﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-23795/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>GEMEENTEBLAD</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van gemeente Schagen.</subtitel>
  </kop>
  <gemeenteblad>
    <kop>
      <titel>Besluit maatschappelijke ondersteuning Schagen 2014</titel>
    </kop>
    <regeling>
      <aanhef />
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk1.Algemene bepalingen</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al />
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In dit besluit wordt verstaan onder: </al>
              <lijst>
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo 2013;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>budgethouder: degene die in aanmerking is gebracht voor een persoonsgebonden budget. </al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de gemeentelijke Verordening</al>
              <al>maatschappelijke ondersteuning Wmo 2013 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Keuzevrijheid</titel>
            </kop>
            <al>In afwijking van artikel 17 van de verordening worden:</al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>a.</li.nr>
                <al>het vervoersbudget en de (rolstoel)kostentaxivergoeding uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>b.</li.nr>
                <al>bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen hetzij als financiële tegemoetkoming, hetzij in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>c.</li.nr>
                <al>vergoedingen voor verhuizing en herinrichting uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>d.</li.nr>
                <al>vergoedingen voor huurderving uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>e.</li.nr>
                <al>vergoedingen voor het bezoekbaar maken van een woning uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>f.</li.nr>
                <al>vergoedingen voor sportvoorzieningen uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>g.</li.nr>
                <al>mobiele tilliften en douchebrancards uitsluitend verstrekt als voorziening in natura; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>h.</li.nr>
                <al>driewielfietsen en rolstoelen voor kinderen tot 18 jaar uitsluitend verstrekt als voorziening in natura; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>i.</li.nr>
                <al>bedragen voor onderhoud, reparatie en verzekering, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, en artikel 26, tweede lid, uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>j.</li.nr>
                <al>complexe hulpmiddelen uitsluitend in natura verstrekt. </al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.Weigering</nr>
              <titel>van een persoonsgebonden budget</titel>
            </kop>
            <al>Verstrekking van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget kan worden geweigerd, indien op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget. Hiervan kan in de volgende situaties sprake zijn:</al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>a.</li.nr>
                <al>aanvrager verslaafd is in combinatie met financiële problemen;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>b.</li.nr>
                <al>aanvrager kampt met een problematische schuldensituatie;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>c.</li.nr>
                <al>aanvrager een zwervend bestaan leidt;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>d.</li.nr>
                <al>aanvrager eerder misbruik heeft gemaakt van deze vorm van verstrekking van een individuele voorziening.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>e.</li.nr>
                <al>aanvrager voor het voeren van de regie over zijn budget afhankelijk is van mantelzorgers;</al>
              </li>
            </lijst>
            <al />
            <al>Voorts kan verstrekking van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget worden geweigerd, indien aanvrager </al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>a.</li.nr>
                <al>een veranderend of progressief ziektebeeld vertoont;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>b.</li.nr>
                <al>slechts gedurende een korte periode is aangewezen op een individuele voorziening.</al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Regels rond verstrekking en verantwoording</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter beschikking gesteld door middel van uitbetaling op de rekening van de budgethouder, waarbij:</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>een eenmalig persoonsgebonden budget ineens wordt uitbetaald;</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr />
                <al>b.een doorlopend persoonsgebonden budget op basis van bevoorschotting per vier weken wordt uitbetaald.</al>
              </li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college van burgemeester en wethouders vindt plaats uiterlijk binnen:</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>zes maanden na dagtekening van de beschikking, indien het een eenmalige aan te schaffen voorziening betreft;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>b.</li.nr>
                    <al>zes weken na afloop van het kalenderjaar indien het een doorlopende voorziening betreft.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
              <li>
                <li.nr>3.</li.nr>
                <al>Iedere budgethouder dient de volgende stukken tot minimaal het einde van het jaar volgende op het jaar van de besteding te bewaren:</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>•</li.nr>
                    <al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>•</li.nr>
                    <al>een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening; of</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>•</li.nr>
                    <al>een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Omvang van eigen bijdragen</titel>
            </kop>
            <al>De bedragen en het percentage die gelden voor een eigen bijdrage of eigen aandeel zijn gelijk aan de bedragen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning, Stb.2006 nr. 450, artikel 4.1, lid 1, zoals jaarlijks aangepast door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Hulp bij het huishouden</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Vaststelling persoonsgebonden budget</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>De vaststelling van een persoonsgebonden budget vindt ten aanzien van hulp in de huishouding als volgt plaats. Er wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld van:</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>€ 21,00 voor categorie 1 (huishoudelijke werkzaamheden); en </al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>€ 25,20 voor categorie 2 (huishoudelijke verzorging, aangevuld met de organisatie van het huishouden en hulp bij een ontregelde huishouding). </al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
            <al>Deze bedragen zijn 100 % van de bedragen zoals de kosten van hulp bij de huishouding in natura bedragen.</al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>In het geval de budgethouder een hulp inschakelt die geen dienstverband heeft bij een instelling bedraagt het persoonsgebonden budget €16,59 per uur voor categorie 1 en € 19,98 voor categorie 2.</al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr> 7. </nr>
              <titel>
                <nadruk type="vet">Ingangsdatum van het persoonsgebonden budget </nadruk>
              </titel>
            </kop>
            <al>Het persoonsgebonden budget gaat in op de eerste dag van de week volgende op die waarin het besluit is genomen, tenzij anders vermeld in het toekenningsbesluit of, bij afwezigheid hiervan, de ambtelijke rapportage. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr> 8. </nr>
              <titel>
                <nadruk type="vet">Beëindiging hulp bij het huishouden </nadruk>
              </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>In afwijking van artikel 27 van de verordening wordt het persoonsgebonden budget beëindigd op de laatste dag van de week volgende op de week waarin de wijziging heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan geen aanspraak meer bestaat op het persoonsgebonden budget.</al>
              </li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>In het geval van overlijden blijft de hulp bij het huishouden, ongeacht of deze in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt, maximaal vier weken na het overlijden gehandhaafd. Het vorenstaande is niet toepassing indien er sprake van een eenpersoonshuishouden.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al />
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Arbeidsovereenkomst/zorgovereenkomst</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>De budgethouder koopt huishoudelijke hulp in en sluit hiermee een arbeidsovereenkomst/zorgovereenkomst, waarin ten minste de volgende afspraken zijn opgenomen:</lidnr>
              <lijst>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>een declaratie van een persoon bij wie de budgethouder de huishoudelijke hulp betrekt, bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het Burgerservicenummer en de naam en het adres van de persoon bij wie de budgethouder de huishoudelijke hulp betrekt en wordt door deze persoon ondertekend;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>een declaratie van een instantie bij wie de budgethouder de huishoudelijke hulp betrekt, bevat een btw-nummer van die instantie, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen, of etmalen en de naam en adres van de instantie en wordt namens die instantie ondertekend;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>•</li.nr>
                  <al>declaraties voor de huishoudelijke hulp worden niet betaald, indien deze niet binnen zes weken na de maand waarin de hulp is verleend bij de budgethouder zijn ingediend.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Aparte betaalrekening</titel>
            </kop>
            <al>De ontvangst van het persoonsgebonden budget alsmede de betalingen uit het persoonsgebonden budget moeten verlopen via een aparte betaalrekening die niet voor andere transacties en gelden worden gebruikt. De budgethouder is gerechtigd de kosten van het openen en beheer van voornoemde betaalrekening ten laste te brengen van het persoonsgebonden budget. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Woonvoorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Bouwkundige of woontechnische woonvoorziening</titel>
            </kop>
            <al>De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van bouwkundige of woontechnische aard wordt vastgesteld op 100% van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Niet- bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening</titel>
            </kop>
            <al>De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard wordt vastgesteld op 100% van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Verhuis- en inrichtingskosten</titel>
            </kop>
            <al>Het bedrag van de financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting bedraagt € 4.298,00.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.Bezoekbaarmaken</nr>
              <titel>van een woning</titel>
            </kop>
            <al>Het maximum bedrag van de financiële tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van de woning bedraagt € 4.298,00<nadruk type="vet">.</nadruk></al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Huurderving</titel>
            </kop>
            <al>De hoogte van een door het college te verstrekken financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving is gelijk aan de kale huur van de woning, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de huurtoeslag.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.Aanpassen</nr>
              <titel>van vloerbedekking</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>Het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming in de kosten van een niet-woontechnische woonvoorziening, waarbij het gaat om het (vervroegd) vervangen van zachte door harde vloerbedekking, bedraagt maximaal € 16,= per m². De tegemoetkoming is inclusief het eventueel egaliseren en het leggen van de nieuwe en verwijderen van de oude vloerbedekking.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>De vergoeding als bedoeld in het eerste lid is slechts mogelijk voor zover de betreffende vloerbedekking nog niet is afgeschreven. Als afschrijvingstermijn wordt acht jaar gehanteerd.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>3.</li.nr>
                <al>Als vergoeding voor het nog niet afgeschreven deel van de vloerbedekking geldt:</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>0 – 2 jaar oud: vergoeding 100 % van de aanschafkosten;</al>
            <al>2 – 4 jaar oud: vergoeding 75% van de aanschafkosten;</al>
            <al>4 – 6 jaar oud: vergoeding 50% van de aanschafkosten;</al>
            <al>6 – 8 jaar oud: vergoeding 25% van de aanschafkosten.</al>
            <al>Indien het product acht jaar of ouder is, wordt er geen vergoeding verstrekt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.Toekenning</nr>
              <titel>van een geldlening onder verband van hypotheek</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>Als alternatief voor het primaat van verhuizen kan een woningeigenaar desgevraagd een geldlening onder verband van hypotheek krijgen voor een woontechnische of bouwkundige woonvoorziening, indien het betreft een uitbreiding van de woonoppervlakte van de woning en waarvan de kosten hoger zijn dan € 20.000,=.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>Een losse woonunit, die weer verwijderd wordt indien de woonvoorziening niet meer nodig is, wordt niet verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>3.</li.nr>
                <al>De geldlening, zoals bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste de kosten van de noodzakelijke voorziening inclusief de verschuldigde btw.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>4.</li.nr>
                <al>De volgende kosten verbonden aan de geldlening als bedoeld in het eerste lid komen ten laste van gemeente:</al>
              </li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>a.</li.nr>
                <al>de taxatie van de woning;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>b.</li.nr>
                <al>de kosten van hypotheekakte;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>c.</li.nr>
                <al>de inschrijving van de hypotheek;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>d.</li.nr>
                <al>kosten van de notaris;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>e.</li.nr>
                <al>de rente van de geldlening.</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>5.</li.nr>
                    <al>De volledige aflossing van de lening vindt plaats:</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
              <li>
                <li.nr>a.</li.nr>
                <al>bij verkoop van de woning; of</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>b.</li.nr>
                <al>indien het eigendom van de woning in andere handen overgaat nadat de persoon voor wie de aanpassing is aangebracht daarvan niet langer gebruik maakt of kan maken.</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>6.</li.nr>
                    <al>Binnen zes maanden na de verkoop van de woning dient het volledige bedrag van de lening ineens te worden terugbetaald. Bij overgang als bedoeld in het voorgaande lid onder b. wordt een termijn afgesproken die niet langer is dan vijf jaar.</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>7.</li.nr>
