Gemeenteblad van Cuijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
CuijkGemeenteblad 2016, 37875Verordeningen



Gemeente Cuijk - Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas 2005

Inclusief 3e wijziging – versie 2016

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

  • a.

    Aanlegsteiger: een bouwwerk ten behoeve van de aanleg van vaartuigen.

  • b.

    Bedrijfsschip: een vaartuig dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van personen en/of goederen dan wel een vaartuig waarop of waarmee een bedrijf of beroep wordt of kan worden uitgeoefend.

  • c.

    Bijbehorende zaken zonder welke het gebruik als woonschip niet goed mogelijk is, voorzieningen: zoals een bijboot, steiger en een loopplank.

  • d.

    Campingsteiger: een aanlegsteiger uitsluitend voor de vaartuigen van de verblijfsrecreanten op de camping.

  • e.

    Depotactiviteiten: activiteiten verband houdende met de tijdelijke opslag van zand en grint binnen het gebied.

  • f.

    Gebied: het gebied zoals aangegeven en begrensd op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte overzichtskaart.

  • g.

    Jachthaven: haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen.

  • h.

    Kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt als recreatief nachtverblijf.

  • i.

    Ligplaats: een gedeelte binnen het gebied dat bestemd of geschikt is om door een vaartuig te worden ingenomen.

  • j.

    Ligplaatsenkaart: kaart waarop aangegeven de plaatsen waar de plaatsen waar woonschepen ligplaats mogen hebben.

  • k.

    Oeverstrook grond gelegen tussen de waterlijn en de grens van het gebied.

  • l.

    Openbaar water: gedeelte van het gebied dat, al dan niet met enige beperking, voor publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk is;

  • m.

    Overzichtskaart: kaart met verklaringen behorende bij de verordening “Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas 2005”.

  • n.

    Passantensteiger: een openbare aanlegsteiger waar een vaartuig met een maximale lengte van 15 meter tussen zonsopgang en zonsondergang kan worden afgemeerd.

  • o.

    Rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.

  • p.

    Vaartuig: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten, surfplanken en pontons.

  • q.

    Verenigingsschip: een vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt ten behoeve van activiteiten van een vereniging.

  • r.

    Vliegtuigje: een voorwerp om zich in de lucht voort te bewegen, voorzien van een voortstuwingsinrichting en niet vallende onder de bepalingen van de Luchtvaartwet.

  • s.

    Woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot, dag- en/of nachtverblijf van een of meer personen.

Artikel 2 Toepassingsgebied

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de wateren en aansluitende oeverstroken, als zodanig aangegeven en begrensd op Overzichtskaart.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het wijzigen van de overzichtskaart om deze in overeenstemming te brengen met een bestemmingsplan dat na het van kracht worden van deze verordening is goedgekeurd.

Artikel 3 Toepasselijkheid van de verordening

Binnen het gebied is onverkort van toepassing het Binnenvaartpolitiereglement, de Algemene Plaatselijke Verordening alsmede het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Artikel 4 Wijze van meten

  • 1.

    De in deze verordening genoemde maten worden uitwendig gemeten daar waar zij het grootst zijn. Ondergeschikte bouwdelen zoals lichtkoepels en antennes worden niet meegerekend.

  • 2.

    De hoogte van een woonschip wordt gemeten vanaf het waterpeil.

Artikel 5 Beslistermijn

  • 1.

    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 6 Indiening aanvraag

1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kunnen burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2.Voor bepaalde, door burgemeester en wethouders aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel 7 Voorschriften en beperkingen

1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 8 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.

Artikel 9 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    de houder dit verzoekt.

HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

Artikel 10 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1.

    Het is verboden binnen het gebied deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2.

    Eenieder, die binnen het gebied aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie dan wel een toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3.

    Het is verboden zich binnen het gebied te begeven of te bevinden op de wateren en aansluitende oeverstroken, die door of vanwege het bevoegde gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 4.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5.

    Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 11 Ongeklede openbare recreatie

Uitsluitend het gebied, zoals aangegeven met de aanduiding “OR” op de overzichtskaart, is geschikt als plaats voor ongeklede recreatie als bedoeld in artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 11A Loslopende honden.

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      op de oeverstroken zonder dat die hond is aangelijnd;

    • b.

      binnen het gebied zoals aangegeven met de aanduiding “ZW” op de overzichtskaart;

    • c.

      op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats.

  • 2.

    Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor het gebied zoals aangegeven met de aanduiding “H” op de overzichtskaart;

    • b.

      voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is.

Artikel 12 Gebruik van water en oeverstroken

  • 1.

    Het is verboden binnen het gebied:

    • a.

      te varen met een waterscooter, jetski of hovercraft of andere vergelijkbare gemotoriseerde objecten;

    • b.

      zeilen van een vaartuig alsmede wasgoed te laten drogen in of aan bomen, struiken en beplanting;

    • c.

      met een vaartuig te varen op plaatsen, die door burgemeester en wethouders als zodanig zijn aangewezen;

    • d.

      zich met een voer- of vaartuig zodanig te gedragen dat daardoor schade wordt toegebracht aan flora of fauna of dat daardoor overlast ontstaat voor de omgeving;

    • e.

      te zwemmen of te surfen nabij onderdoorgangen van bruggen alsmede op plaatsen die door burgemeester en wethouders als zodanig zijn aangewezen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod gesteld in eerste lid onder c.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders binnen het gebied:

    • a.

      havens, aanleginrichtingen, botenhellingen, afmeerconstructies en steigers, golfbrekers, beschoeiingen of daarmee gelijk te stellen werken, te maken, te hebben en te onderhouden;

    • b.

      palen, masten, kranen en hijsinrichtingen te plaatsen, te hebben en te onderhouden.

  • 4.

    Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders binnen het gebied een kampeermiddel te plaatsen of geplaatst te houden ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Een dergelijke vergunning kan uitsluitend worden verleend voor de oeverstrook:

    • a.

      nabij het verenigingsschip zoals aangegeven met (VS) op de ligplaatsenkaart;

    • b.

      aan de zuidzijde van het gebied zoals aangegeven met (2) en (3) op de overzichtskaart.

Artikel 13 Verbod innemen ligplaats

  • 1.

    Het is verboden met een vaartuig:

    • a.

      tussen zonsondergang en zonsopgang ligplaats te nemen of te hebben aan de passantensteiger;

    • b.

      ligplaats te nemen of te hebben binnen de op de overzichtskaart aangegeven gedeelten van het openbaar water;

    • c.

      tussen 19.00 uur ’s avonds en 07.00 uur ‘s ochtends ligplaats te nemen of te hebben aan de oevers binnen het gebied;

    • d.

      langs de als ligplaats ingerichte oevers met de lange zijde van het vaartuig langs die oever aan te leggen en/of ligplaats te hebben.

    • e.

      met een vaartuig af te meren anders dan aan de daartoe bestemde afmeerconstructies.

  • 2.

    Het in het eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet voor de vaartuigen die ligplaats hebben in een jachthaven dan wel aan de campingsteiger.

  • 3.

    Het in het eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      Vaartuigen die ligplaats hebben aan niet openbare steigers, en

    • b.

      Vaartuigen van door het college van burgemeester en wethouders in het algemeen belang aangewezen maatschappelijke, culturele en creatieve instellingen/ ondernemers, stichtingen en verenigingen en dergelijke die ten behoeve van recreatie, onderwijs, welzijn en cultuur, ligplaats innemen

Artikel 14 Snelheidsbeperkingen

Het is verboden in het gebied met een gemotoriseerd vaartuig te varen met een hogere snelheid dan:

  • a.

    6 kilometer per uur in een (jacht)haven;

  • b.

    9 kilometer per uur in het overige gebied.

Artikel 15 Veiligheid op wateren en oeverstroken

  • 1.

