Gemeenteblad van Eemnes

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
EemnesGemeenteblad 2014, 70940Verordeningen
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015
 
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
De raad van de gemeente Eemnes;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 september 2014;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6 en 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet.
b e s l u i t :
Vast te stellen de:
VERORD EN ING WET MAATSCHAPPELIJKE ON DERSTEUNING GEMEENTE EEMNES 2015
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:
  • 1.
    Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren
  • 2.
    Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die in de reguliere handel verkrijgbaar is, en die niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld is, niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel en past bij het naar geldende maatschappelijke normen gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend.
  • 3.
    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.
  • 4.
    Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
  • 5.
    Beroepskracht: natuurlijke persoon die in persoon beroepsmatig werkzaam is voor een aanbieder.
  • 6.
    Bijdrage: een bijdrage in de kosten van een voorziening als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet.
  • 7.
    Calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid.
  • 8.
    Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet.
  • 9.
    College: Het college van burgemeester en wethouders.
  • 10.
    Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouder(s), inwonend(e) kind(eren) of andere huisgenoten/oot.
  • 11.
    Geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft.
  • 12.
    Huiselijk geweld: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring.
  • 13.
    Informele zorg: mantelzorg en vrijwilligerszorg vormen samen de informele zorg.
  • 14.
    Instelling: organisatie die een voorziening voor beschermd wonen of opvang biedt met een subsidie op grond van de algemene subsidieverordening van de gemeente dan wel in opdracht van de gemeente door middel van aanbesteding en inkoop.
  • 15.
    Kostprijs: De prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier met daarin begrepen onderhoudskosten.
  • 16.
    Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
  • 1)
    ten behoeve van zelfredzaamheid; daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
  • 2)
    ten behoeve van participatie; daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
  • 3)
    ten behoeve van beschermd wonen en opvang.
  • 1.
    Maatwerkvoorziening in natura: een voorziening, in de vorm van goederen in bruikleen, in eigendom, als persoonlijke dienstverlening, beschermd wonen of opvang.
  • 2.
    Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
  • 3.
    Opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
  • 4.
    Participatie: het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.
  • 5.
    Persoonsgebonden budget: een geldsom waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en/of andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden afneemt.
  • 6.
    Sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.
  • 7.
    Vertegenwoordiger: een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.
  • 8.
    Voorliggende voorziening: Een voorziening die voor gaat op een maatwerkvoorziening, waar cliënt gebruik van kan maken en die leidt tot het beoogde resultaat.
  • 9.
    Voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening.
  • 10.
    Vrijwilligerszorg; zorg die al dan niet in enig georganiseerd verband onverplicht en onbetaald (met uitzondering van onkostenvergoedingen) wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving.
  • 11.
    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
  • 12.
    Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Hoofdstuk 2. Compensatie
Artikel 2. De verantwoordelijkheid van het college
  • 1.
    Het college ondersteunt inwoners bij het nemen van eigen verantwoordelijkheid.
  • 2.
    Het college ondersteunt en draagt zorg voor de zelfredzaamheid en participatie van ingezetenen.
  • 3.
    Het college draagt zorg voor beschermd wonen.
  • 4.
    Het college draagt zorg voor opvang.
  • 5.
    Het college draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen.
Artikel 3. Toekenning van een maatwerkvoorziening
  • 1.
    Het college kent een maatwerkvoorziening toe indien er sprake is van een compensatienoodzaak.
  • 2.
    De maatwerkvoorziening wordt ter compensatie van de beperkingen toegekend, indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van:
    • a.
      eigen kracht en/of;
    • b.
      gebruikelijke hulp en/of;
    • c.
      mantelzorg en/of;
    • d.
      hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg;
    • e.
      algemene voorzieningen en/of;
    • f.
      voorliggende voorzieningen.
  • 1.
    Een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten:
    • a.
      het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of;
    • b.
      het voeren van een gestructureerd huishouden en/of;
    • c.
      het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of;
    • d.
      beschermd wonen en/of;
    • e.
      opvang.
  • 1.
    Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe.
Artikel 4. Vaststelling vorm van maatwerkvoorziening
  • 1.
    Het college verstrekt de maatwerkvoorziening in natura.
  • 2.
    Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een persoonsgebonden budget indien:
    • a.
      de cliënt de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen;
    • b.
      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen;
    • c.
      het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat.
  • 3.
    De maximale omvang van het persoonsgebonden budget wordt op maat vastgesteld en wordt bepaald aan de hand van, en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende voorziening in natura.
  • 4.
    Het persoonsgebonden budget is toereikend voor de aanschaf van de maatwerkvoorziening en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.
  • 5.
    Het college regelt de manier waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld in de nadere regels die horen bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015.
Artikel 5. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening
  • 1.
    Overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, is de cliënt voor het gebruik van een maatwerkvoorziening een bijdrage in de kosten verschuldigd.
  • 2.
    De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 onder a tot en met d, wordt vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
  • 3.
    De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor opvang wordt binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld.
  • 4.
    Het Centraal Administratie Kantoor stelt de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 onder a tot en met d, vast en int deze.
  • 5.
    Het college stelt de bijdrage in de kosten voor opvang vast en int deze.
  • 6.
    Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de hoogte, vaststelling en de inning van de bijdrage in de kosten voor opvang.
Artikel 6. Bijdrage in de kosten van een algemene voorziening
  • 1.
    Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. Dit kan worden bepaald door de instelling die de algemene voorziening biedt.
  • 2.
    De instellingen stellen de hoogte van de bijdrage in de kosten vast en innen deze. De instellingen informeren het college over de hoogte van de bijdragen en de wijze van inning.
  • 3.
    De hoogte van de bijdrage in de kosten wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van deze voorziening. De kostprijs van de voorziening geldt als maximum voor de bijdrage in de kosten.
Artikel 7. Waardering mantelzorgers
Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.
Hoofdstuk 3. Kwaliteit en medezeggenschap
Artikel 8. Kwaliteit van maatwerkvoorzieningen
  • 1.
    De aanbieder van een voorziening draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is.
  • 2.
    Een maatwerkvoorziening wordt in elk geval:
    • a.
      veilig, doeltreffend, doelmatig, gebruiksvriendelijk en cliëntgericht verstrekt;
    • b.
      afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;
    • c.
      verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;
    • d.
      verstrekt met respect voor en met inachtneming van de aanspraken van de cliënt.
Artikel 9. Kwaliteitsaspecten bij verlening van overheidsopdrachten
Indien er een aanbesteding plaatsvindt, zorgt het college ervoor dat bij de gunning van de opdracht aan een aanbieder, tenminste de volgende aspecten meewegen:
  • a.
    de kwaliteitseisen van de voorziening;
  • b.
    deskundigheid van beroepskrachten;
  • c.
    het handelen volgens professionele standaarden;
  • d.
    arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste vaardigheden van beroepskrachten en de zwaarte van de functie;
  • e.
    de eisen rondom duurzaamheid van de voorziening;
  • f.
    het creëren van maatschappelijke waarde door de aanbieder;
  • g.
    de aard en omvang van de te verrichten taken;
  • h.
    de reële kostprijs van de voorziening.
Artikel 10. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
  • 1.
    Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn en voor zover het diensten in het kader van voorzieningen betreft, niet zijnde hulpmiddelen of (woning)aanpassingen.
  • 2.
    Lid 1 is niet van toepassing indien de aanbieder die in het kader van de Wmo dienstverlening onderscheidenlijk haar taken laat uitvoeren door in de regel minder dan tien medewerkers.
  • 3.
    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks kwaliteits/cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 11. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
  • 1.
    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
  • 2.
    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.
  • 3.
    De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over de afwikkeling daarvan en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 12. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
  • 1.
    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
  • 2.
    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
  • 3.
    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
  • 4.
    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 13. Nadere regels
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in deze Verordening.
