Gemeenteblad van Haarlemmermeer

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HaarlemmermeerGemeenteblad 2014, 21722Verordeningen

Gemeenschappelijke Regeling Stadsregio Amsterdam - 7de wijziging

jpegraadsbesluiti411b0a36-e622-4cda-803a-e6dfb2344040.jpg

-

-

HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de regeling: de Gemeenschappelijke regeling Stadsregio Amsterdam;

b. de Stadsregio Amsterdam: de gemeenschappelijke regeling de plusregio, bedoeld in hoofdstuk XI van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

c. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten Noord-Holland;

d. de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

e. de deelnemende gemeenten: de gemeenten, gelegen in het samenwerkingsgebied;

2. Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van "de gemeente", "de raad", "het college", en "de burgemeester", onderscheidenlijk: de Stadsregio Amsterdam, de regioraad, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

HOOFDSTU K II DE STADSREGIO

AMSTERDAM

Artikel 2

Er is een plusregio genaamd: de Stadsregio Amsterdam.

Artikel 3

1. De Stadsregio Amsterdam is gevestigd te Amsterdam.

2. Het gebied waarvoor deze regeling geldt, omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

3. De Stadsregio Amsterdam is een samenwerkingsverband van 16 gemeenten in de regio Amsterdam op grond van Hoofdstuk XI van de wet en wordt gevormd door de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang.

HOOFDSTUK III TE BEHARTIGEN BELANGEN

Artikel 4

1. De Stadsregio Amsterdam heeft tot taak, met inachtneming van hetgeen in deze regeling is bepaald, die belangen te behartigen, welke verband houden met een evenwichtige en harmonische

ontwikkeling van de regio Amsterdam.

2. De in het eerste lid bedoelde belangen betreffen:

a. ruimtelijke ordening;

b. volkshuisvesting;

c. verkeer en vervoer;

d. grondbeleid;

e. milieu;

f. economische ontwikkeling;

g. welzijn

HOOFDSTUK IV BEVOEGDHEDEN

Artikel 5

Ter behartiging van de in artikel 4 genoemde belangen, alsmede ter uitvoering van de wet en daarop berustende wettelijke (uitvoerings-)maatregelen, is de Stadsregio Amsterdam  bevoegd tot:

a. het aangeven van hoofdlijnen van de gewenste ontwikkeling van het gebied door middel van planning, sturing en coördinatie,

b. uitvoering van gemeentelijke taken, die aan de Stadsregio Amsterdam zijn overgedragen,

c. het verlenen van diensten,

d. uitoefening van taken van rijk en/of provincie(s), wanneer de Stadsregio Amsterdam daartoe in staat wordt gesteld.

Artikel 6

De taken, als bedoeld in artikel 5, onder a, houden het volgende in:

1. Ruimtelijke ordening

a. vervallen.

b. De regioraad bevordert het maken van afspraken over (aspecten van) de uitwerking van het rijks-

c.q. provinciaal ruimtelijke-ordeningsbeleid met betrekking tot het samenwerkingsgebied.

2. Volkshuisvesting

a. De regioraad stelt een regionaal volkshuisvestingsplan vast, waarin mede in samenhang met de ruimtelijke aspecten, in ieder geval aandacht wordt besteed aan de invulling (differentiatie en financieringscategorieën) van regionale woningbouwprojecten en de omvang daarvan.

b. De regioraad draagt zorg voor afstemming en harmonisatie van woonruimte verdeling van de gemeentelijke huisvestingsregels.

c. De regioraad is bevoegd regels te stellen inzake de verdeling over de deelnemende gemeenten van een op grond van de Woningwet aan de Stadsregio Amsterdam toebedeeld programma.

d. De regioraad is bevoegd regels te stellen inzake de uitoefening van de aan de Stadsregio Amsterdam krachtens de Woningwet overgedragen bevoegdheden en verplichtingen.

3. Verkeer en vervoer

a. De regioraad stelt een regionaal verkeers- en vervoersplan vast, dat met het oog op de bevordering van de bereikbaarheid en de leefbaarheid richting geeft aan de door het dagelijks bestuur te nemen beslissingen inzake verkeer en vervoer en op grond waarvan het dagelijks bestuur aan de deelnemende

gemeenten aanwijzingen kan geven met betrekking tot het door die gemeenten terzake te voeren beleid.

b. De deelnemende gemeenten dragen, voorzover zij daarover beschikken, hun bevoegdheden inzake lokaal openbaar vervoer over aan de Stadsregio Amsterdam.

c. De Stadsregio Amsterdam draagt ter uitvoering van het regionaal verkeers- en vervoersplan zorg voor de verwerving en verdeling van rijksmiddelen op grond van de wet, de Wet personenvervoer 2000 en de Wet en het Besluit Infrastructuurfonds en andere wettelijke regelingen.

4. Grondbeleid

a. De regioraad is bevoegd voorschriften te geven met betrekking tot het door de deelnemende gemeenten verwerven en uitgeven van gronden, de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, het verhaal van kosten daarvan, alsmede de mate waarin de financiële gevolgen worden verdeeld over de deelnemende gemeenten.

b. De regioraad is bevoegd gebieden aan te wijzen ten aanzien waarvan het kan bepalen dat de verwerving en de uitgifte van gronden, de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, alsmede het verhaal van kosten daarvan, uitsluitend

door of vanwege de Stadsregio kan plaatsvinden.

c. De regioraad is bevoegd voorschriften te geven met betrekking tot het onderhoud

en het beheer van de onder a. en b. bedoelde gronden.

d. Het bepaalde onder b en c heeft betrekking op projecten van regionaal belang.

