Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2017-2018
Kamerstuk 34723 nr. 7

Gepubliceerd op 20 september 2017 13:07

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



34 723 Wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet)

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 september 2017

Hoofdstuk I. ALGEMEEN

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van verschillende fracties over het wetsvoorstel houdende wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet).

De vragen die u heeft gesteld naar aanleiding van de aangeboden wijzigingen van de Warmtewet, kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

  • vragen over de wijzigingen van de Warmtewet naar aanleiding van de evaluatie van de huidige Warmtewet;

  • vragen over de nota van wijziging van 13 juni 2017; en

  • vragen over de potentiële wijzigingen van de Warmtewet, mogelijk in combinatie met wijziging in de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet, als onderdeel van de uitwerking van het transitiepad lage temperatuurwarmte.

Deze laatste categorie vragen wordt veelal procesmatig beantwoord, met het oog op het maatschappelijke afstemmingsproces dat momenteel plaatsvindt en de politieke besluitvorming die hierover nog zal moeten plaatsvinden.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie vroegen wat er volgens de regering in de uitwerking van de Energieagenda moet gebeuren om de realisatie van warmtenetwerken handvatten te geven. Daarbij vroegen deze leden hoe de regering de coördinatie en afstemming gaat vormgeven om te komen tot doeltreffende en doelmatige oplossingen. Daarnaast merkten deze leden op dat realisatiebesluiten voor collectieve warmtevoorzieningsprojecten zoals stadsverwarming gebaseerd moeten zijn op onafhankelijke maatschappelijke kosten-batenanalyses.

In de Energieagenda is de ambitie neergelegd om uiterlijk in 2050 te komen tot een volledig CO2-arme voorziening van lage temperatuurwarmte. De huidige warmtevoorziening, die grotendeels is gebaseerd op het gebruik van aardgas, zal plaatsmaken voor een warmtevoorziening gebaseerd op warmtelevering, all-electric oplossingen (warmtepompen) en het gebruik van hernieuwbare gassen (groen gas en waterstof). Op basis van een kosten en baten analyse kan per buurt, stadsdeel of gemeente bekeken worden welke duurzame invulling van de warmtevoorziening voorkeur verdient. Betaalbaarheid, duurzaamheid en leveringszekerheid moeten hierbij worden afgewogen.

In de Energieagenda is ook aangegeven dat deze transitie een veelheid aan maatregelen vereist. De warmtevoorziening zal lokaal gaan verschillen. Rijk, gemeenten, provincies en netbeheerders zijn in gesprek over de rol- en taakverdeling hierbij. Zoals aangekondigd in de Energieagenda worden bovenstaande, en andere, vragen momenteel uitgewerkt in de transitiepaden hoge en lage temperatuurwarmte. Ook voor de andere functionaliteiten van de Energieagenda worden transitiepaden tot 2050 uitgewerkt.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de warmtetarieven meestijgen met verhoogde belasting op gas, en zo ja, of dit wenselijk is gelet op het feit dat warmtenetten bijdragen aan het vermijden van CO2-uitstoot. Verder vroegen genoemde leden of het mogelijk is om voor warmte lagere tarieven te hebben dan voor gas.

Het maximale tarief dat op grond van de Warmtewet in rekening mag worden gebracht voor levering van warmte wordt gebaseerd op een gasreferentie. Op grond van de gasreferentie wordt de prijs die een kleinverbruiker van warmte betaalt afgeleid van de gemiddelde kosten die eenzelfde kleinverbruiker zou maken, wanneer hij door middel van een gasvoorziening in zijn warmtebehoefte zou voorzien. Omdat de kosten die maximaal in rekening mogen worden gebracht voor het verbruik van warmte afgeleid zijn van de kosten die een verbruiker van gas zou maken voor verwarming met gas stijgen de maximale kosten voor levering van warmte, wanneer de energiebelasting op gas stijgt. Dit wil echter niet zeggen dat de warmteprijs evenredig meestijgt met de gasprijs. De gasprijs is namelijk slechts één factor in de warmteprijs. Ook kunnen warmteleveranciers lagere tarieven hanteren dan de vastgestelde maximumprijs. Deze tarieven kunnen ook lager liggen dan de tarieven voor gas.

Voor wat betreft de in de vraag gelegde koppeling met de CO2-uitstoot kan worden opgemerkt dat de energiebelasting niet is gerelateerd aan de CO2-uitstoot die gepaard gaat met de opwekking van de verbruikte energie. Dit betekent dat over het verbruik van duurzaam opgewekte energie elektriciteit of gas evenveel belasting wordt betaald als over het verbruik van niet duurzaam opgewekte elektriciteit of gas. Dit ligt besloten in de belastingwetgeving, de Richtlijn Energiebelastingen en de daarbij van kracht zijnde Europese mededingingsregels.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het maximumtarief voor warmte voldoende is om de kosten van de warmteleverancier te dekken en of warmteleveranciers aan de andere kant niet te veel van hun afnemers vragen. Verder vroegen deze leden of de kosten die gemaakt worden bij opwekking en levering voor de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) voldoende transparant en inzichtelijk zijn om een inschatting te kunnen maken van de rendementen van de verschillende warmteleveranciers en indien dit het geval is of de Kamer hierover kan worden geïnformeerd.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Warmtewet monitort de ACM de ontwikkeling van de rendementen in de warmteleveringsmarkt en doet hier iedere twee jaar verslag van aan de Minister van Economische Zaken. ACM doet dit door middel van de Rendementsmonitor warmteleveranciers. De eerste monitor is op 6 november 2015 gepubliceerd. Deze is aan de Kamer aangeboden met mijn brief van 17 februari 2016 (Kamerstuk 34 415, nr. 1).

Uit deze monitor bleek dat warmteleveranciers zonder vastgoed in de jaren 2013 en 2014 geen onredelijk hoge rendementen hebben behaald en dat voor het jaar 2014 de behaalde rendementen lager zijn dan wat redelijk geacht mag worden. Op basis hiervan mag worden geconcludeerd dat de tarieven die warmteleveranciers in rekening brengen niet tot onredelijk hoge winsten leiden en dat aan de andere kant het tarief kostendekkend is, maar lagere rendementen oplevert dan wat redelijk geacht mag worden. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat de kosten en baten van de warmteleveranciers met vastgoed (veelal verhuurders die warmte leveren aan huurders) voor de onderzoekers onvoldoende transparant waren om conclusies te kunnen trekken over de rendementen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de regering kan ingaan op de vraag of leveranciers automatisch het maximumtarief vragen en zo ja, waarom dat niet anders kan, en zo nee, waarom er wel verschillende tarieven worden gevraagd.

De Warmtewet reguleert uitsluitend de maximale tarieven die voor de levering van warmte in rekening mogen worden gebracht. Dit betekent dat warmteleveranciers de vrijheid hebben om lagere tarieven dan het genoemde maximum in rekening te brengen. Het is niet bekend hoe vaak warmteleveranciers lagere tarieven dan het maximum in rekening brengen.

De leden van de CDA-fractie vroegen de regering om een overzicht van de ontwikkeling van het aantal gegeven vergunningen voor warmtelevering en het aantal warmteafnemers.

Er zijn momenteel 25 vergunninghouders voor de levering van warmte. De eerste twee vergunningen zijn verleend in 2015. In 2016 zijn er 23 vergunningen aan warmteleveranciers verleend. Tot nu toe zijn er in 2017 twee vergunningen verleend en twee vergunningen ingetrokken omdat de warmtenetten waren overgenomen door een andere leverancier. Voor een totaaloverzicht van alle verleende vergunningen verwijs ik naar de website van de ACM: https://www.acm.nl/nl/onderwerpen/energie/energiebedrijven/warmte/vergunninghouders-warmte/

De Warmtewet verplicht warmteleveranciers om hun warmtenetten aan te melden bij de ACM. Uit het bestand van aangemelde warmtenetten blijkt dat er in Nederland 620.348 warmteafnemers zijn met een aansluiting van maximaal 100 kilowatt (kleinverbruikers) en 7.593 warmteafnemers met een aansluiting groter dan 100 kilowatt (grootverbruikers). Grootverbruikers vallen daarbij niet onder de bescherming van de Warmtewet. Hierbij dient de kanttekening gemaakt te worden dat de ACM niet kan beoordelen of het aantal aangemelde warmtenetten compleet is. Dit omdat onbekend is hoeveel gebouwgebonden blokverwarmingssituaties Nederland in totaal kent. Mogelijk heeft een deel van de warmteleveranciers in gebouwgebonden blokverwarmingssituaties zich niet gemeld bij ACM.

De leden van de CDA-fractie vroegen in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel het mogelijk maakt dat warmteleverancier en warmtenetbeheerder niet dezelfde zijn en dat er meerdere warmteleveranciers aangesloten kunnen zijn op éénzelfde warmtenet. Daarbij vroegen deze leden of de regering het met hen eens is dat deze stap, meerdere leveranciers op één warmtenetwerk, ten behoeve van het vergroten van het gebruik van warmte nodig is.

De Warmtewet en het voorstel tot wijziging daarvan staan toe dat de rollen van warmtenetbeheerder en warmteleverancier bij verschillende partijen belegd worden. Ook staan de Warmtewet en het voorstel tot wijziging daarvan er niet aan in de weg dat partijen overeen kunnen komen dat een producent of leverancier gebruik kan maken van een warmtenet dat geëxploiteerd wordt door een andere partij. In de praktijk worden de verschillende rollen in de warmteketen ook al door verschillende partijen ingevuld. Het Warmtebedrijf Rotterdam bijvoorbeeld beheert delen van het stadswarmtenet in Rotterdam waarop Eneco en Nuon als warmteleveranciers actief zijn en onder meer het afvalverbrandingsbedrijf AVR de warmte produceert.

De regering onderschrijft de wenselijkheid van het realiseren van meer open netten aan zowel de productie- als de leverancierszijde. Door meerdere warmtebronnen te ontwikkelen, kan het risico op uitval van levering verminderd worden en de verduurzaming van het net bevorderd worden. Meerdere warmteleveranciers op een net zou op termijn kunnen bijdragen aan een meer gevarieerd product- en dienstenaanbod. Tegelijkertijd moet echter worden geconstateerd dat op de warmtemarkt in Nederland, als gevolg van het lokale karakter en de relatief beperkte omvang van warmtenetten, op dit moment onvoldoende partijen actief zijn aan de productiezijde van warmte om effectieve concurrentie tussen leveranciers mogelijk te maken. In het wetsvoorstel wordt er daarom niet voor gekozen om te voorzien in een verplichting voor de eigenaar van een warmtenet om derde leveranciers toe te laten tot een net of met derde leveranciers te onderhandelen over toegang tot een net. Met dit wetsvoorstel wordt wel onderhandelde toegang aan de productiezijde mogelijk gemaakt. De regering verwacht dat dit bijdraagt aan een meer divers aanbod van warmte

De leden van de D66-fractie vroegen de regering of de voorliggende wijziging moet worden gezien als een tussenwet om een aantal prangende knelpunten in de wet op te lossen en of de grotere stelselwijziging later komt. Daarbij vroegen deze leden wat het tijdpad is en of het de bedoeling is om op termijn de Warmtewet, Gaswet en Elektriciteitswet 1998 te integreren.

In aanvulling op de antwoorden op de gelijkluidende vragen van de leden van de CDA-fractie over de uitwerking van de Energieagenda ga ik hieronder in op de plaats van de herziening van de Warmtewet in dit kader. De voorliggende wijziging van de Warmtewet is voortgekomen uit de evaluatie van de Warmtewet die op 17 februari 2016 aan uw Kamer is gestuurd. Uit deze evaluatie kwam een aantal zaken naar voren dat op korte termijn moet worden opgelost om de bescherming van warmteafnemers te kunnen waarborgen. Het oplossen van deze knelpunten is een belangrijke drijfveer voor deze wijziging van de Warmtewet. Het voornaamste doel van de Warmtewet is het beschermen van gebonden afnemers tegen eventueel misbruik van de monopoliemacht van warmteleveranciers. Deze wijziging van de Warmtewet brengt een aantal belangrijke verbeteringen aan en verbetert zo de positie van de huidige en toekomstige afnemers van warmte. Met het vooruitzicht dat het gebruik van aardgas voor ruimteverwarming richting 2050 steeds verder wordt afgebouwd, kan warmtelevering een kosteneffectief en CO2-arm alternatief vormen. Om de mogelijke overstap van aardgas naar warmtelevering te ondersteunen, is een goed functionerende wettelijke bescherming nodig.

Parallel aan de wijziging van de Warmtewet is in navolging van de Energieagenda, die op 7 december 2016 is gepresenteerd, begonnen met de uitwerking van het transitiepad lage temperatuurwarmte. In dat kader zijn, aanvullend op de wijzigingen van de Warmtewet, veel meer maatregelen nodig. Het is dan ook waarschijnlijk dat in dit kader de regels ten aanzien van elektriciteit, gas en warmte (opnieuw) aangepast moeten worden. De nota van wijziging kan in dat licht worden bezien. Of op termijn het integreren van de Warmtewet, Gaswet en Elektriciteitswet 1998 gelet op de verschillen in omvang, ontwikkeling en ordening van de verschillende markten zinvol is, zal dan moeten blijken.

