31 793 Internationale klimaatafspraken

Nr. 134 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 december 2015

Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, over de uitkomst op hoofdlijnen van de 21e Conferentie van Partijen (COP-21) bij het VN klimaatverdrag, die plaatsvond in Parijs van 30 november tot en met 12 december 2015. Hiermee voldoe ik ook aan het verzoek van het lid Van Tongeren (GL) uit de Regeling van Werkzaamheden van 15 december jongstleden, waarin zij verzoekt om een brief over de uitkomsten van Parijs. Begin 2016 zult u van het kabinet een uitgebreidere appreciatie van het Parijs-akkoord en een vooruitblik op de vervolgstappen ontvangen.

Namens het Koninkrijk hebben de Minister-President van Nederland, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister-President en de Minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ontwikkeling en Integratie van Aruba en de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van Curaçao hieraan deelgenomen. Sint-Maarten was op ambtelijk niveau vertegenwoordigd.

Inzet van het koninkrijk

Op 9 november jl. is uw Kamer geïnformeerd over de inzet van het Koninkrijk voor de Klimaattop (Kamerstuk 31 793, nr. 119). Samengevat luidde deze als volgt:

  • streven naar een juridisch bindend kernakkoord dat aangeeft waaraan landen zich committeren;

  • een balans tussen mitigatie en adaptatie, en met een langetermijnvisie, gericht op klimaatneutraliteit en klimaatbestendigheid in de tweede helft van deze eeuw;

  • een mechanisme voor het herzien van de ambitie, via een cyclus waarin Partijen elke 5 jaar hun bijdragen evalueren en aangeven hoe inspanningen kunnen worden verhoogd;

  • inzet om alle partijen in staat te stellen naar vermogen bij te dragen. Geen strikte scheiding meer tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, maar een meer eigentijdse invulling van de differentiatie tussen landen. Hierbij worden de allerarmsten geholpen de gevolgen van klimaatverandering te dragen en worden de bijzondere omstandigheden van de kleine, in ontwikkeling zijnde eilandstaten erkend;

  • het benoemen van de bijdrage die niet-statelijke actoren nu en in de toekomst leveren om te komen tot een wereld waarin groene groei en het tegengaan van klimaatverandering samengaan;

  • financiering: een verbreding van de focus in de onderhandelingen, namelijk zowel nadruk op ondersteuning van de meest kwetsbare landen als het ombuigen van investeringen, en meer transparantie.

Het resultaat

Juridisch bindend akkoord

Met genoegen kan ik u meedelen dat Partijen er na lang onderhandelen in geslaagd zijn om met consensus een juridisch bindend klimaatakkoord overeen te komen. Dit vormt een nieuw uitgangspunt voor effectief mondiaal klimaatbeleid in de 21ste eeuw, dat geldt voor alle landen.

Doel voor mitigatie en adaptatie, langetermijnvisie

Met het Parijs-akkoord zetten landen in op het beperken van de mondiaal gemiddelde temperatuurstijging tot ruim beneden de twee graden, met het streven deze tot 1,5 graad te beperken om de risico’s en impact van klimaatverandering significant te verminderen. Om dit doel te bereiken richten partijen zich op een balans tussen de uitstoot en vastlegging van broeikasgassen, waarmee de netto uitstoot dus nul wordt, in de tweede helft van deze eeuw. Dit komt overeen met de door Nederland beoogde klimaatneutraliteit.

Klimaatbestendigheid is opgenomen als tweede kompas om op te koersen. Het is voor het eerst dat het belang van adaptatie (aanpassing aan klimaatverandering) in de mondiale klimaatonderhandelingen zo stevig wordt erkend en vastgelegd.

Ambitiemechanisme, transparantie en voortgang

De klimaatbijdragen1 die vrijwel alle landen in aanloop naar en tijdens de klimaattop hebben ingediend, vormen de eerste stap. De volgende stap op weg naar het mondiale doel is dat landen hun bijdragen elke vijf jaar gezamenlijk evalueren en aangeven of en hoe zij hun inspanningen aanscherpen – daarvoor is een ambitiecyclus overeengekomen. Transparantie over de bijdragen van landen en de voortgang richting hun nationale doelen is essentieel. Het akkoord voorziet in een raamwerk om de klimaatactie van landen te kunnen monitoren. Ontwikkelde landen doen dat al – ontwikkelingslanden zullen worden ondersteund om dergelijke monitorings- en rapportagesystemen waar nodig te versterken.