5. Milieu

a. De regioraad stelt een integraal plan vast voor de gewenste milieukwaliteit in het samenwerkingsgebied, waarmee bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het terrein van het verkeer en het vervoer, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting en de economische ontwikkeling rekening wordt gehouden.

b. De regioraad stelt het regionaal milieubeleidsplan, als bedoeld in artikel 4.15a van de Wet milieubeheer vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan beslissingen tot het nemen waarvan de bevoegdheid bij of krachtens de wet aan zijn bestuursorganen is toegekend.

c. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks het milieuprogramma vast, als bedoeld in artikel 4.15b van de Wet milieubeheer.

d. Het dagelijks bestuur oefent de bevoegdheden uit, als bedoeld in artikel 88 en 95 van de Wet bodembescherming.

e. Vervallen.

f. Het dagelijks bestuur bevordert en coördineert de uitvoering van het regionaal milieubeleidsplan en het regionaal milieukwaliteitsplan.

6. Economische ontwikkeling

a. De regioraad stelt periodiek een regionaal-economische ontwikkelingsstrategie op, waarmee bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het terrein van de ruimtelijke ordening, het verkeer en het vervoer, het milieu en het arbeidsmarktbeleid wordt rekening gehouden.

De regioraad geeft daarin het beleid aan:

1. ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot bedrijfsterreinen, kantoorlocaties en detailhandelsvoorzieningen, die van regionaal belang zijn, daaronder mede begrepen de zee- en de luchthaven en de daarbij behorende bedrijflocaties, alsmede

2. met betrekking tot sectoren van het bedrijfsleven die van regionaal belang zijn.

b. De Stadsregio Amsterdam levert een bijdrage aan een regionaal arbeidsmarktbeleid.

c. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor regionaal-economisch onderzoek.

d. De regioraad stelt de hoofdlijnen vast van een regionaal promotie- en acquisitiebeleid, gericht op bedrijfsvestiging en toerisme.

e. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de verwerving en verdeling van fondsen en subsidies ten behoeve van de regionale economische ontwikkeling.

7. Jeugdzorg

Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg in het samenwerkingsgebied.

Artikel 7 Overgedragen taken

1. De bevoegdheid, als bedoeld in artikel 5, onder b, van de regeling houdt in, dat het dagelijks bestuur taken en bevoegdheden uitoefent, welke door de deelnemende gemeenten zijn overgedragen met toepassing van artikel 50 van de regeling.

2. Aan de bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam behoren, met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde taken, alle aan de gemeentebesturen toekomende bevoegdheden, voor zover niet bij de regeling of de wet uitgezonderd.

3. Voor zover een op grond van dit artikel vastgestelde verordening voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een deelnemende gemeente, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge verhouding. De regioraad kan daarbij bepalen, dat de verordening van een deelnemende gemeente voor het hele gebied, danwel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.

Artikel 8 Dienstverlening

1. De bevoegdheid, als bedoeld in artikel 5, onder c, van de regeling houdt in dat de Stadsregio Amsterdam desgevraagd en wanneer de regioraad daarmee instemt, diensten kan verlenen ten behoeve van één of meer deelnemende gemeenten.

2. Een besluit tot dienstverlening vermeldt de wijze van kostenverrekening en de overige voorwaarden, waaronder tot de gevraagde dienstverlening wordt overgegaan.

3. Een afschrift van dit besluit wordt ter kennis van de deelnemende gemeente gebracht.

Artikel 9

1. Bevoegdheden, als bedoeld in artikel 5, onder d, van de regeling zijn bevoegdheden van rijk en/of provincie, die hetzij in medebewind, hetzij door overdracht, hetzij door aanvaarding op basis van overeenkomst of gemeenschappelijke regeling, aan de Stadsregio Amsterdam worden toegekend.

2. Artikel 50 van de regeling is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

Voor de behartiging van alle in artikel 4 genoemde belangen is het dagelijks bestuur bevoegd tot:

a. het reageren op rijks- en provinciale nota's en plannen, die voor het samenwerkingsgebied van belang zijn,

b. het vertegenwoordigen van het samenwerkingsgebied,

c. het organiseren van overleg en het uitbrengen van advies.

Artikel 11

1. De bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam komen alle bevoegdheden toe, die de plusregio van rechtswege bezit om als rechtspersoon aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

2. De bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam kunnen de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 2 van de regeling voor het gebied van een of meer gemeenten opdragen aan de bestuursorganen van een of meer deelnemende gemeenten, indien dit in het belang is van een verbetering van de praktijk van de uitoefening van die bevoegdheden en voor zover die bevoegdheden zich naar hun aard en schaal daartoe lenen en die bestuursorganen daarmee instemmen.

Artikel 12

Vervallen 

Artikel 13

de Stadsregio Amsterdam kan deelnemen aan gemeenschappelijke regelingen, als bedoeld in de artikelen 93 en 96 van de wet.