De leden van de D66-fractie vroegen welke mogelijkheden de regering ziet om gasnetten op termijn te gaan gebruiken voor waterstof.

Hernieuwbare gassen kunnen een nuttige rol vervullen in een CO2-arme voorziening van lage temperatuurwarmte. Ook waterstof kan zonder CO2-uitstoot geproduceerd worden en kan zo een blijvende rol vervullen in de energievoorziening: voor de productie van hogere temperaturen in de industrie, voor mobiliteit en ook ten behoeve van ruimteverwarming. De regering werkt momenteel aan een routekaart waterstof. Deze routekaart beoogt de volgende doelen:

  • 1. Schetsen van de potentie van duurzame waterstof in de energievoorziening in 2050.

  • 2. In kaart brengen van de diverse acties en actoren die in Nederland (en mogelijk ook in onze buurlanden) rond duurzame waterstof spelen.

  • 3. Eerste stappen en acties benoemen die kansrijk zijn om de potentie van duurzame waterstof te verzilveren en welke rol daarbij van de rijksoverheid en andere partijen wordt verwacht.

In de routekaart zal ook aandacht worden besteed aan de mogelijkheden om het huidige gasnet op termijn te gebruiken voor waterstof.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen in hoeverre het wetsvoorstel de Energieagenda ondersteunt en op welke manier.

In de Energieagenda is aangekondigd dat de gebouwde omgeving en glastuinbouw op termijn zal moeten omschakelen naar aardgasvrije alternatieven voor warmtevoorziening. Daarbij is aangegeven dat het Rijk de juridische condities zal moeten scheppen om dit mogelijk te maken. Deze wijziging is een eerste stap in het creëren van deze condities. Verder verwijs ik naar de antwoorden op gelijkluidende vragen van de leden van de CDA-fractie en de leden van de D66-fractie over de uitwerking van de Energieagenda en de plaats van het onderhavige wetsvoorstel in dat kader waarin de relatie tussen het wetsvoorstel en de Energieagenda is toegelicht.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen hoe de regering aankijkt tegen de informatievoorziening naar verschillende groepen en hoe de regering om wil gaan met kleine gemeenten die belast worden met het realiseren van gasloze wijken maar hiervoor onvoldoende capaciteit hebben.

In de Energieagenda heeft de regering aangekondigd in gesprek te gaan met gemeenten, provincies en netbeheerders over de warmtevoorziening die in de toekomst een meer lokaal karakter zal krijgen. Op welke wijze gemeenten hiermee aan de slag kunnen en wat ze hiervoor nodig hebben, wordt momenteel in pilots uitgewerkt, de zogeheten energiestrategieën van de VNG. Ook in de Green Deal aardgasvrije wijken wordt door 31 gemeenten, samen met onder meer het Rijk, provincies en regionale netbeheerders, gekeken op welke wijze de besluitvorming over aardgasvrije wijken zo goed mogelijk georganiseerd kan worden.

2. Doel van dit wetsvoorstel

De leden van ChristenUnie-fractie vroegen wat de positie is van dit wetsvoorstel binnen de route naar een volledige energietransitie en warmtetransitie.

Warmtelevering is een belangrijke technologie, naast hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbaar gas, om tot een CO2-arme warmtevoorziening te komen. Dit wetsvoorstel verbetert de bescherming van gebonden afnemers van warmte. Dat is belangrijk, omdat een goede bescherming van afnemers noodzakelijk is voor het draagvlak van warmtenetten. Daarnaast worden er eerste stappen gezet naar een betere werking en verduurzaming van de warmtemarkt, door meer kostprijsgerichte onderdelen in de tariefstelling op te nemen en de mogelijkheid tot productdifferentiatie en voorschriften inzake derdentoegang op warmtenetten te introduceren.

3. Samenhang met andere (wets)trajecten

De leden van de VVD-fractie vroegen om een toelichting op de samenhang tussen de Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (voortgang energietransitie) en de voorliggende wet, en vroegen of er voorzien is in een samenvoeging van deze wetten.

Het wetsvoorstel Voortgang energietransitie is gericht op het doorvoeren van een aantal verbeteringen in de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 die in het wetvoorstel STROOM waren opgenomen. Het voorliggende wetsvoorstel betreft een wijziging van de Warmtewet. Voor wat betreft de samenvoeging van deze wetten verwijs ik naar het eerdere antwoord op gelijkluidende vragen van de D66-fractie over het op termijn integreren van de Warmtewet, Gaswet en Elektriciteitswet 1998.

De leden van de VVD-fractie vroegen de regering te bevestigen dat er alleen gekozen wordt voor gas mits er echt geen andere keuze is en hoe dit wordt gewaarborgd.

Er wordt onderzocht hoe eindgebruikers het recht op een aansluiting op een energie-infrastructuur kunnen krijgen waarmee ze in de behoefte aan warmte kunnen voorzien. Daarbij wordt op lokaal niveau gekeken naar welke warmte-optie (hernieuwbaar gas, warmtelevering, all-electric of een combinatie) het meest gunstig is. Het gebruik van aardgas wordt vergaand afgebouwd. Hernieuwbare gassen (biogas, groen gas, waterstof) passen wel in een CO2-arme warmtevoorziening. In het transitiepad lage temperatuurwarmte wordt uitgewerkt hoe deze keuzes op een effectieve en gedragen wijze gemaakt kunnen worden en welke verantwoordelijkheidsverdeling daarbij hoort. Lokale keuzes moeten bovendien onderling niet strijdig zijn en in voldoende mate bijdragen aan de nationale CO2-doelen.

De leden van de VVD-fractie vroegen welke mogelijkheden de regering heeft om lokale overheden die een nieuw gasnet willen aanleggen (dus geen vervanging) hiervoor een verbod op te leggen en voorts welke mogelijkheden er zijn als het om vervanging gaat.

Er is in de Energieagenda een aantal maatregelen met betrekking tot het afbouwen van aardgas aangekondigd. Eén van de maatregelen is dat er in beginsel geen nieuwe gasinfrastructuur meer wordt aangelegd in nieuwbouwwijken. De nota van wijziging bij dit wetsvoorstel geeft hier uitvoering aan. Vooralsnog gaat het hier niet om een verbod, maar krijgen de gemeenten de mogelijkheid om nieuwbouwwijken aan te wijzen waar de aansluitplicht op het gasnet vervalt. Voor de situatie dat een gasnet vervangen wordt, zijn vooralsnog geen nadere regels opgesteld. De overstap van een bestaand gasnet naar een alternatieve infrastructuur voor de warmtevoorziening (warmtenet, stroomnet) is juridisch complex en maatschappelijk ingrijpend en vraagt om een zorgvuldige uitwerking.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe in de praktijk voorkomen wordt dat een gasnet wordt aangelegd in een nieuwbouwwijk.

Met de nota van wijziging is een wijziging van artikel 10 van de Gaswet opgenomen in het wetsvoorstel houdende wijziging van de Warmtewet. Op grond van deze bepaling kan het college van burgemeesters en wethouders, bij de gemeentelijke besluitvorming over de vergunningverlening voor de aanleg van een nieuwbouwwijk, besluiten dat het gebied van de nieuwbouwwijk wordt aangewezen als gebied waar een warmtenet wordt gerealiseerd. In dat geval vervalt op grond van artikel 10, achtste lid, van de Gaswet de aansluitplicht voor gas die in de Gaswet is opgenomen. Daarnaast komen gasvrije wijken tot stand door middel van bilaterale afspraken tussen gemeenten en projectontwikkelaars.

De leden van VVD-fractie stelden dat de afbouw van gasnetten, de aanleg van collectieve warmtenetten en de uitbreiding van elektriciteitsnetten in samenhang moeten worden bezien en vroegen een toelichting op hoe daar in dit wetsvoorstel precies rekening mee is gehouden.

De regering onderschrijft dat de ontwikkeling van verschillende energie-infrastructuren in samenhang moet worden beschouwd. Om ervoor te zorgen dat mensen niet in de kou komen te zitten, moet dit zorgvuldig worden gecoördineerd. Dit valt buiten de scope van voorliggend wetsvoorstel. Het in de Energieagenda beschreven «warmterecht» zal hier invulling aan gaan geven.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de uitbreiding van elektriciteitsnetten kan worden voorkomen door te kiezen voor slimmere oplossingen die in de markt te vinden zijn.

Door een toenemend gebruik van warmtepompen als vervanging van gasgestookte ketels zal het elektriciteitsgebruik naar verwachting toenemen. Hierdoor is een uitbreiding en/of verzwaring van het elektriciteitsnet te voorzien. Om deze uitbreiding zo gering mogelijk te laten zijn, is bij het gebruik van warmtepompen met name de reductie van de zogeheten piekvraag van groot belang. Vergaande isolatie van het te verwarmen gebouw en vraagsturing door slimme apparaten zijn daarvoor mogelijke oplossingen. Hier ligt nog een belangrijke opgave voor de markt om tot een aantrekkelijk producten- en dienstenaanbod te komen.

De leden van de SP-fractie vroegen wat de meerwaarde is van de door de regering voorgestelde nota van wijziging die een beperkt eind moet maken aan de gasaansluitplicht in vergelijking met de eerder voorgestelde experimenteerwet.

De in de nota van wijziging voorgestelde wijziging biedt de mogelijkheid aan iedere gemeente een gebied (wijk of straat) aan te wijzen waar geen gastransportnet wordt aangelegd of uitgebreid. Voorwaarde is dat er een warmtenet of een andere energie-infrastructuur is of komt, die in de warmtebehoefte in het aangewezen gebied kan voorzien. Een dergelijk besluit heeft permanente gevolgen. In het Wetsvoorstel Voortgang Energietransitie wordt de mogelijkheid geschapen om tijdelijk te experimenteren in een (beperkt) aantal experimenten, waarna bezien zal worden of dit dient te leiden tot wetswijziging. De nota van wijziging versnelt het proces van wetswijziging voor het aanwijzen van gasvrije nieuwbouwwijken.

De leden van de SP-fractie gaven aan een discussie over vragen als socialisering van het warmtenet, concurrentievraagstukken en eigendom van het net te missen in de onderbouwing van de Warmtewet en vroegen op welk moment een dergelijke discussie integraal zal worden gevoerd.

De punten die de SP aansnijdt zullen terugkomen in de uitwerking van de transitiepaden. Het integrale warmterecht zoals bedoeld in de Energieagenda, is ook geen onderdeel van dit wetsvoorstel. De introductie van een integraal warmterecht, de taakverdeling tussen Rijk, gemeenten, provincies en netbeheerders en andere zaken worden uitgewerkt in het transitiepad lage temperatuurwarmte.

De leden van de SP-fractie vroegen op welke wijze door de regering gehoor gegeven is aan het advies van de Raad van State om in de toelichting meer concreet in te gaan op de beoogde stappen en wetswijzigingen om het voornemen inzake warmtetransitie te realiseren en het bijbehorende tijdpad aan te duiden.

In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (Kamerstuk 34 723, nr. 4) is aangegeven dat aan het in de vraag genoemde advies gevolg is gegeven door aanpassing van paragraaf 3 en 4.3 van de memorie van toelichting bij het onderhavige voorstel tot wijziging van de Warmtewet (hierna: memorie van toelichting).

De leden van de SGP-fractie vroegen wat de regering gaat doen om de aanleg van grootschalige warmtenetten te stimuleren.

Een mix van instrumenten is noodzakelijk om warmtelevering te stimuleren en deze zijn in de Energieagenda voor een deel al beschreven. Het Kabinet voorziet bijvoorbeeld in de toekomst een verdere verschuiving van de energiebelasting op elektriciteit naar gas. Verder zal het omvormen van het recht op een gasaansluiting tot een algemeen «warmterecht» en een actieve uitfasering van aardgas ook een stimulerend effect hebben op de ontwikkeling van warmtenetten. In het transitiepad lage temperatuurwarmte dat momenteel wordt ontwikkeld, wordt bestudeerd welke precieze mix van maatregelen nodig is.

4. Maatregelen in het wetsvoorstel

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen welke positie dochterondernemingen van verhuurders en verenigingen van eigenaars die warmte-installaties beheren in het wetsvoorstel hebben.

Artikel 1a van het wijzigingsvoorstel bevat bepalingen ten aanzien van de reikwijdte van de Warmtewet. Voor de reikwijdte van het wetsvoorstel is niet relevant wie de warmte-installatie beheert, maar welke partij als warmteleverancier optreedt. Een dochteronderneming maakt deel uit van het moederbedrijf en wordt ten behoeve van de toepassing van de Warmtewet niet beschouwd als een zelfstandige organisatie. Een verhuurder of een vereniging van eigenaars die voor de warmtelevering een dochterbedrijf inschakelt blijft als moederbedrijf verantwoordelijk voor die warmtelevering en daarmee zijn de reikwijdtebepalingen van artikel 1a ook op de dochteronderneming van toepassing.