                    <al>Het college van burgemeester en wethouder kan afzien van invordering als bedoeld in het vorige lid indien de verkoopwaarde van de woning minder bedraagt dan de openstaande hypotheeksommen.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.Acceptabele</nr>
              <titel>kosten bij een woontechnische of bouwkundige woonvoorziening</titel>
            </kop>
            <al>De volgende kosten kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening:</al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>a.</li.nr>
                <al>de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>b.</li.nr>
                <al>de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>c.</li.nr>
                <al>het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA (Bond van Nederlandse architecten). Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld, worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>d.</li.nr>
                <al>de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>e.</li.nr>
                <al>de leges, voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>f.</li.nr>
                <al>de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>g.</li.nr>
                <al>renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>h.</li.nr>
                <al>de prijs van bouwrijpe grond, als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>i.</li.nr>
                <al>de door het college van burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>j.</li.nr>
                <al>de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>k.</li.nr>
                <al>de kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening.</al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.Uitbreiding</nr>
              <titel>van ruimten</titel>
            </kop>
            <al>Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt:</al>
            <table>
              <tgroup cols="3">
                <colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="41*" />
                <colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="30*" />
                <colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="29*" />
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>
                        <nadruk type="cur">Soort vertrek </nadruk>
                      </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>
                        <nadruk type="cur">Bij aanbouw in m²</nadruk>
                      </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>
                        <nadruk type="cur">Bij uitbreiding m²</nadruk>
                      </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Woonkamer</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 30</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 6</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Keuken</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 10</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 4</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>1 persoonsslaapkamer</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 10</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 4</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>2 persoonsslaapkamer</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 18</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 4</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Toiletruimte </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 2</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 1</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Badkamer </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al />
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al />
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>-wastafelruimte</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 2</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 1</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>-doucheruimte</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 3</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 2</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Entree/hal/gang</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 5</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 2</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Berging</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 6</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 4</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.Gereedmelding</nr>
              <titel>van een woontechnische of bouwkundige woonvoorziening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De woningaanpassing moet binnen twaalf maanden na toekenning gereed gemeld zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Er wordt door de woningeigenaar toegang verleend aan de door de gemeente met controle te belasten personen, op door hen te bepalen tijdstippen, tot het aan te passen onroerend goed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Gedurende een periode van vijf jaar dienen alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te blijven.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Terugbetaling van meerwaarde</titel>
            </kop>
            <al>1.De eigenaar-bewoner die een woonvoorziening heeft ontvangen bestaande uit een aanbouw die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van vijf jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. </al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>2.</li.nr>
                <al>De meerwaarde van de woning dient volgens onderstaand afschrijvingsschema te worden terugbetaald:</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>voor het eerste jaar: 100% van de meerwaarde;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>voor het tweede jaar: 80% van de meerwaarde;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>voor het derde jaar: 60% van de meerwaarde;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>voor het vierde jaar: 40% van de meerwaarde;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>-</li.nr>
                    <al>voor het vijfde jaar: 20% van de meerwaarde.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
            <al>In alle gevallen verminderd met het percentage dat voor rekening van de eigenaar van de woonruimte is gebleven.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoersmiddel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.Persoonsgebonden</nr>
              <titel>budget bij vervoersvoorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst-adequate voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en verzekering. Deze verhoging bedraagt 7% van het in het eerste lid bedoelde persoonsgebonden budget.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De budgethouder kan jaarlijks gedurende de afschrijvingsperiode van zeven jaar de werkelijke gemaakte kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van de in het eerste lid bedoelde vervoersvoorziening tot maximaal het in het tweede lid genoemde bedrag bij het college van burgemeester en wethouders declareren.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23.</nr>
              <titel>Afschrijvingsperiode van vervoersvoorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Na afloop van de economische afschrijvingsperiode van zeven jaar van een vervoersvoorzieningter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning is het mogelijk dat de voorziening nog een resterende gebruiksduur heeft. Hierover kan een onafhankelijk advies worden ingewonnen, op basis waarvan wordt vastgesteld of de voorziening nog daadwerkelijk gebruikt kan worden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een vervoersvoorziening als bedoeld in het eerste lid wordt niet vervangen zolang de voorziening nog adequaat is en de kosten van het jaarlijkse onderhoud bij normaal gebruik hiervoor geen aanleiding geven. Dit geldt voor zowel de vervoersvoorziening die in natura als de vervoersvoorziening die in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24.Vervoersbudget</nr>
            </kop>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>1.</li.nr>
                <al>Het vervoersbudget, dat wordt verleend ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen in de rond de woonplaats gelegen regio, bedraagt:</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>•</li.nr>
                    <al> € 525,00 per jaar in het geval belanghebbende naast deze voorziening aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening die is gericht op compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning; </al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>•</li.nr>
                    <al>€ 700,00 per jaar in het geval belanghebbende naast deze voorziening geen aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening die is gericht op compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
            <al>Het college kan bewoners van een AWBZ-instelling in aanmerking brengen voor een lager vervoersbudget, namelijk </al>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>€ 262,50 per jaar in het geval belanghebbende naast deze voorziening aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening die is gericht op compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning; </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>€ 350,00 per jaar in het geval belanghebbende naast deze voorziening geen aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening die is gericht op compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning.</al>
                <lijst>
                  <li>
                    <li.nr>2.</li.nr>
                    <al>Het vervoersbudget, bedoeld in het eerste lid, wordt eens per kwartaal uitbetaald, nadat de belanghebbende aan wie dit budget is toegekend een schriftelijke verklaring heeft overgelegd over het aantal verreden kilometers en/of het aan het vervoer uitgegeven bedrag.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li>
                <li.nr>3.</li.nr>
                <al>Burgemeester en wethouders verlenen op aanvraag aan een persoon die in aanmerking is gebracht voor een vervoersbudget als bedoeld in het eerste lid, eenmalig een voorschot van vier maanden. Dit voorschot wordt verrekend met de laatste uitbetaling van genoemd vervoersbudget.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>4.</li.nr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen controleren of het vervoersbudget is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. De belanghebbende die voor genoemd vervoersbudget in aanmerking is gebracht, dient de bewijsstukken tot minimaal het einde van het jaar volgende op het jaar van de besteding te bewaren.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>5.</li.nr>
                <al>Tot 1 april van elk kalenderjaar bestaat de mogelijkheid om een verklaring, als bedoeld in het tweede lid, in te dienen over het voorafgaande kalenderjaar. Indien vorenbedoelde verklaring na 1 april wordt ingediend, dan wordt het vervoersbudget, voor zover dat betrekking heeft op verplaatsingen die hebben plaatsgevonden in het voorafgaande kalenderjaar, niet uitbetaald.</al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25.(Rolstoel)taxikostenvergoeding</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De (rolstoel)taxikostenvergoeding wordt maandelijks op declaratiebasis verstrekt. Het te vergoeden bedrag is gebaseerd op verplaatsingen van:</al>
              <lijst>
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>1.500 kilometer op jaarbasis als de belanghebbende tevens beschikt over een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsing rond de woning;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>2.000 kilometer op jaarbasis als de belanghebbende niet beschikt over een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsing rond de woning.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Tot 1 april van elk kalenderjaar bestaat de mogelijkheid de (rolstoel)taxikosten over het voorafgaande kalenderjaar bij het college te declareren. Als de declaratie na 1 april wordt ingediend, dan wordt de (rolstoel)taxikostenvergoeding, voor zover die betrekking heeft op verplaatsingen die hebben plaatsgevonden in het voorafgaande kalenderjaar, niet uitbetaald.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.Verplaatsen</nr>
            <titel>in en rond de woning</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26.</nr>
              <titel>Persoonsgebonden budget voor een rolstoel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorziening wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst-adequate voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het persoonsgebonden budget, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en verzekering. Deze verhoging bedraagt 5% van het in het eerste lid genoemde persoonsgebonden budget.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De budgethouder kan jaarlijks gedurende de afschrijvingsperiode van vijf jaar de werkelijke gemaakte kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van de rolstoelvoorziening tot maximaal het in het tweede lid genoemde bedrag bij het college declareren.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27.</nr>
              <titel>Afschrijvingsperiode</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Na afloop van de economische afschrijvingsperiode van vijf jaar van een rolstoelvoorziening, is het mogelijk dat de voorziening nog een resterende gebruiksduur heeft. Hierover kan een onafhankelijk advies worden ingewonnen, op basis waarvan wordt vastgesteld of de voorziening nog daadwerkelijk gebruikt kan worden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een rolstoelvoorziening wordt niet vervangen zolang de voorziening nog adequaat is en de kosten van het jaarlijkse onderhoud bij normaal gebruik hiervoor geen aanleiding geven. Dit geldt voor zowel de rolstoel die in natura als de rolstoel die in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8.De</nr>
            <titel>mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28.</nr>
              <titel>De financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening</titel>
            </kop>
            <al>De financiële tegemoetkoming in de kosten van een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.000,00. Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in de aanschaf, reparatie en het 8onderhoud aan een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>29.</nr>
              <titel>Beslissing college van burgemeester en wethouders in gevallen waarin het besluit niet voorziet</titel>
            </kop>
            <al>In gevallen, de uitvoering van dit besluit betreffende, waarin dit besluit niet voorziet, beslist het college van burgemeester en wethouders. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>30.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Dit besluit kan worden aangehaald als 'Besluit maatschappelijke ondersteuning Schagen 2014’.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>31.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Dit besluit treedt in werking 8 dagen na de dag waarop het is bekendgemaakt en werkt terug tot 1 maart 2014.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>32.</nr>
              <titel>Intrekking</titel>
            </kop>
            <al>Het Besluit maatschappelijke ondersteuning Schagen 2013 wordt ingetrokken.</al>
            <al />
            <al />
            <al>Aldus besloten in de vergadering 25 maart van 2014.</al>
            <al>Burgemeester en wethouders van Schagen,</al>
            <al>secretaris, burgemeester, </al>
            <al />
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting </titel>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Inleiding</titel>
          </kop>
          <al>Naast een verordening maatschappelijke ondersteuning is er ook een besluit maatschappelijke ondersteuning. In dit besluit zijn bij elkaar gebracht alle bedragen, die op basis van de verordening moeten worden vastgesteld. Daarnaast wordt in dit besluit de hoogte van de te vragen eigen bijdrage of eigen aandeel vastgelegd. </al>