Artikel 14

de Stadsregio Amsterdam is bevoegd:

a. de belasting te heffen, als bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet;

b. de rechten te heffen, als bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet;

c. de rechten te heffen, als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 15

Ter uitvoering van de taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de wet, algemene maatregel van bestuur, dan wel deze regeling aan de Stadsregio Amsterdam zijn opgedragen, heeft het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van woningen, overeenkomstig hoofdstuk VIII, paragraaf 4, van de Gemeentewet.

Artikel 15a

  • 1.Bij het opstellen van een ontwerp van een plan pleegt het dagelijks bestuur, voor zover daarvoor geen andere wettelijke voorschriften gelden, overleg met de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en met daarvoor in aanmerking komende besturen, instellingen, diensten en personen en doet hiervan in een bijlage bij dit ontwerp verantwoording.

  • 2.a. Het dagelijks bestuur stelt het ontwerp van een plan voorlopig vast.

    b. Het dagelijks bestuur zendt het ontwerp van een plan na de voorlopige vaststelling aan de raden van de deelnemende gemeenten, die hun beschouwingen binnen drie maanden ter kennis van de regioraad brengen.

    c. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de informatievoorziening en het maken van afspraken ten behoeve van de inspraak over een ontwerp-plan. De regioraad kan daartoe algemene regels stellen.

  • 3.a. Binnen drie maanden na het verstrijken van de in het vorige lid vermelde termijn beslist de regioraad omtrent de vaststelling van het plan.

    b. Indien tegen het ontwerp van een plan bezwaren zijn ingediend of de regioraad bij de vaststelling van het plan afwijkt van het ontwerp, wordt het besluit tot vaststelling met redenen omkleed.

    c. Een plan wordt terstond na de vaststelling door de regioraad medegedeeld aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk V HET BESTUUR

Artikel 16

Het bestuur van de Stadsregio Amsterdam bestaat uit:

a. de regioraad;

b. het dagelijks bestuur;

c. de voorzitter.

Afdeling a: De regioraad

Paragraaf 1: De samenstelling van de regioraad

Artikel 17

1. De leden van de regioraad worden door de raden van de deelnemende gemeenten, uit hun midden de voorzitters inbegrepen en uit de wethouders aangewezen. Daarbij wordt de volgende maatstaf in acht genomen:

voor gemeenten tot 20.000 inwoners 1 lid

voor gemeenten van 20.000 tot 40.000 inwoners 2 leden

voor gemeenten van 40.000 tot 60.000 inwoners 3 leden

voor gemeenten van 60.000 tot 80.000 inwoners 4 leden

voor gemeenten van 80.000 tot 100.000 inwoners 5 leden

en voor elke volgende 40.000 inwoners

of een gedeelte daarvan 1 lid extra

2. De leden, aangewezen door de raden van gemeenten met minder dan 20.000 inwoners, kunnen zich laten vervangen door een als zodanig door de raad van de desbetreffende gemeente, gelijktijdig aangewezen plaatsvervangend lid. Op plaatsvervangende leden zijn de bepalingen van deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

3. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de laatstelijk door het Centraal bureau voor de statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.

4. Artikel 8, tweede lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

Het lidmaatschap van de regioraad is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege het bestuur van de Stadsregio Amsterdam of van een gemeente aangesteld of daaraan ondergeschikt.

Artikel 19

De raden van de deelnemende gemeenten bevorderen, dat de politieke representativiteit van de regioraad zoveel mogelijk overeenkomt met de politieke verhoudingen in het samenwerkingsgebied.

Artikel 20

1. De raad van een deelnemende gemeente beslist in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van een nieuw lid c.q. nieuwe leden van de regioraad.

2. Zo spoedig mogelijk na de aanwijzing van de leden door de gemeenteraden, doch uiterlijk binnen twee maanden daarna, komt de regioraad in eerste vergadering bijeen.

3. Het lidmaatschap van de regioraad eindigt op de dag waarop de regioraad in nieuwe samenstelling voor de eerste vergadering bijeenkomt.

Artikel 21

1. Indien tussentijds een plaats van een lid van de regioraad openvalt, wijst de gemeenteraad die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering of indien dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.

2. Het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende deelnemende gemeente geeft van een benoeming binnen acht dagen schriftelijk kennis aan de regioraad en aan de benoemde.

TOELICHTING

  • 1.Algemeen. Zie toelichting art. 20 GR SRA

  • 2.Geen wijzigingen.

Artikel 22

Indien de aanwijzing van een lid van de regioraad tussentijds niet meer in overeenstemming is met artikel 17, eerste lid, van de regeling wijst c.q. wijzen de raad c.q. de raden van de desbetreffende gemeente(n), zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

Artikel 23

Het lid, dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreding opengevallen plaats tot lid van de regioraad is benoemd, treedt af op het tijdstip, waarop degene in wiens plaats het is benoemd, zou hebben moeten aftreden

Artikel 24

Onverminderd het bepaalde in artikel 20, derde lid, van de regeling eindigt het lidmaatschap van de regioraad eveneens op het moment van uittreding uit de gemeenschappelijke regeling van de gemeente die het lid vertegenwoordigt.

Artikel 25

1. Een lid van de regioraad kan te allen tijde ontslag nemen.

Hij deelt dit mede aan de voorzitter. Deze geeft hiervan onverwijld kennis aan de raad van de gemeente, die hem heeft aangewezen.