    Het is verboden binnen het gebied:

    • a.

      putten of kuilen te graven of anderszins de grasmat, beplanting, oevers, werken of gronden te beschadigen;

    • b.

      een vliegtuigje of een ander voorwerp voorzien van een voortstuwingsinrichting en niet vallende onder de bepalingen van de Luchtvaartwet, op te laten of boven het gebied te laten vliegen;

    • c.

      vanaf kunstwerken (bruggen), steigers en/of afmeerconstructies te springen of te duiken;

    • d.

      touwen, kettingen, metalen draden of kabels, voor zover deze niet worden gebruikt voor het meren en/of slepen van een vaartuig, te leggen, te doen leggen, te spannen, te hebben en te onderhouden in, onder, op of boven de wateren;

    • e.

      een vaartuig, zonder toestemming van de rechthebbende op dat vaartuig, te betreden dan wel daarmee te varen; f een vaartuig dat in verwaarloosde staat verkeert, te laten liggen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod gesteld in het eerste lid onder a. en b.

Artikel 16 Verenigingsschip

  • 1.

    Het is verboden met een verenigingsschip een ligplaats in te nemen of te hebben buiten de plaats zoals aangegeven op de ligplaatsenkaart.

  • 2.

    Op de in het eerste lid bedoelde plaats mag een verenigingsschip een ligplaats innemen en hebben, mits de vereniging beschikt over een vergunning van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Een ligplaatsvergunning wordt geweigerd indien:

    • a.

      voor de ligplaats al een vergunning is verleend;

    • b.

      het verenigingsschip langer, breder, hoger of dieper is dan aangegeven op de ligplaatsenkaart;

    • c.

      het verenigingsschip belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land;

    • d.

      de aanvraag niet in overeenstemming is met de door burgemeester en wethouders gestelde regels op het gebied van de bijbehorende voorzieningen.

  • 4.

    De ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de vereniging en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het verenigingsschip.

Artikel 17 Bedrijfsschepen

  • 1.

    Het is verboden met een bedrijfsschip ligplaats te nemen of te hebben binnen het gebied.

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor:

    • a.

      een bedrijfsschip dat zich bevindt in de bedrijfsschepen zone, zoals aangegeven op de Overzichtskaart;

    • b.

      een bedrijfsschip dat direct betrokken is bij de ontgronding, de depotactiviteiten dan wel bij de inrichting van het gebied.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod gesteld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 3 BIJZONDERE BEPALINGEN WOONSCHEPEN

Artikel 18 Aangewezen ligplaatsen

  • 1.

    De plaatsen waar woonschepen ligplaats mogen hebben, zijn aangewezen op de ligplaatsenkaart.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het wijzigen van de ligplaatsenkaart om deze in overeenstemming te brengen met een bestemmingsplan dat na het van kracht worden van deze verordening is goedgekeurd.

Artikel 19 Verboden ligplaatsen

1. Het is verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten de plaatsen zoals aangegeven op de ligplaatsenkaart.

2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing op woonschepen die in aanbouw of in reparatie zijn, zolang zij zich op of aan een scheepswerf dan wel in of bij een reparatie-inrichting bevinden.

Artikel 20 Ligplaatsvergunning

  • 1.

    1.Op de op grond van artikel 18, eerste lid, aangewezen plaatsen mag een woonschip ligplaats innemen en hebben, mits de eigenaar van het woonschip beschikt over een vergunning van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Een ligplaatsvergunning wordt geweigerd indien:

    • a.

      voor de ligplaats al een vergunning is verleend;

    • b.

      het woonschip langer, breder, hoger of dieper is dan aangegeven op de ligplaatsenkaart;

    • c.

      het woonschip belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land;

    • d.

      het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente, of het landschap verstoort;

    • e.

      het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid;

    • f.

      de aanvraag niet in overeenstemming is met de door burgemeester en wethouders gestelde regels op het gebied van de bijbehorende voorzieningen.

  • 3.

    De ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.

Artikel 21 Overdragen ligplaatsvergunning

  • 1.

    Indien vergunninghouder de ligplaatsvergunning wenst over te dragen, dient de vergunninghouder vooraf bij burgemeester en wethouders een aanvraag tot het overdragen van de ligplaatsvergunning in.