        </divisie>
        <al>Naast een verordening maatschappelijke ondersteuning is er ook een besluit maatschappelijke ondersteuning. In dit besluit zijn bij elkaar gebracht alle bedragen, die op basis van de verordening moeten worden vastgesteld. Daarnaast wordt in dit besluit de hoogte van de te vragen eigen bijdrage of eigen aandeel vastgelegd. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 1. Begripsbepalingen </titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting.</al>
        </divisie>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 2. Keuzevrijheid </titel>
          </kop>
          <al>Een aanvrager komt in eerste instantie in aanmerking voor een algemene voorziening. Is die niet passend, dan kan de aanvrager al dan niet een individuele voorziening ontvangen. </al>
          <al>Ingevolge artikel 17 van de Verordening kunnen individuele voorzieningen als voorziening in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget worden verstrekt. In dit artikel wordt aangegeven in welke situaties die keuzevrijheid niet bestaat. Een aantal van deze situaties wordt hieronder nader toegelicht. </al>
          <al>Het vervoersbudget en de (rolstoel)taxikostenvergoeding, zijnde vervoersvoorzieningen die zijn gericht op de compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen in de rond de woonplaats gelegen regio, worden uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt. </al>
          <al>Bedragen voor onderhoud, reparatie en verzekering van een rolstoel en van een vervoersvoorziening ten aanzien van verplaatsingen over de korte afstand rond de woning worden uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt. Deze bedragen worden overigens alleen verstrekt als de rolstoel of vorenbedoelde vervoersvoorziening is verleend in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het zijn bedragen die bovenop het persoonsgebonden budget worden verstrekt. Een en ander is geregeld in artikel 22, tweede en derde lid, respectievelijk artikel 26, tweede en derde lid, van dit besluit. </al>
          <al>Complexe hulpmiddelen worden uitsluitend verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Voorbeelden van complexe hulpmiddelen zijn: een zitorthese, een omgevingsbesturing op een rolstoel en de aanpassing van een rolstoel ten behoeve van een robotarm. Voor alle duidelijkheid, het betreft hier geen limitatieve opsomming. </al>
        </divisie>
        <al>Een aanvrager komt in eerste instantie in aanmerking voor een algemene voorziening. Is die niet passend, dan kan de aanvrager al dan niet een individuele voorziening ontvangen. </al>
        <al>Ingevolge artikel 17 van de Verordening kunnen individuele voorzieningen als voorziening in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget worden verstrekt. In dit artikel wordt aangegeven in welke situaties die keuzevrijheid niet bestaat. Een aantal van deze situaties wordt hieronder nader toegelicht. </al>
        <al>Het vervoersbudget en de (rolstoel)taxikostenvergoeding, zijnde vervoersvoorzieningen die zijn gericht op de compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen in de rond de woonplaats gelegen regio, worden uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt. </al>
        <al>Bedragen voor onderhoud, reparatie en verzekering van een rolstoel en van een vervoersvoorziening ten aanzien van verplaatsingen over de korte afstand rond de woning worden uitsluitend als financiële tegemoetkoming verstrekt. Deze bedragen worden overigens alleen verstrekt als de rolstoel of vorenbedoelde vervoersvoorziening is verleend in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het zijn bedragen die bovenop het persoonsgebonden budget worden verstrekt. Een en ander is geregeld in artikel 22, tweede en derde lid, respectievelijk artikel 26, tweede en derde lid, van dit besluit. </al>
        <al>Complexe hulpmiddelen worden uitsluitend verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Voorbeelden van complexe hulpmiddelen zijn: een zitorthese, een omgevingsbesturing op een rolstoel en de aanpassing van een rolstoel ten behoeve van een robotarm. Voor alle duidelijkheid, het betreft hier geen limitatieve opsomming. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 2. Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 3.Weigering persoonsgebonden budget </titel>
          </kop>
          <al>Ingevolge artikel 19 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schagen 2013 legt het college in het gemeentelijk besluit vast in welke situaties sprake is van overwegende bezwaren op grond waarvan er geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. In dit artikel wordt artikel 19 van voornoemde verordening nader uitgewerkt. </al>
          <al>Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen. Indien op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden dat een aanvrager problemen zal krijgen met het omgaan van een persoonsgebonden budget, wordt dit als een contra-indicatie opgevat. Vervolgens wordt aangegeven in welke situaties hiervan sprake kan zijn. Het betreft hier overigens geen limitatieve opsomming. </al>
          <al>Voorts wordt aangeven dat geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt in het geval de aanvrager een progressieve aandoening of veranderd ziektebeeld heeft. Door het college zal een risico-inschatting moeten worden gemaakt: hoe groot is het risico dat het hulpmiddel dat aan een persoon met een progressief of veranderend ziektebeeld is verstrekt binnen een kort tijdbestek na verstrekking weer moet worden vervangen? Naarmate dat risico groter is, zal het college eerder geneigd zijn het verlenen van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te weigeren. Verstrekking van deze voorziening in natura is in dat geval dan aanzienlijk goedkoper. Hier komt nog bij dat een hulpmiddel dat met een persoonsgebonden budget is aangeschaft en dat bijvoorbeeld twee jaar later vanwege het progressieve of veranderende ziektebeeld van belanghebbende niet meer adequaat is en om die reden moet worden vervangen, veelal, zo leert de uitvoeringspraktijk, niet opnieuw kan worden ingezet. De vraag die zich nu aandient, is wat in dit verband onder een ‘kort tijdbestek’ moet worden verstaan. Hierbij zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de afschrijvingsperiode van dat desbetreffende hulpmiddel. Als voor dat hulpmiddel een afschrijvingsperiode geldt van zeven jaar en uit onderzoek blijkt dat het zeer waarschijnlijk is dat binnen een periode van bijvoorbeeld drie jaar het hulpmiddel weer moet worden vervangen, dan ligt het niet voor de hand dat deze voorziening door het college in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Het financiële risico dat de gemeente in dat geval loopt, is simpelweg te groot. Het belang van een doelmatige besteding van gemeenschapsgeld weegt in dat geval zwaarder dan de keuzevrijheid van de belanghebbende.</al>
          <al>Tot slot kan het verlenen van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget worden geweigerd, indien de aanvrager slechts gedurende een korte periode is aangewezen op een voorziening. De vraag die zich vervolgens aandient, is wat in dit verband onder een ‘korte periode’ moet worden verstaan. Aansluiting dient te worden gezocht bij de afschrijvingsperiode van een voorziening. Voor een scootermobiel bijvoorbeeld geldt een afschrijvingstermijn van zeven jaar. Indien uit onderzoek blijkt dat betrokkene gedurende een periode van drie jaar is aangewezen is op scootermobiel, dan mag het verstrekken van deze voorziening in de vorm van een persoonsgebonden worden geweigerd. De gemeente zou er financieel te veel bij inschieten, als zij gehouden zou zijn deze voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te verstrekken. Het in natura verstrekken van deze voorziening is voor de gemeente namelijk veel voordeliger. Deze keuze is uit het oogpunt van doelmatigheid zeer goed verdedigbaar. Het gaat hier immers om gemeenschapsgeld en de overheid is het aan de belastingbetaler verschuldigd de haar toevertrouwde financiële middelen doelmatig te besteden. </al>
          <al>Wellicht ten overvloede zij nog vermeld dat in het desbetreffende artikel aan het college beleidsvrijheid is toegekend, hetgeen wil zeggen dat niet wordt aangegeven wanneer deze bevoegdheid tot een positieve of negatieve toepassing moet leiden. Er is derhalve sprake van een zogenaamde ‘kanbepaling’. </al>
        </divisie>
        <al>Ingevolge artikel 19 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schagen 2013 legt het college in het gemeentelijk besluit vast in welke situaties sprake is van overwegende bezwaren op grond waarvan er geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. In dit artikel wordt artikel 19 van voornoemde verordening nader uitgewerkt. </al>
        <al>Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen. Indien op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden dat een aanvrager problemen zal krijgen met het omgaan van een persoonsgebonden budget, wordt dit als een contra-indicatie opgevat. Vervolgens wordt aangegeven in welke situaties hiervan sprake kan zijn. Het betreft hier overigens geen limitatieve opsomming. </al>
        <al>Voorts wordt aangeven dat geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt in het geval de aanvrager een progressieve aandoening of veranderd ziektebeeld heeft. Door het college zal een risico-inschatting moeten worden gemaakt: hoe groot is het risico dat het hulpmiddel dat aan een persoon met een progressief of veranderend ziektebeeld is verstrekt binnen een kort tijdbestek na verstrekking weer moet worden vervangen? Naarmate dat risico groter is, zal het college eerder geneigd zijn het verlenen van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te weigeren. Verstrekking van deze voorziening in natura is in dat geval dan aanzienlijk goedkoper. Hier komt nog bij dat een hulpmiddel dat met een persoonsgebonden budget is aangeschaft en dat bijvoorbeeld twee jaar later vanwege het progressieve of veranderende ziektebeeld van belanghebbende niet meer adequaat is en om die reden moet worden vervangen, veelal, zo leert de uitvoeringspraktijk, niet opnieuw kan worden ingezet. De vraag die zich nu aandient, is wat in dit verband onder een ‘kort tijdbestek’ moet worden verstaan. Hierbij zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de afschrijvingsperiode van dat desbetreffende hulpmiddel. Als voor dat hulpmiddel een afschrijvingsperiode geldt van zeven jaar en uit onderzoek blijkt dat het zeer waarschijnlijk is dat binnen een periode van bijvoorbeeld drie jaar het hulpmiddel weer moet worden vervangen, dan ligt het niet voor de hand dat deze voorziening door het college in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Het financiële risico dat de gemeente in dat geval loopt, is simpelweg te groot. Het belang van een doelmatige besteding van gemeenschapsgeld weegt in dat geval zwaarder dan de keuzevrijheid van de belanghebbende.</al>
        <al>Tot slot kan het verlenen van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget worden geweigerd, indien de aanvrager slechts gedurende een korte periode is aangewezen op een voorziening. De vraag die zich vervolgens aandient, is wat in dit verband onder een ‘korte periode’ moet worden verstaan. Aansluiting dient te worden gezocht bij de afschrijvingsperiode van een voorziening. Voor een scootermobiel bijvoorbeeld geldt een afschrijvingstermijn van zeven jaar. Indien uit onderzoek blijkt dat betrokkene gedurende een periode van drie jaar is aangewezen is op scootermobiel, dan mag het verstrekken van deze voorziening in de vorm van een persoonsgebonden worden geweigerd. De gemeente zou er financieel te veel bij inschieten, als zij gehouden zou zijn deze voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te verstrekken. Het in natura verstrekken van deze voorziening is voor de gemeente namelijk veel voordeliger. Deze keuze is uit het oogpunt van doelmatigheid zeer goed verdedigbaar. Het gaat hier immers om gemeenschapsgeld en de overheid is het aan de belastingbetaler verschuldigd de haar toevertrouwde financiële middelen doelmatig te besteden. </al>
        <al>Wellicht ten overvloede zij nog vermeld dat in het desbetreffende artikel aan het college beleidsvrijheid is toegekend, hetgeen wil zeggen dat niet wordt aangegeven wanneer deze bevoegdheid tot een positieve of negatieve toepassing moet leiden. Er is derhalve sprake van een zogenaamde ‘kanbepaling’. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 4. Regels rond verstrekking en verantwoording </titel>
          </kop>
          <al>Het eerste lid regelt de feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget. Het tweede lid de wijze waarop de het persoonsgebonden budget moet worden verantwoord. In het derde lid wordt geregeld welke stukken de budgethouder dient te bewaren. </al>
        </divisie>
        <al>Het eerste lid regelt de feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget. Het tweede lid de wijze waarop de het persoonsgebonden budget moet worden verantwoord. In het derde lid wordt geregeld welke stukken de budgethouder dient te bewaren. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 3. Eigen bijdrage en eigen aandeel </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 5.Omvang van eigen bijdrage en eigen aandeel </titel>
          </kop>
          <al>De gemeenteraad is op grond van artikel 15 lid 1 Wmo bevoegd te bepalen of de in deze bepaling omschreven persoon een eigen bijdrage verschuldigd is voor de aan hem verleende maatschappelijke ondersteuning (CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a. en CRvB 22-12-2010, nr. 10/1575 WMO). De gemeenteraad moet in de Wmo-verordening concreet aangeven dat een eigen bijdrage is verschuldigd. De gemeenteraad kan niet volstaan met het uitdrukkelijk open laten van de vraag of een eigen bijdrage is verschuldigd door te bepalen dat de aanvrager mogelijk een eigen bijdrage is verschuldigd (Rechtbank 's-Hertogenbosch 03-02-2011, nr. AWB 09/1470); of voor Wmo-voorzieningen een eigen bijdrage kan worden gevraagd. De gemeenteraad heeft van de in artikel 15 lid 1 Wmo neergelegde bevoegdheid gebruikgemaakt door in de Wmo-verordening de volgende bepaling op te nemen: <nadruk type="cur">“</nadruk><nadruk type="cur">Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de volgende resultaten:</nadruk></al>
        </divisie>
        <al>De gemeenteraad is op grond van artikel 15 lid 1 Wmo bevoegd te bepalen of de in deze bepaling omschreven persoon een eigen bijdrage verschuldigd is voor de aan hem verleende maatschappelijke ondersteuning (CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a. en CRvB 22-12-2010, nr. 10/1575 WMO). De gemeenteraad moet in de Wmo-verordening concreet aangeven dat een eigen bijdrage is verschuldigd. De gemeenteraad kan niet volstaan met het uitdrukkelijk open laten van de vraag of een eigen bijdrage is verschuldigd door te bepalen dat de aanvrager mogelijk een eigen bijdrage is verschuldigd (Rechtbank 's-Hertogenbosch 03-02-2011, nr. AWB 09/1470); of voor Wmo-voorzieningen een eigen bijdrage kan worden gevraagd. De gemeenteraad heeft van de in artikel 15 lid 1 Wmo neergelegde bevoegdheid gebruikgemaakt door in de Wmo-verordening de volgende bepaling op te nemen: <nadruk type="cur">“</nadruk><nadruk type="cur">Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de volgende resultaten:</nadruk></al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>
              <nadruk type="vet">a. een schoon en leefbaar huis;</nadruk>
            </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>b. beschikken over goederen voor <nadruk type="vet">primaire</nadruk> levensbehoeften;</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>c. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>d. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>e. wonen in een geschikt huis;</titel>
          </kop>
          <al>
            <nadruk type="cur">f</nadruk>
