderdeel geweest van de eerste ontginningen in de middeleeuwen. Later is het gebied zwaar getroffen door de stormvloeden van de vijftiende eeuw. De nieuwste modellen verwachten dat juist rondom de bestaande waterlopen en oude gantels de resten van deze vroegste bewoning kunnen worden aangetroffen. Onderzoek van Leenders heeft aangetoond dat de loop van de laatmiddeleeuwse Maas meer noordelijk lag dan hetgeen als “Het oude Maasje” staat bij Berendsen &Stouthamer. Het gaat hier om de veenzijde, waarvoor het model van De Bont e.a. 2009 relevant is, waarvan door Koopmanschap in 2015 een archeologische vertaling volgde.

 

Aanpassing: De kans op archeologische resten is aangepast van laag naar middelhoog op de archeologische verwachtingswaardenkaart. De aanduiding van aanwezige bodemverstoringen blijft van toepassing. De aanduidingen “vlakte van getijafzettingen” en “doorbraakkreek” aldaar zijn op de archeolandschappelijke eenhedenkaart aangepast in “oeverkanten”.

   

Wat betreft de binnenbocht van de Donge en de zone ten zuiden van de AMK-terreinen (voormalige Kartuizerklooster) (aanduiding “middeleeuws cultuurlandschap” op de archeolandschappelijke eenhedenkaart): verschillende prenten en geschreven historische bronnen laten de bijbehorende landerijen in en om het gebied zien. Dit betekent dat het hele landschap was ingericht en dat hier materiële resten hiervan kunnen worden verwacht. Dit gebied is aan te merken als een middeleeuws cultuurlandschap.

Aanpassing: De kans op archeologische resten is aangepast van laag naar middelhoog op de archeologische verwachtingswaardenkaart. De archeolandschappelijke eenhedenkaart is aangepast met een aanduiding “middeleeuws cultuurlandschap”.

   

Wat betreft de doorbraakkreek vanaf het Oude Maasje (lichtgroen op de archeolandschappelijke eenhedenkaart): Het gaat om een gantel bovenop een Dryasterras. De kans op archeologische resten is gelijkwaardig te achten aan die in het gebied van het Dryasterras.

Aanpassing: De kans op archeologische resten is aangepast van laag naar middelhoog op de archeologische verwachtingswaardenkaart.

 

Wat betreft een klein, zuidelijk deel van de ten westen van de woonkern Geertruidenberg gelegen dekzandrug (lichtgeel op de archeolandschappelijke eenhedenkaart): Gezien het verloop van de dekzandrug op de Alterra geomorfologische kaart en het AHN-kaartbeeld moet ervan uitgegaan worden dat hier geen sprake is van een dekzandrug, maar van een dekzandvlakte.

Aanpassing: De kans op archeologische resten is aangepast van hoog naar laag op de archeologische verwachtingswaardenkaart. De aanduiding “dekzandrug” op de archeolandschappelijke eenhedenkaart is aangepast in “dekzandvlakte”.

 

Wat betreft kleine dekzandvlakten in Raamsdonk en Raamsdonksveer die zijn ingesloten tussen dekzandruggen (lichtgeel op de archeolandschappelijke eenhedenkaart): Deze kleine dekzandvlaktes of depressies óp een dekzandrug waren even aantrekkelijk voor menselijk gebruik als de dekzandruggen.

Aanpassing: De kans op archeologische resten is aangepast van laag naar hoog op de archeologische verwachtingswaardenkaart.

   

Wat betreft de (restanten van) vestingwerken in het westelijke deel van de gemeente (paars op de archeolandschappelijke eenhedenkaart): De kans op archeologische resten is gelijkwaardig aan die ter plaatse waar al in 1832 bebouwing aanwezig was.

Aanpassing: De kans op archeologische resten is aangepast van hoog naar hoog met lijnaanduiding op de archeologische verwachtingswaardenkaart, zodat in dit gebied en in een zone van 10 meter daaromheen archeologisch onderzoek nodig is bij bodemverstoringen die dieper gaan dan 40 cm en dat voor meer dan 100 m2.

 

De aanduiding “oeverwallen” op de archeolandschappelijke eenhedenkaart is aangepast in “oeverkanten” (oranje kleur), omdat er geen sprake is geweest van vorming van oeverwallen. De Donge is een veenrivier, hier is geen sprake van de vorming van oeverwallen. Wel is er een verwachting op gebruiksresten behorende tot het agrarisch cultuurlandschap, de turfwinning en het agrarisch hergebruik van de voormalige veengronden.

  

1.4 De normen per archeologische (verwachtings)waarde

De Monumentenwet (artikel 41a) gaat uit van een algemeen ontheffingscriterium van 100 m2, ongeachte de diepte van de ingreep (dus vanaf maaiveld), tenzij de gemeenteraad daar op archeologisch-inhoudelijke gronden anders over beslist. Deze mogelijkheid tot bijstelling van de 100 m2-grens biedt voor gemeenten de mogelijkheid om de beleidsmatige omgang met het bodemarchief in te vullen afhankelijk van de plaatselijke situatie. Voorwaarde is dat het selectie- en ontheffingsbeleid inhoudelijk onderbouwd is en bestuurlijk is vastgesteld.

 

In het volgende overzicht van ontheffingscriteria en normen per (verwachtings)waarde volgens de archeologische (verwachtings)waardenkaart is aangeduid in welke zin zo’n bijstelling sprake is en op basis van welke argumenten. In het algemeen hierover het volgende. De hierna genoemde criteria die dieptematen betreffen zijn gebaseerd op adviezen van de archeologische deskundigen. De criteria die oppervlaktematen betreffen zijn het resultaat van de voormelde afweging tussen de adviezen vanuit archeologisch belang door de archeologische deskundigen en de (financiële) belangen van bodemverstoorders om zo min mogelijk belast te worden met de eis van archeologisch onderzoek. Hierbij is het beleid van buurgemeenten betrokken. Ook heeft in verband hiermee afstemming plaats gevonden met de lokale ZLTO. De ZLTO heeft aangegeven dat de lokale agrariërs niet diepploegen en dat zij hun land in het algemeen niet dieper bewerken dat tot 50 cm onder maaiveld, zodat het archeologiebeleid het normale agrarische gebruik van de bodem niet hindert. Er is vanwege archeologie ook geen omgevingsvergunning noodzakelijk voor dergelijke normale agrarische activiteiten. In bepaalde gevallen kan het zijn dat agrariërs hun grond dieper verstoren, zodat dan archeologisch onderzoek nodig is. Wij willen ten behoeve van de agrarische belangen wel een eenmalige uitzondering maken voor het toepassen van drainage die dieper gaat dan 50 cm; zie de paragraaf hierna.

 

De combinatie van de oppervlakte en diepteondergrenzen bepalen dus bij welke oppervlakte en diepte archeologisch onderzoek nodig is. Welk type onderzoek nu het beste past bij de bodemingreep en de verwachte archeologische resten moet per situatie bekeken worden. Dit vergt per situatie maatwerk van het bevoegd gezag op advies van de door haar aangestelde deskundige, thans de archeoloog van het Monumentenhuis Brabant.

 

Per zone van een (verwachtings)waarde volgens de archeologische (verwachtings)waardenkaart zijn de normen aangeduid die bepalen vanaf welke mate van bodemverstoring (combinatie van diepte en oppervlakte) als uitgangspunt archeologisch onderzoek door de gemeente wordt vereist (mits hiervoor een juridische basis aanwezig is). Kaart en normen vormen ons beleid op dit punt.

 

1. Archeologisch waardevolle gebieden: wettelijk beschermde monumenten (rode kleur met grijze arcering op de archeologische (verwachtings)waardenkaart)

Dit betreft de twee archeologische rijksmonumenten (Kartuizerklooster) aan de Kloosterweg te Raamsdonksveer. Deze zijn al afdoende beschermd vanwege het vergunningsvereiste voor wijzigingen e.d. op grond van de Monumentenwet. Deze monumenten worden wel als signaalfunctie aangeduid op de verbeelding van het bestemmingsplan.

 

2. Archeologisch waardevolle gebieden: terrein van hoge archeologische waarde (oranje kleur)

Dit betreft de locatie van het ondergrondse kasteel nabij het Wilhelminaplein te Geertruidenberg. Dit terrein is aangeduid op de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Het betreft een archeologisch terrein waarvan de feitelijke aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten is vastgesteld. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is ‘duurzaam behoud’ i.c. instandhouding. De bescherming van deze archeologische waarden is geregeld via het bestemmingsplan (Kom Geertruidenberg 2012).

 

De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing:

  • -

    oppervlakte plangebied tot 50 m2;

  • -

    diepte bodemingreep tot 30 cm onder maaiveld.

Algemene norm: bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm en dat voor meer dan 50 m2 is als uitgangspunt archeologisch onderzoek nodig.

 

3. Archeologische verwachtingszone: zeer hoog (donkerrode kleur)

Dit betreft de historische kern Geertruidenberg en haar vestingwerken. Deze gebieden waren in het verleden geschikte locaties voor bewoning. De verwachte archeologische resten kennen een hoge dichtheid en bovendien liggen de resten ondiep onder of aan het maaiveld. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden. De bescherming van deze archeologische waarden is geregeld via het bestemmingsplan (Kom Geertruidenberg 2012, Dongeburgh en Gasthuiswaard).

 

De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing:

  • -

    oppervlakte plangebied tot 50 m2;

  • -

    diepte bodemingreep tot 30 cm onder maaiveld.

Algemene norm: bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm en dat voor meer dan 50 m2 is als uitgangspunt archeologisch onderzoek nodig.

 

3. Archeologische verwachtingszone: Hoog (roze kleur)

Deze gebieden waren in het verleden geschikte locaties voor bewoning. Het gaat hierbij om de hoger gelegen delen in het landschap. Uit een historische kaart uit 1832 blijkt tevens op welke locaties al in dat jaar sprake was van bebouwing in deze zone; dit betreft de historische linten van Raamsdonk en Raamsdonksveer.