Artikel 14. Indexering
Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen, neergelegd in de op deze Verordening berustende nadere regels, verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index.
Artikel 15. Hardheidsclausule
Het college kan de bepalingen in deze Verordening ten gunste van de cliënt buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze Verordening beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 16. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
  • 1.
    Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2015.
  • 2.
    Bij de inwerkingtreding van deze Verordening wordt de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013 ingetrokken.
  • 3.
    Een besluit, genomen op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013, blijft na inwerkingtreding van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015, voor de duur van dat besluit van kracht, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee de eerdere voorziening verstrekt is, wordt ingetrokken.
  • 4.
    Op aanvragen, ingediend vóór de inwerkingtreding van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015, waarop nog geen besluit is genomen, is de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015 van toepassing.
  • 5.
    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013, wordt beslist met inachtneming van die Verordening.
Artikel 17. Citeertitel
Deze Verordening wordt aangehaald als “Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015”.
TOELICHTING OP DE VERORDENING WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE EEMNES 2015
ALGEMEEN
De Verordening wet maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De gemeente wordt per 2015 verantwoordelijk voor ondersteuning en begeleiding van haar inwoners. Ook wordt beschermd wonen overgeheveld naar de gemeente. De extramurale verpleging, een groot deel van de persoonlijke verzorging en de langdurige GGZ gaan naar de Zorgverzekeringswet. De AWBZ wordt omgevormd tot een landelijke voorziening voor de intramurale ouderen- en gehandicaptenzorg: de Wet langdurige zorg (Wlz).
Met de Wmo 2015 krijgen gemeenten meer verantwoordelijkheden voor het organiseren van passende ondersteuning voor mensen die niet op eigen kracht kunnen deelnemen aan de samenleving.
Doel van de Wmo is dat iedere inwoner, ook met een beperking, een psychisch probleem of een psychosociaal probleem, zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. Het ‘mee kunnen doen aan de samenleving’ en ‘zo lang mogelijk zelfstandig wonen’ staan centraal en wanneer dit niet mogelijk is, ondersteunt het college hierbij. Deze ondersteuning moet de effecten van de beperkingen op de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie zo veel als mogelijk wegnemen.
In het proces van vraag naar ondersteuning staan de te bereiken resultaten centraal. De voorzieningen of oplossingen zijn ondergeschikt aan het betreffende resultaat. Hierbij geldt: eigen oplossingen gaan voor op maatwerkvoorzieningen. Bij het vaststellen van het te bereiken resultaat is zorgvuldig onderzoek essentieel. Het onderzoek begint met een gesprek. Dit gesprek gaat in op verschillende levensdomeinen om zo vanuit een integrale aanpak met de vraag van cliënt om te gaan. Hierbij wordt ingegaan op de knelpunten die belanghebbende ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, welke mogelijkheden hij ondanks de beperkingen heeft, welke resultaten hij wil bereiken en in hoeverre hij eigen oplossingen kan realiseren. Daar waar de cliënt niet (volledig) in staat is om eigen oplossingen te realiseren, ondersteunt het college door voorzieningen te treffen die leiden tot het te bereiken resultaat.
Per cliënt met hulpvraag dient er zorgvuldig onderzoek te worden verricht. Hierbij is van belang om:
  • de hulpvraag van de cliënt, zijn/haar behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen; te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren,
  • te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is,
  • of sprake is van een voorliggende voorziening/oplossing die voorgaat op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.
De wijze waarop de gemeente invulling geeft aan het dienstverleningsproces in het sociaal domein staat vastgelegd in de Verordening sociaal domein. De Verordening sociaal domein is van toepassing op de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
In de Verordening sociaal domein worden uitgangspunten voor zorgvuldig onderzoek, een integrale aanpak en verbinding in het sociaal domein bestendigd. Een belangrijk vertrekpunt van de Verordening sociaal domein is dat het college bij de uitvoering van haar verantwoordelijkheden de taken op de individuele situatie van de cliënt afstemt en een integrale aanpak ten aanzien van de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie borgt.
De Verordening sociaal domein beschrijft het proces van ‘van vraag naar ondersteuning’. Het gaat in op de stappen die er volgen na een melding en omschrijft de randvoorwaarden voor zorgvuldig onderzoek. Daarnaast wordt ingegaan op de wijze waarop het college het onderzoek en het besluit op een aanvraag vastlegt en aan een cliënt terugkoppelt. Tenslotte beschrijft de Verordening sociaal domein een aantal belangrijke aspecten nadat er een beschikking is afgegeven:
  • -
    Monitoring: het verzamelen van informatie door het college om de kwaliteit en de continuïteit van voorzieningen te bevorderen.
  • -
    Klachten: het afhandelen van klachten over de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen of de afhandeling van klachten ten aanzien van gedragingen van aanbieders jegens een cliënt.
  • -
    Procedurele bepalingen: een eenduidige procesgang bij het melden van gewijzigde situaties, het verrichten van heronderzoek, het intrekken en beëindigen van beschikkingen en het eventueel terugvorderen van een ten onrechte genoten voorziening in natura of pgb.
Met de Wmo verordening geeft het college de kaders voor de besluitvorming op een aanvraag. Er wordt ingegaan op de specifieke Wmo aanspraken nadat er op grond van de Verordening sociaal domein, integraal onderzoek is verricht en zoveel mogelijk is ingezet op het leggen van verbindingen in het sociaal domein. Daar waar er sprake is van een specifieke Wmo aanspraak gelden de regels zoals omschreven in de Wmo verordening. De Wmo verordening omschrijft niet alleen wat de inwoner kan verwachten van de gemeente. Er wordt ook nadrukkelijk ingegaan op wat van de inwoner kan worden verwacht
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.
ARTIKELSGEWIJS
Artikel 1. Begripsbepalingen
  • 1.
    Aanbieder: deze bepaling spreekt voor zich;
  • 2.
    Algemeen gebruikelijk e voorziening: deze bepaling spreekt voor zich;
  • 3.
    Algemene voorziening: dit zijn voorzieningen die voor iedereen bedoeld zijn en op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken zijn. Bij algemene voorzieningen gaat het om ondersteuning die in ieder geval:
    • a.
      betrekking heeft op lichte, niet complexe ondersteuning;
    • b.
      ingezet wordt voor een incidentele ondersteuningsbehoefte;
Voorbeelden zijn:
  • -
    de dagrecreatie voor ouderen;
  • -
    de boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschappenhulp;
  • -
    de maaltijdservice en het eetcafé.
  • -
    klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice;
  • -
    de (ramen)wasservice.
  • 1.
    Beschermd wonen: de definitie van beschermd wonen is dezelfde als de definitie van beschermd wonen zoals genoemd in artikel 1.1.1 van de Wet. Op grond van de wet worden (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk voor het bieden van een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen. Bij ‘beschermd wonen’ gaat het, net als bij ‘opvang’ om het bieden van onderdak aan en begeleiding van personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Hieraan is geen leeftijdsgrens gekoppeld. Het tekstelement ‘niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving’ is voor beschermd wonen en opvang van belang. Slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, is er aanleiding voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Gewoonlijk wordt ook enige vorm van begeleiding aangewezen. Bij beschermd wonen gaat het om mensen bij wie onderdak, toezicht en begeleiding niet afhankelijk zijn van op genezing gerichte zorg. Achter een ‘accommodatie van een instelling’ kan een veelheid van variëteiten schuilgaan;
  • 2.
    Beroepskracht: naast medewerkers in dienstverband komt het voor dat aanbieders een deel van de werkzaamheden in hun opdracht laten verrichten door personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) voor hen werkzaam zijn. In beide gevallen wordt degene die de werkzaamheden verricht als beroepskracht aangeduid. Ook een zzp’er die zich persoonlijk jegens de gemeente tot het leveren van een voorziening heeft verbonden, is een aanbieder;
  • 3.