4.1 Reikwijdte van de wet: blokverwarming

De leden van de SP-fractie vroegen welke positie dochterondernemingen van verhuurders en verenigingen van eigenaars die warmte-installaties beheren in het wetsvoorstel hebben.

Zoals aangegeven in reactie op de gelijkluidende vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie over dochterondernemingen van verhuurders en verenigingen van eigenaars is voor de reikwijdte van het wetsvoorstel niet relevant wie de warmte-installatie beheert, maar welke partij als warmteleverancier optreedt. Een verhuurder of een vereniging van eigenaars die voor de warmtelevering een dochterbedrijf inschakelt blijft als moederbedrijf verantwoordelijk voor die warmtelevering en daarmee neemt een dochteronderneming ten behoeve van de toepassing van de Warmtewet eenzelfde positie in als het moederbedrijf.

De leden van de SP-fractie vroegen of het niet logischer is om ook bij conflicten omtrent de overeenkomst tot warmtelevering die niet over de kosten van warmtelevering gaan te blijven kiezen voor geschillenbeslechting door de huurcommissie.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven is de geschillenbeslechting voor warmtelevering onder het huurrecht gelijk aan de geschillenbeslechting voor andere nutsvoorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas. Ook voor beslechting van geschillen die niet gaan over de kosten voor nutsvoorzieningen als water, elektriciteit en gas dient de huurder zich te wenden tot de burgerlijk rechter. Er is geen aanleiding om voor warmte een andere manier van geschillenbeslechting in te voeren. Daarbij kan worden aangetekend dat het overgrote deel van de geschillen gaat om de kosten van warmtelevering waarvoor de huurcommissie aanspreekpunt is.

4.1.1 Doel van de Warmtewet in relatie tot de reikwijdte van de wet
4.1.2 Gesignaleerde knelpunten ten aanzien van blokverwarming

De leden van de VVD-fractie vroegen of de administratieve en financiële lasten die samenhangen met het feit dat verhuurders of verenigingen van eigenaars die warmte leveren aan huurders ook warmteleverancier zijn in de zin van de Warmtewet proportioneel zijn en of dit de verduurzaming van onze energievoorziening niet tegen houdt. Daarbij hebben deze leden aandacht gevraagd voor de onduidelijke rechtspositie voor huurders binnen een vereniging van eigenaars of een soortgelijke coöperatieve vereniging.

Sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet zijn op verhuurders die warmte leveren aan hun huurders zowel de bepalingen van het huurrecht als de bepalingen van de Warmtewet van toepassing. Voor verenigingen van eigenaars die warmte leveren aan hun leden gelden zowel de bepalingen van het appartementsrecht als de bepalingen van de Warmtewet. Dit heeft geleid tot een samenloop van administratieve en financiële verplichtingen voor warmte leverende verhuurders en verenigingen van eigenaars, met disproportioneel zware administratieve en financiële lasten voor warmte tot gevolg1. Bij verhuurders leidt deze samenloop ook nu nog tot onduidelijkheden in de praktijk bij het in rekening kunnen brengen van de kosten voor levering van warmte. De in de vragen genoemde administratieve en financiële lasten en de onduidelijke rechtspositie van verhuurders en huurders binnen een vereniging van eigenaars vormen dan ook, samen met de andere in de memorie van toelichting genoemde argumenten, de overweging om de reikwijdte van de Warmtewet te beperken en daarmee de nodige verduidelijking te verschaffen. De regering verwacht dat deze verduidelijking een belangrijk obstakel voor verduurzaming wegneemt. Dit laat onverlet, dat naast de wijziging van de Warmtewet, diverse andere stappen moeten worden genomen voor verduurzaming. Op deze stappen wordt nader ingegaan met de brief van 6 april 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 542) en de daarmee toegezonden Uitvoeringsagenda Energieakkoord 2017 van de Borgingscommissie Energieakkoord.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de regering verwacht dat met het voorliggende wetsvoorstel de verdergaande verketeling, die volgens de Minister van Economische Zaken in snelheid toenam (Aanhangsel van de Handelingen 2015–2016, nr. 1530) wordt voorkomen.

In het antwoord op de vragen waaraan de leden van de CDA-fractie refereren heb ik aangegeven dat twee van de redenen voor verketeling die vanuit de markt worden genoemd binnen de werkingssfeer van de Warmtewet liggen. Het gaat om de administratieve lasten die zijn gekoppeld aan de Warmtewet en om situaties waarin de maximumprijs op grond van de Warmtewet niet kostendekkend zou zijn. In het antwoord heb ik tevens aangegeven dat er ook andere reden zijn aan te wijzen voor verketeling, die buiten het bereik van de Warmtewet liggen. Het gaat dan onder meer om de relatief lage gasprijs, de soms mindere conditie van de in een woningcomplex aanwezige warmteleidingen en een (gevoelsmatig) hogere waardering van een eigen individuele ketel en het daarmee samenhangende gevoel van meer onafhankelijkheid.

4.1.3 Beperking van de reikwijdte van de Warmtewet

De leden van de VVD-fractie vroegen in hoeverre de regering de hoop deelt dat met de genoemde wijziging van de Warmtewet de verduurzaming dichter bij komt.

De regering verwacht dat deze wijziging een obstakel voor verduurzaming wegneemt. Dit laat onverlet, dat naast de wijziging van de Warmtewet diverse andere stappen moeten worden genomen voor verduurzaming. Op deze stappen wordt nader ingegaan met de brief van 6 april 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 542) en de daarmee toegezonden Uitvoeringsagenda Energieakkoord 2017 van de Borgingscommissie Energieakkoord.

a. Verhuurders die warmte leveren aan hun huurders

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe met het uitzonderen van verhuurders die warmte leveren aan hun huurders wordt gewaarborgd dat huurders nu geen hogere kosten gaan betalen voor een afleverset. Verder vroegen zij in hoeverre de huurcommissie kan bepalen of de berekende kosten subsidiair zijn, en of de stap naar een burgerlijke rechter niet te groot is.

Het huurrecht borgt dat huurders niet meer dan een redelijke prijs betalen voor kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten. Bij de beoordeling van de redelijkheid van kosten worden de kosten die de verhuurder zelf maakt voor de aanschaf, installatie en het onderhoud van de afleverset als uitgangspunt genomen. Zoals uiteen is gezet in de antwoorden op Kamervragen over stookkosten in het Hilwiscomplex in Amsterdam (TK 2012–2013, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2957) biedt het huurrecht huurders ook via de regelgeving inzake de servicekosten een bescherming tegen een onredelijke en te hoge prijs van warmtelevering, waaronder de kosten voor de afleverset. In dat kader kan de huurcommissie ook kijken naar de subsidiariteit van de in rekening gebracht kosten. De huurcommissie kan bij de beoordeling of servicekosten niet onredelijk hoog zijn ook rekening houden met de maximale prijs voor afleversets op grond van de Warmtewet. Indien de kosten van de verhuurder voor de afleverset hoger liggen dan de voor deze afleverset op grond van de Warmtewet vastgestelde maximumprijs zal dit aanleiding vormen voor twijfel over de redelijkheid van deze kosten. Op deze manier wordt in de eerste plaats geborgd dat huurders niet meer betalen dan de verhuurder daadwerkelijk aan kosten heeft voor de afleverset. Ten tweede wordt op deze manier geborgd dat deze kosten niet onredelijk zijn.

Geschillen over de kosten van de afleverset kunnen door huurders van woningen met een gereguleerde huurprijs aan de huurcommissie worden voorgelegd. In deze gevallen is de stap naar de burgerlijke rechter voor de beoordeling van de redelijkheid van de kosten die de verhuurder in rekening brengt voor de afleverset dan ook niet nodig. Geschillen over de kosten van de afleverset van huurders van woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs dienen wel aan de burgerlijk rechter te worden voorgelegd. Dit is voor huurders van geliberaliseerde woonruimte evenwel niet anders dan voor de kosten voor nutsvoorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas. Zoals opgemerkt in de memorie van toelichting is er geen aanleiding om voor warmte een andere manier van geschillenbeslechting in te voeren dan voor andere nutsvoorzieningen.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de beperking van de reikwijdte van de Warmtewet uitwerkt indien er sprake is van een vereniging van eigenaars welke wordt beheerd door een extern (VvE-)bureau.

Wanneer een vereniging van eigenaars voor haar taken, zoals de levering van warmte, een extern bureau inschakelt blijft de vereniging van eigenaars verantwoordelijk voor die taken. De bepalingen ten aanzien van de beperking van de reikwijdte blijven in dat geval onverkort van toepassing.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen op welke manier huurders worden beschermd tegen een onredelijke prijs van warmtelevering door de verhuurder en hoe wordt vastgesteld wat een onredelijke prijs is. Daarbij vroegen deze leden of het maximumtarief in de Warmtewet overeenkomt met de werkelijke kosten voor warmte voor huurders.

De huurcommissie biedt al bescherming tegen een onredelijke prijs van warmtelevering door de verhuurder. Dit wetsvoorstel brengt daarin geen wijziging. In het huurrecht wordt daarbij uitgegaan van redelijke kosten. Zoals in de memorie van toelichting en naar aanleiding van de vragen van de leden van de VVD (I. 4.1.3 onder a. Verhuurders die warmte leveren aan hun huurders, p. 6) uiteen is gezet, neemt de huurcommissie bij haar beoordeling van de redelijkheid van de kosten van warmtelevering de kosten die de verhuurder zelf maakt als uitgangspunt. Daarnaast biedt het huurrecht huurders ook een bescherming tegen een onredelijke en te hoge prijs van warmtelevering. De huurcommissie kan bij de beoordeling of kosten niet onredelijk hoog zijn ook rekening houden met de maximale prijs op grond van de Warmtewet. Indien de kosten van de verhuurder hoger liggen dan de maximumtarieven op grond van de Warmtewet zal dit aanleiding vormen voor twijfel over de redelijkheid van deze kosten.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, is de bescherming die het huurrecht huurders biedt op het gebied van prijsbescherming weliswaar niet volledig identiek aan de bescherming die de Warmtewet kleinverbruikers biedt, maar worden de doelen die worden nagestreefd met de Warmtewet ook deels bereikt via het huurrecht. Ook met de maximumprijsbescherming op grond van de Warmtewet wordt beoogd te borgen dat verbruikers niet meer dan een redelijke prijs betalen voor de warmte die zij verbruiken.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of het huurrecht minder mogelijkheden geeft voor het doorrekenen van energiebesparende maatregelen door verhuurders en indien dat het geval is of de onderhavige wijziging wenselijk is in het kader van verduurzaming van huurwoningen.

Het huurrecht biedt de mogelijkheid om de kosten van energiebesparende maatregelen zoals isolatie en het aanbrengen van dubbel glas in de huurprijs te verrekenen. Deze mogelijkheid stimuleert verhuurders tot verduurzaming van huurwoningen. Tegelijkertijd zorgen energiebesparende maatregelen er in zijn algemeenheid voor dat er minder energie nodig is voor het verwarmen van de woning. Dit betekent dus een lagere energierekening voor de huurder hetgeen een stimulans is voor huurders om mee te werken aan verduurzaming van de huurwoning. In zijn brief van 14 juli 2017 (Kamerstuk 29 453, nr. 450) is de Minister van Binnenlandse Zaken uitvoerig ingegaan op de mogelijkheden voor een verplichtende maatregel voor de corporatiesector voor een extra besparing van 5 petajoule (PJ) in 2020 ten opzichte van de Nationale Energieverkenning 2016 (NEV). Daarbij gaat hij ook in op de mogelijkheden van het doorrekenen van energiebesparende maatregelen in de huur met het oog op de woonlasten van huurders.

De mogelijkheid van het doorrekenen van energiebesparende maatregelen staat overigens los van de vraag of de kosten van levering van warmte onder het huurrecht of onder de Warmtewet gereguleerd zijn. Zowel onder het huurrecht als onder de Warmtewet speelt energiebesparing alleen een rol in de zin dat daardoor de hoeveelheid verbruikte warmte zal verminderen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom verhuurders eerst onder het regime van de Warmtewet zijn gebracht en slechts enkele jaren later weer er uit worden gehaald. Dit heeft volgens die leden onder meer geleid tot administratieve lasten, aanpassing van processen en aanpassingen in huur en servicekosten. Deze leden vroegen of deze wijziging niet opnieuw tot kosten en administratieve lasten leidt en of er bij verhuurders draagvlak is voor deze keuze. Verder vroegen deze leden of er een overgangsregime geldt voor verhuurders, bijvoorbeeld met het oog op de huidige leveringsovereenkomsten.

Bij verhuurders die tevens optreden als warmteleveranciers gaat het meestal om zogenaamde blokverwarmingssituaties. Deze situaties zijn bij amendement onder de huidige warmtewet gebracht. Bij de evaluatie van de Warmtewet is in de eerste plaats gebleken dat de systematiek van de Warmtewet niet goed past bij warmtelevering door verhuurders aan hun huurders. In de tweede plaats is gebleken dat warmtelevering door verhuurders aan hun huurders ook reeds door het huurrecht wordt gereguleerd en dat huurders door het huurrecht op een gelijkwaardige wijze worden beschermd als onder de Warmtewet. Tegelijkertijd is gebleken dat de Warmtewet voor verhuurders die warmte leveren aan hun huurders heeft geleid tot disproportionele administratieve, organisatorische en financiële lasten. Om deze redenen is besloten de reikwijdte van de Warmtewet te beperken.