            <nadruk type="vet">
              <nadruk type="cur">. </nadruk>
            </nadruk>
            <nadruk type="cur">zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, voor zover dat resultaat bestaat uit een voorziening ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning;</nadruk>
          </al>
        </divisie>
        <al>
          <nadruk type="cur">f</nadruk>
          <nadruk type="vet">
            <nadruk type="cur">. </nadruk>
          </nadruk>
          <nadruk type="cur">zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, voor zover dat resultaat bestaat uit een voorziening ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning;</nadruk>
        </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>g. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Het college legt in het gemeentelijke besluit maatschappelijke ondersteuning de hoogte van de te vragen eigen bijdrage of eigen aandeel past.”</titel>
          </kop>
          <al>In deze bepaling wordt het college opgedragen nadere regels vast te leggen over de omvang van deze eigen bijdrage. Die gegeven opdracht aan het college tot nadere regelgeving is niet in strijd met artikel 15 lid 1 Wmo (CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a. en CRvB 22-12-2010, nr. 10/1575 WMO). Daarbij neemt de CRvB enerzijds de tekst van artikel 15 lid 1 Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15 lid 3 Wmo gebaseerde artikel 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de (hierboven genoemde) opdracht tot nadere regelgeving aan het college ((CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a. en CRvB 22-12-2010, nr. 10/1575 WMO). </al>
          <al>
            <nadruk type="ondlijn">Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB</nadruk>)</al>
          <al>Hoofdstuk IV van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) handelt over eigen bijdragen en het eigen aandeel bij financiële tegemoetkomingen. In artikel 4.1 van de AMvB wordt onder a, b, c en d aangegeven welke bedragen de minister als maximum laat gelden voor welke groepen. Lid 2 van artikel 4.1. geeft aan dat de gemeenteraad kan bepalen dat de genoemde bedragen in gelijke mate gewijzigd worden. Wat onder “in gelijke mate” wordt begrepen, staat verwoord in de concept AMvB op pagina 21. Ook het percentage van 15% kan naar beneden gewijzigd worden. De gemeente Schagen heeft hiervoor overigens niet gekozen. </al>
        </divisie>
        <al>In deze bepaling wordt het college opgedragen nadere regels vast te leggen over de omvang van deze eigen bijdrage. Die gegeven opdracht aan het college tot nadere regelgeving is niet in strijd met artikel 15 lid 1 Wmo (CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a. en CRvB 22-12-2010, nr. 10/1575 WMO). Daarbij neemt de CRvB enerzijds de tekst van artikel 15 lid 1 Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15 lid 3 Wmo gebaseerde artikel 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de (hierboven genoemde) opdracht tot nadere regelgeving aan het college ((CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a. en CRvB 22-12-2010, nr. 10/1575 WMO). </al>
        <al>
          <nadruk type="ondlijn">Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB</nadruk>)</al>
        <al>Hoofdstuk IV van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) handelt over eigen bijdragen en het eigen aandeel bij financiële tegemoetkomingen. In artikel 4.1 van de AMvB wordt onder a, b, c en d aangegeven welke bedragen de minister als maximum laat gelden voor welke groepen. Lid 2 van artikel 4.1. geeft aan dat de gemeenteraad kan bepalen dat de genoemde bedragen in gelijke mate gewijzigd worden. Wat onder “in gelijke mate” wordt begrepen, staat verwoord in de concept AMvB op pagina 21. Ook het percentage van 15% kan naar beneden gewijzigd worden. De gemeente Schagen heeft hiervoor overigens niet gekozen. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Geen eigen bijdrage vervoersbudget en (rolstoel)taxivergoeding </titel>
          </kop>
          <al>De gemeente Schagen heeft ervoor gekozen om bij het vervoersbudget en de (rolstoel)taxikostenvergoeding geen eigen bijdrage op te leggen. Dit kan worden afgeleid uit de zinsnede “<nadruk type="cur">voor zover dat resultaat bestaat uit een voorziening ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning</nadruk><nadruk type="cur">”</nadruk><nadruk type="cur">. </nadruk>Bij alle andere individuele voorzieningen </al>
          <al>wordt wel een eigen bijdrage c.q. eigen aandeel opgelegd.</al>
          <al>Aan dit besluit is volgende voorafgegaan. De portefeuillehouders van de fusiegemeenten hebben in het kader van de harmonisatie van het Wmo-beleid prestatieveld 6 laten uitzoeken wat het opleggen van een eigen bijdrage c.q. eigen aandeel de drie fusiegemeenten in financieel opzicht zou kunnen opleveren. </al>
          <al>Uit genoemd onderzoek is het volgende naar voren gekomen: </al>
          <lijst>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">“</nadruk>
                <nadruk type="cur">In de gemeenten Harenkarspel en Zijpe wordt het vervoersbudget op declaratiebasis uitbetaald. Ieder kwartaal geven de klanten op hoeveel kilometer ze hebben gereisd of welke bedrag ze aan vervoer hebben uitgegeven. Dit bedrag wordt uitbetaald, met dien verstande dat nooit meer kan worden uitbetaald dan het vastgestelde vervoersbudget. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">De gemeente Schagen kent een dergelijk declaratiesysteem niet. In de gemeente Schagen wordt het vervoersbudget per kwartaal uitbetaald en vervolgens wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of het budget besteed is aan het doel waarvoor het is verstrekt. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat in de gemeente Schagen het vervoersbudget wordt toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget, terwijl in de gemeenten Zijpe en Harenkarspel dit vervoersbudget in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verleend. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de gemeente Harenkarspel zijn in 2011 390 cliënten in aanmerking gebracht voor een </nadruk>
                <nadruk type="cur">v</nadruk>
                <nadruk type="cur">ervoersbudget. Dit vertegenwoordigde een bedrag van € 258.650,00 op jaarbasis. Deze 390 cliënten hebben in 2011 in totaal tot een bedrag van </nadruk>
              </al>
            </li>
          </lijst>
        </divisie>
        <al>De gemeente Schagen heeft ervoor gekozen om bij het vervoersbudget en de (rolstoel)taxikostenvergoeding geen eigen bijdrage op te leggen. Dit kan worden afgeleid uit de zinsnede “<nadruk type="cur">voor zover dat resultaat bestaat uit een voorziening ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning</nadruk><nadruk type="cur">”</nadruk><nadruk type="cur">. </nadruk>Bij alle andere individuele voorzieningen </al>
        <al>wordt wel een eigen bijdrage c.q. eigen aandeel opgelegd.</al>
        <al>Aan dit besluit is volgende voorafgegaan. De portefeuillehouders van de fusiegemeenten hebben in het kader van de harmonisatie van het Wmo-beleid prestatieveld 6 laten uitzoeken wat het opleggen van een eigen bijdrage c.q. eigen aandeel de drie fusiegemeenten in financieel opzicht zou kunnen opleveren. </al>
        <al>Uit genoemd onderzoek is het volgende naar voren gekomen: </al>
        <lijst>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">“</nadruk>
              <nadruk type="cur">In de gemeenten Harenkarspel en Zijpe wordt het vervoersbudget op declaratiebasis uitbetaald. Ieder kwartaal geven de klanten op hoeveel kilometer ze hebben gereisd of welke bedrag ze aan vervoer hebben uitgegeven. Dit bedrag wordt uitbetaald, met dien verstande dat nooit meer kan worden uitbetaald dan het vastgestelde vervoersbudget. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">De gemeente Schagen kent een dergelijk declaratiesysteem niet. In de gemeente Schagen wordt het vervoersbudget per kwartaal uitbetaald en vervolgens wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of het budget besteed is aan het doel waarvoor het is verstrekt. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat in de gemeente Schagen het vervoersbudget wordt toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget, terwijl in de gemeenten Zijpe en Harenkarspel dit vervoersbudget in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verleend. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de gemeente Harenkarspel zijn in 2011 390 cliënten in aanmerking gebracht voor een </nadruk>
              <nadruk type="cur">v</nadruk>
              <nadruk type="cur">ervoersbudget. Dit vertegenwoordigde een bedrag van € 258.650,00 op jaarbasis. Deze 390 cliënten hebben in 2011 in totaal tot een bedrag van </nadruk>
            </al>
          </li>
        </lijst>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>€ 159.976,00 aan vervoerskosten gedeclareerd.Uit het vorenstaande volgt dat in de gemeente Harenkarspel het declaratiesysteem in 2011 een besparing van </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>€98.674 heeft opgeleverd. Een besparing van 38% dus. </titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de gemeente Zijpe heeft genoemd declaratiesysteem een vergelijkbare besparing opgeleverd. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">Als de gemeente Schagen in 2011 ook een declaratiesysteem zou hebben gehanteerd, dan had dit de gemeente</nadruk>
                <nadruk type="cur"> Schagen</nadruk>
                <nadruk type="cur">, ervan uitgaande dat evenals in </nadruk>
                <nadruk type="cur">de gemeenten </nadruk>
                <nadruk type="cur">Zijpe en Harenkarspel slechts 62% van het totale vervoersbudget door de budgethouders wordt gedeclareerd, een besparing kunnen opleveren van (38% van € 173.606,00) € 65.970,28.</nadruk>
                <nadruk type="cur">Het opleggen van een eigen bijdrage levert de gemeente Schagen, zo is berekend, aanzienlijk minder op, namelijk een bedrag van ongeveer</nadruk>
                <nadruk type="cur">€55.751,00. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de gemeenten Harenkarspel en Zijpe, waar het zogenaamde declaratiesysteem wordt gehanteerd, is het opleggen van een eigen bijdrage wel mogelijk maar erg gecompliceerd. In het lopende jaar is namelijk niet bekend hoeveel van het toegekende vervoersbudget men gaat declareren. Pas op 1 april van het volgend jaar sluit de datum waarop men vervoerskosten van het vorige jaar kan declareren. Na deze datum komt het eventueel niet-gedeclareerd</nadruk>
                <nadruk type="cur">e</nadruk>
                <nadruk type="cur"> deel van het </nadruk>
                <nadruk type="cur">vervoers</nadruk>
                <nadruk type="cur">budget te vervallen. De eigen bijdrage zou dan achteraf door het CAK berekend moeten worden. Kortom, het berekenen, het opleggen en innen van de eigen bijdragen wordt op deze wijze een zeer ingewikkelde exercitie, met een veel </nadruk>
                <nadruk type="cur">gro</nadruk>
                <nadruk type="cur">tere kans op fouten en hoofdpijndossiers tot gevolg. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het is </nadruk>
                <nadruk type="cur">beslist </nadruk>
                <nadruk type="cur">niet onwaarschijnlijk dat het CAK, aangezien het bereken</nadruk>
                <nadruk type="cur">en</nadruk>
                <nadruk type="cur">, opleggen en innen van een eigen bijdrage in het hiervoor geschetste scenario aanmerkelijk ingewikkelder en bewerkelijker zal worden, bij de gemeente een hoger tarief voor haar diensten in rekening zal brengen.</nadruk>
                <nadruk type="cur">”</nadruk>
              </al>
            </li>
          </lijst>
          <al>Op grond van het bovenstaande is toen het volgende geconcludeerd:</al>
          <lijst>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">“</nadruk>
                <nadruk type="cur">het op declaratiebasis uitbetalen van het vervoersbudget levert de gemeente, zo heeft de uitvoeringspraktijk inmiddels uitgewezen, veel financieel voordeel op;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">het opleggen van een eigen bijdrage bij een vervoersbudget dat op declaratiebasis wordt uitbetaald leidt tot een ingewikkelde uitvoeringssystematiek, met alle gevolgen van dien: grotere kans op rekenfouten en ontevreden burgers etc. </nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">eigenlijk staan er twee reële opties open: </nadruk>
                <nadruk type="cur">het vervoersbudget verlenen in de vorm van een persoonsgebonden</nadruk>
                <nadruk type="cur"> budget</nadruk>
                <nadruk type="cur"> en vervolgens een eigen bijdrage opleggen </nadruk>
                <nadruk type="cur">of het vervoersbudget op declaratiebasis uitbetalen</nadruk>
                <nadruk type="cur"> (vervoersbudget wordt als </nadruk>
                <nadruk type="cur">financiële</nadruk>
                <nadruk type="cur"> tegemoetkoming toegekend) en vervolgens afzien van het opleggen van een eigen bijdrage</nadruk>
                <nadruk type="cur">;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>-</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">de tweede optie levert de gemeente aantoonbaar een hoger rendement op.</nadruk>
                <nadruk type="cur">”</nadruk>
              </al>
            </li>
          </lijst>
          <al>De portefeuillehouders van de fusiegemeenten hebben op basis van bovengenoemde bevindingen en conclusies besloten de tweede optie te omarmen. De nieuwe raad van de gemeente Schagen werd voorgesteld dienovereenkomstig te besluiten. </al>
        </divisie>
        <lijst>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de gemeente Zijpe heeft genoemd declaratiesysteem een vergelijkbare besparing opgeleverd. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">Als de gemeente Schagen in 2011 ook een declaratiesysteem zou hebben gehanteerd, dan had dit de gemeente</nadruk>
              <nadruk type="cur"> Schagen</nadruk>
              <nadruk type="cur">, ervan uitgaande dat evenals in </nadruk>
              <nadruk type="cur">de gemeenten </nadruk>
              <nadruk type="cur">Zijpe en Harenkarspel slechts 62% van het totale vervoersbudget door de budgethouders wordt gedeclareerd, een besparing kunnen opleveren van (38% van € 173.606,00) € 65.970,28.</nadruk>
              <nadruk type="cur">Het opleggen van een eigen bijdrage levert de gemeente Schagen, zo is berekend, aanzienlijk minder op, namelijk een bedrag van ongeveer</nadruk>
              <nadruk type="cur">€55.751,00. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">In de gemeenten Harenkarspel en Zijpe, waar het zogenaamde declaratiesysteem wordt gehanteerd, is het opleggen van een eigen bijdrage wel mogelijk maar erg gecompliceerd. In het lopende jaar is namelijk niet bekend hoeveel van het toegekende vervoersbudget men gaat declareren. Pas op 1 april van het volgend jaar sluit de datum waarop men vervoerskosten van het vorige jaar kan declareren. Na deze datum komt het eventueel niet-gedeclareerd</nadruk>
              <nadruk type="cur">e</nadruk>
              <nadruk type="cur"> deel van het </nadruk>
              <nadruk type="cur">vervoers</nadruk>
              <nadruk type="cur">budget te vervallen. De eigen bijdrage zou dan achteraf door het CAK berekend moeten worden. Kortom, het berekenen, het opleggen en innen van de eigen bijdragen wordt op deze wijze een zeer ingewikkelde exercitie, met een veel </nadruk>
              <nadruk type="cur">gro</nadruk>
              <nadruk type="cur">tere kans op fouten en hoofdpijndossiers tot gevolg. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het is </nadruk>
              <nadruk type="cur">beslist </nadruk>
              <nadruk type="cur">niet onwaarschijnlijk dat het CAK, aangezien het bereken</nadruk>
              <nadruk type="cur">en</nadruk>
