Gemeenteblad van Utrecht (Utr)

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Utrecht (Utr)Gemeenteblad 2015, 17119Verordeningen
Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Gemeente Utrecht
Strekt ter vervanging d.d. 24 februari 2015
Verordening van Utrecht 2014, nr. 37
(raadsbesluit van 18 december 2014)
 
De raad van de gemeente Utrecht;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;
 
BESLUIT
vast te stellen de volgende
 
VERORDENING Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Gemeente Utrecht 2015
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder
  • a.
    minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • b.
    college: het college van burgemeester en wethouders;
  • c.
    bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;
  • d.
    school:
    • -
      school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
    • -
      school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
    • -
      school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs voor voorbereidend beroepsonderwijs;
  • e.
    nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra, artikel 10 van de wet van 31 mei 1995 (Stbl. 319) of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;
  • f.
    voorschool: voorschool in de vroeg- en voorschoolse educatie (VVE );
  • g.
    voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;
  • h.
    programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening;
  • i.
    overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening;
  • j.
    aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend;
  • k.
    aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding;
  • l.
    voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is;
  • m.
    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is;
  • n.
    permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
  • o.
    noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
  • p.
    schoolgebouw: een gebouw of gebouwdeel dat door een school wordt aangewend ten behoeve van het geven van onderwijs en dat niet wordt aangewend ten behoeve van lichamelijke oefening
  • q.
    gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening;
  • r.
    advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 210, negende lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  • s.
    verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw tegen betaling door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;
  • t.
    gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 225, eerste lid van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  • u.
    beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 225, tweede lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  • v.
    eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 225, vierde lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:
  • a.
    de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit:
    • 1.
      1. nieuwbouw van een Schoolgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage 1, deel B, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een schoolgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage 1, deel B, al dan niet op dezelfde locatie.
    • 2.
      uitbreiding van een schoolgebouw of een voorziening voor lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage 1, deel B;
    • 3.
      gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw dan wel huur van een ander gebouw of een deel daarvan ten behoeve van de huisvesting van een school;
    • 4.
      verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen, waaronder tevens begrepen sloop van noodlokalen, ten behoeve van de huisvesting van een school;
    • 5.
      terrein voor zover benodigd voor de realisering van een onder a sub 1. tot en met 4. omschreven voorziening;
    • 6.
      inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks of gemeentewege in aanmerking is gebracht;
    • 7.
      inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks of gemeentewege in aanmerking is gebracht;
    • 8.
      medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is, waaronder begrepen een gymnastiekruimte en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
  • b.
    aanpassingen aan een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs en voor het (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals 
onderscheiden in bijlage I;
  • c.
    onderhoud aan een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs en voor het 
(voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals 
onderscheiden in bijlage I;
  • d.
    herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw en/of terrein veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;
  • e.
    herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw en/of terrein, onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; De artikelen 3 t/m 39 zijn van niet op deze voorziening van toepassing; de procedure zoals neergelegd in bijlage VI is van toepassing op deze voorziening;
  • f.
    huur van een sportterrein, dat niet het eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. Onder de voorzieningen als vermeld onder a., sub 1, 2 en 3, worden tevens begrepen de toeslagen daarop als vermeld bij de desbetreffende voorzieningen in bijlage IV.
Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen
Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1° en 2° kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding, indien de voorziening van ene dusdanige omvang is dat redelijkerwijs niet voor 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het programma, een bouwopdracht voor de desbetreffende voorziening kan worden verleend. In dat geval is uitsluitend het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.
Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen
  • 1.
    Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval.
  • 2.
    De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, Deel B.
  • 3.
    Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1, 2, 6, 7, en onderdeel f. En artikel 3. De niet in de eerste volzin genoemde voorzieningen, als mede voor zover noodzakelijk de toeslag voor sloopkosten en de kosten voor herstel van terreinen/bouwrijp maken ten behoeve van het basis en het (voortgezet) speciaal onderwijs en de toeslag sloopkosten ten behoeve van het voortgezet onderwijs, worden vergoed op basis van feitelijke kosten
  • 4.
    Indien er voor de voorzieningen als bedoeld in artikel 2 onder a sub 1 en sub 2 aantoonbaar sprake is van extra, locatiegebonden bouwkosten kan het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten een opslag te verstrekken boven de geldende normbedragen. Voor het indienen van een dergelijk verzoek is hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5 Informatieverstrekking
  • 1.
    Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Bij de gegevensverstrekking wordt, indien voorgeschreven, gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.
  • 2.
    De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden in:
    • a.
      basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun geheel worden verstrekt en vervolgens alleen in geval van wijziging worden gemeld bij het college;
    • b.
      periodieke gegevens, zijnde gegevens die regelmatig door het bevoegd gezag dienen te worden verstrekt.
    • c.
      overige gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening.
  • 3.
    De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens omvatten:
    • 1.
      gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam, adres, denominatie en vestigingsplaats, alsmede een opgave van een contactpersoon inzake aangelegenheden aangaande de huisvesting;
    • 2.
      gegevens over de onder het beheer van het bevoegd gezag staande school of scholen die geheel of gedeeltelijk gehuisvest zijn in een gebouw gelegen in de gemeente, bestaande uit het brinnummer, naam, adres, onderwijssoort en eventuele onderwijsafdelingen en, voor zover van toepassing, de aanduiding of de school bestaat uit een hoofdvestiging met een of meer nevenvestigingen;
    • 3.
      gegevens over de bij de school of nevenvestiging in gebruik zijnde gebouwen gespecificeerd per gebouw, bestaande uit:
      • -
        het adres;
      • -
        de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of dislocatie;
      • -
        de bouwaard zijnde permanent of noodlokaal;
      • -
        het bouwjaar zijnde het oorspronkelijk bouwjaar of, ingeval het gebouw bestaat uit in verschillende jaren gebouwde delen, de bouwjaren onderscheiden naar gebouwdeel met de daarbij behorende bruto vloeroppervlakte;
      • -
        de bruto vloeroppervlakte van het gebouw uitgedrukt in m²;
      • -
        de genormeerde en feitelijke capaciteit van het gebouw voor zover bestemd voor een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, te bepalen aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel A en B;
      • -
        een plattegrond van het gebouw;
    • 4.
      gegevens over de omvang van het medegebruik uitgedrukt in het aantal groepen, voor zover het een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs betreft en het aantal in medegebruik genomen m² bvo voor zover het voortgezet onderwijs betreft, te verstrekken door de hoofdgebruiker van het gebouw waarin het medegebruik plaatsvindt;
    • 5.
      gegevens over het adres, het stichtingsjaar en de oppervlakte van de oefenzaal indien een bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of school voor voortgezet onderwijs eigenaar is van een gymnastiekruimte.
  • 4.
    De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens omvatten:
    • 1.
      een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum per locatie staat ingeschreven op de school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen op het grondgebied van de gemeente;
    • 2.
      een afschrift van een tussentijdse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de school in verband met een groei van het aantal leerlingen;
    • 3.
      indien de school gedeeltelijk is gehuisvest in een of meer locaties op het grondgebied van de gemeente, een opgave van het aantal leerlingen op de wettelijke teldatum per locatie. De onder 1. en 2. vermelde gegevens worden door het bevoegd gezag tegelijkertijd met de opgave aan de minister verstrekt aan het college. De onder 3. vermelde gegevens worden door het bevoegd gezag gevoegd bij de jaarlijkse opgave als bedoeld onder 1.
  • 5.
    Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:
    • 1.
      de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren;
    • 2.
      de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik wordt gewenst;
    • 3.
      de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst.
  • 6.
    De in het tweede lid onder c genoemde gegevens omvatten in ieder geval:
    • 1.
      een oordeel over de juistheid en volledigheid van door het college voorgelegde gegevens die betrekking hebben op het bevoegd gezag;
    • 2.
      inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken van de staat van het onderhoud als bedoeld in artikel 37;
HOOFDSTUK 2 Programma en overzicht
Paragraaf 2.1 Aanvragen programma
Artikel 6 Indiening aanvraag
  • 1.
    Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma dient uiterlijk op 31 januari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma te zijn ontvangen door het college. Hierbij wordt per aan te vragen voorziening gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
  • 2.
    Indien de aanvraag niet uiterlijk op 31 januari is ontvangen, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Het besluit de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de ingediende aanvraag.
Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag
  • 1.
    De aanvraag wordt ondertekend en bevat tenminste::
    • a.
      de naam en het adres van de aanvrager;
    • b.
      de dagtekening;
    • c.
      de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;
    • d.
      welke voorziening wordt aangevraagd;
    • e.
      de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening;
    • f.
      de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.
  • 2.
    In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld van:
    • a.
      een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6. tot en met 8. en artikel 2 onder g. Indien de aard en de omvang van een voorziening als bedoeld in artikel 2, onder d en e daartoe aanleiding geeft, kan het college de prognose-eis laten vervallen;
    • b.
      de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1. tot en met 4.;
    • c.
      een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt indien het een voorziening betreft bestaande uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw, uit onderhoud aan een gymnastiekruimte voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of uit herstel van een constructiefout. Voor zover het de voorziening herstel van een constructiefout betreft dient een onderbouwde rapportage van een ter zake deskundig adviesbureau te worden bijgevoegd.
    • d.
      een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is;
    • e.
      een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27
    • f.
      alle overige gegevens die het college nodig acht voor de beoordeling van de noodzaak van de gevraagde voorziening.
  • 3.
    Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld voor 15 maart de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt voor 15 maart, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.
  • 4.
    Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na het verstrijken van de termijn in het derde of het vierde lid.
Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen
Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.
Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht
Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
  • 1.
    Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het college, kan de aanvraag volgend op de datum als genoemd in artikel 6, door de aanvrager nader worden toegelicht. De toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de aanvrager of op verzoek van het college.
  • 2.
    Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is, treedt het college voor de in het eerste lid genoemde datum in overleg met de aanvrager indien het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde begroting van de kosten dient te worden aangepast. Wanneer in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag dan geeft het college dat, onder vermelding van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.
Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad
  • 1.
    Alvorens het college een besluit neemt met betrekking tot het programma en het overzicht, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat besluit naar voren te brengen.
  • 2.
    Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 juni. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel.
  • 3.
    De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.
  • 4.
    Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen, wordt door het college een verslag gemaakt. Het college zendt het concept van het verslag toe aan alle bevoegde gezagsorganen. Binnen één week na de dag van toezending maken de bevoegde gezagsorganen aan het college schriftelijk hun opmerkingen over het verslag kenbaar. Vervolgens stelt het college, met inachtneming van de opmerkingen, het verslag definitief vast. Het vastgestelde verslag wordt meegewogen bij de besluitvorming als bedoeld in het eerste lid.
  • 5.
    Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, dan wordt dit door het bevoegd gezag of het college tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.
  • 6.
    De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid.
  • 7.
    Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het college ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen, ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek.
  • 8.
    Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.
  • 9.
    Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het resultaat van dit nader overleg wordt toegevoegd aan het verslag als bedoeld in het vierde lid.
Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht
Artikel 11 Tijdstip vaststelling
  • 1.
    Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening.
  • 2.
    Het college stelt zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de gemeentebegroting door de raad, doch uiterlijk op 31 september van het jaar, waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht vast.
Artikel 12 Inhoud programma
  • 1.
    De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:
    • a.
      de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;
    • b.
      de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;
    • c.
      de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.
  • 2.
    Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het college bij de vaststelling van het programma afwijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V.
  • 3.
    Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven:
    • a.
      het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;
    • b.
      het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin;
    • c.
      de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
Artikel 13 Inhoud overzicht
  • 1.
    Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen.
  • 2.
    Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.
Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht
  • 1.
    De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen vier weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door het college schriftelijk mededeling gedaan aan de overige bevoegde gezagsorganen.
Paragraaf 2.4 Uitvoering programma
Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering
  • 1.
    Binnen twaalf weken nadat het collegebesluit over het programma aan de bevoegde gezagsorganen is bekend gemaakt, treden het college en de aanvrager met elkaar in overleg over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening indien hierom door partijen schriftelijk wordt verzocht. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij kunnen, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt worden over onder meer:
    • a.
      het bouwheerschap als bedoeld in de wet;
    • b.
      het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de aanvrager;
    • c.
      een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
    • d.
      de wijze waarop door het college toepassing wordt gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16;
    • e.
      de controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding van de beschikbaar te stellen middelen.
  • 2.
    De aanvrager geeft in dit overleg in ieder geval aan op welke wijze hij voornemens is de aanbesteding van de uitvoering te laten plaatsvinden. Daarbij worden de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, in acht genomen.
  • 3.
    De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door het college schriftelijk vastgelegd in een verslag van het overleg en binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis gebracht van de aanvrager. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming of geen overeenstemming is bereikt.
  • 4.
    Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
  • 5.
    Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt aan¬gegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.
  • 6.
    Ingeval van een door het college als complex aangemerkte realisatie van een voorziening, kunnen het college en het bevoegd gezag besluiten tot het aangaan van een overeenkomst waarin zaken omtrent de uitvoering van de voorziening nader worden geregeld.
Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes
  • 1.
