Gemeenteblad van Zwolle

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZwolleGemeenteblad 2015, 5725Verordeningen
Gemeente Zwolle, bekendmaking verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2015
De Raad van de gemeente Zwolle heeft in de vergadering van 8 december 2014 de verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2015 vastgesteld. Deze verordening treedt 1 januari 2015 inwerking. En heeft betrekking op de gemeente Zwolle. De verordening ligt ter inzage bij het informatiecentrum van het Stadskantoor en is ook te raadplegen via www.zwolle.nl/bestuur/verordeningen en beleidsregels.
 
VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN PRECARIOBELASTING 2015.
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze verordening en van de daarbij behorende tarieventabel wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
  • a.
    een jaar: een kalenderjaar
  • b.
    een maand: een kalendermaand
  • c.
    een week: een periode van 7 achtereenvolgende dagen
  • d.
    een dag: een periode van 24 achtereenvolgende uren, aanvangende te 0:00 uur
  • e.
    een vaste standplaats: een standplaats waarbij een vergunning voor onbepaalde tijd is afgegeven
  • f.
    een incidentele standplaats: een standplaats welke niet is een vaste standplaats.
Artikel 2 Aard van de heffing en belastbare feiten
Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 3 Belastingplicht
Belastingplichtig is degene:
  • 1.
    die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
  • 2.
    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
Artikel 4 Tarieven en berekening van de belasting
  • 1.
    De belasting wordt geheven volgens de in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
  • 2.
    Voor de berekening van de belasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid van tijd, hoeveelheid of afmeting als een volle eenheid gerekend, tenzij anders is aangegeven.
  • 3.
    Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt wordt de belasting, waarvoor in de tarieventabel uitsluitend jaartarieven zijn opgenomen, geheven over zoveel twaalfde gedeelten als na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden in dat jaar overblijven.
  • 4.
    Indien de belastingplicht in de loop van het jaar eindigt wordt, ten aanzien van de belasting waarvoor in de tarieventabel uitsluitend jaartarieven zijn opgenomen, ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten als na de beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden in dat jaar overblijven.
  • 5.
    Voor de berekening van de belasting worden geen andere eenheden van tijd gehanteerd dan die welke in de tarieventabel zijn vermeld. Ten aanzien van de nummers in de tabel achter welke meer dan één eenheid is opgenomen wordt uitgegaan van voor de belastingplichtige meest gunstige wijze van berekening van de belasting.
  • 6.
    Indien een oppervlaktetarief is vastgesteld wordt de belasting berekend naar de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.
  • 7.
    Indien voor het hebben van voorwerpen een vergunning verleend is, wordt voor de berekening van de belasting aangesloten bij de maateenheid waarvoor de vergunning verleend is.
  • 8.
    Indien niet of niet volledig gebruik gemaakt wordt van de vergunning kan ontheffing verleend worden voor zoveel gedeelten van de vergunde maateenheid waarvan geen gebruik gemaakt is.
  • 9.
    Het achtste lid is niet van toepassing op nummer 5 van de tarieventabel.
Artikel 5 Wijze van heffing
  • 1.
    De belasting wordt geheven bij wege van aanslag of nota.
  • 2.
    Aanslagen of nota's van minder dan € 5,00 niet worden opgelegd, met dien verstande dat het totaal van op één aanslagbiljet of nota verenigde verschuldigde bedragen precariobelastingen of andere heffingen als één belastingaanslag of nota wordt aangemerkt.
Artikel 6 Heffingstijdvak
  • 1.
    Het heffingstijdvak is de in één kalenderjaar gelegen periode gedurende welke zich een belastbaar feit in de zin van deze verordening voordoet.
  • 2.
    Indien na het opleggen van een aanslag of het verzenden van een nota aannemelijk wordt gemaakt, dat het belastbare feit zich slechts gedurende een gedeelte van het voor de berekening van de belasting in aanmerking genomen heffingstijdvak voordoet of zal voordoen, wordt op verzoek ontheffing verleend, indien deze € 5,00 of meer bedraagt en voorzover het betreft:
    • a.
      een tariefstelling per maand of per jaar over de resterende maanden van dat tijdvak;
    • b.
      een tariefstelling per dag of per week over de resterende dagen van het tijdvak.
Artikel 7 Tijdstippen van verschuldigdheid en termijnen van betaling
Voor de in de tarieventabel bij deze verordening behorende nummers 1, 4, 5, 6 en 9 geldt het volgende:
  • 1.
    De belasting is verschuldigd bij aanvang van het belastbare feit.
  • 2.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen of nota’s dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen of nota’s met een totaalbedrag kleiner dan of gelijk aan € 50,00 worden betaald in één termijn welke vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld.
  • 3.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen/nota's dan wel op één aanslagbiljet of nota verenigde aanslagen/nota’s met een totaalbedrag groter dan € 4.500,00 worden betaald in één termijn welke vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld.
  • 4.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen/nota's dan wel op één aanslagbiljet of nota verenigde aanslagen/nota’s met een bedrag groter dan € 50,00 dan wel kleiner dan of gelijk aan € 4.500,00 worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld en de volgende termijnen telkens twee maanden later.
  • 5.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van artikel 7, vierde lid van deze verordening moeten de belastingen als vermeld onder nummers 5 en 6 van de bij deze verordening behorende tarieventabel met een bedrag groter dan € 50,00 worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld en de volgende termijnen telkens drie maanden later.