 

De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

 

Binnen deze zone wordt het volgende onderscheid gemaakt:

  • a.

    De op de kaart aangeduide locaties waar al in 1832 sprake was van bebouwing en een zone van 10 meter daar omheen en de locaties van vestingwerken ten westen en zuidwesten van de woonkern Geertruidenberg en een zone van 10 meter daar omheen;

  • b.

    De zone met een hoge archeologisch verwachtingswaarde buiten de onder a. genoemde locaties.

 

Bij a:

Voor de locaties onder a. zijn de volgende ontheffingscriteria van toepassing:

  • -

    oppervlakte plangebied tot 100 m2;

  • -

    diepte bodemingreep tot 40 cm onder maaiveld.

Algemene norm: bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm en dat voor meer dan 100 m2 is als uitgangspunt archeologisch onderzoek nodig.

 

Bij b:

Voor de locaties onder b. zijn de volgende ontheffingscriteria van toepassing:

  • -

    oppervlakte plangebied tot 100 m2;

  • -

    diepte bodemingreep tot 50 cm onder maaiveld.

Algemene norm: bij bodemverstoringen dieper dan 50 cm en dat voor meer dan 100 m2 is als uitgangspunt archeologisch onderzoek nodig.

 

4. Archeologische verwachtingszone: Middelhoog (oranjegele kleur)

De gebieden met een middelhoge archeologische verwachting waren in het verleden minder geschikt voor bewoning of zijn in de loop van de tijd minder geschikt geraakt als gevolg van bijvoorbeeld veengroei. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

 

De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing:

  • -

    oppervlakte plangebied tot 1000 m2;

  • -

    diepte bodemingreep tot 50 cm onder maaiveld.

Algemene norm: bij bodemverstoringen dieper dan 50 cm en dat voor meer dan 1000 m2 is als uitgangspunt archeologisch onderzoek nodig.

 

5. Archeologische verwachtingszone: Laag (lichtgele kleur)

Deze gebieden waren in het verleden minder aantrekkelijk voor bewoning. Vaak waren ze relatief vochtig of lagen ze relatief laag in het landschap. Toch werden deze gebieden incidenteel wel gebruikt. Bij een bodemverstoring van dieper dan 50 cm bestaat er een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten.

 

De beleidsdoelstelling voor deze categorie is alleen archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden, wanneer er een MER-plicht geldt of bij ruimtelijke projecten die groter zijn dan 50.000 m2 (5 hectare). Deze omgang sluit aan op die van buurgemeenten, mede gezien van het (financiële) belang van bodemverstoorders.

De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing:

  • -

    in principe vrij geven, alleen onderzoek bij milieueffectrapportage (MER)-plicht en ruimtelijke projecten groter dan 50.000 m2 (5 hectare).

  • -

    diepte bodemingreep tot 50 cm onder maaiveld.

Algemene norm: bij bodemverstoringen dieper dan 50 cm, waarbij sprake is van onderzoek bij MER-plicht en/of  waarbij sprake is van ruimtelijke projecten groter dan 50.000 m2 (5 hectare)en is als uitgangspunt archeologisch onderzoek nodig.

 

Als bij meerdere aanvragen de afzonderlijke delen in een plangebied duidelijk bij elkaar horen, dan zullen deze delen als één geheel worden beschouwd in relatie met de voormelde normen.

 

1.5 Verstoringen: ophogingen, afgravingen en ontgrondingen

Op de archeologische verwachtingswaardenkaart zijn met arceringen gebieden aangeduid die zijn opgehoogd en gebieden die zijn afgegraven/ontgrond. Voor de ophogingen wordt uitgegaan van een ophoging van 1 meter, tenzij hieronder anders is vermeld. Voor deze gebieden geldt de norm omtrent het eisen van archeologisch onderzoek in de desbetreffende verwachtingszone, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de bestaande verstoring en in welke mate een nieuwe bodemverstoring de archeologische lagen betreft.

 

Het noorden van de woonkern Geertruidenberg is voor de woningbouwontwikkeling aldaar (bestemmingsplan Noord, jaren 70) opgehoogd met circa 0,5 meter. Rond 1950 is de haven van Geertruidenberg gedempt (nu straat Haven). Een deel van de Veste in Geertruidenberg, direct ten zuiden van de Stadsweg is gedempt. Het voormalige Ashland-Südchemie terrein aan de Statenlaan is een aantal jaren geleden tot ongeveer 5 meter diepte gesaneerd.

 

1.6 Drainage

Een activiteit die wel door agrariërs in de gemeente wordt uitgevoerd die dieper gaat dan 50 cm is de aanleg van drainage. Deze activiteit van dieper dan 50 cm valt niet onder normaal agrarisch gebruik. Wat dit betreft stellen we het agrarisch belang bij drainage hoger dan het archeologisch belang in de volgende zin. Met de ZLTO spreken we af om de aanleg van nieuwe drainage door agrariërs eenmalig toe te staan zonder archeologisch onderzoek, mits vervanging van de buizen in de toekomst daarna op dezelfde plaats gebeurt waardoor geen nieuwe bodemverstoringen ontstaat. Het drainageplan dient wel van te voren met de gemeente afgestemd te worden. Op deze wijze wordt het archeologisch erfgoed minimaal geschaad en wordt de agrariër niet in de bedrijfsvoering gehinderd. Deze uitzondering geldt niet voor de archeologische rijksmonumenten. Diverse gemeenten in de regio hebben ook zo’n uitzondering gemaakt voor drainage.

  

1.7 Eenmalige mogelijkheid voor agrariërs voor gezamenlijk booronderzoek

Na vaststelling van de Nota Archeologie wordt door ons eenmalig in 2017/2018 via de lokale ZLTO aan de lokale agrariërs de mogelijkheid geboden dat zij gezamenlijk en op hun eigen kosten de verstoringsdiepte aantonen buiten de normen van de archeologische beroepsgroep, de Kwaliteitsnorm Nederlands Archeologie (hierna: KNA). Dit aantonen gebeurt dan via grondboringen op de agrarische percelen door een gecertificeerd archeologisch bureau. Het gaat dan om de gronden waarop sprake is van agrarische landbewerking. Het onderzoek geldt niet voor de bouwblokken of gronden waarop bestemmingsplanmatig gebouwd kan worden, omdat die onder de gewone ruimtelijke procedures vallen, net zoals dat geldt voor particulieren en ontwikkelaars, waarvoor een volwaardig archeologisch onderzoek volgens de KNA nodig is .

 

Het archeologiebeleid is niet bedoeld om land bewerkende boeren in de weg te zitten bij normaal agrarisch gebruik. Wil men toch diepploegen of andere dieper gaande bodembewerkingen toepassen, dan biedt dit onderzoek uitkomst voor een relatief voordelige prijs.

 

Voorafgaand aan dit onderzoek dient een plan van aanpak opgesteld te worden en door ons te worden goedgekeurd.

 

De resultaten van die boringen zullen dan door ons aanvaard worden als voldoende informatie voor de conclusie of de bodem van een perceel wel of niet al verstoord is in een bepaalde mate. Er is geen verder archeologisch onderzoek nodig in gronden als die aldus aantoonbaar verstoord zijn. De bovenliggende verwachtingswaarde blijft dan gehandhaafd vanaf het niveau tot waar de bodem is verstoord.

 

Het resultaat van het onderzoek is een document per perceel met de aangetroffen diepte van de bodemverstoring en een overzicht van de boorstaten. Het document wordt verstrekt aan de eigenaar van het perceel ter bewijs en aan de gemeente. Het document wordt naast de gemeentelijke beleidskaart gehanteerd en bij een update van de kaart wordt hier rekening mee gehouden.

 

Het onderzoek kan alleen zo voordelig als het gezamenlijk door een groep agrariërs wordt aangevraagd, zodat alle boringen achter elkaar kunnen worden gezet in een of enkele dagen. De kosten voor de agrariërs bedragen de som van zowel gezamenlijke als individuele kosten (prijswijzigingen voorbehouden):

  • -

    Gezamenlijke kosten : er komt één gezamenlijk briefrapport met per perceel een onderbouwde uitspraak over de bodemopbouw/verstoringsdiepte i.r.t. de diepte van de te verwachten laag die voor archeologie relevant is. Kosten €750,- die verdeeld wordt onder de deelnemers (dus bij 10 deelnemers slechts €75,-)

  • 1.

    Individuele kosten : we gaan uit van 3 boringen per hectare, maar minimaal 4 per perceel en daarover gelijkmatig verspreid. De archeoloog kiest de locatie van de boringen op het perceel. Per boring gaan we uit van €25,-. Dus als iemand twee percelen heeft waarvan er één 1 hectare is en één van 3 hectare, dan zijn er nodig: 4 boringen voor het eerste perceel en 9 voor het andere = 13 boringen a €25,- = € 325,-

 

Andere gemeenten, zoals Drimmelen, hebben de afgelopen jaren eenzelfde aanbod gedaan aan hun agrariërs. In die gemeenten hadden de agrariërs uiteindelijk geen interesse.

 

1.8 Eigen verantwoordelijkheid van de bodemverstoorder

Het archeologiebeleid geeft naast bovenvermelde normen (uiteindelijk in bestemmingsplan) ook informatie over de kans op het aantreffen van archeologische resten. Daar waar de gemeente geen archeologisch onderzoek vereist, wordt het aan de verantwoordelijkheid van de bodemverstoorder over gelaten om, mede gezien deze informatie, al dan niet over te gaan tot archeologisch onderzoek.  Bij het niet uitvoeren van archeologisch onderzoek zijn de risico’s en eventuele nadelige gevolgen daarvan, onder andere voor het geval er toch archeologie wordt aangetroffen tijdens de bodemverstoringen, voor rekening van de bodemverstoorder.