    Met betrekking tot voorzieningen als bedoeld in artikel 15 dient de aanvrager met inachtneming van de eventueel hierover op grond van het overleg als bedoeld in artikel 15 gemaakte afspraken, voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, de bouwplannen, de omgevingsvergunning voor bouwen indien benodigd en de desbetreffende begroting ter instemming in bij het college. Indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, overlegt de aanvrager met inachtneming van de eventueel hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15 aan het college tevens minimaal drie aan de aanvrager uitgebrachte offertes of inschrijvingsbiljetten voor de uitvoering van de voorziening. Voor de vaststelling van het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening is de offerte of het inschrijvingsbiljet met de laagste prijsstelling bepalend.
  • 2.
    Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Binnen twee weken na de datum van de beslissing over het bouwplan en de desbetreffende begroting deelt het college de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.
  • 3.
    Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden, waaronder begrepen de ontwikkeling van het leerlingenaantal, ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.
  • 4.
    Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid vindt in ieder geval geen toepassing indien het voorzieningen betreft die op het programma zijn opgenomen tot en met een bedrag van EUR 50.000,-
  • 5.
    De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
  • 6.
    Het college kan bij het nemen van een beslissing als bedoeld in het tweede en het vierde lid besluiten een slottermijn vast te stellen en aan de betaalbaarstelling van de slottermijn voorwaarden te verbinden
Artikel 17 Bekostiging
Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplich¬tingen voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.
Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging
  • 1.
    De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op het door het college vastgestelde tijdstip waarop de bekostiging daadwerkelijk een aanvang kan nemen een bouwopdracht is verleend dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten. Een afschrift hiervan dient uiterlijk op 15 oktober van het in de eerste volzin genoemde jaar door het college te zijn ontvangen. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, binnen welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. In geval van een huur of erfpachtovereenkomst wordt daarin de datum van inwerkingtreding vermeld, alsmede de duur van de overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst wordt daarin de datum van aankoop vermeld.
  • 2.
    De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid.
  • 3.
    Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.
HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter
Paragraaf 3.1 Aanvraag
Artikel 19 Indiening aanvraag
Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Voorafgaand aan het indienen van een spoedaanvraag moet het schoolbestuur eerst in overleg treden met de gemeente.
Artikel 20 Inhoud aanvraag
  • 1.
    De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:
    • a.
      een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;
    • b.
      de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;
    • c.
      een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6. tot en met 8. en artikel 2 onder g. Indien de aard en de omvang van een voorziening als bedoeld in artikel 2 onder d en e daartoe aanleiding geeft, kan het college de prognose-eis laten vervallen.
    • d.
      een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.
  • 2.
    Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen.
Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit
Artikel 21 Tijdstip beslissing
Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag of binnen twaalf weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het college.
Indien een beschikking niet binnen twaalf weken kan worden gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemen daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien
Artikel 22 Inhoud beslissing
  • 1.
    De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot:
    • a.
      de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;
    • b.
      de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;
    • c.
      de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III.
  • 2.
    De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten.
  • 3.
    Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.
Artikel 23 Uitvoering beslissing
  • 1.
    Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van de in tweede lid van artikel 16 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden gelezen drie weken.
  • 2.
    Indien het college een beschikking, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, heeft afgegeven, dient binnen een termijn van drie maanden na de datum van bekendmaking van de beschikking, waarbij de voorziening met spoedeisend karakter is toegekend, een bouwopdracht te zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst te zijn gesloten.
Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging
  • 1.
    Indien niet voor de in artikel 23, tweede lid bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het gestelde in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.
  • 2.
    De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn.
  • 3.
    Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat het college op het verzoek heeft beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.
HOOFDSTUK 4 Bekostiging kosten bouwvoorbereiding
Artikel 25 Aanvraag
  • 1.
    Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag indienen bij het college voor een bekostiging van de kosten van de bouwvoorbereiding. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van die voorziening.
  • 2.
    De aanvraag dient uiterlijk op 31 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt, te zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
  • 3.
    De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:
    • a.
      de naam en het adres van de aanvrager;
    • b.
      de dagtekening;
    • c.
      de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst;
    • d.
      de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de voorziening;
    • e.
      het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;
    • f.
      een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten;
    • g.
      indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt;
    • h.
      een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de vergoeding kosten bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde formulier "Bouwkundige opname".
  • 4.
    Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde en vijfde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag
  • 1.
    Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.
  • 2.
    Alvorens het college een besluit neemt met betrekking tot het besluit over de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. De leden twee, drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27 Beschikking op aanvraag
  • 1.
    Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een beslissing over de aanvraag.
  • 2.
    De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:
    • a.
      er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;
    • b.
      de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;
    • c.
      er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht.
  • 3.
    Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking vermeld tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt tussen aanvrager en het college.
  • 4.
    Betaalbaarstelling van het toegekende bedrag, of een gedeelte daarvan, vindt op verzoek van de aanvrager plaats. Het verzoek vermeldt de hoogte van het bedrag waarvan betaling wordt verzocht alsmede het kenmerk van de toekenning. Bij het verzoek tot betaalbaarstelling worden door de aanvrager de facturen met de bijbehorende betalingsbewijzen welke de uitgaven verantwoorden (digitaal)meegezonden, alsmede afschriften van de contracten met architect en/of adviseurs.
  • 5.
    Op verzoek van de aanvrager kan het college bepalen (een) voorschot(ten) te verstrekken. Het college kan bepalen dat betaling van een volgend voorschot eerst plaatsvindt na verantwoording van een eerder verstrekt voorschot op grond van gegevens en/of bescheiden als vermeld in het vierde lid.
  • 6.
    Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.
  • 7.
    Het toegekende bouwvoorbereidingskrediet zal in mindering worden gebracht op de in enig toekomstig programma toe te kennen bekostiging ter realisering van de huisvestingsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 3.
Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging
  • 1.
    De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet voor 1 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de bouwvoorbereiding en niet voor 15 oktober daaropvolgend informatie is verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.
  • 2.
    De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid.
  • 3.
    Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.
HOOFDSTUK 5 Medegebruik en verhuur
Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie
Artikel 29 Aanduiding omstandigheden
  • 1.
    Het college kan overgaan tot het in medegebruik geven van dan wel vordering van (een gedeelte van) een gebouw of terrein, bestemd voor een school indien:
    • a.
      er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of artikel 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;
    • b.
      het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;
    • c.
      er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze en
    • d.
      er sprake is van leegstand in een schoolgebouw van een school;
    • e.
      er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.
Artikel 30 Omschrijving leegstand
  • 1.
    Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw:
    • a.
      wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal groepen ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III deel B, en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er ten minste één leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;
    • b.
      wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs (met uitzondering van een zelfstandige school voor praktijkonderwijs), indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er onderbenutting van de voor medegebruik benodigde lokalen is, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is. Voor een zelfstandige school voor praktijkonderwijs (niet zijnde een afdeling voor praktijkonderwijs) is hetgeen bepaald is in lid a van dit artikel van toepassing
  • 2.
    Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:
    • a.
      wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat wordt vergoed op grond van artikel 38 minder is dan 40 klokuren.
    • b.
      wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is.
    • c.
      wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.
Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen
  • 1.
    Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen.
  • 2.
    Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit
  • 3.
    Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:
    • a.
      als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt;
    • b.
      vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag en
    • c.
      vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest.
  • 4.
    Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.
Artikel 32 Overleg en mededeling
  • 1.
    Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in een schoolgebouw of gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 10.
  • 2.
    Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben.
  • 3.
    Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.
  • 4.
    Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben.
  • 5.
    De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:
    • a.
      de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt gevorderd;
    • b.
      voor het basis- en (voortgezet) speciaal onderwijs een aanduiding van het aantal groepen en voor het voortgezet onderwijs het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;
    • c.
      een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;
    • d.
      een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt;
    • e.
      de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik.
Artikel 33 Vergoeding
De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C.
Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden
Artikel 34 Aanduiding omstandigheden
Het college kan overgaan tot vordering indien:
  • a.
    er sprake is van leegstand van een schoolgebouw of een gymnastiekruimte zoals bepaald in artikel 30;
  • b.
    er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.
Artikel 35 Overleg en mededeling
  • 1.
    Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd gezag.
  • 2.
    In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:
    • a.
      voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
    • b.
      of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;
    • c.
      welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;
    • d.
      wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;
    • e.
      de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen.
  • 3.
    Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag. Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voor zover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien.
Paragraaf 5.3 Verhuur
Artikel 36 Toestemming van het college
  • 1.
    Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd gezag toestemming voor de verhuur aan het college.
  • 2.
    Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van de te verhuren ruimte.
  • 3.
    Het college verleent de toestemming in ieder geval niet indien:
    • a.
      de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs of regelgeving;
    • b.
      de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.
HOOFDSTUK 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen
Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud
  • 1.
    Nadat een gebouw of terrein niet meer door een bevoegd gezag nodig is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte.
  • 2.
    Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, een staat van onderhoud opgemaakt.
  • 3.
    De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg met het bevoegd gezag.
  • 4.
    Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.
  • 5.
    Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het oordeel van het college niet nodig is.
  • 6.
    Van de beëindiging van het gebruik van een schoolgebouw en/of -terrein wordt door het bevoegd gezag direct nadat het definitieve besluit hierover is genomen, doch minimaal zes maanden voor het tijdstip van beëindiging van het gebruik, schriftelijk mededeling gedaan aan het college.
  • 7.
    Uiterlijk drie maanden voor de lege oplevering van het schoolgebouw en/of -terrein wordt door het bevoegd gezag schriftelijk mededeling aan het college gedaan van de datum en het tijdstip waarop de oplevering en de feitelijke overdracht zal plaatsvinden, alsmede van de natuurlijke persoon die hierbij namens het bevoegd gezag zal optreden.
  • 8.
    Uiterlijk twee maanden voor het tijdstip waarop de overdracht zal plaatsvinden, wordt door het bevoegd gezag van de school en het college in gezamenlijk overleg de akte, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld en ondertekend. Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, wordt op hetzelfde moment tevens de staat van onderhoud, als bedoeld in het derde lid, opgemaakt.
  • 9.
    Het bepaalde in de artikelleden 6 tot en met 8 is niet van toepassing indien vooraf anders is overeengekomen tussen het bevoegd gezag en het college.
HOOFDSTUK 7 Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
Artikel 38 Omvang en bekostiging gebruik
  • 1.
    De omvang van het door de gemeente bekostigde gebruik van een gymnastiekruimte door een school voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs is gebaseerd op het aantal klokuren per week waarin volgens het activiteitenplan door de school de gymnastiekruimte wordt gebruikt. Voor een school voor basisonderwijs wordt het maximaal aantal klokuren dat voor bekostiging in aanmerking komt vastgesteld volgens het bepaalde in bijlage III DEEL B, en bedraagt ten hoogste 1,5 klokuur per bovenbouwgroep (groepen 3 tot en met 8) per week. Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het maximaal aantal klokuren dat voor bekostiging in aanmerking komt vastgesteld volgens het bepaalde in bijlage III DEEL B, en bedraagt ten hoogste 3,75 klokuur per week per groep leerlingen jonger dan zes jaar indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal en ten hoogste 2,25 klokuur per groep leerlingen van zes jaar en ouder.
  • 2.
    Indien een school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal, kan het college op verzoek van het bevoegd gezag van de school instemming verlenen dat ten behoeve van het speelonderwijs aan één of meer onderbouwgroepen (groepen 1 en 2) van de school gebruik gemaakt wordt van de gymnastiekruimte van de basisschool. In dat geval worden voor de bepaling van het maximaal aantal klokuren dat voor bekostiging in aanmerking komt, de onderbouwgroepen beschouwd als bovenbouwgroepen.
  • 3.
    Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor basisonderwijs of school voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat eigenaar is van een gymnastiekruimte ontvangt jaarlijks een bekostiging. De hoogte van de bekostiging wordt vastgesteld volgens het bepaalde in bijlage IV, deel A, op basis van de door het betreffende bevoegd gezag ingevolge artikel 5, derde lid, onder 5., verstrekte gegevens. Het maximaal aantal voor bekostiging in aanmerking komende klokuren wordt op grond van het eerste c.q. tweede lid vastgesteld. Wanneer er sprake is van medegebruik van de gymnastiekruimte door een of meer andere scholen voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de bepaling van de hoogte van de bekostiging het aantal klokuren getotaliseerd.
  • 4.
    Het college keert de ingevolge het derde lid vastgestelde jaarlijkse bekostiging in halfjaarlijkse termijnen uit aan het bevoegd gezag als bedoeld in het derde lid, waarbij de eerste termijn aanvangt aan het begin van het schooljaar.
Artikel 39 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik
  • 1.
    De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte als bedoeld in artikel 5, vijfde lid wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is.
  • 2.
    Het college stelt jaarlijks voor 15 mei voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.
  • 3.
    Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het volgende in acht:
    • a.
      de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I;
    • b.
      het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;
    • c.
      het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.
  • 4.
    Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens:
    • a.
      het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte;
    • b.
      de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;
    • c.
      een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt;
    • d.
      voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste lid voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school.
    • e.
      Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.
  • 5.
    Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.
  • 6.
    Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt het college voor 1 juli volgend op de datum in het tweede lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het vijfde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.
  • 7.
    Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.
HOOFDSTUK 8Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 40 Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 41 Indexering
Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.
Artikel 42 Citeertitel; inwerkingtreding
  • 1.
    De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015
  • 2.
    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad gehouden op …. [DATUM]
 
 
 
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

De griffier

….???

