Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2015
Nr. 123766

Gepubliceerd op 24 december 2015 09:00



Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2016

10 december 2015, nummer 072 / 2015

De raad van de gemeente Papendrecht;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 november 2015,

nummer 072/ 2015;

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet,

besluit:

vast te stellen de

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERI NG VAN LIJKBEZORINGSRECHTEN 201 6

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.

begraafplaats

:

de Algemene begraafplaats in Papendrecht;

b.

college

:

het college van burgemeester en wethouders;

c.

graf

:

een zandgraf of keldergraf;

d.

grafkelder

:

een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand;

e.

asbus

:

een bus ter berging van as van een overledene;

f.

urn

:

een voorwerp ter berging van een of meer asbussen;

g.

particulier graf

:

eigen graf, familiegraf, kindergraf, grafkelder, een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

1.het doen begraven en begraven houden van lijken;

2.het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder

urnen;

3.het doen verstrooien van as.

h.

algemeen graf

:

een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken;

i.

particulier urnengraf

:

eigen urnengraf, familie urnengraf, kinder urnengraf, urnentuin, een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

1.het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder

urnen;

2.het doen verstrooien van as.

j.

algemeen urnengraf

:

een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen;

k.

particuliere urnennis

:

een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het recht tot gebruik is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

l.

particuliere gedenkplaats

:

een plaats waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om overledenen te gedenken;

m.

verstrooiingsplaats

:

een plaats waarop as wordt verstrooid;

n.

particuliere urnenzuil

:

een zuil waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het recht tot gebruik is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

o.

grafdekking

:

gedenkteken en grafbeplanting op een graf, gedenkplaats of verstrooiingsplaats;

p.rechthebbende : natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is

p. verleend op een particulier graf of een particuliere gedenkplaats en aan wie

p. een recht tot gebruiker is verleend voor een particuliere urnennis.

Artikel 2 Belastbaar feit

Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats.

Artikel 3 Belastingplicht

De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruikt maakt.

Artikel 4 Vrijstellingen

De rechten worden niet geheven voor:

1.

Het opgraven van een stoffelijk overschat of asbus op rechtelijk gezag.

2.

Het begraven van een menselijke vrucht die na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levenloos ter wereld is gekomen dan wel binnen 24 uur na de geboorte is overleden, die met de overleden moeder of vader in dezelfde kist worden begraven, dan wel waarvan de as in dezelfde asbus worden geborgen.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1.

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2.

Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 6 Wijze van heffing

De rechten van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 7 Ontstaan van belastingschuld

De rechten van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 8 Termijnen van betaling

1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald binnen 60 dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.

2.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

Artikel 9 Kwijtschelding

Bij de invordering van de lijkbezorgingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Restitutie

  • 1.

    De rechthebbende welke schriftelijk afstand doet ten behoeve van de gemeente van het recht op het particuliere graf ontvangt daartoe restitutie. De grondslag van de vergoeding is de som van het oorspronkelijk betaalde recht. Er vindt alleen restitutie plaats over het nog resterende gehele jaren. Dit is alleen mogelijk wanneer er nog geen bijzetting heeft plaats gevonden.

  • 2.

    Wanneer er op grond van artikel 8, derde lid, of artikel 14, eerste lid, van de Beheersverordening begraafplaats 2010, voor het eindigen van het recht op een particulier graf een verlenging van het recht plaats vindt, ontvangt de rechthebbende over de resterende gehele jaren van de oorspronkelijke termijn restitutie. De grondslag van de vergoeding is de som van het oorspronkelijk betaalde recht.

Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de rechten.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeerartikel

  • 1.

    De “Verordening lijkbezorgingsrechten 2015” van 11 december 2014 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid van dit artikel genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening lijkbezorgingsrechten 2016”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 10 december 2015.

De griffier,

A.P.M.A.F. Bergmans

De voorzitter,

C.J.M. de Bruin

TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORD ENING LIJKBEZORGINGSRECHTEN 201 6

Hoofdstuk 1

Verlenen van rechten

 

1.1

Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een graf (particulier graf) wordt geheven:

 

1.1.1

voor een periode van 40 jaar (van een persoon van 12 jaar of ouder)

€ 2.230,75

1.1.2

voor een periode van 40 jaar (van een persoon van 11 jaar of jonger)

€ 1.663,20

1.2

Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een urnengraf (particulier urnengraf) wordt geheven:

 

1.2.1

voor een periode van 20 jaar

€ 1.074,55

1.3

Voor het verlenen van het uitsluitend gebruik op een urnennis (particuliere urnennis) wordt geheven:

 