 

Hoofdstuk 2: Het proces van de Archeologische Monumentenzorg

 

2.1 Algemeen

Het uitgangspunt van de Archeologisch Monumentenzorg (hierna: AMZ) is om archeologisch erfgoed in situ te bewaren. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied gepland zijn, die mogelijk bedreigend zijn voor archeologische resten, is een archeologisch vooronderzoek nodig om nader inzicht te krijgen in de eventueel aanwezige of te verwachten archeologische resten. Dit archeologisch onderzoek moet voldoen aan de KNA en worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bureau. Verder zijn hiervoor van belang: de Beoordelingsrichtlijn archeologie (van SIKB) en de aanvullende eisen van de provincie.

 

Het werkproces van de AMZ is erop gericht om stapsgewijs een steeds nauwkeuriger inzicht te geven in de eventuele aanwezigheid en aard van archeologische resten in een gebied. Elke stap eindigt met een afweging of voldoende informatie is verzameld om als gemeente (college van B&W) een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties, waaronder het nemen van een selectiebesluit over bescherming in of ex situ. Deze beslissing wordt voorbereid door de beleidsmedewerker monumentenzorg. Waar nodig wint de gemeente hiervoor advies in bij een archeoloog. In de praktijk is dat al jaren de archeoloog van het Monumentenhuis Brabant.

 

Het is van belang dat bij ruimtelijke plannen tijdig, in een vroeg stadium van de planvorming, rekening wordt gehouden met archeologie en dat het AMZ-proces dus tijdig wordt gestart. Voor de bescherming van archeologie en zodat een plan nog hierop kan worden aangepast.

 

Voor het bepalen of in een concreet geval archeologisch onderzoek nodig is en zo ja in welke zin, is vaak maatwerk nodig. De bodemverstoorder dient in het kader van zijn of haar te voeren ruimtelijke procedure voldoende gegevens bij de gemeente in te dienen over de locatie en inhoud van het initiatief en over de diepte en oppervlakte van de bodemverstoring die met het initiatief gepaard gaat. Na ontvangst van deze gegevens beslist de gemeente of een onderzoeksverplichting is. Wanneer een bodemingreep onderzoeksplichtig is, bepaalt de gemeente welke onderzoeksstrategie gevolgd moet worden.

 

In zijn algemeenheid geldt dat onderzoek niet nodig is als afdoende kan worden aangetoond dat:

  • -

    in het gebied al in ‘relevante mate’ verstoring plaats heeft gevonden die aantoonbaar dieper reikt dan de verwachte archeologische sporen- en vondstlaag. Wanneer er volgens de initiatiefnemer sprake is van een verstoord bodemprofiel (ontgravingen, diepploegen, diep funderen etc.) van betreffend plangebied, dan dient dit middels verkennend booronderzoek conform de vigerende KNA of op andere wijze overtuigend aangetoond te worden;

  • -

    de bodem verstorende handelingen in het gebied op een zodanige plek plaatsvinden respectievelijk van dien aard zijn dat geen verstoring van de verwachte archeologische resten plaatsvindt, hetzij doordat archeologie in het plan wordt opgenomen, hetzij doordat kan worden aangetoond dat de ingrepen niet verstorend zullen zijn. Omdat het uitgangspunt van de archeologische monumentenzorg behoud in situ is, is archeologievriendelijk bouwen een oplossing. Het staat initiatiefnemers daarom vrij om aan te tonen dat het bouwplan de onderliggende verwachte archeologische waarden niet verstoort en daarmee archeologie vriendelijk is.

 

2.2 Toelichting op de stappen van het AMZ-proces

Er zijn verschillende typen archeologisch onderzoek. Het gebruikelijke AMZ-proces ziet er schematisch uit zoals hieronder is weergegeven. De gemeente Geertruidenberg kan voor maatwerk in overleg met haar archeologische adviseur en de initiatiefnemer een andere route nemen die is afgestemd op de waarden of verwachtingen die gelden voor de initiatieflocatie.

 

Afbeelding 4. Schematische weergave van het AMZ-proces.

 

Het bureauonderzoek (stap 1)

Als eerste stap in het AMZ-proces (figuur 1) dient een bureauonderzoek te worden uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiermee wordt inzicht verkregen in welke archeologische resten waar verwacht worden en reeds bekend zijn en waar deze mogelijk door geplande bodemingrepen bedreigd worden.

 

I nventariserend veldonderzoek (stap 2)

Als de resultaten van het bureauonderzoek hier aanleiding toe geven dient vervolgens een inventariserend veldonderzoek (hierna: IVO) plaats te vinden. Het resultaat van een IVO is een rapport met een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan gefundeerd een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) genomen kan worden.

 

Verkennend of karterend booronderzoek

Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting. Dit gebeurt door waarnemingen in het veld, waarbij informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische resten. Meestal wordt eerst een verkennend of karterend booronderzoek uitgevoerd, soms aangevuld met of vervangen door een oppervlaktekartering. Een verkennend booronderzoek is extensief van aard en heeft vooral tot doel inzicht te geven in de landschappelijke opbouw van een gebied en een inschatting te geven of de bodem intact genoeg is om archeologische resten te kunnen bevatten. Het onderzoek heeft niet tot doel archeologische resten op te sporen.

 

Dit laatste is wel het geval bij karterend onderzoek (karterend booronderzoek of oppervlaktekartering). Bij karterend onderzoek wordt getracht een eerste inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten. Als geen archeologische resten (vindplaatsen) worden aangetroffen, of blijkt dat de archeologische resten niet door geplande ingrepen verstoord worden, gelden geen verdere restricties met betrekking tot de verdere planuitvoering. De ervaring leert dat booronderzoeken op zandgronden een zeer beperkte informatiewaarde hebben.

 

Waarderend vervolgonderzoek

Als in een onderzocht gebied archeologische resten worden vastgesteld, of er een gerede verwachting voor bestaat, dienen de omvang en gaafheid hiervan te worden vastgesteld aan de hand van een waarderend vervolgonderzoek. Ook deze waarderende fase is onderdeel van het IVO. Meestal gebeurt dit in de vorm van zogenaamd proefsleuvenonderzoek dat de mogelijkheid biedt om nauwkeuriger gegevens met betrekking tot aspecten als omvang, kwaliteit en kwantiteit van de archeologische sporen te verkrijgen. Door middel van één of enkele proefsleuven worden de archeologische sporen blootgelegd en opgetekend. Proefsleuven zijn dan ook opgravingen in het klein, waarvoor min of meer dezelfde eisen gelden die aan een opgraving worden gesteld. Het onderzoek is vrij arbeidsintensief en vindt bij voorkeur ruim voor de ruimtelijke planuitvoering plaats.

 

Selectiebesluit (stappen 4 en 6)

Naar aanleiding van een ingediend archeologisch rapport (stap 3) neemt de gemeente een besluit over het aspect archeologie. De term selectiebesluit is geen wettelijke term, maar een term uit de KNA. Volgens de KNA is het een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid tot het al dan niet behouden van eventueel aanwezige archeologische waarden. Zo’n besluit heeft alleen juridische betekenis, wanneer het is genomen op grond van een bestaande wettelijke bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om aan een vergunning voorschriften te verbinden en is daarmee in eerste instantie een bevoegdheid van het college van B&W.

 

De resultaten van het waarderend vervolgonderzoek geven uitsluitsel over de behoudenswaardigheid van de archeologische resten, op basis waarvan door de gemeente, na advies van haar archeologische deskundige, een selectiebesluit kan worden genomen. Hierbij bestaan verschillende mogelijkheden:

  • 1.

    De vindplaats is niet behoudenswaardig, zodat de locatie kan worden vrijgegeven en er qua archeologie geen verdere restricties zijn voor de planvorming.

  • 2.

    De vindplaats is behoudenswaardig:

  • a.

    De vindplaats kan in situ behouden worden (bescherming) door planaanpassing of -inpassing.

  • b.

    Behoud in situ van de vindplaats is niet reëel. In dit geval dient de vindplaats ex situ behouden te worden (stap 5); dit betekent dat er een volwaardige opgraving conform de KNA moet plaatsvinden. In uitzonderingsgevallen kan de gemeente ook kiezen voor archeologische begeleiding van de inrichtingswerkzaamheden. Een begeleiding dient aan dezelfde voorwaarden te voldoen als een archeologische opgraving of een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven conform de KNA.

 

De gemeente voert als uitgangspunt geen archeologisch onderzoek in eigen beheer uit en richt geen archeologisch depot in, maar verlangt van uitvoerders van archeologisch onderzoek dat zij vondsten en documentatie van uitgevoerde onderzoeken doen toekomen aan het provinciale Depot voor Bodemvondsten te ’s-Hertogenbosch, conform de eisen van het depot en van de KNA.

 

Programma van Eisen en Plan van Aanpak

Archeologisch booronderzoek dient plaats te vinden op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Zowel voorafgaand aan een waarderend onderzoek als aan een definitieve opgraving en een archeologische begeleiding moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld.

 

2.3 De inzet van amateur-archeologen

Archeologische verenigingen hebben de mogelijkheid om zelfstandig opgravingen te verrichten op locaties waar geen professioneel archeologisch onderzoek gedaan hoeft te worden. Devrijstelling van het opgravingsverbod (in de Erfgoedwet) is alleen van toepassing wanneer een gemeente voor het gebied heeft besloten dat daar geen nader archeologisch onderzoek is vereist. Meestal zal dat een besluit op een omgevingsvergunning zijn. Ook is overeenstemming met de eigenaar van het terrein noodzakelijk. Het feit dat het gebied een lage verwachtingswaarde heeft in het bestemmingsplan of omgevingsplan is hiervoor niet voldoende. De vrijstelling geldt niet als de vindplaats een provinciaal monument of een rijksmonument is, ook als deze nog slechts eenvoorbeschermde status heeft. Bij een gemeentelijk monument kan de gemeente zelf afwegen of dit verstoord mag worden en of het daarbij dan professioneel onderzocht moet worden.