              <nadruk type="cur">, opleggen en innen van een eigen bijdrage in het hiervoor geschetste scenario aanmerkelijk ingewikkelder en bewerkelijker zal worden, bij de gemeente een hoger tarief voor haar diensten in rekening zal brengen.</nadruk>
              <nadruk type="cur">”</nadruk>
            </al>
          </li>
        </lijst>
        <al>Op grond van het bovenstaande is toen het volgende geconcludeerd:</al>
        <lijst>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">“</nadruk>
              <nadruk type="cur">het op declaratiebasis uitbetalen van het vervoersbudget levert de gemeente, zo heeft de uitvoeringspraktijk inmiddels uitgewezen, veel financieel voordeel op;</nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">het opleggen van een eigen bijdrage bij een vervoersbudget dat op declaratiebasis wordt uitbetaald leidt tot een ingewikkelde uitvoeringssystematiek, met alle gevolgen van dien: grotere kans op rekenfouten en ontevreden burgers etc. </nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">eigenlijk staan er twee reële opties open: </nadruk>
              <nadruk type="cur">het vervoersbudget verlenen in de vorm van een persoonsgebonden</nadruk>
              <nadruk type="cur"> budget</nadruk>
              <nadruk type="cur"> en vervolgens een eigen bijdrage opleggen </nadruk>
              <nadruk type="cur">of het vervoersbudget op declaratiebasis uitbetalen</nadruk>
              <nadruk type="cur"> (vervoersbudget wordt als </nadruk>
              <nadruk type="cur">financiële</nadruk>
              <nadruk type="cur"> tegemoetkoming toegekend) en vervolgens afzien van het opleggen van een eigen bijdrage</nadruk>
              <nadruk type="cur">;</nadruk>
            </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>-</li.nr>
            <al>
              <nadruk type="cur">de tweede optie levert de gemeente aantoonbaar een hoger rendement op.</nadruk>
              <nadruk type="cur">”</nadruk>
            </al>
          </li>
        </lijst>
        <al>De portefeuillehouders van de fusiegemeenten hebben op basis van bovengenoemde bevindingen en conclusies besloten de tweede optie te omarmen. De nieuwe raad van de gemeente Schagen werd voorgesteld dienovereenkomstig te besluiten. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 4. Hulp bij het huishouden </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 6. Vaststelling persoonsgebonden budget </titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt aangegeven hoe het persoonsgebonden budget voor de verschillende vormen van hulp bij het huishouden wordt vastgesteld.</al>
          <al>In het eerste lid gaat het om tarieven van de hulp bij het huishouden die door instellingen wordt verleend. Die instellingen worden door de gemeente gecontracteerd en daar voor worden tarieven afgesproken. Als het gaat om hulp bij het huishouden gelden er twee tarieven: de zogenaamde hh1, exclusief de regievoering, en de zogenaamde hh2, inclusief de regievoering. Die regievoering is alleen noodzakelijk als betrokkene of een huisgenoot de regie absoluut niet kan voeren. Voor hh1 bedraagt het tarief € 21,00 per uur en voor hh2 </al>
          <al>€ 25,20 per uur. Deze tarieven gelden voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. Het persoonsgebonden budget bedraagt 100% van de kosten van hulp bij het huishouden in natura. Ergo: het persoonsgebonden budget hh1 bedraagt € 21,00 per uur en het persoonsgebonden budget hh2 € 25,20 per uur. </al>
          <al>Uitgangspunt voor (de hoogte van) het persoonsgebonden budget is dat het budget toereikend moet zijn en vergelijkbaar met een voorziening in natura (<nadruk type="ondlijn">artikel 6 lid 1 </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>). <nadruk type="ondlijn">Artikel 6 lid 1 </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> bepaalt dat een persoonsgebonden budget toereikend moet zijn en vergelijkbaar met een voorziening in natura. De CRvB heeft zich in diverse uitspraken uitgelaten over de "vergelijkbaarheid" en wat de maatstaf is voor de vergelijking. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt in twee situaties:</al>
        </divisie>
        <al>In dit artikel wordt aangegeven hoe het persoonsgebonden budget voor de verschillende vormen van hulp bij het huishouden wordt vastgesteld.</al>
        <al>In het eerste lid gaat het om tarieven van de hulp bij het huishouden die door instellingen wordt verleend. Die instellingen worden door de gemeente gecontracteerd en daar voor worden tarieven afgesproken. Als het gaat om hulp bij het huishouden gelden er twee tarieven: de zogenaamde hh1, exclusief de regievoering, en de zogenaamde hh2, inclusief de regievoering. Die regievoering is alleen noodzakelijk als betrokkene of een huisgenoot de regie absoluut niet kan voeren. Voor hh1 bedraagt het tarief € 21,00 per uur en voor hh2 </al>
        <al>€ 25,20 per uur. Deze tarieven gelden voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. Het persoonsgebonden budget bedraagt 100% van de kosten van hulp bij het huishouden in natura. Ergo: het persoonsgebonden budget hh1 bedraagt € 21,00 per uur en het persoonsgebonden budget hh2 € 25,20 per uur. </al>
        <al>Uitgangspunt voor (de hoogte van) het persoonsgebonden budget is dat het budget toereikend moet zijn en vergelijkbaar met een voorziening in natura (<nadruk type="ondlijn">artikel 6 lid 1 </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>). <nadruk type="ondlijn">Artikel 6 lid 1 </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> bepaalt dat een persoonsgebonden budget toereikend moet zijn en vergelijkbaar met een voorziening in natura. De CRvB heeft zich in diverse uitspraken uitgelaten over de "vergelijkbaarheid" en wat de maatstaf is voor de vergelijking. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt in twee situaties:</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>ad 1 hulp werkzaam voor een instelling </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>In deze situatie is het uurtarief waarvoor de gemeente hulp bij het huishouden heeft gecontracteerd het uitgangspunt. Dat uitgangspunt laat echter onverlet dat een belanghebbende zich in het concrete geval op het standpunt kan stellen dat de door de gemeente gecontracteerde zorg zich in zijn geval niet kwalificeert als compensatie in zin van artikel 4 Wmo. Het college zal zich in dat geval daarover, gezien artikel 26 Wmo, een gemotiveerd oordeel moeten vormen. </titel>
          </kop>
          <al>Onder de AWBZ werd ervan uitgegaan dat budgethouders bezuinigden op de overheadkosten. Daarom bedroeg het persoonsgebonden budget 75% van de gemiddelde vergelijkbare zorg in natura. Deze praktijk wordt ook door diverse gemeenten onder de Wmo gevoerd, maar vindt in de ogen van de CRvB geen genade De CRvB stelt zich op het standpunt dat de korting niet mag worden toegepast als onvoldoende inzicht bestaat in de vraag of voor het lagere tarief hulp bij het huishouden kan worden ingekocht van dezelfde kwaliteit als de door de gemeente gecontracteerde hulp bij het huishouden. In CRvB 05-10-2011, nrs. 10/2184 WMO e.a. wordt het begrip kwaliteit nader gespecificeerd: Het college dient aannemelijk te maken dat met het lagere tarief zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg.</al>
          <al>Onder meer naar aanleiding van deze jurisprudentie is besloten het persoonsgebonden budget vast te stellen op 100% van de kosten van hulp bij het huishouden in natura.</al>
          <al>2.Hulp niet werkzaam voor een instelling</al>
          <al>De bovenstaande lijn gold voorheen eigenlijk ook voor hulpen, die niet voor een instelling werken. Dat is sinds kort echter niet langer het geval.</al>
          <al>In twee recente uitspraken heeft de CRvB namelijk een precisering van zijn vaste jurisprudentie gegeven voor de situatie dat de zorg wordt verleend door een persoon, die ten tijde van die verlening niet werkzaam was voor een zorginstelling (<nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 25-07-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/4485 WMO e.a.</nadruk> en <nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 29-08-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/2347 WMO e.a.</nadruk>). Deze precisering houdt in dat voor het bepalen van de hoogte van het uurtarief kan worden uitgegaan van een lager uurtarief dan het tarief waarvoor de gemeente de zorg in natura heeft gecontracteerd. De CRvB neemt, in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis van het per 1 september 2012 inwerking getreden <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>, van het uurloon behorende bij functiewaarderingsgroep (FWG) 15 van de CAO Thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren als uitgangspunt. Het laatste element is afhankelijk van variabelen, maar in hoofdlijnen houdt deze berekeningswijze in dat het cao-loon in deze functiegroep wordt verhoogd met 20%. De CRvB stelt het bedrag per uur vast op - afgerond € 15,50.</al>
          <al>In <nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 25-07-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/4485 WMO e.a.</nadruk> acht de CRvB geen objectieve gegevens voor een ander aanknopingspunt dan het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg aanwezig. </al>
          <al>In <nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 29-08-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/2347 WMO e.a.</nadruk> is volgens de CRvB wel sprake van objectieve aanknopingspunten om uit te gaan van een lager uurloon dan dat van functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg. Het college heeft beoordeeld welk loon passend is bij de kwaliteitseisen die de gemeente heeft gehanteerd in het bestek van het aanbesteden van zorg in natura. Daarbij is het college uitgekomen op het loon dat vergelijkbaar is met functiewaarderingsgroep 10 van de CAO Thuiszorg, verhoogd met een component voor vakantievervanging. Het college heeft aangegeven dat in de situatie van appellante geen noodzaak is gevonden voor de conclusie dat de zorgverlener in staat moet zijn de zogenoemde signaleringsfunctie te vervullen en dat er dus in het bijzonder geen aanleiding bestaat om aansluiting te zoeken bij functiewaarderingsgroep 15 van de CAO Thuiszorg.</al>
          <al>De CRvB maakt een nadrukkelijk voorbehoud voor zijn precisering, namelijk dat deze uitsluitend geldt voor besluiten die genomen zijn vóór 1 september 2012, de datum van inwerkingtreding van <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>. Dat roept de vraag op hoe de CRvB zal oordelen over besluiten die na 1 september 2012 zijn genomen. </al>
          <al>Per 1 september 2012 bevat <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> een bepaling over basistarieven voor huishoudelijke verzorging (hierna: hulp bij het huishouden). De gemeenten moeten op grond van <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> basistarieven vaststellen voor het verlenen van hulp bij het huishouden. De basistarieven worden dus lokaal vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente meer verantwoordelijkheid en kan rekening worden gehouden met lokale verschillen. Wel moet de gemeenteraad daarbij rekening houden met in <nadruk type="ondlijn">artikel 21a lid 2 </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> vastgestelde voorwaarden om te voorkomen dat gemeenten onder de kostprijs gaan zitten en dus tekortschieten. Die voorwaarden zijn dat de basistarieven worden vastgesteld:</al>
          <lijst>
            <li>
              <li.nr>•</li.nr>
              <al>op basis van reële kostprijzen van de onderscheidenlijke vormen van hulp bij het huishouden; en </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>•</li.nr>
              <al>uitgaande van inzet van personeel door de aanbieder tegen arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden benodigd voor het leveren van huishoudelijke verzorging. </al>
            </li>
          </lijst>
          <al>In februari 2013 hebben de raden van de gemeenten Noord-Holland -Noord bovengenoemde basistarieven worden vastgesteld. Blijkens het raadsbesluit is het basistarief HH1 vastgesteld op € 19,91 per uur en het basistarief HH2 op € 23,98 per uur. Aan deze vaststelling lagen de volgende overwegingen ten grondslag: </al>
        </divisie>
        <al>Onder de AWBZ werd ervan uitgegaan dat budgethouders bezuinigden op de overheadkosten. Daarom bedroeg het persoonsgebonden budget 75% van de gemiddelde vergelijkbare zorg in natura. Deze praktijk wordt ook door diverse gemeenten onder de Wmo gevoerd, maar vindt in de ogen van de CRvB geen genade De CRvB stelt zich op het standpunt dat de korting niet mag worden toegepast als onvoldoende inzicht bestaat in de vraag of voor het lagere tarief hulp bij het huishouden kan worden ingekocht van dezelfde kwaliteit als de door de gemeente gecontracteerde hulp bij het huishouden. In CRvB 05-10-2011, nrs. 10/2184 WMO e.a. wordt het begrip kwaliteit nader gespecificeerd: Het college dient aannemelijk te maken dat met het lagere tarief zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg.</al>
        <al>Onder meer naar aanleiding van deze jurisprudentie is besloten het persoonsgebonden budget vast te stellen op 100% van de kosten van hulp bij het huishouden in natura.</al>
        <al>2.Hulp niet werkzaam voor een instelling</al>
        <al>De bovenstaande lijn gold voorheen eigenlijk ook voor hulpen, die niet voor een instelling werken. Dat is sinds kort echter niet langer het geval.</al>
        <al>In twee recente uitspraken heeft de CRvB namelijk een precisering van zijn vaste jurisprudentie gegeven voor de situatie dat de zorg wordt verleend door een persoon, die ten tijde van die verlening niet werkzaam was voor een zorginstelling (<nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 25-07-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/4485 WMO e.a.</nadruk> en <nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 29-08-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/2347 WMO e.a.</nadruk>). Deze precisering houdt in dat voor het bepalen van de hoogte van het uurtarief kan worden uitgegaan van een lager uurtarief dan het tarief waarvoor de gemeente de zorg in natura heeft gecontracteerd. De CRvB neemt, in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis van het per 1 september 2012 inwerking getreden <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>, van het uurloon behorende bij functiewaarderingsgroep (FWG) 15 van de CAO Thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren als uitgangspunt. Het laatste element is afhankelijk van variabelen, maar in hoofdlijnen houdt deze berekeningswijze in dat het cao-loon in deze functiegroep wordt verhoogd met 20%. De CRvB stelt het bedrag per uur vast op - afgerond € 15,50.</al>
        <al>In <nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 25-07-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/4485 WMO e.a.</nadruk> acht de CRvB geen objectieve gegevens voor een ander aanknopingspunt dan het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg aanwezig. </al>
        <al>In <nadruk type="ondlijn">CRvB</nadruk><nadruk type="ondlijn"> 29-08-2012, </nadruk><nadruk type="ondlijn">nrs</nadruk><nadruk type="ondlijn">. 09/2347 WMO e.a.</nadruk> is volgens de CRvB wel sprake van objectieve aanknopingspunten om uit te gaan van een lager uurloon dan dat van functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg. Het college heeft beoordeeld welk loon passend is bij de kwaliteitseisen die de gemeente heeft gehanteerd in het bestek van het aanbesteden van zorg in natura. Daarbij is het college uitgekomen op het loon dat vergelijkbaar is met functiewaarderingsgroep 10 van de CAO Thuiszorg, verhoogd met een component voor vakantievervanging. Het college heeft aangegeven dat in de situatie van appellante geen noodzaak is gevonden voor de conclusie dat de zorgverlener in staat moet zijn de zogenoemde signaleringsfunctie te vervullen en dat er dus in het bijzonder geen aanleiding bestaat om aansluiting te zoeken bij functiewaarderingsgroep 15 van de CAO Thuiszorg.</al>