1.3.1

voor een periode van 20 jaar

€ 1.074,55

1.4

Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een urnentuin (particuliere urnentuin) wordt geheven:

 

1.4.1

voor een periode van 20 jaar

€ 1.074,55

1.5

Voor het verlenen van het uitsluitend gebruik van een ruimte in een urnenzuil (particuliere urnenzuil) en afdekplaats wordt geheven:

 

1.5.1

voor een periode van 20 jaar

€ 768,10

1.6

Voor het verlengen van het uitsluitend recht of gebruik bedoeld in de voorgaande onderdelen wordt geheven:

 

1.6.1

voor een periode van 10 jaar:

€ 568,55

 

 

 

Hoofdstuk 2

Begraven

 

2.1

Voor het begraven van een lijk van een persoon van 12 jaar of ouder wordt geheven:

 

2.1.1

in een particulier graf

€ 1.463,65

2.1.2

in een algemeen graf

€ 1.463,65

2.2

Voor het begraven van een lijk van een kind jonger dan 12 jaar wordt geheven:

 

2.2.1

in een particulier graf

€ 736,85

2.3

Voor het na ruimen van een graf begraven van de overblijfselen van een lijk in een particulier graf wordt geheven:

€ 1.463,65

2.4

Voor het begraven op buitengewone uren wordt het recht, bedoeld in de onderdelen 2.1 en 2.2 verhoogd met

50%

2.5

Onder buitengewone uren wordt verstaan zondagen, 1e en 2e kerstdag, 2e paasdag, Hemelvaartsdag, 2e pinksterdag of de dag waarop Koninginnedag wordt gevierd.

 

 

 

 

Hoofdstuk 3

Bijzetten van asbussen en urnen

 

3.1

Voor het bijzetten van een asbus of urn wordt geheven:

 

3.1.1

in een urnennis

€ 409,25

3.1.2

in een urnengraf

€ 736,85

3.1.3

in een urnentuin

€ 409,25

3.1.4

op een urnentuin

€ 409,25

3.1.5

in een particulier graf

€ 736,85

3.2

Voor het begraven op buitengewone uren wordt het recht, bedoeld in de onderdeel 3.1 verhoogd met

50%

3.3

Onder buitengewone uren wordt verstaan zondagen, 1e en 2e kerstdag, 2e paasdag, Hemelvaartsdag, 2e pinksterdag of de dag waarop Koninginnedag wordt gevierd.

 

 

 

 

Hoofdstuk 4

Verstrooien van as

 

4.1

Voor het verstrooien van as wordt per asbus geheven:

 

4.1.2

in een particulier graf

€ 736,85

4.1.3

op een verstrooiingsplaats

€ 107,90

4.2

Voor het begraven op buitengewone uren wordt het recht, bedoeld in de onderdeel 4.1 verhoogd met

50%

4.3

Onder buitengewone uren wordt verstaan zondagen, 1e en 2e kerstdag, 2e paasdag, Hemelvaartsdag, 2e pinksterdag of de dag waarop Koninginnedag wordt gevierd.

 

 

 

 

Hoofdstuk 5

Grafbedekking en onderhoud

 

5.1

Voor het afgeven van een vergunning voor het hebben van een grafbedekking als bedoeld in artikel 18 van de Beheersverordening begraafplaats 2010 wordt geheven:

 

5.1.1

voor gedenktekens of kruisen of zerk, per gedenkteken of kruis of zerk

€ 51,45

5.2

Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van de begraafplaats in algemene zin, daaronder niet begrepen het onderhoud van voorwerpen als bedoeld in onderdeel 5.1, wordt geheven per grafruimte:

 

5.2.1

voor een particulier graf van een persoon van 12 jaar of ouder, eenmalig en voor 40 jaar

€ 2.190,43

5.2.2

voor een particulier graf van een persoon van 11 jaar of jonger, eenmalig en voor 40 jaar

€ 1.125,95

5.2.3

voor een algemeen graf, eenmalig en voor 20 jaar

€ 818,50

5.2.4

voor een particulier urnengraf, eenmalig en voor 20 jaar

€ 818,50

5.2.5

voor een particulier urnennis, eenmalig en voor 20 jaar

€ 818,50

5.2.6

voor een particulier urnentuin, eenmalig en voor 20 jaar

€ 818,50

5.2.7

voor een particulier urnenzuil, eenmalig en voor 20 jaar

€ 818,50

5.2.8

voor een particuliere verstrooiingsplaats, eenmalig en voor 20 jaar

€ 736,85

5.3

Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van de begraafplaats in algemene zin, daaronder niet begrepen het onderhoud van voorwerpen als bedoeld in onderdeel 5.1, over de verlengingstermijn van 10 jaar en eenmaligwordt geheven per grafruimte