  • 2.

    Op een aanvraag tot het overdragen van een ligplaatsvergunning is het bepaalde in artikel 20, tweede lid, onder b. tot en met f., van toepassing.

Artikel 22 Wijziging ligplaatsvergunning

  • 1.

    Indien wijziging van de ligplaatsvergunning noodzakelijk is, dient de vergunninghouder vooraf bij burgemeester en wethouders een aanvraag tot wijziging van de ligplaatsvergunning in.

  • 2.

    Op een aanvraag van wijziging van een ligplaatsvergunning is het bepaalde in artikel 20, tweede lid, onder b. tot en met f., van toepassing.

Artikel 23 Intrekking ligplaatsvergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 9 kunnen burgemeester en wethouders de ligplaatsvergunning intrekken indien:

  • a.

    de gegevens in de vergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie;

  • b.

    het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente, of het landschap verstoort;

  • c.

    het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid;

  • d.

    op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de vergunning;

  • e.

    het woonschip zonder toestemming van burgemeester en wethouders gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten weken buiten de gemeente verblijft.

Artikel 24 Aansluiting aan drinkwaterleiding

  • 1.

    De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien het schip is voorzien van een of meer drinkwatertanks waarvan de gezamenlijke inhoud minimaal 250 liter bedraagt.

Artikel 25 Aansluiting aan de riolering

  • 1.

    De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten aan een openbaar riool.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.

HOOFDSTUK 4 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 26 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 7 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 27 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van de door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in een of meer van de navolgende artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven:

  • a.

    artikel 10 (samenscholing en ongeregeldheden);

  • b.

    artikel 11 (ongeklede openbare recreatie);

  • c.

    artikel 12 (gebruik van wateren en oeverstroken);

  • d.

    artikel 13 (verbod innemen ligplaats);

  • e.

    artikel 15 (veiligheid op wateren en oeverstroken).

Artikel 28 Toezichthouders
  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen toezichthouders met opsporingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering

    • b.

      de algemene opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.

  • 2.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 29 Nakoming aanwijzingen

De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht gevolg te geven aan de door of namens burgemeester en wethouders gegeven bevelen en aanwijzingen in het belang van de openbare orde of van de vrijheid of veiligheid van het verkeer.

Artikel 30 Binnentreden

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een vaartuig zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 31 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van uitgifte van het Cuijks Weekblad waarin zij is geplaatst.

  • 2.

    Op dat tijdstip wordt de Verordening Kraaijenbergse Plassen 1995 (raadsbesluit 4 maart 1996), inclusief de wijzigingen, en alle daaraan gekoppelde uitvoeringsbesluiten, ingetrokken.

Artikel 32 Overgangsbepaling

  • 1.

    Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 31, tweede lid, blijven – indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening – van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  • 2.

    Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 31, tweede lid, blijven – indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening – van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  • 3.

    Vergunningen en ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, en verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze verordening te zijn.

  • 4.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – op grond van een verordening bedoeld in artikel 31, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.

  • 5.

    Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 31, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 31, tweede lid.

  • 6.

    In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.

  • 7.

    Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 31, tweede lid, zijn niet van toepassing:

    • a.

      gedurende 12 weken na het in werking treden van deze verordening;

    • b.

      ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.

  • 8.

    De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 31, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Artikel 33 Aanhalingstitel

Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel "Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas 2005, derde wijziging (2016).

 

Aldus besloten tot de derde wijziging door de raad van de gemeente Cuijk in zijn openbare vergadering van 21 maart 2016.

De raad voornoemd,

R.M. van der Weegen

Mr. W.A.G. Hillenaar

griffier

voorzitter

 

Toelichting op de Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas 2005

In de vergadering van 4 maart 1996 heeft de gemeenteraad van Cuijk vastgesteld de Verordening Kraaijenbergse Plassen 1995. Als gevolg van de uitbreiding van het plassengebied, waaronder de Heeswijkse Plas, en gewijzigde wetgeving is een nieuwe verordening noodzakelijk. Dit heeft geresulteerd in de “Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas 2005”. Onderstaand wordt ingegaan op de meest relevante wijzigingen.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijving

Ter verkrijging van uniformiteit zijn de begrippen die voorkomen in het Binnenvaartpolitiereglement en de Algemene Verordening Cuijk 2003 overgenomen.