    Bijdrage: cliënten betalen voor hun ondersteuning een bijdrage. Deze bijdrage is als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk van het inkomen en het vermogen.
  • 4.
    Calamiteit: de omschrijving van het begrip calamiteit is gelijk aan die welke in 2005 is opgenomen in de Kwaliteitswet zorginstellingen. De omschrijving bevat de volgende elementen: Het moet gaan om een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, de dood van of ernstige schade voor een cliënt tot gevolg hebbend. De gebeurtenis moet betrekking hebben op de kwaliteit van een voorziening. Het moet gaan om een gebeurtenis op het gebied van de activiteiten die de aanbieder levert. Dit element verwijst daarmee impliciet naar het kwaliteitssysteem van de aanbieder: een calamiteit kan door een goed gestructureerd en goed functionerend kwaliteitssysteem zoveel mogelijk worden voorkomen. De begripsomschrijving speelt een rol in de bepaling die aanbieders verplicht van calamiteiten melding te maken bij de toezichthoudende ambtenaar. Het doel van die melding is om het disfunctioneren van het kwaliteitssysteem op te sporen teneinde cliënten te beschermen en het kwaliteitssysteem te verbeteren.
  • 5.
    Cliënt: de cliënt is degene die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening wordt verstrekt, maar ook degene die zich bij het college heeft gemeld om een voorziening te ontvangen. In een aantal bepalingen wordt dit begrip gebruikt. In andere bepalingen wordt, al naar gelang de situatie, gesproken over de ingezetene (voor personen van wie nog niet vaststaat of zij cliënt zijn of zullen worden) en betrokkene (als wordt terugverwezen naar een eerder aangeduide persoon).
  • 6.
    College: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 7.
    Gebruikelijke hulp: als in een huishouden meerdere meerderjarige personen wonen, dragen zij gezamenlijk de verantwoordelijkheid om het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten. Zij worden geacht om het huishoudelijke werk onderling te verdelen.
  • 8.
    Geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening: deze bepaling spreekt voor zich;
  • 9.
    Huiselijk geweld: huiselijk geweld is een breed begrip waaronder geweld in vele verschijningsvormen wordt verstaan. De gangbare omschrijving van ’huiselijk geweld’ luidt: geweld dat gepleegd wordt door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer, dat wil zeggen partners, gezinsleden, familieleden, mantelzorgers. Met huiselijke kring wordt bedoeld dat de dader en het slachtoffer in een familierelatie tot elkaar staan of dat de dader een huisgenoot of mantelzorger is. De term ‘huiselijk verwijst dus niet naar de plaats waar het geweld zich voordoet, maar naar de relatie tussen pleger en slachtoffer. Huiselijk geweld kan de vorm aannemen van kindermishandeling, van partnergeweld in alle denkbare verschijningsvormen of van mishandeling, uitbuiting of verwaarlozing van ouderen. Door de relatie met de dader is het voor het slachtoffer moeilijk om contact met de dader te vermijden en is vaak (maar niet altijd) sprake van een stelselmatig karakter, een hoog recidiverisico en hangt het geweld vaak samen met andere problematiek.
Onder geweld wordt verstaan de aantasting van de persoonlijke integriteit. Het kan hierbij gaan om lichamelijk geweld (mishandeling), psychisch of emotioneel geweld (uitschelden, treiteren, kleineren, bedreiging, stalking), ongewenste seksuele toenadering of seksueel misbruik. Naast partnergeweld vallen ook eer gerelateerd geweld en ouderenmishandeling onder de brede noemer huiselijk geweld. Onder definitie vallen alle vormen van geweld, of deze nu lichamelijk, seksueel of geestelijk van aard zijn en ook de bedreigingen daarmee. Daarbij moet gedacht worden aan een enkele klap of trap met letsel tot gevolg, maar vanzelfsprekend ook aan stelselmatige bedreiging, aanranding of belaging (‘stalking’). Verder kan ook gedacht worden aan afpersing of aan beschadiging van persoonlijke bezittingen. De definitie van huiselijk geweld kent geen leeftijdsgrens.
  • 1.
    Informele zorg: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 2.
    Instelling: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 3.
    Kostprijs: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 4.
    Maatwerkvoorziening: het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt er individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening. De voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten:
  • -
    het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of;
  • -
    het voeren van een gestructureerd huishouden/of;
  • -
    deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of;
  • -
    beschermd wonen en/of;
  • -
    opvang.
Het begrip ‘maatwerkvoorziening’ duidt beter dan het voorheen gebruikelijke begrip ‘individuele voorziening’ aan dat het niet alleen gaat om een of meer concrete en herhaalbaar in te zetten vormen van een aanbod aan activiteiten, maar onder omstandigheden ook om een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen, waarbij het kan gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om voor een cliënt op maat bedachte oplossingen.
Een maatwerkvoorziening wordt ter ondersteuning van cliënt ingezet. Het betreft nadrukkelijk ondersteuning ten behoeve van de bovenstaande resultaten. Er dient hierbij een duidelijk onderscheid te worden gemaakt met cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning houdt in: ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college moet ervoor zorg dragen dat onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar is en dat bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene uitgangspunt is.
Clientondersteuning heeft een bredere reikwijdte dan alleen de Wmo. De Wmo 2015 biedt het kader voor het maken van beleid voor cliëntondersteuning. Daarmee is in één wet de cliëntondersteuning voor het gehele sociale domein (dus ook Jeugdwet en Participatiewet) en andere levensdomeinen (zoals de zorg) geregeld.
  • 1.
    Maatwerkvoorziening in natura: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 2.
    Mantelzorg: de definitie van mantelzorg (en daarmee de reikwijdte van het begrip ‘mantelzorger’) is beperkt tot hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Daarmee vallen mantelzorgers die hulp verlenen aan personen die Wlz-zorg ontvangen, niet meer onder de reikwijdte van de gemeentelijke taak met betrekking tot mantelzorgers (artikel 2.2.2 van de Wet) en evenmin onder de bepaling die gemeenten opdraagt te voorzien in een jaarlijks blijk van waardering voor mantelzorgers (artikel 2.1.6 van de Wet).
Het is waardevol dat mensen zich op basis van de sociale relatie die zij met iemand hebben, soms langdurig en intensief, inzetten om een ander te helpen. In de omschrijving is vastgelegd dat het gaat om hulp die voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie.
Het gaat om hulp die verder gaat dan de hulp die mensen geacht worden elkaar te geven op basis van algemeen aanvaarde opvattingen over wat gebruikelijke hulp is. Mantelzorg onderscheid zich van vrijwilligerswerk vanwege de morele verplichting die voortkomt uit de sociale relatie. Mantelzorg is iets wat mensen ‘overkomt’.
Vaak is er – in tegenstelling tot normale situaties in het huishouden – sprake van een situatie die wordt gekenmerkt door het in de knel komen van maatschappelijke verplichtingen en persoonlijke voorkeuren. Tot slot brengt de omschrijving tot uitdrukking dat het gaat om hulp die niet wordt verleend in de uitoefening van een hulpverlenend beroep.
1.Opvang: de definitie van opvang is dezelfde als de definitie van opvang als bedoeld in artikel 1.2.1, onder c, van de Wet. Ook bij opvang gaat het, net als bij beschermd wonen, om het bieden van onderdak en begeleiding van personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het tekstelement ‘niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving’ is voor beschermd wonen en opvang van belang. Slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, is er aanleiding voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Veelal zal ook enige vorm van begeleiding zijn aangewezen.