2. Hij, die zijn ontslag heeft genomen, blijft zijn functie waarnemen, totdat zijn opvolger is benoemd en deze de benoeming heeft aanvaard.

3. Hij, die ophoudt lid of voorzitter te zijn van de raad van een deelnemende gemeente, houdt tevens op lid te zijn van de regioraad, het dagelijks bestuur of een commissie.

4. Een gemeenteraad kan een door hem aangewezen lid tussentijds ontslaan als dit het vertrouwen van de gemeenteraad niet meer bezit. Daarbij wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet.

Paragraaf 2: De werkwijze

Artikel 26

1. Op het houden en de orde van de vergaderingen van de regioraad is het gestelde in artikel 22 van de wet van toepassing.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, tweede lid, van de wet vergadert de regioraad voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of wanneer

tenminste tien leden van de regioraad zulks nodig achten. In het laatste geval wordt de vergadering gehouden binnen een maand nadat de met redenen omklede aanvraag daartoe de voorzitter heeft bereikt.

Artikel 27

Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 23 van de wet van toepassing.

Artikel 28

1. Elk lid van de regioraad heeft in de vergadering één stem.

2. In een overdrachtsregeling, als bedoeld in artikel 50 van de regeling, kan worden bepaald dat een lid van de regioraad met betrekking tot de desbetreffende taak c.q. bevoegdheid in de vergadering geen stem heeft.

Paragraaf 3: Vergoedingen

Artikel 29

1. De leden van de regioraad kunnen een door de regioraad vast te stellen tegemoetkoming in de kosten en, voor zover zij niet de functie van wethouder, burgemeester, vervullen, een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen. Bij de vaststelling van deze tegemoetkoming en vergoeding wordt het gestelde in artikel 21 van de wet in acht genomen.

2. De regioraad kan voorts een tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen vaststellen, die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van de regioraad.

Paragraaf 4: Informatie en verantwoording

Artikel 30

De regioraad bepaalt de wijze waarop openbare bekendmakingen als bedoeld in deze regeling plaatsvinden.

Artikel 31

1. Een lid van de regioraad geeft de gemeenteraad, die hem of haar als lid heeft aangewezen, schriftelijk danwel op nader door die raad te bepalen wijze, de door één of meer leden van die raad verlangde inlichtingen.

2. Een lid van de regioraad is aan de gemeenteraad, die hem of haar als lid heeft aangewezen, verantwoording verschuldigd voor het door hem of haar in de regioraad gevoerde beleid.

Het afleggen van verantwoording geschiedt volgens door de betrokken gemeenteraad nader te stellen regels.

3. De regioraad geeft binnen drie maanden aan de raden van de deelnemende gemeenten de door één of meer leden van die raden schriftelijke gevraagde inlichtingen.

Paragraaf 5: Bevoegdheden van de regioraad

Artikel 32

Aan de regioraad behoren alle bevoegdheden die niet bij of krachtens deze regeling en met inachtneming van het bepaalde in artikel 33 van de wet, zijn opgedragen aan het dagelijks bestuur, de voorzitter of een commissie.

Afdeling b: Het dagelijks bestuur

Paragraaf 1: De samenstelling van het dagelijks bestuur

Artikel 33

Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van de regioraad en zes door de regioraad uit zijn midden aan te wijzen leden, met dien verstande dat:

- twee leden afkomstig zijn uit Amsterdam;

- één lid afkomstig is uit Zaanstreek;

- twee leden afkomstig zijn uit de gemeenten, die deel uitmaken van het Amstelland- en Meerlandenoverleg;

- één lid afkomstig is uit de gemeenten, die deel uitmaken van het Intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Waterland.

Artikel 34

1. De in artikel 33 van de regeling genoemde aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur vindt plaats op voordracht van de colleges van de deelnemende gemeenten via de voorzitter van de regioraad, met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.

2. Met betrekking tot de leden van het dagelijks bestuur zijn de artikelen 40, 41, 46 en 47 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

3. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de regioraad de leden van het nieuw te vormen dagelijks bestuur aanwijst.

4. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt kiest de regioraad zo spoedig mogelijk een nieuw lid. Artikel 33 van de regeling is daarbij opnieuw van toepassing.

Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in de regioraad, dan kan deze raad het kiezen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitstellen totdat de opengevallen plaats in de regioraad weer zal zijn bezet.

5. Degene, die als lid van het dagelijks bestuur tussentijds ontslag neemt, blijft zijn functie waarnemen totdat zijn opvolger zijn benoeming heeft aanvaard.

6. Tussentijds verlies van en schorsing in het lidmaatschap van de regioraad brengt verlies van, onderscheidenlijk schorsing in het lidmaatschap van het dagelijks bestuur mede.

Artikel 35

Indien afwezigheid van een lid van het dagelijks bestuur van langdurige aard wordt verwacht, dan wel de voorzitter gedurende een naar verwachting langdurige termijn wordt vervangen op een wijze, bedoeld in artikel 42, derde lid, van de regeling kan de regioraad in de tijdelijke vervanging van dat lid c.q. van hem die de voorzitter vervangt voorzien.

Paragraaf 2: De werkwijze

  • 1.Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of tenminste twee leden dit nodig oordelen.