        <al>De CRvB maakt een nadrukkelijk voorbehoud voor zijn precisering, namelijk dat deze uitsluitend geldt voor besluiten die genomen zijn vóór 1 september 2012, de datum van inwerkingtreding van <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>. Dat roept de vraag op hoe de CRvB zal oordelen over besluiten die na 1 september 2012 zijn genomen. </al>
        <al>Per 1 september 2012 bevat <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> een bepaling over basistarieven voor huishoudelijke verzorging (hierna: hulp bij het huishouden). De gemeenten moeten op grond van <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> basistarieven vaststellen voor het verlenen van hulp bij het huishouden. De basistarieven worden dus lokaal vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente meer verantwoordelijkheid en kan rekening worden gehouden met lokale verschillen. Wel moet de gemeenteraad daarbij rekening houden met in <nadruk type="ondlijn">artikel 21a lid 2 </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk> vastgestelde voorwaarden om te voorkomen dat gemeenten onder de kostprijs gaan zitten en dus tekortschieten. Die voorwaarden zijn dat de basistarieven worden vastgesteld:</al>
        <lijst>
          <li>
            <li.nr>•</li.nr>
            <al>op basis van reële kostprijzen van de onderscheidenlijke vormen van hulp bij het huishouden; en </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>•</li.nr>
            <al>uitgaande van inzet van personeel door de aanbieder tegen arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden benodigd voor het leveren van huishoudelijke verzorging. </al>
          </li>
        </lijst>
        <al>In februari 2013 hebben de raden van de gemeenten Noord-Holland -Noord bovengenoemde basistarieven worden vastgesteld. Blijkens het raadsbesluit is het basistarief HH1 vastgesteld op € 19,91 per uur en het basistarief HH2 op € 23,98 per uur. Aan deze vaststelling lagen de volgende overwegingen ten grondslag: </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         bruto uurloon gebaseerd op de CAO voor Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg per 1-6-2012, geldend vanaf 1 januari 2013.</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>o    Voor het HH1-tarief is uitgegaan bij FWG 10 periodiek 1 t/m 4, van periodiek 3.</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>o    Voor het HH2-tarief is uitgegaan bij FWG 15 periodiek 1 t/m 8, van periodiek 6. </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>(Gelet op de 8 periodieken in FWG 15 vinden wij max-1 geen reëel uitgangspunt) </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         vakantiegeld, rekening houdende met het minimum </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         eindejaarsuitkering, 5,5%</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         pensioen op basis van afspraken per 2013</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         sociale lasten inclusief zvw</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         opleiding, reistijd, reiskosten, 5%</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         feestdagen en ziekteverzuim</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>         overhead en marge voor de aanbieder (20%) </titel>
          </kop>
          <al>De projectgroep Europese aanbesteding Hulp bij het Huishouden heeft –wellicht in navolging van bovengenoemde jurisprudentie- bij de berekening van de basistarieven ook aangehaakt bij het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg voor wat betreft HH2 en een voor wat betreft HH1 bij functiegroep 10 van voornoemde cao.</al>
          <al>De CRvB maakt - zoals vermeld- een nadrukkelijk voorbehoud voor zijn precisering, namelijk dat deze uitsluitend geldt voor besluiten die genomen zijn vóór 1 september 2012, de datum van inwerkingtreding van <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>. Dat roept de vraag op hoe de CRvB zal oordelen over besluiten die na 1 september 2012 zijn genomen. </al>
          <al>Er bestaat naar de mening van de auteurs van dit Handboek Schulinck op dit moment nog onvoldoende aanleiding om uit het voorbehoud a contrario af te leiden dat een lager pgb-tarief dan het gecontracteerde tarief na 1 september 2012 niet meer is toegestaan. </al>
          <al>Als blijkt dat na 1 september 2012 inderdaad een lager pgb-tarief dan het gecontracteerde tarief is toegestaan, dringt zich een andere vraag op. Is het toegestaan het tarief van het pgb lager vast te stellen dan bovengenoemde basistarieven? Dienaangaande kan het volgende worden overwogen. Een hulp die niet voor een instelling werkt maar voor zich zelf mist een aantal kosten die een instelling wel heeft, namelijk de overhead. De projectgroep Europese aanbesteding heeft bij de vaststelling van de basistarieven ook de overhead in aanmerking genomen. De projectgroep Europese aanbesteding hulp bij het huishouden heeft een berekening gemaakt van de totale kosten van een Fte hulp bij het huishouden. De totale kosten werden vervolgens gedeeld door het aantal werkbare uren per jaar, in casu € 1567,80 uren. Ten slotte werden de kosten per uur verhoogd met 20%, zijnde de overhead voor de zorgaanbieder. Overeenkomstig deze berekeningsmethodiek werd het basistarief HH1 vastgesteld op € 19,91 per uur ( kosten per uur ad € 16,59 + 20% overhead ad € 3,32) en het basistarief voor HH2 op € 23,98 per uur ( kosten per uur ad € 19,98 + 20% overhead ad € 4,00). Indien een hulp niet voor een instelling werkt, is het gelet op het vorenstaande alleszins verdedigbaar om bij de vaststelling van het pgb-tarief aan te haken bij bovengenoemde berekeningssystematiek van de projectgroep, met dien verstande dat de overhead buiten beschouwing wordt gelaten, aangezien een hulp die voor zich zelf werkt deze kosten niet heeft. Dit betekent dat het persoonsgebonden budget, ingeval een hulp wordt ingeschakeld die geen dienstverband heeft met een instelling, wordt vastgesteld op € 16,59 per uur in geval van HH1 en € 19,98 per uur in geval van HH2. </al>
        </divisie>
        <al>De projectgroep Europese aanbesteding Hulp bij het Huishouden heeft –wellicht in navolging van bovengenoemde jurisprudentie- bij de berekening van de basistarieven ook aangehaakt bij het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg voor wat betreft HH2 en een voor wat betreft HH1 bij functiegroep 10 van voornoemde cao.</al>
        <al>De CRvB maakt - zoals vermeld- een nadrukkelijk voorbehoud voor zijn precisering, namelijk dat deze uitsluitend geldt voor besluiten die genomen zijn vóór 1 september 2012, de datum van inwerkingtreding van <nadruk type="ondlijn">artikel 21a </nadruk><nadruk type="ondlijn">Wmo</nadruk>. Dat roept de vraag op hoe de CRvB zal oordelen over besluiten die na 1 september 2012 zijn genomen. </al>
        <al>Er bestaat naar de mening van de auteurs van dit Handboek Schulinck op dit moment nog onvoldoende aanleiding om uit het voorbehoud a contrario af te leiden dat een lager pgb-tarief dan het gecontracteerde tarief na 1 september 2012 niet meer is toegestaan. </al>
        <al>Als blijkt dat na 1 september 2012 inderdaad een lager pgb-tarief dan het gecontracteerde tarief is toegestaan, dringt zich een andere vraag op. Is het toegestaan het tarief van het pgb lager vast te stellen dan bovengenoemde basistarieven? Dienaangaande kan het volgende worden overwogen. Een hulp die niet voor een instelling werkt maar voor zich zelf mist een aantal kosten die een instelling wel heeft, namelijk de overhead. De projectgroep Europese aanbesteding heeft bij de vaststelling van de basistarieven ook de overhead in aanmerking genomen. De projectgroep Europese aanbesteding hulp bij het huishouden heeft een berekening gemaakt van de totale kosten van een Fte hulp bij het huishouden. De totale kosten werden vervolgens gedeeld door het aantal werkbare uren per jaar, in casu € 1567,80 uren. Ten slotte werden de kosten per uur verhoogd met 20%, zijnde de overhead voor de zorgaanbieder. Overeenkomstig deze berekeningsmethodiek werd het basistarief HH1 vastgesteld op € 19,91 per uur ( kosten per uur ad € 16,59 + 20% overhead ad € 3,32) en het basistarief voor HH2 op € 23,98 per uur ( kosten per uur ad € 19,98 + 20% overhead ad € 4,00). Indien een hulp niet voor een instelling werkt, is het gelet op het vorenstaande alleszins verdedigbaar om bij de vaststelling van het pgb-tarief aan te haken bij bovengenoemde berekeningssystematiek van de projectgroep, met dien verstande dat de overhead buiten beschouwing wordt gelaten, aangezien een hulp die voor zich zelf werkt deze kosten niet heeft. Dit betekent dat het persoonsgebonden budget, ingeval een hulp wordt ingeschakeld die geen dienstverband heeft met een instelling, wordt vastgesteld op € 16,59 per uur in geval van HH1 en € 19,98 per uur in geval van HH2. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 7. Ingangsdatum persoonsgebonden budget </titel>
          </kop>
          <al>In de uitvoeringspraktijk gaat de hulp bij het huishouden, als deze in natura wordt verleend, in principe in op de eerste dag van de week volgende op die waarop het besluit is genomen. Dit artikel haakt hierop in door te bepalen dat het persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden eveneens ingaat op de eerste dag van de week volgende op die waarop het besluit is genomen. Hiermee wordt bereikt dat wat de ingangsdatum van de voorziening betreft geen onderscheid wordt gemaakt tussen degene die hulp bij het huishouden in natura ontvangt en degene die deze voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget ontvangt. Van de in artikel 7 neergelegde hoofdregel kan worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval dit rechtvaardigen. Het spreekt vanzelf dat zowel in de ambtelijke rapportage als in de beschikking wordt aangegeven op welke gronden van genoemde hoofdregel is afgeweken. </al>
        </divisie>
        <al>In de uitvoeringspraktijk gaat de hulp bij het huishouden, als deze in natura wordt verleend, in principe in op de eerste dag van de week volgende op die waarop het besluit is genomen. Dit artikel haakt hierop in door te bepalen dat het persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden eveneens ingaat op de eerste dag van de week volgende op die waarop het besluit is genomen. Hiermee wordt bereikt dat wat de ingangsdatum van de voorziening betreft geen onderscheid wordt gemaakt tussen degene die hulp bij het huishouden in natura ontvangt en degene die deze voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget ontvangt. Van de in artikel 7 neergelegde hoofdregel kan worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval dit rechtvaardigen. Het spreekt vanzelf dat zowel in de ambtelijke rapportage als in de beschikking wordt aangegeven op welke gronden van genoemde hoofdregel is afgeweken. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 8.Beëindiging hulp bij het huishouden </titel>
          </kop>
          <al>Artikel 27, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2013 luidt als volgt: “Het college kan in ieder geval in de volgende situaties een voorziening beëindigen: </al>
          <lijst>
            <li>
              <li.nr>a)</li.nr>
              <al>de belanghebbende die de verstrekking ontvangt komt te overlijden; </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>b)</li.nr>
              <al>de belanghebbende die de verstrekking ontvangt, behoort niet langer tot de doelgroep van de wet;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>c)</li.nr>
              <al>de belanghebbende die de verstrekking ontvangt, verhuist naar een andere gemeente; </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>d)</li.nr>
              <al>degene die de verstrekking ontvangt, kan een beroep doen op een andere voorziening.” </al>
            </li>
          </lijst>
          <al>Het tweede luidt als volgt: “De beëindiging gaat in op de datum waarop een van de in het eerste lid genoemde situaties zich voordoet.” </al>
          <al>In het eerste lid van dit artikel wordt in gunstige zin afgeweken van artikel 27 van voornoemde verordening. Het persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden wordt namelijk beëindigd op de laatste dag van de week volgende op de week waarin de wijziging heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan geen aanspraak meer bestaat op het persoonsgebonden budget. </al>
          <al>In het tweede lid wordt bepaald dat de hulp bij het huishouden in het geval van overlijden maximaal vier weken na het overlijden gehandhaafd blijft, tenzij er sprake van een eenpersoonshuishouden. Hierbij maakt het overigens niet uit of de hulp bij het huishouden in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De platforms Wmo c.q. adviesraden Wmo van de fusiegemeenten vroegen zich nog af of is overwogen de achterblijvende partner, indien ook hulpbehoevend, meer tijd te geven om een aanvraag in te dienen. Hierop heeft de ambtelijke werkgroep die het Besluit maatschappelijke ondersteuning heeft opgesteld het volgende geantwoord: “<nadruk type="cur">Dit is</nadruk><nadruk type="cur"> o</nadruk><nadruk type="cur">verwogen, maar werd niet noodzakelijk geacht. De achterblijver is namelijk ook hulpbehoevend. Anders zou de overleden partner nimmer hulp bij het huishouden hebben ontvangen. Er hoeft dus feitelijk alleen een heronderzoek</nadruk><nadruk type="cur">te worden uitgevoerd. De uitvoeringspraktijk leert dat een dergelijk heronderzoek vrijwel altijd binnen een tijdbestek van vier weken kan worden uitgevoerd.</nadruk><nadruk type="cur">”</nadruk></al>
        </divisie>
        <al>Artikel 27, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2013 luidt als volgt: “Het college kan in ieder geval in de volgende situaties een voorziening beëindigen: </al>
        <lijst>
          <li>
            <li.nr>a)</li.nr>
            <al>de belanghebbende die de verstrekking ontvangt komt te overlijden; </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>b)</li.nr>
            <al>de belanghebbende die de verstrekking ontvangt, behoort niet langer tot de doelgroep van de wet;</al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>c)</li.nr>
            <al>de belanghebbende die de verstrekking ontvangt, verhuist naar een andere gemeente; </al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>d)</li.nr>
            <al>degene die de verstrekking ontvangt, kan een beroep doen op een andere voorziening.” </al>
          </li>
        </lijst>
        <al>Het tweede luidt als volgt: “De beëindiging gaat in op de datum waarop een van de in het eerste lid genoemde situaties zich voordoet.” </al>
        <al>In het eerste lid van dit artikel wordt in gunstige zin afgeweken van artikel 27 van voornoemde verordening. Het persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden wordt namelijk beëindigd op de laatste dag van de week volgende op de week waarin de wijziging heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan geen aanspraak meer bestaat op het persoonsgebonden budget. </al>
        <al>In het tweede lid wordt bepaald dat de hulp bij het huishouden in het geval van overlijden maximaal vier weken na het overlijden gehandhaafd blijft, tenzij er sprake van een eenpersoonshuishouden. Hierbij maakt het overigens niet uit of de hulp bij het huishouden in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De platforms Wmo c.q. adviesraden Wmo van de fusiegemeenten vroegen zich nog af of is overwogen de achterblijvende partner, indien ook hulpbehoevend, meer tijd te geven om een aanvraag in te dienen. Hierop heeft de ambtelijke werkgroep die het Besluit maatschappelijke ondersteuning heeft opgesteld het volgende geantwoord: “<nadruk type="cur">Dit is</nadruk><nadruk type="cur"> o</nadruk><nadruk type="cur">verwogen, maar werd niet noodzakelijk geacht. De achterblijver is namelijk ook hulpbehoevend. Anders zou de overleden partner nimmer hulp bij het huishouden hebben ontvangen. Er hoeft dus feitelijk alleen een heronderzoek</nadruk><nadruk type="cur">te worden uitgevoerd. De uitvoeringspraktijk leert dat een dergelijk heronderzoek vrijwel altijd binnen een tijdbestek van vier weken kan worden uitgevoerd.</nadruk><nadruk type="cur">”</nadruk></al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 9. Arbeidsovereenkomst/zorgovereenkomst </titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt geregeld welke afspraken minimaal in een zorgovereenkomst c.q. arbeidsovereenkomst moeten worden opgenomen. </al>