De analyse inzake de reikwijdte en gevolgen van de Warmtewet wordt breed gedeeld door verhuurders. Verschillende belangenbehartigers van verhuurders hebben aangegeven dat de Warmtewet géén betrekking moet hebben op huurders, die – als onderdeel van het gehuurde – warmte ontvangen via een gebouwgebonden installatie2. Ook de koepel van woningbouwcoöperaties AEDES heeft in haar reactie op de internetconsultatie van het wetsvoorstel aangegeven zich goed te kunnen vinden in de voorgestelde wijziging, ten eerste omdat de verbruiker van warmte nog steeds wordt beschermd via het huurrecht en ten tweede omdat de voorgestelde wijziging leidt tot minder administratieve lasten3. Wel heeft AEDES in haar reactie op de internetconsultatie een aantal vragen gesteld dat vergelijkbaar is met vragen opgenomen in het verslag van de Tweede Kamer op dit wetsvoorstel. Kern van deze vragen is of de voorliggende wetswijziging ertoe leidt dat een verhuurder bepaalde warmtekosten niet meer in rekening kan brengen bij zijn huurder hetgeen een overgangsregeling zou vergen om verhuurders hierin tegemoet te komen.

Verhuurders die warmte leveren aan hun huurders hebben in het kader van de evaluatie aangegeven dat de invoering van de Warmtewet heeft geleid tot administratieve lasten en kosten. Deze lasten en kosten waren deels eenmalig van aard en vloeiden voort uit de aanpassing van de wijze waarop de kosten van warmtelevering door verhuurders aan huurders in rekening worden gebracht aan de systematiek van de Warmtewet. Voor zover deze lasten en kosten verband houden met de doorlopende administratieve verplichtingen op grond van de Warmtewet zijn deze kosten structureel van aard. Wanneer de vereisten van de Warmtewet, als gevolg van de wijziging van de reikwijdte van de Warmtewet, niet langer van toepassing zijn op warmteleverende verhuurders is er op de langere termijn sprake van een verlaging van deze structurele administratieve lasten voor verhuurders. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is ingeschat dat het gaat om een jaarlijks bedrag van € 480.000,–.

Voor zover kosten en administratieve lasten eenmalig van aard waren leidt de beperking van de reikwijdte van de Warmtewet voor verhuurders die warmte leveren aan hun huurders niet opnieuw tot kosten en administratieve lasten. Voor de inwerkingtreding van de Warmtewet brachten veel verhuurders de kosten voor levering van warmte deels in rekening via de kale huur en deels via de servicekosten. In de kale huur werden veelal de kosten voor de infrastructuur voor warmtelevering gebracht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de kosten van de warmteproductieinstallatie, het inpandig leidingnet van de gebouweigenaar en de afleverset. Andere kosten, zoals de kosten voor de brandstof (veelal gas) voor de warmteproductieinstallatie, het onderhoud van de warmteproductieinstallatie, het inpandig warmtenet en de afleverset en kosten voor bijvoorbeeld het verdelen van de warmtekosten werden als servicekosten in rekening gebracht aan de huurders.

De invoering van de Warmtewet heeft geleid tot een verduidelijking van de onderdelen van een warmtenet die moeten worden toegerekend tot dat warmtenet. Op grond van de Warmtewet is vervolgens een systematiek ingevoerd voor de berekening van de maximale tarieven die voor dat warmtenet in rekening kunnen worden gebracht. Dit past ook binnen de systematiek van het huurrecht, dat altijd van toepassing is gebleven op warmtelevering door de verhuurder aan zijn huurders. Het niet langer van toepassing zijn van de Warmtewet op warmtelevering door verhuurders aan huurders betekent daardoor niet dat een verhuurder deze kosten niet meer in rekening kan brengen.

In een aantal gevallen is de Warmtewet voor verhuurders aanleiding geweest om de kosten van warmtelevering die onderdeel uitmaakten van de kale huur van de woning uit de huurprijs te halen en onder te brengen in het vastrecht gedeelte van de kosten van warmtelevering. Deze kosten kunnen, net als onder de huidige Warmtewet, als servicekosten in rekening gebracht worden aan de huurder. Het gaat hier namelijk niet om onroerende aspecten van de woonruimte van de huurder. Het gaat hier om de kosten die de verhuurder maakt om de warmte die hij levert aan zijn huurders te kunnen opwekken en leveren. Ook de afleverset, die zich in sommige gevallen in de woonruimte van de verhuurder bevindt, kan niet worden aangemerkt als onderdeel van de woonruimte. Deze afleverset, zoals ook is bevestigd door de kantonrechter, een bestanddeel van het warmtenet4.

In het wetsvoorstel is om deze reden niet voorzien in een overgangsregime voor verhuurders. Dit omdat het huurrecht met de huidige Warmtewet reeds van toepassing is bij warmtelevering door verhuurders aan hun huurders. Het feit dat een verhuurder dit heeft vormgegeven met een separate warmteovereenkomst doet daaraan niet af. Een dergelijke warmteovereenkomst moet met de huidige Warmtewet mede in het licht van de huurregelgeving worden bezien. Het wetsvoorstel leidt er niet toe dat contractuele afspraken in de vorm van een warmteovereenkomst hun rechtsgeldigheid verliezen. Het wetsvoorstel leidt er uitsluitend toe dat niet meer tegelijkertijd de Warmtewet en het huurrecht van toepassing zijn op dergelijke warmteovereenkomsten. Het wetsvoorstel leidt daarmee tot een duidelijk wettelijk kader, zodat overgangsrecht niet nodig is. Waar nodig zal hierover bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan betrokken organisaties de nodige informatie worden verstrekt.

De leden van de SGP-fractie constateerden dat verhuurders die voor warmteleveringen nu onder de Warmtewet vallen, aparte leveringsovereenkomsten met verbruikers hebben gesloten en betreffende kosten uit de huurprijs en de servicekosten hebben gehaald. Deze leden vroegen in dat kader of de veronderstelling juist is dat dit, gelet op bijvoorbeeld artikel 237, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), niet zondermeer teruggedraaid kan worden. Verder vroegen deze leden of de veronderstelling juist is dat het onder het huurrecht minder duidelijk is wat redelijke kosten voor warmtelevering zijn dan onder de Warmtewet. Ook vroegen deze leden of de veronderstelling juist is dat onder de Warmtewet investeringen in kleine energiebesparende maatregelen meegenomen konden worden in de tariefstelling, terwijl dat onder het huurrecht niet mogelijk is.

Op dit moment worden warmteleveringsovereenkomsten tussen huurders en verhuurders zowel gereguleerd door het huurrecht als door de Warmtewet. Dit betekent dat ook op dit moment warmteleveringsovereenkomsten tussen een huurder en verhuurder al vallen onder de reikwijdte van het huurrecht. Bepalend is dat warmtelevering door de verhuurder aan de huurder onlosmakelijk verbonden is aan de huur van de woning en daarmee onderdeel uitmaakt van het gehuurde. Dit brengt met zich dat het terugdraaien van de warmteleveringsovereenkomsten niet nodig is.

Zoals in de memorie van toelichting en in reactie op de vragen van de leden van de VVD en de leden van de ChristenUnie uiteen is gezet, neemt de huurcommissie bij haar beoordeling van de redelijkheid van de kosten van warmtelevering de kosten die de verhuurder zelf maakt als uitgangspunt. Daarnaast biedt het huurrecht huurders ook een bescherming tegen een onredelijke en te hoge prijs van warmtelevering. Zoals moge blijken uit de antwoorden op Kamervragen over stookkosten in het Hilwiscomplex in Amsterdam (TK 2012–2013, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2957) wordt deze bescherming als voldoende duidelijk geacht.

De kosten van energiebesparende maatregelen spelen zowel bij de vaststelling van de maximale warmteprijs onder de Warmtewet als voor de doorbelasting van redelijke kosten onder het huurrecht geen rol. Het enige verband tussen energiebesparende maatregelen en de warmtekosten is dat dergelijke maatregelen kunnen leiden tot een verlaging van de hoeveelheid verbruikte warmte en daarmee tot lagere kosten voor de huurder. Dit effect treedt zowel onder de Warmtewet als onder het huurrecht op.

De leden van de SGP-fractie vroegen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om de bepaling uit de consultatieversie te handhaven waarin de vrijstelling beperkt wordt tot de warmte leverende verhuurders bij wie de warmtelevering onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst.

Naar aanleiding van de consultatie van het wetsvoorstel is nader overleg gevoerd met verschillende vertegenwoordigers van de verhuursector. Uit deze overleggen bleek dat ook in het geval verhuurders de levering van warmte hebben ondergebracht in aparte leveringsovereenkomsten zowel het huurecht als de Warmtewet van toepassing blijven. Dit omdat levering van warmte in het geval de warmte geleverd wordt door de verhuurder onlosmakelijk verbonden is aan de huur van de woning en derhalve niet door een afzonderlijke leveringsovereenkomst tussen huurder en verhuurder buiten de reikwijdte van het huurrecht wordt geplaatst. Om ook in die situaties een einde te maken aan deze samenloop van de Warmtewet en het huurrecht is ervoor gekozen om niet de contractvorm leidend te laten zijn maar de vraag welke partij optreedt als warmteleverancier van de huurder.

4.1.4. Beperkte uitbreiding van de reikwijdte van de Warmtewet naar aansluitingen van meer dan 100 kilowatt

De leden van de CDA-fractie vroegen in hoeverre de begrenzing van 100 kilowatt nog nodig is en waarom grotere zakelijke afnemers niet dezelfde bescherming zouden moeten hebben als kleinverbruikers.

De Warmtewet heeft de bescherming van gebonden (klein)verbruikers als voornaamste doel. Naar aanleiding van het advies van Ecorys is bezien of grootverbruikers ook zouden moeten worden beschermd op grond van de Warmtewet. Daarbij is bezien of grootverbruikers, evenals kleinverbruikers, gebonden verbruikers zijn of dat zij beschikken over reële alternatieven voor de wijze waarop zij in hun warmtebehoefte voorzien. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven is uit overleg met relevante stakeholders gebleken dat er onvoldoende aanleiding is de in de Warmtewet opgenomen grens generiek te laten vervallen. Ook in het geval de aansluitplicht voor gas komt te vervallen, beschikken zakelijke grootverbruikers over reële alternatieven voor de wijze waarop zij in hun warmtebehoefte kunnen voorzien. Zo kan een verbruiker er ook voor kiezen om te voorzien in de eigen warmtebehoefte met behulp van een eigen centrale verwarmingsinstallatie (zoals bijvoorbeeld een warmtepomp). Verbruikers met een aansluiting van meer dan 100 kilowatt zijn dan ook nog steeds niet de gebonden verbruikers die de Warmtewet beoogt te beschermen.

4.2 Koude en lauw water

De leden van de CDA-fractie vroegen of het mogelijk is de tarifering van de levering van koude en lauw water te reguleren, gezien de verschillende omstandigheden bij deze levering.

In het Warmtebesluit, dat op 20 juli is voorgelegd ter internetconsultatie (hierna: het Warmtebesluit,) is een voorstel opgenomen om het tarief voor de levering van koude en lauw water te reguleren. Op basis van extern onderzoek en consultatie van marktpartijen worden in het Warmtebesluit een aantal verschillende situaties onderscheiden en worden daarvoor aparte tarieven vastgesteld.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom bij koude en lauw water gekozen is voor invulling van de maximumtarieven bij lagere regelgeving en of het mogelijk en wenselijk is om dit met de Kamer in te vullen. Tevens vroegen deze leden wanneer dit geëvalueerd wordt.

Voor de invulling van de maximumtarieven voor lauw water en koude in het Warmtebesluit en de uitwerking daarvan in de Warmteregeling is gekozen om in lijn te blijven met de regulering van de maximumtarieven voor warmte in de Warmtewet. De invulling en uitwerking van de tariefreguleringssystematiek is daarbij een onderwerp dat zich beter leent voor invulling en uitwerking bij lagere regelgeving. Dit omdat het, op basis van de uitvoeringspraktijk, noodzakelijk kan zijn om aanpassingen door te voeren in de invulling of uitwerking van de tariefreguleringssystematiek. Dergelijke wijzigingen zijn sneller uit te voeren wanneer de invulling en uitwerking van de tariefreguleringssystematiek in lagere regelgeving zijn opgenomen. Het Warmtebesluit wordt bij beide Kamers van de Staten-Generaal voorgehangen.

4.3 Tariefregulering algemeen

De leden van de VVD-fractie zien graag dat er in de toekomst nagedacht gaat worden over de rol van warmte in onze energievoorziening. Daarbij vroegen deze leden of warmte bijvoorbeeld bij een netbeheerder zou kunnen worden ondergebracht.