 

5.3.1

voor een particulier graf van een persoon van 12 jaar of ouder

€ 1.125,95

5.3.2

voor een particulier graf van een persoon van 11 jaar of jonger

€ 527,20

5.3.3

voor een particulier urnengraf

€ 409,25

5.3.4

voor een particulier urnennis

€ 409,25

5.3.5

voor een particulier urnentuin

€ 409,25

5.3.6

voor een particuliere verstrooiingsplaats

€ 368,95

 

 

 

Hoofdstuk 6

Lijkschouwing

 

6.1

Voor het schouwen van een lijk door een gemeentelijke lijkschouwer wordt geheven:

€ 512,10

 

 

 

Hoofdstuk 7

Inschrijven en overboeken van particulier graf, particuliere urnennis, particuliere gedenkplaats of particuliere verstrooiingsplaats

 

7.1

Voor het inschrijven en overboeken van een particulier graf in een daartoe bestemd register wordt geheven:

€ 51,45

7.2

Voor het inschrijven en overboeken van een particuliere urnengraf in een daartoe bestemd register wordt geheven:

€ 51,45

7.3

Voor het inschrijven en overboeken van een particuliere urnennis en urnentuin in een daartoe bestemd register wordt geheven:

€ 51,45

7.4

Voor het inschrijven en overboeken van een particuliere gedenkplaats in een daartoe bestemd register wordt geheven:

€ 51,45

7.5

Voor het inschrijven en overboeken van een particuliere verstrooiingsplaats in een daartoe bestemd register wordt geheven:

€ 51,45

 

 

 

Hoofdstuk 8

Opgraven of ruimen

 

8.1

Voor het opgraven van een lijk wordt geheven:

€ 1.330,60

8.2

Voor het na opgraven weer opnieuw begraven in hetzelfde graf wordt geheven:

€ 1.330,60

8.3

Voor het na opgraven weer begraven in een ander graf wordt geheven:

 

8.3.1

in een particulier graf van een persoon van 12 jaar of ouder

€ 1.463,25

8.3.2

in een particulier graf van een persoon van 11 jaar of jonger

€ 736,85

8.4

Voor het opgraven of verwijderen van een asbus wordt geheven:

 

8.4.1

uit een particulier graf

€ 665,30

8.4.2

uit een particulier urnengraf

€ 665,30

8.4.3

uit een particuliere urnennis

€ 409,25

8.4.4

bij het weer terugplaatsen van de asbus wordt geheven:

€ 409,25

8.5

Voor het ruimen (schudden) van een graf op verzoek van de belanghebbende wordt geheven:

€ 1.330,60

8.6

Voor het na ruiming van een graf bijeen brengen van de overblijfselen van een lijk voor crematie of herbegraven wordt geheven:

€ 1.330,60

8.7

Voor het na ruiming van een graf ter beschikking houden van een asbus al of niet met een urn voor herbegraven of verstrooiing elders wordt geheven:

€ 665,30

 

 

 

Hoofdstuk 9

Overige diensten

 

9.1

Particuliere urnenzuil – kosten voor de afsluitplaat (excl. inscriptie) wordt geheven:

€ 256,05

9.2

Voor het inschrijven en overboeken van een algemeen graf / urnenzuil in een daartoe bestemd register/administratie wordt geheven:

€ 51,45

Toelichting op de verordening lijkbezorgingsrechten

A Algemeen

1 Wettelijke basis

De verordening lijkbezorgingsrechten is gebaseerd op de tekst van de Gemeentewet en de Wet op de lijkbezorging. Zij is ook afgestemd op de beheersverordening begraafplaatsen.

Gekozen is voor een zogenaamd 'aangekleed' model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen.

B Artikelsgewijze toelichting

Aanhef

De lijkbezorgingsrechten worden geheven op basis van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet.

De verschillende rechten dragen zowel kenmerken van gebruik- als genotsretributies in zich en op sommige punten hebben de rechten kenmerken van leges (overigens een begrip dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen niet meer in de Gemeentewet voorkomt). Gebruiksretributies worden geheven voor het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, -inrichtingen of -werken. Enkele voorbeelden zijn: het gebruik van de aula, de rouwkamer etc. Genotsretributies zijn rechten ter zake van het genot van door of vanwege de gemeente verleende diensten. Op grond van de bij de verordening lijkbezorgingsrechten behorende tarieventabel kan bijvoorbeeld voor de volgende diensten worden geheven: lijkschouwing, begraven, cremeren et cetera.