        </divisie>
        <al>In dit artikel wordt geregeld welke afspraken minimaal in een zorgovereenkomst c.q. arbeidsovereenkomst moeten worden opgenomen. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 10.Aparte betaalrekening</titel>
          </kop>
          <al>Uit het oogpunt van een doelmatige controle, wordt de budgethouder verplicht een aparte betaalrekening te openen. Alle betalingen uit het persoonsgebonden budget dienen via deze betaalrekening te lopen. Deze betaalrekening mag dus niet voor andere transacties worden gebruikt. De kosten van het openen en beheer van de betreffende betaalrekening mogen ten laste van het persoonsgebonden budget worden gebracht. </al>
        </divisie>
        <al>Uit het oogpunt van een doelmatige controle, wordt de budgethouder verplicht een aparte betaalrekening te openen. Alle betalingen uit het persoonsgebonden budget dienen via deze betaalrekening te lopen. Deze betaalrekening mag dus niet voor andere transacties worden gebruikt. De kosten van het openen en beheer van de betreffende betaalrekening mogen ten laste van het persoonsgebonden budget worden gebracht. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 5. Woonvoorzieningen </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 11. Bouwkundige of woontechnische aanpassingen </titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor dit type woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte. Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht. Door uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk per offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een kleine verbouwing geen rol spelen. Om welke kosten het zal kunnen gaan, kan verder worden uitgewerkt in beleidsregels.</al>
        </divisie>
        <al>In dit artikel is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor dit type woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte. Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht. Door uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk per offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een kleine verbouwing geen rol spelen. Om welke kosten het zal kunnen gaan, kan verder worden uitgewerkt in beleidsregels.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 12. Niet- bouwkundige of woontechnische aanpassingen </titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor dit type woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte.</al>
        </divisie>
        <al>In dit artikel is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor dit type woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 13. Verhuis- en inrichtingskosten</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting bepaald. </al>
        </divisie>
        <al>In dit artikel wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting bepaald. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 14.Bezoekbaar maken woning</titel>
          </kop>
          <al>Dit lid regelt het maximumbedrag dat verstrekt kan worden bij het bezoekbaar maken van woonruimte, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling (zie gekantelde beleidsregels Wmo).</al>
        </divisie>
        <al>Dit lid regelt het maximumbedrag dat verstrekt kan worden bij het bezoekbaar maken van woonruimte, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling (zie gekantelde beleidsregels Wmo).</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 15. Huurderving </titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving. Aansluiting is gezocht bij de Wet op de huurtoeslag. </al>
        </divisie>
        <al>Dit artikel regelt de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving. Aansluiting is gezocht bij de Wet op de huurtoeslag. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 16. Aanpassen vloerbedekking </titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel spreek voor zich en behoeft derhalve geen nadere toelichting.</al>
        </divisie>
        <al>Dit artikel spreek voor zich en behoeft derhalve geen nadere toelichting.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 17. Toekenning van een geldlening onder verband van hypotheek </titel>
          </kop>
          <al>Juist voor personen met beperkingen die een woning in eigendom hebben is het vaak extra belastend, bijvoorbeeld doordat de woning door vererving is verkregen, wanneer zij geconfronteerd worden met het primaat van verhuizen. Vandaar dat aan hen de mogelijkheid wordt gegeven om bij een dure woningaanpassing een alternatief te kiezen, namelijk het aangaan van een geldlening onder het verband van hypotheek. Er ligt daarmee duidelijk een link tussen de plicht om (wegens gebleken sociaal medische beperkingen) te verhuizen en het recht op een geldlening om de beperking(en) te kunnen compenseren. </al>
          <al>Het bedrag van € 20.000,00 is gekozen, om te voorkomen dat voor kleine aanpassingen relatieve hoge kosten moeten worden gemaakt, terwijl de aanpassing niet of nauwelijks effect heeft op de waarde van de woning. Bovendien wordt als eis voor toepassing van de regeling gesteld dat het moet gaan om een uitbreiding van het woonoppervlak van de woning. Veelal zal dat een externe aanpassing van de woning zijn: een aanbouw. </al>
          <al>Uitgangpunt van de verstrekking onder hypothecair verband is de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen om zoveel mogelijk eigen beperkingen te compenseren zonder een beroep te doen op overheidsmiddelen. Vandaar dat de terugbetalingsverplichting van de geldlening pas ontstaat na verkoop van de woning of als de woning in andere handen overgaat en de voorziening voor degene waarvoor die is getroffen niet langer noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij boedelscheiding of overlijden. </al>
          <al>Indien de woningaanpassing niet aan een waardevermeerdering van de woning heeft bijgedragen, dan wel dat er sprake is van de situatie dat de hypotheek die op de woning rust hoger is dan de verkoopwaarde van de woning, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de geldlening niet terug te vorderen.</al>
          <al>De regeling laat ruimte aan de gemeente om zelf aan de eigenaar van de woning een (renteloze) lening te verstrekken dan wel de (rentedragende) lening door een bankinstelling te laten verzorgen en de rente voor rekening van de gemeente te komen. </al>
          <al>Dat de regeling niet geldt voor een losse woonunit die weer weggehaald kan worden, houdt verband met het feit dat hypotheek alleen gevestigd kan worden op zogenaamde registergoederen. Dit zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. </al>
        </divisie>
        <al>Juist voor personen met beperkingen die een woning in eigendom hebben is het vaak extra belastend, bijvoorbeeld doordat de woning door vererving is verkregen, wanneer zij geconfronteerd worden met het primaat van verhuizen. Vandaar dat aan hen de mogelijkheid wordt gegeven om bij een dure woningaanpassing een alternatief te kiezen, namelijk het aangaan van een geldlening onder het verband van hypotheek. Er ligt daarmee duidelijk een link tussen de plicht om (wegens gebleken sociaal medische beperkingen) te verhuizen en het recht op een geldlening om de beperking(en) te kunnen compenseren. </al>
        <al>Het bedrag van € 20.000,00 is gekozen, om te voorkomen dat voor kleine aanpassingen relatieve hoge kosten moeten worden gemaakt, terwijl de aanpassing niet of nauwelijks effect heeft op de waarde van de woning. Bovendien wordt als eis voor toepassing van de regeling gesteld dat het moet gaan om een uitbreiding van het woonoppervlak van de woning. Veelal zal dat een externe aanpassing van de woning zijn: een aanbouw. </al>
        <al>Uitgangpunt van de verstrekking onder hypothecair verband is de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen om zoveel mogelijk eigen beperkingen te compenseren zonder een beroep te doen op overheidsmiddelen. Vandaar dat de terugbetalingsverplichting van de geldlening pas ontstaat na verkoop van de woning of als de woning in andere handen overgaat en de voorziening voor degene waarvoor die is getroffen niet langer noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij boedelscheiding of overlijden. </al>
        <al>Indien de woningaanpassing niet aan een waardevermeerdering van de woning heeft bijgedragen, dan wel dat er sprake is van de situatie dat de hypotheek die op de woning rust hoger is dan de verkoopwaarde van de woning, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de geldlening niet terug te vorderen.</al>
        <al>De regeling laat ruimte aan de gemeente om zelf aan de eigenaar van de woning een (renteloze) lening te verstrekken dan wel de (rentedragende) lening door een bankinstelling te laten verzorgen en de rente voor rekening van de gemeente te komen. </al>
        <al>Dat de regeling niet geldt voor een losse woonunit die weer weggehaald kan worden, houdt verband met het feit dat hypotheek alleen gevestigd kan worden op zogenaamde registergoederen. Dit zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 18.Acceptabele kosten bij woontechnische of bouwkundige woonvoorziening </titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt aangegeven met welke kosten rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. </al>
        </divisie>
        <al>In dit artikel wordt aangegeven met welke kosten rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 19. Uitbreiding van ruimten </titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel biedt ruimte voor de gevallen waar sprake is van een medische noodzaak. In dat geval kunnen andere maxima worden aangehouden. </al>
        </divisie>
        <al>Dit artikel biedt ruimte voor de gevallen waar sprake is van een medische noodzaak. In dat geval kunnen andere maxima worden aangehouden. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 20. Gereedmelding van een woontechnische of bouwkundige woonvoorziening </titel>
          </kop>
          <al>Deze uitvoerende bepaling handelt over de gereedmelding van de woningaanpassing.</al>
        </divisie>
        <al>Deze uitvoerende bepaling handelt over de gereedmelding van de woningaanpassing.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 21. Terugbetaling van meerwaarde </titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft het afschrijvingsschema aan volgens welk schema bij verkoop binnen vijf jaar een eventueel bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald.</al>
          <al>Indien de gemeente en de woningeigenaar van mening verschillen over de juiste vaststelling van de meerwaarde, dan wijst de gemeente in samenspraak met de woningeigenaar een externe deskundige aan die hierover een rapport opstelt. De gemeente en de woningeigenaar dragen ieder 50% van de uit dat onderzoek voortvloeiende kosten. </al>
        </divisie>
        <al>Dit artikel geeft het afschrijvingsschema aan volgens welk schema bij verkoop binnen vijf jaar een eventueel bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald.</al>
        <al>Indien de gemeente en de woningeigenaar van mening verschillen over de juiste vaststelling van de meerwaarde, dan wijst de gemeente in samenspraak met de woningeigenaar een externe deskundige aan die hierover een rapport opstelt. De gemeente en de woningeigenaar dragen ieder 50% van de uit dat onderzoek voortvloeiende kosten. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 6.Het zich lokaal verplaatsen per vervoersmiddel </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 22. Persoonsgebonden budget bij vervoersvoorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning </titel>
          </kop>
          <al>Het eerste lid regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening ten aanzien van verplaatsingen rond de woning (bijvoorbeeld een scootermobiel, driewieler en handbike) wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst-adequate voorziening. Een cliënt moet volgens wet en jurisprudentie in staat worden gesteld naar eigen keuze een leverancier van een vervoersvoorziening te selecteren. Als maximumbedrag hiervoor wordt verstrekt het bedrag waarvoor de gemeente de goedkoopst adequate voorziening zou kunnen kopen. </al>
          <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie. Het bedrag, dat overigens als financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, is gebaseerd op 7% van het persoonsgebonden budget.</al>
          <al>In het derde lid wordt bepaald dat de budgethouder gedurende de afschrijvingsperiode van zeven jaar jaarlijks de werkelijk gemaakte kosten voor onderhoud, verzekering en reparatie kan declareren bij de gemeente. Deze declaratie moet worden onderbouwd met originele nota’s. Er mag gedurende bovengenoemde afschrijvingsperiode niet meer gedeclareerd worden dat het in het tweede lid genoemde bedrag. Kosten die dat bedrag overstijgen, komen derhalve voor rekening van de budgethouder. </al>
        </divisie>
        <al>Het eerste lid regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening ten aanzien van verplaatsingen rond de woning (bijvoorbeeld een scootermobiel, driewieler en handbike) wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst-adequate voorziening. Een cliënt moet volgens wet en jurisprudentie in staat worden gesteld naar eigen keuze een leverancier van een vervoersvoorziening te selecteren. Als maximumbedrag hiervoor wordt verstrekt het bedrag waarvoor de gemeente de goedkoopst adequate voorziening zou kunnen kopen. </al>
        <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie. Het bedrag, dat overigens als financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, is gebaseerd op 7% van het persoonsgebonden budget.</al>
        <al>In het derde lid wordt bepaald dat de budgethouder gedurende de afschrijvingsperiode van zeven jaar jaarlijks de werkelijk gemaakte kosten voor onderhoud, verzekering en reparatie kan declareren bij de gemeente. Deze declaratie moet worden onderbouwd met originele nota’s. Er mag gedurende bovengenoemde afschrijvingsperiode niet meer gedeclareerd worden dat het in het tweede lid genoemde bedrag. Kosten die dat bedrag overstijgen, komen derhalve voor rekening van de budgethouder. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 23.Afschrijvingsperiode van vervoersvoorzieningen ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsingen rond de woning </titel>
          </kop>
          <al>Het is mogelijk dat een voorziening na afloop van de afschrijvingsperiode nog een bepaalde gebruiksduur heeft. Vooraf is de gebruiksduur niet te bepalen, omdat de voorziening niet door iedereen even intensief wordt gebruikt. Als de indruk bestaat dat de voorziening waarvan de afschrijvingsperiode is verlopen nog wel een bepaalde gebruiksduur heeft, bestaat de mogelijkheid om hierover een onafhankelijk advies in te winnen.</al>
        </divisie>
        <al>Het is mogelijk dat een voorziening na afloop van de afschrijvingsperiode nog een bepaalde gebruiksduur heeft. Vooraf is de gebruiksduur niet te bepalen, omdat de voorziening niet door iedereen even intensief wordt gebruikt. Als de indruk bestaat dat de voorziening waarvan de afschrijvingsperiode is verlopen nog wel een bepaalde gebruiksduur heeft, bestaat de mogelijkheid om hierover een onafhankelijk advies in te winnen.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 24. Vervoersbudget</titel>
          </kop>