In de Energieagenda is aangeven dat grootschalige warmtenetten op een meer vergelijkbare wijze met elektriciteits- en gasnetten gereguleerd zullen worden. Het reguleren van de netbeheerfunctie voor warmtenetten is daarbij een van de zaken die in dat kader worden onderzocht, evenals de mogelijkheid om die functie bij de bestaande netbeheerders onder te brengen.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de energiebelasting bovenop de gasprijs meetelt binnen de gasreferentie en of dit leidt tot een indirecte vorm van subsidiëring.

De gasreferentie vormt de basis voor het vaststellen van de maximumprijs voor warmtelevering aan afnemers die onder de bescherming van de Warmtewet vallen. De gasreferentie heeft als uitgangspunt dat de integrale kosten die een verbruiker maakt voor dezelfde hoeveelheid warmte niet meer mag bedragen dan wanneer hij gas als energiebron voor warmte zou gebruiken. Aangezien de integrale kosten voor warmtelevering op basis van gas ook de energiebelasting bevatten, telt de energiebelasting dus mee voor het bepalen van de maximumprijs voor warmtelevering. Dit leidt niet tot een vorm van indirecte subsidiëring van warmtenetten. Bij gas wordt de energiebelasting namelijk geheven op het verbruik en bij warmte wordt energiebelasting geheven op de productie van warmte.

De leden van de VVD-fractie vroegen of het meetellen van de energiebelasting op gas binnen de gasreferentie zorgt voor een oneerlijke verhoging van de warmteprijs en waarom er is besloten om geen energiebelasting op warmte te heffen.

In het verleden is de keuze gemaakt om de maximumprijs voor warmtelevering te baseren op de integrale kosten die een verbruiker maakt indien hij een eigen CV-ketel heeft voor de warmtelevering. De maximumprijs voor warmtelevering is daarmee dus niet gebaseerd op de werkelijke kosten die een leverancier moet maken voor de productie en levering van warmte. De regering acht het vervolgens niet meer dan logisch dat bij de integrale kosten van verwarming op gas ook de door afnemers betaalde energiebelasting op gas wordt meegenomen in de berekening van de gasprijs. Een afnemer van gas betaalt deze immers ook voor zijn warmtelevering via de CV-ketel. Zoals hierboven reeds is aangegeven, wordt bij gas de energiebelasting geheven op het verbruik en bij warmte wordt energiebelasting over het algemeen geheven op de input van de brandstof voor de productie van warmte. Indien zowel op de productie als de levering van warmte belasting zou worden geheven, zou er sprake zijn van dubbele belastingheffing die conform de richtlijn energiebelastingen vermeden moet worden.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe wordt voorkomen dat leveranciers door een informatie- en/of kennisvoorsprong een voordeel hebben ten opzichte van de afnemer(s) ingeval gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een andere tariefstelling overeen te komen dan op basis van het wettelijke regime.

In de eerste plaats zijn leveranciers altijd verplicht om verbruikers een aanbod te doen dat overeenstemt met het wettelijk maximumtarief. De verbruiker heeft dus altijd de mogelijkheid om te kiezen voor de bescherming die de Warmtewet biedt. Daarnaast bepaalt het wetsvoorstel dat nadere regels kunnen worden gesteld aan de aanbiedingen van de leveranciers die afwijken van het wettelijk maximumtarief. Met deze eisen wordt beoogd de transparantie en de vergelijkbaarheid van de aanbiedingen te borgen. Op deze manier wordt voorkomen dat er sprake is van een kennisvoorsprong van de leveranciers. Deze transparantie-eisen worden ingevuld in het Warmtebesluit en de Warmteregeling.

De leden van de VVD-fractie vroegen op welke wijze het wetsvoorstel concreet bijdraagt aan het verbeteren van de investeringscondities voor bedrijven op de warmtemarkt.

Het hoofddoel van de Warmtewet is de bescherming van de gebonden consumenten die te maken hebben met een monopolist als warmteleverancier. Onderhavig wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan het vertrouwen van de consument in collectieve warmtelevering en hiervan zullen de warmteleveranciers ook voordeel ondervinden. Daarnaast beoogt de Warmtewet de leveringszekerheid voor de warmteverbruiker te borgen. Gelet op het genoemde hoofddoel beoogt de Warmtewet niet de financiële rendementen van de leveranciers in de warmtemarkt en investeringscondities van bedrijven op de warmtemarkt te verbeteren, maar de Warmtewet zal er evenmin toe moeten leiden dat de rendementen van leveranciers dusdanig onder druk komen te staan dat hierdoor de leveringszekerheid in het geding komt.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een nadere globale indicatie van de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor afnemers en of de gevolgen verschillen voor verschillende soorten afnemers.

Het wetsvoorstel zelf heeft geen directe financiële gevolgen, omdat de methodiek voor het vaststellen van de maximum tarieven wordt vastgesteld in het Warmtebesluit en de Warmteregeling. De ACM stelt ook nog een aantal tarieven vast op basis van de richtlijnen in het Warmtebesluit. De genoemde prijsdaling door het schrappen van leidingverliezen bij het berekenen van de maximumprijs is 6% verlaging van het variabele deel van de warmteprijs. Door veranderingen in de Warmteregeling en de gasprijs kan dit anders uitpakken. Het verwachte effect op de verschillende afnemers is pas in te schatten als het Warmtebesluit en de Warmteregeling worden vastgesteld.

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe het wetsvoorstel ertoe bijdraagt dat de kosten voor de afnemer lager worden en tegelijkertijd de business case voor de leverancier gaat verbeteren.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat onder andere het schrappen van de leidingverliezen kan leiden tot een lagere maximumprijs. Een stijging van de aardgasprijs kan via de koppeling van de maximumwarmtetarieven aan de prijs van aardgas leiden tot prijsverhoging en een betere businesscase voor warmtebedrijven. Als beide effecten tegelijk optreden, kan de afnemer beter uit zijn ten opzichte van een afnemer van gas (de referentie) en kan ook de businesscase voor de leveranciers verbeteren. Hoe deze effecten uitpakken hangt onder meer af van de ontwikkeling van de gasprijs.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het principe van de gasreferentie ertoe leidt dat alle kosten, inclusief meetkosten en de kosten voor de afleverset, vergelijkbaar zijn met een huishouden dat gas afneemt.

Het is inderdaad zo dat – op basis van het principe van de gasreferentie – een gemiddeld huishouden met een aansluiting op een warmtenet dezelfde kosten voor zijn warmtevoorziening heeft als een gemiddeld huishouden met een gasaansluiting. De meetkosten voor de warmtelevering, net als de kosten voor de huur van de gasmeter, zijn meegenomen in de berekening van de maximumprijs voor warmte. Voor de huur van de afleverset introduceert onderhavig wetsvoorstel echter een aparte maximumprijs. Dit nieuwe element in de tariefregulering van warmtelevering wordt gebaseerd op de gemiddelde werkelijke kosten.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd naar een overzicht van de prijsontwikkeling bij warmteafnemers in de afgelopen tien jaar.

Er is geen officiële instantie die de prijzen van warmtelevering aan afnemers over de afgelopen tien jaar eenduidig heeft geregistreerd. Zo beschikt het CBS niet over de prijzen van warmtelevering maar alleen over gegevens over gasprijzen (zijnde de gemiddelde consumentenprijs voor gaslevering inclusief vastrecht en meetkosten). Daarom wordt voor de beantwoording van deze vraag gebruik gemaakt van de weinige wel beschikbare informatie. Sinds de inwerkintreding van de Warmtewet in 2014 heeft de ACM jaarlijks de maximumprijs (vast en variabel) vastgesteld. De prijsontwikkeling van 2014 tot en met 2017 is in onderstaande tabel weergegeven:

Maximumprijs door ACM (inclusief BTW)

2014

2015

2016

2017

Vast

€ 254,00

€ 281,78

€ 276,13

€ 299,16

Variabel (per GJ)

€ 24,03

€ 22,64

€ 22,66

€ 22,69

Voor de jaren 2009 tot en met 2013 zijn bij branchevereniging Energie Nederland gegevens opgevraagd waaruit het volgende bleek. Het gemiddelde vastrecht voor een warmteafnemer in 2013 is ten opzichte van 2009 gestegen met 19%. Het gemiddelde variabele tarief voor warmtelevering in 2013 is ten opzichte van 2009 gestegen met 2,7%. Omdat de data van Energie Nederland inclusief de huur van de afleverset zijn aangeleverd (en de data van ACM niet), kan een directe vergelijking van de twee datasets niet worden gegeven.

De leden van de CDA fractie vroegen wanneer de regering het raadzaam acht om te komen tot een andere tariefstelling en of daar een evaluatie voor nodig is.

Het gebruik van de gasreferentie bij de tariefstelling voor warmte is ingegeven door de huidige en historische situatie. Verwarmen met gebruik van aardgas was in het verleden en is momenteel de meest gebruikte vorm van ruimteverwarming in Nederland. Mensen die stoppen met het gebruik van aardgas en op een andere manier gaan verwarmen, zullen de kosten van het verwarmen met aardgas en de kosten van de nieuwe manier van verwarmen vergelijken. Momenteel vergelijken afnemers van warmte hun rekening ook met het verwarmen met behulp van aardgas. Uit de evaluatie van de Warmtewet is gebleken dat het gebruik van de gasreferentie voor de tariefstelling van warmte niet ideaal is. De inschatting is evenwel dat de gasreferentie de komende periode van de energietransitie nog nodig is om draagvlak te houden bij mensen die op een duurzame manier gaan verwarmen. Hoe lang deze vergelijking met aardgas nog noodzakelijk is, kan op voorhand niet worden aangegeven. Het zal onder meer afhangen van het groeiende besef dat de beschikbaarheid van aardgas wordt afgebouwd en ook van de vraag hoe de kosten van verschillende manieren van verwarmen zich zullen ontwikkelen. Het streven is om op termijn over te gaan naar een meer op werkelijke kosten gebaseerde tariefstelling voor warmtelevering.

Is het mogelijk om het concept wijzigingsvoorstel voor het Warmtebesluit en de Warmteregeling gelijktijdig aan te bieden met de nota naar aanleiding van het verslag.

Het is niet mogelijk om de concept-wijzigingsvoorstellen gelijktijdig met de nota naar aanleiding van verslag aan te bieden aan de Kamer. De voorstellen voor aanpassing van het Warmtebesluit en de Warmteregeling zijn thans in voorbereiding. Voor de consultatie van deze voorstellen heeft in juli en augustus 2017 een internetconsultatie opengestaan5. Deze consultatie is op 31 augustus gesloten. De reactie die op deze consultatie zijn ontvangen worden thans verwerkt, dat kan leiden tot aanpassing van de concept-wijzigingsvoorstellen. Vervolgens wordt op het voorstel tot wijziging van het besluit een wetgevingskwaliteitstoets en een uitvoering -en handhavingstoets uitgevoerd. Ook deze toetsen kunnen leiden tot aanpassing van de concept-wijzigingsvoorstellen. Het wijzigingsbesluit wordt na het verwerken van de resultaten van de toetsen, na instemming van de ministerraad, bij beide Kamers van de Staten Generaal voorgehangen.

De leden van de D66-fractie vroegen om een verdere reflectie op de toekomstbestendigheid van het NMDA-principe. Deze leden lazen dat bij de nieuwe evaluatie van de Warmtewet opnieuw zal worden gekeken naar deze koppeling en vroegen zich af waarom pas bij de nieuwe evaluatie van de Warmtewet wordt gekeken naar de koppeling aan gas.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de gelijkluidende vraag van de leden van de CDA-fractie over een andere tariefstelling.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe ervoor wordt gezorgd dat leveranciers niet altijd de maximaal toegestane prijzen hanteren.

Het tarief dat een warmteleverancier aan zijn verbruikers in rekening mag brengen is gemaximeerd. Doel van deze maximering is het beschermen van verbruikers tegen excessen. Een leverancier heeft de mogelijkheid om een lager tarief voor zijn warmtelevering te vragen aan zijn verbruikers, maar is hiertoe niet verplicht. Er zijn thans geen aanwijzingen dat leveranciers standaard de maximumprijs doorberekenen aan hun afnemers. Daarnaast is uit de rendementsmonitor van ACM uit 2015 gebleken dat de rendementen van warmteleveranciers laag zijn.

Indien uit de tweejaarlijkse rendementsmonitor door de ACM zou blijken dat de rendementen van de warmteleveranciers te hoog zouden zijn, kunnen de bepalingen van artikel 7, tweede tot en met vierde lid, van de Warmtewet worden geëffectueerd. Op grond van het tweede lid van artikel 7 kan de ACM periodiek toetsen of het rendement van een vergunninghouder op al zijn netten gezamenlijk hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijk rendement. Indien het rendement van een leverancier op al zijn netten gezamenlijk hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijk rendement, kan de ACM het meer dan redelijk behaalde rendement op grond van het derde lid van artikel 7 door middel van een correctiefactor laten verdisconteren in de toekomstige tarieven van die leverancier. Deze toets is in de wet opgenomen, maar is nog niet in werking getreden. Op dit moment bestaat namelijk geen aanleiding voor het effectueren van deze toets en correctiemogelijkheid. Uit de rendementsmonitor die door ACM in 20156 is uitgevoerd, is gebleken dat warmteleveranciers geen onredelijk hoge rendementen hebben behaald in de jaren 2013 en 2014.