 

Archeologie is een gezamenlijke inspanning. Daarom wordt de uitzondering gemaakt voor verenigingen van vrijwilligers en niet voorindividuele archeologen. Archeologische verenigingen beschikken bovendien over handboeken voor het doen van onderzoek en over gedragscodes die bevorderen dat de aangesloten leden goed met het bodemarchief omgaan. Hierdoor is de basiskwaliteit geborgd. Als voorwaarde is in de Erfgoedwet gesteld dat verenigingen het behouden en beoefenen van archeologie als statutair doel hebben. Verenigingen moeten de start van een opgraving via de website Archis melden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de vondsten overdragen aan het archeologische depot van de provincie of de gemeente en bij de Rijksdienst rapporteren over hun bevindingen. Belangrijk is dat onderzoek door vrijwilligers geen alternatief mag zijn voor professioneel onderzoek, bijvoorbeeld uit kostenoverwegingen. Vrijwilligers mogen daarom geen onderzoeken uitvoeren in opdracht van derden.

 

Het is wel toegestaan om een archeologisch bedrijf te helpen bij een opgraving. De amateurarcheologen van de Archeologische Werkgroep van de Oudheidkundige kring Geertruydenberghe kunnen in bepaalde gevallen ondersteunende archeologische werkzaamheden tegen lagere kosten uitvoeren als archeologisch onderzoek nodig is. Het betreft ondersteuning bij een onderzoek door een erkend archeologisch bureau. In programma ‘s van eisen voor archeologisch onderzoek wordt al jaren standaard aan het archeologisch bureau gevraagd om de mogelijkheid na te gaan van de inzet van deze amateurarcheologen bij het onderzoek. Het is hierbij van belang dat deze amateurs verzekerd zijn door hun eigen organisatie.

 

2.4 Meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming

Wanneer buiten een archeologisch onderzoek, archeologische resten (vondsten en/of sporen) worden aangetroffen, dient dit onmiddellijk bij het Rijk gemeld dient te worden (par 5.4 Erfgoedwet). In de provincie Noord-Brabant kan deze melding ook gedaan worden bij het Provinciaal Meldpunt Bodemvondsten. Ook dient de gemeente hiervan onmiddellijk op de hoogte te worden gesteld, via de beleidsmedewerker monumentenzorg. Na de melding dient de gelegenheid te worden geboden de archeologische resten in het veld te onderzoeken en te documenteren.

 

Hoofdstuk 3: Verankering van het archeologiebeleid in de organisatie

 

3.1 Rekening houden met archeologie bij ruimtelijke plannen

Door de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in 2007 diverse wetten gewijzigd voor een betere omgang met archeologie (zie ook hoofdstuk 2 van de Nota Archeologie).

 

Een belangrijke uitwerking hiervan voor de processen van ruimtelijke ordening en vergunningverlening betreft de volgende regels:

  • -

    De gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Dit geldt ook bij een projectbesluit tot afwijking van het bestemmingsplan (art. 38a Monumentenwet; art. 3.1.6. lid 5 Besluit ruimtelijke ordening; art. 5.20 Besluit omgevingsrecht);

  • -

    Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een aanlegvergunning worden verplicht (art 39 lid 1 Monumentenwet);

  • -

    Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie worden bepaald dat een aanvrager om een omgevingsvergunning voor bouwen, aanleggen of afwijken van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport moet overleggen (art. 39 lid 2 en 40 Monumentenwet);

  • -

    In het belang van de archeologie kan worden bepaald dat een aanvrager om een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan en voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een archeologisch onderzoeksrapport moet overleggen (art. 41 Monumentenwet);

  • -

    Aan een omgevingsvergunning voor bouwen (indien in het bestemmingsplan bepaald), aanleggen, afwijken van het bestemmingsplan of slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologie voorschriften worden verbonden art. 5.2 Besluit omgevingsrecht).

 

Als opsteller van het bestemmingsplan en als vergunningverlener is de gemeente verantwoordelijk voor de omgang met archeologie. Zoals blijkt uit de “kan”-bepalingen hierboven bevat de wet geen inhoudelijke norm voor de omgang met archeologie. De gemeente kan wat dat betreft zelf beleid opstellen binnen de grenzen van de gemeentelijke zorgplicht voor archeologisch erfgoed en mits goed onderbouwd en gemotiveerd. In hoofdstuk 1 zijn de normen vermeld die bepalen wanneer archeologisch onderzoek vereist is.

 

Het archeologiebeleid dient te worden betrokken bij plan-MER’s, besluit-MER’s, gemeentelijke structuurvisies, bestemmingsplannen (inclusief uitwerkingen, wijzigingen en ontheffingen), beheersverordeningen, afwijkingsbesluiten, projectbesluiten, ontgrondingen en omgevingsvergunningen. De implementatie en effectuering van het gemeentelijk archeologiebeleid in het ruimtelijk beleid geschiedt via deze planvormen en vergunningen.

 

Het genoemde artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening is uitvloeisel van de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo sinds 2009) en beoogt een verandering in de manier van de denken: cultureel erfgoed als belangrijke factor en kans in ruimtelijke ontwikkelingen (beleefbaar maken van cultuurhistorie). Dit en het hierover vermelde in de Erfgoednota geldt ook voor archeologisch erfgoed.

 

Het is van groot belang dat de aanwezige en te verwachten archeologische resten reeds in een zo vroeg mogelijke fase worden meegewogen bij de diverse RO-trajecten. Hierdoor kunnen archeologische resten reeds vroegtijdig worden ontzien, ingepast en/of nader onderzocht. Mogelijk kunnen deze resten zelfs gebruikt worden als inspiratiebron ten aanzien van de nieuwe ontwikkelingen.

 

Het qua archeologie meest gevoelige gebied, namelijk de historische kern Geertruidenberg, is al jaren beschermd via het bestemmingsplan. Voor de rest van de gemeente is archeologie tot op heden niet beschermd via het bestemmingsplan, onder meer vanwege de problematiek van planschade tot enkele jaren geleden en andere prioriteiten. Behalve voor de historische kern Geertruidenberg, leidt het beleid tot nog toe alleen tot de eis van archeologisch onderzoek bij ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen en bij afwijkingen van het bestemmingsplan en niet bij conserverende bestemmingsplannen.

 

Logische vervolgstap na vaststelling van deze Nota Archeologie is de juridische borging ervan. Dit betekent dat wij na die vaststelling bij nieuwe bestemmingsplannen, afwijkingen van het bestemmingsplan en aanvragen voor de sloop van een bouwwerk in beschermd stadsgezicht rekening houden met archeologie in de zin van deze Nota Archeologie. Dit is ook relevant zolang er nog geen bestemmingsplan is dat archeologie beschermt. In nieuwe bestemmingsplannen nemen wij een archeologie beschermende planregeling op. Zie ook het hierna vermelde over een paraplu-bestemmingsplan voor archeologie.

 

In gebieden waarin archeologische waarden in beschermd stadsgezicht een rol spelen wordt in eerste instantie sloop tot op maaiveldhoogte voorgeschreven en wat betreft de sloop onder het maaiveld wordt in samenspraak met de archeologisch deskundige besloten of onderzoek noodzakelijk is.

 

Zolang er geen archeologie beschermend bestemmingsplan is, houden we ook bij eigen gemeentelijke projecten die vergunningsvrij zijn (bijv. in de openbare ruimte) rekening met de archeologische verwachtingswaarden.

 

In de toelichting in bestemmingsplannen wordt een paragraaf cultuurhistorie c.q. archeologie opgenomen, waarin de relevante waarden worden vermeld en de wijze waarop deze geborgd worden.

 

In nieuwe bestemmingsplannen beschermen we archeologie juridisch via verbeelding en planregels overeenkomstig het beleid in deze nota: de archeologische verwachtingswaardenkaart en de daarbij behorende normen omtrent het eisen van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen of wijzigen van consoliderende bestemmingsplannen zal dit doorgaans voldoende zijn. Voor elk bestemmingsplan, zowel grote als kleine, dat is gericht op ruimtelijke ontwikkelingen, is inzicht in de archeologische waarden door middel van archeologisch (voor)onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium vereist. Zo kunnen gedetailleerde gegevens over de ontwikkelingslocatie worden verzameld op basis waarvan archeologische belangen door de gemeente zorgvuldig kunnen worden afgewogen.

     

3.2 Een paraplu-bestemmingsplan voor archeologie

Tot op heden is alleen het meest archeologiegevoelige gebied bestemmingsplanmatig beschermd, namelijk de historische kern Geertruidenberg. Na vaststelling van deze Nota Archeologie is de logische vervolgstap om het beleid daarin juridisch te borgen in nieuwe bestemmingsplannen en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan. Dit betreft in het bijzonder de normen omtrent het eisen van archeologisch onderzoek per archeologische verwachtingswaarde.

 

Veel gemeenten hebben eerder een archeologieverordening vastgesteld als tijdelijke regeling totdat de bescherming in bestemmingsplannen was geregeld. In 2010 heeft de raad besloten om archeologie niet te beschermen via een verordening, maar te zijner tijd via het bestemmingsplan. Volgens de wet is het bestemmingsplan het geëigende juridische instrument om archeologie te beschermen. Verder is een bestemmingsplan efficiënter, duidelijk kenbaar en biedt het meer rechtsbescherming dan een verordening, welke passend is vanwege de gevolgen voor burgers van de regels ter bescherming van archeologie.

 

Wij stellen een paraplubestemmingsplan op, zodat beleid in deze nota planologisch wordt vertaald voor heel het gemeentelijke grondgebied. We zien ervan af om dit te combineren met een paraplubestemmingsplan voor bovengronds erfgoed, gezien wat hiervan al beschermd is en wordt (met name ook via aanwijzingen tot gemeentelijk monument).