Daarvan kan sprake zijn wanneer iemand vanwege ernstige relationele problemen of in verband met risico’s voor zijn veiligheid (bijv. in verband met huiselijk geweld) de thuissituatie met grote spoed heeft moeten verlaten en nog niet gewaarborgd is dat zij of hij veilig kan terugkeren dan wel veilig elders kan worden gehuisvest. Ook wanneer iemand door andere dan relationele problemen de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat blijkt voor zichzelf vervangend onderdak te organiseren, is aan het criterium voldaan. Wanneer het gaat om personen die de thuissituatie hebben verlaten om op vakantie of op avontuur te gaan of op zoek te gaan naar werk, is er voor het bieden van opvang door de gemeente geen aanleiding. Van deze personen mag worden verwacht dat zij zelf zorg dragen voor onderdak.
  • 1.
    Participatie en zelfredzaamheid: de omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen:
  • het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen,
  • het voeren van een gestructureerd huishouden.
Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en/of geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kunnen blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen/lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact.
Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Met maatschappelijk verkeer wordt hetzelfde bedoeld als `maatschappelijk leven`. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.
  • 1.
    Persoonsgebonden budget: deze bepaling spreekt voor zich. In deze toelichting wordt verder de afkorting pgb gebruikt;
  • 2.
    Socia le netwerk: tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (zie de toelichting bij dat begrip) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Dit omvat ook de mantelzorger.
  • 3.
    Vertegenwoordiger: Persoon of rechtspersonen die als vertegenwoordiger kunnen optreden zijn de curator, de mentor of de gevolmachtigde van de cliënt. Indien een dergelijke persoon of rechtspersoon ontbreekt: diens echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt. Indien deze persoon dat niet wenst of indien ook zodanige persoon ontbreekt: de ouder, het kind, de broer of zus van cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. Een wettelijke vertegenwoordiger heeft voorrang op een vertegenwoordiger uit het informele netwerk.
Op het moment van of na de melding gaat het college na of er sprake is van een wettelijk vertegenwoordiger en zo ja, of cliënt de toestemming verleent om de wettelijk vertegenwoordiger op de hoogte te stellen en te betrekken bij het onderzoek.
  • 1.
    V oorliggende voorziening: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 2.
    Voorziening: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 3.
    Vrijwilligers zorg: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 4.
    Wet: deze bepaling spreekt voor zich.
  • 5.
    Zelfredzaamheid: zie de toelichting op het begrip `participatie`.
HOOFDSTUK 2: COMPENSATIE
Artikel 2. De verantwoordelijkheid van het college
Het college streeft naar een inclusieve samenleving. Een samenleving waarin inwoners sociaal en economisch zelfredzaam zijn en elkaar, zonder tussenkomst van de gemeente, ondersteunen. Als inwoners er met elkaar niet uitkomen, komt de gemeente in beeld.
Een inclusieve samenleving is ook een toegankelijke samenleving. Het gemeentelijk beleid is erop gericht inclusie (van mensen met een beperking) te bevorderen en uitsluiting van mensen tegen te gaan. Mede wegens ratificatie van het VN verdrag voor de rechten van personen met een handicap, zet het college hier ook vanaf 2015 sterk op in. Ratificatie van het verdrag brengt verplichtingen rond toegankelijkheid met zich mee, onder andere voor ondernemers, beleidsmakers en bestuurders. Voor wetgeving en (gemeentelijke) andere regelgeving betekent het ratificeren van het VN Verdrag een eventuele bijstelling/aanpassing van de regels. Deze bijstelling en aanpassing gebeurt in samenspraak met mensen met een beperking.
Nederland ondertekende het VN-verdrag in 2007. Tot nu toe heeft de overheid het verdrag nog niet omgezet in nationale wet- en regelgeving (ratificatie). De planning van het kabinet Rutte II is dat het verdrag in Nederland in 2015 officieel van kracht zal zijn.
In lid 1 van dit artikel is bepaald dat wanneer cliënt hulp nodig heeft bij het zelf organiseren van oplossingen en het nemen van eigen verantwoordelijkheid, het college hierin ondersteunt. De ondersteuning is er primair op gericht cliënten in staat te stellen in eigen oplossingen te voorzien.
In lid 2 is bepaald, dat het college ondersteuning biedt aan personen die problemen ondervinden bij hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Bij de gemeente wordt onderzoek gedaan naar de persoonlijke situatie van de cliënt. De cliënt blijft zo lang mogelijk zelf ‘eigenaar’ van zijn probleem en verantwoordelijk voor zijn (maatschappelijke)participatie en functioneren. Dit is een belangrijk aspect van zelfstandigheid en autonomie van personen. Naast het ondersteunen van de eigen verantwoordelijkheid draagt het college er zorg voor, dat problemen in de zelfredzaamheid en (maatschappelijke) participatie worden opgelost. Met zorg dragen wordt bedoeld: het samen met de cliënt zoeken naar mogelijke oplossingen voor de belemmeringen die de cliënt ondervindt. De oplossingen moeten leiden tot een vooraf afgesproken resultaat (zie de toelichting op artikel 3). De wijze waarop het resultaat bereikt wordt (= via welke oplossingen) is ondergeschikt aan het resultaat zelf. Dit betekent dat er een beroep kan worden gedaan op het vermogen van de inwoner om, eventueel samen met anderen in oplossingen te voorzien ten einde het resultaat te bereiken.
Wanneer blijkt, dat de cliënt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, in staat is tot zelfredzaamheid of (maatschappelijke)participatie, dan is een maatwerkvoorziening noodzakelijk.
In lid 3 is bepaald dat van het college mag worden verwacht dat zij zorg draagt voor beschermd wonen voor degene die ten gevolge van psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn zonder ondersteuning zelfstandig te wonen. Zoals in artikel 1.2.1 onderdeel b van de Wmo 2015 is bepaald kunnen ook personen die niet woonachtig zijn in de gemeente Eemnes zich tot het college wenden. De maatwerkvoorziening die in dit kader wordt ingezet moet erin voorzien dat cliënt – indien dat kan en zo snel als mogelijk - weer in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Bij beschermd wonen gaat het om vormen van ondersteuning waarbij veelal sprake is van 24-uursverblijf en bijbehorende begeleiding.
In lid 4 is geregeld dat de gemeente zorg draagt voor opvang zoals is bepaald in artikel 1.2.1. onderdeel c van de Wmo 2015. Ook bij opvang geldt dat de maatwerkvoorziening erin moet voorzien dat cliënt– indien dat kan en zo snel als mogelijk - weer in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Ook hierbij kan het gaan om vormen van ondersteuning waarbij sprake is van 24-uursverblijf en bijbehorende begeleiding. De opvang dient zo kort mogelijk te zijn en is slechts een deel van een keten. Het uiteindelijk doel is, te bevorderen dat cliënten weer in staat zijn op eigen kracht mee te doen in de samenleving en hen zoveel mogelijk zelfstandig te laten wonen.
In lid 5 is bepaald dat de gemeente zorg draagt voor goede kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Deze bepaling is in artikel 8 van de verordening nader uitgewerkt.
Artikel 3. Toekenning van een maatwerkvoorziening
In lid 1 is aangegeven dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden. Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer (lid 2) cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:
  • a.
    eigen kracht en/of;
  • b.
    gebruikelijke hulp en/of;
  • c.
    mantelzorg en/of;
  • d.
    hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg;
  • e.
    algemene voorzieningen;
  • f.
    voorliggende voorzieningen.
Eigen kracht
Lid 2 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan. Wanneer het gaat om algemeen gebruikelijke voorzieningen, wordt de leefsituatie van cliënt goed onderzocht. Hierbij wordt bij het algemeen gebruikelijk beschouwen van voorzieningen altijd uitgegaan van de individuele situatie van cliënt. Er is geen sprake van voorzieningen die altijd en voor iedereen als algemeen gebruikelijk worden gezien. Daar waar cliënt ondersteuning nodig heeft bij het zelf organiseren van oplossingen, ondersteunt het college hierbij.
Gebruikelijke hulp
Lid 2 onder b bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur, e.d. Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken.
Hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg
Lid 2 onder c en d bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als belanghebbende met hulp van mantelzorg/ en/of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk zelf (eventueel met hulp van het sociale netwerk) in eigen oplossingen kan voorzien.
Algemene en voorliggende voorzieningen
Lid 2 onder e en f bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als algemene en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en leiden tot het te bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene/voorliggende voorzieningen.
Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik maken van mogelijkheden van behandeling. Wanneer door behandeling resultaten ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen. Zich laten opereren wordt niet als voorliggend op maatwerkvoorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q. revalidatieperiode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekt worden.
De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Daar waar een maatwerkvoorziening wordt toegekend is deze, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op:
  • a.
    de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt;
  • b.
    zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet;
  • c.
    voorzieningen op het gebied van jeugdzorg als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen;
  • d.
    onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen;
  • e.
    betaalde werkzaamheden van cliënt;
  • f.
    scholing die de cliënt volgt of kan volgen, en
  • g.
    ondersteuning ingevolge de Wet werk en bijstand.
In lid 3 van dit artikel wordt omschreven welke hoofdresultaten de maatwerkvoorzieningen dienen op te leveren. Een maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2. lid 2 van de Wmo 2015 en zoals omschreven in de Verordening sociaal domein, een passende bijdrage aan het realiseren door cliënt van zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen. De in lid 2 genoemde hoofdresultaten zijn onder te verdelen in de volgende (niet limitatieve) sub-resultaten. De subresultaten worden in de beschikkingen gericht aan cliënt opgenomen:
Hoofdresultaat: zelfredzaamheid
Om de zelfredzaamheid te bevorderen is een maatwerkvoorziening gericht op een oplossing voor:
  • a)
    het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Sub-resultaten hierbij zijn:
  • -
    in en uit bed kunnen komen;
  • -
    aan- en uitkleden;
  • -
    de dagelijkse zelfzorg kunnen uitvoeren;
  • -
    persoonlijke verzorging in verband met gezondheidsproblemen kunnen uitvoeren;
  • -
    noodzakelijke verpleegkundige handelingen kunnen uitvoeren;
  • -
    zich in en om de woning kunnen verplaatsen;
  • -
    een eigen (spirituele/ seksuele) identiteit ontwikkelen;
  • -
    voorkomen van (dreigende) overbelasting van mantelzorger(s) of gebruikelijke zorger(s);
  • -
    mantelzorg kunnen volhouden.
Afbakening persoonlijke verzorging met Zorgverzekeringswet
De persoonlijke verzorging valt onder de Zorgverzekeringswet (hierna: basispakket). Vanuit die wet kunnen mensen aanspraak maken op persoonlijke verzorging. De behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, is het onderscheidende criterium op basis waarvan iemand in aanmerking komt voor verpleging en verzorging uit hoofde van het basispakket. De behoefte aan geneeskundige zorg omvat ook zorg in verband met een hoog risico op een aandoening. Dit hoge risico op een aandoening vormt de basis voor de inzet van ‘louter’ ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen, bijvoorbeeld bij kwetsbare ouderen met een hoge leeftijd. Verbetering en behoud van zelfredzaamheid en het zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, vormen een belangrijke doelstelling van deze zorgverlening. Wanneer bij mensen een geneeskundige hulpvraag ontstaat en zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg, of bij een hoog risico daarop hebben, zullen zij zowel verpleging als de bij de geneeskundige hulpvraag behorende verzorging uit het basispakket ontvangen. Dit geldt ook voor mensen met een zintuiglijke beperking, een verstandelijke beperking of met psychiatrische problematiek.
Iemand kan gedurende een aantal jaren te maken hebben met een psychiatrische aandoening. De aandoening; de intensiteit en de duur van de symptomen verschillen van persoon tot persoon. Zo kunnen mensen gedragsproblemen hebben, die niet psychiatrisch van aard zijn. Het verloop van een psychiatrische ziekte laat zich vaak niet voorspellen. Een psychiatrische ziekte en de daarbij horende symptomen kunnen met behulp van medicatie en therapie worden bestreden en soms geheel verdwijnen. Een aantal aandoeningen kunnen echter periodiek terugkomen.
Een aantal mensen met een psychiatrische aandoening hebben ondersteuning nodig; anderen periodiek of geheel niet. De meest voorkomende psychiatrische aandoeningen zijn:
  • -
    Angst en paniek stoornissen
  • -
    Depressie
  • -
    Persoonlijkheidsstoornis (borderline)
  • -
    Psychotische stoornis (schizofrenie)
  • -
    Eetstoornis (anorexia nervosa en boulimie)
  • -
    Autisme
Aan bijvoorbeeld een oudere met een verstandelijke beperking en een somatische aandoening of iemand met een combinatie van psychiatrische problematiek en een lichamelijke aandoening en als gevolg daarvan een hoog risico op de behoefte aan geneeskundige zorg, wordt verpleging en verzorging verleend uit het basispakket. Hiermee wordt voorkomen dat mensen gelijktijdig uit verschillende handen lijfsgebonden zorg ontvangen en tegen een knip in zorgverlening aan lopen.
Mensen met een lichamelijke aandoening kunnen een beroep doen op verpleging en verzorging op basis van het basispakket. Het onderscheid tussen verpleging en verzorging uit het basispakket op basis van het criterium behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, en de daaruit voortvloeiende afbakening met de Wmo 2015 voorkomt dat onduidelijkheid kan ontstaan wie verantwoordelijk is voor de zorg of ondersteuning aan de cliënt.
  • a)
    Het voeren van een gestructureerd huishouden. Sub-resultaten hierbij zijn:
  • -
    zelfstandig wonen in een geschikt huis;
  • -
    zelfstandig wonen in een schoon en leefbaar huis;
  • -
    beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;
  • -
    beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften (boodschappen kunnen doen);
  • -
    beschikken over maaltijden;
  • -
    zelfstandig administratie kunnen voeren;
  • -
    het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;
  • -
    leren omgaan met (matige tot ernstige) probleemgedrag;
  • -
    wonen in een pedagogisch verantwoord huishouden;
  • -
    opgroeien in een stimulerende omgeving;
  • -
    Veilig en geborgen zijn in de eigen leefomgeving.
Participatie
Om participatie te bevorderen is een maatwerkvoorziening gericht op het realiseren van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Sub-resultaten hierbij zijn:
  • -
    het zich (zelfstandig) verplaatsen in en om de woning;
  • -
    mensen kunnen ontmoeten en contacten te kunnen onderhouden met mensen;
  • -
    deel te kunnen nemen aan recreatieve, sportieve en maatschappelijke of religieuze activiteiten;
  • -
    burgerschap kunnen vervullen en politiek actief kunnen zijn;
  • -
    een langdurige relatie of vriendschap kunnen hebben;
  • -
    een ingevulde dag kunnen hebben;
  • -
    vrijwilligerswerk kunnen doen;
  • -
    toegang tot openbare gelegenheden en voorzieningen kunnen hebben;
  • -
    toegang tot (passend) onderwijs kunnen hebben;
  • -
    een startkwalificatie halen;
  • -
    economische zelfstandig zijn;
  • -
    toegang tot (passend) werk kunnen hebben;
  • -
    zich lokaal te kunnen verplaatsen.
Beschermd wonen
Beschermd wonen kan een maatwerkoplossing zijn voor cliënten met psychische of psychosociale problemen die (tijdelijk) niet in staat zijn zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven.
Bij beschermd wonen gaat het om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen met
een psychische beperking (de huidige ZZP GGZ categorie C). De op participatie gerichte
ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving staat bij deze personen centraal.