  • 2.a. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft in de vergadering één stem.

    b. De artikelen 22, 28, en 56 t/m 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij staking van stemmen anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de voorzitter geen doorslaggevende stem heeft. In dat geval is artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing.

  • 3Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan de regioraad wordt toegezonden.

  • 4.Artikel 60 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3: Vergoedingen

Artikel 37

Ten aanzien van de leden van het dagelijks bestuur is het gestelde in artikel 29 van de regeling van toepassing.

Paragraaf 4: De taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Artikel 38

1. Aan het dagelijks bestuur is opgedragen:

a. het voorbereiden van alles waarover in de vergadering van de regioraad zal worden beraadslaagd en besloten;

b. het uitvoeren van de besluiten van de regioraad;

c. het beheer van de inkomsten en uitgaven van de Stadsregio Amsterdam;

d. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

e. het nemen van alle conservatoire maatregelen, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding en het doen van alles, wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit; het bezit daartoe de wettelijke bevoegdheden, artikel 160 van de Gemeentewet is van toepassing;

f. het, binnen het raam van de door de regioraad vastgestelde formatie van het personeel van de Stadsregio Amsterdam, benoemen c.q. te werk stellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en het schorsen en ontslaan van personeel in dienst van de Stadsregio Amsterdam, een en ander behoudens het bepaalde in artikel 49 van de regeling en verder voor zover de regioraad zich de desbetreffende bevoegdheden niet heeft voorbehouden;

g. het houden van een gedurig toezicht op al wat de Stadsregio Amsterdam aangaat;

h. het voorstaan van de belangen van de Stadsregio Amsterdam bij hogere overheden en andere instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de Stadsregio Amsterdam van belang is.

2. Het dagelijks bestuur oefent, indien de regioraad daartoe besluit en naar door deze te stellen regels, alsmede met inachtneming van het bepaalde in artikel 33 van de wet, de aan de regioraad toekomende bevoegdheden uit, met uitzondering van:

a. het vaststellen en wijzigen van de begroting;

b. het vaststellen van de jaarrekening;

c. vervallen;

d. het heffen van belastingen.

Artikel 39

1. Wanneer medewerking aan de uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen aan de orde is, wordt deze medewerking verleend door het dagelijks bestuur, tenzij deze uitdrukkelijk van de regioraad of de voorzitter wordt gevraagd.

2. De medewerking bestaande uit het maken van verordeningen, wordt evenwel verleend door de regioraad, tenzij deze uitdrukkelijk van het dagelijks bestuur of van de voorzitter wordt gevorderd.

Paragraaf 5: Informatie en verantwoording

Artikel 40

1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden geeft de regioraad de door één of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

2. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden legt op verzoek van de regioraad verantwoording af over het door het dagelijks bestuur of door hem of haar gevoerde bestuur.

3. De regioraad kan een lid van het dagelijks bestuur ontslaan als deze het vertrouwen van de regioraad niet meer bezit.

Daarbij wordt gehandeld conform artikel 50 van de Gemeentewet. Artikel 49, tweede volzin, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

1. Het dagelijks bestuur biedt de regioraad jaarlijks vóór 1 juli een verslag van de werkzaamheden van de Stadsregio Amsterdam over het afgelopen jaar ter vaststelling aan.

2. Het dagelijks bestuur zendt het verslag binnen veertien dagen na de vaststelling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.

Artikel 42

1. De regioraad kiest uit zijn midden de burgemeester van Amsterdam tot voorzitter van de Stadsregio Amsterdam.

2. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid.

Artikel 43

De voorzitter van de Stadsregio Amsterdam is tevens voorzitter van de regioraad.

Paragraaf 2: Vergoedingen

Artikel 44

Ten aanzien van de vergoeding van zijn werkzaamheden en het toekennen van een tegemoetkoming in de kosten is het gestelde in artikel 29 van de regeling van toepassing.

Paragraaf 3: De taken en bevoegdheden van de voorzitter

Artikel 45

1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van de regioraad en het dagelijks bestuur.

2. Hij tekent de stukken, die van de regioraad en het dagelijks bestuur uitgaan.

3. De voorzitter vertegenwoordigt de Stadsregio Amsterdam in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

4. Indien hij behoort tot het bestuur van een deelnemende gemeente die partij is in een geding of bij een buitengerechtelijke rechtshandeling, waarbij de Stadsregio Amsterdam is betrokken, oefent een ander door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dat bestuur die bevoegdheid uit.

Paragraaf 4: Informatie en verantwoording

Artikel 46

1. De voorzitter geeft aan de regioraad de door één of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

2. De voorzitter legt op verzoek van de regioraad verantwoording af over het door hem gevoerde beleid.

Hoofdstuk VI COMMISSIES EN PORTEFEUILLEHOUDERSOVERLEG

Artikel 47 Commissies

1. De regioraad kan commissies van advies en/of commissies met het oog op de behartiging van bepaalde belangen en/of commissies, waaraan de behartiging van de belangen van een deel van het samenwerkingsgebied is opgedragen, instellen.

2. Ten aanzien van commissies wordt artikel 24, onderscheidenlijk artikel 25 van de wet toegepast.

Artikel 48 Portefeuillehoudersoverleg

1. Voor elk van de in artikel 4 van de regeling genoemde belangen en voorts voor daartoe door de regioraad te bepalen belangen, kan een overleg bestaan van portefeuillehouders van de deelnemende gemeenten en/of vertegenwoordigers van samenwerkingsverbanden van deelnemende gemeenten, genaamd: portefeuillehoudersoverleg.