 

Voor de opzet van de planregeling wordt uitgegaan van de huidige planregeling in bestemmingsplan Kom Geertruidenberg 2012. Bepaalde zaken zijn tot op zekere hoogte vrijgesteld van onderzoek, zoals de aanleg van nutsleidingen. Ook is er ruimte voor maatwerk, zoals het rekening houden met informatie die voldoende bestaande bodemverstoringen aantoont. Bij het opstellen zal ook rekening worden gehouden met de regeling die buurgemeenten hanteren.

 

In het bestemmingsplan wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, zodat de archeologie beschermende planregeling zo nodig kan worden aangepast aan nieuwe kennis en inzichten en de resultaten van een vijfjaarlijkse evaluatie van het beleid.

 

3.3 Integraliteit met beleid voor bovengronds erfgoed en andere vakgebieden

De visie voor bovengronds erfgoed in de Erfgoednota (2016) is naar analogie van toepassing ook van toepassing voor archeologie. Dit betreft onder meer dat:

  • -

    karakteristiek erfgoed de lokale identiteit verstrekt en daarmee kansen biedt voor onder andere toerisme, recreatie en ruimtelijke ordening;

  • -

    erfgoed, vanwege de maatschappelijke waarden ervan de zorg van de gemeente verdient, waarvoor intern en extern een goede samenwerking van belang is;

  • -

    we bij ruimtelijke ontwikkelingen met respect omgaan met erfgoed en waar mogelijk erfgoed als vertrekpunt en inspiratiebron nemen voor ontwikkelingen.

Voor het overige verwijzen we naar de Erfgoednota.

 

Vanwege de Erfgoednota zijn in 2016 interne werkafspraken gemaakt voor de integrale samenwerking tussen monumentenzorg en de volgende vakgebieden: ruimtelijke ordening, (Wabo-)vergunningverlening, inrichting van de openbare ruimte, toerisme en recreatie en accommodatiebeleid. In deze afspraken is ook archeologie betrokken. Deze werkafspraken actualiseren we waar nodig vanwege het nieuwe archeologiebeleid.

 

In de erfgoednota 2016 staat: “In het kader van de evaluatie van het algemene handhavingsbeleid (vanaf 2016) formuleren we specifiek beleid voor de handhaving van en het toezicht op erfgoed. Dit vinden we belangrijk, gelet het specifieke karakter van erfgoed en de waarde ervan.” Een eerste stap hiervoor is gezet middels het VTH Beleidsplan (voorjaar 2017 in concept).

Bij de uitwerking van dit handhavingsbeleid voor erfgoed zal archeologie worden meegenomen. Tot die tijd wordt de huidige praktijk voortgezet. Dat betekent dat in de incidentele gevallen waarbij er qua archeologie een handhavingsissue is, naar bevind van zaken wordt gehandeld na advies van de beleidsmedewerker monumentenzorg en waarbij zo nodig ook de externe archeologisch adviseur wordt betrokken.

  

Hoofdstuk 4: Financiële aspecten

 

4.1 Rekening houden met archeologie en kosten van archeologisch onderzoek

Archeologie kan een financieel risico vormen in iedere exploitatie voor een ruimtelijk plan. Het is daarom van belang om al in een vroeg stadium van de planvorming voldoende duidelijkheid te krijgen over de te verwachten archeologische waarden. Locaties zonder archeologische waarde of verwachting verdienen vanzelfsprekend de voorkeur vanuit het streven naar behoud in situ. Als behoud niet mogelijk is, of wanneer de maatschappelijke afweging anders uitvalt, moet rekening worden gehouden met de kosten van archeologisch onderzoek.

 

Zoals in hoofdstuk 2 vermeld geldt het principe dat de verstoorder van de bodem moet betalen voor het archeologische onderzoek dat nodig is en voor de documentatie. De kosten van archeologisch onderzoek dienen dan ook te worden betrokken in de voorbereiding en de begroting van een ruimtelijk plan. Dit geldt zowel voor initiatieven van de gemeente zelf als voor die van derden. Ook aan het uitvoeren van het gemeentelijke archeologiebeleid zijn kosten verbonden.

 

4.2 Planschade en excessieve kosten

Een aantal jaren geleden bestond er een planschaderisico voor de gemeente alleen al vanwege het opnemen van archeologie beschermde regels in het bestemmingsplan. Deze fout in de regelgeving is in 2011 hersteld via aanpassing in de Wabo.

 

In de volgende gevallen kan sprake zijn van ‘planschade’, ook wel excessieve kosten genoemd:

  • -

    bij weigering van een omgevingsvergunning (voor aanleggen of afwijken van het bestemmingsplan) of

  • -

    bij het verbinden van archeologische voorschriften aan de omgevingsvergunning (voor bouwen, aanleggen, afwijken van het bestemmingsplan of het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht); dit kan bijvoorbeeld de verplichting inhouden om behoudenswaardige archeologische waarden op te graven.

 

Van zulke schade kan bijvoorbeeld sprake zijn, als de kosten vanwege archeologie niet meer in verhouding staan tot de totaalkosten van de ruimtelijke ontwikkeling of bodemingreep. In dit geval kan de aanvrager van een omgevingsvergunning op grond van art. 4.2. Wabo een verzoek bij B&W indienen om deze kosten vergoed te krijgen. Tot op heden is zo’n verzoek niet door ons ontvangen.

 

Er moet hierbij vooral gedacht worden aan kosten in verband met opgravingen. Of kosten als excessief zijn aan te merken, is sterk afhankelijk van het financiële belang van de aanvrager, diens draagkracht, de mogelijkheden om naar een andere locatie om te zien, enzovoort. Alleen kosten die voortvloeien uit het weigeren van een vergunning of het verlenen van de vergunning onder archeologische voorwaarden komen in aanmerking voor planschade. De kosten van het vooronderzoek om tot het besluit tot weigering of onder voorwaarden verlenen van de vergunning te komen, liggen dus bij de initiatiefnemer. Dit omvat in de praktijk vaak onder andere de kosten voor bureauonderzoek en karterend en waarderend onderzoek, in de vorm van boringen en/of proefsleuven. Ook dienen initiatiefnemers maatregelen te treffen om behoud van de verwachte archeologische waarden te bewerkstelligen en de kosten van mogelijk archeologisch onderzoek voor zichzelf te beperken zodat behoudt in situ ontstaat. Pas wanneer dat niet mogelijk is kan in uitzonderlijke gevallen er sprake zijn van een tegemoetkoming in de kosten. Een regeling voor de vergoeding van zulke kosten geeft de wetgever niet.

 

Het risico op planschade wordt geminimaliseerd door de gemeentelijke bescherming van archeologie in beleid en bestemmingsplannen te begrenzen en te onderbouwen. Het nadeel hiervan is dat daarmee mogelijk belangrijke archeologische waarden verloren gaan en het risico van toevalsvondsten wordt vergroot. Indien de gemeente geen beperkingen zou opleggen ter bescherming van archeologie, dan is elke aangetroffen archeologische waarde per definitie een toevalsvondst. Indien bij toeval archeologische waarden worden ontdekt kunnen de kosten voor onderzoek, berging en conservering niet op de initiatiefnemer worden verhaald. Voor dergelijke kosten bij een toevalsvondst is in principe de gemeente financieel verantwoordelijk. Middels het gemeentelijke archeologiebeleid wordt het vinden van toevalsvondsten en het risico op planschade zoveel mogelijk voorkomen en worden de kosten voor de burgers zoveel mogelijk beperkt.

 

De inschatting is dat aanvragen tot schadevergoedingen voor het niet verlenen van vergunningen niet of nauwelijks voor zullen worden toegekend. Doorgaans kan het archeologische belang namelijk wordt behartigd via het stellen van archeologische voorwaarden. Verder bevat de desbetreffende beschikking een beslismoment waarbij in de belangenafweging rekening kan worden gehouden met de daaraan gerelateerde kosten voor de initiatiefnemer vanwege archeologie.

 

In 2013 heeft het rijk een overzicht gegeven van hoe gemeenten omgaan met compensatie van (excessieve) kosten vanwege archeologie. Veel gemeenten hebben er tot op heden van afgezien om een specifieke compensatieregeling en een archeologiefonds in te stellen voor de vergoeding van excessieve kosten, vanwege de recessie, bezuinigingen of omdat niet gebleken is van de noodzaak hiertoe. Ook voor gemeente Geertruidenberg is tot op heden niet gebleken van de noodzaak voor zo’n regeling en fonds. Hoewel er vanwege het nieuwe archeologiebeleid vaker archeologisch onderzoek zal worden vereist, verwachten wij dat er ook in de toekomst geen noodzaak hiervoor zal zijn, mede gezien wat hierboven is aangegeven. Vooralsnog zien we daarom af van een compensatieregeling en van het instellen van een archeologiefonds en gaan wij uit van een ad-hoc beoordeling van eventuele verzoeken om schadevergoeding. Indien, in uitzonderlijke gevallen, een kostenvergoeding op zijn plaats is, kan deze worden betaald ten laste van de begrotingspost onvoorzien vi a een raadsbesluit. Hierbij kan worden opgemerkt dat de gemeente al jaren bijdragen van het rijk krijgt voor de omgang met archeologie en excessieve kosten, die als algemene uitkeringen n de algemene reserve vloeien; zie hierna. Mocht in de toekomst blijken dat er toch behoefte is aan zo’n regeling en fonds, dan passen wij dit aan.

 

Bij een ad-hoc beoordeling van verzoeken om schadevergoeding zullen we kijken we naar het aandeel van de kosten vanwege archeologie ten opzichte van de totaalkosten van de ontwikkeling en de opbrengsten ervan, het financiële belang en de draagkracht van de verstoorder, de moeite die de verstoorder heeft genomen om kosten te voorkomen, het maatschappelijk belang van de archeologie en het maatschappelijk belang van de ontwikkeling. Bij twijfel over de financiële cijfers zal inzage worden gevraagd in de begroting van de initiatiefnemer. Is naar ons oordeel onvoldoende inzage mogelijk, dan kan er in ieder geval geen sprake zijn van een gemeentelijke bijdrage in de excessieve kosten.

