Gemeenteblad van Waddinxveen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
WaddinxveenGemeenteblad 2017, 200284Verordeningen



Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen 2018

De raad van de gemeente Waddinxveen gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 augustus 2017; gelet op de artikelen 8, 8a en 8b Participatiewet, Hoofdstuk 2 paragraaf 1 (artikel 2.1.3 tot en met artikel 2.1.7) en artikelen 2.6.6 en 8.7 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op artikelen 2.9, 2.12 en 8.1.1 Jeugdwet en voorts ten aanzien van het leerlingenvervoer gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; gelezen het advies van de Participatie Adviesraad Sociaal Domein Waddinxveen

besluit vast te stellen de Verordening Sociaal Domein Waddinxveen 2018.

 

Hoofdstuk 1. Begrippen

Artikel 1. Begrippen

  • 1.

    In deze verordening wordt verder verstaan onder:

    • a.

      aangepast vervoer i.h.k.v. leerlingenvervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi;

    • b.

      afstand i.h.k.v. leerlingenvervoer: afstand tussen de woning van de leerling en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;

    • c.

      afstand tot de arbeidsmarkt: [kort] deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; [groot] deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

    • d.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

    • e.

      algemene voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of een overige voorziening als bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet;

    • f.

      college: college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen;

    • g.

      commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;

    • h.

      commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra;

    • i.
    • j.

      eigen plan: plan waarin de inwoner zelf aangeeft op welke wijze zijn hulpvraag opgelost kan worden, het betreft hier het persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 en het familiegroepsplan zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • k.

      eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;

    • l.

      fraude: het niet (tijdig) mededelen van alle feiten en omstandigheden waarvan het voor de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze informatie van invloed kan zijn op het recht, op de hoogte of de duur van een (maatwerk)voorziening;

    • m.

      gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

    • n.

      inkomen: totaal van het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 en 32 van de Participatiewet;

    • o.

      inkomen i.h.k.v. leerlingenvervoer: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

    • p.

      inwoner: iemand die woont in de gemeente Waddinxveen;

    • q.
    • r.
    • s.

      leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel onder mm;

    • t.

      maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet, een voorziening als bedoeld in artikel 7, 11 en 35 van de Participatiewet en artikel 34 van de IOAW/IOAZ en een voorziening als bedoel in artikel 4 van de Wet primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • u.

      mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

    • v.

      misbruik (maatwerk)voorziening: het verwijtbaar ontvangen van een (maatwerk)voorziening in strijd met de wettelijke voorschriften;

    • w.

      niet-professionele aanbieder: een aanbieder die niet voldoet aan de criteria van een professionele aanbieder (zie professionele aanbieder);

    • x.

      norm:

    • y.

      ondersteuningsplan leerlingenvervoer:

    • z.

      oneigenlijk gebruik: het ontvangen van een (maatwerk)voorziening volgens de regels van de wet, maar in strijd met of buiten de bedoeling die bij de totstandkoming van die wet heeft bestaan;

    • aa.

      opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • bb.

      openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto;

    • cc.

      opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;

    • dd.

      ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jeugdige;

    • ee.

      peildatum individuele inkomenstoeslag: datum waarop een persoon een individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

    • ff.

      persoonsgebonden budget (pgb): een bedrag waarmee inwoners zelf hun ondersteuning kunnen inkopen;

    • gg.

      professionele aanbieder; een aanbieder die opgeleid en indien van toepassing geregistreerd is voor het verrichten van de werkzaamheden in het kader van het uitvoeren de Wmo 2015 of de Jeugdwet en voldoet aan de voor die werkzaamheden benodigde kwalificaties en vereisten;

    • hh.

      referteperiode individuele inkomenstoeslag: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum;

    • ii.

      regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • jj.
    • kk.

      reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer behoudens in geval van overmacht;

    • ll.

      samenwerkingsverband:

    • mm.

      school:

    • nn.

      stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;

    • oo.

      sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt;

    • pp.

      startkwalificatie: een diploma op Havo-, Vwo- of MBO 2-niveau.

    • qq.

      toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;

    • rr.

      vermogensgrens; genoemd in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet.

    • ss.

      vervoer i.h.k.v. leerlingenvervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;

    • tt.

      vervoersvoorziening i.h.k.v. leerlingenvervoer:

      • 1.

        bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider;

      • 2.

        aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of

      • 3.

        gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;

    • uu.

      voorliggende voorziening: een andere voorziening die vergelijkbaar is met een voorziening op grond van de wetten die ten grondslag liggen aan deze verordening, waardoor geen voorziening op grond van deze verordening hoeft te worden verleend;

    • vv.

      vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht voor anderen of de samenleving;

    • ww.

      woning i.h.k.v. leerlingenvervoer: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.

    • xx.

Hoofdstuk 2 Integrale benadering

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Iedere inwoner kan zich rechtstreeks met een hulpvraag, voor zichzelf of voor een ander, richten tot het college.

  • 2.

    In aanvulling op lid 1 van dit artikel kunnen ook professionals zoals de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, docent/schoolbegeleider of maatschappelijk ondersteuner een hulpvraag van een inwoner aan het college voorleggen.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk

  • 4.

    Het college maakt met de inwoner een afspraak voor het gesprek, zoals bedoeld in artikel 5 en bevestigt deze schriftelijk.

  • 5.

    Het college informeert de inwoner, en/of diens mantelzorger(s) of diens vertegenwoordiger, voorafgaand aan het gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 6.

    Het college wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 7.

    Het college informeert de inwoner(s) over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 8.

    Een hulpvraag kan enkelvoudig, meervoudig en/of complex zijn. Samen met de inwoner wordt bekeken wat de beste manier is om de hulpvraag te beantwoorden.

  • 9.

    Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan op te stellen.

Artikel 3. Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet;

Artikel 4. Vooronderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie.

  • 2.

    De inwoner dan wel diens vertegenwoordiger verstrekt het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek/gesprek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

  • 3.

    De inwoner verstrekt een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 4.

    Als de inwoner genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de inwoner afzien van een vooronderzoek.

Artikel 5. Het gesprek

  • 1.

    Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner en indien gewenst door de inwoner met zijn/haar mantelzorger, ouders, onafhankelijke cliëntondersteuner en/of andere begeleider. In het geval van een jeugdige kan het gesprek ook gevoerd worden met alleen de ouders of wettelijk vertegenwoordiger.

  • 2.

    In één of meerdere gesprekken, kan aan de orde komen:

    • a.

      de behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren, persoonlijke omstandigheden, veiligheid, ontwikkeling, financiële en gezinssituatie van de inwoner met een ondersteuningsvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheid van de inwoner om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met ondersteuning uit het sociaal netwerk of met algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorliggende voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • g.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt.

  • 3.

    Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, negende lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 4.

    Het college informeert de inwoner over de hoogte van de bijdrage in de kosten die de inwoner verschuldigd zal zijn volgens artikel 2.1.4. van de Wmo en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd.

  • 5.

    Het college informeert de inwoner over de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 6.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Advisering

  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

    • a.

      Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

    • b.

      Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Het college kan een adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de hulpvraag om een maatwerkvoorziening.

Artikel 7. Het ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college stelt na het gesprek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin één plan.

  • 2.

    Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten van het gesprek, de te nemen vervolgstappen, het gewenste resultaat en de relevante voorzieningen/ zorg die reeds aanwezig zijn.

  • 3.

    De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken.

  • 4.

    De inwoner tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan het college.

  • 5.

    Als de inwoner tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.

  • 6.

    Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan.

Artikel 8. Aanvraag van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening indienen bij het college.

  • 2.

    Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan is aangegeven.

  • 3.

    De aanvraag voor een maatwerkvoorziening Wmo kan niet eerder worden ingediend nadat het onderzoek, zoals omschreven in artikel vier tot en met zeven, is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de 6 weken als bedoeld in de Wmo.

Artikel 9. Verstrekken van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner:

    • a.

      op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en

    • b.

      geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en

    • c.

      met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en

    • d.

      geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is.

  • 2.

    Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

  • 3.

    Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner.

  • 4.

    Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

  • 5.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening of kosten die de belanghebbende vóór het indienen van de aanvraag heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

  • 6.

    Voor bepaalde voorzieningen kunnen specifieke bepalingen van kracht zijn. Deze staan genoemd in de hoofdstukken 3 tot en met 7 van deze verordening.

Artikel 10. Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en Jeugdwet

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening Wmo of jeugd wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is;

    • c.

      welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt;

    • d.

      welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is;

    • d.

      wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten Wmo wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 11. Maatwerkvoorziening via een pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo.

  • 2.

    Bekwaamheid van de cliënt met een persoonsgebonden budget

    • a.

      De inwoner moet handelingsbekwaam zijn en voldoende inzicht in de eigen situatie hebben;

    • b.

      De inwoner met een persoonsgebonden budget is in staat een werkgevers- of opdrachtgeversfunctie te vervullen.

    • c.

      Indien een bewindvoerder, belangenbehartiger, of wettelijk vertegenwoordiger de belangen van de inwoner behartigt, dient deze te voldoen aan lid a en b van dit artikel;

    • d.

      Een pgb kan worden geweigerd als er sprake is van verslavingsproblematiek

    • e.

      Een pgb kan worden geweigerd als er eerder misbruik is gemaakt van het pgb.

    • f.

      Indien er anders situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is, kan de gemeente de aanvraag tot een pgb gemotiveerd weigeren.

  • 3.

    Geen Pgb wordt verstrekt indien

    • a.

      voorzienbaar is dat in de (medische) situatie van de inwoner zich binnen de looptijd van het persoonsgebonden budget een ingrijpende wijziging voordoet en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel.

    • b.

      het intensieve begeleiding betreft en het moeilijk is de voorzieningen met pgb en zorg in natura op elkaar af te stemmen met het oog op de gewenste resultaten voor de inwoner.

  • 4.

    De kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie of lidmaatschappen komen niet in aanmerking voor een pgb.

  • 5.

    Een inwoner aan wie een pgb wordt verstrekt kan onder voorwaarden een maatwerkvoorziening betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:

    • a.

      deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten vergelijkbaar met het bruto uurloon conform de Wet Minimumloon of maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele aanbieders;

    • b.

      Indien de jeugdhulp wordt verleend door een persoon uit het sociale netwerk, blijft deze hulp beperkt tot die activiteiten die naar aard kunnen worden gezien als gebruikelijke zorg, in de vorm van begeleiding, dagactiviteiten, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en vervoer. Deze zorg komt alleen in aanmerking voor een pgb voor zover deze in tijd, duur of intensiteit het gebruikelijke overschrijdt.

    • c.

      De persoon uit het sociale netwerk is in staat de vereiste ondersteuning te bieden en planmatig aan de beoogde resultaten te werken.

    • d.

      De persoon uit het sociale netwerk zoekt afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur.

  • 6.

    Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken.

Artikel 12. Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 2.

    Het tarief zoals vermeld in dit lid, is een all-in tarief. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekering(en) en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor

    • a.

      een hulpmiddel, vervoersvoorziening of woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening indien deze in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering;

    • b.

      diensten (jeugdhulp, hulp bij het huishouden, begeleiding, dagbesteding en logeren) bedraagt maximaal 75% ten opzichte van de maatwerkvoorziening in natura als de ondersteuning wordt geleverd door een professionele aanbieder en maximaal € 20,00 per uur, dagdeel of etmaal als de ondersteuning wordt geleverd door iemand vanuit het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder.

    • c.

      als uitzondering op sub b geldt dat het pgb voor hulp bij het huishouden bij inzet van het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder gelijk is aan het wettelijk minimumloon + 20%.

    • d.

      vervoer naar dagbesteding bedraagt maximaal 75% ten opzichte van de maatwerkvoorziening in natura als de ondersteuning wordt geleverd door een professionele aanbieder. Als dit vervoer wordt geleverd door iemand vanuit het sociale netwerk dan bedraagt dit maximaal het tarief voor vervoer naar dagbesteding en geldt geen opslag voor een eventuele rolstoel.

    • e.

      Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk geldende bedragen.

Hoofdstuk 3 Specifieke bepalingen Jeugd

Artikel 13. Algemene voorzieningen jeugd

  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • Informatie en advies voor jeugdige en ouder zoals geboden door het Centrum voor Jeugd en Gezin;

    • Algemeen maatschappelijk werk;

    • Jeugdgezondheidszorg;

    • Veilig Thuis;

    • Integrale crisisdienst;

    • Vertrouwenspersoon;

    • Kindertelefoon;

    • Schoolmaatschappelijk werk.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de in het eerste lid genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen.

Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen jeugd

De volgende maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar:

  • Jeugdzorg plus;

  • Jeugdbescherming;

  • Jeugdreclassering;

  • Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp, dagbehandeling, verblijf pleegzorg, Verblijf 24- uurs zorg, spoedeisende zorg (ambulant en verblijf), vervoer en ernstig enkelvoudige dyslexie zorg;

  • Voor jeugd met een (licht)verstandelijke beperking: individuele begeleiding zonder verblijf, dagbesteding zonder verblijf, kortdurend verblijf/logeren, langdurend verblijf;

  • Jeugd GGZ, tweedelijns met en zonder verblijf.

Artikel 15. Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 10.

Artikel 16. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:

  • a.

    de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of

  • b.

    de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • kosten voor bijscholing van het personeel.

Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Maatschappelijke ondersteuning

Artikel 18. Aanvullende voorwaarden maatwerkvoorzieningen Wmo

  • 1.

    Een inwoner die beperkingen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie ondervindt, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, indien:

    • a.

      de maatwerkvoorziening de inwoner ondersteunt bij zijn maatschappelijke participatie en/of zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen;

    • b.

      de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang;

    • c.

      de maatwerkvoorziening een situatie realiseert waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt, als:

    • a.

      de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, of;

    • b.

      de eerder verstrekte voorziening vervroegd technisch is afgeschreven door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of;

    • c.

      de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan ondersteuning.

  • 3.

    Hulpmiddelen en woningaanpassingen worden niet verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk zijn.

  • 4.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo;

  • 5.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid, en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo;

  • 6.

    Het college verstrekt geen woonvoorziening:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • f.

      als redelijkerwijs uitgegaan kan worden van renovatie.

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 20. Regels voor bijdragen in de kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

  • 2.

    De bedragen per vier weken, de inkomensdefinitie- en bedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage zijn gelijk aan die genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015

  • 3.