Personen die vanwege psychische problematiek er niet in slagen zelfstandig te wonen zonder de
directe nabijheid van 24 uurstoezicht en ondersteuning komen in aanmerking voor
beschermd wonen. Onder beschermd wonen wordt in de Wmo 2015 verstaan: wonen in een accommodatie van een instelling:
  • met het daarbij behorende toezicht en begeleiding;
  • gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie;
  • gericht op het bevorderen van het psychisch en psychosociaal functioneren;
  • gericht op stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld;
  • gericht op het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast;
  • gericht op het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen;
De Wmo 2015 geeft huidige cliënten beschermd wonen een overgangstermijn van minimaal 5 jaar.
Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat inwoners zich in principe tot
iedere gemeente kunnen wenden voor opvang en beschermd wonen. Het betekent niet dat in
iedere gemeenten een vorm van beschermd wonen geboden moet worden. Een cliënt die vanuit
de beschermde woonvorm zelfstandig gaat wonen, is vrij zijn woonplaats te kiezen.
Opvang
Opvang kan een maatwerkoplossing zijn voor cliënten die de thuissituatie hebben verlaten vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld en die niet in staat zijn zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. Opvang is beschikbaar voor iedereen die zich meldt bij de gemeente.
Toegang tot opvang wordt toegekend wanneer sprake is van een tijdelijke noodzaak voor onderdak met de daarbij behorende zorg en ondersteuning. Gezien het tijdelijke karakter van opvang is de zorg en ondersteuning gericht op de primaire levensbehoeften van cliënt (bed, bad, brood). Hierbij is ook van belang dat toegang tot opvang alleen wordt toegekend wanneer de cliënt meewerkt aan het realiseren van een definitieve verblijfplaats.
Het kan voorkomen dat cliënten bewust kiezen voor een bestaan als dak- en thuisloze. Vaak hebben deze cliënten een langdurige geschiedenis van psychosociale en/of psychische problematiek en behandelingen zonder resultaten. Voor deze groep is de opvang niet bedoeld. Wel borgt het college dat er een inloopvoorziening beschikbaar is en wordt tijdens de winterperiode bij extreme weersomstandigheden onderdak op basis van bed, bad en brood aangeboden.
De mogelijkheid om onderdak te verkrijgen moet 24-uur mogelijk zijn. Om die reden kunnen instellingen
voor opvang worden gemandateerd voor de eerste beoordeling (bijvoorbeeld in crisisgevallen of wanneer de uitvoeringsdienst van de gemeente Eemnes niet beschikbaar is). Wanneer iemand zich meldt bij de instelling bepaalt de instelling voorlopig of de situatie dusdanig is, dat het nodig is dat er onderdak geboden wordt. Hierbij wordt onderzocht in hoeverre de melder op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk onderdak kan vinden. Het college bepaalt uiteindelijk definitief of er een positieve beschikking volgt.
Na de beoordeling door de instelling wordt de cliënt gemeld bij de uitvoeringsdienst van de gemeente Eemnes. Na de melding wordt een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2. van de Wmo 2015 ingesteld en wordt definitief bepaald of opvang een passende voorziening is. Vervolgens wordt samen met de cliënt (en eventueel mantelzorgers, sociale netwerk en/of externe zorgpartijen) een plan van aanpak opgesteld. Het plan van aanpak zal in vrijwel alle gevallen doelstellingen bevatten met betrekking op het vinden van een zelfstandige woonruimte waardoor de opvang een tijdelijk karakter heeft, ter overbrugging naar een zelfstandige woonruimte.
Lid 4 bepaalt dat wanneer er meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt ingezet die als goedkoopst-compenserend aan te merken is.
Artikel 4. Vaststelling vorm van een maatwerkvoorziening
Dit artikel omschrijft in welke vorm de maatwerkvoorziening kan worden toegekend.
Lid 1 van dit artikel omschrijft het uitgangspunt dat de maatwerkvoorziening in natura toegekend wordt.
In lid 2 staat de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget (pgb) omschreven.
Het verkrijgen van een pgb is afhankelijk van een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden worden in lid 2 beschreven. Zo moet, zoals onderdeel a voorschrijft, cliënt in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. De verplichting geldt het budget te besteden aan de doelstelling waar deze voor is toegekend. Het is een verantwoordelijkheid van cliënt om naar bedoeling en afspraak de besteding te doen. Mocht er in de looptijd van de beschikking niet of niet langer worden voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de verordening, dan kan het college het eerder genomen besluit geheel of gedeeltelijk intrekken. Dit geldt ook voor situaties waarbij er beschikt is en achteraf blijkt dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, er een andere beslissing zou zijn genomen.
De cliënt moet– al dan niet met hulp van mensen uit zijn sociale netwerk – in staat zijn om de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, zelf bij derden in te kopen. Het gaat daarbij om de vraag of hij, met de hulp van zijn omgeving, in voldoende mate in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. De cliënt moet immers een contract aangaan en dient daartoe bekwaam te zijn. Het gaat daarbij niet om het beheren van het pgb zelf. Namens het college verricht het SVB de betalingen. Indien de cliënt niet zelf in voldoende mate in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, kan iemand uit zijn sociale netwerk hem daarin bijstaan. Dit kunnen bijvoorbeeld een buurman, een voogd etc. zijn . De wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht (nog) niet tot het sociale netwerk van de cliënt behoort, kan de cliënt ondersteunen bij het verantwoordelijk inkopen van de diensten en hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren. Het betrekken van wettelijk vertegenwoordigers heeft voorrang op het betrekken van vertegenwoordigers uit het sociale netwerk. Ook voor de aan te wijzen vertegenwoordigers geldt, dat getoetst wordt, of de vertegenwoordigers van de cliënt de verantwoordelijkheden behorende bij een pgb aankunnen.
Onderdeel b van lid 2 vereist dat de cliënt gemotiveerd aangeeft dat een maatwerkvoorziening als pgb passend wordt geacht.
Onderdeel c van lid 2 omschrijft de eisen die gelden aan de uitgave van het pgb. Het pgb mag enkel worden uitgegeven aan een veilige en effectieve maatwerkvoorziening van goede kwaliteit. Voor de maatwerkvoorziening zijn kwaliteitseisen (de basisnorm) vastgelegd in de Wmo 2015 en in de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 8). Het college draagt, zoals omschreven in artikel 2 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning, zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen in natura. Of er nu sprake is van een toekenning van een maatwerkvoorziening in natura, of als pgb, de voorziening zal moeten bijdragen aan de doelstelling van de Wmo 2015: het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de persoon die de voorziening toegekend krijgt. Artikel 2.3.6 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt, dat het college bij het beoordelen van de kwaliteit meeweegt of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.
Uitgangspunt van de Wmo 2015 is, dat het college maatwerkvoorzieningen verstrekt wanneer de cliënt niet zelf in staat is met behulp van zijn sociale netwerk of mantelzorg zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op te lossen (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015). Een pgb is bestemd voor het inkopen van maatwerkvoorzieningen. Wanneer tijdens het onderzoek geconcludeerd is dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dan moet al onderzocht zijn in hoeverre mantelzorgers en/of (andere) personen uit het sociale netwerk bij kunnen dragen aan de beoogde oplossing.
Wanneer de beperking gecompenseerd kan worden met hulp van mantelzorgers/ en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk, bestaat er geen aanspraak op ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Zie hiervoor ook hetgeen gesteld is in artikel 3 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015.
In voorkomende gevallen kan het college, afwijken van het bovenstaande uitgangspunt. Belangrijk hierbij is dat de cliënt in zijn/haar motivatie argumenten aandraagt waarom een pgb besteedt moet worden aan ondersteuning geleverd door mantelzorgers en/of personen uit het sociale netwerk en waarom dit een betere oplossing is dan professionele hulp en/of een voorziening in natura. Een argument kan zijn, dat de mantelzorger minder gaat werken om de benodigde hulp te kunnen bieden en daardoor achteruit gaat in inkomen.