De burgemeester

van Zanen

BIJLAGE I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen  
Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen:
deel A: schoolgebouwen;
deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.
 
DEEL A SCHOOLGEBOUWEN
1. School voor basisonderwijs
De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 a, 1.3.2b en 1.10 d worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.
 
1.1 Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste 2 jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. In geval van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten af te wijken van deze verwijsafstand.
Verder kan per school maximaal naar twee locaties verwezen worden, waarvan één op uiterlijk 300 meter van het hoofdgebouw.
 
1.2 Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
  • a.
    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. In geval van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten af te wijken van deze verwijsafstand.
Verder kan per school maximaal naar twee locaties verwezen worden, waarvan één op
uiterlijk 300 meter van het hoofdgebouw.
 
Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:
  • a.
    vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college;
  • b.
    vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingsoperatie;
  • c.
    vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is;
  • d.
    vervanging op basis van vastgesteld lokaal onderwijshuisvestingsbeleid noodzakelijk is.
 
Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats en zal de gemeente zorgdragen voor vervangende tijdelijke huisvesting
 
1.3 Uitbreiding
 
1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen
De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:
  • a.
    het feit dat er tenminste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is;
  • b1.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of
  • b3.
    het feit dat de laatste wettelijke teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal twee jaren binnen het gebouw kunnen worden gehuisvest en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren (Verder kan per school maximaal naar twee locaties verwezen worden, waarvan één op uiterlijk 300 meter van het hoofdgebouw), terwijl
  • c.
    evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te maken.
 
1.3.2a Uitbreiding met een tweede speellokaal
De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de basisschool tenminste vijf groepen jongste leerlingen (van vier en vijf jaar oud) van tenminste 20 leerlingen telt en dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor tenminste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht terwijl
  • b.
    voor het spelen van (een deel van) de vier en vijfjarigen geen gebruik kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van een andere basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300 meter hemelsbreed.
 
1.3.2b Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal
De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:
  • a.
    het feit dat tot de school minimaal twaalf kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;
  • b.
    het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan, en
  • c.
    het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl
  • d.
    medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is, en
  • e.
    evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te maken.
 
1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt o
  • a2.
    het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    er binnen 1000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; In geval van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten af te wijken van deze verwijsafstand. Verder kan per school maximaal naar twee locaties verwezen worden, waarvan één op uiterlijk 300 meter van het hoofdgebouw.
  • d.
    er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en
  • e.
    de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college.
 
1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen
De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:
  • a.
    er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor tenminste twee jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 1000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl
  • b.
    er binnen 1000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
  • c.
    de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.
 
1.6 Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.
 
1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket
De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat de school, op grond van de laatste  teldatum  voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, uitgebreid wordt met tenminste één groep leerlingen en voor zo’n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen tezamen. De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal.
 
1.8 Eerste inrichting meubilair
De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de school, op grond van de laatste teldatum  voorafgaand aan de indiening van de aanvraag,, uitgebreid wordt met tenminste één groep leerlingen, en voor zo'n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.
Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het aantal groepen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen tezamen.
De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal meubilair blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal.
 
1.9 Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er tenminste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig zal zijn.
 
1.10 Herstel van constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
 
1.11 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
 
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
 
De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.
 
2.1 Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
 
2.2 Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
  • a.
    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging van de levensduur);
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
 
Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:
  • a.
    vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college;
  • b.
    vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingsoperatie;
  • c.
    vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is.
  • d.
    vervanging op basis van vastgesteld lokaal onderwijshuisvestingsbeleid noodzakelijk is.
Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. en zal de gemeente zorgdragen voor vervangende tijdelijke huisvesting,
 
2.3 Uitbreiding
 
2.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen
De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:
  • a.
    het feit dat er tenminste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A aanwezig is;
  • b1.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of
  • b3.
    het feit dat de laatste wettelijke teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier jaren binnen het gebouw kunnen worden gehuisvest;
  • c.
    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1000 meter hemelsbreed extra huisvesting voor de school te realiseren, terwijl
  • d.
    evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te maken.
 
2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal
De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:
  • a.
    het feit dat aan de school of afdeling tenminste zes kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;
  • b.
    het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school tenminste vijftien jaren zal blijven bestaan en
  • c.
    het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl
  • d.
    medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is.
  • e.
    evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.
 
2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat het huidige gebouw, voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste twee jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    er binnen 1000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
  • d.
    er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en
  • e.
    de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college.
 
2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen
De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:
  • a.
    er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor tenminste twee jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 1000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl
  • b.
    er binnen 1000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
  • c.
    de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.
 
2.6 Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.
 
2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit dat de school of nevenvestiging, op grond van de laatste teldatum  voorafgaand aan de indiening van de aanvraag,, uitgebreid wordt met tenminste één groep leerlingen, en voor zo’n uitbreiding in de periode vanaf 1 januari 1988 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.
Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket en meubilair, indien het aantal groepen na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen tezamen.
 
2.8 Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er tenminste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is.
 
2.9 Herstel van constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
 
2.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
 
3 School voor voortgezet onderwijs
De voorzieningen genoemd onder 3.2, 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.
 
3.1 Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;
  • b1.
    het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed  een passende huisvesting voor de school te realiseren.
 
Het maximum aantal verwijslocaties per school wordt gesteld op:
  • 2
    bij < 1000 leerlingen
  • 3
    bij 1000 – 1500 leerlingen
  • 4
    bij > 1500 leerlingen
De maximale verwijsafstand wordt bovendien beperkt tot 1000 meter indien het roostertechnisch niet mogelijk is om de betreffende groepen leerlingen permanent of een groot deel van de dag (= max. 1x “verhuizen”) in de verwijslocatie de lessen te laten volgen.
 
3.2 Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:
  • a.
    voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);
  • b1.
    de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vier jaren dit aantal leerlingen kan worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
 
Het maximum aantal verwijslocaties per school wordt gesteld op:
  • 2
    bij < 1000 leerlingen
  • 3
    bij 1000 – 1500 leerlingen
  • 4
    bij > 1500 leerlingen
De maximale verwijsafstand wordt bovendien beperkt tot 1000 meter indien het roostertechnisch niet mogelijk is om de betreffende groepen leerlingen permanent of een groot deel van de dag (= max. 1x “verhuizen”) in de verwijslocatie de lessen te laten volgen.
 
Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:
  • a.
    vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college;
  • b.
    vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingsoperatie;
  • c.
    vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is.
  • d.
    vervanging op basis van vastgesteld lokaal onderwijshuisvestingsbeleid noodzakelijk is.
 
Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. en zal de gemeente zorgdragen voor vervangende tijdelijke huisvesting.
 
3.3 Uitbreiding
De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:
  • a.
    het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn dan de met tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A – voor de aanwezige capaciteit – en bijlage III, deel B – voor de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende tenminste vier jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en
  • b.
    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. 
 
Het maximum aantal verwijslocaties per school wordt gesteld op:
  • 2
    bij < 1000 leerlingen
  • 3
    bij 1000 – 1500 leerlingen
  • 4
    bij > 1500 leerlingen
 
De maximale verwijsafstand wordt bovendien beperkt tot 1000 meter indien het roostertechnisch niet mogelijk is om de betreffende groepen leerlingen permanent of een groot deel van de dag (= max. 1x “verhuizen”) in de verwijslocatie de lessen te laten volgen.
 
3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat het huidige gebouw, voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl
  • b1.
    de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of
  • b2.
    de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en
  • c.
    er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;
  • d.
    er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en
  • e.
    de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college.
 
Het maximum aantal verwijslocaties per school wordt gesteld op:
  • 2
    bij < 1000 leerlingen
  • 3
    bij 1000 – 1500 leerlingen
  • 4
    bij > 1500 leerlingen
De maximale verwijsafstand wordt bovendien beperkt tot 1000 meter indien het roostertechnisch niet mogelijk is om de betreffende groepen leerlingen permanent of een groot deel van de dag (= max. 1x “verhuizen”) in de verwijslocatie de lessen te laten volgen.
 
3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen
De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:
  • a.
    er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting van tenminste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand binnen 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl
  • b.
    er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
  • c.
    de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.
 
3.6 Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.
 
3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school. Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een andere ruimtesoort wordt gecreëerd.
Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen.
 
3.8 Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.
 
3.9 Herstel van constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
 
3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
 
DEEL B VOORZIENINGEN VOOR LICHAMELIJKE OEFENING
 
1 School voor basisonderwijs
1.1 Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.
 
1.2 Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
  • a.
    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.
 
1.3 Uitbreiding
De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.
 
1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en
  • d.
    de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.
 
1.5 Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
 
1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit:
  • a.
    het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en
  • b.
    het feit dat nog niet eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.
 
1.7 Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.
 
1.8 Aanpassing
De aanpassingen bestaan uit:
  • 1.
    het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;
  • 2.
    het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;
  • 3.
    wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;
  • 4.
    voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving, voor zover deze bij de gemeente kunnen worden aangevraagd;
  • 5.
    vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.
 
Ad 1.
De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.
 
Ad 2.
De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.
 
Ad 3.
De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.
 
Ad 4.
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
 
Ad 5.
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is.
 
Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.
 
1.09 Onderhoud
De voorziening onderhoud bestaat uit:
  • a
    onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het overzicht "onderhoud gymnastiekruimten primair onderwijs";
  • b
    (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en 
sluitwerk);
  • c
    algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale 
verwarming.
 
Ad a.
De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement tenminste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.
 
Ad b.
De noodzaak blijkt uit het feit dat de binnenkozijnen en binnendeuren of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeren volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.
 
Ad c.
De noodzaak blijkt uit het feit dat de radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeren, volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.
 
Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school nodig is.
 
Van derden gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor bekostiging van onderhoud.
 
1.10 Herstel constructiefouten
De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
 
1.11 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
 
2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
 
2.1 Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat de desbetreffende school niet over een voorziening voor lichamelijke oefening beschikt en
  • c.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • d.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.
 
2.2 Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
  • a.
    het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.
 
2.3 Uitbreiding
De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m² nvo en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.
 
2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2 onder a, in aanmerking komt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door tenminste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en
  • d.
    de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.
 
2.5 Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
 
2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:
  • a.
    het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en
  • b.
    het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt.
 
2.7 Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen ruimte is.
 
2.8 Aanpassing
De aanpassingen bestaan uit:
  • 1.
    het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;
  • 2.
    het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;
  • 3.
    wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;
  • 4.
    voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving, voor zover deze bij de gemeente kunnen worden aangevraagd;
  • 5.
    vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.
 
Ad 1.
De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.
 
Ad 2.
De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.
 
Ad 3.
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.
 
Ad 4.
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
 
Ad 5.
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is.
 
Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.
 
2.9 Onderhoud
De voorziening onderhoud bestaat uit:
  • a.
    onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het overzicht "onderhoud gymnastiekruimten primair onderwijs";
  • b.
    (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en 
sluitwerk);
  • c.
    algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale 
verwarming.
 
Ad a.
De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement tenminste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.
 
Ad b.
De noodzaak blijkt uit het feit dat de binnenkozijnen en binnendeuren of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeren volgens de bouwkundige opname, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.
 
Ad c.
De noodzaak blijkt uit het feit dat de radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeren, volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.
Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school nodig is.
 
Van derden gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
 
2.10 Herstel constructiefouten
De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
 
2.11 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
 
3 School voor voortgezet onderwijs
3.1 Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat de desbetreffende school niet over een voorziening voor lichamelijke oefening beschikt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.
 
3.2 Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
  • a.
    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.
 
3.3 Uitbreiding
De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:
  • a.
    het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m² nvo en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.
 
3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
  • a1.
    het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of
  • a2.
    het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en
  • b.
    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en
  • c.
    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en
  • d.
    het feit dat de kosten van ingebruikneming in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.
 
3.5 Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
 
3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs
De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:
  • a.
    het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en
  • b.
    het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.
 
3.7 Medegebruik
 
3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte
De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen ruimte is.
 
3.7.2 Huur van een sportterrein
De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:
  • a.
    het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en
  • b.
    er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag.
 