          <al>Het vervoersbudget is bedoeld om de vervoerskosten van maximaal 2000 of 1500 km (voor diegene een scootermobiel of ander vervoermiddel hebben van de gemeente) per jaar (deels) te compenseren. Indien er meer wordt gereisd dan 1500 dan wel 2000 km, dan komt dit voor eigen rekening. Het vervoersbudget wordt gebruikt als tegemoetkoming in de kosten van een buurtbus of als kilometervergoeding voor de eigen auto, een auto van derden (familie, vrienden, buren, Graag Gedaan) en tot medio december 2010 de OV-taxi. Per 1 januari 2011 is de gemiddelde kilometerprijs verhoogd van € 0,329 naar € 0,35 per kilometer. Dit betekent dat per die datum een budget voor 2000 km maximaal €700,00 per jaar bedraagt en een budget voor 1500 km € 525,-- per jaar. Deze verhoging van de gemiddelde kilometerprijs kan worden beschouwd als een compensatie voor het wegvallen van de OV-taxi. </al>
          <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het vervoersbudget wordt uitbetaald na overleg van een schriftelijke verklaring over het aantal verreden kilometers en/of aan het vervoer uitgegeven bedrag. </al>
          <al>In het derde lid wordt bepaald dat het college op aanvraag aan een persoon aan wie een vervoersbudget is toegekend eenmalig een voorschot van vier maanden kan verlenen. Het vervoersbudget wordt toegekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Belanghebbenden die beschikken over een vervoersbudget kunnen één keer per kwartaal achteraf declareren, namelijk begin april, begin juli, begin oktober en begin januari. Ongeveer twee weken na het indienen van de declaratie wordt het bedrag uitgekeerd. In dit betalingssysteem ligt besloten dat een persoon die voor het eerst een vervoersbudget aanvraagt, maximaal de eerste drie en een halve maand zelf zal moeten overbruggen. Met deze bepaling wordt belanghebbenden die niet in staat zijn de eerste drie en een halve maand zelfstandig financieel te overbruggen, een helpende hand toegestoken. Het voorschot wordt verrekend met de laatste uitbetaling van het vervoersbudget. </al>
          <al>In het vierde lid wordt bepaald dat het college kan controleren of het vervoersbudget is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Het is overigens aan het college om te bepalen op welke wijze aan deze controle vorm en inhoud wordt gegeven. </al>
          <al>In het vijfde lid wordt bepaald dat tot 1 april van elk kalenderjaar de mogelijkheid bestaat om een verklaring, als bedoeld in het tweede lid, in te dienen over het voorafgaande kalenderjaar. Indien vorenbedoelde verklaring na 1 april wordt ingediend, dan wordt het vervoersbudget, voor zover dat betrekking heeft op verplaatsingen die hebben plaatsgevonden in het voorafgaande kalenderjaar, niet uitbetaald. </al>
          <al>Verondersteld wordt dat in zijn algemeenheid de vervoersbehoefte van bewoners van een AWBZ-instelling lager is dan die van niet-bewoners. Op het terrein van een AWBZ-instelling zijn namelijk veelal tal van voorzieningen aanwezig, bijvoorbeeld een kapper of een winkel. </al>
          <al>Het college kan om die reden deze groep belanghebbenden in aanmerking brengen voor een lager vervoersbudget. Het is evenwel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat er sprake is van een grotere vervoersbehoefte. In dat geval kan het vervoersbudget op een hoger bedrag worden vastgesteld. </al>
        </divisie>
        <al>Het vervoersbudget is bedoeld om de vervoerskosten van maximaal 2000 of 1500 km (voor diegene een scootermobiel of ander vervoermiddel hebben van de gemeente) per jaar (deels) te compenseren. Indien er meer wordt gereisd dan 1500 dan wel 2000 km, dan komt dit voor eigen rekening. Het vervoersbudget wordt gebruikt als tegemoetkoming in de kosten van een buurtbus of als kilometervergoeding voor de eigen auto, een auto van derden (familie, vrienden, buren, Graag Gedaan) en tot medio december 2010 de OV-taxi. Per 1 januari 2011 is de gemiddelde kilometerprijs verhoogd van € 0,329 naar € 0,35 per kilometer. Dit betekent dat per die datum een budget voor 2000 km maximaal €700,00 per jaar bedraagt en een budget voor 1500 km € 525,-- per jaar. Deze verhoging van de gemiddelde kilometerprijs kan worden beschouwd als een compensatie voor het wegvallen van de OV-taxi. </al>
        <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het vervoersbudget wordt uitbetaald na overleg van een schriftelijke verklaring over het aantal verreden kilometers en/of aan het vervoer uitgegeven bedrag. </al>
        <al>In het derde lid wordt bepaald dat het college op aanvraag aan een persoon aan wie een vervoersbudget is toegekend eenmalig een voorschot van vier maanden kan verlenen. Het vervoersbudget wordt toegekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Belanghebbenden die beschikken over een vervoersbudget kunnen één keer per kwartaal achteraf declareren, namelijk begin april, begin juli, begin oktober en begin januari. Ongeveer twee weken na het indienen van de declaratie wordt het bedrag uitgekeerd. In dit betalingssysteem ligt besloten dat een persoon die voor het eerst een vervoersbudget aanvraagt, maximaal de eerste drie en een halve maand zelf zal moeten overbruggen. Met deze bepaling wordt belanghebbenden die niet in staat zijn de eerste drie en een halve maand zelfstandig financieel te overbruggen, een helpende hand toegestoken. Het voorschot wordt verrekend met de laatste uitbetaling van het vervoersbudget. </al>
        <al>In het vierde lid wordt bepaald dat het college kan controleren of het vervoersbudget is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Het is overigens aan het college om te bepalen op welke wijze aan deze controle vorm en inhoud wordt gegeven. </al>
        <al>In het vijfde lid wordt bepaald dat tot 1 april van elk kalenderjaar de mogelijkheid bestaat om een verklaring, als bedoeld in het tweede lid, in te dienen over het voorafgaande kalenderjaar. Indien vorenbedoelde verklaring na 1 april wordt ingediend, dan wordt het vervoersbudget, voor zover dat betrekking heeft op verplaatsingen die hebben plaatsgevonden in het voorafgaande kalenderjaar, niet uitbetaald. </al>
        <al>Verondersteld wordt dat in zijn algemeenheid de vervoersbehoefte van bewoners van een AWBZ-instelling lager is dan die van niet-bewoners. Op het terrein van een AWBZ-instelling zijn namelijk veelal tal van voorzieningen aanwezig, bijvoorbeeld een kapper of een winkel. </al>
        <al>Het college kan om die reden deze groep belanghebbenden in aanmerking brengen voor een lager vervoersbudget. Het is evenwel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat er sprake is van een grotere vervoersbehoefte. In dat geval kan het vervoersbudget op een hoger bedrag worden vastgesteld. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 25. (Rolstoel)taxikostenvergoeding </titel>
          </kop>
          <al>Indien uit onderzoek blijkt dat belanghebbende voor zijn verplaatsingen in de rond de woonplaats gelegen regio geen netwerk van personen, diensten en voorzieningen om zich heen heeft waarop hij een beroep kan doen en hierdoor is aangewezen op de diensten van een commerciële vervoerder, kan hij in plaats van het vervoersbudget in aanmerking worden gebracht voor een (rolstoel)taxikostenvergoeding. Deze vergoeding kan ook worden toegekend in het geval belanghebbende wel een netwerk van personendiensten en voorzieningen om zich heen heeft maar vanwege in de persoon van belanghebbende gelegen beperkingen hierop geen beroep kan worden gedaan. Gedacht kan worden aan personen, die op grond van zeer specifieke omstandigheden zittend in een rolstoel vervoerd moeten worden en gebruik maken van een op hun situatie toegesneden specifieke vervoersvorm: een rolstoeltaxi. </al>
          <al>De (rolstoel)taxikostenvergoeding wordt maandelijks op declaratiebasis verstrekt. Het te verstrekken vergoeden bedrag is gebaseerd op verplaatsingen van:</al>
          <lijst>
            <li>
              <li.nr>•</li.nr>
              <al>1.500 kilometer op jaarbasis als de belanghebbende tevens beschikt over een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsing rond de woning;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>•</li.nr>
              <al>2000 kilometer op jaarbasis als de belanghebbende niet beschikt over een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsing rond de woning.</al>
            </li>
          </lijst>
          <al>Nadat belanghebbende de taxinota’s bij de gemeente heeft ingeleverd, zal een medewerker van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord-Holland (ISD) aan de hand van deze nota’s in kaart brengen welke lokale verplaatsingen in het kader van het leven van alle dag hebben plaatsgehad. Vervolgens berekent hij het aantal verreden kilometers en registreert dit in een systeem. Uitbetaling van de vergoeding vindt plaats zolang bovengenoemde grens van 1500 c.q. 2000 km nog niet is bereikt. Voor meer informatie hieromtrent wordt u verwezen naar de beleidsregels Wmo. </al>
        </divisie>
        <al>Indien uit onderzoek blijkt dat belanghebbende voor zijn verplaatsingen in de rond de woonplaats gelegen regio geen netwerk van personen, diensten en voorzieningen om zich heen heeft waarop hij een beroep kan doen en hierdoor is aangewezen op de diensten van een commerciële vervoerder, kan hij in plaats van het vervoersbudget in aanmerking worden gebracht voor een (rolstoel)taxikostenvergoeding. Deze vergoeding kan ook worden toegekend in het geval belanghebbende wel een netwerk van personendiensten en voorzieningen om zich heen heeft maar vanwege in de persoon van belanghebbende gelegen beperkingen hierop geen beroep kan worden gedaan. Gedacht kan worden aan personen, die op grond van zeer specifieke omstandigheden zittend in een rolstoel vervoerd moeten worden en gebruik maken van een op hun situatie toegesneden specifieke vervoersvorm: een rolstoeltaxi. </al>
        <al>De (rolstoel)taxikostenvergoeding wordt maandelijks op declaratiebasis verstrekt. Het te verstrekken vergoeden bedrag is gebaseerd op verplaatsingen van:</al>
        <lijst>
          <li>
            <li.nr>•</li.nr>
            <al>1.500 kilometer op jaarbasis als de belanghebbende tevens beschikt over een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsing rond de woning;</al>
          </li>
          <li>
            <li.nr>•</li.nr>
            <al>2000 kilometer op jaarbasis als de belanghebbende niet beschikt over een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij verplaatsing rond de woning.</al>
          </li>
        </lijst>
        <al>Nadat belanghebbende de taxinota’s bij de gemeente heeft ingeleverd, zal een medewerker van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord-Holland (ISD) aan de hand van deze nota’s in kaart brengen welke lokale verplaatsingen in het kader van het leven van alle dag hebben plaatsgehad. Vervolgens berekent hij het aantal verreden kilometers en registreert dit in een systeem. Uitbetaling van de vergoeding vindt plaats zolang bovengenoemde grens van 1500 c.q. 2000 km nog niet is bereikt. Voor meer informatie hieromtrent wordt u verwezen naar de beleidsregels Wmo. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 7. Verplaatsen in en rond de woning </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 26. Persoonsgebonden budget voor een rolstoel </titel>
          </kop>
          <al>Het eerste lid regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorziening wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst-adequate voorziening in natura. Een cliënt moet volgens wet en jurisprudentie in staat worden gesteld naar eigen keuze een leverancier van een rolstoelvoorziening te selecteren. Als maximumbedrag hiervoor wordt verstrekt het bedrag waarvoor de gemeente de goedkoopst adequate voorziening zou kunnen kopen. </al>
          <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie. Het bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie, dat overigens als financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, bedraagt 5% van het persoonsgebonden budget.</al>
          <al>In het derde lid wordt bepaald dat de budgethouder gedurende de afschrijvingsperiode van vijf jaar jaarlijks de werkelijk gemaakte kosten voor onderhoud, verzekering en reparatie kan declareren bij de gemeente. Deze declaratie moet worden onderbouwd met originele nota’s. Er mag gedurende bovengenoemde afschrijvingsperiode niet meer gedeclareerd worden dat het in het tweede lid genoemde bedrag. Kosten die dat bedrag overstijgen, komen derhalve voor rekening van de budgethouder. </al>
        </divisie>
        <al>Het eerste lid regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorziening wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst-adequate voorziening in natura. Een cliënt moet volgens wet en jurisprudentie in staat worden gesteld naar eigen keuze een leverancier van een rolstoelvoorziening te selecteren. Als maximumbedrag hiervoor wordt verstrekt het bedrag waarvoor de gemeente de goedkoopst adequate voorziening zou kunnen kopen. </al>
        <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie. Het bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie, dat overigens als financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, bedraagt 5% van het persoonsgebonden budget.</al>
        <al>In het derde lid wordt bepaald dat de budgethouder gedurende de afschrijvingsperiode van vijf jaar jaarlijks de werkelijk gemaakte kosten voor onderhoud, verzekering en reparatie kan declareren bij de gemeente. Deze declaratie moet worden onderbouwd met originele nota’s. Er mag gedurende bovengenoemde afschrijvingsperiode niet meer gedeclareerd worden dat het in het tweede lid genoemde bedrag. Kosten die dat bedrag overstijgen, komen derhalve voor rekening van de budgethouder. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 27. Afschrijvingsperiode </titel>
          </kop>
          <al>Het is mogelijk dat een rolstoelvoorziening na afloop van de afschrijvingsperiode nog een bepaalde gebruiksduur heeft. Vooraf is de gebruiksduur niet te bepalen, omdat de voorziening niet door iedereen even intensief wordt gebruikt. Als de indruk bestaat dat de voorziening, waarvan de afschrijvingsperiode is verlopen, nog wel een bepaalde gebruiksduur heeft, bestaat de mogelijkheid om hierover een onafhankelijk advies in te winnen.</al>
        </divisie>
        <al>Het is mogelijk dat een rolstoelvoorziening na afloop van de afschrijvingsperiode nog een bepaalde gebruiksduur heeft. Vooraf is de gebruiksduur niet te bepalen, omdat de voorziening niet door iedereen even intensief wordt gebruikt. Als de indruk bestaat dat de voorziening, waarvan de afschrijvingsperiode is verlopen, nog wel een bepaalde gebruiksduur heeft, bestaat de mogelijkheid om hierover een onafhankelijk advies in te winnen.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 8. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen een deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. </titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikel 28. Financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label />
          </kop>
          <al>De financiële tegemoetkoming is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 3.000,00. Uit deze financiële tegemoetkoming dienen de kosten van aanschaf, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening te worden gedekt. Verstrekking van sportvoorzieningen geschiedt steeds in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten. Dit bedrag kan hooguit eenmaal per drie jaar worden verstrekt. </al>
          <al>
            <nadruk type="vet">
              <nadruk type="ondlijn" />
            </nadruk>
          </al>
          <al>
            <nadruk type="vet">
              <nadruk type="ondlijn">Hoofdstuk 9. Slotbepalingen </nadruk>
            </nadruk>
          </al>
          <al>
            <nadruk type="vet">
              <nadruk type="ondlijn"> </nadruk>
            </nadruk>
          </al>
          <al>De artikelen 29 tot en met 32 spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting. </al>
          <al />
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </gemeenteblad>
</officiele-publicatie>