Een aanvullend argument kan zijn, dat de mantelzorg redelijkerwijs aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is, zoals ook door Mezzo (Landelijke vereniging voor mantelzorgers en vrijwilligerszorg) wordt geadviseerd. Zo kan een ondersteuning voor een kind in een gezinssituatie door ouders vaak beter georganiseerd worden via een pgb dan via een zorgorganisatie. De ouders hebben dan meer grip op en regie over de zorgmomenten en kan de zorg beter afgestemd kan worden op de dagelijkse gang van zaken in het gezin. Deze zorg is vaak ook doelmatiger door het combineren van professionele zorg met zorg door personen uit het sociale netwerk en mantelzorgers.
Wanneer het college het, in samenspraak met cliënt, en in specifieke gevallen nodig acht om een pgb beschikbaar te stellen om maatwerkvoorzieningen te betrekken van personen uit het sociale netwerk, kan het college afwijken van de kwaliteitsnorm zoals bepaald in artikel 8 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de in te kopen ondersteuning in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Hierbij geldt onverkort dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat, zoals omschreven in artikel 4 lid 2 onder c van de Verordening.
Lid 3 omschrijft dat de hoogte van het pgb op maat wordt vastgesteld. De hoogte van het pgb wordt bepaald als tegenwaarde van de dienst/zaak die cliënt op dat moment ontvangen zou hebben als de dienst/zaak in natura zou zijn verstrekt. Bij het bepalen van de hoogte pgb wordt uitgegaan van de kostprijs van de voorziening die met het pgb moet worden ingekocht, met als maximum de kostprijs van de voorziening in natura.
Lid 4: uitgangspunt voor het vaststellen van de hoogte van een pgb is, dat de cliënt met een pgb passende ondersteuning kan verkrijgen. Hierbij wordt rekening gehouden met eventuele overheadkosten, een afschrijftermijn en onderhoud. Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt de goedkoopst compenserende voorziening als vertrekpunt genomen. Wanneer er een toereikend pgb is toegekend en cliënt om voor hem/haar relevante redenen aanvullingen op de voorziening/extra dienstverlening wenst in te kopen, dan kan dit op grond van bijbetaling door cliënt. Client bekostigt de aanvulling/extra dienstverlening dan zelf.
In lid 5 wordt aangegeven dat de wijze waarop het pgb wordt berekend wordt uitgewerkt in de nadere regels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De hoogte wordt berekend op basis van de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura. Ook voor naturavoorzieningen worden prijsopgaven opgevraagd of zijn deze bekend. De wijze van berekening is dan ook dezelfde als voor voorzieningen in natura.
Artikel 5. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening
Lid 1 van dit artikel bepaalt dat cliënt voor een maatwerkvoorziening in natura of als pgb een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Deze verplichting geldt niet voor:
  • -
    rolstoelen en overige hulpmiddelen voor jeugdigen tot 18 jaar;
  • -
    rolstoelen voor cliënten van 18 jaar en ouder.
De bijdrage in de kosten geldt zolang de cliënt gebruikt maakt van de voorziening, waarbij het beoogd resultaat uitgangspunt is voor de bijdrage. Er is hierbij geen sprake van een vaste periode waarover een bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt gevraagd en er wordt ook geen onderscheid gemaakt in de wijze waarop de maatwerkvoorziening is verstrekt. Het kan hierbij gaan om voorzieningen waarvan iemand een gebruiksrecht heeft gekregen of voorzieningen in eigendom.
Wanneer cliënt via het collectief vraagafhankelijk vervoer ondersteund wordt dan is er geen sprake van een inkomensafhankelijke bijdrage, maar van een reizigersbijdrage (per zone) die gelijk staat aan de geldende tarieven van het reguliere OV.
Lid 2 stelt vast dat de omvang van de bijdrage omvang voor maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3 lid 3, onder a tot en met d wordt vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de eigen bijdrage mag de kostprijs van de voorziening nooit overschrijden.
In lid 3 staan de kaders van de verschuldigde bijdrage in de kosten opvang opgenomen. De verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 5 lid 6 van de verordening werkt het college de voor opvang geldende kaders uit in de nadere regels.
In lid 4 wordt aangegeven dat de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen (met uitzondering van opvang) wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van het inkomen en het (eventuele) vermogen van cliënt en zijn echtgenoot. In artikel 2.4.1. lid 6 van de Wmo 2015 is bepaald, dat het CAK de eigen bijdrage niet vaststelt voor opvang.
In lid 5 wordt ingegaan op de opdracht die het college heeft op grond van artikel 2.1.4. lid 7 van de Wmo 2015. Het college heeft de bevoegdheid om de bijdrage in de kosten voor opvang vast te stellen en te innen.
De wet bepaalt dat college een andere instantie aan kan wijzen om bijdragen in de kosten voor opvang vast te stellen en te innen. Deze instantie is dan verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen in alle gevallen dat de bijdrage niet door de gemeente op de uitkering van de cliënt wordt ingehouden.
Als de gemeente het vaststellen en innen van de bijdragen voor opvang aan een andere instantie opdraagt, moet zij ervoor zorgen dat aan het CAK een mededeling wordt gedaan van de opgelegde bijdrage zodat het CAK de anticumulatie bepaling kan toepassen en gegarandeerd wordt dat het zak- en kleedgeld voor de cliënt beschikbaar blijft.
De uitwerking van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan lid 5 van dit artikel vindt plaats in de nadere regels.
Lid 6 van artikel 5 geeft aan dat hetgeen gesteld is in lid 3 en in lid 5 van dit artikel, in nadere regels wordt uitgewerkt.
Artikel 6. Bijdrage algemene voorziening
In lid 1 van dit artikel is bepaald, dat cliënten een bijdrage verschuldigd zijn, wanneer zij gebruik maken van een algemene voorziening. Deze bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn. Hierbij kunnen andere termijnen en maximale bedragen gelden dan voor maatwerkvoorzieningen. De instellingen die algemene voorzieningen bieden kunnen bepalen of een bijdrage verschuldigd is. Dit geldt niet voor cliëntondersteuning. De cliëntondersteuning is kosteloos voor de cliënt die daar een beroep op doet.
Lid 2 omschrijft dat de instellingen die algemene voorzieningen bieden zelf de bijdrage mogen vaststellen en innen. Hierbij geldt de plicht voor aanbieders van algemene voorzieningen om het college te informeren over de hoogte van de bijdragen en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd. Het college houdt hierdoor toezicht op proportionele bijdragen in de kosten. Tevens vindt het college het van groot belang dat er proactief wordt ingespeeld op de cumulatie van bijdragen. Het college draagt hieraan bij door hier bijvoorbeeld tijdens het onderzoek (na de melding) uitgebreid op in te gaan. Daarnaast maakt het college afspraken met aanbieders van algemene voorzieningen over het vervullen van een signalerende rol met betrekking tot de cumulatie van bijdragen in de kosten en/of het ontstaan van financiële knelpunten hierdoor.
Net zoals voor maatwerkvoorzieningen geldt, is in lid 3 bepaald dat de bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de algemene voorziening.
Artikel 7. Waardering mantelzorgers
Dit artikel draagt het college op om te voorzien in een jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers. Vanwege het belang dat mantelzorg heeft voor de leefbaarheid van de samenleving, het welzijn van de hulpbehoevende die door mantelzorgers uit hun sociale netwerk worden geholpen en de betaalbaarheid van de maatschappelijke ondersteuning, is deze jaarlijkse blijk van waardering op zijn plaats. De Wmo 2015 draagt de gemeente op zorg te dragen voor de regeling van de wijze waarop mantelzorgers een blijk van waardering ontvangen. Voorheen deed het Rijk dit. In de Wmo 2015 is aangegeven dat de blijk van waardering kan bestaan uit een geldbedrag dat per gemeente kan verschillen of uit een andere vorm van waardering.