    De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    • b.

      pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 4.

    In afwijking van hetgeen bepaald in lid 3 gelden voor de volgende voorzieningen de volgende bedragen voor het bepalen van de bijdrage in de kosten:

    • a.

      € 20,-- per uur voor begeleiding;

    • b.

      € 20,-- per dagdeel voor dagbesteding;

    • c.

      € 20,-- per etmaal voor kortdurend verblijf.

  • 5.

    In afwijking van hetgeen bepaald in lid 3 wordt bij hulpmiddelen uitgegaan van de kosten bij de laagst gecontracteerde aanbieder voor betreffend hulpmiddel.

  • 6.

    Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 7.

    Het college vraagt geen bijdrage voor:

    • a.

      voorzieningen voor inwoners onder de 18 jaar, uitgezonderd woningaanpassingen;

    • b.

      een rolstoel en het onderhoud hiervan, maar voor voorzieningen die van de rolstoel een vervoersvoorziening maken, wordt wel een bijdrage gevraagd;

    • c.

      het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV), hiervoor wordt een gereduceerd tarief (ritbijdrage) aan de inwoner gevraagd.

  • 8.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt gevraagd zolang de voorziening gebruikt wordt of tot de kostprijs bereikt is.

  • 9.

    In afwijking van lid 8 geldt voor woningaanpassingen dat de bijdrage in de kosten voor maximaal drie jaar wordt geïnd.

  • 10.

    In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de Wmo, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb vastgesteld en geïnd door het CAK.

Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2.

    De maximale tegemoetkoming voor:

    • a.

      verhuiskosten en inrichtingskosten bedraagt € 2.900,- per keer;

    • b.

      aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel of andere sportvoorziening bedraagt € 2.700,- voor een periode van minimaal drie jaar;

    • c.

      het bezoekbaar maken van een woning bedraagt € 2.900 per keer;

    • d.

      een autokostenvergoeding bedraagt € 750,- per jaar;

    • e.

      een taxikostenvergoeding bedraagt € 1.600,- per jaar;

    • f.

      een rolstoeltaxikostenvergoeding bedraagt € 2.100,- per jaar.

  • 3.

    Een tegemoetkoming wordt uitsluitend verleend op aanvraag. Artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    De besteding van de tegemoetkoming moet in de vorm van een factuur bij het college worden verantwoord:

    • a.

      binnen vier weken na realisatie bij een eenmalige tegemoetkoming, of

    • b.

      binnen vier weken na het kwartaal waarop de tegemoetkoming betrekking had bij een periodieke tegemoetkoming.

  • 5.

    De tegemoetkoming wordt vastgesteld en betaald binnen 8 weken na het ontvangen van de verantwoording.

  • 6.

    Het college kan besluiten een voorschot te verlenen op de tegemoetkoming.

  • 7.

    Als de werkelijke kosten lager zijn dan de aanvraag, wordt de tegemoetkoming op basis van de werkelijke kosten lager vastgesteld.

Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 23. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie en de eigen mogelijkheden van de inwoner;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg, specifiek de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de cliënt;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdere eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Werk, re-integratie en tegenprestatie

Paragraaf 5.1 Werk en re-integratie

Artikel 24. Budgetplafonds

Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.

Artikel 25. Evenwichtige verdeling

  • 1.

    Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

  • 2.

    Bij de keuze van de mogelijkheden tot ondersteuning en aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van een persoon, het de meest doelmatige is met het oog op inschakeling in de arbeid.

  • 3.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat die persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

Artikel 26. Algemene bepalingen over voorzieningen

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met inachtneming van hetgeen daarover in de Participatiewet en deze verordening is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    • a.

      de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;

    • b.

      de omvang en duur van de voorziening;

    • c.

      de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen;

    • d.

      de aanvraag van, en de besluitvorming over loonkostensubsidies en werkgeverspremies;

    • e.

      de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;

    • f.

      de intrekking of wijziging van de beschikking inzake de subsidieverlening of – vaststelling;

    • g.

      overige criteria voor aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies.

  • 2.

    Het college kan een voorziening beëindigen als:

Artikel 27. Werkervaringsplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze:

    • a.

      behoort tot de doelgroep, en

    • b.

      een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, of langer dan 12 maanden een uitkering heeft, of die nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van (specifieke) werkervaring, uitbreiden van kennis of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

  • 3.

    In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      het doel en de duur van de werkervaringsplaats, en

    • b.

      de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

  • 4.

    Het college vergoedt de naar zijn oordeel noodzakelijke reis- en of onkosten.

  • 5.

    Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt.

Artikel 28. Proefplaatsing

  • 1.

    Het college kan een persoon uit de doelgroep een proefplaatsing aanbieden bij een werkgever die schriftelijk heeft bevestigd voornemens te zijn een dienstbetrekking van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, met hem aan te gaan.

  • 2.

    Het doel van een proefplaatsing is om te onderzoeken of een persoon geschikt is voor de functie, of als een kortdurende periode waarin de loonwaarde wordt vastgesteld voor de persoon die behoort tot de doelgroep zoals genoemd in artikel 41 van deze verordening.

  • 3.

    De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden.

  • 4.

    Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt.

Artikel 29. Sociale activering

  • 1.

    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als de mogelijkheid bestaat dat die persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.

  • 2.

    Sociale activering heeft tot (eind-)doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel, te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven.

  • 3.

    Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

Artikel 30. Detacheringsbaan

  • 1.

    Het college kan een persoon die hoort tot de doelgroep en arbeidsvermogen heeft of een korte afstand tot de arbeidsmarkt heeft een dienstverband aanbieden.

  • 2.

    De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in twee schriftelijke overeenkomsten: één tussen de werkgever en de inlenende organisatie en één tussen de werknemer en de inlenende organisatie.

Artikel 31. Begeleiding naar en tijdens werk

  • 1.

    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep begeleiding naar en tijdens werk aanbieden.

  • 2.

    De voorziening heeft betrekking op doelgerichte werk- of re-integratietrajecten dan wel diagnose-instrumenten, of ter zake te maken kosten ter ondersteuning van die trajecten.

Artikel 32. Scholing

  • 1.

    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van 27 jaar of ouder, die geen recht heeft op studiefinanciering en niet beschikt over een startkwalificatie of die in aanmerking is gebracht voor een Participatieplaats ex artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet, een scholingstraject aanbieden.

  • 2.

    Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      het bevordert de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling en de (duurzame) uitstroom naar werk;

    • b.

      het sluit aan bij de capaciteiten van de persoon;

  • 3.

    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van 27 jaar of ouder, die geen recht heeft op studiefinanciering en die beschikt over een startkwalificatie een scholingstraject aanbieden, indien er sprake is van een concrete kans op een baan en de scholing noodzakelijk is voor het tot stand brengen van het dienstverband.

  • 4.

    In aanvulling op de voorwaarden genoemd in lid 2 geldt voor de persoon als bedoeld in lid 3 dat de scholing kortdurend is (maximaal 3 maanden) en niet voltijds gevolgd wordt.

Artikel 33. Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:

  • a.

    van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet nog niet is geëindigd.

  • b.

    Van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 34. Participatieplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2.

    Indien een persoon die in aanmerking is gebracht voor het verrichten van additionele werkzaamheden niet beschikt over een startkwalificatie, biedt het college, zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats, scholing of opleiding aan die gericht is op het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt, tenzij naar het oordeel van het college dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar het oordeel van het college de scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.

  • 4.

    De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt 50 euro per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 35. Participatievoorziening Beschut Werk

  • 1.

    Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie door het UWV is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon:

    • a.

      behoort tot de doelgroep zoals in artikel 10b lid 1 Participatiewet; of

    • b.

      een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.

  • 2.

    Het college wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt die geen perspectief hebben om regulier te werken, zoals is gebleken uit voorgaande traject(en) vanwege in de persoon gelegen factoren en geen doorstroom naar dienstbetrekking bij een reguliere werkgever mogelijk is.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon, van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek, omdat het aantal geraamde beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

  • 4.

    Om het in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde beschut werken mogelijk te maken kan het college voorzieningen zoals bedoeld in deze verordening inzetten.

  • 5.

    Tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt biedt het college voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan, die aansluiten bij de mogelijkheden van de persoon.

Artikel 36. Aanpassing werkplek en vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een werkplekaanpassing aanbieden aan een werkgever die een werknemer uit de doelgroep met een arbeidsbeperking in dienst neemt voor wie die aanpassing naar het oordeel van het college noodzakelijk is om aan het werk te komen dan wel te blijven. De werkplekaanpassing is aan de persoon gerelateerd en is geen reguliere werkplekaanpassing.

  • 2.

    De werkplekaanpassing wordt niet verstrekt aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt.

  • 3.

    Het college kan een vervoersvoorziening voor woon-werkverkeer toekennen aan een persoon met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking.

Artikel 37. Uitsplitsing van taken

Het college kan een persoon uit de doelgroep met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking en een grote afstand tot arbeidsmarkt aanbieden om met een werkgever de mogelijkheden van functiecreatie door uitsplitsing van taken te onderzoeken. Dit om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Artikel 38. Persoonlijke ondersteuning

Aan een persoon die behoort tot de doelgroep en een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, kan het college persoonlijke ondersteuning (c.q. jobcoaching) op de werkplek in de vorm van systematische begeleiding aanbieden bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken. Dit kan in de vorm van systematische begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Artikel 39. No-risk polis

Werkgevers kunnen bij ziekte van de werknemer gebruik maken van de no-risk polis die het UWV aanbiedt voor personen uit de gemeentelijke doelgroepen banenafspraak en beschut werk.

Artikel 40. Werkgeverspremie

  • 1.

    Het college kan een werkgeverspremie verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten.

  • 2.

    Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:

    • a.

      in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft

      gevonden; of

    • b.

      geen startkwalificatie bezit; of

    • c.

      tussen 18 en 24 jaar, of ouder is dan 50 jaar is; of

    • d.

      alleenstaande ouder is; of

    • e.

      in de afgelopen twee jaar zijn opleiding in het voltijds onderwijs heeft voltooid en die zijn eerste reguliere, betaalde betrekking nog niet heeft gevonden; of

    • f.

      die behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om zijn vooruitzichten op het verkrijgen van vast werk te verbeteren.

  • 3.

    Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest of gedurende ten minste twaalf maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad en behoort tot één van de categorieën b t/m e vermeld onder de definitie van kwetsbare werknemer in het voorgaande lid.

  • 4.

    De werkgeverspremie wordt:

    • a.

      aan werkgevers, niet zijnde uitzendbureaus, verstrekt bij een dienstverband van minimaal zes maanden met een inzet van minimaal 32 uur per week, en heeft een duur van ten hoogste twaalf maanden.

    • b.

      aan uitzendbureaus verstrekt bij een uitzendovereenkomst van minimaal 8 uur per week werk voor een periode van minimaal 26 weken, en heeft een duur van ten hoogste 12 maanden.

  • 5.

    Het college bepaalt de hoogte van de werkgeverspremie.

  • 6.

    Er wordt geen werkgeverspremie verstrekt aan een werkgever die de uitkeringsgerechtigde al in dienst heeft genomen voorafgaand aan de aanvraag van de werkgeverspremie.

  • 7.

    Indien de werknemer langer dan één maand voorafgaand aan de overeenkomst bij dezelfde werkgever heeft gewerkt met behoud van uitkering, komt de werkgever niet in aanmerking voor een werkgeverspremie.

  • 8.

    Er wordt niet binnen één jaar een werkgeverspremie verstrekt voor eenzelfde functie die niet werd gecontinueerd.

  • 9.

    De werkgeverspremie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaats vindt. De vacature mag niet zijn ontstaan door afvloeiing.

  • 10.

    De werkgeverspremie wordt niet verstrekt aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt.

Artikel 41. Loonkostensubsidie

  • 1.

    Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie conform artikel 6 lid 1e uit de Participatiewet.

  • 2.

    Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen.

  • 3.

    Een arbeidsdeskundige adviseert met behulp van de Dariuz-methodiek het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. De arbeidsdeskundige neemt daarbij de in de bijlage omschreven methode in acht.

  • 4.

    De loonkostensubsidie is beschikbaar voor mensen waarbij objectief is vastgesteld dat sprake is van beperkingen van lichamelijke, verstandelijke, psychische of andere aard die naar verwachting leiden tot een arbeidsprestatie met een loonwaarde van minder dan 70% van het wettelijk minimumloon.

  • 5.

    De loonkostensubsidie wordt naar loonwaarde vastgesteld, maar bedraagt nooit meer dan 70% van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantietoeslag vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten zoals genoemd in artikel 10d lid 4 Participatiewet.

  • 6.

     

    • a.

      Vanaf het moment dat een persoon voor wie het college loonkostensubsidie aan een werkgever toekent ziek wordt, en de werkgever een uitkering op grond van de no-risk polis zoals bedoeld in artikel 39 van deze verordening ontvangt, wordt het recht op loonkostensubsidie opgeschort voor de duur van de uitkering van de no-risk polis.

    • b.

      Te veel betaalde loonkostensubsidie wordt aan het einde van de arbeidsovereenkomst vastgesteld en dit wordt door de werkgever terugbetaald aan gemeente.

  • 7.

    Het recht op loonkostensubsidie vervalt indien de werkgever geen salaris voor de persoon die behoort tot de doelgroep is verschuldigd.

  • 8.

    Het college kan gedurende maximaal de eerste zes maanden van het dienstverband een forfaitaire loonkostensubsidie toekennen van 50 procent van het wettelijk minimumloon. Het college stelt nadere regels over de voorwaarden van een forfaitaire loonkostensubsidie.

Artikel 42. Uitstroompremie
  • 1.

    Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze van ouder dan 27 jaar die door een dienstverband van minimaal zes maanden uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand.

  • 2.

    Een langdurig werkloze, genoemd in het eerste lid, is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een gemeentelijke uitkering aangewezen is, of is geweest.

  • 3.

    Het college bepaalt de hoogte van de uitstroompremie in nadere regels.

     

Paragraaf 5.2 Tegenprestatie

Artikel 43. Tegenprestatie naar vermogen

  • naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

  • niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;

  • worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

  • niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Artikel 44. Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan:

    • a.

      De belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in de verordening

    • b.

      de belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.

  • 3.

    Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

  • 4.

    Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;

    • b.

      de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

    • c.

      de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen.