Sommige rechten, zoals het recht voor het inschrijven of overboeken van graven, hebben het karakter van leges. Ondanks dat karakter hebben wij gemeend uit een oogpunt van overzichtelijkheid, die rechten te moeten opnemen in de verordening lijkbezorgingsrechten. Daardoor worden alle heffingen voor het gebruik van de begraafplaats en voor de daarmee samenhangende diensten in één verordening geregeld.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de modelverordening voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1. De begripsomschrijvingen zijn identiek aan de omschrijving van gelijkluidende begrippen in de beheersverordening begraafplaatsen. Dat is van belang voor een eenduidige uitleg van beide verordeningen.

Artikel 2 Belastbaar feit

De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor rechten worden geheven. Er is voor gekozen om in artikel 2 een zeer algemene omschrijving van het belastbaar feit op te nemen. Naast deze algemene omschrijving is voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving van het belastbare feit opgenomen in de tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht om te voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden.

Aannemelijk is dat de aanvrager van het gebruik van de begraafplaats en van de diensten, verleend bij het begraven, belastingplichtig is. De kring van belastingplichtigen omvat onder meer de erfgenamen en andere nabestaanden, uitvaartondernemers en instellingen van weldadigheid welke zich, behoudens vrijstelling ter zake, belasten met lijkbezorging.

Ten tweede is er de belastingplicht voor rechten voor het gebruik van de begraafplaats en de diensten verleend na de voltooiing van de begrafenis. Dit zijn met name de jaarlijks terugkerende onderhoudsrechten indien deze rechten niet zijn afgekocht. Belastingplichtig zijn de erfgenamen en andere nabestaanden, omdat ten behoeve van hen de dienst wordt verleend. Echter, omdat het een jaarlijks terugkerend recht is, is het minder eenvoudig steeds een belastingplichtige daarvoor in de heffing te betrekken, omdat zij op den duur in verband met verhuizing, overlijden e.d. moeilijk zijn te traceren. Het verdient dan ook aanbeveling te bewerkstelligen dat men het onderhoudsrecht afkoopt.

In het arrest van 9 februari 1955, nr. 11 932, BNB 1955/125 preciseert de Hoge Raad de aanwijzing van de belastingplichtige voor het onderhoud van eigen (met ingang van 2010: particuliere) graven door te spreken over de rechthebbende. Dat is degene aan wie het uitsluitend recht is verleend om lijken in een eigen (particulier) graf te doen begraven en begraven te houden c.q. zijn rechtsopvolger( s). In zijn arrest van 25 oktober 2002, nr. C00/282, Belastingblad 2003, blz. 765, besliste de Hoge Raad dat graftekens e.d. door natrekking eigendom van de eigenaar van de grond zijn. De wetgever heeft daarop ingegrepen door invoering van artikel 32a van de Wet op de lijkbezorging per 1 januari 2010. De grafbedekking blijft eigendom van de rechthebbende op het graf. Voor zover de grafbedekking door het arrest was overgegaan op de eigenaar van de grond, herstelt artikel 84b van de wet de oude situatie (ingevoerd bij Reparatiewet BZK 2010, Stb. 2011, 4; artikel XIV, onderdeel F). Overigens had het arrest van de Hoge Raad geen gevolgen voor de belastingplicht voor het onderhoudsrecht, omdat de dienst wordt geleverd aan de genothebbende tot het graf, de rechthebbende in de zin van artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging.

Ten derde zijn er de lijkschouwingsrechten. De wetgever bepaalt dat de belanghebbende lijkschouwing kan vragen. Deze belanghebbende dient als belastingplichtige te worden aangemerkt, omdat hij degene is die de lijkschouwing heeft aangevraagd. Onder de huidige Wet op de lijkbezorging komt het schouwen van lijken door de gemeentelijke lijkschouwer op verzoek van belanghebbenden overigens slechts zeer sporadisch voor.

Bij de andere rechten die op basis van artikel 229, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gemeentewet kunnen worden geheven, dient eveneens de aanvrager als belastingplichtige te worden aangemerkt. Diensten waaraan u in dit verband moet denken zijn bijvoorbeeld het gebruik van de aula en het bespelen van het orgel.

Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig. Zie ook de algemene toelichting op de modelbeleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie.

Artikel 4 Vrijstellingen

In de Wet op de lijkbezorging zijn geen verplichte vrijstellingen opgenomen. Het is wel mogelijk om in de verordening vrijstellingen op te nemen, bijvoorbeeld een vrijstelling voor het begraven van een doodgeborene die met de overleden moeder in een kist wordt begraven.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

Algemeen

Voor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Maatstaf van de heffing en Belastingtarief.