 

4.3 Archeologieleges 

In de legesverordening is geregeld dat de gemeente via legesheffing de kosten van door haar extern ingewonnen archeologisch advies over een ruimtelijk plan kan doorberekenen aan de initiatiefnemer van dat plan. Dit betreft de advisering door de archeoloog van het Monumentenhuis Brabant. Dit wordt in het kader van de planbehandeling gecommuniceerd aan de initiatiefnemer.

 

4.4 Gemeentelijke overeenkomsten en grondexploitatiebijdrage

De gemeente sluit in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling regelmatig overeenkomsten af met particuliere projectontwikkelaars en grondexploitanten. Zo’n overeenkomst is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening.

 

De Grondexploitatiewet (Grex) maakt deel uit van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Grex regelt de financieel technische en juridische kanten van de grondexploitatie en alles wat direct of indirect met grondexploitatie en locatieontwikkeling te maken heeft. Deze wet is een instrumentarium dat nodig is voor kostenverhaal, verevening en het stellen van locatie eisen bij locatieontwikkeling.

 

Als een ruimtelijk plan (o.a. bestemmingsplan, omgevingsvergunning of een wijzigingsplan) ontwikkelingsgericht is en er kosten voor de gemeente zijn, dan dient de gemeente ook een exploitatieplan op -en vast te stellen. De gemeenteraad moet het exploitatieplan tegelijk vaststellen met het plan dat het bouwen mogelijk maakt. Hiermee kan de gemeente grondexploitatiekosten die worden gemaakt voor de realisatie van bouwplannen, verhalen. Indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld via de gronduitgifte of door middel van een anterieure overeenkomst, is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig.

 

De door de gemeente of provincie te verhalen kosten zijn opgenomen in de kostensoortenlijst van het Bro. Ook de kosten voor cultureel erfgoed zijn opgenomen in deze kostensoortenlijst. De onderzoekskosten die gemaakt moeten worden om archeologische en andere cultuurhistorische waarden te bepalen, kunnen meegenomen worden in de exploitatieopzet van het exploitatieplan en de anterieure overeenkomst. Dit geldt ook als cultureel erfgoed als een (bovenwijkse) voorziening of als een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van de Grex is aan te merken. Voorbeeld hiervan is het herstel van een park of van landschapselementen, wat als cultureel erfgoed aan te merken is. Om hiervan gebruik te maken dient deze mogelijkheid te zijn opgenomen in een structuurvisie.

 

In overeenkomsten en exploitatieplannen moet duidelijk geregeld staan wie de kosten voor het archeologisch onderzoek (inclusief vervolg) en de eventuele bijkomende risico’s voor zijn rekening neemt. Dit wordt betrokken in de ambtelijke werkwijzen op de desbetreffende vakgebieden.

 

4.5 Rijksbijdragen

Voor het opstellen en uitvoeren van archeologiebeleid, dat door de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg, als taak naar de gemeenten gedecentraliseerd is, is vanuit het rijk Bestuurslastencompensatie ingesteld. Gemeenten ontvangen daarvoor sinds 2007 structureel € 6,35 miljoen bestuurslastenvergoeding en vanaf 2008 structureel € 1,25 miljoen als tegemoetkoming voor excessieve kosten in het Gemeentefonds. Het bedrag voor excessieve opgravingskosten wordt per woonruimte verdeeld. Dat betekent ongeveer € 0,17 per woonruimte per jaar. Een verwaarloosbaar bedrag gelet op de vaak hoge opgravingskosten. Wel kan een gemeente dit reserveren tot het moment dat een opgravingssituatie zich aandient. Overigens is de verstoorder als eerste aanspreekbaar op het betalen van de kosten. Er is geen norm voor de verdeling van de kosten tussen de verstoorder en de gemeenten.

 

Van de genoemde € 6,35 miljoen Bestuurslastenvergoeding krijgen wij € 7.500 per jaar Dit is ookbestemd voor beleidsontwikkeling. Van de genoemde € 1,25 miljoen voor excessieve opgravingskosten krijgen wij € 1.500 per jaar. Deze gelden vallen onder de algemene uitkering aan de gemeente. Alle gelden in die uitkering uit het Gemeentefonds worden als “algemeen” bestempeld en worden niet geoormerkt aan de uitgavenkant. De genoemde bedragen zijn tot op heden niet geoormerkt. Het oormerken ervan, voor besteding aan de omgang met archeologie, zou een raadsbesluit vergen.

 

De Tweede Kamer heeft ervoor gezorgd dat er in 2016 een bedrag van € 250.000 wordt uitgetrokken ten behoeve van een fonds of subsidieregeling voor archeologie. Hier kunnen gemeenten aanspraak op maken voor het dekken van de extra kosten die samenhangen met de opgraving, wetenschappe-lijke uitwerking en publiekspresentatie van uitzonderlijke archeologische vondsten van (inter) nationaal belang. De verwachting is dat dit bedrag structureel zal worden. Het ministerie van OCW werkt diverse varianten uit.

 

4.6 Gemeentelijk budget

Bij de vaststelling van de Erfgoednota is € 48.000 budget beschikbaar gesteld voor de uitvoering van erfgoedbeleid. Jaarlijks is er verder structureel circa € 3.200 beschikbaar voor erfgoedzorg. Daarnaast is er voor 2017 en 2018 jaarlijks € 25.000 beschikbaar voor erfgoeddoelen. Dit budget kan ook worden ingezet voor de zorg voor archeologisch erfgoed.

 

In de begroting is geld opgenomen voor de voorfinanciering door de gemeente van de kosten van extern archeologisch advies in relatie met verzoeken om medewerking aan een ruimtelijk plan. Dit geld krijgt de gemeente terug via legesheffing.

 

Archeologie behoort tot het takenpakket van de beleidsmedewerker monumentenzorg. Hiernaast reserveert de gemeente geen vast bedrag voor het vervullen van haar wettelijke taak wat betreft archeologie. Mocht in de toekomst blijken dat aanvulling van het budget voor archeologie nodig is, dan zal hiertoe een voorstel volgen, mede gezien de genoemde rijksbijdragen voor archeologie.

 

Hoofdstuk 5: Informeren, draagvlakverbreding en bevordering van participatie

 

5.1 Algemene informatievoorziening

Er staat de nodige informatie over de zorg voor erfgoed, inclusief archeologie, op de gemeentelijke website. Voor mensen met (bouw)plannen, onder andere over monumenten en in het beschermd stadsgezicht, wordt vooroverleg gestimuleerd. Voor alle mogelijke vragen over erfgoed is de beleidsmedewerker monumentenzorg contactpersoon.

 

5.2 De lokale erfgoedinstanties

Met de lokale erfgoedinstanties vindt twee keer per jaar regulier overleg plaats over de zorg voor erfgoed inclusief archeologie. Als er concrete projecten zijn die erfgoed raken, worden deze instanties naar bevind van zaken betrokken, voor hun advies.

 

De gemeente vindt het erg belangrijk dat het erfgoed van de gemeente wordt uitgedragen en ziet hierin een belangrijke rol weggelegd voor de lokale erfgoedinstanties. Denk hierbij aan het geven van publieksvoorlichting zodat archeologisch erfgoed een groter draagvlak krijgt.

 

Wat betreft de inzet van de amateur-archeologen van deze instanties bij archeologisch onderzoek wordt verwezen naar hoofdstuk 2 hiervoor.

 

5.3 Draagvlakverbreding en bevordering van participatie

De in de Erfgoednota genoemde actiepunten om erfgoed te benutten in relatie met toerisme en recreatie pakken we integraal op en hierbij betrekken we ook archeologie. Door verhalen te vertellen kan erfgoed beleefbaar worden gemaakt.

 

Bij elk interessant en groter gravend archeologisch onderzoek willen we de mogelijkheden nagaan om de inwoners en het onderwijs hierbij te betrekken. Dit vergt maatwerk. Hierbij valt te denken aan een open dag of rondleidingen tijdens het archeologisch onderzoek. De lokale erfgoedinstanties zouden hier een rol in kunnen spelen. Het Programma van Eisen is bij uitstek de plaats om een dergelijk plan te regelen. In geval van particulier initiatief verdient het de aanbeveling om aanvullende wensen en de financiering daarvan in een zo vroeg mogelijk stadium van planvorming te bespreken. Het is verstandig om bij grotere archeologieprojecten in overleg met alle betrokken partijen een communicatieplan op te stellen en eventuele kosten voor blijvende herinneringen in de projectbegroting op te nemen.

 

Ook kan de gemeentelijke website, dan wel de erfgoedkaart op www.geertruidenbergopdekaart.nl, worden benut om informatie over archeologie en actueel archeologisch onderzoek te geven. We betrekken hierbij ook het digitaal raadpleegbaar maken van onderzoeken. Het is de bedoeling om de archeologische waardenkaart te integreren in de erfgoedkaart.

 

Hierbij kan ook het benutten van de kansen van archeologie (o.a. voor ruimtelijke plannen en toerisme en recreatie) worden genoemd, waarvoor ambtelijk wordt samengewerkt tussen de diverse vakgebieden, zoals eerder vermeld. Inpassing van bestaande archeologische waarden in een plan en het zichtbaar maken daarvan versterkt (het besef van) de cultuurhistorische identiteit van de omgeving.

 

5.4 Erfgoededucatie

We bezien tweejaarlijks of we onze bestaande ondersteuning (subsidie) kunnen continueren op basis van een actueel activiteitenplan. Samen met Cultuurwerft bezien we waar we nog meer op andere manieren kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld via input voor het lesmateriaal voor het primair onderwijs op basis van het erfgoedbeleid en samenwerking met de erfgoedinstanties. Hierbij betrekken we ook het onderwerp archeologie.