Artikel 45. Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 6 maanden.

  • 2.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 10 uren per week.

  • 3.

    De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts tweemaal worden opgedragen en omvat in die periode ten hoogste 26 dagen.

Artikel 46. Geen werkzaamheden voorhanden

Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

 

Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Inkomen

Artikel 47. Individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2.

    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar voor personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd:

    • a.

      voor gehuwden: € 538,00;

    • b.

      voor een alleenstaande ouder: € 485,00;

    • c.

      voor een alleenstaande: € 378,00.

  • 3.

    Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 4.

    Voor toepassing van de voorgaande leden is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 5.

    De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks door het college geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 48. Individuele Studietoeslag

  • 1.

    Het college beoordeelt of belanghebbende niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 2.

    Het college kan arbeidskundig advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Indien het college op basis van beschikbare gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werkgeversverzekeringen, eventuele eerdere medische keuringen en informatie vanuit het netwerk, zoals bijvoorbeeld een onderwijsinstelling, de beoordeling bedoeld in het eerste lid kan maken, wint het geen arbeidskundig advies in.

  • 4.

    Het college beoordeelt of de opleiding bijdraagt aan het vergroten van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

  • 5.

    Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van twaalf maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

  • 6.

    Een individuele studietoeslag bedraagt maximaal € 150,00 netto per maand.

  • 7.

    Indien belanghebbende niet meer voldoet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36b van de Participatiewet vervalt het recht op de individuele studietoeslag per de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de persoon niet meer aan de voorwaarden voldoet.

  • 8.

    Een individuele studietoeslag wordt maandelijks, in twaalf gelijke delen uitbetaald

Artikel 49.1 Tegemoetkoming kosten maatschappelijke participatie

Het college kent een tegemoetkoming in de kosten van maatschappelijke participatie toe aan de volgende personen, mits zij ingezetenen zijn van de gemeente Waddinxveen:

  • a.

    kinderen tot 18 jaar;

  • b.

    personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben of

  • c.

    personen tussen 18 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd, die chronisch ziek of gehandicapt zijn.

Artikel 49.2 Het recht op tegemoetkoming

  • 1.

    Recht op tegemoetkoming bestaat wanneer het inkomen in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de in aanmerking te nemen kosten zijn gemaakt, onder de in artikel 49.3 genoemde inkomensgrens ligt.

  • 2.

    Het gestelde in lid 1 kan buiten toepassing worden gelaten indien het inkomen in het lopende kalenderjaar is gewijzigd. In dat geval wordt gekeken naar het netto inkomen op het moment van de aanvraag.

Artikel 49.3 De inkomensgrens

De hoogte van de inkomensgrens bedraagt 130% van de op dat moment geldende bijstandsnorm ingevolge de Participatiewet.

Artikel 49.4 De vermogensgrens

De vermogensgrens, genoemd in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet is van toepassing op de regelingen maatschappelijke participatie.

Artikel 49.5 De aanvraag

  • 1.

    Indien er een tegemoetkoming wordt aangevraagd voor een kind, dient de aanvraag te geschieden door de ouder(s) of verzorger(s) bij wie dit kind inwoont.

  • 2.

    Bij de aanvraag wordt verklaard dat de gevraagde vergoeding wordt besteed aan de voor de tegemoetkoming in aanmerking komende kosten.

  • 3.

    Bij de aanvraag wordt verklaard dat de aanvrager instemt met een bestedingscontrole achteraf en op verzoek van het college de betaalbewijzen zal verstrekken.

Artikel 49.6 Tegemoetkoming maatschappelijke activiteiten

  • 1.

    De tegemoetkoming wordt verleend voor kosten op het gebied van sport, cultuur, recreatie of andere relevante maatschappelijke activiteiten die beoogt een sociaal isolement te voorkomen of te doorbreken.

  • 2.

    De werkelijke kosten voor activiteiten en materialen, genoemd in lid 1, worden vergoedt tot een maximum van € 102,- per persoon per kalenderjaar.

  • 3.

    In aanvulling op het voorgaande lid:

    • kunnen personen tot 18 jaar lid zijn van één sportvereniging in de regio Midden-Holland of één cursus per kalenderjaar volgen bij Stichting Vonk Waddinxveen. De werkelijke kosten (lidmaatschap of cursus) van één activiteit worden volledig vergoed.

    • bedraagt de tegemoetkoming voor personen ouder dan 18 jaar, 50% van de werkelijke kosten per persoon per kalenderjaar voor een cursus bij Stichting Vonk Waddinxveen of Palet Welzijn Waddinxveen.

  • 4.

    De bedragen genoemd in het tweede lid worden jaarlijks door het college geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 49.7 Tegemoetkoming schoolkosten

  • 1.

    De tegemoetkoming wordt verleend voor schoolkosten van een of meer kinderen die in groep 8 zitten van het basisonderwijs of voortgezet onderwijs tot en met de leeftijd van 17 jaar, die ten laste komen van rechthebbende.

  • 2.

    De werkelijke kosten per schooljaar worden vergoedt tot een maximum van € 215,- per kind.

  • 3.

    In tegenstelling tot lid 2 bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 429,- in het schooljaar dat het kind in groep 8 van het basisonderwijs zit.

  • 4.

    De bedragen genoemd in het tweede en derde lid worden jaarlijks door het college geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 49.8 Collectieve ziektekostenverzekering

Met toepassing van artikel 35 lid 3 van de Participatiewet kan een rechthebbende deelnemen aan een door de gemeente gesloten collectieve aanvullende zorgverzekering.

Artikel 49.9 Bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten

  • 1.

    Er wordt voor de werkelijke kosten maximaal een bedrag van € 150,- per jaar aan bijzondere bijstand verstrekt voor de meerkosten die verband houden met de chronische ziekte of handicap.

  • 2.

    De tegemoetkoming wordt verleend aan personen

    • a.

      die een uitkering op grond van de WIA, WAO,WAZ of Wajong ontvangen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100% of

    • b.

      met een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) die langer dan 6 maanden geldig is of

    • c.

      die een maatwerkvoorziening ontvangen op grond van de Wmo of

    • d.

      een verklaring hebben van een onafhankelijk indicatieorgaan waaruit blijkt dat er sprake is van een chronische ziekte of handicap (bijvoorbeeld begeleidingskaart voor het openbaar vervoer).

Hoofdstuk 7 Specifieke bepalingen leerlingenvervoer

Paragraaf 7.1 Algemene bepalingen

Artikel 50. De door het college noodzakelijk te achten voorziening leerlingenvervoer

  • 1.

    Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een voorziening leerlingenvervoer toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

  • 2.

    Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

  • 3.

    De bepalingen in dit hoofdstuk laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

  • 4.

    Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de voorziening leerlingenvervoer op aanvraag verstrekt aan de leerling.

Artikel 51. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

  • 2.

    Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

  • 3.

    Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan onderwijs, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.

Artikel 52. Toekenning vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 2.

    Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

    • a.

      wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

Artikel 53. Peildatum leeftijd leerling

Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van dit hoofdstuk is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft.

Artikel 54. Andere vergoedingen

De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.

 

Paragraaf 7.2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

Artikel 55. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

  • 1.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder school:

  • 2.

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en:

    • a.

      de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of

    • b.

      een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a.

Artikel 56. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 55 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.

  • 2.

    Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

Artikel 57. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 55 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider indien:

    • a.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 56 en de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of

    • b.

      de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.

  • 2.

    Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

Artikel 58. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 55 bezoekt, indien:

    • a.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 56 of 57 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

    • b.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 56 of 57 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

    • c.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 57 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

    • d.

      de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 2.

    Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.

Artikel 59. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

  • 1.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:

    • a.

      een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid; of

    • b.

      een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.

  • 3.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding beperkt zich tot de rit(ten) waarin de leerling wordt vervoerd.

  • 4.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

Artikel 60. Drempelbedrag

  • 1.

    Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 25.650,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 56 bepaalde afstand te boven gaan.

  • 2.

    In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 56 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 25.650,-.

  • 3.

    De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 56 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4.

    Het bedrag van € 25.650,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 25.650,-.

  • 5.

    Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Artikel 61. Financiële draagkracht

  • 1.

    Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.

  • 2.

    In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3.

    De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders.

    Zij bedragen (schooljaar 2017-2018):

    Inkomen in euro’s

    Eigen bijdragen in euro’s

    € 0- € 34.000

    Nihil

    € 34.000- € 41.000

    € 145

    € 41.000- € 47.500

    € 600

    € 47.500- € 53.500

    € 1.120

    € 53.500- € 61.000

    € 1.635

    € 61.000- € 67.500

    € 2.155

    € 67.500 en verder

    Voor elke extra € 5.000: € 530 erbij

  • 4.

    De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

  • 5.

    De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

  • 6.

    Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

     

Paragraaf 7.3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

Artikel 62. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

In deze paragraaf wordt verstaan onder school:

Artikel 63. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 62 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.

  • 2.

    Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

  • 3.

    In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets.

Artikel 64. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 62 bezoekt, indien:

    • a.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 63 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

    • b.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 63 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

    • c.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 63 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

    • d.

      de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 2.

    Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste vervoer.

Artikel 65. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

  • 1.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:

    • a.

      een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;

    • b.

      een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.

  • 3.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze bekostiging beperkt zich tot de rit(ten) waarin de leerling wordt vervoerd.

  • 4.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

     

Paragraaf 7.4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer

Artikel 66. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders

Met inachtneming van artikel 51 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf.

Artikel 67. Voorziening leerlingenvervoer voor weekeinde en vakantie

  • 1.

    Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties.

  • 2.

    Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 3.

    Paragraaf 7.2 en 7.3 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 58 en 64, beide eerste lid, aanhef en onder a.

Hoofdstuk 8 Wijzigingen, handhaving en maatregelen

Paragraaf 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 68. Nieuwe feiten en omstandigheden

  • 1.

    Een inwoner doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande het recht, op de hoogte of de duur van een (maatwerk)voorziening.

  • 2.

    Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende maatwerkvoorziening vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een voorziening toe.

  • 3.

    Indien de inwoner niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een maatwerkvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de voorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een voorziening toe. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee.

Artikel 69. Terugvordering en intrekken

  • 1.

    Het besluit tot verstrekken van de maatwerkvoorziening danwel de kosten van deze voorziening alsook deze voorziening in de vorm van een uitkering krachtens de Participatiewet, zijnde kosten van bijstand, kan worden ingetrokken respectievelijk kunnen worden teruggevorderd indien:

    • a.

      De tot de maatwerkvoorziening gerechtigde inwoner in het kader van de aanvraag onjuiste, verouderde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

    • b.

      De betreffende inwoner weigert te voldoen aan nader gestelde verplichtingen;

    • c.

      De inwoner niet langer voldoet aan gestelde voorwaarden;

    • d.

      De inwoner de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bestemd is of

    • e.

      Een pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verleend;

    • f.

      De omstandigheden en/of feiten zoals gesteld in artikel 58 lid 1 en 2 en 59 Participatiewet zich voordoen en voorts in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW en de IOAZ voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet.

  • 2.

    Als het college een besluit op grond van het eerste lid heeft ingetrokken kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen danwel deze verrekenen met een eventuele nieuw te verstrekken maatwerkvoorziening.

  • 3.

    Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 4.

    Het college kan van terugvordering afzien wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn.

  • 5.

    Voor terug- en invordering wordt gebruik gemaakt van de Algemene wet bestuursrecht, het privaatrecht en de regels voor terugvordering van bijstand zoals bedoeld in de Participatiewet.

  • 6.

    Het college ziet af van terugvordering wanneer het totaal te vorderen bedrag lager is of gelijk aan 50 euro per kalenderjaar.

  • 7.

    Het college stelt beleidsregels vast voor de uitvoering van de terugvordering als bedoeld onder lid 1 f.

     

Paragraaf 8.2 Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ

Artikel 70. Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en

  • d.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Artikel 71. Afzien van verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van een verlaging als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of als

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 72. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    Indien het besluit tot afstemming vóór de 15e van een maand bekend wordt gemaakt, kan de verlaging worden toegepast over diezelfde kalendermaand.

  • 2.

    Wordt het besluit tot afstemming na de 15e aan belanghebbende bekendgemaakt, dan kan de verlaging eerst worden toegepast over de eerstvolgende kalendermaand.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan de verlaging over voorliggende maanden worden toegepast, voor zover de bijstand over deze maanden nog niet is uitbetaald.

  • 4.

    Indien de verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd omdat het recht op bijstand is beëindigd, wordt aan belanghebbende medegedeeld dat (het resterende deel van) de verlaging ten uitvoer wordt gelegd indien hij binnen een jaar na die mededeling opnieuw een uitkering ontvangt.

Artikel 73. Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

    • a.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of

    • b.

      de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de artikelen 74.1 tot en met 78 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.

  • 4.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de artikelen 74.1 tot en met 78 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.

Artikel 74. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

 

Artikel 74.1 Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën

Artikel 74.2 Niet meewerken aan taaltoets

Het niet meewerken aan het afnemen van een taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet wordt aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie zoals bedoeld in artikel 74.1 van deze verordening.

Artikel 74.3 Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

Artikel 74.4 Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 74.1 en 74.3, wordt vastgesteld op:

  • a.

    10%van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

Artikel 75. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

  • 1.

    Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

  • 2.

    Het bedrag van de verlaging, bedoeld in lid 1, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

  • 3.

    Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het tweede lid plaats.

Artikel 76. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Indien de belanghebbede een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt de bijstand verlaagd, naar gelang de hoogte van het behandelingsbedrag.

  • 2.

    Onverminderd artikel 70 wordt de verlaging als volgt vastgesteld:

    • a.

      indien de belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt voor kosten waarvoor hij aanspraak had kunnen maken op een voorliggende voorziening: 100% van het benadelingsbedrag;

    • b.

      indien de belanghebbende algemene bijstand aanvraagt voor kosten waarvoor hij aanspraak had kunnen maken op een voorliggende voorziening: 100% van het benadelingsbedrag, tenzij het inkomen van belanghebbende hierdoor langdurig veel lager zou zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm minus de verlaging die het college zou toepassen;

    • c.

      indien de belanghebbende zijn middelen onverantwoord besteedt: 20% van de bijstandsnorm gedurende de periode dat belanghebbende bij verantwoorde besteding van de middelen nog geen beroep de bijstand had hoeven doen;

    • d.

      indien belanghebbende de hem opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet niet nakomt: 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 77. Zeer ernstige misdraging

  • 1.

    Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van:

    • a.

      100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen;

    • b.

      50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen.

  • 2.

    Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van:

    • a.

      100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen;

    • b.

      50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het tweede lid genoemde personen.

Artikel 78. Niet nakomen van overige verplichtingen

Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

  • 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Artikel 79. Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

  • 3.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 80. Recidive

  • 1.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 74.1sub b en c, artikel 74.3 sub b en c, artikel 77 eerste lid, sub b, en artikel 77 tweede lid, sub b, of artikel 78 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt de uitkering bij de eerste herhaling verlaagd gedurende 2 maanden, en bij een volgende herhaling gedurende 3 maanden.

  • 2.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 74.1sub a, of artikel 74.3 sub a, schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.

  • 3.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, wordt de uitkering bij de eerste herhaling met 100% van de bijstandsnorm verlaagd gedurende 2 maanden.

  • 4.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 77 eerste lid, sub a of artikel 77, tweede lid, sub a, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt de uitkering steeds (met 100%) verlaagd voor 3 maanden.

Artikel 81. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Artikel 82. Nalatigheid IOAW/IOAZ

  • 1.

    Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • 2.

    Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:

    • a.

      nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of

    • b.

      door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Artikel 83. Handhaving

Artikel 83.1 Opdracht aan het college

  • 1.

    Het college zorgt voor de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ, waaronder de bestrijding van fraude en van misbruik en oneigenlijk gebruik en stelt hiertoe periodiek doch in elk geval eens per vier jaar een beleidsplan vast.

  • 2.

    Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de middelen die de Participatiewet, IOAW en IOAZ biedt om misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten tegen te gaan.

  • 3.

    Het college informeert de raad periodiek over de in het eerste lid bedoelde uitvoering.

Artikel 83.2 Verhaal

  • 1.

    Het college verhaalt de kosten van bijstand boven een nader door het college te bepalen bedrag, en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 61 en 62 van de Participatiewet, voor zover zich hier geen andere wettelijke regel tegen verzet.

  • 2.

    Van verhaal wordt afgezien, als daarvoor zeer dringende redenen aanwezig zijn.

  • 3.

    Het college stelt beleidsregels vast voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 83.3 Aangifte

Indien een gedraging van de belanghebbende leidt tot benadeling van de gemeente, doet het college, onverminderd de verplichting de ten onrechte verstrekte bijstand of inkomensvoorziening terug te vorderen, aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door de wetgever en het Openbaar Ministerie hiervoor gehanteerde uitgangspunten.

Hoofdstuk 9 Cliëntenparticipatie en klachten

Artikel 84. Betrekken van ingezetenen en belangenbehartigers bij het beleid

Het college betrekt ingezetenen van de gemeente waaronder in ieder geval cliënten of vertegenwoordigers van cliëntgroepen zijnde dezen verzameld en vertegenwoordigd door de Participatieadviesraad, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, participatie en jeugd overeenkomstig de door de Raad van de Gemeente op 16 december 2015 vastgestelde “Verordening participatieadviesraad sociaal domein Waddinxveen 2015”.

Artikel 85. Klachtenregeling

  • 1.

    Het college handelt klachten af overeenkomstig de door de gemeente gestelde klachtenregeling.

  • 2.

    Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten hebben een regeling vastgesteld voor de afhandeling van klachten van cliënten.

  • 3.

    In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 86. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie de gemeente subsidie heeft verleend, hebben een cliëntenraad die belast is met de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van de aanbieder.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

Artikel 87. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 88. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Wmo

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo.

  • 2.

    Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 89. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De volgende verordeningen worden ingetrokken

    • a.

      Verordening maatschappelijke ondersteuning Waddinxveen 2016;

    • b.

      Verordening jeugdhulp Waddinxveen 2016;

    • c.

      Verordening leerlingenvervoer gemeente Waddinxveen 2012;

    • d.

      Verordening Regeling bijdrage maatschappelijke activiteiten 2015;

    • e.

      Verordening maatschappelijke participatie;

    • f.

      Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Waddinxveen 2015;

    • g.

      Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet, Waddinxveen 2015;

    • h.

      Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Waddinxveen 2015

    • i.

      Verordening Individuele Studietoeslag Waddinxveen 2015;

    • j.

      Verordening Individuele Inkomenstoeslag Waddinxveen 2015;

    • k.

      Re-integratieverordening Waddinxveen 2015.

    • l.

      Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015, gemeente Waddinxveen.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid1genoemde verordeningen totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de onder lid 1 genoemde verordeningen maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening.

Artikel 90. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als Verordening sociaal domein Waddinxveen 2018.

Toelichting op de Verordening sociaal domein Waddinxveen

Sinds 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. Taken die voorheen door het rijk en door provincies uitgevoerd werden, worden nu door de gemeenten uitgevoerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdzorg, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), de uitvoering van de Participatiewet en het leerlingenvervoer. Deze bredere verantwoordelijkheid voor gemeenten is voor Waddinxveen aanleiding geweest om een integrale vorm van ondersteuning aan inwoners te ontwikkelen. Het doel hierbij is dat inwoners met vragen en problemen zo min mogelijk geconfronteerd worden met verschillende hulpverleners, organisaties en schotten tussen organisaties en één aanspreekpunt binnen de gemeente hebben.

In het kader van deze doelstelling is een volgende logische stap dat één integrale verordening voor de betreffende beleidsterreinen tot stand komt. Deze ‘Verordening Sociaal Domein’ ligt nu voor u.

Visie

In regionaal verband is een visie ontwikkeld op welke wijze na de decentralisatie in 2015 de taken door de gemeenten worden uitgevoerd. Deze visie is beschreven in de nota “Gebundelde krachten” en in 2014 door de gemeenteraad van Waddinxveen vastgesteld. De kern is dat iedere inwoner zoveel als mogelijk meedoet in de samenleving. Er zijn zeven uitgangspunten geformuleerd:

  • 1.

    De inwoner staat centraal.

  • 2.

    Eigen kracht vormt de basis.

  • 3.

    Iedereen kan meedoen.

  • 4.

    De gemeente voert regie en stuurt op resultaat.

  • 5.

    Er wordt geïnvesteerd in preventie.

  • 6.

    Er is sprake van 1 cliënt/gezin-1 plan/aanpak-1 regisseur/hulpverlener.

  • 7.

    Iedereen geeft het goede voorbeeld.

Inwoners van de gemeente Waddinxveen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun leven en voor het aanpakken van problemen, die zich kunnen voordoen. Veel inwoners zijn gelukkig in staat om op eigen kracht of met behulp van hun sociale netwerk vraagstukken aan te pakken en op te lossen. Het denken en handelen vanuit de mogelijkheden van mensen in plaats van de beperkingen en problemen helpt daarbij.

De gemeente biedt hierbij ondersteuning in de vorm van diverse algemene voorzieningen, die de eigen kracht van inwoners en de onderlinge hulpverlening (kunnen) versterken. De rol van de gemeente verschuift hierbij van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dát’.

Integrale beoordeling

Realisatie van de hierboven genoemde uitgangspunten vereist een integrale beoordeling van door inwoners aangedragen problematiek/hulpvragen. Bij de uitvoering hiervan speelt het sociaal team een centrale rol. Vanaf de start geldt het principe 1 cliënt/gezin-1 plan/aanpak-1 regisseur/hulpverlener. Het gaat hierbij onder meer om snelle (h)erkenning en signalering van het probleem en/of de vraag, het aanbrengen van samenhang, het voeren van een gesprek over de problematiek als geheel, het doen van een alle problematiek omvattend onderzoek en het verbeteren van afstemming en coördinatie van de voorzieningen. Inwoners kunnen van de gemeente verwachten dat dit onderzoek grondig wordt uitgevoerd en – uiteraard - in samenspraak met de betreffende inwoners.

 

Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening en wordt één ondersteuningsplan opgesteld. Daarbij wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en wat, indien nodig, de omgeving kan bijdragen. Als dat ontoereikend mocht zijn dan organiseert de gemeente ondersteuning op maat. Inwoners houden daarbij zoveel mogelijk zelf de regie; zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat nodig is. De resultaten die met/door de betreffende inwoner(s) moeten worden bereikt staan centraal; niet de organisaties, structuren e.d.

Maatschappelijke effecten

Binnen Waddinxveen zijn verschillende maatschappelijke effecten vastgesteld, die met deze werkwijze moeten worden bereikt. Deze spelen een belangrijke rol bij de beoordeling van een vraag om ondersteuning en bij het opstellen van een ondersteuningsplan.

  • Waddinxveen is een gemeente waar iedereen tot zijn recht kan komen. Het maakt niet uit welke culturele achtergrond, geslacht, leeftijd, levensovertuiging, talenten en beperkingen iemand heeft. Iedereen neemt op een gelijkwaardige manier deel aan de maatschappij. Mensen worden aangesproken op hun mogelijkheden, niet op hun beperkingen;

  • Inwoners van Waddinxveen zijn zoveel als mogelijk zelfredzaam en participeren naar vermogen in de samenleving, met inzet van hun sociale netwerk, algemene voorzieningen en eventueel professionele ondersteuning als dat nodig is;

  • De vraag naar (individuele) hulp en ondersteuning neemt als gevolg van de beschreven werkwijze af;

  • In Waddinxveen werken we samen aan het doel om mensen steeds op hun eigen kracht en lerend vermogen aan te spreken. De samenwerking tussen- en met andere sectoren, organisaties, verbanden en verenigingen zorgt voor een effectieve en sluitende ondersteuningsstructuur;

  • De buurt of wijk is een prettige woon- en leefomgeving voor alle inwoners;

  • Inwoners van Waddinxveen voelen zich verantwoordelijk voor zichzelf en voor hun sociale netwerk. De inwoners vergroten samen de leefbaarheid in de buurt en signaleren en ondernemen zelf actie als ze zich zorgen maken;

  • Kinderen en jongeren in Waddinxveen tot 23 jaar moeten gezond en veilig kunnen opgroeien tot zelfstandige volwassenen, die naar vermogen actief deelnemen aan het sociale, economische, culturele, educatieve en sportieve leven.

Eén verordening voor het gehele sociaal domein

Het werken met één verordening voor het gehele sociaal domein zit landelijk gezien nog in de pioniersfase. De gemeente Waddinxveen is een van de eerste gemeenten die vier wetten in één verordening beschrijft. De gemeente gaat daarmee van twaalf verordeningen terug naar één integrale verordening. En daar zijn we trots op. Uiteraard is er de komende jaren evaluatie en bijschaving nodig, maar dit is een grote stap voorwaarts voor onze inwoners. We hopen de werkwijze, regels, rechten en plichten op deze manier zo helder mogelijk te hebben voor onze inwoners, voor het sociaal team en voor andere partners.

Leeswijzer

Naast het integrale proces in hoofdstuk twee zijn in aparte hoofdstukken bepalingen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden. Het totaal van deze hoofdstukken geeft kaders voor de beslissing op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Hier geldt altijd dat de bepalingen in de wet voorliggend zijn in geval van tegenstrijdigheden met de verordening.

Hierna wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht.

Hoofdstuk 1 Begrippen

In dit hoofdstuk zijn de begrippen opgenomen die in de verordening worden gebruikt. Als een begrip niet nader is omschreven heeft deze dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, Jeugdwet, Wmo 2015, Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

 

In dit hoofdstuk zijn met name de begrippen opgenomen die in deze verordening eenzelfde betekenis hebben maar in de verschillende wetten die ten grondslag liggen aan deze verordening een andere begripsomschrijving kennen.

  • d.

    Algemeen gebruikelijke voorziening

    Een algemeen gebruikelijk voorziening voldoet aan drie criteria. De voorziening is:

    • niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking;

    • algemeen verkrijgbaar, en;

    • niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten.

  • Hoewel een groot aantal voorzieningen als algemeen gebruikelijk wordt geacht, wordt per inwoner gekeken of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Er wordt dan ook geen opsomming gegeven van voorzieningen die voor elke inwoner algemene gebruikelijk zijn. Bij het bepalen of een voorziening algemeen gebruikelijk is wordt gekeken naar de financiële draagkracht en persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en gezinssamenstelling.

     

  • e.

    Algemene voorziening

    Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig.

     

    De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wmo 2015 (Wmo). In de Jeugdwet wordt van ‘overige voorziening’ gesproken. In de Participatiewet, IOAW en IOAZ komt een soortgelijk begrip niet voor. Ook ligt een dergelijk begrip niet ten grondslag aan de regelgeving omtrent het leerlingenvervoer.

     

    Dat het begrip algemene voorziening alleen voorkomt in de Wmo en de Jeugdwet geeft aan dat met name bij een ondersteuningsvraag vanuit deze wetten een algemene voorziening ingezet kan worden. Daar waar mogelijk is dit ook het geval bij ondersteuningsvragen op een ander gebied die vallen onder deze verordening. Om deze reden maakt de algemene voorziening onderdeel uit van het integrale afwegingskader.

     

  • f.

    College

    Het college van burgemeester en wethouders. Het college is bevoegd tot het uitvoeren van de wettelijk kaders. Daar waar nodig kan het college haar bevoegdheden mandateren of delegeren.

     

  • j.

    Eigen plan

    In de Wmo 2015 is in artikel 2.3.2. de mogelijkheid opgenomen om een persoonlijk plan op te stellen. Dit plan is niet vormvrij en moet voldoen aan het gesteld in de Wmo 2015, artikel 2.3.2 lid 5.

     

    In de Jeugdwet is de mogelijkheid genomen om een familiegroepsplan (artikel 1.1) op te stellen. Dit plan is vormvrij.

     

    In de Participatiewet (artikel 44a) wordt gesproken over een plan van aanpak. In dat plan wordt, indien van toepassing, de uitwerking van de ondersteuning opgenomen. In ieder geval wordt opgenomen wat de verplichtingen zijn gericht op arbeidsinschakeling en wat de gevolgen zijn als die verplichtingen niet worden nagekomen. Het plan wordt opgesteld door het college en heeft daardoor een ander karakter dan in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. In het plan van aanpak wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbenden.

     

    De IOAW, IOAZ en wetgeving voor het leerlingenvervoer kennen geen bepalingen rondom het opstellen van een plan. In deze verordening maakt het opstellen van een eigen plan wel onderdeel uit van het integrale proces. Het is immers denkbaar dat vanuit de zelfredzaamheid en eigen kracht een inwoner (ook) een eigen plan opstelt voor een vraagstuk binnen deze wetten.