De wijze waarop mantelzorgers een blijk van waardering gaan ontvangen wordt in een nadere regeling door het college uitgewerkt. Die uitwerking vindt plaats na onderzoek hoe een waardering voor mantelzorgers kan aansluiten bij de behoeften van de doelgroep.
HOOFDSTUK 3. KWALITEIT EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 8. Kwaliteit van maatwerkvoorzieningen
Lid 1: Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het voortdurend zorg dragen voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.1 is tot uitdrukking gebracht dat de gemeente verantwoordelijk is voor het stellen van regels inzake de kwaliteit van de voorzieningen in de maatschappelijke ondersteuning. Het college vult deze verplichting in door in lid 2 van dit artikel generieke kwaliteitseisen voor maatwerkvoorzieningen te bepalen en de voorzieningenspecifieke eisen uit te werken in de geldende contracten voor maatwerkvoorzieningen. Het college ziet toe op de naleving van de gestelde eisen.
Het college vindt het van groot belang dat de cliënt de mogelijkheid heeft om zelf te kiezen voor een aanbieder die de nodige ondersteuning levert. Het college faciliteert de cliënt hier dan ook zoveel mogelijk in. Mede door zoveel mogelijk met meerdere aanbieders overeenkomsten te sluiten voor de levering van een maatwerkvoorziening. Hierbij garandeert het college dat alle partijen met wie zij contracten aangaat, voldoen aan vaste kwaliteitseisen die het college heeft vastgesteld.
Daar meerdere aanbieders met het college overeengekomen zijn een maatwerkvoorziening te leveren heeft de cliënt ook gedurende de looptijd van de voorziening de mogelijkheid om van aanbieder te veranderen. Deze mogelijkheid bestaat binnen de randvoorwaarden van de ondersteuning. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een mismatch tussen cliënt en aanbieder. De aanbieder werkt in dergelijke gevallen mee in het belang van cliënt aan de inhoudelijke overdracht aan de nieuwe aanbieder.
In lid 2 worden de generieke eisen weergegeven. Zo geldt dat de voorzieningen in elk geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht moeten worden verleend en afgestemd zijn op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt. In dat verband onderzoekt het college ook hoe, door middel van samenwerking van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, de dienstverlening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere diensten die de cliënt ontvangt. Voorts moet de voorziening worden verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaarden. Hierbij is essentieel dat de maatwerk geleverd wordt met respect voor en met inachtneming van de aanspraken van de cliënt.
Artikel 9. Kwaliteitsaspecten bij verlening van overheidsopdrachten
Dit artikel benadrukt dat wanneer de verlening van een voorziening wordt aanbesteed/ingekocht, het college het criterium ‘kwaliteit’ altijd meeweegt bij de verlening van de opdracht aan een aanbieder. Dit geldt ongeacht de (inkoop) procedure die het college volgt. Hoe zwaar de specifieke kwaliteitsaspecten zoals genoemd onder onderdeel a tot en met g wegen, is afhankelijk van de in te kopen voorziening.
Artikel 10. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Lid 1: Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald over welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten vereist is. De medezeggenschap gaat over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Het betreft dus de medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In lid 1 van artikel 10 is bepaald dat aanbieders een regeling vaststellen waarin de effectieve en laagdrempelige medezeggenschap is vastgelegd. Niet voor elke voorziening is een dergelijke regeling noodzakelijk. Het artikel is zodanig opgesteld, dat de verplichting tot een regeling voor medezeggenschap niet geldt voor aanbieders van hulpmiddelen of (woning)aanpassingen noch voor diensten die middels een pgb worden ingekocht. Als een aanbieder die in het kader van de Wmo dienstverlening taken laat uitvoeren door in de regel minder dan tien medewerkers, geldt de verplichting tot een regeling voor medezeggenschap niet (lid 2).
In het derde lid wordt aangegeven dat het college toezicht houdt op de naleving van de regeling omtrent medezeggenschap en dat de medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Dit kan het college bijvoorbeeld doen door met cliënten van aanbieders of cliëntenvertegenwoordigers in gesprek te gaan, of door dit specifiek te onderzoeken.
Artikel 11. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In lid 1 staat omschreven dat het college een regeling treft waarin de procesgang bij calamiteiten en geweld omschreven staat en waarin wordt ingegaan op de verantwoordelijkheden van de toezichthoudende ambtenaar bij het zich voordoen van calamiteiten en geweld.
Lid 2 en lid 3: In artikel 3.3 van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 5.1, van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 5.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015. Deze bepaling haakt aan bij beide wetsbepalingen door aan te geven dat het college een toezichthoudend ambtenaar aanwijst bij wie melding kan worden gedaan van calamiteiten en geweld.
Artikel 12 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In lid 1 van dit artikel wordt bepaald dat het college ingezetenen betrekt bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt er een verwijzing gemaakt naar artikel 150 van de Gemeentewet. In artikel 150 van de Gemeentewet is aan de gemeenteraad de verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. Inspraakverordeningen verwijzen veelal naar de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De inspraak geldt voor alle ingezetenen.
Lid 2 omschrijft dat het college ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid stelt om voorstellen te doen voor het beleid, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en hen voorziet van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Deze aspecten worden in een nadere regeling uitgewerkt.
Naast hetgeen in lid 2 gesteld is, zorgt het college er op grond van lid 3 voor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
De wijze waarop het college invulling heeft aan de medezeggenschap wordt op grond van lid 4 van deze Verordening bij nadere regeling uitgewerkt.
HOOFDSTUK 4: SLOTBEPALINGEN
Artikel 13. Nadere regels
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen als uitwerking van de kaders neergelegd in de Verordening. Deze nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften en kunnen leiden tot bepalingen.
Artikel 14. Hardheidsclausule
Het opnemen van de hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor het college om een onderdeel van de Verordening niet toe te passen of daarvan af te wijken, als toepassing leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Omdat het college maatwerk wil bieden en daarbij uitgaat van de persoonlijke situatie van de cliënt, moet de hardheidsclausule als uiterste vangnet worden gezien, mocht er sprake zijn van een niet billijke situatie.
Artikel 15. Indexering
Bepaalde bedragen worden jaarlijks aangepast. Bedragen voor de eigen bijdrage en het eigen aandeel worden door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks aangepast. Op basis van artikel 15 is het college bevoegd om de bedragen voor de maatwerkvoorzieningen, voor zover deze bekend zijn, aan te passen. Hierbij wordt uitgegaan van de ontwikkelingen conform de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index..
Artikel 16.Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
Lid 1: Op grond van artikel 7.7, eerste lid, van de Wmo 2015 moet de Verordening voor 1 november 2014 te worden vastgesteld.
Lid 2 bepaalt dat met in werking treden van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015, de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013 wordt ingetrokken.
In lid 3 staat vast dat elk besluit dat op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013 genomen is, van kracht blijft tot de verloopdatum van de aan belanghebbende afgegeven beschikking. Dit betekent dat belanghebbenden ook na ingang van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015 rechten kunnen ontlenen aan besluiten die op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013 genomen zijn. Dit geldt tenzij het college een nieuw besluit neemt waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Aan het nemen van een nieuw besluit en het intrekken van een oud besluit gaat altijd zorgvuldig onderzoek vooraf. Het college motiveert haar afwegingen duidelijk in een motivering die cliënt ontvangt.
Lid 4 regelt de grondslag voor besluiten die per de inwerkingtreding van deze Verordening nog niet genomen zijn. Wanneer er aanvragen zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze Verordening en waarop nog geen besluit genomen is, geldt dat de besluiten op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015 genomen worden.
In lid 5 is geregeld dat een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013 volgens de regels uit die Verordening wordt afgedaan.
Artikel 17. Citeertitel
In artikel 17 is bepaald dat deze Verordening kan worden aangehaald als: ’Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2015’.
Aldus besloten in de openbare vergadering van 27 oktober 2014,
de griffier, de voorzitter,
J.A. de Bruijn R. van Benthem RA