De leden van de D66-fractie vroegen in hoeverre de regering het wenselijk vindt dat warmteprijzen meestijgen en -dalen met de gasprijs, gelet op de onzekerheid voor de consument en de houdbaarheid van de businesscase van de leverancier.

Ten eerste moet worden opgemerkt dat uitsluitend de maximumprijs van warmte meestijgt of -daalt met de gasprijs en dat dit niet per definitie betekent dat de warmteprijs die een verbruiker aan zijn leverancier betaalt evenredig meestijgt. Daarnaast is het effect dat warmteprijzen meestijgen en -dalen met de gasprijs inherent aan de keuze om warmteprijzen te reguleren op basis van de gasreferentie en niet op basis van de werkelijke kosten van warmtenetten. Een consument die is aangesloten op een warmtenet heeft hierdoor met eenzelfde soort onzekerheid te maken als een consument die gas afneemt voor zijn warmtevoorziening. Dit leidt daarom tot een soortgelijke onzekerheid voor vrijwel alle consumenten in Nederland voor wat betreft de kosten van hun warmtevoorziening.

De leden van de D66-fractie vroegen waarom niet is gekozen voor prijsregulering op basis van werkelijke kosten en wat de blijvende koppeling aan de gastarieven betekent voor de ontwikkeling van de warmtemarkt.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de gelijkluidende vragen van de leden van de CDA-fractie over het komen tot een andere tariefstelling.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen hoe wordt omgegaan met de mogelijkheid van hogere gasprijzen in de toekomst en het aandeel van de gasprijs in de totale berekening van het tarief.

Bij een hogere gasprijs zal ook de maximumprijs voor warmtelevering stijgen. Het daadwerkelijke door de leveranciers gehanteerde tarief hoeft niet mee te stijgen. Als de warmteleveranciers de prijs meer laten stijgen dan nodig is voor een redelijk rendement, ook al zou dat gelet op de maximumprijs mogelijk zijn, dan kan de ACM ingrijpen. Zie hiervoor ook het antwoord op de vragen van de leden van de D66-fractie over het hanteren van maximaal toegestane prijzen.

De leden van de SP-fractie vroegen waar de stelligheid waarmee wordt gesteld dat de rendementen van warmteleveranciers niet hoog zijn en dat dit gevolgen kan hebben voor de beoogde groei van warmtenetten vandaan komt.

De ACM brengt op grond van de Warmtewet iedere twee jaar verslag uit aan de Minister over de (financiële) rendementen in de warmteleveringsmarkt. Uit het verslag dat op 6 november 2015 is gepubliceerd7 blijkt dat de rendementen van warmteleveranciers zonder vastgoed in de jaren 2013 en 2014 niet onredelijk hoog waren en voor het jaar 2014 lager waren dan wat redelijk geacht mag worden. Wanneer een warmteleverancier (te) lage rendementen behaalt, maakt dit het voor warmteleveranciers niet aantrekkelijk om te investeren in warmteprojecten. Dit heeft op zijn beurt gevolgen voor de beoogde groei van warmtenetten.

De leden van de SP-fractie vroegen waarop de aanname gebaseerd is dat een kosten georiënteerde tariefstelling zal leiden tot hogere tarieven van afnemers.

De verwachting dat een regulering van de warmtetarieven op basis van werkelijke kosten zal leiden tot een stijging van de tarieven, is gebaseerd op twee zaken. Ten eerste is uit de rendementsmonitor van de ACM uit 20158 gebleken dat de rendementen van warmteleveranciers in 2013 en 2014 laag zijn. Dit betekent dat de tarieven van warmteverbruikers zouden kunnen stijgen indien warmteleveranciers alle gemaakte kosten voor de warmtelevering zouden mogen doorberekenen aan hun afnemers. Ten tweede geldt in de huidige situatie éénzelfde maximumprijs voor alle warmteprojecten in Nederland terwijl er ongetwijfeld verschillen tussen de kosten van projecten bestaan. Indien deze kostenverschillen tussen individuele warmteprojecten kunnen worden doorberekend aan de warmteverbruiker, is de verwachting dat in elk geval voor een aantal projecten de warmteprijs zal stijgen.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom het volgens de regering nodig is dat er bij warmtenetten gewerkt moet gaan worden met regulering gebaseerd op kosten. Daarbij vroegen deze leden hoe dat in de toekomst gaat met andere vormen van hernieuwbare energie als zon, wind en bijvoorbeeld geothermie.

Zoals ik heb aangegeven bij het antwoord op de vragen van de leden van de CDA-fractie over het komen tot een andere tariefstelling acht ik een gasreferentie op dit moment nog noodzakelijk. Naarmate de energietransitie vordert, zal het verwarmen op aardgas steeds minder de standaard van verwarmen zijn en dus zal het steeds minder logisch worden om als referentie te hanteren. In de Warmtewet gaat het om regulering van het tarief dat gebonden afnemers betalen voor warmtelevering door een monopolist. Van een dergelijke monopoliesituatie is bijvoorbeeld ook sprake bij de gereguleerde netbeheerders van het elektriciteits- en gasnet. De tarieven die deze netbeheerders mogen vragen worden door de ACM vastgesteld op basis van werkelijke kosten. De prijsvorming voor de geleverde energie uit bronnen als zon, wind en geothermie vindt plaats via de markt en hiervoor is een gereguleerde tariefstelling niet noodzakelijk.

De leden van de SP-fractie vroegen wie de kosten van leidingverliezen betaalt nu die uit de berekening van het maximale tarief zijn geschrapt.

In de formule voor de berekening van de maximumprijs voor de levering van warmte werd tot op heden rekening gehouden met het verschil tussen de leidingverliezen in de situatie met een CV-ketel en warmtelevering. Bij de evaluatie van de Warmtewet is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er een structureel verschil is in leidingverlies tussen de situatie met een CV-ketel en warmtelevering. Daarom is besloten om het leidingverlies uit de formule te verwijderen. Gezien het uitgangspunt van de gasreferentie en een redelijke prijs voor warmtelevering, is er niet langer een reden om de leidingverliezen in rekening te brengen als deze niet verschillen van de levering van warmte via een CV-ketel. Hiermee wordt de bescherming van de consument tegen onredelijke tarieven geborgd. Het schrappen van de leidingverliezen heeft naar verwachting een negatief effect op de rendementen van de warmteleveranciers.

De leden van de SP-fractie vroegen hoe de prijsregulering van de eenmalige aansluitbijdrage, de kosten van afsluiting en de kosten van de afleverset gebaseerd kan worden op de werkelijke kosten als tegelijkertijd wordt gesteld dat die kosten op dit moment niet bekend zijn.

De werkelijke kosten voor de eenmalige aansluitbijdrage, afsluiten en de afleverset zijn momenteel niet bekend. Artikel 12, derde lid, van de Warmtewet biedt echter een grond om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen te stellen aan de boekhouding die leveranciers moeten voeren met betrekking tot de levering van warmte. Van deze mogelijkheid zal in het Warmtebesluit gebruik worden gemaakt. Dit maakt mogelijk dat de ACM om deze kosten bij de warmteleveranciers opvraagt. Daarmee kan ACM de nieuwe gereguleerde tarieven vaststellen op basis van de werkelijke kosten.

De leden van de SP-fractie vroegen wat er wordt bedoeld met de zin «dit is mede van belang voor de bredere afwegingen rondom (de kosten van) infrastructuur die gemaakt moet worden in de energietransitie».

Voor de energietransitie worden in de nabije toekomst op nationaal en lokaal niveau diverse keuzes gemaakt over de energievoorziening en hoe deze te verduurzamen. Elke keuze heeft een ander kostenplaatje inclusief de kosten voor de benodigde infrastructuur voor het eventueel transporteren van de hernieuwbaar geproduceerde energie van de bron naar de verbruiker. Om de juiste afwegingen te kunnen maken over of een warmtenet in een bepaalde situatie de beste keuze is, is het nuttig om inzichtelijk te hebben wat de werkelijke kosten van (een aansluiting op) een warmtenet zijn. Onderhavig wetsvoorstel voorziet in deze transparantie over de gemiddelde werkelijke kosten van een nieuwe aansluiting op een bestaand of nieuw warmtenet door het introduceren van een nieuwe reguleringssystematiek voor deze diensten van de warmteleverancier.

De leden van de SP-fractie vroegen hoe het introduceren van de mogelijkheid om te variëren met leveringstarieven zich verhoudt tot de rentabiliteit van de warmtenetten, en hoe een businesscase kan verbeteren door te «stunten» met tarieven.

Variëren met leveringstarieven biedt de leverancier de mogelijkheid om zijn aanbod beter af te stemmen op specifieke wensen van de consument. Dit hoeft niet automatisch te betekenen dat er zal worden «gestunt» met tarieven. Dit kan bijvoorbeeld ook betekenen dat een consument bereid is meer te betalen voor duurzamere vormen van warmte. Daarnaast kan bijvoorbeeld de zekerheid, die het gedurende langere tijd vastleggen van tarieven leveranciers oplevert, financieringsvoordelen met zich brengen voor de leverancier. Het is verder aan de leveranciers om, mede in het licht van hun financiële mogelijkheden, met voor de consument aantrekkelijke aanbiedingen te komen. De Warmtewet biedt daarbij voor de consument de zekerheid dat een warmteleverancier altijd ook een aanbieding conform de op grond van de Warmtewet vastgestelde maximumprijs moet doen en dat de leverancier de aanbiedingen op een transparante wijze moet presenteren.

De leden van de SP vroegen op welke wijze voorliggend wetsvoorstel invulling geeft aan de in de Energieagenda (Kamerstuk 31 510, nr. 64) aangegeven actie dat er gekeken wordt naar het speelveld voor warmtesector in vergelijking met gas-en elektriciteitssector, waaronder het beheer en de financiering van netten. Daarnaast informeerden deze leden waar het «transitiepad lage temperatuur verwarming» uit bestaat en of het wel verstandig is om vooruitlopend op dat transitiepad, nu al de over te gaan tot voorliggende voorstellen.

De regering werkt op basis van de Energieagenda aan de transitiepaden om tot een CO2-arme energievoorziening te komen. De door de SP-fractie aangehaalde beschreven actie wordt in dat kader opgepakt. De regering acht het voorliggende wetsvoorstel een noodzakelijke stap die een opmaat vormt voor de verdere uitwerking van het transitiepad lage temperatuurwarmte.

De leden van de ChristenUnie-fractie merkten op dat uit de evaluatie bleek dat er spanning is tussen een acceptabele tariefstelling voor afnemers en het bieden van goede rendementen voor warmtebedrijven. Deze leden vroegen zich in dat kader af welke gevolgen de nieuwe systematiek heeft voor de leveringszekerheid en de uitbreiding en verduurzaming van warmtenetten en hoe de systematiek binnen de brede warmtetransitie past.

Het klopt dat er spanning bestaat tussen de op grond van de Warmtewet vast te stellen maximale tarieven en het kunnen realiseren van redelijke rendementen door de leveranciers. Dit wordt met name veroorzaakt door het feit dat in de Warmtewet op veel onderdelen is gekozen voor maximale tarieven die zijn gebaseerd op een aardgasreferentie, terwijl de kosten van de warmteleveranciers vrijwel geen relatie hebben met de prijs van aardgas. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting rechtvaardigt de huidige dominantie van aardgas in de warmtevoorziening in Nederland dat in deze wetswijziging de gasreferentie een dragend onderdeel blijft voor de tariefregulering voor warmte. Voor nieuw te reguleren onderdelen is in het wetsvoorstel evenwel gekozen voor regulering op basis van werkelijke kosten. Voor deze kosten gold eerder reeds op grond van de Warmtewet dat deze redelijke moeten zijn.

De regering heeft geen signalen ontvangen dat met deze keuze de leveringszekerheid in gevaar komt. Met het wetsvoorstel wordt beoogd om het draagvlak voor warmtelevering te vergroten. In dat licht past dit wetsvoorstel binnen de in de Energieagenda beschreven transitiepaden en de doelstelling om de toepassing en verduurzaming van warmtenetten te vergroten.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen hoe de Warmtewet de afnemers beschermt tegen het betalen van hoge tarieven voor vastrecht bij warmtelevering. Verder vroegen deze leden of het klopt dat de afnemers bij hoog vastrecht geen invloed hebben op hun energierekening, of de grootte van het appartement invloed heeft op het vastrecht en hoe de afnemers worden beschermd, zowel voor warmtelevering bij WKO als bij koudelevering. Daarnaast vroegen deze leden of het onderzoek naar maximumtarieven voor de levering van koude afgerond is en hoe het NMDA principe bij de levering van koude gaat werken.