2. Voorzitter van het portefeuillehoudersoverleg is het dagelijks bestuurslid dat het werkterrein van het portefeuillehoudersoverleg in dat bestuur behartigt.

3. De regioraad regelt de samenstelling, de werkwijze en de openbaarheid van vergaderingen van een portefeuillehoudersoverleg, met in achtneming van het bepaalde in dit artikel.

4. Een portefeuillehoudersoverleg bespreekt desgewenst de ontwikkelingen op zijn werkterrein en kan gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam.

5. Adviezen aan de deelnemende gemeentebesturen worden door tussenkomst van het dagelijks bestuur uitgebracht.

HOOFDSTUK VII PERSONEEL EN ORGANISATIE

Artikel 49

1. de Stadsregio Amsterdam heeft een ambtelijk apparaat, aan het hoofd waarvan een secretaris staat.

2. De regioraad beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de secretaris.

3. De regioraad kan voor de secretaris een instructie vaststellen.

4. De secretaris staat de regioraad, het dagelijks bestuur en de voorzitter, alsmede de door hen ingestelde commissies en de portefeuillehoudersoverleggen bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de vergaderingen van de regioraad en het dagelijks bestuur aanwezig.

5. De regioraad regelt de vervanging van de secretaris.

6. Alle stukken uitgaande van de regioraad en het dagelijks bestuur worden door de secretaris mede ondertekend.

7. De regioraad regelt de bezoldiging van de secretaris.

8. Hoofdstuk VII van de Gemeentewet  is op de secretaris van overeenkomstige toepassing, voorzover de voorgaande bepalingen niet reeds voorzien in het in dat hoofdstuk geregelde.

9. De overige ambtenaren, alsmede het personeel, werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, worden benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur.

10. De regioraad stelt een verordening vast omtrent de ambtelijke organisatie.

11. De regioraad regelt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet de rechtspositie van de ambtenaren en van het personeel, werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

12. Voor de in het vorige lid bedoelde rechtspositie, gelden zolang de regioraad daarin niet zelf heeft voorzien, de rechtspositieregels van de gemeente Amsterdam.

HOOFDSTUK VIII UITBREIDING BELANGEN / VERANDERING BESTAANDE BEVOEGDHEDEN

/ OVERDRACHT NIEUWE GEMEENTELIJKE BEVOEGDHEDEN

Artikel 50

1. Op initiatief van een van de bestuursorganen van een gemeente of van de Stadsregio Amsterdam kan:

a. uitbreiding van belangen als bedoeld in artikel 4, tweede lid van de regeling;

b. verandering in bevoegdheden als bedoeld in artikel 6 van de regeling;

c. overdracht van nieuwe gemeentelijke  bevoegdheden als bedoeld in artikel 7 van de regeling plaatsvinden.

2. Het dagelijks bestuur pleegt daartoe overleg met alle colleges en eventueel met andere daarvoor in aanmerking komende besturen, instellingen, diensten en personen.

3. Het dagelijks bestuur legt de in het eerste lid bedoelde uitbreiding van belangen dan wel verandering in bevoegdheden vast in een ontwerp-wijziging van de regeling. Artikel 66 van de regeling vindt daarbij toepassing.

4. Ingeval van overdracht van een nieuwe gemeentelijke bevoegdheid met daarbij behorende overige bevoegdheden wordt deze opgenomen in een overdrachtsregeling welke aan de betrokken bestuursorganen van de deelnemende gemeenten wordt voorgelegd.

5. De voorstellen vermelden in elk geval voor welke gemeenten de overdrachtsregeling zal gelden, alsmede de wijze van kostenverdeling en bevat een bepaling over het al dan niet deelnemen aan stemmingen, voortvloeiende uit de overdrachtsregeling voor leden, afkomstig uit niet aan de overdrachtsregeling deelnemende gemeente(n).

6. De regioraad beslist over aanvaarding van een door gemeenten overgedragen bevoegdheid en regelt de daaruit voortvloeiende gevolgen, de financiële en personele daaronder begrepen.

7. Indien de bestuursorganen van een deelnemende gemeente van mening zijn dat een overdracht als bedoeld in dit artikel voor hun gemeente ongedaan moet worden gemaakt, wenden zij zich met een gemotiveerd verzoek tot de regioraad.

8. De regioraad beslist omtrent dit verzoek. Deze beslissing wordt met redenen omkleed ter kennis gebracht van de betrokken gemeente.

9. Bij inwilliging van het verzoek, regelt de regioraad, de gevolgen van het in het vorige lid bedoelde besluit, de financiële gevolgen daaronder begrepen.

10. Bij wijziging van een overdrachtsregeling vindt artikel 66 van de regeling toepassing.

HOOFDSTUK IX MEDEDELINGSPLICHT VAN DE BESTUREN VAN DE DEELNEMENDE

GEMEENTEN

Artikel 51

1. De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten doen het dagelijks bestuur mededeling van bij hen in voorbereiding zijnde maatregelen en plannen, die voor de taakvervulling van de Stadsregio Amsterdam van belang zijn.