3.8 Herstel constructiefouten
De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
 
3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
 
Overzicht Onderhoudsactiviteiten gymnastiekruimten Primair Onderwijs
I-1 Overzicht "Onderhoud gymanstiekruimten Primair Onderwijs"
Activiteiten die behoren tot het onderhoud:
  • a.
    aan de buitenzijde van het gebouw:
    • -
      vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten;
    • -
      vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging;
    • -
      vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders;
    • -
      vervangen brandtrap;
    • -
      vervangen erfscheiding;
    • -
      vervangen riolering;
    • -
      vervangen bestrating schoolplein;
    • -
      vervangen buitenkozijnen;
    • -
      vervangen hang- en sluitwerk buitenkozijnen;
    • -
      vervangen dakrand en dakpannen inclusief houtwerk en goten;
    • -
      vervangen boeiboorden.
  • b.
    aan de binnenzijde van het gebouw:
    • -
      vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk (renovatie activiteit);
    • -
      vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie activiteit).
 
De conditiemeting ter beoordeling van de bouwkundige staat van bovenstaande elementen dient te geschieden conform NEN 2767
 
Het op kleine schaal vernieuwen van elementen behoort tot het programma van eisen onderhoud, waarvoor als onderdeel van de vergoedingen voor de materiële instandhouding, Het bijbehorend schilderwerk en overige zaken die in het programma van eisen onderhoud zijn opgenomen, vallen eveneens buiten de vergoeding van gemeentewege.
 
BIJLAGE II CRITERIA VOOR OPSTELLING EN TOETSING VAN LEERLINGENPROGNOSE  
De leerlingenprognoses voor het primair onderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs worden opgesteld door de gemeente Utrecht. Deze prognoses worden gehanteerd als een van de criteria voor het bepalen van de noodzaak van aangevraagde voorzieningen.
 
De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c en artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van tenminste vijftien jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging.
 
In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-termijnprognose.
 
De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:
  • a.
    het voedingsgebied of de voedingsgebieden;
  • b.
    de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;
  • c.
    de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied;
  • d.
    de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;
  • e.
    de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;
  • f.
    de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school en
  • g.
    het onderwijs dat wordt gegeven.
 
De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.
Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs, (voortgezet)speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij de levering van de beschrijving van het voedingsgebied worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de -aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. De prognoses moeten voldoen aan de eisen als vermeld in het door de VNG en de besturenorganisaties voor het bijzonder onderwijs uitgewerkte “Programma van eisen voor leerlingenprognose” (bijlage bij VNG-brief OCSR/1999004252).
 
Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van overleg zoals bedoeld in de 'Procedure overleg onderwijshuisvesting gemeente Utrecht 2011' (gemeenteblad 2011-044).
 
Aanlevering van prognoses dient plaats te vinden door de relevante gegevens en berekeningen op papier af te drukken en aan te leveren.
BIJLAGE III CRITERIA VOOR OPPERVLAKTE EN INDELING  
De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:
  • -
    deel A: de bepaling van de capaciteit;
  • -
    deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;
  • -
    deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;
  • -
    deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.
 
DEEL A De bepaling van de capaciteit
 
1 School voor basisonderwijs
De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.
Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden.
Eveneens kan het college in overleg met en na overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige vernieuwingen, zoals bedoeld in bijlage I, deel A, onder 1.10, ad h.
 
Verzoeken kunnen worden geweigerd indien de huidige en/of de toekomstige huisvestingsbehoefte binnen een termijn van twee jaren (korte termijn prognose) van de desbetreffende school en/of scholen die gelegen zijn binnen de in de verordening opgenomen verwijsafstand, daartoe aanleiding geven.
Verzoeken dienen bij het college te zijn ontvangen uiterlijk op 31 januari van het jaar van vaststelling van het programma voor het volgende jaar. Op deze verzoeken is hoofdstuk 2 van de verordening van overeenkomstige toepassing.
 
1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen (inclusief de T&B-dislocaties) met een permanente of tijdelijke bouwaard
Een 'T&B-dislocatie' is een gebouw dat als hoofdgebouw fungeerde van een basisschool die op of na 1 augustus 1992 is gefuseerd. Na de fusie is de status van het gebouw gewijzigd in die van dislocatie van de school die uit de fusie is overgebleven. Voor de bepaling van de capaciteit van de T&B-dislocaties
 
De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel D onder III-1 "De meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs".
De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan of gelijk aan 42 m² (netto). De speellokalen worden niet meegeteld.
Indien in een hoofd- of nevenvestiging géén gemeenschapsruimte aanwezig is, en het gebouw nog niet is aangepast t.b.v. onderwijskundige vernieuwing, bedraagt het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is het aantal werkelijke lesruimten verminderd met één.
Indien er een voorschool in het gebouw gevestigd is, wordt in de methodiek uitgegaan van een verlaging van de capaciteit voor het onderwijs; de capaciteit wordt telkens met één lokaal verlaagd ten behoeve van twee groepen VVE’ (één groep VVE maakt één dagdeel gebruik van een lokaal, per dag kunnen twee groepen VVE worden geplaatst).
 
Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en de normatieve capaciteitsvaststelling. Bij gebouwen met een permanente bouwaard dient onderscheid te worden gemaakt tussen gebouwen die niet aangepast zijn aan de onderwijskundige vernieuwingen en gebouwen die wel aangepast zijn aan de onderwijskundige vernieuwing. Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt op basis van de bvo vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, , 2 en 3 voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke bouwaard.
 
Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard
Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30 leerlingen worden gehuisvest  
Aantal groepen leerlingen 
Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige vernieuwingen)  
2
350 
3
465 
4
580 
5
785 
6
900 
7
1. 015 
8
1. 130 
9
1. 245 
10
1. 360 
11
1. 475 
12
1. 590 
13
1. 705 
 
en vervolgens te verhogen met 115 m2 ten behoeve van één groep leerlingen 
 
Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal, wordt de minimale bvo opgehoogd met 90 m2 
 
Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest
Aantal groepen leerlingen  
Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige vernieuwingen)  
2
330
 
Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting
Aantal groepen leerlingen
Minimale bvo
2
305
3
410
4
515
5
710
6
815
7
920
8
1.025
 
en vervolgens telkens te verhogen met 105 m² ten behoeve van één groep leerlingen.
 
Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting
Aantal groepen leerlingen  
Minimale bvo
1
100
2
180
3
260
4
340
5
420
 
En vervolgens telkens te verhogen met 80 m² ten behoeve van één groep leerlingen
 
Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw kleiner is dan het aantal groepen zoals normatief vastgesteld op basis van de tabellen 1, , 2 of 3, is het aantal lokalen de capaciteit van het gebouw. In dat geval wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de normatieve bvo behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee de bvo van het gebouw is "overgedimensioneerd". De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze "overdimensionering" van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.
 
Speciale school voor basisonderwijs
De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal lokalen verminderd met een. Het aantal lokalen wordt verminderd met twee indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en het aantal lokalen wordt verminderd met drie indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m² netto. De speellokalen worden niet meegeteld.
 
Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
 
Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd, dient er een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en de normatieve capaciteitsvaststelling.
 
Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo, vastgesteld met behulp van tabel 4 voor gebouwen met een permanente bouwaard, die nog niet zijn aangepast aan de onderwijskundige vernieuwingen,die zijn aangepast aan de onderwijskundige vernieuwingen. Voor huisvesting met een tijdelijke bouwaard wordt gebruikgemaakt van tabel 2 en 3.
 
Tabel 4 Gebouwen met een permanente bouwaard, aangepast aan de onderwijskundige vernieuwingen
Permanente gebouwen voor een speciale school voor basisonderwijs
vaste voet m²
inclusief
m² per groep
toeslag extra ruimte
670
4
105
125
 
De vaste voet aan bvo is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit aantal is in de kolom
"inclusief" aangegeven. Hierin is geen speellokaal begrepen.
 
De toeslag extra ruimte omvat een aantal extra m² voor het creëren van een extra lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de 12e groep.
 
Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw kleiner is dan het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3, 4 is het aantal lokalen de capaciteit van het gebouw. In dat geval wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de normatieve bvo, behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee de bvo van het gebouw is overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.
 
Basisschool en speciale school voor basisonderwijs
1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard
Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties geldt het gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 1a, 2 en 3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van 105 m² bvo per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een permanente bouwaard, dat niet is aangepast aan de onderwijskundige vernieuwingen en van 115 m² bvo per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een permanente bouwaard, dat is aangepast aan de onderwijskundige vernieuwingen. Indien sprake is van een gebouw met een tijdelijke bouwaard, wordt uitgegaan van 80 m² bvo per groep leerlingen.
 
1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.
Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld.
 
Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.
Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven.
De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.
 
1.4 Terrein
Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
 
1.5 Inventaris
Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.
 
  • a.
    onderwijsleerpakket
Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van de volgende twee stappen:
  • -
    het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school dit aan.
  • -
    het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel:
 
Omrekentabel onderwijsleerpakket
OUD
NIEUW
2
2
3
3
4
4
5
5
6
6
7
7
8
8
9
10
10
11
11
12
12
13
13
14
14
15
15
16
16
17
17
19
18
20
19
20
20
21
21
23
22
24
23
25
24
26
25
28
26
28
27
30
28
30
29
32
30
33
 
  • b.
    meubilair
Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van de volgende twee stappen:
  • -
    het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen meubilair is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school dit aan.
  • -
    het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel:
 
Omrekentabel meubilair
OUD
NIEUW
2
2
3
3
4
4
5
5
6
7
7
8
8
9
9
11
10
12
11
13
12
14
13
15
14
17
15
18
16
19
17
20
18
22
19
23
20
24
21
25
22
26
23
27
24
29
25
30
26
31
27
32
28
33
29
34
30
36
 
1.6 Gymnastiekruimten
 
1.6.1 Gymnastiekruimte
De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren.
Een school voor het basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn.
 
1.6.2 Terrein
De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het schoolgebouw, wordt geregistreerd.
 
1.6.3 Inventaris
De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
 
2 (Voortgezet) speciaal onderwijs
De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.
Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden.
 
2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard
De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel D onder III-1 "De meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs.
 
De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal lokalen verminderd met 1. In het speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is.
 
In het voortgezet speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 14 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 28 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is.
Indien het een school betreft voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt de capaciteit van het gebouw berekend door het aantal mogelijk te huisvesten groepen voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs afzonderlijk te bepalen.
 
In het SOVSO-deel van tabel 4 Ruimtenormering (V)SO is hiermee al rekening gehouden.
Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m² nvo. De speellokalen worden niet meegeteld.
 
Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
 
Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.
Het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo, vastgesteld met behulp van de oppervlakteformules, voor gebouwen met een permanente bouwaard, van tabel 4 "Ruimtenormering (V)SO". Voor de vaststelling van het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is voor gebouwen met een tijdelijke bouwaard worden de tabellen 2 "Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting" en tabel 3 "Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting" gehanteerd.
 
Tabel 4 Ruimtenormering (V)SO
schoolsoort
vaste voet
inclusief
aantal
groepen
per groep
correctie m²
VSO
toeslag m²
extra ruimte
 
SO doven
775
7
75
 
105
 
VSO doven
800
7
84
 
60
 
SO sh/esm
628
4
95
 
130
 
SO visg
727
4
96
 
116
 
SO lg
850
4
134
 
150
 
SO lz
638
4
100
 
105
 
SO zmlk
585
4
95
 
100
 
SO zmok
585
4
95
 
105
 
SO pi
575
4
95
 
92
 
SO mg
733
4
110
 
132
 
 
 
 
 
 
 
 
VSO sh/esm
563
4
84
 
65
 
VSO visg
660
4
88
 
45
 
VSO lg
725
4
110
 
70
 
VSO lz
575
4
80
 
90
 
VSO zmlk
600
4
80
 
80
 
VSO zmok
600
4
80
 
102
 
VSO pi
535
4
80
 
75
 
VSO mg
725
4
113
 
60
 
 
 
 
 
 
(SO
VSO)
sg doven
775
6
77
7
105
60
sg sh/esm
628
3
96
- 12
115
60
sg visg
727
3
96
- 10
116
45
sg lg
850
3
135
- 27
135
70
sg lz
638
3
99
- 14
120
65
sg zmlk
585
3
97
- 19
100
80
sg zmok
585
3
105
- 19
55
85
sg pi
575
3
95
- 12
92
60
sg mg
733
3
108
5
132
50
 
De vaste voet aan bruto vloeroppervlakte is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit aantal groepen is in de kolom "inclusief" gegeven. De relatie tussen de vaste voet en de minimum opheffingsnorm voor de scholen is hiermee in stand gebleven.
 
In de bruto vloeroppervlakte voor SOVSO scholen is uitgegaan van dezelfde vaste voet als voor de SO component. Het aantal m² per groep, alsmede de extra toe te kennen ruimte kan anders zijn dan bij categoriale SO- of VSO scholen. Tevens wordt op het aantal vierkante meters per groep een correctie toegepast voor het aantal aanwezige VSO groepen.
 
De toeslag voor extra ruimte (ER) omvat een aantal extra m² voor het creëren van een extra lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). In het speciaal onderwijs wordt de toeslag ER toegekend bij het vormen van de 12e groep in het voortgezet speciaal onderwijs bij het vormen van de 13e groep.
Indien het aantal groepen waarvoor het gebouw normatief geschikt is, zoals vastgesteld op basis van de tabel ruimtenormering (V)SO, groter is dan het aantal groepen, zijnde de capaciteit op basis van het aantal lokalen, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de bvo behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee het gebouw is "overgedimensioneerd" en wordt als zodanig geregistreerd.
De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze "overdimensionering" van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.
 