De Warmtewet bepaalt dat de ACM een maximumprijs vaststelt voor de levering van warmte. Deze maximumprijs bestaat uit een verbruiksafhankelijk en een verbruiksonafhankelijk deel (vastrecht). Verbruikers worden beschermd tegen het betalen van te hoge tarieven voor vastrecht door de vaststelling van de maximumprijs. Op grond van het voorstel tot wijziging van de Warmtewet wordt mogelijk gemaakt dat voor verschillende aflevertemperaturen verschillende maximumprijzen worden vastgesteld. Daarnaast kan voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen systemen die mede dienen voor levering van warmte een afzonderlijke maximumprijs worden vastgesteld. Hierbij gaat het om systemen die ook koude leveren, maar waarbij de levering van koude onlosmakelijk is verbonden aan de levering van warmte (zoals WKO systemen).

Op welke wijze deze maximumprijzen moeten worden vastgesteld door ACM wordt verder uitgewerkt in het voorstel voor wijziging van het Warmtebesluit. Daarbij wordt rekening gehouden met de gasreferentie en de verschillende situaties die kunnen optreden, zoals de omvang van de woning en het eigen gebruik. Voor het voorstel tot wijziging van het Warmtebesluit is in juli en augustus 2017 een internetconsultatie opengesteld. Deze is op 31 augustus gesloten. Het voorstel zal worden voorgehangen bij de beide Kamers van de Staten Generaal. Bij de consultatie van de wijziging van het Warmtebesluit is het rapport bijgevoegd over het onderzoek «Tariefregulering koude en lauw water» van RoyalhaskoningDHV. Dat is waarschijnlijk het rapport waar de ChristenUnie-fractie aan refereert. In dat rapport wordt aangegeven hoe het tarief voor koude en lauw water opgebouwd kan worden. Het voorstel in het Warmtebesluit bouwt voort op dit rapport en de workshops die daarover zijn geweest.

De leden van ChristenUnie-fractie vroegen waar de regering de aanname op baseert dat afnemers in algemene zin financieel gunstige effecten kunnen verwachten.

Het financieel gunstige effect komt met name door het schrappen van de leidingverliezen bij het bepalen van het variabele deel van de maximumprijs, maar ook andere veranderingen die nog uitgewerkt worden in het Warmtebesluit en de Warmteregeling zullen effect hebben op de maximumprijs.

4.4 Eenmalige aansluitbijdrage

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de mogelijkheden om aanvullende afspraken te maken om de business case van een warmtenet sluitend te maken.

Het voorliggende wetsvoorstel introduceert regulering voor de eenmalige aansluitbijdrage voor een nieuwe aansluiting op een bestaand of een nieuw warmtenet. De regulering van deze kosten wordt gebaseerd op de gemiddelde werkelijke kosten die een leverancier maakt voor het realiseren van een aansluiting. Hierdoor wordt voor consumenten duidelijkheid verschaft over wat een aansluiting op een warmtenet werkelijk kost. Op dit moment worden in de kosten voor de aansluiting op het warmtenet ook andere kosten opgenomen dan louter de kosten voor het fysiek aansluiten van een woning op het net. Een voorbeeld daarvan is de kostendekkingsbijdrage die nodig is om projecten kostendekkend te maken. Met dit wetsvoorstel wordt niet het in rekening brengen van een kostendekkingsbijdrage uitgesloten. Wel wordt uitgesloten dat deze bijdrage in rekening wordt gebracht als aansluitbijdrage. Dit om te verduidelijken waar de verbruiker voor betaald. De regering verwacht dat transparantie over wat een nieuwe aansluiting werkelijk kost leidt tot meer consumentenvertrouwen.

Het onderhavige wetsvoorstel schrijft geen verdere regels voor over de wijze waarop deze additionele afspraken tussen partijen tot stand dienen te komen en gecontroleerd worden. Deze afspraken behoren tot de onderhandelingsvrijheid tussen partijen bij het tot stand komen van nieuwe warmteprojecten.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering kan toelichten hoe er meerdere categorieën worden vastgesteld voor aansluitingen boven de 100 kilowatt.

Op basis van artikel 6 van de Warmtewet worden in het Warmtebesluit categorieën vastgesteld waarvoor verschillende tarieven voor de aansluitbijdrage gelden. Daarbij moet worden opgemerkt dat aansluitingen boven de 100 kilowatt slechts door de Warmtewet worden gereguleerd voor zover het aansluitingen betreft van verhuurders en verenigingen van eigenaars die de warmte die zij afnemen doorleveren aan hun huurders of leden. Deze huurders en leden vallen als gevolg van de aanpassing van de reikwijdte van de Warmtewet niet langer direct onder de bescherming van Warmtewet. Door de bescherming van hun verhuurder of vereniging van eigenaars worden zij wel indirect beschermd door de Warmtewet. De bescherming van huurders en leden is ook de reden voor uitbreiding van de reikwijdte van de Warmtewet naar aansluitingen van meer dan 100 kilowatt naar verhuurders en verenigingen van eigenaars.

In artikel 5 van het concept Warmtebesluit zoals dat ter internetconsultatie is voorgelegd wordt een onderscheid geïntroduceerd tussen categorieën van aansluitingen met een doorlaatwaarde tot 100 kilowatt en vanaf 100 kilowatt. Hoewel het wetsvoorstel de mogelijkheid biedt om ook boven de 100 kilowatt verschillende categorieën te onderscheiden, is daar derhalve bij de uitwerking in lagere regelgeving op dit moment geen gebruik van gemaakt. Een nadere differentiatie in aansluitingen met een doorlaatwaarde tot 100 kilowatt leidt naar verwachting tot slechts beperkte tariefverschillen terwijl de uitvoeringslasten van een dergelijke nadere differentiatie aanzienlijk zijn. Omdat de kosten en baten een nadere differentiatie niet rechtvaardigen, is afgezien van een nader onderscheid binnen deze categorieën. Wel is een onderscheid gemaakt in de lengte van de aansluiting waardoor bij een lengte van meer dan 25 meter sprake is van een vast tarief per meter bovenop de eenmalige aansluitbijdrage.

De leden van de CDA-fractie achten het onwenselijk om het warmteleveranciers toe te staan om naast de eenmalige aansluitbijdrage ook nog een (ongereguleerde) aansluitbijdrage in rekening te kunnen laten brengen bij nieuw aangesloten warmteafnemers op een nieuw warmtenet. Deze leden vroegen wat voor afspraken de regering dan in gedachten heeft of dat zij hier alleen doelt op investeringsafspraken.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de mogelijkheden om aanvullende afspraken te maken om de business case van een warmtenet sluitend te maken.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen hoe het in rekening brengen van additionele kosten naast de eenmalige aansluitbijdrage precies georganiseerd kan worden en hoe ervoor gezorgd wordt dat er geen onduidelijkheden bij de afnemer bestaan.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de mogelijkheden om aanvullende afspraken te maken om de business case van een warmtenet sluitend te maken.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de reden voor het tot op heden niet reguleren van de aansluiting op een nieuw warmtenet, anders dan dat deze kosten «verstopt» zaten in de prijs van de woning.

In het verleden waren deze kosten voor een nieuwe aansluiting op een warmtenet van een koopwoning inderdaad bij de prijs van de woning inbegrepen. De memorie van toelichting geeft aan dat bij nieuwbouw de aansluitbijdrage tot stand komt in overleg tussen projectontwikkelaar, gemeente en warmteleverancier. Dit overleg speelt zich af in een situatie waarbij de projectontwikkelaar en gemeente vrije keuze hebben ten aanzien van de energievoorziening van de nieuwe woningen. Daarom zou er geen sprake zijn van een gebonden afnemer ten gevolge van een monopolie positie. Hoewel de afnemer geen direct betrokken partij is bij de onderhandelingen over de aansluitbijdrage, was de gedachte dat in deze situatie een redelijke prijs tot stand zou komen.

Uit de evaluatie van de Warmtewet is gebleken dat deze eenmalige aansluitbijdrage in de praktijk vaak anders is dan de naam suggereert. Het tarief is vaak niet direct gerelateerd aan de werkelijke kosten voor de gerealiseerde aansluiting. Naast de kosten van de aansluiting worden ook andere kosten in de berekening meegenomen. Voor dergelijke aansluitingen zijn aansluittarieven tot € 7.000 bekend. Het is vaak echter niet transparant welk bedrag wordt betaald voor de feitelijke aansluiting en welk bedrag daar nog bovenop komt met het oog op de rentabiliteit van het project. Er zijn verbruikers die jaarlijks nog een termijnbedrag moeten betalen ten behoeve van deze «eenmalige» aansluitbijdrage. Deze onduidelijkheid over de aansluitkosten acht de regering onwenselijk, hoofdzakelijk omdat het leidt tot verminderd vertrouwen bij consumenten. Transparantie dient consumentenbescherming en vormt een belangrijk instrument om consumentenvertrouwen te creëren.

De leden van de SP-fractie vroegen of bij wet verboden moet worden dat verbruikers nog steeds een termijnbedrag moeten betalen ten behoeve van de eenmalige aansluitkosten.

Het voorliggende wetsvoorstel voorziet op het punt van regulering van de aansluitbijdrage in een onmiddellijke werking. Dit betekent dat de wijziging in de regulering van de aansluitbijdrage ook gevolgen heeft voor de wijze waarop aansluitbijdragen in bestaande situaties in rekening mogen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat voor bestaande contracten de aansluitbijdrage moet worden aangepast. Dit betekent echter niet dat de kosten niet langer in rekening gebracht mogen worden. Voor zover de kosten die thans vervat zijn in de aansluitbijdrage andere kosten betreffen dan de kosten van het fysiek aansluiten van een woning of bedrijfsruimte op het warmtenet (bijvoorbeeld de kostendekkingsbijdrage om de aanleg van een warmtevoorziening rendabel te maken), dan mogen deze kosten nog wel in rekening gebracht worden, maar niet onder de noemer aansluitbijdrage.

De leden van de SP-fractie vroegen of een eenmalige zuivere aansluitprijs niet de oplossing is voor nieuwe aansluitingen op bestaande en nieuwe warmtenetten.

In het voorliggende wetsvoorstel wordt inderdaad uitgegaan van eenzelfde aansluitbijdrage op zowel bestaande als nieuwe warmtenetten. De achterliggende gedachte is namelijk dat de benodigde infrastructuur (zoals bijvoorbeeld leidingen) voor het verbinden van een woning met een warmtenet hetzelfde is voor beide situaties. De bijdrage van individuele verbruikers die aangesloten zijn op een warmteproject aan het rendabel maken van de aanleg van het betreffende warmteproject dient de warmteleverancier niet in de eenmalige aansluitbijdrage te verwerken. De vaste aansluiting is na de realisatie inderdaad in eigendom en in beheer van de warmteleverancier.

De leden van de SP-fractie vroegen of één categorie aansluitingen tot 100 kilowatt inhoudt dat de kosten voor een aansluiting altijd hetzelfde zijn, ongeacht de warmtebron.

De kosten voor een aansluiting met een doorlaatwaarde tot 100 kilowatt houdt geen verband met de warmtebron voor het warmtenet waarop het gebouw is aangesloten. Bij de kosten voor de aansluiting gaat het om het eenmalig aanleggen van een aansluiting van de woning of bedrijfsruimte van de verbruiker op het warmtenet: de leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen die bestemd zijn voor het transport van warmte tussen een binneninstallatie van de verbruiker en een warmtenet of inpandig leidingstelsel. Deze aansluiting verschilt niet per warmtebron.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen naar de doorberekening van kosten die niet onder de eenmalige aansluitbijdrage vallen en of deze oplossing niet tot meer onduidelijkheid over en verschillen in de kosten leidt. Daarnaast vroegen zij hoe deze additionele kosten worden gecontroleerd.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de mogelijkheden om aanvullende afspraken te maken om de business case van een warmtenet sluitend te maken.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen op welke manier wordt omgegaan met bestaande afspraken over aansluitbijdrage, bijvoorbeeld in concessieafspraken met gemeenten.

Het onderhavige wetsvoorstel beoogt transparantie te bewerkstelligen over de werkelijke kosten van een aansluiting. Eventuele additionele kosten om de business case van een warmteproject sluitend te maken, dienen daarom afzonderlijk en onder een andere titel aan de toekomstige verbruikers te worden opgegeven. Dit geldt niet voor bestaande afspraken zoals concessieafspraken met gemeenten.

4.5 Afsluiting en beëindiging leveringsovereenkomst

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de regering in de toekomst aankijkt tegen het principe dat de beëindiging van een leveringsovereenkomst niet mag leiden tot hogere kosten bij een andere aansluiting. Ook vroegen deze leden hoe wordt omgegaan met de vaste kosten van een installatie als het prijssysteem op daadwerkelijke kosten zou worden gebaseerd.