           

Bijlage 2: De gemeentelijke archeologische (verwachtings)waardenkaart en het bijbehorende overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is

 

Categorie

Kleur

Archeologische verwachting en waarde

Vrijstellingsgrens

Onderzoeksmethode (indicatief, want vergt maatwerk)

1

Rood met grijze arcering

Zeer hoge waarde

Dit betreft de twee wettelijk beschermde rijksmonumenten van het vm. Kartuizerklooster

 

Rijksbeleid: geen bodemingrepen toegestaan zonder vergunning van de Minister

Rijksbeleid als voorheen in de Monumentenwet 1988 met daarin besloten de Wet op de Archeologische Monumenten zorg 2007. Nu vervangen door de Erfgoedwet 2016, vooruitlopend op de Omgevingswet.

2

Donkerrood

Zeer hoge verwachtingswaarde

Dit betreft de historische kern Geertruidenberg en haar vestingwerken

50m2 en 30 cm –Mv (-Mv: onder maaiveld)

Uitvoerig bureauonderzoek, of gelijk het uitvoerige bureauonderzoek in Programma van Eisen voor proefsleuvenonderzoek opnemen. Indien een initiatiefnemer perse wil starten met een booronderzoek, dan zal het plan daarvoor gemotiveerd moeten worden en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd.

3

Roze met nadere lijnaanduiding

Hoge verwachtingswaarde

- Locaties waar al in 1832 bebouwing was en een zone van 10 m daar omheen

- Vestingwerken ten zuiden en zuidwesten van de woonkern Geertruidenberg en een zone van 10 m daar omheen

100m2 en 40 cm –Mv

 

Uitvoerig bureauonderzoek, of gelijk het uitvoerige bureauonderzoek in Programma van Eisen voor proefsleuvenonderzoek opnemen. Indien een initiatiefnemer perse wil starten met een booronderzoek, dan zal het plan daarvoor gemotiveerd moeten worden en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd.

4

Roze

Hoge verwachtingswaarde

- Dekzandruggen incl. kleine dekzandvlakten

 

100m2 en 50 cm –Mv

 

Starten met een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase om de bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven.

5

oranjegeel

Middelhoge verwachtingswaarde

- Oeverkanten

- Gebied rondom het Oude Maasje

- Zone langs de Donge

- Middeleeuws cultuurlandschap bij  AMK-terreinen van het vm. Kartuizerklooster

- Dryas terras

- Grote doorbraakkreek op Dryas terras

1000 m2 en 50 cm –Mv

 

Starten met een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase om de bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven.

6

Lichtgeel

Lage verwachtingswaarde

- Vlakte- en getijafzettingen (minus zone AMK-terreinen)

- Kleine doorbraakkreken

- Ontgonnen veenvlakte

- Grote dekzandvlaktes

Onderzoek vroeg in planfase bij MER-plichtige projecten, projecten vallend onder de Wro, de Wet Milieubeheer of de Tracewet en bij ontgrondingen met een planoppervlak van 5 hectare of meer; en waarbij ook sprake is van een bodemverstoring dieper dan 50 cm - MV.

 

Starten met bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase om bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven. Het plangebied is één geheel en opknippen daarbinnen is niet toegestaan. Meldingsplicht van kracht op basis van artikel 5.10 Erfgoedwet e.v. bij het aantreffen van archeologische vondsten en waarnemingen.

7

Wit

Geen verwachtingswaarde

Vrijgeven

 

8

Arceringen

Onderliggende verwachtingswaarde geldt ; dit betreft ophogingen of ontgravingen

Overeenkomstig de onderliggende verwachting

Maatwerk in overleg met gemeente. Diepte van de veronderstelde verstoring of dikte van de opgebrachte bodemlaag aantonen in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen). (Zie ook par. 1.5 van bijlage 1 bij Nota Archeologie.)

Overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is; behorend bij de archeologische (verwachtings)waardenkaart van Geertruidenberg

 

                      

Bijlage 3: De gemeentelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart

                        

Bijlage 4: Informatie van het rijk

 

Informatie van de Rijksdienst (RCE) over archeologie, waaronder de brochures  “Archeologie en ruimtelijke ordening” ,“Behoud in situ” en “Wet op de archeologische monumentenzorg”, is te raadplegen via: www.rijksdienstvoorhetcultureelerfgoed.nl

                        

Bijlage 5: Begrippen en afkortingen 

 

Archeologie

Wetenschap die zich ten doel stelt om door middel van studie van de materiële nalatenschap inzicht te verwerven in alle facetten van menselijke samenlevingen in het verleden. Door middel van opgravingen proberen archeologen oude voorwerpen te vinden die hen meer kunnen vertellen over het leven van honderden dan wel duizenden jaren geleden.

 

Archeologische verwachting

De aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten.

 

Archeologisch monument

terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (Erfgoedwet).

 

Archeologische MonumentenZorg (AMZ)

Beleid gericht op het behoud van archeologische informatie, in het bijzonder van archeologische vindplaatsen.

 

Archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voorde Nederlandse Archeologie (KNA). Deze beschikt daarbij over een certificaat in de zin van de Erfgoedwet.

 

Archeologisch vooronderzoek

Archeologisch vooronderzoek kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De resultaten van het onderzoek worden weergegeven en geïnterpreteerd in een rapport. Op basis daarvan beoordeelt de gemeente of een omgevingsvergunning kan worden verleend.

 

Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.

 

Bodemingrepen

Alle grondwerkzaamheden (zoals werken, werkzaamheden, bouwen, slopen, ploegen, etc) waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten.

 

Cultuurhistorische waardenkaart (CHW)

Kaart van de provincie Noord-Brabant die sinds 2002 (met de invoering van het beleidsstuk ‘Brabant in Balans’) als provinciaal toetsingskader gehanteerd wordt als het gaat om cultuurhistorische waarden binnen de provincie Noord-Brabant en de verwoording van de zorg hiervoor binnen bestemmingsplannen en structuurvisies. Één van de lagen van de kaart betreft een archeologische verwachtingenkaart. Deze kaart is een één op één vertaling van de landelijke Indicatieve Kaart Archeologische Waarden. Kent een editie in 2006 en 2010 en zijn beide destijds door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De kaart is in 2016 op kleine onderdelen herzien.

 

Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

Een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen persoon of organisatie die beschikt over de in de beroepsgroep geldende kwalificaties.

 

Erfgoedwet

Een integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Deze op 1-7-2016 in werking getreden wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland.. De wet maakt, samen met de Omgevingswet (vanaf 2019), een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

 

Erkende partij

Een dienst, bedrijf of instelling, erkend door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en beschikkend over een certificaat in de zin van de Erfgoedwet. Werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en werkt met beroepsarcheologen die de ethische code door middel van het lidmaatschap van de NvvA onderschrijven.

 

Excessieve kosten

Kosten voor archeologisch onderzoek in het kader van bouw- of inrichtingsprojecten, die zodanig hoog zijn dat de projectrealisatie in gevaar komt.

 

Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW)

Door de voormalige ROB / RACM (nu: RCE) vervaardigde kaart van Nederland waarin gebieden worden onderscheiden met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarde. Hoewel de IKAW is gebaseerd op archeologische, bodemkundige en geologische gegevens kunnen er geen conclusies over concrete vindplaatsen aan worden ontleend. De kaart mag worden gebruikt op een schaal van 1:50.000 om een eerste indicatie te krijgen van de archeologische verwachting in enig plangebied.

 

In situ

Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren.

 

KNA

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. De (KNA) bestaat uit een aantal protocollen die ieder een deel van het archeologisch werk beschrijven. De KNA-protocollen bevatten de minimale inhoudelijke en ambachtelijke eisen die worden gesteld aan archeologische werkzaamheden van inventariserend onderzoek tot aan depotbeheer (het bewaren van archeologisch vondstmateriaal). Zie www.sikb.nl.

 

Monumentenwet 1988

In de Monumentenwet 1988 is vastgelegd hoe monumenten van bouwkunst en archeologie en stads- en dorpsgezichten moeten worden beschermd. Medio 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht van die wet blijft een aantal artikelen uit de Monumentenwet nog van kracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden.

 

Opgraving

Handelingen met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt (Erfgoedwet).

Opgravingen worden verricht door een erkende partij, beschikkend over een certificaat in de zin van de Erfgoedwet. Na een opgraving bevinden zich in de regel geen archeologische resten meer in de ondergrond en dient de verwachtingswaarde naar laag te worden bijgesteld.

 

RCE

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, voorheen Rijksdienst Archeologie Cultuurlandschappen en Monumentenzorg (RACM). De RCE is een nationaal kennisinstituut voor archeologie, monumenten en cultuurlandschap. Naast kennis zet de Rijksdienst wetten en regels in om het erfgoed te beschermen en te ontwikkelen.

 

Regio West-Brabant

De gemeenschappelijke regeling Regio West-Brabant is ontstaan uit de bundeling van een aantal langer bestaande samenwerkingsverbanden, waaronder de gemeenschappelijke regelingen SES, KCV, MARB en het Regiobureau. Bij de totstandkoming van de gemeenschappelijke regeling Regio West-Brabant is het uitgangspunt geweest dat het algemeen bestuur van de regeling zich uitsluitend bezighoudt met de strategische agenda en de strategische visie.

 

Verdrag van Malta

Europees verdrag uit 1992 inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Bij rijkswet (1998) goedgekeurd voor het hele Koninkrijk. Binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007.

 

Vergunning

In de WAMZ een omgevingsvergunning zonder welke het verboden is de bodem te verstoren in een archeologisch attentiegebied. Doorgaans beslissen Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de bodemverstoring zal plaatsvinden over de aanvraag.