Tarieventabel

Voor de maatstaf van heffing en de belastingtarieven is verwezen naar de tarieventabel. De reden waarom voor een tarieventabel is gekozen is gelegen in het feit dat de diensten waarvoor een gemeente lijkbezorgingsrechten heft, per gemeente aanmerkelijk in aantal en in soort kunnen verschillen. Door middel van een tarieventabel is het voor individuele gemeenten eenvoudiger om de verordening aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden.

Lijkbezorging op kosten van de gemeente

In artikel 21 van de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat indien niemand voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging, de burgemeester daarvoor zorgdraagt. De kosten daarvan komen als gevolg van artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging ten laste van de gemeente. De gemeente heeft verschillende mogelijkheden om deze kosten te dekken. Zij kan de opbrengst van de goederen die bij een lijk worden aangetroffen hiervoor aanwenden. Zij heeft ook de mogelijkheid om de kosten te verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten die op grond van de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. Soms kan op grond van artikel 416 van het Wetboek van Koophandel bij uit zee opgehaalde of aangespoelde lijken verhaal op een reder plaatsvinden. Paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand is voor zover mogelijk met betrekking tot het kostenverhaal van overeenkomstige toepassing.

Tariefdifferentiatie

Sinds 1 januari 1995 hebben gemeenten meer vrijheid bij de keuze van de maatstaf van heffing en is de jurisprudentie dat de heffing zich moet richten naar het gebruik of genot in beginsel niet meer van toepassing (inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen).

De jurisprudentie die betrekking heeft op de oude wetgeving is geheel in lijn met de overige jurisprudentie op dit terrein. Zo heeft de Hoge Raad beslist dat tariefdifferentiatie in het recht voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts is toegestaan als er sprake is van verschil in genot bij dat onderhoud. Een tariefdifferentiatie voor het algemene onderhoud van de begraafplaats tussen algemene graven en eigen (nu: particuliere) graven kan volgens de Hoge Raad alleen als de infrastructuur rond de eigen (particuliere) graven uitgebreider is dan rond de algemene graven (Hoge Raad 7 mei 1997, nr. 31 920, Belastingblad 1997, blz. 451).

De Hoge Raad zet deze lijn voort in zijn uitspraak van 28 februari 2003, nr. 37 716, Belastingblad 2003, blz. 462 (Zaanstad), hoewel die betrekking heeft op de wetgeving na 1 januari 1995. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat een verschil in tarief voor algemeen onderhoud van de begraafplaats tussen eigen (particuliere) graven en algemene graven alleen geoorloofd is als er een rechtvaardigingsgrond is. Na verwijzing oordeelt Hof Den Haag dat aanleiding voor een tariefdifferentiatie bijvoorbeeld kan zijn dat de infrastructuur van de begraafplaats bij eigen (particuliere) graven uitgebreider is dan bij algemene graven. Op de Algemene begraafplaats van Zaandam is dit echter niet het geval. Het Hof oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De tarieven voor eigen (particuliere) graven zijn onverbindend voor zover de in de tarieven begrepen component voor het algemene onderhoud de in de tarieven voor de algemene graven begrepen component voor het algemene onderhoud overtreffen. (Hof ‘s-Gravenhage 10 december 2003, nr. 03/00687, LJN: AO1414). Daarmee wijkt de Hoge Raad af van uitspraken over andere heffingen (zie bijv. Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 36 638, LJN: AD8499, over rioolrechten). Bedacht moet echter worden dat ook onder de nieuwe wetgeving een tariefdifferentiatie gemotiveerd moet worden (verbod van willekeur).

Met betrekking tot de verordening lijkbezorgingsrechten van de gemeente Grootegast heeft het Hof Leeuwarden beslist dat voor het afgeven van een vergunning voor het plaatsen van een grafsteen geen gedifferentieerd tarief mag worden geheven, afhankelijk van de aanschafprijs van die steen (Hof Leeuwarden 4 september 1992, nr. 968/90, Belastingblad 1993, blz. 114).