2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een tijdelijke bouwaard
De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m² netto. De speellokalen worden niet meegeteld.
 
NB: Voor dislocaties is de "overdimensionering" niet te bepalen.
 
2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.
Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.
De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.
 
2.4 Terrein
Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
 
2.5 Inventaris
De inventarisgegevens betreffen de gegevens ter vaststelling van het aantal groepen van de desbetreffende school waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. Het aantal groepen waarvoor inventaris aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 1996/1997.
Indien in het verleden voor meer groepen inventaris is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de ISOVSO, voor minder groepen inventaris is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school dit aan.
De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.
 
2.6 Gymnastiekruimten
 
2.6.1 Gymnastiekruimte
De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt 40 klokuren.
Een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn.
 
2.6.2 Terrein
De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het schoolgebouw, wordt geregistreerd.
 
2.6.3 Inventaris
De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
 
 
3 Voortgezet onderwijs
De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in gegevens over:
  • -
    de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;
  • -
    het aantal specifieke ruimten;
  • -
    het aantal werkplaatsen;
  • -
    het aantal gymnastieklokalen.
Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.
 
3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een tijdelijke bouwaard
De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.
 
Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voor zover deze noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
 
3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.
 
3.3 Terrein
Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt.
De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd
 
3.4 Inventaris
Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris.. De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.
 
3.5 Gymnastiekruimten
 
3.5.1 Gymnastiekruimte
De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur.
 
3.5.2 Terrein
De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het schoolgebouw, wordt geregistreerd.
 
3.5.3 Inventaris
De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
 
DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte en inventaris
 
1 School voor basisonderwijs
 
1.1 Schoolgebouwen
Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b.
De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).
 
  • a.
    Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:
 
G = (A + B + C) / 179
 
waarbij:
G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.
Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen.
A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.
B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.
Het verkregen getal B wordt niet afgerond.
C = 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald.
Het verkregen getal C wordt niet afgerond.
 
  • b.
    Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:
     
G = (A + B + C + D) / 179 + E
 
waarbij:
G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.
Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen.
A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.
B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.
Het verkregen getal wordt niet afgerond.
C = 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).
Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald.
Het verkregen getal wordt niet afgerond.
D = som van de gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, verminderd met 6% van het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald.
Het verkregen getal wordt niet afgerond
E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs.
 
Speciale school voor basisonderwijs
Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N factor". De N factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15 Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
 
1.2 Gymnastiekruimten
 
School voor basisonderwijs
Voor een basisschool is het aantal groepen leerlingen 6-12-jarigen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep leerlingen 6-12-jarigen wordt maximaal 1,5 klokuur gymnastiek vergoed (conform artikel 38 en 39 van de verordening). Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule
 
G = (A + B + C + D) / 179
 
De componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.
Voor het bepalen van het aantal groepen leerlingen 6-12-jarigen wordt aangesloten bij het normatieve overzicht "splitsing aantal groepen leerlingen" zoals weergegeven in tabel 5.
 
Tabel 5 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)
Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen leerlingen (G) in groepen leerlingen 4 en 5 -jarigen en groepen leerlingen 6-12-jarigen ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening.
 
Aantal groepen per school
(G)
Aantal groepen
leerlingen
4 en 5 jarigen
Aantal groepen leerlingen 6-12-jarigen
2
1
1
3
1
2
4
2
2
5
2
3
6
2
4
7
3
4
8
3
5
9
3
6
10
3
7
11
4
7
12
4
8
13
4
9
14
5
9
15
5
10
16
5
11
17
6
11
18
6
12
19
6
13
20
6
14
21
7
14
22
7
15
23
7
16
24
8
16
25
8
17
26
8
18
27
9
18
28
9
19
29
9
20
30
9
21
31
10
21
32
10
22
33
10
23
34
11
23
35
11
24
36
11
25
37
11
26
38
12
26
39
12
27
40
12
28
41
13
28
42
13
29
43
13
30
44
14
30
45
14
31
46
14
32
47
14
33
48
15
33
49
15
34
50
15
35
 
Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft, op de school zal zijn ingeschreven.
In die gevallen waarin het college goedkeuring heeft verleend om ten behoeve van het speelonderwijs aan één of meer onderbouwgroepen (4 en 5 jarigen) gebruik te maken van de gymnastiekruimte van de basisschool, worden voor de bepaling van het maximaal aantal klokuren dat voor vergoeding in aanmerking komt, de onderbouwgroepen beschouwd als bovenbouwgroepen.
Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, verhoogd met 3%. Het verkregen getal wordt naar beneden afgerond. De relatie tussen het aantal leerlingen en het aantal formatieplaatsen (het aantal groepen) is weergegeven in tabel 5, "Schema formatieplaatsen".
 
Speciale school voor basisonderwijs
Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt, indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed.
Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N-factor". De "N-factor" is bepalend voor de groepsgrootte. De "N-factor" voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.
 
1.3 Inventaris
School voor basisonderwijs
De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:
  • a.
    onderwijsleerpakket
  • b.
    meubilair
 
  • a.
    onderwijsleerpakket
Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:
 
G = (A + B + C + D) / 179 + E
 
De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.
 
  • b.
    meubilair
Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:
 
G = (A + B + C) / 179
 
De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.
 
Speciale school voor basisonderwijs
Het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N-factor". De "N-factor" is bepalend voor de groepsgrootte. De "N-factor" voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
 
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
 
2.1 Schoolgebouwen
Voor een school of nevenvestiging voor (voortgezet) speciaal onderwijs is het aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N factor". De N factor bepaalt de maximale groepsgrootte.
In onderstaande tabel 6, "N factor", is de groepsgrootte per onderwijssoort en per schooltype weergegeven (artikel 14 Formatiebesluit WEC). Het getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
 
Tabel 6 N factor
Onderwijssoort
N-factor SO
N-factor VSO
Dove kinderen (DO)
6
6
Slechthorende kinderen (SH)
12
7
Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)
12
7
Visueel gehandicapte kinderen (VISG)
12
7
Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)
12
7
Langdurig zieke kinderen (LZ)
13
7
Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)
12
7
Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)
12
7
Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI)
10
7
Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)
7*
7*
 
* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap anders is vastgesteld.
 
De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO school of een SO school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden gesommeerd. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met het aantal groepen dat in de vaste voet is opgenomen. Heeft een schooltype minder dan dit aantal groepen dan wordt geen recht op een vaste voet voor dit schooltype.
 
2.2 Gymnastiekruimten
Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt, indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed.
Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal leerlingen. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N factor". De "N factor" is bepalend voor de groepsgrootte. In tabel 6 is de "N factor" weergegeven. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma hoger is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
 
Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO school of een SO school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.
 
3. School voor voortgezet onderwijs
 
3.1 Schoolgebouwen
Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten, te weten:
  • 1.
    een leerlinggebonden component;
  • 2.
    een vaste voet.
 
ad 1 een leerlinggebonden component
Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt.
 
ad 2 een vaste voet
De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg.
 
Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.
 
Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.
 
Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald.
 
Tabel 7.1.a. Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs
Onderwijssoort
Leerweg
Ruimtetype
BVO/leerling
Onderbouw (leerjaar 1 en 2)
-
Algemeen
6,18
Bovenbouw AVO/VWO
-
Algemeen
5,85
Bovenbouw theoretische leerweg
TLW
Algemeen
6,41
-
LWOO
Algemeen
7,07
Bovenbouw techniek
GLW
Algemeen
5,98
-
-
Specifiek
5,47
-
BLW
Algemeen
4,69
-
-
Specifiek
8,99
-
LWOO
Algemeen
4,44
-
-
Specifiek
12,72
Bovenbouw economie
GLW
Algemeen
5,95
-
-
Specifiek
0,89
-
BLW
Algemeen
5,56
-
-
Specifiek
2,25
-
LWOO
Algemeen
5,85
 
 
Specifiek
3,06
Bovenbouw zorg/welzijn
GLW
Algemeen
5,33
 
 
Specifiek
2,10
 
BLW
Algemeen
4,71
 
 
Specifiek
4,22
 
LWOO
Algemeen
4,85
 
 
Specifiek
5,53
Bovenbouw landbouw
GLW
Algemeen
5,94
 
 
Specifiek
0,78
 
BLW
Algemeen
5,37
 
 
Specifiek
2,34
 
LWOO
Algemeen
5,03
 
 
Specifiek
4,69
Praktijkonderwijs
 
Algemeen
4,41
 
 
Specifiek
7,72
Legenda
TLW theoretische leerweg
LWOO leerwegondersteunend onderwijs
GLW gemengde leerweg
BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)
 
Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs
Onderwijssoort
Ruimtetype
Vaste voet
Hoofdvestiging
Algemeen
980
Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak
Algemeen
550
Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak
 
0
VMBO-techniek BLW
Specifiek
299
VMBO-economie BLW
Specifiek
196
VMBO-zorg/welzijn BLW
Specifiek
168
VMBO-landbouw BLW
Specifiek
117
Praktijkonderwijs
Algemeen
306
Legenda
BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)
 
De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (bvo) welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m2 bvo. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig is. De vaste voet voor een hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak is niet van toepassing op een zelfstandige praktijkschool
 
3.2 Gymnastiekruimten
De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bvo vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.
Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs
Onderwijssoort
Leerweg
bvo/leerling
Onderbouw (leerjaar 1 en 2)
-
1,66
Bovenbouw AVO/VWO
-
0,78
Bovenbouw theoretische leerweg
TLW
1,11
-
LWOO
1,26
Bovenbouw techniek
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Bovenbouw economie
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Bovenbouw zorg/welzijn
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Bovenbouw landbouw
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Praktijkonderwijs
-
1,99
Legenda
TLW theoretische leerweg
LWOO leerwegondersteunend onderwijs
GLW gemengde leerweg
BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)
 
DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning
 
De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te stellen.
 
1. School voor basisonderwijs
 
1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, nieuwbouw, dan wel vervangende bouw wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte". Bij nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding wordt gekeken naar de ontwikkeling van het aantal leerlingen. In geval van een geprognosticeerde (conform prognose bijlage II) toename van het aantal leerlingen wordt gekeken naar het aantal groepen dat 7 jaar na het jaar van het betreffende programma kan worden geformeerd. Indien dit (hogere) aantal groepen gedurende 15 jaren aanwezig is, wordt de permanente ruimtebehoefte op dit hogere aantal vastgesteld. In het eerste jaar van uitvoering wordt de definitieve ruimtebehoefte en de definitieve normvergoeding bepaald. 
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal ruimten wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m² bvo en het aantal m² bvo behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande gebouw.
Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: "De bepaling van de capaciteit".
Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.
Een toeslag voor een tweede afzonderlijk speellokaal wordt toegekend, indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
 
1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende bouw wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep.
Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: "De bepaling van de capaciteit".
Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.
Een tweede tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
 
De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.
 
Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op grond van de meest recente teldatum van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld.
 
Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal groepen, op basis van het aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd grond van de meest recente teldatum van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld.
 
Voor een basisschool wordt een toeslag onderwijsleerpakket tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.
Voor een basisschool wordt een toeslag meubilair tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.
 
Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd op grond van de meest recente teldatum van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing anders dan een aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de verschiloppervlakte tussen het aantal genormeerde m² bvo behorend bij de minimumnormen zoals deze golden voor 1 januari 2003 en het aantal genormeerde m² bvo behorend bij de minimumnormen bij het aantal groepen dat bepaald is aan de hand van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte" met als maximum het aantal groepen van de school waarvoor de school over permanente huisvesting beschikt.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
1.4 Gymnastiekruimten
De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.
 
De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).
De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.
 
De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.
 
De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
 
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
 
2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende bouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
Bij nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding wordt gekeken naar de ontwikkeling van het aantal leerlingen. In geval van een geprognosticeerde (conform prognose bijlage II)toename van het aantal leerlingen wordt gekeken naar het aantal groepen dat 7 jaar na het jaar van het betreffende programma kan worden geformeerd. Indien dit (hogere) aantal groepen gedurende 15 jaren aanwezig is, wordt de permanente ruimtebehoefte op dit hogere aantal vastgesteld. In het eerste jaar van uitvoering wordt de definitieve ruimtebehoefte en de definitieve normvergoeding bepaald.  
 
Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m² bvo en het aantal m² bvo behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: "De bepaling van de capaciteit".
 
Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat nodig is voor het aantal groepen waarvoor tenminste vijftien jaar huisvesting noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
 
2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende bouw wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal één groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m² bvo en het aantal m² bvo behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: "De bepaling van de capaciteit". Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat nodig is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting, medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting, tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste twee jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage: "Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
 
2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en/of meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en/of meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd, grond van de meest recente teldatum van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
2.4 Gymnastiekruimten
De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende bouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.
 
De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).
 
De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.
 
De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.
 
De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
 
3. School voor voortgezet onderwijs
 
3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is.
 
Bij nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding wordt gekeken naar de ontwikkeling van het aantal leerlingen. In geval van een geprognosticeerde (conform prognose bijlage II)toename van het aantal leerlingen wordt gekeken naar het aantal groepen dat 7 jaar na het jaar van het betreffende programma kan worden geformeerd. Indien dit (hogere) aantal groepen gedurende 15 jaren aanwezig is, wordt de permanente ruimtebehoefte op dit hogere aantal vastgesteld. In het eerste jaar van uitvoering wordt de definitieve ruimtebehoefte en de definitieve normvergoeding bepaald.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.
 
De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.
 
3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.
 
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.
 
De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.
 
3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting.
 
De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.
 
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
3.4 Gymnastiekruimten
De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage.
 
De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.
 
De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.
 
De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.
 
De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
 
De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 460. Voor het LWOO en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322.
 
Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).
 
De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het LWOO en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322.
 
DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen
1. School voor basisonderwijs
 
  • -
    minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m² netto/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto. Ingeval van nieuwbouw, als bedoeld in artikel 2, sub a onder nummer 1, met meer dan 400 leerlingen geldt voor het aantal leerlingen boven de 400 weer 3 m² netto/ll met een maximum van 600 m² netto. Met meer dan 800 leerlingen geldt voor het aantal leerlingen boven de 800 weer 3 m² netto/ll met een maximum van 600 m² netto.;
  • -
    één speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 90 m² bvo (inclusief toestellenberging) vanaf de 14e groep een tweede speellokaal met een bruto oppervlak van 90 m2 (inclusief toestellenberging)
  • -
    minimumoppervlakte leslokaal: 42 m² netto.
    • de netto hoogte van een leslokaal is minimaal 2.80 m netto,
    • de netto hoogte van een speellokaal bedraagt minimaal 3.50 m netto,
 
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
 
  • -
    minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m² netto /ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto;
  • -
    één speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 90 m² bvo (inclusief toestellenberging) vanaf de 14e groep een tweede speellokaal met een bruto oppervlak van 90 m2 (inclusief toestellenberging)
  • -
    minimum oppervlakte leslokaal: 42 m² netto.
    • de netto hoogte van een leslokaal is minimaal 2.80 m netto vrije hoogte,
    • de netto hoogte van een speellokaal bedraagt minimaal 3.50 m netto vrije hoogte,
 
3. School voor voortgezet onderwijs
Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²:
 
theorielokaal
42 m²
theorievaklokaal
50 m²
vaklokaal natuurkunde
50 m²
vaklokaal biologie
50 m²
vaklokaal scheikunde
60 m²
vaklokaal handvaardigheid
60 m²
vaklokaal overig
80 m²
specifiek vaklokaal lassen
50 m²
specifiek vaklokaal meten
50 m²
werkplaats
115 m²
restaurant
80 m²
 
4. Gymnastiekruimten
  • -
    gymnastiekgebouw is minimaal 455 m2 bvo
  • -
    de oefenruimte is minimaal 252 m² netto.
  • -
    de hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m netto vrije hoogte.
  • -
    het gymnastiekgebouw bevat tenminste 2 kleedruimten met een was-/douchegelegenheid.
 
III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs'
De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:
De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle vloerniveaus.
De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op vloerhoogte.
De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto vloeroppervlakte te worden gerekend.
De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het schoolgebouw.
Bij scheidingswanden tussen het schoolgebouw en in- of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.
 
Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m².
 
Uitzonderingen:
In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden netto vloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,1.
 
Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de netto vloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte > 2,60 m (bestaande bouw) te vermenigvuldigen met de factor 1,1. Voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto vloeroppervlakte.
 
III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'
Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
 
De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende "beloopbare" binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.
 
Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:
  • -
    de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau;
  • -
    de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m².
 
Uitzonderingen:
  • -
    de oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.
  • -
    open brand of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.
  • -
    niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.
 
BIJLAGE IV FINANCIËLE NORMERING  
De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn in prijspeil 2015.
 
De financiële normering valt uiteen in drie delen:
  • -
    deel A: vergoeding op basis van normbedragen;
  • -
    deel B: aanbestedingsregels;
  • -
    deel C: bepaling medegebruikstarief.
 
Voor de prijsbijstelling van de in deze bijlage genoemde bedragen wordt verwezen naar artikel 41 van de verordening en naar hoofdstuk 4. Indexering.
 
DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen
Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn inclusief BTW.
In onderstaande normbedragen voor nieuwbouw, uitbreiding en vervangende bouw (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto vloeroppervlakte van 2500 m²) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor nieuwbouw, uitbreiding en vervangende bouw wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht.
 
1. School voor basisonderwijs
In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:
 
-
nieuwbouw
(paragraaf 1.1)
-
uitbreiding
(paragraaf 1.2)
-
tijdelijke voorziening
(paragraaf 1.3)
-
eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
(paragraaf 1.4)
-
aanpassing
(paragraaf 1.5)
-
gymnastiek
(paragraaf 1.6)
 
De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze bijlage.
 
1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)
 
De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in bouwkosten, aangevuld met een of meer toe
te kennen toeslagen
In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).
 
 
Kosten voor terreinen
Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma.
 
Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken.
 
Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.
 
Bouwkosten
De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De bouwkosten van het gebouw bestaan uit de kosten van bouwkundige werken, installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en vaste inrichtingen. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.
 
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet (inclusief twee groepen)
€ 632.928,23
-
elke volgende groep
€ 123.827,15
 
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet (inclusief vier groepen)
€ 1.024.990,95
-
elke volgende groep
€ 118.730,73
-
bedrag toeslag extra ruimte
€ 141.345,78
 
Toeslag voor paalfundering
Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee groepen) en een bedrag per groep.
 
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
 
1 < 15 m
15 < 20 m
> 20 m
-
vaste voet (inclusief twee groepen)
€ 8.910,91
€ 12.960,62
€ 20.688,98
-
elke volgende groep
€ 1.804,57
€ 3.052,30
€ 5.462,98
 
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
 
1 < 15 m
15 < 20 m
> 20 m
-
vaste voet (inclusief vier groepen)
€ 13.984,42
€ 21.543,37
€ 36.046,04
-
elke volgende groep
€ 1.656,32
€ 2.801,58
€ 5.012,89
-
bedrag toeslag extra ruimte
€ 1.971,95
€ 3.335,05
€ 5.967,63
 
Toeslag voor een speellokaal
In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee inclusief toestellenberging 90 m² bvo ruimte gerealiseerd kan worden.
De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
geen paalfundering nodig
 
€ 96.908,95
lengte paalfundering
1 < 15m
€ 1.411,74
lengte paalfundering
15 < 20m
€ 2.388,30
lengte paalfundering
> 20m
€ 4.274,47
 
Toeslag voor sloopkosten
Alleen in die situaties, waarbij het economisch eigendom van het gebouw bij de gemeente berust, kan, indien goedkeuring wordt verleend voor vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie waarbij het oude gebouw dient te worden gesloopt, op verzoek van het bevoegd gezag een toeslag op de bouwkosten worden verstrekt voor sloopkosten c.q. bouwrijp maken van de desbetreffende grond. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offerte-lijn).
 
Toeslag voor verhuiskosten
Indien goedkeuring wordt verleend voor nieuwbouw, vervangende bouw dan wel ingebruikneming van een bestaand gebouw als permanente huisvesting op een andere locatie dan de huidige locatie en er dientengevolge sprake is van een noodzakelijke verhuizing van een (deel van de) school, kan een éénmalige tegemoetkoming worden verstrekt voor verhuiskosten. De vergoeding voor een dergelijke verhuizing wordt bepaald op basis van een bedrag van € 889,65 (inclusief BTW) per te verhuizen groep leerlingen, waarbij het totale aantal te verhuizen groepen leerlingen wordt bepaald op basis van de meest recente 1 oktober telling.
Toeslag voor buskosten
Uitsluitend indien ofwel goedkeuring wordt verleend voor vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie als de huidige locatie, danwel indien ten gevolge van noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit goedkeuring wordt verleend voor de volledige ingebruikname van een naastgelegen schoolgebouw van een andere school, en er ofwel gedurende de sloop en de vervangende nieuwbouw, danwel gedurende de periode dat het naastgelegen schoolgebouw van de andere school nog niet voor de uitbreiding beschikbaar is, noodzakelijkerwijs gebruik moet worden gemaakt van tijdelijke huisvesting op een afstand van meer dan 1000 meter hemelsbreed, kan op verzoek van het bevoegd gezag van de school een toeslag worden verstrekt voor noodzakelijk te maken buskosten. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offerte-lijn).
 
1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)
Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m² bruto vloeroppervlakte (maximaal 9 groepen) is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).
 
Kosten voor terrein
Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).
 
Bouwkosten
De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.
 
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet
€ 89.366,78
-
bedrag per groep
€ 143.254,61
 
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet
€ 92.001,82
-
bedrag per groep
€ 133.434,11
-
bedrag toeslag extra ruimte
€ 158.850,08
 
Toeslag voor paalfundering
Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van de uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag en een bedrag per groep.
 
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
 
1 < 15 m
15 < 20 m
> 20 m
-
vaste voet
€ 4.000,42
€ 5.217,21
€ 8.370,32
-
per groep
€ 633,03
€ 1.640,73
€ 3.316,97
 
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
1 < 15 m
15 < 20 m
> 20 m
vaste voet
€ 4.037,02
€ 5.264,97
€ 8.446,94
bedrag per groep
€ 576,97
€ 1.497,91
€ 3.028,78
bedrag toeslag extra ruimte
€ 687,30
€ 1.783,64
€ 3.606,00
 
Toeslag voor een speellokaal
In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee inclusief toestellenberging 90 m² BVO. ruimte gerealiseerd kan worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een afzonderlijk speellokaal steeds in combinatie met een uitbreiding van tenminste één groep (lokaal) plaatsvindt.
De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
geen paalfundering nodig
 
€ 112.112,83
-
lengte paalfundering
1 < 15 meter
€ 112.607,64
-
lengte paalfundering
15 < 20 meter
€ 113.396,43
-
lengte paalfundering
> 20 meter
€ 114.708,78
 
In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige toekenning van een ander lokaal, wordt voor zowel een basisschool als voor een speciale school voor basisonderwijs de vergoeding op basis van de volgende bedragen bepaald:
-
geen paalfundering nodig
 
€ 201.450,43
-
lengte paalfundering
1 < 15 meter
€ 207.225,06
-
lengte paalfundering
15 < 20 meter
€ 208.486,16
-
lengte paalfundering
> 20 meter
€ 209.509,80
 
Toeslag voor sloopkosten etc.
Hiervoor geldt hetzelfde als bij 1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) - Toeslag voor sloopkosten.
 
1.3 Tijdelijke voorziening
De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).
 
Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie
Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto vloeroppervlakte:
-
per groep
80 m²
-
toeslag voor eerste groep
20 m²
-
toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie
160 m²
 
Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren, ook te beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een permanent hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke).
Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen voor de beide toeslagen. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen (tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering niet noodzakelijk is).
 
De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Nieuwbouw Tijdelijke voorziening:
 
paalfundering
 
 
geen
wel
-
vast bedrag
€ 36.442,33
€ 36.782,32
-
bedrag per groep
€ 68.171,33
€ 72.312,95
-
toeslag eerste groep
€ 17.042,96
€ 18.078,11
-
toeslag hoofdlocatie
€ 136.342,68
€ 144.625,38
 
Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen
Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de bruto vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m² per groep. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen (tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering niet noodzakelijk is).
De vergoeding wordt voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vast bedrag
€ 16.602,02
€ 20.675,63
-
bedrag per groep
€ 73.871,68
€ 75.771,97
 
Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen
Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van de werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).
 
1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
 
School voor basisonderwijs
De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal groepen.
 
Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.
Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt toegepast van 10%.
 