  • 6.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van artikel 7, vierde lid van deze verordening moeten de aanslagen/nota's worden betaald in acht gelijke termijnen indien het bedrag van de aanslag/nota, dan wel het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet of nota verenigde aanslagen/nota's, groter is dan € 50,00 en kleiner is dan of gelijk is aan € 4.500,00 zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige worden afgeschreven. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
  • 7.
    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Voor de in de tarieventabel bij deze verordening behorende nummers 2, 3, 7.1 t/m 7.5 en 8 geldt het volgende:
  • 8.
    De belasting is verschuldigd bij aanvang van het belastbare feit.
  • 9.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen worden betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
  • 10.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van artikel 7, negende lid en elfde lid, van deze verordening dienen de aanslagen gemeentelijke heffingen dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen gemeentelijke heffingen met een totaalbedrag groter dan € 4.500,00, waarvan de dagtekening in het desbetreffende belastingjaar ligt en waarvoor de belastingplichtige een machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso, te worden betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
  • 11.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van artikel 7, negende lid van deze verordening, moeten de aanslagen, waarvan de dagtekening in het desbetreffende belastingjaar ligt en waarvoor de belastingplichtige een machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso, worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er na de dagtekening van de aanslag nog in het desbetreffende heffingsjaar volle dan wel gedeeltelijke kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het aantal maandelijkse termijnen niet minder dan zes bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Voor de overige aanslagen geldt onverkort de in lid 9 van dit artikel vermelde betalingstermijn.
  • 12.
    De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Voor de in de tarieventabel bij deze verordening behorende nummers 7.6 en 7.7 geldt het volgende:
  • 13.
    De belasting is verschuldigd bij aanvang van het belastbare feit.
  • 14.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen of nota’s dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen of nota’s met een totaalbedrag kleiner dan of gelijk aan € 50,00 worden betaald in één termijn welke vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld.
  • 15.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van artikel 7, vierde lid van deze verordening moeten de belastingen als vermeld onder nummers 7.6 en 7.7 van de bij deze verordening behorende tarieventabel met een bedrag groter dan € 50,00 worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld en de volgende termijnen telkens twee maanden later.
  • 16.
    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van artikel 7, vierde lid van deze verordening moeten de aanslagen/nota's worden betaald in acht gelijke termijnen indien het bedrag van de aanslag/nota, dan wel het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet of nota verenigde aanslagen/nota's, groter is dan € 50,00, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige worden afgeschreven. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet of nota is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
  • 17.
    De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8 Vrijstellingen
Geen belasting is verschuldigd voor:
  • 1.
    Voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;
  • 2.
    Kelderingangen, licht – en luchtopeningen ( koekoeken ) en stoeptreden welke in, of op aan de gemeente om niet afgestane grond aanwezig waren op het tijdstip van overdracht;
  • 3.
    Brievenbussen, postzegelautomaten en telefooncellen;
  • 4.
    Het hebben van voorwerpen die, noodzakelijk voor de uitoefening van hun publieke taak, door of ten behoeve van het rijk, de provincie, de gemeente, waterschappen of het zuiveringschap, worden gebezigd;
  • 5.
    Afvoerbuizen in de grond of aan gebouwen tot lozing van faecaliën van huishoud – of van hemelwater;
  • 6.
    Voorwerpen welke uitsluitend worden gebezigd voor liefdadige of kerkelijke doeleinden of ten behoeve van politieke partijen;
  • 7.
    Buisleidingen voor installaties voor centrale verwarming;
  • 8.
    Het hebben van voorwerpen indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;
  • 9.
    Het hebben van voorwerpen in het kader van een activiteit, indien de activiteit wordt georganiseerd door een vrijwilligersorganisatie en daarnaast geen winstoogmerk heeft dan wel dat de opbrengst van die activiteit ten goede dient te komen aan andere buurtactiviteiten of doelen ten algemene nutte.
Artikel 9 Nadere regels
  • 1.
    Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de precariobelasting genoemd in de nummers 1, 4, 5, 6, 7.6, 7.7 en 9 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
  • 2.
    het dagelijks bestuur van GBLT (het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus – Tricijn te Zwolle) kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de precariobelasting genoemd in de nummers 2, 3, 7.1 t/m 7.5 en 8 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 10 Kwijtschelding
Het bepaalde in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 inzake de verlening van kwijtschelding vindt geen toepassing op de invordering van deze belasting.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.
    De “Verordening Precariobelasting 2014” van 16-12-2013, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
  • 2.
    Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na die van de bekendmaking.
  • 3.
    De datum van ingang van heffing is 1 januari 2015.
  • 4.
    Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Precariobelasting 2015”.
TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORDENING PRECARIOBELASTING 2015
 