Levering

In het algemeen moet worden aangenomen dat het niet mogelijk is 'diensten' die in feite de vorm van een privaatrechtelijke levering hebben, onder het bereik van de verordening te brengen. In verband hiermee kan worden gewezen op het Koninklijk besluit van 26 juni 1986, nr. 7, Belastingblad 1986, blz. 546, inzake een besluit van het algemeen bestuur van het Openbaar Lichaam Crematorium Twente, waarin wordt gesteld: 'dat het verzorgen van koffie. thee, broodjes en dergelijke niet is aan te merken als een dienst in de zin van artikel 277, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de gemeentewet (oud) maar als een levering (...)'. Het feit dat de levering tegen kostprijs plaatsvindt doet daaraan niet af. Het besluit van het algemeen bestuur van het Openbaar Lichaam Crematorium Twente is derhalve in strijd met artikel 272, juncto artikel 277 van de gemeentewet (oud) en kan niet voor goedkeuring in aanmerking komen. Als de vergoeding voor het verstrekken van broodjes, koffie et cetera als een onbenoemd deel in het algemene tarief voor het begraven of cremeren wordt opgenomen, is naar onze mening verhaal van die kosten langs fiscale weg niet bij voorbaat uitgesloten. Het verstrekken van consumpties gaat dan geheel op in de meeromvattende begrafenis- of crematiedienst. Wij geven echter de voorkeur aan verhaal van deze kosten langs privaatrechtelijke weg.

Kostendekkendheid

Op grond van artikel 229b Gemeentewet mag de verordening lijkbezorgingsrechten niet meer dan kostendekkend zijn. Een opbrengstoverschrijding leidt echter niet zonder meer tot onverbindendheid van de verordening. Zie daarvoor Hoge Raad 3 november 1999, nr. 34616, LJN: AA2917, VNG-45, Belastingblad 2000, blz. 15) en Hoge Raad 10 april 2009, nr. 43747, LJN: BC3691, VNG-2977.

Artikel 6 Wijze van heffing

In artikel 233 Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte en op andere wijze.

In deze verordening is uitgegaan van verschillende heffingswijzen voor de periodiek te verlenen diensten en voor de incidenteel te verlenen diensten. Bij de periodiek te verlenen diensten wordt geheven bij wege van aanslag (eerste lid). Met betrekking tot de incidenteel te verlenen diensten is gekozen voor de heffing op andere wijze (tweede lid). Die diensten lenen zich voor betaling dadelijk na de dienstverlening. De heffing vindt dan plaats door middel van uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting wordt vermeld.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld

De rechten van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening dan wel bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen. Dit betekent dat op dat moment tot heffing kan worden overgegaan.

Artikel 8 Termijnen van betaling

Voor een algemene toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Termijnen van betaling, mogelijkheid 6.

Uiteraard kunnen gemeenten een andere termijnenregeling in de verordening opnemen. Ook is het mogelijk in de verordening te regelen dat voor verschillende heffingen verschillende betalingstermijnen gelden. Met name voor de afkoop van onderhoudsrechten zal daaraan behoefte kunnen bestaan, omdat het daarbij gaat om grote bedragen.

Artikel 9 Kwijtschelding

Kwijtschelding van lijkbezorgingsrechten vindt doorgaans niet plaats, maar is juridisch wel mogelijk. De betaling zal in de meeste gevallen geen problemen geven omdat veel mensen een begrafenis-/overlijdensrisicoverzekering hebben. Ook is terugval op de Wet werk en bijstand (WWB) mogelijk.

Voor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Kwijtschelding.

Artikel 10 Restitutie

Restitutie geldt niet wanneer het particuliere graf volledig is benut.

Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Voor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders, en naar de Modeluitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeerartikel

Spreekt voor zich.

C Toelichting op de tabel

Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten

In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verlenen van een uitsluitend recht op graven,u rnengraven en dergelijke. Een recht op een graf kan ingevolge artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging gevestigd worden, hetzij voor onbepaalde tijd, hetzij voor de tijd van minstens 10 jaren. Een voor bepaalde tijd verleend uitsluitend recht op een graf kan worden verlengd. De beheerder van de begraafplaats kan de termijn van verlenging stellen op ten minste 5 en ten hoogste 20 jaren. De uitgifte- en verlengingstermijnen hebben wij afgestemd op de beheersverordening begraafplaats. Het verlenen van het recht om met uitsluiting van anderen lijken in een bepaald graf te doen begraven en begraven te houden is de belaste dienst en niet het begraven zelf.

De Wet op de lijkbezorging noemt niet met zoveel woorden de mogelijkheid om een uitsluitend recht te vestigen op de ruimte waar een asbus is bijgezet of de plaats waarop as wordt verstrooid. Omdat het vestigen van een recht op een urnengraf, urnennis of verstrooiingsplaats niet wettelijk is geregeld, gelden er ook geen eisen voor wat betreft de uitgiftetermijn van een dergelijk recht. Een gemeente kan hiervoor zelf een termijn stellen. Het verdient echter aanbeveling om ook bij een urnengraf en een urnennis te kiezen voor een uitgiftetermijn van 20 jaren. Op grond van van artikel 66 van de Wet op de lijkbezorging mag een asbus zonder toestemming van de rechthebbenden namelijk pas na tien jaar worden verstrooid.