     

    In alle gevallen waarin een eigen plan is opgesteld betrekt het college dit bij het beantwoorden van de ondersteuningsvraag.

     

  • m.

    Gebruikelijke hulp

    Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder grondslag kan de omvang van de zorg (per dag) verschillen. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen.

     

    Bij gebruikelijke zorg wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties.

    • Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hierbij in het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

    • Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de zorg langer dan drie maanden nodig zal zijn.

     

  • In kortdurende situaties moet alle ondersteuning door de gebruikelijke verzorger worden geboden, tenzij men hier niet toe in staat is. In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de inwoner moet worden geboden, gebruikelijke zorg.

     

  • p.

    Inwoner

    In eerste instantie is een inwoner iemand die woont in de gemeente Waddinxveen. Of een inwoner zijn of haar ondersteuningsvraag aan de gemeente Waddinxveen of aan een andere gemeente moet stellen, verschilt per wettelijk kader.

     

    • -

      Binnen de Wmo gaat het om de plaats waar het feitelijke hoofdverblijf is. In de regel betekent dit dat een inwoner ook daadwerkelijk ingeschreven staat in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). Dit hoeft echter niet het geval te zijn.

    • -

      In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In art 1.1. van de jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd, met een verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek Boek 1, Titel 3. In artikel 12 lid 1 staat: "Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent [...]. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven."

    • -

      In de Participatiewet, IOAW en IOAZ is een inschrijving in het GBA nodig om als inwoner te worden aangemerkt.

    • -

      Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.

       

  • s.

    Leerling

    Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

     

    Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van deze verordening. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.

     

  • t.

    Maatwerkvoorziening

    Een maatwerkvoorziening kent in de verschillende wetten een ander begrip. In deze verordening is aansluiting gezocht bij de Wmo omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is. Een maatwerkvoorziening kan op individueel niveau en in groepsverband worden aangeboden.

     

    Een maatwerkvoorziening wordt alleen toegekend op basis van een besluit. Voordat een maatwerkvoorziening wordt toegekend is het daarom nodig om de ondersteuningsvraag en oplossingen in beeld te brengen.

     

  • u.

    Mantelzorg

    Mantelzorg is alle hulp of zorg voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende persoon uit iemands directe sociale omgeving die langdurig en onbetaald is. Dit kan zijn de zorg voor een partner, ouder of kind zijn, maar ook een ander familielid, vriend of kennis. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Als er sprake is van hulpverlening in het kader van een pgb is er dus geen sprake van mantelzorg.

     

    Op het moment dat de mantelzorg tijdelijk niet ingezet kan worden door bijvoorbeeld uitval van de mantelzorger kan er respijtzorg worden ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan een logeeropvang of tijdelijk extra dagdelen dagbesteding.

     

  • x.

    Norm

    Voor de normen wordt aansluiting gezocht bij de Participatiewet, De IOAW en de IOAZ. In de Participatiewet wordt gesproken over normen en die zijn als netto bedragen uitgedrukt. In de IOAW en de IOAZ wordt het begrip grondslag bedoeld en deze zijn in bruto bedragen uitgedrukt. Zowel de normen als de grondslagen worden als sociaal minimum inkomen gezien.

     

  • y.

    Ondersteuningsplan leerlingenvervoer

    Naast het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening, waarin de ondersteuningsvraag en oplossingen van de inwoner aan bod komen, kent de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs ook een ondersteuningsplan. Dit plan heeft niets te maken met de individuele ondersteuningsvraag, maar met het ondersteuningsprofiel van een school. Om deze reden wordt in deze verordening gesproken over een ondersteuningsplan onderwijs als deze vorm van het ondersteuningsplan wordt bedoeld.

     

    Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken, en dat leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt.

    Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en -voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of overplaatsing naar reguliere scholen.

     

    Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient eerst op overeenstemming gericht overleg (hierna: OOGO) te hebben plaatsgevonden met het college van de gemeenten die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn gelegen (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO).

     

  • cc.

    Opstapplaats

    Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.

     

  • dd.

    Ouders

    Het begrip ouder kent in de jeugdwet de beperking dat het hier gaat om de gezaghebbende over de jeugdige, waarbij het niet kan gaan om de pleegouder.

     

    In het kader van leerlingenvervoer is het begrip ouder breder toepasbaar en kan ook gaan om de verzorgende van de jeugdige. In hoofdstuk 7 is het begrip ouder dus breder dan in de andere hoofdstukken van deze verordening.

     

  • ff.

    Persoonsgebonden budget (pgb)

    Binnen de Wmo en Jeugdwet kan een maatwerkvoorziening zowel in de vorm van zorg in natura als een persoonsgebonden budget worden toegekend.

     

    In de Wmo en Jeugdwet worden drie voorwaarden beschreven waar een inwoner aan moet voldoen, om voor een pgb in aanmerking te komen. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, als:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en;

    • b.

      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, door hem niet passend wordt geacht (Jeugdwet); de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen (Wmo), en;

    • c.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) zijn.

  • Het pgb wordt niet aan de inwoner zelf uitbetaald, maar is beschikbaar via het zogeheten trekkingsrecht. Op basis van declaraties en/of facturen wordt het bedrag direct aan de zorgaanbieder overgemaakt.

     

  • gg.

    Professionele aanbieder

    Als er sprake is van een pgb kan deze worden ingezet voor ondersteuning door een professionele aanbieder of voor inzet van iemand uit het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder. Een professionele aanbieder moet voldoen aan de drie vereisten. Een professionele aanbieder:

    • heeft een opleiding voor het verrichten van de werkzaamheden. De opleiding is op het niveau van en direct gerelateerd aan de werkzaamheden, en;

    • moet geregistreerd staan. Voor de jeugdwet houdt dit in dat er sprake is van een registratie bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd of in het BIG, en;

    • voldoet aan de benodigde kwalificaties en vereisten. Hierbij moet worden gedacht aan specifiek aan de ondersteuningsvraag gekoppelde kwalificaties en vereisten, bijvoorbeeld het omgaan met een auditieve beperking.

  • Als een aanbieder niet aan al deze criteria voldoet is er geen sprake van een professionele aanbieder. De vraag die bij de inzet van een pgb gesteld wordt is in hoeverre het voor de kwaliteit noodzakelijk is dat een professionele aanbieder wordt ingezet. In sommige gevallen is het noodzakelijk een professionele aanbieder in te zetten om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen.

     

    Iemand die behoort tot het sociaal netwerk van een inwoner kan ook een professionele aanbieder zijn. Hierbij moet wel de professionaliteit gewaarborgd zijn als gekeken wordt naar de sociale relatie tussen inwoner en zorgaanbieder. Daarom geldt bijvoorbeeld dat in de regel individuele begeleiding niet in aanmerking komt voor een pgb door een niet professionele aanbieder, maar persoonlijke verzorging of hulp bij het huishouden wel.

     

  • ll.

    Samenwerkingsverband

    Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

     

    Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

     

    Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

     

    Onder 2°: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

     

    Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

     

    Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

     

  • mm.

    School

    Speciaal onderwijs: In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

     

    De WEC onderscheidt de volgende clusters:

     

    Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,

    Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,

    Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en

    Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

    Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.

     

    Voortgezet onderwijs: In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs (hierna: pro).

    Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.

     

  • nn.

    Stage

    Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’.

     

  • oo.

    Sociaal netwerk

    Het sociaal netwerk is een krachtige en efficiënte manier om (een deel van) de ondersteuningsvraag te beantwoorden. Het versterken en vergroten van het sociaal netwerk kan ook een mogelijkheid zijn om een ondersteuningsvraag op te lossen.

     

    Het sociaal netwerk van een inwoner kan breder zijn dan het huishouden / gezin; het gaat om die personen waarmee een sociale relatie aanwezig is. Dit is van belang bij het bepalen van de gebruikelijke hulp omdat hiervoor het huishouden wel in aanmerking komt, maar het sociaal netwerk niet.

     

  • qq.

    Toegankelijke school

    In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a lid 6 van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.

     

    De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a lid 6 van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.

     

    Ook wordt voor het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend door het samenwerkingsverband beslist of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

     

    Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41 lid 2 van de WEC).

     

  • ss.

    Vervoer i.h.k.v. leerlingenvervoer

    Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.

     

    Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.

     

  • uu.

    Voorliggende voorziening

    Het begrip voorliggende voorziening komt niet als zodanig voor in de Wmo, Jeugdwet, IOAW, IOAZ of in de wetgeving rondom het leerlingenvervoer. De begripsbepaling in de Participatiewet komt, qua strekking, overeen met de begripsbepaling in deze verordening.

     

    Met het begrip voorliggende voorziening wordt een voorziening bedoeld op grond van een andere regeling dan opgenomen in deze verordening, waarmee de inwoner de ondersteuningsvraag (deels) kan beantwoorden. Dit is in lijn met het uitgangspunt om eerst door middel van eigen kracht een ondersteuningsvraag op te lossen. Als er door de inwoner een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening zal het college geen (maatwerk) voorziening treffen.

     

    Het college wijst inwoners op voorliggende voorzieningen. Zo nodig kan hierbij vanuit cliëntondersteuning ook ondersteuning plaatsvinden.

     

  • ww.

    Woning i.h.k.v. leerlingenvervoer

    Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.

     

    Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.

     

    Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.

Hoofdstuk 2 Integrale benadering

De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) te komen tot het verhelderen van de hulpvraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein.

Artikel 2. Melding hulpvraag

In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan op verschillende manieren binnenkomen bij de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld mondeling, schriftelijk, telefonisch of elektronisch bij het college worden gedaan. Als de hulpvraag een uitkering om algemene bijstand (levensonderhoud) betreft van personen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, wordt de aanvraag ingediend via werk.nl.

 

In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens de cliënt’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan met toestemming van de cliënt bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

 

In lid 3 is opgenomen dat het college een melding schriftelijk bevestigd. Op deze manier is voor de melder duidelijk dat de melding in goede orde is ontvangen.

Lid 4 geeft aan dat het college een afspraak maakt met de inwoner. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder.

 

Lid 5 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 sub a van de Wmo 2015). De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is in het derde lid benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner gratis is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk.

 

In lid 9 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij. Gelet op de integrale benadering bestaat ook binnen de andere wetgeving de mogelijkheid om een eigen plan op te stellen, hoewel hier geen wettelijk grondslag aan ten basis ligt.

 

Na een melding wordt onderzoek gedaan dat in ieder geval bestaat uit een gesprek.

Artikel 3. Spoedeisende gevallen

In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen.

De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. Dit is bijvoorbeeld het geval als een spoedmachtiging afgegeven is door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden.

De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.

 

Als er een melding is gedaan zoals bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet, de noodzakelijke inlichtingen zijn verstrekt kan een voorschot verleent worden als uiterlijk binnen 4 weken nog geen besluit op de aanvraag is genomen.

 

Daarnaast is er een mogelijkheid om aan een persoon die geen recht heeft op bijstand bij zeer dringende omstandigheden toch bijstand verlenen (artikel 16 Participatiewet). Uit jurisprudentie blijkt dat dit artikel slechts wordt toegepast in zeer uitzonderlijke situaties.

 

Als er sprake is van een tijdelijke maatregel wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag.

Artikel 4. Vooronderzoek

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) om de privacy van de inwoner te waarborgen.

 

Zoals opgenomen in lid 2 kan aan de inwoner worden verzocht een aantal stukken te overleggen. Daarnaast verstrekt de inwoner een identificatiedocument ter inzage om te waarborgen dat de inwoner bij de gemeente Waddinxveen terecht kan met zijn of haar hulpvraag.

 

Op grond van lid 4 kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.

Artikel 5. Het gesprek

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de inwoner wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de inwoner te krijgen.

 

Bij het gesprek zijn zo mogelijk en gewenst de betrokken personen aanwezig, zoals de mantelzorger, familieleden en personen uit het sociaal netwerk. Ook kan een cliëntondersteuner aanwezig zijn. Het gesprek vindt bij voorkeur bij de inwoner thuis plaats, of dit moet niet relevant zijn voor het in beeld krijgen van de ondersteuningsvraag. In een aantal gevallen is het nodig om meerdere gesprekken te voeren.

 

In lid 2 staan een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Als de inwoner al bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komt een cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de inwoner en zijn situatie te krijgen.

 

In lid 4 is opgenomen dat de inwoner wordt geïnformeerd over het betalen van een eigen bijdrage in het kader van de Wmo. Hierbij geldt dat woningaanpassingen voor een jeugdige ook onder de Wmo vallen en dus ook sprake is van een te betalen eigen bijdrage.

 

In een aantal gevallen is het mogelijk om te kiezen voor een pgb. Hierover wordt de cliënt tijdens het gesprek geïnformeerd zodat de keuze voor een pgb onderdeel uitmaakt van het gesprek.

 

Net als bij het vooronderzoek kan het college besluiten om geen gesprek te voeren als de hulpvraag genoegzaam bekend is, zoals opgenomen is in artikel 5. Dit is immers daarmee een onnodige handeling. Het afzien van het gesprek vindt plaats in overleg tussen het college en de inwoner.

Artikel 6. Advisering

Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 van de Awb geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt een persoon of college bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren over door een bestuursorgaan te nemen beslissingen en niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de Awb is niet geregeld dat een adviseur benoemd moet worden en in deze verordening is ook niet opgenomen wie de adviseur is. Omdat er wisselende situaties zijn, kunnen er ook verschillende adviseurs aangewezen worden.

Artikel 7. Het ondersteuningsplan

Het doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Het plan is integraal, zoals opgenomen in lid 1.

 

In lid 2 is verwoord dat het plan het verslag van de uitkomsten van het gesprek is en het vooronderzoek. Het geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen.

 

Omdat het ondersteuningsplan een weergave is van de hulpvraag van de inwoners kan de inwoner op het plan ook aangeven als in zijn optiek zaken niet juist verwoord zijn. Dit is opgenomen in artikel 3.

 

In lid 4, 5 en 6 is opgenomen dat een inwoner het op het plan kan aangeven indien hij van mening is dat de uitkomst van het ondersteuningsplan niet correct is. Hij tekent dan voor gezien en geeft aan wat er in zijn optiek gewijzigd moet worden.

 

Het plan wordt door de inwoner en het college ondertekend zodat duidelijk is dat het onderzoek is afgerond.