Onder punt c. is de term “bijbehorende voorzieningen” gedefinieerd. Als het wonen op het water wordt toegestaan, moet men ook de voorzieningen toestaan die daarbij horen, zoals een loopplank of een bijboot. Een bijboot is een klein vaartuig dat behoort bij het woonschip en bestemd en geschikt is voor het onderhoud, de voortstuwing of het kunnen bereiken van het woonschip.

Onder het in punt r. omschreven begrip “woonschip” vallen zowel de permanent bewoonde woonschepen als de recreatiewoonschepen.

 

Artikel 2 Toepassingsgebied

De verordening is van toepassing op zowel de Kraaijenbergse Plassen als de Heeswijkse Plas.

Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid

 

Artikel 10 Samenscholing en ongeregeldheden

Dit artikel is eveneens opgenomen in de Algemene Verordening Cuijk 2003, echter uitsluitend voor zover het betreft samenscholing en ongeregeldheden op de weg. Wenselijk is een dergelijk artikel eveneens op te nemen voor het gebied van deze verordening.

 

Artikel 11 Ongeklede openbare recreatie

Ter regulering van de ongeklede openbare recreatie is aan de westoever van plas 4 van de Kraaijenbergse Plassen een gebied aangewezen waar deze vorm van recreatie mogelijk is.

 

Artikel 11A. Loslopende honden.

Tijdens de raadsvergadering van 27 juli 2005 is een motie van de fractie PLC aangenomen, inhoudende de opdracht om specifieke terreinen aan te wijzen waar het is toegestaan om honden te laten zwemmen. Opgenomen is een tweetal locaties in de Heeswijkse Plas.

 

Artikel 12 Gebruik van wateren en oeverstroken

In dit artikel is het gebruik van het water en de oevers geregeld. Opgenomen is onder andere een verbod om met een vaartuig te varen op plaatsen die door burgemeester en wethouders als zodanig zijn aangewezen. Met name zal worden aangewezen het gebied waar nog ontgrondings-werkzaamheden worden verricht.

 

Artikel 13 Verbod innemen ligplaats

In dit artikel zijn de plaatsen vermeld waar het verboden is met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben. Het is aan de oevers binnen het gehele gebied waarop de verordening van toepassing is verboden om tussen 19.00 uur ’s avonds en 07.00 uur ‘s ochtends ligplaats te nemen of te hebben (sub c). Dit geldt ook expliciet voor de passantensteigers (sub a).

Het verbod geldt niet voor de vaartuigen die ligplaats hebben in bijvoorbeeld een jachthaven dan wel aan de campingsteiger.

In verband met het beperkte aantal afmeerplaatsen voor vaartuigen langs de oeverstroken is bij onderdeel d opgenomen, dat vaartuigen niet met de lange zijde van het vaartuig langs de oever mogen aanleggen. Tevens is opgenomen dat uitsluitend aan een daartoe bestemde afmeerconstructie mag worden afgemeerd. Op deze wijze wordt voorkomen dat schepen worden afgemeerd aan bijvoorbeeld schanskorven.

Door de uitzondering in sub a op te nemen wordt geregeld dat bijvoorbeeld Olie en Stoom of Bij Ceulemans ook ’s nachts bootjes aan hun eigen steigers mogen hebben liggen. Door de uitzondering sub b op te nemen krijgt het college de bevoegdheid om eventueel verenigingen, stichtingen etc. aan te wijzen voor wie het verbod om ’s nachts een ligplaats te hebben niet geldt.

 

Artikel 16 Verenigingsschip

Opgenomen is een artikel ten behoeve van de ligplaats van een tweetal verenigingschepen in plas 1. Het betreft schepen van de scouting. De ligplaatsen zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende ligplaatsenkaart.

Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen woonschepen

Algemeen.

In dit hoofdstuk zijn voorschriften opgenomen over de ligplaatsen van woonschepen. Op de ligplaatsenkaart zijn aangegeven de ligplaatsen aan zowel de Oostermeerweg als de Lange Linden.

 

Artikel 18 Aangewezen ligplaatsen.

De plaatsen waar het is toegestaan met een woonschip een ligplaats in te nemen zijn aangegeven op de ligplaatsenkaart. Zodra de verordening met ligplaatsenkaart is vastgesteld, is het vervolgens raadzaam om de kaart bij wijziging van bestemmingsplannen actueel te houden. De situatie dat een aanvraag om ligplaatsvergunning past in het nieuwe bestemmingsplan, terwijl die aanvraag op grond van de ( inmiddels verouderde) ligplaatsenkaart moet worden geweigerd, moet immers worden voorkomen. In lid 2 is daarom aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om de ligplaatsenkaart te actualiseren ingeval er een nieuw bestemmingsplan is opgesteld of een bestemmingsplan is herzien. Deze delegatie is logisch omdat dit actualiseren van de ligplaatsenkaart als een uitvoeringshandeling kan worden beschouwd. De kaart wordt immers in overeenstemming gebracht met een door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan.

 

Artikel 20 Ligplaatsvergunning.

De eigenaar van het woonschip moet beschikken over een ligplaatsvergunning, ook in die gevallen waarin er sprake is van een verhuurd woonschip.

In lid 2 staan de weigeringsgronden voor de ligplaatsvergunning. Er worden geen eisen gesteld met betrekking tot de aanvrager.

Lid 3 bepaalt welke gegevens de ligplaatsvergunning omvat: de gegevens van de eigenaar, de ligplaats, de toegestane voorzieningen en de gegevens van het betreffende woonschip, zoals de maatvoering en de naam van het schip. De toegestane voorzieningen zijn zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning niet (goed) mogelijk is, zoals bijboten, steigers, palen en een loopplank.

Dit artikel bevat geen bepaling over het stellen van voorwaarden bij het verlenen van de vergunning. Ook zonder expliciete opname van deze mogelijkheid in de verordening, kunnen dergelijke voorwaarden echter worden gesteld. De vergunning wordt geweigerd als niet door middel van het stellen van voorwaarden aan de eisen van de verordening kan worden voldaan.

 

Artikel 21 Overdragen ligplaatsvergunning.

Als de eigenaar zijn woonschip verkoopt en de ligplaatsvergunning aan de nieuwe eigenaar geeft zonder medeweten van de gemeente, kunnen burgemeester en wethouders die vergunning intrekken. De gegevens op de vergunning komen dan immers niet meer overeen met de werkelijke situatie. Doordat bij eigendomsoverdracht om overschrijving moet worden gevraagd, behoudt de gemeente ook een actueel overzicht van de eigenaren van de woonschepen.

 

Artikel 22 Wijzigen ligplaatsvergunning.

Als er een wijziging van de ligplaatsvergunning nodig is (bijvoorbeeld omdat aan het schip veranderingen zullen worden aangebracht), moet de vergunninghouder een nieuwe ligplaatsvergunning aanvragen. Een dergelijke wijziging kan worden beschouwd als een nieuwe aanvraag. Vandaar dat dezelfde procedureregels gelden, behoudens de bepaling dat de vergunning wordt geweigerd als voor die ligplaats al vergunning is verleend. De bestaande vergunning geldt immers nog.

Hoofdstuk 4 straf-, overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 27 Bestuurlijke ophouding

Opname van dit artikel is wenselijk om bij ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Een soortgelijk artikel is eveneens opgenomen in de Algemene Verordening Cuijk 2003.

 

Artikel 30 Binnentreden

De bevoegdheid tot het binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Van deze bevoegdheid kan in principe alleen gebruik worden gemaakt indien een machtiging op grond van de Algemene wet op het binnentreden is afgegeven.