Hoofdstuk 2 Begraven

In deze hoofdstukken zijn regelingen opgenomen voor het begraven van lijken en voor het. Voor het begraven op buitengewone uren is een apart tarief opgenomen. Gezien de extra kosten, zoals gemaakte overuren door het gemeentepersoneel, is het mogelijk hiervoor een hoger recht te heffen. Wat onder buitengewone uren wordt verstaan dient ingevuld te worden door de gemeente. Daarbij kan ook worden verwezen naar een eventuele beheersverordening van de algemene begraafplaats.

In de tarieventabel is ook een apart tarief opgenomen voor het begraven of cremeren van kinderen beneden één jaar en voor kinderen beneden de 12 jaar. Gemeenten hoeven hier echter geen onderscheid te maken.

Hoofdstuk 3 Bijzetten van asbussen en urnen

Het bijzetten van een asbus of een urn is een apart in de tabel opgenomen dienst. Na de crematie kunnen de stoffelijke resten ook worden verstrooid. Daarvoor is een tarief opgenomen in hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 4 Verstrooien van as

Na de verbranding wordt de as geborgen in een bus. Artikel 59, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat de as niet eerder dan na één maand nadat zij in een bus is geborgen, kan worden verstrooid. Verstrooiing kan plaatsvinden in of op particuliere graven, dan wel als het door of in opdracht van de houder van het crematorium gebeurt op een permanent daartoe bestemd terrein (artikel 66a Wet op de lijkbezorging).

Hoofdstuk 5 Grafbedekking en onderhoud

Algemeen

De regeling in dit hoofdstuk maakt het mogelijk rechten te heffen voor het afgeven van vergunningen voor het stichten van grafkelders, gedenktekenen en kruisen, het aanleggen van graftuinen, het planten van bomen of andere gewassen, het plaatsen van zerken en het onderhoud van al deze voorwerpen voor zoveel de algemene begraafplaats betreft. Hiervoor worden bij een plaatselijke beheersverordening (beheersverordening begraafplaatsen) voorschriften gegeven. De kosten van het onderhoud van de algemene voorzieningen van de begraafplaats mogen in aanmerking worden genomen voor de

heffing van onderhoudsrechten. Deze voorzieningen staan mede ten dienste van de graven, door onder andere bezoek te faciliteren en ongewenst bezoek te weren (Hof Leeuwarden 24-12-1999 nr. 391/99).

Het is volgens de Hoge Raad niet mogelijk om voor het algemene onderhoud aan de begraafplaats alleen te heffen bij eigen graven en niet bij algemene graven. Het karakter van het grafrecht laat een differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts toe indien die differentiatie zich richt naar het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit onderhoud (Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37716, LJN: AF5108, VN 2003/15.31). Dit arrest wijkt af van de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, nr. 36638, LJN: AD8499, Belastingblad 2002, blz. 1226 (Spijkenisse), betreffende rioolrecht. Daarin heeft de Hoge Raad beslist dat het karakter van een retributie zich niet verzet tegen een differentiatie van het tarief anders dan naar het genot. Zie ook de toelichting op artikel 5.

Hoofdstuk 6 Lijkschouwing

De gemeente kan voor het schouwen van lijken rechten heffen. De Wet op de lijkbezorging bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders gelegenheid moet bieden voor het schouwen van lijken. Zij benoemt daartoe een of meerdere gemeentelijke lijkschouwers. Bij het vermoeden van een niet-natuurlijke dood moet de behandelende arts dit doorgeven aan de gemeentelijke lijkschouwer. Indien geen behandelende arts aanwezig is, treedt altijd de gemeentelijke lijkschouwer op.

Hof Arnhem vindt dat bij lijkschouwing door een gemeentelijke lijkschouwer, gelet op de wettelijke bepalingen, geen sprake is van dienstverlening waarvoor een recht (leges) kan worden geheven. In het betreffende geval ging het om lijkschouwing bij euthanasie. Het hof vindt het individuele belang bij de lijkschouwing slechts bijkomstig. Het algemene belang treedt op de voorgrond (Hof Arnhem 24 januari 2006, nr. 04/01076, LJN: AV2207). Wij beseffen dat lang niet in alle gevallen waarin een gemeentelijke lijkschouwer optreedt sprake is van dienstverlening, bijvoorbeeld (ook) niet als de lijkschouwing gebeurt op rechterlijk gezag. Er kunnen zich echter gevallen voordoen, waarin het individuele belang wel op de voorgrond treedt. Daarom hebben wij de bepaling gehandhaafd, temeer daar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat gemeenten hiervoor een recht kunnen heffen (Kamerstukken II 1975/76, nr. 6, blz. 5; artikel 29o van de oude Wet op de lijkbezorging, en Kamerstukken II 2007/08, 30696, nr. 9, pag. 20, waar staat: ‘Reeds op basis van de huidige wet is het voor nabestaanden mogelijk om een lijkschouw en identificatie te verzoeken. De kosten komen voor rekening van de nabestaanden. Het wetsvoorstel brengt hierin geen verandering.’).