Artikel 8. Aanvraag van een maatwerkvoorziening

In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af.

 

Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

 

De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid).In de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en aanvragen op grond van het leerlingenvervoer is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb).

 

Een ondertekend ondersteuningsplan wordt gezien als een aanvraag. Dit is in lid 2 opgenomen. Er hoeft dan ook geen apart aanvraagformulier te worden ingevuld door de inwoner.

 

Als de hulpvraag een uitkering om algemene bijstand (levensonderhoud) betreft van personen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, wordt de aanvraag ingediend via werk.nl. Voor overige aanvragen waarmee een beroep wordt gedaan op voorzieningen zoals genoemd in hoofdstuk 5, 6 en 7 van deze verordening wordt gebruik gemaakt van een door het college beschikbaar gesteld formulier en voor zover nodig ook een inlichtingenformulier.

Artikel 9. Verstrekken van een maatwerkvoorziening

In dit artikel zijn de regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening

 

In lid 1 is opgenomen welke andere oplossingsrichtingen voorafgaan aan het inzetten van een maatwerkvoorziening.

 

Lid 2 regelt dat het college een maatwerkvoorziening in een aantal gevallen niet kan toekennen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een inwoner uit eigen beweging verhuist van een gelijkvloerse woning naar een woning met een meerdere verdiepingen terwijl de inwoner niet zelfstandig trap kan lopen. Er wordt dan geen traplift toegekend.

 

In lid 3 en 4 is opgenomen dat een voorziening in eerste instantie adequaat is en dat hierbij wordt gekeken naar de unieke situatie van de inwoner. Als blijkt dat meerdere voorzieningen adequaat zijn voor het beantwoorden van de hulpvraag, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening.

Artikel 10. Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en Jeugdwet

Als de cliënt een aanvraag bij het college indient stelt het college een beschikking op, waartegen de cliënt bezwaar en beroep op grond van de Awb kan indienen. In dit artikel zijn de criteria opgenomen waaraan een beschikking voor een maatwerkvoorziening Wmo en jeugdwet voldoet.

 

lid 4 dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt de hoogte van de bijdrage in de kosten niet in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo 2015.

Artikel 11. Maatwerkvoorziening via een pgb

In dit artikel is opgenomen welke regels er gelden voor een pgb Wmo of Jeugdhulp.

 

In lid 2 staan de eisen waaraan de inwoner moet voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb. Het kan hier ook gaan om de bewindvoerder, belangenbehartiger of wettelijk vertegenwoordiger van de inwoner, zoals aangegeven onder c.

 

In lid 4 is opgenomen dat uit een pgb alleen de zorgkosten betaald kunnen worden. Voor het pgb geldt dan ook dat er geen sprake is van een vrij besteedbaar budget.

 

Een persoon die behoort tot het sociaal netwerk kan in een aantal gevallen ingezet worden in het kader van een pgb, zoals opgenomen in lid 5. Hierbij geldt dat deze persoon niet voor alle taken in aanmerking komt, zoals opgenomen onder b. De reden hiervoor is dat maatwerkvoorzienigen om een bepaalde professionele en kwalitatieve standaard vragen. Daarnaast moet ook bij inzet van een person uit het sociale netwerk worden voldaan aan kwaliteitscriteria, zoals opgenomen onder c en d.

Artikel 12. Hoogte pgb

in dit artikel is opgenomen hoe de hoogte voor een pgb in het kader van de Wmo of jeugdwet wordt bepaald.

 

Het tarief bedraagt in ieder geval nooit meer dan de goedkoopst adequate voorziening in natura, zoals opgenomen in lid 1 onder c.

 

In lid 3 is per categorie producten de hoogte van het pgb opgenomen.

Hoofdstuk 3 Specifieke bepalingen Jeugd

Artikel 13. Algemene voorzieningen jeugd

Artikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerk(individuele) voorzieningen en algemene (overige) voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders.

Artikel 13 regelt de jeugdhulpvoorzieningen algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de)ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is.

Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen jeugd

De maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen. Het gaat om situaties waarin sprake is van ernstige of complexe problemen en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het sociaal team voorzien kan.

 

Lid 2 geeft aan dat het college in nadere regels de maatwerkvoorzieningen jeugd nader kan specificeren

Artikel 15. Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts

In hoofdstuk 2 wordt beschreven hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp regelt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen.

 

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.

Artikel 16. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Dit artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking.

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Maatschappelijke ondersteuning

Artikel 18. Aanvullende voorwaarden maatwerkvoorzieningen Wmo

In artikel 18 zijn ten opzichte van hoofdstuk twee aanvullende bepalingen opgenomen voor maatwerkvoorzieningen Wmo, alsmede de weigeringsgronden.

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de Wmo zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst.

 

Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (artikel 3, derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.

 

Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.

 

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

 

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

 

Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 20. Regels voor bijdragen in de kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningen

Artikel 20 geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo.

Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen is gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorzieningen (deze limitering volgt uit artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de Wmo). Een bijdrage ter hoogte van de kostprijs is verschuldigd als dat bedrag lager is dan het overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 berekende maximum. Als dat maximum echter lager is dan de kostprijs, dan is een bijdrage overeenkomstig het op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 berekende maximum verschuldigd.

Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

 

De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking en meer in het bijzonder een subsidiebeschikking. De bepalingen in de Awb, onder andere over bezwaar en beroep en subsidies zijn hierop van toepassing.

De tegemoetkoming kan een alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening. Hiervoor is wel vereist dat de cliënt zelf kiest voor een tegemoetkoming. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening en die tijdens het onderzoek naar de aanvraag de keuze krijgt om een tegemoetkoming te ontvangen voor de door hem gewenste voorziening. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee hij meer regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.

Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening dan wel nadere regels wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 23. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 

Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Werk, re-integratie en tegenprestatie

Paragraaf 5.1 Werk en re-integratie

Artikel 24. Budgetplafonds

De gemeenteraad kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college kan binnen deze verdeling een budgetplafond per voorziening vaststellen. Het ontbreken van financiële middelen, vanwege het budgetplafond, kan geen reden zijn om aanvragen om ondersteuning in het algemeen af te wijzen. In dat geval moet worden gekeken of andere voorzieningen mogelijk zijn.

Artikel 25. Evenwichtige verdeling en financiering

Het college biedt voorzieningen en ondersteuning aan zoals bedoeld in deze verordening aan personen die behoren tot de doelgroep. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod van voorzieningen en ondersteuning en biedt maatwerk. Er moet een evenwichtige verdeling zijn over de klantgroep.

Rekening houden met omstandigheden en beperkingen

Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen vastleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.

Artikel 26. Algemene bepalingen over voorzieningen

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).

Lid 2: Beëindiging(sgronden)

Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 26, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b , 35, vierde lid, onderdeel c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt.

 

Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.

 

Bij de beëindiging van een voorziening heeft het college beoordelingsruimte als men onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of wanneer men niet naar behoren gebruik maakt van de geboden voorziening. De wijze waarop het college hieraan invulling geeft kan nader worden uitgewerkt in uitvoeringsvoorschriften.

 

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering kan op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 27. Werkervaringsplaats

Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Een werkervaringsplaats is gericht op het uitbreiden kennis en ervaring. De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkervaringsplaatsen weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkervaringsplaats in de regel geen sprake van beloning, maar is werken met behoud van uitkering. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van vergoeding van gemaakte kosten.

 

Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst.

Lid 2: Doel van de werkervaringsplaats

Het tweede lid geeft aan wat het doel is van de werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. In de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. In de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Er kan een persoonlijk ontwikkelplan worden opgesteld.

Lid 3: Opstellen schriftelijke overeenkomst

In het derde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin wordt in ieder geval expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkervaringsplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.

Artikel 28. Proefplaatsing

De voorziening van proefplaatsing kan worden ingezet voor personen uit de doelgroep om te onderzoeken of de functie een geschikte functie is voor de kandidaat. De werkgever moet het voornemen de kandidaat een dienstbetrekking van tenminste zes maanden aan te bieden.

 

De proefplaatsing vindt plaats met behoud van uitkering.

 

De voorziening van proefplaatsing kan ook worden ingezet als een kortdurende periode waarin de loonwaarde van een persoon met een arbeidsbeperking - zoals bedoeld in artikel 41 van deze verordening - wordt vastgesteld, met als uiteindelijk doel in diensttreding bij de werkgever met loonkostensubsidie.

Artikel 29. Sociale activering

Op grond van de Participatiewet is sociale activering uiteindelijk gericht op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.

 

Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot (eind-)doel personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering. Voorzieningen op grond van de Wmo 2015 zijn dan aan de orde.

Artikel 30. Detacheringsbaan

De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden.

 

Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.

Artikel 31. Begeleiding naar en tijdens werk

Dit is een breed inzetbare voorziening, die ook onderdeel uitmaakt van het basispakket re-integratie-instrumenten dat onder regie van het Regionaal Werkbedrijf is ingericht om de ondersteuning van arbeidsbeperkten vorm te geven. Deze voorziening kan ook worden ingezet voor andere doelgroepen.

 

Doelgerichte werk- en re-integratietrajecten zijn onder andere: individuele (vakgerichte) opleidingstrajecten, arbeidsfittrainingen, sollicitatietrainingen, het begeleid verrichten van werkzaamheden, het ontwikkelen van een gezonde levensstijl door beweging of sport, vaardigheidstrainingen, personal coaching, taalles, speeddates. Diagnose-instrumenten omvatten onder andere: belastbaarheidsonderzoeken, indicaties banenafspraak (UWV), indicaties doelgroep beschut werken (UWV), advisering medisch urenbeperkten (UWV), algemeen arbeidsmedisch adviezen.

 

Ter zake te maken kosten kunnen bijvoorbeeld reiskosten zijn, of kosten voor kinderopvang. Hierbij geldt dat wanneer aanspraak kan worden gedaan op voorliggende voorzieningen, deze kosten niet worden vergoed. Daarnaast bestaan er raakvlakken met de bijzondere bijstand, waaruit dergelijke kosten in bepaalde situaties ook uit vergoed kunnen worden.

Artikel 32. Scholing

Deze voorziening voorziet in het (kunnen) behalen van een startkwalificatie en mogelijk aanvullende scholing, waardoor de kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot.

Jongeren

Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). [Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.]

Scholing in combinatie met participatieplaats

Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet dat het college aan deze persoon scholing of opleiding dient aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.

 

Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon.

 

Zie ook artikel 34 van deze verordening over de voorziening participatieplaats.

Artikel 33. Ondersteuning bij leer-werktraject

Personen kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is (artikel 10f van de Participatiewet).

 

Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:

  • 1.

    van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of

  • 2.

    van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.

 

Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.

 

In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.

Artikel 34. Participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet). Het college kan dan ook alleen aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.

Additionele werkzaamheden

Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet, dan wordt de participatieplaats beëindigd. Binnen 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).

Premie

De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. In uitvoeringsvoorschriften kan nadere duiding gegeven aan wanneer sprake is van voldoende meewerken aan het vergroten van kansen op de arbeidsmarkt.

 

De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag.

Artikel 35. Participatievoorziening Beschut Werk

De voorziening Beschut Werk is bedoeld voor mensen die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat ze (nog) niet in een reguliere baan kunnen werken, en voor wie van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt. Met (structurele) ondersteuning zijn deze mensen wel in staat om arbeid te verrichten (m.a.w. het gaat om mensen die niet voor de garantiebanen in aanmerking komen / (nog) niet bij een reguliere werkgever kunnen werken).

 

Het gaat uitsluitend om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (d.w.z. redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt voor deelname aan de arbeidsmarkt).

 

Het UWV heeft de wettelijke taak tot het stellen van de indicatie Beschut Werk. Gemeenten kunnen een voorselectie doen.

 

Ten behoeve van de participatievoorziening Beschut Werk voert het college een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor Beschut Werk, en op welk moment.

 

In het tweede lid is bepaald dat het college uitsluitend personen selecteert met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die geen perspectief hebben om regulier te werken, zoals is gebleken doordat bij een voorafgaand traject vanwege in de persoon gelegen factoren geen doorstroom naar een dienstbetrekking bij een reguliere werkgever mogelijk is.

 

Nadat het college gekozen heeft voor de inzet van de voorziening Beschut Werk, draagt het college deze persoon voor aan het UWV voor een beoordeling of de geselecteerde persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

 

Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep Beschut Werk behoort. Het UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet).

 

Op basis van het advies van het UWV beslist het college of iemand tot de doelgroep 'Beschut Werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan het college besluiten het advies niet te volgen.

 

Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'Beschut Werk' behoort, zorgt het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van het college. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.

 

Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (vierde lid). Het college zorgt voor het beheer van een wachtlijst Beschut Werk die regelt in welke volgorde personen van de wachtlijst in aanmerking kunnen komen voor beschikbare plekken Beschut Werk.

Artikel 36. Aanpassing werkplek en vervoersvoorziening

Het kan zijn dat er aanpassingen op de werkplek gedaan moeten worden om ervoor te zorgen dat een werknemer met een fysieke arbeidsbeperking kan functioneren op de werkplek. Denk aan een rolstoeloprit, een aangepast toilet, elektrische deuren, een extra leuning bij de trap of een video-intercom.

 

Voor werknemers met een fysieke arbeidsbeperking kan het reizen naar het werk lastig zijn vanwege de beperking. In dat geval kan er ondersteuning worden aangevraagd. Het is ook mogelijk dat er in de arbeidsmarktregio goede regionale afspraken zijn gemaakt over de uitvoering en er een eenduidig werkproces is gerealiseerd met gemeenten en UWV.

Artikel 37. Uitsplitsing van taken

Bij functiecreatie gaat het om het afsplitsen of ‘opknippen’ van taken. Gekeken wordt of uit bestaande taken eenvoudige taken kunnen worden afgesplitst en deze als nieuwe functie wordt opgenomen in een werkproces. Nieuw ontstane functies zijn dan geschikt gemaakt werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Artikel 38. Persoonlijke ondersteuning

In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning op de werkplek nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zijnde een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.

Artikel 39. No-risk polis

De no-risk polis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-risk polis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de werknemer, die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt, in aanmerking komt voor de no-risk polis. De polis is gebonden aan de werknemer en aan het bedrijf en is dus niet overdraagbaar. Het gaat om personen uit het doelgroepenregister. De uitvoering van deze regeling ligt bij het UWV.