 
 
nr.
omschrijving
eenheid
tarief
 
 
 
 
 
De belasting bedraagt voor:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
1
Bouwmaterialen en containers
 
 
 
 
 
 
1.1
Materialen, keten, loodsen, bouwwerktuigen, steigers en andere werktuigen, schuttingen of afrasteringen en dergelijke, al dan niet ten behoeve van bouw -, sloop - of onderhoudswerkzaamheden alsmede containers, per week
per m²
€ 0,46
1.2
Voor het plaatsen van een laadbak of container op een parkeerapparatuurplaats:
In het gebied dat begrensd wordt door de Stadsgracht, Hagelstraat, Ter Pelkwijkstraat, Walstraat, Koestraat, Blijmarkt, Kalverstraat, Korte Kamperstraat, Melkmarkt, Waterstraat en Buitenkant
 
 
 
•per kalenderdag van maandag t/m zaterdag, m.u.v. donderdag
per container/ laadbak
€ 27,37
 
•per kalenderdag op donderdag
per container/ laadbak
€ 34,06
 
•per kalenderweek
per container/ laadbak
€ 174,05
1.3
Voor het plaatsen van een laadbak of container op een parkeerapparatuurplaats:
In het gebied dat begrensd wordt door de Stadsgracht, Kerkstraat, Wilhelminasingel, Potgietersingel, Jufferenwal, Rodetorenplein, Achtergracht en Schuttevaerhaven
 
 
 
•per kalenderdag van maandag t/m zaterdag, m.u.v. donderdag
per container/ laadbak
€ 27,37
 
•per kalenderdag op donderdag
per container/ laadbak
€ 34,06
 
•per kalenderweek
per container/ laadbak
€ 174,05
 
 
 