Hoofdstuk 7 Inschrijven en overboeken van particulier graf, particuliere urnennis, particuliere gedenkplaats ofparticuliere verstrooiingsplaats

Een gemeente kan ook voor het inschrijven en het overboeken van een particulier graf in een daartoe bestemd register rechten heffen. Particuliere graven zijn graven waarvoor op grond van artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging het uitsluitend recht is verleend.

Wat over het inschrijven of overboeken van particuliere graven is opgemerkt geldt tevens voor het inschrijven of overboeken van particuliere urnengraven, urnennissen, gedenkplaatsen en verstrooiingsplaatsen.

Hoofdstuk 8 Opgraven of ruimen

Algemeen

In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het opgraven van een lijk en het ruimen of schudden van een graf.

Opgraven (en weer opnieuw begraven)

Ingeval van overbrenging naar een ander graf op dezelfde of op een andere algemene begraafplaats binnen de gemeente wordt normaal gesproken het normale tarief voor het begraven berekend. Alleen indien weer wordt begraven in hetzelfde graf kan een verlaagd tarief in de rede liggen, omdat het graf immers al is gedolven.

Ruimen (en verwijderen van de menselijke resten)

Onder ruimen wordt verstaan het openen van graven en het daaruit opgraven en naar een andere plaats overbrengen van de menselijke resten. Het verschil met het opgraven is allereerst dat bij het ruimen een andere bestemming aan de menselijke resten (de wet noemt het dan ‘overblijfselen van het lijk’) wordt gegeven. De overblijfsen van het lijk worden namelijk niet meer begraven in de zin van de Wet op de lijkbezorging. De bestemming is meestal een speciale beenderverzamelplaats of de menselijke resten worden alsnog gecremeerd. Als uitdrukkelijk om herbegraven of crematie wordt verzocht, is het

logisch dat ook een recht voor begraven, onderscheidenlijk cremeren verschuldigd is. Hiervoor is in de onderdeel 2.4 een tariefbepaling opgenomen. Van belang is dat bij de formulering wordt aangesloten bij de wettelijke formulering ‘overblijfselen van lijken’.

Op de tweede plaats is het verschil tussen ruimen en opgraven dat het graf pas kan worden geruimd na verloop van de wettelijk voorgeschreven grafrusttermijn van 10 jaren, genoemd in artikel 31, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. Het ruimen van graven is niet aan wettelijke termijnen gebonden. De beheerder van de begraafplaats bepaalt wanneer wordt geruimd. In beginsel gebeurt dat niet op verzoek. Voor het op verzoek afzonderen van de overblijfselen van een lijk na ruiming van een graf ten behoeve van crematie of herbegraving, kunnen alleen rechten worden geheven als een afzonderlijk tarief voor die dienst is opgenomen (Hoge Raad, 28 februari 2003. nr. 37238, Belastingblad 2003, blz. 464). In onderdeel 8.6 is voor deze dienst daarom een tarief opgenomen. Voor de herbegraving of crematie zelf, zijn in het onderdeel 2.4 tarief opgenomen. In onderdeel 8.7 is een tarief opgenomen voor het beschikbaar houden van een asbus na ruiming van een graf.

Een bijzondere vorm van het ruimen van graven is het ‘schudden’ van graven. Het schudden van een graf wil zeggen dat de overblijfselen van een lijk uit het graf verzameld worden en onder datzelfde graf worden gelegd. Daarmee kan de ruimte in dat graf (weer) maximaal benut worden. Juridisch valt het schudden niet onder artikel 29 (opgraving), maar onder artikel 31 (ruimen) van de Wet op de lijkbezorging (Kamerstukken II 2005/06, 30696, nr. 3, pag. 12). Daarvoor kan dus het tarief van onderdeel 8.5 worden toegepast.

Hoofdstuk 10 Overige diensten

De hier geregelde rechten zijn aan te merken als genots- en gebruiksretributies. De diensten bedoeld in hoofdstuk 10 kunnen worden gezien als het verstrekken van benodigdheden voor de begraving vanwege de gemeente.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl