Gemeenteblad van Hilversum

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HilversumGemeenteblad 2017, 114336Beleidsregels



DE BELEIDSREGELS REGELING MEEDOEN HILVERSUM 2017

 

BEHORENDE BIJ DE PARTICIPATIEWET

Regeling Meedoen HILVERSUM 2017

Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,

gelet op:

• artikel 35 van de Participatiewet

besluit:

vast te stellen de beleidsregels Regeling Meedoen Hilversum 2017

Vastgesteld in de Collegevergadering van 4 juli 2017

Kader

Om inwoners van Hilversum met een laag inkomen te ondersteunen bij de deelname aan de samenleving is de ‘Regeling meedoen Hilversum 2016’ ingevoerd: deze regeling biedt een regeling voor vergoeding van indirecte schoolkosten en de aanschaf van een computer ten behoeve van minderjarige kinderen en bijstand voor de maatschappelijke activiteiten voor volwassenen en kinderen.

Door het vaststellen van de nieuwe beleidsregel Kindpakket per 1 juli 2017 moet de regeling Meedoen gewijzigd worden. Deze geldt nu alleen nog voor meerderjarigen.

Deze beleidsregels voorzien in het juridisch kader dat nodig is om de beleidswijziging te bekrachtigen en te kunnen uitvoeren in de praktijk. Met de totstandkoming van deze ‘regeling Meedoen’ zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

HOOFDSTUK I ALGEMEEN BEPALINGEN

Artikel 1. Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum;

    • b.

      wet: Participatiewet;

    • c.

      jaar: een aaneengesloten periode van 12 maanden, waarvan het startpunt wordt geregeld in een uitvoeringsinstructie;

    • d.

      activiteiten: culturele, educatieve, recreatieve of sportieve activiteiten in georganiseerd en/of groepsverband, alsmede de overige kosten die als vormen van maatschappelijke participatie zijn opgenomen in de bijlage behorend bij deze beleidsregels;

    • e.

      besteedbaar inkomen: het inkomen dat resteert na executoriaal beslag, dan wel na inhouding en aflossing op grond van wettelijke schuldsanering of op grond van een minnelijke schuldregeling die tot stand gekomen is door bemiddeling van een conform NEN 8048-normen gecertificeerde schuldhulpverlener;

    • f.

      toepasselijke bijstandsnorm: bijstandsnorm, met dien verstande dat

    • i.

      artikel 22a van de wet buiten toepassing wordt gelaten, en

    • ii.

      voor de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 21 onderdeel a respectievelijk in artikel 22 onderdeel a, van de wet, die geen aanspraak heeft op een verhoging van het kindgebonden budget als bedoeld in artikel 2 Wet op het Kindgebonden Budget, onder bijstandsnorm wordt verstaan: de bijstandsnorm voor een alleenstaande, bedoeld in artikel 21 onderdeel a respectievelijk in artikel 22 onderdeel a, van de wet, plus 20 procent van de bijstandsnorm voor gehuwden.

Artikel 2. Werkingsgebied

Ter ondersteuning van de participatie in de samenleving bestaat aanspraak op bijzondere bijstand voor kosten verbonden aan deelname aan maatschappelijke activiteiten, onder de voorwaarden die in de wet en in deze beleidsregels zijn genoemd.

Artikel 3. Aanvraagformulier

De in deze beleidsregels genoemde voorzieningen worden aangevraagd door middel van een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

Artikel 4. Inkomens- en vermogensgrens

  • 1.

    Geen recht op bijzondere bijstand op grond van deze beleidsregels, bestaat voor belanghebbenden met een besteedbaar inkomen boven 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm of met in aanmerking te nemen vermogen.

  • 2.

    In afwijking van het vorige lid bedraagt de inkomensgrens 130 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, voor een belanghebbende die door werkaanvaarding vanaf 1 januari 2016 geen recht heeft op algemene bijstand, zolang de werkzaamheden voortduren, maar uiterlijk tot 24 maanden vanaf de datum van werkaanvaarding.

Artikel 5. Verantwoording

  • 1.

    Indien aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand op grond van deze beleidsregels is voldaan, wordt de hoogte van de bijstand vastgesteld op basis van een prijsindicatie door de belanghebbende.

  • 2.

    Het college kan de belanghebbende verzoeken de gemaakte kosten van bewijsstukken te voorzien. Blijkt daaruit dat de bijstand tot een te hoog bedrag is verleend, dan wordt de teveel verstrekte bijstand teruggevorderd, in overeenstemming met de daarop betrekking hebbende beleidsregels.

Artikel 6. Vorm van de bijstand

De bijstand op grond van deze beleidsregels wordt verstrekt om niet.

HOOFDSTUK II DE VOORZIENINGEN

Deelname aan activiteiten

Artikel 7. Voorwaarden

  • 1.

    Recht op bijzondere bijstand voor deelname aan activiteiten bestaat voor belanghebbenden van 18 jaar of ouder die kosten maken die zijn opgenomen in de bijlage.

  • 2.

    Het recht op bijzondere bijstand wordt per jaar vastgesteld.

Artikel 8. Hoogte van de bijstand

De bijzondere bijstand is gelijk aan de feitelijke kosten van de activiteit(en), maar bedraagt maximaal € 140,00 per persoon per jaar.

HOOFDSTUK III SLOTBEPALINGEN

Artikel 9. Afwijken individueel geval

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 10. Bijlage

Bijlage 1, Bijzondere bijstand voor activiteiten, maakt onderdeel uit van deze beleidsregels.

Artikel 11. Intrekken oude beleidsregels

De Regeling Meedoen Hilversum 2016 wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2017.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de bekendmaking en werken terug tot en met 1 juli 2017.

Artikel 13. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Regeling Meedoen Hilversum 2017.

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op 4 juli 2017

de secretaris, de burgemeester,

P.Schulten P.J. Broertjes

Bijlage 1, Bijzondere bijstand voor activiteiten.

behorend bij artikel 7 van de Regeling Meedoen gemeente Hilversum 2017

Voor personen vanaf 18 jaar

Een vergoeding tot een maximum van € 140,00 per persoon per jaar voor de kosten van:

• Deelname aan culturele, educatieve, recreatieve en sportieve activiteiten in georganiseerd en/of groepsverband.

• Telefoon-, internet- of krantenabonnement

• Lidmaatschap van de bibliotheek

• Zwemles, fietsles, dansles e.d. in georganiseerd verband

• NS-abonnement Dal Voordeel

• Museumjaarkaart

Toelichting

Deze beleidsregels voorzien in het juridisch kader dat nodig is om de beleidswijziging te formaliseren voor de individuele gevalsbehandeling. Met de totstandkoming van deze ‘regeling Meedoen Hilversum 2017’ zijn voor belanghebbenden van 18 jaar of ouder geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

De bijzondere bijstand voor activiteiten wordt vastgesteld voor een maximum bedrag per jaar. Het wordt aan de uitvoeringsorganisatie overgelaten om het begin- en eindpunt van deze periode nader te regelen in een uitvoeringsinstructie. In het tweede lid zijn de verschillende voorzieningen beschreven waarop aanspraak gemaakt kan worden op grond van deze regeling Meedoen.

Met het begrip ‘activiteiten’ worden die vormen van maatschappelijke participatie aangeduid die voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat het een aantal nogal uiteenlopende kostensoorten betreft, en in het verleden onduidelijkheid bestond over de vraag welke kosten er wel en niet onder gebracht konden worden, is in de bijlage een overzicht opgenomen van kosten, die onder deze voorziening vallen. Door opname in de bijlage is het eenvoudig om een wijziging aan te brengen in deze lijst en hoeft de beleidsregel niet te worden gewijzigd. Volstaan kan worden met een aanpassing van de bijlage als een wijziging in de inhoud of omvang van de kostensoorten gewenst is.

Het begrip ‘besteedbaar inkomen’ is gedefinieerd, omdat de voorzieningen op grond van de regeling Meedoen bedoeld zijn voor mensen met een laag besteedbaar inkomen, dwz. een inkomen dat resteert na aftrek van verplichte inhoudingen voor beslag, wsnp of minnelijke schuldenregeling door een gecertificeerd schuldbemiddelaar, conform jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374).

Ten slotte is het begrip ‘bijstandsnorm’ omschreven, omdat het afwijkt van datzelfde begrip in de hogere regeling, de Participatiewet. In deze begripsomschrijving komt tot uitdrukking, dat de kostendelersnorm niet toegepast wordt. Daarmee wordt aangesloten bij het besluit van de raad d.d. 16 december 2015 om het wettelijk sociaal minimum als uitgangspunt te nemen.

Tevens komt in de begripsomschrijving tot uitdrukking dat de inkomensgrens voor alleenstaande ouders verhoogd wordt met 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden, als de alleenstaande ouder geen aanspraak maakt op de verhoging van het kindgebonden budget. Dit geldt voor alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder. De bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder is namelijk in 2015 met 20% verlaagd en gelijkgesteld aan die van een alleenstaande. Deze inkomensterugval is echter voor een aantal groepen gecompenseerd door een verhoging van het kindgebonden budget. Voor die groep is verhoging van de inkomensgrens daarom niet nodig

Artikel 2

Beschreven is wat met deze regeling Meedoen wordt beoogd. Ter wille van de duidelijkheid voor de lezer en voor degenen die met de uitvoering zijn belast is in dit artikel vastgelegd wat de strekking van deze beleidsregels is. De regeling Meedoen moet binnen deze kaders worden gelezen en uitgevoerd.

Artikel 3

De voorziening kan worden aangevraagd met een door het college ter beschikking gesteld formulier .

Artikel 4

De regeling Meedoen is bedoeld voor huishoudens met een laag inkomen. Dat lage inkomen is begrensd tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Om werkzoekenden te stimuleren werk te aanvaarden en hen te ondersteunen bij de maatschappelijke participatie, is de inkomensgrens voor personen die werk aanvaarden, in afwijking daarvan gesteld op 130% van de toepasselijke bijstandsnorm, gedurende maximaal de eerste 24 maanden vanaf het moment van deze werkaanvaarding. Raakt men werkloos en valt men in inkomen terug, dan geldt wederom de 110%-grens. Zodra men met een bijstandsuitkering echter weer gaat werken en het recht op bijstand verliest, geldt wederom de inkomensgrens van 130%. Door de werkaanvaarding moet het inkomen uit werk wel zodanig zijn dat geen aanspraak meer bestaat op algemene bijstand. Slechts in dat geval wordt de inkomensgrens verhoogd gedurende maximaal de eerste 2 jaar na deze werkaanvaarding als impuls voor werkaanvaarding en tot beperking van de armoedeval.

Artikel 5

In dit artikel is vastgelegd hoe wordt vastgesteld op welk bedrag aan bijstand de belanghebbende recht heeft als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. In de praktijk is gebleken dat het werken met prijsopgaven (prijsindicaties) het beste werkt. De bijstand wordt dan vastgesteld op het op het aanvraagformulier vermelde bedrag, tot maximaal de in deze beleidsregels aangegeven bedragen. In het tweede lid is daaraan toegevoegd, dat het college bewijsstukken van de feitelijk gemaakte kosten kan vragen. Dat kan in individuele gevallen, daar waar twijfels bestaan of de kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt, maar ook categoriaal. Daarbij kan ook een uiterste termijn worden gesteld, waarbinnen de bewijsstukken overlegd moeten worden. Een en ander kan nader worden uitgewerkt in uitvoeringsinstructies.

Artikel 6

Conform artikel 48, eerste lid, Participatiewet is de vorm van de bijstand die op grond van deze beleidsregels wordt verleend ‘om niet’. In een aantal gevallen kan de bijstand op grond van wettelijke bepalingen een andere vorm hebben. Dat geldt bijv. voor duurzame gebruiksgoederen, zoals een computer (zie artikel 51 Participatiewet). Om dat uit te sluiten en daarover helderheid te verschaffen is in artikel 7 opgenomen dat de bijstand ‘om niet’ wordt verstrekt en geen andere vorm kan hebben. De maatschappelijke participatie die met deze bijstand wordt ondersteund wordt als zo wezenlijk aangemerkt, dat een andere vorm, zoals een lening, niet wenselijk wordt geacht.

Artikel 7

De vergoeding voor deelname aan het maatschappelijk verkeer voor belanghebbenden van 18 jaar of ouder is beperkt tot de in de bijlage genoemde kosten. Het betreft zowel globaal omschreven activiteiten (deelname aan culturele, educatieve etc. activiteiten in georganiseerd en/of groepsverband) als meer concreet aangeduide activiteiten/abonnementen e.d. Door deze wijze van omschrijven ontstaat veel ruimte om bijzondere bijstand te verlenen voor allerlei activiteiten, lidmaatschappen e.d. die bijdragen aan het voorkomen van sociaal isolement en aan de deelname aan het maatschappelijk verkeer. In het tweede lid is bepaald dat het recht op bijzondere bijstand per jaar wordt vastgesteld. De ingangsdatum van dit jaar wordt nader geregeld door middel van een uitvoeringsinstructie. Is er recht, dan kan voor kosten die zich in die periode voordoen, in die periode bijstand voor activiteiten worden verleend.

Voor de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer voor minderjarigen is een aparte regeling, de beleidsregels Kindpakket Hilversum 2017.

Artikel 8

De hoogte van de bijstand voor activiteiten is gemaximeerd op het aangegeven bedrag.

Artikel 9

Het verstrekken van bijzondere bijstand is bij uitstek maatwerk. In individuele gevallen kan in afwijking van het bepaalde in de beleidsregels bijzondere bijstand worden verleend.

Artikel 10

Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 11

Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. De formulering is conform de Aanwijzingen voor de (decentrale) regelgeving (Ar 240-245) en heeft als strekking, dat de genoemde ‘oude’ beleidsregels worden ingetrokken per de datum waarop de ‘nieuwe’ (met terugwerkende kracht) in werking treden.

Artikel 12

Dit artikel regelt de inwerkingtreding, zodat de Regeling Meedoen effectief is vanaf 1 juli 2017. Aanvragen die vanaf deze datum worden ingediend, kunnen op basis van deze beleidsregels worden afgewikkeld.

Artikel 13

Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.