Artikel 40. Werkgeverspremie

Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. Iedere werkgever komt onder de in het artikel vermelde voorwaarden in aanmerking voor een werkgeverspremie (ook de uitzendbureaus).

Het doel van de werkgeverspremie is het bieden van financiële compensatie aan een werkgever voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever deze persoon (nog) niet ten volle kan inzetten.

Artikel 41. Loonkostensubsidie

Het college kan loonkostensubsidie inzetten voor mensen voor wie de gemeente verantwoordelijk is om hen te ondersteunen bij het vinden van werk en die niet het Wettelijk Minimumloon (WML) kunnen verdienen met een voltijdsdienstbetrekking. Dat kan dus gaan om mensen die bijstand ontvangen, mensen die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen, mensen die met behulp van een andere voorziening van de gemeente al aan het werk zijn, maar ook om zogenaamde niet-uitkeringsgerechtigden: mensen zonder uitkering: personen zoals bedoeld in artikel 7,eerste lid, onderdeel a Participatiewet die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het WML (artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet).

 

Ook maakt de Participatiewet expliciet dat deze vorm van loonkostensubsidie een oneindige constructie betreft. De Participatiewet begrenst de hoogte van de loonkostensubsidie op maximaal 70% van het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten. Het is wettelijk niet toegestaan om naast deze maximale loonkostensubsidie een andersoortige subsidie ter dekking van de loonkosten te verstrekken.

 

De loonkostensubsidie compenseert de werkgever voor het verlies aan productiviteit. Wanneer iemand bijvoorbeeld 40% loonwaarde heeft, is hij in staat om 40% van het voor hem geldende loon te verdienen, afgezet tegen dat van iemand die zonder beperking diezelfde functie verricht: de normfunctie.

 

De loonkostensubsidie is inclusief de werkgeverslasten en de door een werkgever aan de werknemer verschuldigde vakantiebijslag. Werkgeverslasten zijn per sector CAO verschillend.

 

Het ministerie van SZW heeft hiervoor een gemiddeld percentage werkgeverslasten vastgesteld op 23% (ministeriele regeling van 5 december 2014)

 

Om in aanmerking te kunnen komen voor loonkostensubsidie moeten colleges vaststellen dat deze mensen niet het WML kunnen verdienen als zij voltijds zouden werken) maar dat zij wel mogelijkheden hebben om te werken.

 

De Participatiewet koppelt de loonkostensubsidie verplicht aan een loonwaardemeting, én de financiering aan het I-deel (BUIG-budget). Bij een loonwaarde hoger dan 100% WML is financiering van de loonkostensubsidie uit het I-deel niet mogelijk.

 

De Participatiewet stelt dat, om de hoogte van de loonkostensubsidie te bepalen, de loonwaarde van de betreffende persoon bepalend is. Om deze vast te stellen moet de loonwaarde gemeten te worden. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen.

Methode van loonwaardebepaling

De Participatiewet bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling waarvoor wordt gekozen in de gemeentelijke verordening wordt vastgelegd.

 

Gekozen is voor de methodiek van Dariuz. Dariuz adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. In de bijlage bij deze verordening wordt de methode die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven.

 

Stapeling van subsidies is niet mogelijk. Kabinet en sociale partners zijn overeengekomen dat de compensatie aan de werkgever via één instrument verloopt, namelijk via loonkostensubsidie, en dat de werkgever bijvoorbeeld niet ook deels via de mobiliteitsbonus wordt gecompenseerd.

Artikel 42. Uitstroompremie

Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die algemene bijstand ontving, uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid.

 

De premie is bedoeld voor financiering van allerlei onkosten als iemand aan het werk gaat (reiskosten, kinderopvang, eerste kosten kleding, etc.).

 

Paragraaf 5.2 Tegenprestatie

Artikel 43. Tegenprestatie naar vermogen

Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie.

Artikel 44. Het opdragen van een tegenprestatie

Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend.

Belanghebbende met een grote afstand tot arbeidsmarkt

De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen. De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt zich volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen.

Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het college een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.

Geen tegenprestatie

Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 37a, eerste lid, van de IOAW en artikel 37a, eerste lid, van de IOAZ).

 

De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

Mantelzorg

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijs noodzakelijk vindt. Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op.

Artikel 45. Duur en omvang van een tegenprestatie

Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.

 

Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden.

Artikel 46. Geen werkzaamheden voorhanden

Geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn.

Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Inkomen

Artikel 47. Individuele inkomenstoeslag

Algemeen

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand.

 

Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering.

Peildatum

De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom (eveneens) artikel 44 van de Wet werk en bijstand.

Referteperiode

Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum.

Laag inkomen

Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.

Gehuwden

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.

 

Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.

Artikel 48. Individuele Studietoeslag

Algemeen

Met de Individuele studietoeslag heeft het college de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren.

 

Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de ru nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk hoger omdat de kans op een baan later kleiner is. Een studieregeling stimuleert mensen om tot de stap te zetten om naar school te gaan en/of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.

 

De individuele studietoeslag is een vorm van bijzondere bijstand. De individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen met voltijdse arbeid.

Voorwaarden individuele studietoeslag

Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag. Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek -gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen.

Oordeel verdienen wettelijk minimumloon en mogelijkheden tot arbeidsparticipatie

Indien voor belanghebbende eerder onderzoek door het UWV is uitgevoerd, en is hieruit gebleken dat belanghebbende niet in staat is het minimumloon te verdienen, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (positieve indicatie), dan wordt de individuele studietoeslag toegekend, mits belanghebbende aan de voorwaarden voldoet als genoemd in artikel 36b van de Participatiewet.

 

Indien belanghebbende deze bescheiden niet kan overleggen wordt er een arbeidskundig onderzoek verricht. Indien hieruit blijkt dat belanghebbende met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, dan wordt de individuele studietoeslag toegekend, mits belanghebbende aan de voorwaarden voldoet als genoemd in artikel 36b van de Participatiewet. De kosten voor dit onderzoek worden gedragen door de gemeente.

 

Op individuele basis wordt getoetst voor welke termijn de positieve indicatie op grond van de beschikbare arbeidskundige informatie geldig is, hiervoor worden werkinstructies opgesteld.

Artikel 49.1 Tegemoetkoming kosten maatschappelijke participatie

Een laag inkomen mag geen belemmering zijn voor maatschappelijke participatie. In artikel 49.1 benoemd wie en onder welke voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 49.2 Het recht op tegemoetkoming

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 49.3 De inkomensgrens

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 49.4 De vermogensgrens

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 49.5 De aanvraag

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 49.6 Tegemoetkoming maatschappelijke activiteiten

In dit artikel is benoemd voor welke maatschappelijke activiteiten een tegemoetkoming kan worden toegekend. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 100,- per persoon per kalenderjaar. Belangrijk is dat alleen de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van dit bedrag vergoedt kunnen worden.

Artikel 49.7 Tegemoetkoming schoolkosten

In artikel 49.7 is benoemd onder welke voorwaarden en aan wie een tegemoetkoming in de schoolkosten verleend kan worden. Ook hier is van belang dat het om de werkelijk gemaakte kosten gaat.

Artikel 49.8 Collectieve ziektekostenverzekering

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 49.9 Bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten

Ook de bijstand vanwege meerkosten die verband houden met chronische ziekte of handicap, kunnen slecht vergoed worden op basis van werkelijke kosten tot een maximum bedrag van € 150,- per jaar.

Hoofdstuk 7 Leerlingenvervoer

Paragraaf 7.1 Algemene bepalingen

Algemeen

Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer.

Wettelijke plicht

Gemeenten zijn verplicht een regeling vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen -onder bepaalde voorwaarden- aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerskosten van en naar school. Het gaat om leerlingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs die gehandicapt zijn kunnen ook in aanmerking komen voor bekostiging van het vervoer. Het gaat om scholen die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.

De wettelijke basis voor het leerlingenvervoer vinden we in artikel 4 van de Wet primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het uitgangspunt is het vervoer van gehandicapte leerlingen naar school, maar ook het zogenoemd signatuurvervoer waarbij een godsdienstige richting of levensbeschouwing bepalend is voor de schoolkeuze behoort tot het leerlingenvervoer.

Vervoersvoorziening leerlingenvervoer

In deze verordening hanteren we het begrip ‘vervoersvoorziening leerlingenvervoer’. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling aan de ouders, maar dat een voorziening ook mogelijk is in de vorm van aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.

 

Uitgangspunt van de regeling is bekostiging (op basis) van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer.

 

Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren en hiervoor en vergoeding willen ontvangen, moeten ze hiervoor toestemming vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.

Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer

Zie het ‘Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer’ in bijlage 2 zoals dat bij de modelverordening van de VNG is opgenomen.

Artikel 50. De door het college noodzakelijk te achten voorziening leerlingenvervoer

Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het vervoer van hun leerlingen (artikel 50 lid 2).

De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school (zie artikelen 60 en 61). Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer.

Artikel 51. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. In de verordening zijn deze bepalingen verankerd in artikel 51.

Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg.

 

Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken, als vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente busjes laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.

Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.

RICHTING

Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen).

 

Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen.

Verklaring van bezwaar

Op grond van artikel 51 lid 2 dienen ouders van een leerling die een school bezoekt die op grote afstand is gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling passende scholen bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening schriftelijk te verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere scholen. Deze verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs, en niet tegen de onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt.

Het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren.

Artikel 52. Toekenning vervoersvoorziening

Om enige beleidsruimte te creëren is in artikel 52 bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 52 geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen.

Aanvragen en termijn van de vervoersvoorziening

Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de inwoner is het wenselijk dat het aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. Uitvoeringspraktijk in de gemeente Waddinxveen is dat, indien dit mogelijk is, de vervoersvoorziening voor meerdere jaren of de gehele schoolperiode wordt vastgesteld. Als er in de situatie van de leerling echter verandering valt te verwachten, bijvoorbeeld een verbetering in de lichamelijke of geestelijke toestand, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn van één schooljaar.

 

De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de vervoersvoorziening voor een langere periode verstrekt.

Ingangsdatum

Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders, óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje).

In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 52 lid 2 a). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats.

Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten.

Artikel 53. Peildatum leeftijd leerling

In artikel 53 is het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de – wettelijk toegestane – volumebeperkende middelen opgenomen om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen.

 

De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.

 

Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij een school volstaat.

Artikel 54. Andere vergoedingen

Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.

 

Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening. 

 

Paragraaf 7.2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

Artikel 55. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

Paragraaf 7.2 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs volgen.

Dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband

Het derde lid van artikel 55 is een aanvulling op artikel 51. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 51, eerste lid: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4 lid 5 van de WPO moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband worden bekostigd. Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn. Het is mogelijk dat er een speciale school voor basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.

 

Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a lid 6 aanhef en onder c van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40 lid 8 van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.

 

In het derde lid van artikel 55 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 51 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. In dat geval is artikel 55 van toepassing. Daarnaast geldt, als gevolg van de verwijzing naar artikel 51, bij toepassing van artikel 55, derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.

Artikel 56. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

In artikel 56 zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder ouders van leerlingen die scholen bezoeken die onder paragraaf 7.2 vallen, aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets.

Artikel 57. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen.

Leerling is jonger dan negen jaar

In artikel 56 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer is. Als daarbij de leerling jonger dan negen jaar is, en de ouders aan het college kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties:

  • de leerling moet een of meerdere malen overstappen;

  • de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten.

Structurele handicap

Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

 

Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van drie maanden worden aangehouden.

Artikel 58. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 58 vastgelegd.

Eerste lid, onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur en kan met aangepast vervoer tot 50% of minder worden teruggebracht

Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel, zo oordeelde de ABRvS.

 

Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op artikel 1.

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Zo oordeelde ook de ABRvS (5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).

 

Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van openbaar vervoer.

Tweede lid: Kosten van de begeleiding

Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed vanuit het leerlingenvervoer. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed vanuit het leerlingenvervoer.

Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.

Artikel 59. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

Artikel 59 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.), of wanneer een leerling gebruikmaakt van de fiets.

 

Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al rijdt.

De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in deze verordening voor in aanmerking komen.

Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

Artikel 60. Drempelbedrag

De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de vastgestelde kilometergrens van 6 kilometer, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.

 

Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de draagkracht en wordt per gezin geheven.

Hoogte drempelbedrag

Als een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De kosten van het openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

 

Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied.

Artikel 61. Financiële draagkracht

Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.

Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.

 

Paragraaf 7.3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

Artikel 62. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

Paragraaf 7.3 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die voortgezet onderwijs volgen.

 

Volgens artikel 4 lid 4 van de WEC en artikel 4 lid 1 van de WVO komen leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Artikel 63. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets

Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Artikel 64. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 64 vastgelegd.

Artikel 64 is identiek aan artikel 58, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs.

 

Artikel 65. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

Artikel 65 is identiek aan artikel 59, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs.

 

Paragraaf 7.4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer

Artikel 66. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders

Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC.

Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.

 

Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.

 

Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol.

 

Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.

Artikel 67. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie

Artikel 67 bepaalt dat een vervoersvoorziening kan worden toegekend voor de reizen van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in het weekeinde en in de vakanties. Het college van de gemeente waar de ouders wonen bepaalt welke vervoersvoorziening wordt toegekend.

 

Artikel 67 lid 3 geeft aan dat de bepalingen van paragraaf 7.2 en 7.3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, op enkele uitzonderingen na.

Dit houdt in dat alleen leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Hoofdstuk 8 Wijzigingen, handhaving en maatregelen

Paragraaf 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 68. Nieuwe feiten en omstandigheden

Op grond van de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet worden regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een (maatwerk)voorziening of PGB, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wetten. Onder een (maatwerk)voorziening wordt nadrukkelijk ook verstaan bijstand.

 

Bij de toekenning van een (maatwerk)voorziening wordt uitgegaan van feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Als er wijzigingen zijn die van invloed kunnen zijn op de toegekende (maatwerk)voorziening (de aard, hoogte, duur) is het van belang dat de inwoner het college hierover op verzoek of onverwijld uit eigen beweging informeert.

Nieuwe feiten en omstandigheden kunnen een wijziging in de toegekende (maatwerk)voorziening tot gevolg hebben, of kan er toe leiden dat de aanspraak op een voorziening vervalt. Het college kan ook in andere stadia dan alleen bij de aanvraag om informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.

Als een inwoner de inlichtingen niet verstrekt, maar het college stelt vast dat er sprake is van een wijziging die van invloed is op de verstrekte (maatwerk)voorziening vervalt de aanspraak of wordt al dan niet opnieuw een voorziening toegekend.