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Eerste inrichting basisschool (OLP en meubilair):
 
 
 
 
Aantal groepen
OLP
Meubilair
Totaal
 
2
€ 47.395,83
€ 28.288,44
€ 75.684,26
incl. speellokaal
3
€ 53.935,20
€ 38.014,23
€ 91.949,43
incl. speellokaal
4
€ 67.117,74
€ 48.044,36
€ 115.162,10
incl. speellokaal
5
€ 73.897,54
€ 57.770,74
€ 131.668,28
incl. speellokaal
Elke volgende groep
€ 7.178,54
€ 6.786,84
€ 13.965,37
excl. speellokaal
Toeslag tweede speellokaal
€ 935,87
€ 6.491,29
€ 7.427,16
 
 
Speciale school voor basisonderwijs
De bekostiging voor eerste inrichting voor onderwijsleerpakket en meubilair voor een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit: een vaste voet inclusief vier groepen, een bedrag voor elke volgende groep en een toeslag bij de vorming van de twaalfde groep.
Eerste inrichting (OLP en meubilair) voor SBO:
 
 
Aantal groepen
 
Totaal
vaste voet
 
€ 139.700,52
Elke volgende groep
 
€ 14.577,73
Toeslag bij de twaalfde groep
 
€ 18.784,15
 
1.6 Gymnastiek
 
Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding
 
Nieuwbouw
De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een bruto vloeroppervlakte van 455 m² bedraagt € 678.992,41(op het schoolterrein) respectievelijk € 692.725,44(op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.
Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
paallengte
1 < 15 meter
€ 13.657,18
-
paallengte
15 < 20 meter
€ 18.827,13
-
paallengte
> 20 meter
€ 26.441,89
 
Uitbreiding
Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto vloeroppervlakte van 455 m².
Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m². Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:
-
uitbreiding met 112 t/m 120 m²
€ 157.755,32
-
uitbreiding met 121 t/m 150 m²
€ 191.773,24
 
Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
 
112-120 m²
121-150m²
-
1 < 15 meter
€ 6.114,09
€ 7.645,09
-
15 < 20 meter
€ 10.589,94
€ 13.234,02
-
> 20 meter
€ 17.315,39
€ 21.641,73
 
Vergoeding per klokuur
Ingevolge artikel 117 van de Wet op het primair onderwijs worden de volgende vergoedingsbedragen voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De bedragen bevatten een vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het gebouw, de materiële instandhouding conform de programma’s van eisen voor schoolgebouwen alsmede een vergoeding voor vervanging en aanpassing van onderwijsleerpakket en meubilair. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het stichtingsjaar van de gymnastiekaccommodatie en de oppervlakte van de oefenzaal.
De vergoeding bestaat uit een vast bedrag (per jaar) en een variabel bedrag per vastgesteld klokuur.
 
Stichtingsjaar en omvang oefenzaal
De vergoeding gebruik gymnastiekzaal:
 
 
 
Stichtingsjaar en omvang oefenzaal
 
Vast bedrag
Variabel bedrag
Tot 1987:
 
per jaar
per klokuur
-
< 90 m²
€ 2.890,88
€ 351,25
-
>90 - >130 m²
€ 3.709,48
€ 444,49
-
>130 ->170 m²
€ 4.056,03
€ 479,66
-
>170 ->190 m²
€ 3.870,73
€ 524,82
-
>190 ->230 m²
€ 3.707,13
€ 578,17
-
> 230 m²
€ 4.195,60
€ 646,78
Vanaf 1987:
 
 
 
-
> 252 m²
€ 3.331,26
€ 588,14
 
Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening
Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende vergoeding:
  • -
    indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de eigenaar vergoed.
  • -
    indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed.
  • -
    indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal klokuren onder inhouding van de klokuurvergoeding voor het betreffende aantal uren.
  • -
    indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding) worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant voldaan.
OLP en meubilair
De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP en meubilair voor een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 51.392,63
 
2. School voor (Voortgezet) speciaal onderwijs
 
In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:
-
nieuwbouw
(paragraaf 2.1)
-
uitbreiding
(paragraaf 2.2)
-
tijdelijke voorziening
(paragraaf 2.2)
-
eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
(paragraaf 2.4)
-
gymnastiek
(paragraaf 2.5)
 
Daar waar in de financiële normering voor het (voortgezet) speciaal onderwijs sprake is van een "bedrag vaste voet" is dit bedrag mede bestemd voor het aantal groepsruimten dat onderdeel is van de vaste voet aan bruto vloeroppervlakte zoals weergegeven in bijlage III, deel A, paragraaf 2.1, tabel 4 ruimtenormering (v)so. Het "bedrag per groep" in de financiële normering is het bedrag dat wordt vergoed voor iedere extra groep boven op het aantal groepen dat onderdeel is van de vaste voet.
De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze bijlage.
 
2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)
De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in bouwkosten, aangevuld met een of meer toe
te kennen toeslagen
In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).
 
Kosten voor terreinen
Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.
 
Bouwkosten
De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De bouwkosten van het gebouw bestaan uit de kosten van bouwkundige werken, installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en vaste inrichtingen. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Per schoolsoort is er een schoolsoortspecifieke correctiefactor. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.
 
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Nieuwbouw (permanente bouwaard) School voor (Voortgezet) speciaal onderwijs
 
Bedrag
Bedrag
Bedrag toeslag
 
vaste voet
per groep
extra ruimte
 
SO doven
€ 1.079.874,78
€ 82.384,53
€ 115.338,04
SO sh/esm
€ 927.405,55
€ 105.376,82
€ 144.199,61
SO visg
€ 1.047.289,00
€ 107.519,81
€ 129.919,46
SO lg
€ 1.185.048,66
€ 150.079,36
€ 167.999,50
SO lz
€ 938.497,63
€ 110.922,86
€ 116.468,90
SO zmlk
€ 896.790,67
€ 107.423,04
€ 113.076,83
SO zmok
€ 896.790,67
€ 107.423,04
€ 118.730,62
SO pi
€ 868.616,40
€ 105.376,82
€ 102.049,09
SO mg
€ 1.043.874,45
€ 122.014,93
€ 146.417,92
VSO-doven
€ 1.096.480,48
€ 91.366,05
€ 65.261,54
VSO-sh/esm
€ 838.697,71
€ 91.366,05
€ 70.699,83
VSO-visg
€ 962.900,61
€ 97.611,95
€ 49.915,39
VSO-lg
€ 1.024.952,12
€ 120.830,20
€ 76.891,85
VSO-lz
€ 851.750,23
€ 87.015,21
€ 97.891,78
VSO-mlk
€ 986.505,93
€ 114.239,60
€ 98.861,02
VSO-zmlk
€ 896.347,11
€ 88.738,18
€ 88.738,18
VSO-zmok
€ 887.644,91
€ 87.876,69
€ 112.042,74
VSO-lom
€ 947.609,38
€ 106.399,93
€ 111.999,84
VSO-pi
€ 808.242,36
€ 87.015,21
€ 81.576,92
VSO-mg
€ 1.014.903,54
€ 122.908,85
€ 65.261,54
 
Voor SOVSO-scholen gelden de volgende bedragen:
Nieuwbouw (permanente bouwaard) School voor (Voortgezet) speciaal onderwijs
 
 
 
Bedrag
Bedrag
Bedrag
Bedrag toeslag extra ruimte voor
 
vaste voet
per groep
correctie
SO
VSO
SOVSO-doven
€ 1.069.287,99
€ 83.751,82
€ 7.613,70
€ 114.207,17
€ 65.261,54
SOVSO-sh/esm
€ 918.401,54
€ 105.452,14
-€ 13.181,72
€ 126.322,88
€ 65.907,52
SOVSO-visg
€ 1.057.359,54
€ 108.553,38
-€ 11.307,58
€ 131.169,06
€ 50.884,63
SOVSO-lg
€ 1.185.048,66
€ 151.199,77
-€ 30.239,85
€ 151.199,77
€ 78.399,83
SOVSO-lz
€ 929.386,39
€ 108.747,43
-€ 15.378,58
€ 131.815,05
€ 71.399,69
SOVSO-mlk
€ 922.454,23
€ 116.436,47
€ 9.132,16
€ 119.860,96
€ 57.076,65
SOVSO-zmlk
€ 905.331,24
€ 118.730,62
-€ 21.484,81
€ 62.192,20
€ 96.114,94
SOVSO-zmok
€ 896.790,67
€ 118.730,62
-€ 21.484,81
€ 62.192,20
€ 96.114,94
SOVSO-lom
€ 922.454,23
€ 118.719,63
-€ 5.707,66
€ 85.614,97
€ 79.907,31
SOVSO-pi
€ 877.049,74
€ 106.399,93
-€ 13.440,11
€ 103.039,77
€ 67.200,01
SOVSO-mg
€ 1.033.739,57
€ 118.633,33
€ 5.492,16
€ 144.996,76
€ 54.922,68
 
Toeslag voor paalfundering
Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het gebouw op staal. In veel gevallen zal echter ook fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief het aantal bijbehorende groepen), een bedrag voor elke extra groep alsmede een bedrag voor de toekenning van extra ruimte.
 
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
De volgende bedragen vormen de toeslag voor de paalfundering voor SOVSO scholen. Naast deze bedragen hebben SOVSO scholen ook recht op een bedrag voor de vaste voet. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag voor de vaste voet van de SO component van de SOVSO school.
 
Toeslag voor een speellokaal
In de hierboven genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee inclusief toestellenberging 90 m² ruimte gerealiseerd kan worden.
 
Toeslag voor liftinstallatie
Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt het volgende vergoedingsbedrag:
 
Toeslag voor sloopkosten
Alleen in die situaties, waarbij het economisch eigendom van het gebouw bij de gemeente berust, kan, indien goedkeuring wordt verleend voor vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie waarbij het oude gebouw dient te worden gesloopt, op verzoek van het bevoegd gezag een toeslag op de bouwkosten worden verstrekt voor sloopkosten c.q. bouwrijp maken van de desbetreffende grond. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offerte-lijn)
 
Toeslag voor verhuiskosten
Indien goedkeuring wordt verleend voor nieuwbouw, vervangende bouw dan wel ingebruikneming van een bestaand gebouw als permanente huisvesting op een andere locatie dan de huidige locatie en er dientengevolge sprake is van een noodzakelijke verhuizing van een (deel van de) school, kan een éénmalige tegemoetkoming worden verstrekt voor verhuiskosten. De vergoeding voor een dergelijke verhuizing wordt bepaald op basis van een bedrag van € 889,65 (inclusief BTW) per te verhuizen groep leerlingen, waarbij het totale aantal te verhuizen groepen leerlingen wordt bepaald op basis van de meest recente 1 oktober telling.
Toeslag voor buskosten
Uitsluitend indien ofwel goedkeuring wordt verleend voor vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie als de huidige locatie, danwel indien ten gevolge van noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit goedkeuring wordt verleend voor de volledige ingebruikname van een naastgelegen schoolgebouw van een andere school, en er ofwel gedurende de sloop en de vervangende nieuwbouw, danwel gedurende de periode dat het naastgelegen schoolgebouw van de andere school nog niet voor de uitbreiding beschikbaar is, noodzakelijkerwijs gebruik moet worden gemaakt van tijdelijke huisvesting op een afstand van meer dan 1000 meter hemelsbreed, kan op verzoek van het bevoegd gezag van de school een toeslag worden verstrekt voor noodzakelijk te maken buskosten. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offerte-lijn).
 
 
2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)
Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m² bruto vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1).
 
Kosten voor terreinen
Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).
 
Bouwkosten
De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De bouwkosten van het lokaal bestaan uit de kosten van bouwkundige werken, installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en vaste inrichtingen. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep en, indien van toepassing, een toeslag voor extra ruimte. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
Toeslag voor paalfundering
Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag, een bedrag voor elke groep alsmede een bedrag voor de toekenning van extra ruimte.
 
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
De volgende bedragen vormen de toeslag voor de paalfundering voor SOVSO-scholen. Naast deze bedragen hebben de scholen ook recht op de hiervoor genoemde vaste bedragen.
 
Toeslag voor liftinstallatie
Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:
-
lift, inclusief aanbrengen schacht
€ 117.312,07
 
Toeslag voor een speellokaal
In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De vergoeding voor een speellokaal bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee inclusief toestellenberging 90 m² ruimte gerealiseerd kan worden.
 
Voor een speellokaal in combinatie met een uitbreiding van tenminste een groep (lokaal) geldt de toeslag zoals die is opgenomen in paragraaf 2.1.
 
In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige toekenning van een ander lokaal, wordt de vergoeding op basis van de volgende bedragen bepaald:
 
Toeslag voor sloopkosten
Hiervoor geldt hetzelfde als bij 2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) - Toeslag voor sloopkosten.
 
2.3 Tijdelijke voorziening
De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt in nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).
 
Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie
Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto vloeroppervlakte:
-
per groep
80 m²
-
toeslag voor eerste groep
20 m²
-
toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie
160 m²
Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt voor de eerste groep een toeslag gegeven.
Hiernaast dienen voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen die als hoofdlocatie gaan fungeren, ook te beschikken over een aantal ruimten, die normaliter in een permanent hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke). Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven.
 
De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.
 
Indien paalfundering niet noodzakelijk is, dient een aftrek plaats te vinden.
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen kan via de offerte-lijn een aparte toeslag worden gegeven.
 
Uitbreiding tijdelijke voorziening
Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de bruto vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m² per groep. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor de paalfundering. Indien geen paalfundering noodzakelijk is, dient het bedrag voor de vaste voet te worden verminderd met EUR 4.653,55 en het bedrag per groep met EUR 2.170,82. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in EUR):
 
De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen kan via de offerte-lijn een aparte toeslag worden gegeven.
 
Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen
Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van de werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).
 