2. De in het eerste lid genoemde bestuursorganen kunnen over bij hen in voorbereiding zijnde maatregelen en plannen, die voor de taakvervulling van de Stadsregio Amsterdam van belang zijn het gevoelen vragen van het betrokken bestuursorgaan van de Stadsregio Amsterdam.

3. De bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam kunnen hun zienswijze omtrent maatregelen en plannen als bedoeld in het eerste lid, ook ongevraagd aan het betrokken gemeentebestuur kenbaar maken.

4. De in het eerste lid genoemde bestuursorganen  zijn verplicht te voldoen aan een verzoek van de bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam inlichtingen te verschaffen omtrent plannen en maatregelen die voor de Stadsregio Amsterdam van belang zijn.

HOOFDSTUK X FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 52

1. De regioraad stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het beheer van de vermogenswaarden van de algemene dienst van de Stadsregio Amsterdam. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van doelmatigheid en controle wordt voldaan.

2. Ten aanzien van de controle op de administratie en op het beheer van de vermogenswaarden van de algemene dienst, is artikel 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

3. Het dagelijks bestuur zendt de verordeningen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, binnen twee weken na vaststelling aan gedeputeerde staten.

Paragraaf 2: De begroting

Artikel 53

De regioraad stelt jaarlijks vóór 1 juli de begroting vast voor het eerstvolgende begrotingsjaar.

Alvorens hiertoe over te gaan wordt de procedure als omschreven in artikel 35 van de wet gevolgd

Artikel 54

1. In de begroting wordt aangegeven de naar raming door elke deelnemende gemeente voor het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdrage.

2. Voor de berekening van de in het vorige lid bedoelde bijdrage wordt uitgegaan van het inwonertal op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de bijdrage verschuldigd is. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de door het Centraal bureau voor de statistiek vastgestelde bevolkingscijfers.

3. De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari en vóór 16 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.

4. De deelnemende gemeenten waarborgen de betaling van rente en aflossing van de geldleningen, aan te gaan door de Stadsregio Amsterdam voor de uitvoering van zijn taak, in verhouding tot het inwonertal op 1 januari van het dienstjaar waarin de geldlening wordt aangegaan (uitgedrukt in een veelvoud van duizend naar boven afgerond). Zodanige

geldleningen mogen de geldgevers geen rendement geven dat hoger is dan het rendement van de geldleningen, welke tegelijkertijd worden aangeboden door de NV. Bank Nederlandse gemeenten.

Artikel 55

1. Van de vaststelling van de begroting wordt terstond mededeling gedaan aan de besturen van de deelnemende gemeenten, die ervoor zorgdragen dat het in deze begroting voor de gemeente als bijdrage in de kosten van de Stadsregio Amsterdam geraamde bedrag, in de gemeentebegroting wordt opgenomen.

2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen een maand na vaststelling aan gedeputeerde staten.

Artikel 56

Met betrekking tot wijziging van de begroting zijn de voorgaande artikelen, alsmede artikel 57 van de regeling zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het bepaalde in artikel 53 van de regeling voor zover het wijzigingen betreft van de begroting, die geen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemende gemeenten.

Artikel 57

Wanneer aan de regioraad blijkt, dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 55, eerste lid, van deze regeling verzoekt de regioraad gedeputeerde staten over te gaan tot toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet.

Paragraaf 3: De jaarrekening

Artikel 58

1. Van de inkomsten en uitgaven van de Stadsregio Amsterdam over het afgelopen jaar wordt door het dagelijks bestuur verantwoording gedaan aan de regioraad onder overlegging van de door een ambtenaar, aangewezen bij de regels als bedoeld in artikel 52 van de regeling, overeenkomstig deze regels aangeboden jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden.

2. Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag als bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, alsmede een door het dagelijks bestuur opgemaakt verslag ter verantwoording van het financieel beheer.

Artikel 59

1. De regioraad onderzoekt jaarlijks de jaarrekening over het afgelopen jaar zonder uitstel en stelt haar vóór 1 juli vast.

2. De jaarrekening wordt binnen een maand met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten toegezonden. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten.

3. Het besluit tot vaststelling ontlast de leden van het dagelijks bestuur, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

4. Artikel 201 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 60

1. In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten over het desbetreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

2. De kosten worden over de deelnemende gemeenten verdeeld naar het inwonertal op 1 januari van het jaar waarop de kosten betrekking hebben.

Artikel 54, tweede lid, tweede volzin, van de regeling is van overeenkomstige toepassing.

3. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 54, derde lid, van de regeling betaalde voorschot en het werkelijk verschuldigde bedrag vindt plaats onmiddellijk na de kennisgeving aan de deelnemende gemeenten van de vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 61

De regioraad kan besluiten tot vorming van een fonds, strekkende tot het reserveren van andere dan gemeentelijke gelden. De met gelden in het fonds gekweekte rente wordt in dit fonds gestort. De begroting inzake de verrekening met de gemeenten dient in verband hiermede te worden aangepast.

HOOFDSTUK XI GESCHILLEN

1. De regioraad beslist omtrent geschillen over de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling, voorzover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112, eerste lid, van de Grondwet of tot die, waarvan de beslissing krachtens artikel 112, tweede lid, van de Grondwet is opgedragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. Artikel 28 van de wet is niet van toepassing.