Eigentijdse invulling differentiatie tussen landen

Het akkoord past bij de grote diversiteit aan landen in de wereld: er is gekozen voor een benadering waarbij alle landen naar vermogen bijdragen aan de aanpak van klimaatverandering. De minst ontwikkelde landen en meest kwetsbare landen zoals kleine eilandstaten krijgen erkenning voor hun nationale omstandigheden. Ontwikkelde landen blijven zich vol inzetten en blijven de leiding nemen. Bijdragen en verantwoordelijkheden van landen kunnen echter meegroeien met de tijd, naarmate hun capaciteit voor klimaatactie toeneemt. Dit geldt ook voor de afspraken over transparantie en bijdragen aan klimaatfinanciering.

Financiering

Om alle landen in staat te stellen om zo ambitieus mogelijk te zijn in hun klimaatactie, zijn bovendien afspraken gemaakt voor bijdragen aan klimaatfinanciering. Ontwikkelde landen houden hierin het voortouw en zullen werken aan de opschaling van middelen richting USD 100 miljard per jaar in 2020. Zij hebben zich daarnaast gecommitteerd om deze USD 100 miljard per jaar uit publieke en private middelen tot aan 2025 te blijven verstrekken, waarbij voor 2025 een nieuwe doelstelling zal worden gesteld. Ook andere landen worden aangespoord om bij te dragen aan financiële ondersteuning voor ontwikkelingslanden. Daarnaast is besloten om binnen de doelstelling voor klimaatfinanciering meer ondersteuning te geven aan adaptatieacties, met speciale aandacht voor die landen die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering.

Klimaatactie voor 2020, betrokkenheid niet-statelijke actoren

Bovendien hebben landen in Parijs verdere afspraken gemaakt over het bevorderen van klimaatactie nog voor 2020, om het bestaande tekort aan emissiereducties te verminderen en op een kosteneffectief pad te komen richting een klimaatneutrale en klimaatweerbare wereld. Voorts zijn op de klimaattop in het kader van de Lima-Paris Action Agenda diverse nieuwe acties en toezeggingen aangekondigd door coalities van landen en niet-statelijke actoren. Ook veel Nederlandse bedrijven, maatschappelijke organisaties en lokale overheden hebben in Parijs hun kennis en expertise op het gebied van mitigatie en adaptatie gedeeld met belangstellenden uit de hele wereld.

Gender en bossen

Het akkoord benadrukt verder de relatie tussen (de gevolgen van) klimaatverandering en armoedebestrijding en erkent dat bij het nemen van klimaatmaatregelen onder andere mensenrechten en gendergelijkheid in acht moeten worden genomen. Het akkoord erkent tevens het bijzondere belang van instandhouding van bossen als reservoirs voor de opslag van broeikasgassen, en het belang van voedselzekerheid en de kwetsbaarheid van voedselproductiesystemen voor klimaatverandering.

Afsluitend

Met deze kernelementen op het gebied van ambitie, transparantie en financiering zet de wereld een cruciale stap om het mondiale klimaatprobleem gezamenlijk aan te pakken, en het Parijs-akkoord kan dan ook met recht historisch genoemd worden. Parijs geeft het heldere signaal waar bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties al zo lang om vroegen: een gezamenlijke bestemming met een langetermijndoelstelling voor mitigatie en adaptatie waar iedereen – landen, overheden, bedrijven en burgers – zich op gaat richten. Het akkoord biedt daarmee belangrijke kansen voor innovatie en groene groei, waarbij het Nederlandse bedrijfsleven een voortrekkersrol kan vervullen.

Parijs is niet het eindpunt; veel zaken zullen nog moeten worden uitgewerkt voor het akkoord in 2020 in werking zal treden. Daarbij zal Nederland als voorzitter van de Raad van de Europese Unie in de eerste helft van 2016 een belangrijke rol spelen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

De zogenaamde Intended Nationally Determined Contributions (INDCs). De EU en haar lidstaten hebben gezamenlijk een INDC ingediend, met als doel een reductie van de emissie van broeikasgassen van ten minste 40% in 2030 (ten opzichte van 1990).

Naar boven