4.1 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
 
De bekostiging voor eerste inrichting voor onderwijsleerpakket en meubilair bestaat uit:
een vaste voet inclusief vier groepen;(bij doven 7 groepen)
een bedrag voor elke volgende groep;
 
een toeslag voor extra ruimte (SO 12e groep, VSO 13e groep.
2.5 Gymnastiek
Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding
 
Nieuwbouw
De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto vloeroppervlakte van 455 m² bedraagt € 678.992,41(op het schoolterrein) en € 692.725,44 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
 
De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m² (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van € 68.112,75.
 
Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m² beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Uitbreiding
Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto vloeroppervlakte van 455 m².
Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m².
 
Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.
Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:
Vergoeding per klokuur
Ingevolge artikel 115 van de Wet op de expertisecentra worden de volgende vergoedingsbedragen voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De bedragen bevatten een vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het gebouw, de materiële instandhouding conform de programma’s van eisen voor schoolgebouwen alsmede voor vervanging en aanpassing van onderwijsleerpakket en meubilair. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het stichtingsjaar van de gymnastiekaccommodatie en de oppervlakte van de oefenzaal.
De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag per vastgesteld klokuur.
 
Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening
Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant).
 
Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende vergoeding:
  • -
    indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de eigenaar vergoed;
  • -
    indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed;
  • -
    indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal klokuren;
  • -
    indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding) worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant voldaan.
 
OLP en meubilair
De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP en meubilair voor een gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit:
3. School voor voortgezet onderwijs
 
De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:
  • -
    nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);
  • -
    tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);
  • -
    eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en
  • -
    gymnastiek (paragraaf 3.4).
 
3.1 Nieuwbouw en uitbreiding
 
De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in bouwkosten, aangevuld met een of meer toe te kennen toeslagen
 
Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).
De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal kostencomponenten:
  • -
    kosten van terreinen;
  • -
    bouwkosten.
 
Kosten van terreinen
Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.
 
Bouwkosten
Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B.
 
De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2 brutovloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2 brutovloeroppervlakte.
De bedragen in de tabel omvatten vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.
Specifieke ruimte:
  • -
    (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;
  • -
    handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren.
 
Werkplaatsen:
  • -
    techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;
  • -
    consumptief: werkplaats consumptieve techniek;
  • -
    grafische techniek: werkplaats grafische techniek;
  • -
    landbouw: groen-praktijk;
 
De overige ruimte is algemene ruimte.
 
Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro)
Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.
 
Aanvullende normkosten
Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling.
 
In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:
 
Om in aanmerking te komen voor een aanvullend bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 12,38 per m2 terrein.
 
3.2 Tijdelijke voorziening
Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:
  • -
    nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;
  • -
    huur van tijdelijke lokalen.
 
Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen
Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:
 
€ 550,27* A +€ 37.831,58
 
A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.
Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.
 
Huur van tijdelijke lokalen
Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).
 
3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is.
 
De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.
 
Normbedragen inventaris per ruimtetype:
Bedrag praktijkonderwijs € 305,15
Specifieke ruimte:
  • -
    (uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;
  • -
    handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren;
  • -
    praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken
 
Werkplaatsen:
  • -
    techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;
  • -
    consumptief: werkplaats consumptieve techniek;
  • -
    grafische techniek: werkplaats grafische techniek;
  • -
    landbouw: groen-praktijk;
  • -
    praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.
 
De overige ruimte is algemene ruimte.
 
3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs
 
Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding
De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een € 678.992,41
brutovloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt (op het schoolterrein) respectievelijk € 692.725,44(op afzonderlijk terrein).
 
De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal
Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:
  • a.
    Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
    Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.
  • b.
    Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
  • c.
    Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
 
Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden.
 
Huur sportvelden
Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten bedraagt € 20,97 per klokuur.
 
Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair
In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
 
4. Indexering
 
4.1. Bijstelling normbedragen in de Verordening
4.1.1. Werkelijke prijsontwikkeling
Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar.
De gemeente Utrecht maakt vanaf het huisvestingsprogramma 2016 (op te stellen in jaarschijf 2015) gebruik van de BDB index onderwijshuisvesting.
 
Hierbij wordt gegarandeerd dat de nieuwe normbedragen na toepassing van de BDB index altijd minimaal gelijk zijn aan de VNG normbedragen.
 
DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten
 
Aanbestedingsregels
In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke kosten. Alle op basis van deze verordening aanbestede opdrachten ter uitvoering van goedkeurde huisvestingsvoorzieningen dienen aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te voldoen wil er een aanspraak kunnen bestaan op bekostiging.
 
Europese aanbesteding
Met het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten 2005 in samenhang met de richtlijn 2004/18/EG zijn drempelbedragen gegeven. Deze drempelbedragen worden eenmaal in de twee jaar opnieuw vastgesteld door de Europese Commissie. Indien de geraamde waarde van de opdracht exclusief BTW tenminste gelijk is aan een vastgesteld drempelbedrag, dient te worden aanbesteed door middel van bekendmaking in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school is “aanbestedende dienst” in de zin van genoemd besluit en de genoemde richtlijnen. Het bevoegd gezag heeft ter zake van Europese aanbesteding derhalve een eigen verantwoordelijkheid.
 
Opdrachten onder het Europees drempelbedrag bij vergoeding op basis van feitelijke kosten
Op opdrachten onder het Europese drempelbedrag zijn de richtlijnen zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing.
Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de wijze van aanbesteding. Uitgangspunt bij de aanbesteding van vergoedingen op basis van feitelijke kosten is het vastgesteld gemeentelijk aanbestedingsbeleid van de gemeente Utrecht. Op basis van dit beleid wordt bepaald op welke wijze de opdracht wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist.
 
Vergoeding begeleidings- en advieskosten voorziening onderhoud
Voor herstel constructiefout (art 2 e.) en onderhoud aan gymnastiekruimten van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I met een grootte tot EUR 10.000,- (incl. btw) worden geen advieskosten vergoed.
Voor herstel constructiefout (art 2 e.) en onderhoud aan gymnastiekruimten van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I met een grootte van meer dan € 10.000,- wordt een vast bedrag van maximaal 2% van de feitelijke kosten vergoed aan advieskosten. Door middel van een declaratie moet worden aangetoond dat de advieskosten zijn gemaakt. Enkel de daadwerkelijk gefactureerde en betaalde advieskosten worden vergoed.
Indien het bevoegd gezag verwacht dat de advieskosten veel hoger zullen uitvallen, zal het bevoegd gezag een uitgewerkt voorstel indienen bij het college. Het college kan op grond van het ingediende voorstel besluiten een hogere vergoeding te verstrekken.
Bij elke aanvraag voor herstel constructiefout (art 2 e.) en onderhoud aan gymnastiekruimten van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I wordt door het bevoegd gezag een raming van de uit te voeren werkzaamheden opgenomen. Bij projecten groter dan € 1 miljoen, zal de omvang van de kosten voor begeleiding en advies door het college in overleg met het bevoegd gezag worden vastgesteld.
 
 
DEEL C Bepaling medegebruikstarieven
 
Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dat voor het onderwijs gebruik maakt van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, betaalt een bedrag. Dit bedrag is gelijk aan het "bedrag voor elke groep bij meer dan 6 groepen" dat ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekend gemaakt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
 
BIJLAGE V CRITERIA VOOR DE URGENTIE VAN DE AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN  
1. Volgorde van hoofdprioriteiten
 
Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.
 
Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:
  • 1.
    voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen;
  • 2.
    voorzieningen noodzakelijk om een adequaat niveau te handhaven i
  • 3
    voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van (overig) lokaal beleid en/of lokale omstandigheden.
 
Ad 1.
Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.
 
Ad 2.
Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud aan gymnastiekruimten in het primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden.
 
Ad 3.
Invulling van hoofdprioriteit 3 hangt af van overig, niet onderwijskundig, lokaal beleid voor zover dat gevolgen heeft voor schoolgebouwen. Tevens kunnen hieronder begrepen worden voorzieningen die als gevolg van lokale omstandigheden, bijvoorbeeld stadsvernieuwing of sanering van overcapaciteit in onderwijsgebouwen, wenselijk zijn.
 
2. Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten
 
Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.
Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.
Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.
Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.
 
2.1 Binnen de hoofdprioriteit "voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen" komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:
  • a.
    als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen;
  • b.
    vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen;
  • c.
    vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten en sportterreinen opheft.
 
2.2 Binnen de hoofdprioriteit "voorzieningen noodzakelijk om een adequaat niveau te handhaven" komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:
  • a.
    als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;
  • b.
    vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;
  • c.
    vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;
  • d.
    vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;
  • e.
    vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.
 
 
2.3 Binnen de hoofdprioriteit "(overig) lokaal beleid en/of lokale omstandigheden" komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:
  • a.
    als eerste de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het "(overig) lokaal beleid en/of lokale omstandigheden" geldt, het hoogst is en
  • b.
    vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimte waarbij het percentage leerlingen waarvoor het "(overig) lokaal beleid en/of lokale omstandigheden" geldt, het hoogst is
 
 
Bijlage VI Procedure Schade als gevolg van bijzondere omstandigheden  
Wanneer er schade is ontstaan bij een schoolgebouw, kan de gemeente op basis van de huisvestingsverordening worden aangesproken op haar verantwoordelijkheid voor herstel van schade als gevolg van bijzondere omstandigheden (art. 2 lid e Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht). Verzoeken om bekostiging van schade worden niet volgens de procedure van de overige voorzieningen in deze verordening afgehandeld. Voor schades geldt een afzonderlijke eenvoudigere procedure. Aanvragen kunnen gedurende het gehele jaar worden ingediend en besluitvorming vindt niet plaats op het jaarlijkse huisvestingsprogramma.
 
De te volgen procedure bij schade aan schoolgebouwen en/of inventaris is zeer belangrijk. Wij constateren regelmatig dat schades die wij bij onze verzekering kunnen claimen worden hersteld zonder dat wij op de hoogte zijn gesteld van deze schade. Wij zien dan pas na herstel van de schade de factuur en kunnen dan geen claim neerleggen bij verzekeraars omdat de verzekeringsexpert de schade dan niet meer kan beoordelen. Daarom willen wij vóór herstel van de schade worden geïnformeerd. In deze bijlage wordt de procedure beschreven. Schoolbesturen en scholen zijn al vaker over deze procedure geïnformeerd.
 
Welke schades
Bij schade geldt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor herstel van schade als gevolg van bijzondere omstandigheden (art. 2 lid e Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht). Als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt o.a. schade als gevolg van brand, diefstal en/of vandalisme (o.a. glasschade). Dit geldt echter alleen voor díe zaken die met overheidsmiddelen(zoals Europees, provinciaal en gemeentelijk) zijn bekostigd.
Vernielde/gestolen inventaris die uit eigen middelen van de school is aangeschaft komt níet voor vergoeding in aanmerking. Kortweg gezegd geldt de aanvraag art. 2 lid e Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs alleen voor inventaris uit de 1e inrichting onderwijsleerpakket en meubilair.
 
In Utrecht herstelt het schoolbestuur de schade en dient hiervoor een art. 2 formulier voor schade in mét de originele herstelfactuur.
Melden van de schade
  • -
    U moet de schade aan de gemeente melden uiterlijk op de eerstvolgende werkdag na de gebeurtenis. Dit kan per mail bij dmovastgoed@utrecht.nl. In de onderwerpregel vermeldt u de schadesoort en het geschatte schadebedrag zodat wij op basis daarvan kunnen beoordelen of een verzekeringsexpert moet worden ingeschakeld.
  • -
    Bij schades boven € 700,- (excl. BTW) dient u met het herstel te wachten tot u onze toestemming heeft.
  • -
    U bent als schoolbestuur verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om verdere schade te beperken.
  • -
    Gevolgschade door nalatigheid wordt niet vergoed. (Wij willen u erop wijzen dat waterschade vaak ontstaat, doordat goten niet tijdig worden schoongemaakt. Het schoonmaken van goten is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur).
 
Indienen van de facturen
  • -
    Bij élke schade die wordt gedeclareerd verwachten wij van u:
  • -
    Een volledig ingevuld en door het bestuur of bevoegd gezag ondertekend art. 2-formulier (exemplaar bijgevoegd). Kopieën zijn toegestaan.
  • -
    De aanvraag art. 2 lid E Verordening voorzieningen huisvesting gemeente Utrecht (art. 2 lid e VVHO) met herstelfacturen wordt zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 3 maanden na ontvangst van de factuur ingediend.
  • -
    De originele(digitale kopie), gespecificeerde factu(u)r(en) en wanneer aanwezig ook het werkbriefje. Bij diefstal verwachten wij de originele (digitale) aanschaffactuur van het gestolen artikel (dus niet de aanschaffactuur van het vervangende artikel).
  • -
    Bij vandalismeschade groter dan € 700,- excl. BTW de aangifte bij de politie.
  • -
    Alle facturen die betrekking hebben op 1 schade worden tegelijk ingediend. Voorbeeld: bij een inbraak met schade aan opstal en diefstal van goederen de herstelfacturen tegelijk indienen met de aanschaffacturen van ontvreemde goederen, zodat de schade volledig kan worden afgehandeld.
 
Toelichting