2. Alvorens een beslissing, als bedoeld in het eerste lid, te nemen legt de regioraad een dergelijk geschil om advies voor aan een daartoe door partijen in te stellen geschillencommissie.

3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen en brengt advies aan de regioraad uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

4. Hangende het onderzoek van het geschil kan het besluit, dat onderwerp van het geschil uitmaakt, op verzoek van het belanghebbende bestuur door de regioraad worden geschorst op grond dat de uitvoering van het besluit voor dat bestuur een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Deze schorsing vervalt, zodra door de regioraad is beslist op het geschil of op een ander tijdstip, door de regioraad aangegeven bij de beslissing van het geschil.

Artikel 63

1. De Stadsregio Amsterdam kent een klachtenregeling voor klachten over de wijze waarop de Stadsregio Amsterdam zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een klager heeft gedragen.

2. Voor de behandeling van verzoekschriften op grond van artikel 9:18, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht is de Gemeentelijke Ombudsman te Amsterdam aangewezen.

HOOFDSTUK XII HET ARCHIEF

Artikel 64

Ten aanzien van de archiefbescheiden van de Stadsregio Amsterdam zijn de voorschriften omtrent de zorg, de bewaring en het beheer daarvan, alsmede die omtrent het toezicht daarop, zoals deze voor de gemeente Amsterdam zijn of nader zullen worden vastgesteld, van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK XIII TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 65

1. Toetreding van gemeenten kan plaatsvinden op verzoek van de regioraad en op hun verzoek bij een besluit van de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de desbetreffende gemeente, indien de raden, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van tenminste twee derden van het aantal deelnemende gemeenten het verzoek inwilligen.

2. Aan de toetreding kunnen door de regioraad voorwaarden worden verbonden.

3. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand nadat de besturen van de deelnemende gemeenten op de gebruikelijke wijze hebben zorg gedragen voor de bekendmaking van de regeling, met inachtneming van de datum van ingang vermeld in het besluit.

4. De raad van de toegetreden gemeente doet zo spoedig mogelijk de nodige benoemingen overeenkomstig artikel 17 en volgende van deze regeling. Behoudens eerdere beëindiging van het lidmaatschap treden de benoemden af op het

tijdstip waarop de dan zitting hebbende leden van de regioraad aftreden.

Artikel 66

1. Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending van een daartoe strekkend besluit van de bestuursorganen van die gemeente aan de regioraad.

2. Tenzij de regioraad een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar nadat de uittreding door besturen van de deelnemende gemeenten op de gebruikelijke wijze hebben zorg gedragen voor de bekendmaking, met inachtneming van de datum van ingang vermeld in het besluit.

3. De regioraad regelt de gevolgen van de uittreding, de financiële en personele gevolgen daaronder begrepen.

Artikel 67

1. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door de regioraad, al dan niet op initiatief van de bestuursorganen van een deelnemende gemeente.

2. Een wijziging is tot stand gekomen zodra de raden, de colleges en de burgemeesters van tenminste twee derden van het aantal deelnemende gemeenten, vertegenwoordigende tenminste twee derden van het aantal inwoners van het verzorgingsgebied op 1 januari van dat jaar, tot deze wijziging hebben besloten.

3. Zij treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat de besturen van de deelnemende gemeenten op de gebruikelijke wijze hebben zorg gedragen voor de bekendmaking van de regeling. Bij de wijziging kan worden bepaald dat deze op een eerder of later tijdstip van kracht wordt. Bij de wijziging kan worden bepaald dat deze op een eerder of later tijdstip van kracht wordt.

Artikel 68

1. a. De regeling wordt opgeheven zodra de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van tenminste twee derden van het aantal deelnemende gemeenten, vertegenwoordigende tenminste twee derden van het aantal inwoners van het samenwerkingsgebied op 1 januari van dat jaar, tot deze opheffing hebben besloten.

b. Een besluit, als bedoeld onder a, kan niet eerder worden genomen dan nadat de regioraad daarover zijn mening heeft kenbaar gemaakt.

2. De opheffing gaat niet eerder in dan nadat de besluiten door de besturen van de deelnemende gemeenten op gebruikelijke wijze zijn bekend gemaakt, met inachtneming van de datum van ingang vermeld in het besluit.

3. Ingeval van opheffing van de regeling besluit de regioraad tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regelen. Hierbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

4. Het liquidatieplan wordt door de regioraad, de bestuursorganen van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld.

5. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval ook in de financiële en overige gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft.

6. Zonodig blijven de bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam ook na het tijdstip van de opheffing in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

HOOFDSTUK XIV SLOTBEPALINGEN

Artikel 69

1. Het gemeentebestuur van Amsterdam draagt zorg voor de toezending, als bedoeld in artikel 26 van de wet.

2. De besturen van de deelnemende gemeenten dragen zorg voor de opname in het gemeentelijke register, als bedoeld in artikel 27 van de wet binnen 14 dagen na bekendmaking van de regeling met in achtneming van het bepaalde in het derde lid.

3. Deze regeling treedt in werking nadat de besturen van de deelnemende gemeenten op gebruikelijke wijze zorg hebben gedragen voor de bekendmaking van de regeling, met inachtneming van het in de regeling bepaalde en werkt terug tot 1 mei 1992.

Artikel 70

Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel "Gemeenschappelijke regeling Stadsregio Amsterdam."