 

Indien een situatie als in het derde lid beschreven zich voordoet bij een voorziening die op grond van de Participatiewet is verstrekt, is ook artikel 18a van die wet van toepassing (bestuurlijke boete bij schending inlichtingenverplichting artikel 17 lid 1 Participatiewet).

Artikel 69. Terugvordering en intrekken

Terugvordering is een bevoegdheid van de gemeente. Door dit artikel op te nemen spreekt de gemeenteraad uit dat van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. Opgemerkt wordt dat terugvordering van teveel betaalde bijstand (Participatiewet) als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een verplichting van het college is.

 

Ook in de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn specifieke bepalingen opgenomen verhaal van kosten en terugvorderen van ten onrechte verstrekte maatwerkvoorzieningen of pgb’s. In het eerste lid is benoemd wanneer een voorziening kan worden ingetrokken of teruggevorderd.

lid 1 onder e: een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen drie maanden na het besluit tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om het besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken.

 

In lid twee is bepaald dat naast de mogelijkheid om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen.’

 

In het derde is dan ook de bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van het pgb, in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.

 

De leden 4 tot en met 7 behoeven geen nadere toelichting.

 

Paragraaf 8.2 Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ

Artikel 70. Het besluit tot opleggen van een verlaging

Algemeen

Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.

 

Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.

 

Voor schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening wordt de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).

 

Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

 

Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen. genoemd in artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.

 

Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.

 

In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.

Artikel 71. Afzien van verlaging

Afzien van verlagen in verband met dringende redenen

In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering.

Afzien van verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen

De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen.

Artikel 72. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

Eerste lid

Het afstemmen van de bijstand vindt plaats door het verlagen van de bijstandsnorm. Verlaging van de bijstandsnorm kan in beginsel op twee manieren:

  • a.

    met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de bijstandsnorm; of

  • b.

    door middel van verlaging van het bijstandsbedrag in de eerstvolgende maand(en).

Het verlagen van de bijstandsnorm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Het college hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een verlaging ten uitvoer wordt gelegd naar de toekomst toe.

 

Om een beter ‘lik-op-stuk’ beleid te kunnen voeren is bepaald dat de verlaging wordt opgelegd met ingang van de lopende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm, mits het besluit tot verlaging bekend is gemaakt voor de 15e van de lopende maand.

Tweede lid

Wordt het besluit verlaging na de 15e van de maand bekend gemaakt, dan is het redelijk om, gezien de korte termijn tot de betaling van de bijstand, de verlaging in te laten gaan met ingang van de eerstvolgende maand.

Vierde lid

Indien de verlaging niet (geheel) kan worden uitgevoerd omdat het recht op bijstand wordt beëindigd, wordt het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd indien de belanghebbende met ingang van een datum binnen een jaar na de bekendmaking van het besluit tot beëindiging opnieuw bijstand wordt toegekend.

 

In de beëindigingsbeschikking zal dan medegedeeld worden dat belanghebbende een maatregel kan krijgen indien hij binnen een jaar opnieuw een uitkering ontvangt. Deze mededeling is geen besluit. Als belanghebbende binnen een jaar opnieuw een uitkering ontvangt, zal in de toekenningsbeschikking tevens een afstemmingsbesluit genomen worden.

 

Wordt aan belanghebbende niet per een datum gelegen binnen een jaar na bekendmaking van het afstemmingsbesluit, opnieuw bijstand toegekend, dan komt de verlaging (of het restant daarvan) te vervallen.

Artikel 73. Berekeningsgrondslag

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

 

Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.

Artikel 74. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 74.1 Gedragingen Participatiewet

De artikelen 74.1 en 74.4 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 74.1 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in dit artikel zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 74.4 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.

Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen

De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 74.1 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen.

Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (onderdeel c)

Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 75.

 

Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 74.1, sub c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals:

  • het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en

  • het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.

Inspanningen in eerste vier weken na de melding

De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 74.1 van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 6, sub b, ten tweede).

Artikel 74.2 Niet meewerken aan taaltoets

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 74.3 Gedragingen IOAW en IOAZ

Zie toelichting artikel 74.1

Artikel 74.4 Hoogte en duur van de verlaging

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 75. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet).

 

Bij lid 2 heeft het college de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet).

Artikel 76. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand):

  • het te snel interen van vermogen;

  • het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;

  • het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.

 

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 75 en 80 derde lid, van deze verordening.

 

Op grond van artikel 76 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.

Bijstand in de vorm van een geldlening

Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.

Artikel 77. Zeer ernstige misdragingen

Participatiewet

Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.

 

Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.

 

Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.

IOAW en IOAZ

In de IOAW en IOAZ is het nalaten van zeer ernstige misdragingen geen zelfstandige verplichting. Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.

 

Naast een verlaging van de uitkering kan het college besluiten de belanghebbende een gebouwverbod op te leggen en kan er aangifte worden gedaan bij de politie.

Artikel 78. Niet nakomen van overige verplichtingen

De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:

  • 1.

    verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • 2.

    verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

    denk aan: bestedingsverplichting bijzondere bijstand (inrichtingskosten) of de verplichting om geen nieuwe schulden te maken wanneer bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt verleend;

  • 3.

    verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand,

    toelichting: een belanghebbende kan worden verplicht om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de afwijzing van een beroep op een voorliggende voorziening; en

  • 4.

    verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

toelichting: het college kan de verplichting opleggen om het vermogen in een – niet door belanghebbende bewoond – pand waarvan de waarde de vermogensgrens ruimschoots overschrijdt binnen een bepaalde periode aan te spreken.

 

De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.

Artikel 79. Samenloop van gedragingen

Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden

Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden

Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.

Samenloop met een bestuurlijke boete

Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging is.

 

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid).

 

Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).

 

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.

Artikel 80. Recidive

Als er binnen twaalf maanden na de bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Met de verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende is afgezien van het opleggen van een verlaging.

 

Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.

Eerste lid (Verdubbeling duur verlaging)

Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte.

Tweede lid (Verdubbeling hoogte verlaging)

Als binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.

Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen

Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 80, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.

 

Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de duur van de verlaging.

 

Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.

Eenzelfde gedraging vereist voor recidive

Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 77) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 74.1, sub a), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 74.1, sub b, ten eerste) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 74.1, sub b, ten vierde). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.

Derde lid (Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting)

Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges.

 

Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).

Vierde lid recidive zeer ernstige misdraging

Is sprake van het een zeer ernstige misdraging jegens personen binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens zeer ernstige misdraging jegens personen, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden.

Artikel 81. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 81 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

Artikel 82. Nalatigheid IOAW/IOAZ

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 83. Handhaving

De Participatiewet, de IOAW en de IOAZ schrijven voor dat de gemeente een verordening moet opstellen die de handhaving regelt.

 

In deze wetten worden geen eisen gesteld aan de inhoud van het beleid. Het doel is voor te schrijven dat regels worden gesteld voor de bestrijding van ten onrechte ontvangen bijstand en van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het stellen van regels is verplicht.

Artikel 83.1 Opdracht aan het college

Dit artikel legt de verantwoordelijkheid voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet en de IOAW/IOAZ neer bij het college. Het college dient in ieder geval eenmaal per vier jaar een beleidsplan op te stellen. Daarnaast krijgt het college de opdracht om de gemeenteraad periodiek te informeren over de uitvoering en de resultaten op het gebied van handhaving. Met het tweede lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de bijstand en de inkomensvoorziening alleen bestemd zijn voor hen die daar recht op hebben. Het college heeft de plicht alle mogelijke middelen in te zetten om de rechtmatigheid van de uitkeringen te waarborgen.

Artikel 83.2 Verhaal

Verhaal (op derden zoals de onderhoudsplichtige) is een bevoegdheid van het college. Met dit artikel spreekt de gemeenteraad uit dat van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt.

Artikel 83.3 Aangifte

Het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden kan slechts aan de orde zijn bij het redelijk vermoeden dat het nadeel € 50.000,00 of meer bedraagt.

Hoofdstuk 9 Cliëntenparticipatie en klachten

Artikel 84. Betrekken van ingezetenen en belangenbehartigers bij het beleid

Deze bepaling geeft aan op welke wijze de inspraak voor beleid in het sociale domein geregeld is in Waddinxveen.

Artikel 85. Klachtenregeling

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen.

Artikel 86. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder.

 

Het college kan instrumenten vaststellen in nadere regels om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

Artikel 87. Hardheidsclausule

Dit artikel voorziet in een mogelijkheid voor het college om af te wijken van het bepaalde in deze verordening als strikte toepassing van deze verordening leidt tot een onevenredige benadeling van betrokkene gelet op het doel van de regelgeving. De in artikel 3:4 van de Awb opgenomen verplichte belangenafweging en het daarmee verbonden evenredigheidsbeginsel spelen hierbij eveneens een rol.

Artikel 88. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Wmo

In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 88 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 89. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening.

Artikel 90. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Bijlage 1 beschrijving methodiek van Dariuz loonwaardebepaling (artikel 41)

In drie stappen een vastgestelde loonwaarde

Onafhankelijk en objectief

Dariuz brengt in drie stappen de loonwaarde van de medewerker in kaart door de geleverde werkprestatie in een specifieke functie af te zetten tegen de vereisten van die functie. De arbeidsdeskundige geeft een onafhankelijke, betrouwbare beoordeling over de hoogte van de loonkostensubsidie en additionele kosten die de werkgever maakt om de plaatsing te faciliteren.

 

Integratie van techniek en wetenschap staan borg voor een hoge betrouwbaarheid. Dariuz werkt volgens een landelijk afgesproken begrippenkader en is wetenschappelijk gevalideerd.

 

De bevindingen van het onderzoek doen een gevalideerde uitspraak over:

  • 1.

    De reguliere normfunctie en het CAO-loon waarmee de arbeidsprestatie is vergeleken

  • 2.

    De werkprestatie in procenten in vergelijking met een reguliere prestatie

  • 3.

    De loonwaarde berekend in euro’s

  • 4.

    De hoogte van additionele kosten die de werkgever maakt om de plaatsing te faciliteren

  • 5.

    De verwachte duurzaamheid van de plaatsing

  • 6.

    Advies om duurzaam functioneren te borgen en loonwaarde te verbeteren

Het onderzoek loonwaarde wordt uitgevoerd in drie stappen:

Transparant en methodisch

Stap 1: Vooronderzoek

Na aanmelding zoekt Dariuz contact met het bedrijf waar de loonwaarde van een medewerker moet worden vastgesteld. Informatie over de werkwijze wordt verstrekt. Er worden online vragenlijsten beschikbaar gesteld aan de leidinggevende en de medewerker. De beantwoording van deze vragen neemt ca. 25 minuten in beslag. Leidinggevende en de medewerker worden bevraagd op gedrag dat bepalend is voor de werkprestatie en de werknemersvaardigheden. Ook worden taken van de functie en de beleving van gezondheid geïnventariseerd.

 

Het systeem bundelt de bevindingen van de vragenlijsten waarmee het een werkblad genereert dat dient als checklist voor het bedrijfsbezoek. Het werkblad berekent in concept reeds de loonwaarde en geeft ook aan of de plaatsing naar verwachting duurzaam is. Het systeem signaleert welke uitkomsten voldoende betrouwbaar zijn en welke uitkomsten aandacht vragen in het bedrijfsbezoek. De arbeidsdeskundige kan hiermee efficiënt en gericht gesprekken voeren tijdens het bedrijfsbezoek.

 

Indien uit het vooronderzoek blijkt dat de gegenereerde informatie over de hele linie betrouwbaar is en deze overeenstemt met beschikbare dossierinformatie van de klant, kan de arbeidsdeskundige besluiten om direct te vervolgen met stap 3. In de praktijk zal dit vaker mogelijk zijn bij herhaalmetingen.

Stap 2: Bedrijfsbezoek

De arbeidsdeskundige neemt interviews af met de leidinggevende (ca. 40 min.) en de medewerker (ca. 20 min). Hij bezoekt de werkplek (ca. 15 min). In de interviews verifieert de arbeidsdeskundige de informatie van het werkblad uit het vooronderzoek. Hij legt focus op de uitkomsten die in het werkblad onvoldoende eenduidig waren. Daarnaast verzamelt hij informatie over de werkomgeving en de reguliere eisen in de functie. Volgens een gesprekstechniek waarin de arbeidsdeskundige is getraind achterhaalt deze in welke mate scores al dan niet aanpassing behoeven.

Stap 3: Rapportage en terugkoppeling

De bevindingen uit het bedrijfsbezoek worden verwerkt in Dariuz. Door middel van een vragenlijst vult de arbeidsdeskundige de informatie die beschikbaar was uit het vooronderzoek aan en past hij zonodig scores aan. Het systeem genereert een rapport dat opent met een samenvatting waarin wordt ingegaan op de 6 aspecten die eerder zijn vermeld.

 

De Productiviteit wordt berekend naar tempo, efficiëntie en kwaliteit van handelen. Het gewicht dat elk element heeft in de berekening is afhankelijk van de eisen in het werk. Doet het werk veel appèl op efficiëntie of bijvoorbeeld juist het tempo etc. De score van de medewerker op de 3 elementen wordt toegelicht aan de hand van concreet gedrag in werk.

 

De Inzetbaarheid (netto productieve tijd) wordt berekend aan de hand van extra begeleidingstijd en/of extra pauzes.

 

De Werkprestatie wordt berekend door de Productiviteit van de medewerker te vermenigvuldigen met diens Inzetbaarheid. De loonwaarde wordt tenslotte berekend door de volgende rekensom: Brutoloon normfunctie x deeltijdfactor x Werkprestatie.

 

Daarnaast geeft de rapportage inzicht in de additionele kosten die de werkgever maakt om de plaatsing te faciliteren. Dit zijn o.m. de extra begeleidingskosten, extra scholing of extra aanpassingen in het werkproces.

 

De stappen in het werkproces en berekeningen stemmen overeen met het landelijk begrippenkader dat in samenwerking met AKC, UWV en DWI Amsterdam is vastgesteld. Deze voldoen aan de kaders die nu bekend zijn van de landelijke werkkamer en het ministerie van SZW.

Bijlage 2 Schema toekenning voorwaarden leerlingenvervoer

*) De leerling kan wegens zijn handicap in het geheel niet, of alleen met begeleiding van het openbaar vervoer gebruik maken.