 
 
 
 
 
2
Kabels en leidingen
 
 
 
 
 
per jaar
per m¹
€ 5,42
 
 
 
 
 
 
 
 
3
Tankstations
 
 
 
 
 
 
 
werkelijk verkochte brandstof
per 1000 liter
€ 5,47
 
 
 
 
 
 
 
 
4
Circussen, kermissen en dergelijke inrichtingen voor zover
niet verpacht
 
 
 
 
4.1
per dag
per m²
€ 0,31
4.2
met een minimum per dag van
 
€ 26,14
4.3
met een maximum per dag van:
 
 
4.3.1
•voor kermissen
 
€ 840,15
4.3.2
•voor circussen
 
€ 305,88
 
Bijbehorende woon - en materiaalwagens worden geacht te zijn begrepen in de oppervlakte van de inrichting
 
 
 
 
 
 
5
Vaste standplaatsen voor commerciële doeleinden
 
 
 
 
 
 
5.1
Vaste standplaatsen binnen de stadsgrachten en bij de winkelcentra Zwolle-Zuid, Stadshagen, AA-landen en Holtenbroek (met inbegrip van de parkeerplaatsen bij het winkelcentrum) en een straal daar rondom van 100 meter, per jaar
per m²
€ 62,71
5.2
Overige vaste standplaatsen
per m²
€ 41,81
 
te vermenigvuldigen met een factor:
 
 
5.3
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 2
2
 
5.4
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 3
3
 
5.5
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 4
4
 
5.6
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 5
5
 
5.7
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 6
6
 
5.8
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 7
7
 
 
 
 
 
 
 
 
 
6
Incidentele standplaatsen voor commerciële doeleinden
 
 
 
 
 
 
 
Incidentele standplaatsen binnen de stadsgrachten en bij de winkelcentra Zwolle-Zuid, Stadshagen, AA-landen en Holtenbroek (met inbegrip van de parkeerplaatsen bij het winkelcentrum) en een straal daar rondom van 100 meter
 
 
6.1.1
per maand
per m²
€ 10,33
6.1.2
per week
per m²
€ 2,58
6.2
Overige incidentele standplaatsen,
 
 
6.2.1
per maand
per m²
€ 6,88
6.2.2
per week
per m²
€ 1,73
 
te vermenigvuldigen met een factor:
 
 
6.3
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 2
2
 
6.4
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 3
3
 
6.5
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 4
4
 
6.6
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 5
5
 
6.7
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 6
6
 
6.8
Als het aantal wekelijkse verkoopdagen in de vergunning is bepaald op 7
7
 
 
 
 
 
 
 
 
 
7
Terrassen en commerciële uitstallingen
 
 
 
 
 
 
 
commerciële uitstallingen, per maand
per m²
€ 3,44
 
te vermenigvuldigen, indien de uitstalling is gelegen in één der gebieden als aangegeven op bijbehorende kaart, met de factor:
 
 
7.1
voor gebied A ( hart binnenstad )
4
 
7.2
voor gebied B ( binnen stadsgrachten en nabij grote winkelcentra )
3
 
7.3
voor gebied C (bij kleine winkelcentra en gebied rondom binnenstad )
2
 
7.5
commerciële uitstallingen, per dag
per m²
€ 1,57
7.6
terrassen, per maand
per m²
€ 5,93
 
waarbij maximaal 8 maanden in rekening wordt gebracht
 
 
7.7
terrassen, per dag
per m²
€ 5,93
 
 
 
 
 
 
 
 
8
Vetafscheiders
 
 
 
 
 
 
8.1
Vetafscheider
per jaar
€ 367,49
 
 
 
 
9
Evenementen
 
 
 
 
 
Evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, bij een in gebruik genomen oppervlakte:
 
9.1
tot 250 m², per dag
€ 112,86
9.2
van 250 m² tot 500 m², per dag
€ 169,28
9.3
van 500 m² en meer, per dag
€ 253,89