 

Archeologische verwachtingswaardenkaart

Een kaart waarop in vlakken staat aangegeven waar archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht en waar bekende archeologische waarden zijn. De kaart is het resultaat van een systematische analyse van relevante gegevens.

 

Verwachtingswaarde

De kans op aanwezigheid van onbekende archeologische vindplaatsen, zoals die met behulp van locatieanalyse is voorspeld.

 

Vindplaats

Plaats waar archeologisch materiaal is verzameld of te verzamelen is.

 

Wet op de Archeologische MonumentenZorg (WAMZ)

De wet die de Nederlandse vertaling vormt van het Verdrag van Malta. De wet is op 1 september 2007 aangenomen en betreft geen zelfstandige wet, maar een wijzigingswet, met name op de Monumentenwet 1988.

 

Wettelijk beschermde monumenten

Archeologische resten die vanuit nationaal oogpunt behouden dienen te blijven en derhalve als

monument beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet of waar deze wordt voorbereid. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodem verstorende activiteiten, tenzij de Minister van OCW hiervoor vooraf vergunning verleent.

   

Bijlage 6: Lijst van personen die input hebben gegeven

 

Gemeente Geertruidenberg:

Wethouder Bert van den Kieboom

Wethouder Kevin van Oort

Robert Celie, beleidsmedewerker monumentenzorg, auteur van de Nota Archeologie

Erik Dekkers, beleidsmedewerker ruimtelijke ordening

Marjolijn van Oosterhout, beleidsmedewerker toerisme en recreatie

Lilian de Jong, medewerker wabo-vergunningverlening

Henk Kools, beleidsmedewerker Buitenruimte

Nicole de Kort, beleidsmedewerker economische zaken

 

Lokale erfgoedinstanties:

Jan van Strien (Veers Erfgoed)

Pascal Hendriks (Veers Erfgoed)

Cees Bouwens (Raamsdonks Historie)

Jan van Strien (Raamsdonks Historie)

Joke Serraris (Stichting Boeg en Stichting Spoorbrug Geertruidenberg)

Ben Massop (Stichting Spoorbrug Geertruidenberg)

Jan van Gils (Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe)

 

Andere betrokken instanties:

Cultuurwerft

Toeristisch Platform Geertruidenberg

Monumentencommissie Geertruidenberg

Mevr. Drs. L. Weterings-Korthorst, senior regioarcheoloog van Regio West-Brabant

Mevr. Drs. J.M. Visser, archeoloog van het Monumentenhuis Brabant

ZLTO Waalwijk-Geertruidenberg

          

Bijlage 7: Bronvermelding en fotoverantwoording

 

Literatuur

De archeologische verwachtingswaardenkaart van archeologisch bureau Baac (2007)

Archeologiebeleid van regiogemeenten: Drimmelen, Etten-Leur, Moerdijk

Handreiking erfgoed en ruimte; dossier archeologie voor gemeenten; van de rijksdienst voor het cultureel erfgoed

 

Websites

www.geertruidenberg.nl

www.geertruidenbergopdekaart.nl

www.raamsdonksveeropdekaart.nl

www.cultureelerfgoed.nl

https://archeologieinnederland.nl/

www.oudheidkundige-kring-geertruidenberg.nl

www.veerserfgoed.nl

www.raamsdonkshistorie.nl

www.erfgoedbrabant.nl

www.monumenten.nl

www.monumentenhuisbrabant.nl

www.brabant.nl

www.erfgoedbrabant.nl

www.rijksoverheid.nl 

www.overheid.nl 

www.vng.nl

www.wetten.nl

www.sikb.nl

 

Fotoverantwoording

 

Foto’s in de Nota Archeologie:

Titelpagina:

Afbeelding 1: van expositie over archeologie en de archeologisch werkgroep van de Oudheidkundige

Kring Geertruydenberghe in de Geertruidskerk te Geertruidenberg in 2016; (foto: R.Celie)

Afbeelding 2 : uit Archeologisch rapport over locatie Prinsenhof Zuidwest, Koestraat 45-49

Geertruidenberg, van de Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe, 2007

 

Blz. 6:

-Afbeelding 3: van de site van het regionaal archief Tilburg. Betreft een fictieve weergave uit de 18e 

eeuw van het kasteel van Geertruidenberg. De tekening bevindt zich in de Brabant Collectie van de

Universiteit van Tilburg. Archeologische resten van het kasteel zijn gevonden aan het

Wilhelminaplein te Geertruidenberg.

-Afbeelding 4: situering van het kasteel aan het Wilhelminaplein te Geertruidenberg. Bron:

Tekening Arie Stekelenburg en Bas Zijlmans; van site www.canon-geertruidenberg.nl 

 

Blz. 10:

-Afbeelding 5: Na de verwoestende Sint-Elisabethsvloeden (1421) werd Geertruidenberg omgeven door water. Op deze kaart uit 1560 zien we de stad rechtsonder het kompas. Bron: Nationaal Archief, Den Haag; van site www.canon-geertruidenberg.nl

- Afbeelding 6: Prent uit 1610 van de belegering van Geertruidenberg in 1593 door Prins Maurits. Bron: “Beeldig  Geertruidenberg”, boekuitgave van de Oudheidkundige Kring Geertruidenberg

 

Blz 16:

Afbeeldingen 7 en 8: Foto’s van onderzoek door de archeologische werkgroep van de

Oudheidkundige Kring Geertruidenberg in periode 1976-2005.

 

Foto’s in de bijlagen bij de Nota Archeologie:

Titelpagina:

Afbeelding 1: van expositie over archeologie en de archeologisch werkgroep van de Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe in de Geertruidskerk te Geertruidenberg in 2016; (foto: R. Celie)

Afbeelding 2 : uit Archeologisch rapport over locatie Prinsenhof Zuidwest, Koestraat 45-49 Geertruidenberg, van de Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe, 2007

Overig:

Afbeelding 3 (blz. 8): foto: archeologisch bureau Baac

Afbeelding 4 (blz. 16): Foto van Koopmanschap/Visser-Poldervaart 2012.

 

                              

Categorie

Kleur

Archeologische verwachting en waarde

Door gemeente Geertruidenberg gevoerd archeologiebeleid; vrijstellingsgrens

Nieuw beleid; vrijstellingsgrens

1

Rood met grijze arcering

Zeer hoge waarde

Dit betreft de twee wettelijk beschermde rijksmonumenten van het vm. Kartuizerklooster

Rijksbeleid: geen bodemingrepen toegestaan zonder vergunning van de Minister

Idem.

2

Donkerrood

Zeer hoge verwachtingswaarde

Dit betreft de historische kern Geertruidenberg en haar vestingwerken

50m2 en 30 cm –Mv (-Mv: onder maaiveld); sinds 2012 bestemmingsplanmatig beschermd, o.a. in plan Kom Geertruidenberg 2012.

Idem: 50m2 en 30 cm –Mv

3

Roze met nadere lijnaanduiding

Hoge verwachtingswaarde

- Locaties waar al in 1832 bebouwing was en een zone van 10 m daar omheen

- Vestingwerken ten zuiden en zuidwesten van de woonkern Geertruidenberg en een zone van 10 m daar omheen

100 m2 en 40 cm –Mv

De vestingwerken ten zuiden/zuidwesten van de kern Geertruidenberg hadden volgens het gevoerde beleid een hoge waarde zonder lijnaanduiding; zie blz. 8 e.v. van bijlage 1 bij de Nota Archeologie.

 

Idem: 100 m2 en 40 cm –Mv

 

4

Roze

Hoge verwachtingswaarde

- Dekzandruggen incl. kleine dekzandvlakten

 

Voor zover in buitengebied:  1000 m2 en 40 cm –Mv

Voor zover niet in buitengebied: 250 m2 en 40 cm –Mv

Kleine dekzandvlakten hadden volgens het gevoerde beleid een lage waarde; zie blz. 8 e.v. van bijlage 1 bij de Nota Archeologie.

100m2 en 50 cm –Mv

 

5

oranjegeel

Middelhoge verwachtingswaarde

- Oeverkanten

- Gebied rondom het Oude Maasje

- Zone langs de Donge

- Middeleeuws cultuurlandschap bij  AMK-terreinen van het vm. Kartuizerklooster

- Dryas terras

- Grote doorbraakkreek op Dryas terras

Voor zover in buitengebied: 2000 m2 en 60 cm–Mv

Voor zover niet in buitengebied: 1000 m2 en 60 cm –Mv

Enkele gebieden hiervan hadden volgens het gevoerde beleid een lage waarde; zie blz. 8 e.v. van bijlage 1 bij de Nota Archeologie.

1000 m2 en 50 cm –Mv

 

6

Lichtgeel

Lage verwachtingswaarde

- Vlakte- en getijafzettingen (minus zone AMK-terreinen)

- Kleine doorbraakkreken

- Ontgonnen veenvlakte

- Grote dekzandvlaktes

Geen eis van archeologisch onderzoek.

Eén qua omvang beperkt gebied ten westen van de kern Geertruidenberg had volgens het gevoerde beleid een hoge waarde; zie blz. 8 e.v. van bijlage 1 bij de Nota Archeologie.

Onderzoek vroeg in planfase bij MER-plichtige projecten, projecten vallend onder de Wro, de Wet Milieubeheer of de Tracéwet en bij ontgrondingen met een planoppervlak van 5 hectare of meer; en waarbij ook sprake is van een bodemverstoring dieper dan 50 cm - MV.

7

Wit

Geen verwachtingswaarde

Vrijgeven

Idem

8

Arceringen

Onderliggende verwachtingswaarde geldt ; dit betreft ophogingen of ontgravingen

Overeenkomstig de onderliggende verwachting

Idem. Wat betreft de op de kaart toegevoegde gebieden die verstoord zijn: zie blz. 13 e.v. van bijlage 1 bij de Nota Archeologie.

Bijlage 8: Schematisch overzicht van gevoerd en nieuw archeologiebeleid