Het maximale tarief dat voor levering van warmte in rekening mag worden gebracht aan een verbruiker is gereguleerd op grond van de Warmtewet. Dit betekent dat geen hogere prijs in rekening mag worden gebracht aan een gebruiker dan de maximumprijs op grond van de Warmtewet, ook indien als gevolg van opzeggingen het aantal verbruikers dat is aangesloten op een warmtenet afneemt. Op dit moment wordt de maximumprijs vastgesteld op basis van de gasreferentie. Indien in de toekomst zou worden overgestapt op het bepalen van de maximumprijs op basis van gemiddelde werkelijke kosten zou dit nog steeds betekenen dat aan een verbruiker niet meer dan de op grond van de Warmtewet vastgestelde maximumprijs in rekening mag worden gebracht. Hoe bij de vaststelling van een maximumprijs op basis van gemiddelde werkelijke kosten moet worden omgegaan met vaste kosten van een installatie is een vraag die moet worden bezien indien en wanneer wordt besloten over te stappen op een systeem van regulering op basis van gemiddelde werkelijke kosten.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe wordt voorkomen dat er onevenredige verschillen ontstaan tussen bestaande en nieuwe contracten en hoe wordt omgegaan met hoge bedragen voor het opzeggen van een leveringsovereenkomst in oude contracten. Daarnaast vroegen deze leden of afnemers van warmtenetten met reeds gesloten overeenkomsten niet op termijn ook de mogelijkheid zouden moeten hebben om voor afsluiting te kiezen.

Onderhavig wetsvoorstel voorziet in overgangsrecht zodat voor reeds gesloten overeenkomsten het nu geldende regime van toepassing blijft. Omdat leveringsovereenkomsten veelal een lange looptijd kennen en de business cases van warmteprojecten op deze lange looptijd zijn gebaseerd, zouden warmteleveranciers van bestaande projecten onevenredig benadeeld worden indien de nieuwe regels ook zouden gelden voor bestaande projecten. Bovendien moeten de bestaande leveringsovereenkomsten na het aflopen van de bepaalde duur voldoen aan de nieuwe regels in onderhavig wetsvoorstel. Hierdoor worden deze regels na verloop van tijd vanzelf van toepassing op alle bestaande situaties. Overigens betreft bovenstaande uitsluitend het opzeggen van een leveringsovereenkomst en niet de kosten voor het afsluiten van een aansluiting op een warmtenet. De kosten voor afsluiten worden in onderhavig wetsvoorstel gereguleerd en zijn direct van toepassing op alle warmtenetten vanaf de inwerkingtreding.

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd of het tussentijds opzeggen van een contract voor bepaalde tijd alleen indirect mogelijk is volgens de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Verder vroegen deze leden of hiervoor een extra opzegbedrag kan worden gevraagd mits dit contractueel bepaald is.

Het opzeggen van een overeenkomst voor bepaalde tijd is op grond van het Burgerlijk Wetboek alleen mogelijk wanneer in de overeenkomst is voorzien in de mogelijkheid van opzegging of wanneer er sprake is van een onvoorziene omstandigheid die van dien aard is dat de wederpartij deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mocht verwachten (artikel 6:258 van het BW). In artikel 3c van de Warmtewet wordt van dit uitgangspunt afgeweken en wordt mogelijk gemaakt dat alle leveringsovereenkomsten voor warmte kunnen worden beëindigd (opgezegd), ongeacht dus of het een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd betreft.

Wel is het in het geval van een overeenkomst voor bepaalde tijd mogelijk dat, indien een verbruiker de overeenkomst gedurende de looptijd van de overeenkomst opzegt, de verbruiker de leverancier een opzegvergoeding verschuldigd is. Dat er een opzegvergoeding verschuldigd is bij tussentijdse opzegging en wat de hoogte hiervan is, moet geregeld zijn in de warmteleveringsovereenkomst of de bijbehorende voorwaarden. Als de opzegvergoeding niet geregeld is in de warmteleveringsovereenkomst of de bijbehorende voorwaarden kan de leverancier zich daar niet op beroepen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of een huurder kan verzoeken om het weghalen van een aansluiting op een warmtenet en het recht heeft om afgesloten te worden.

De specifieke situatie bepaalt of een huurder kan verzoeken om het weghalen van een aansluiting op een warmtenet en het recht heeft om afgesloten te worden. De vigerende Warmtewet leidt op dit punt tot onduidelijkheid die met het voorliggende wetsvoorstel wordt opgeheven. Zoals in de memorie van toelichting wordt aangegeven kan er in het geval huurders warmte afnemen van hun verhuurder sprake zijn van een samenloop tussen de Warmtewet en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, titel 4, afdeling 5, van Boek 7 van het BW, de Wet op het overleg huurders verhuurder (hierna gezamenlijk: het huurrecht) en de algemene bepalingen inzake consumentenrecht uit het BW. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in het geval van blokverwarming. Het weghalen van een aansluiting op blokverwarming zou een wijziging inhouden van het gehuurde en de huurovereenkomst hetgeen op grond van het huurrecht overeenstemming vergt van huurder en verhuurder. De huidige Warmtewet is in deze situatie weliswaar van toepassing maar dat leidt in deze situatie niet tot de mogelijkheid voor de huurder om te verzoeken tot het weghalen van een aansluiting op een warmtenet. Het voorliggende wetsvoorstel leidt tot een eenduidige regeling op dit punt.

Een huurder heeft wel, evenals iedere andere verbruiker, het recht om een leveringsovereenkomst voor warmte te beëindigen en het recht om afgesloten te worden van een warmtenet op het moment de huurder geen warmte geleverd krijgt van zijn verhuurder als zodanig. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in het geval van stadsverwarming. De leverancier van de stadsverwarming is in dat geval een andere partij dan de verhuurder.

De leden van de CDA-fractie vroegen vanaf welke datum de kosten die eerder geheven werden in het kader van de Warmtewet in de huur en servicekosten kunnen worden ingebracht.

Het huurrecht is nu ook al van toepassing op de levering van warmte van verhuurders aan hun huurders. De regelingen inzake de huur en de servicekosten maken hier onderdeel van uit. De wijziging van de Warmtewet brengt hierin geen wijziging. De wijziging van de Warmtewet leidt er uitsluitend toe dat de bepalingen van de Warmtewet niet meer gelden voor de kosten die verhuurders voor de levering van warmte in rekening brengen bij hun huurders.

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd om een nadere motivering van wanneer er sprake is van «aanzienlijk nadeel» bij andere gebruikers en of dit leidt tot een vorm van ongelijke recht. Daarnaast vroegen deze leden welke juridische stappen gezet moeten worden indien een afnemer bezwaar heeft tegen het besluit van de leverancier om de leveringsovereenkomst niet op te zeggen.

Zoals is aangeven in de memorie van toelichting is bewust gekozen voor de vrij ruimte term «aanzienlijk nadeel voor een andere verbruiker». Dit omdat er bij warmtelevering veel verschillende situaties zijn, die niet in één wettelijke bepaling te vatten zijn. In de memorie van toelichting zijn twee voorbeelden (seriële schakeling en risico voor de warmtelevering voor andere verbruikers) geschetst waar opzegging zou kunnen leiden tot dermate aanzienlijk nadeel voor andere verbruikers dat een uitzondering moet worden gemaakt op het recht van een verbruiker om zijn leveringsovereenkomst te beëindigen.

Wanneer een leverancier zich beroept op de uitzonderingsgrond aanzienlijk nadeel berust op de leverancier de verplichting om zijn beroep op de uitzonderingsgrond te motiveren. Dit is expliciet voorgeschreven in artikel 3c, derde lid, van het wetsvoorstel. Op de naleving van deze bepaling wordt ten algemene toegezien door ACM. Wanneer een verbruiker het er niet mee eens is dat de leverancier geen gevolg heeft gegeven aan zijn opzegging kan hij zich ook wenden tot de onafhankelijke geschillencommissie. Bovendien kan een verbruiker zich wenden tot de burgerlijk rechter. Beiden kunnen beoordelen of de motivering van de leverancier voldoende is om geen gevolg te geven aan de opzegging van de verbruiker en of de leverancier terecht gebruik heeft gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid.

De leden van de D66-fractie vroegen of aangeslotenen van warmtenetten met reeds gesloten overeenkomsten die nu al van kracht zijn niet ook op termijn de mogelijkheid zouden moeten hebben om voor afsluiting te kiezen en wat de overwegingen hierbij zijn.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over het tussentijds opzeggen van een contract voor bepaalde tijd.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom onderhavig wetsvoorstel ervan uitgaat dat kosten voor het fysiek afsluiten van een aansluiting de werkelijke kosten niet ver mogen overstijgen en of het niet meer dan redelijk is om slechts de eigenlijke kosten in rekening te brengen.

Onderhavig wetsvoorstel introduceert de regulering van de kosten van het afsluiten van een aansluiting op een warmtenet op basis van de gemiddelde werkelijke kosten die gemoeid zijn met de fysieke afsluiting. Dit betekent dat een warmteleverancier een afnemer geen hoger bedrag in rekening mag brengen voor het afsluiten dan deze gereguleerde maximumprijs. In sommige gevallen zal deze maximumprijs hoger zijn dan de werkelijke kosten van het afsluiten die de warmteleverancier moet maken, maar de omgekeerde situatie zal ook voorkomen. De maximumprijs voor afsluiten is een maximum en een warmteleverancier mag uiteraard een lager bedrag bij zijn afnemer in rekening brengen. Doel van deze nieuwe regulering is om afnemers meer duidelijkheid te bieden en hen te beschermen tegen te hoge tarieven.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom er een verschil bestaat tussen een tijdelijke afsluiting en een definitieve verwijdering. Ook vroegen deze leden of het niet redelijker zou zijn als de afnemer zou betalen voor een tijdelijke afsluiting en de kosten voor definitieve verwijdering iets tussen de gebouweigenaar en de leverancier te laten zijn.

Onderhavig wetsvoorstel introduceert een regulering van de tarieven voor afsluiting van een aansluiting op een warmtenet op basis van gemiddelde werkelijke kosten. Omdat de werkelijke kosten voor het tijdelijk dan wel definitief afsluiten significant anders zijn voor de warmteleverancier, wordt hierin een onderscheid gemaakt. In sommige situaties bestaan de kosten voor het tijdelijk afsluiten voor de warmteleverancier slechts uit het voorrijden en een simpele handeling (bijvoorbeeld door verzegeling of verwijdering van de afleverset) om de warmtelevering tijdelijk stop te zetten. In het geval van het definitief afsluiten van de aansluiting wordt de gehele aansluiting van de verbruiker op het warmtenet verwijderd. Dit vergt in de regel aanzienlijk meer inspanning van de leverancier dan het tijdelijk afsluiten. Met onderhavig wetsvoorstel wordt gekozen voor het reguleren op basis van werkelijke kosten voor de nieuwe elementen in de tariefregulering zoals het afsluiten van een aansluiting. Dientengevolge is het logisch dat voor een definitieve afsluiting inclusief de verwijdering van alle fysieke infrastructuur, een hoger tarief geldt dan voor een tijdelijke afsluiting.

In veel gevallen is de verbruiker tevens de eigenaar van het gebouw. In de gevallen waarin de verbruiker niet de eigenaar van het gebouw is, zal de eigenaar van het gebouw altijd moeten instemmen met het definitief verwijderen van een aansluiting.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de voorwaarden voor de beëindiging van de leveringsovereenkomst wanneer die zouden leiden tot een «aanzienlijk nadeel» voor een andere gebruiker en de motiveringsplicht daarvan in artikel 3c van de Warmtewet.

Artikel 3c van het wetsvoorstel biedt inderdaad de mogelijkheid dat, in het geval de beëindiging van een warmteleveringsovereenkomst leidt tot een aanzienlijk nadeel voor een andere verbruiker, een leverancier kan besluiten geen gevolg te geven aan een opzegging van een warmteleveringsovereenkomst door een verbruiker. Deze bepaling vormt een uitzondering op de hoofdregel dat een verbruiker een warmteleveringsovereenkomst kan beëindigen en aan het gebruik van deze uitzondering is voor de leverancier de verplichting verbonden om deze weigering voldoende te motiveren. Dit betekent dat een leverancier zal moeten aantonen dat er sprake is van een aanzienlijk nadeel voor andere verbruikers. Zoals is aangegeven in reactie op de vragen van de leden van de D66-fractie kan een leverancier geen gebruik maken van de uitzonderingsmogelijkheid indien hij het aanzienlijk nadeel voor andere verbruikers niet voldoende kan motiveren. Op de naleving van deze bepaling wordt ten algemene toegezien door ACM. Daarnaast kan een verbruiker voor wie aan de beëindiging van de leveringsovereenkomst door de leverancier geen gevolg wordt gegeven zich wenden tot de geschillencommissie en de burgerlijk rechter voor een toetsing van deze weigering. Hiervoor gelden de gebruikelijke termijnen voor procedures bij de geschillencommissie en de burgerlijk rechter.

Voor de bepalingen van artikel 3c is voorzien in overgangsrecht voor overeenkomsten die zijn gesloten voordat deze wijziging in werking treedt. Dit overgangsrecht houdt in dat op reeds gesloten overeenkomsten het nu geldende regime van toepassing blijft (eerbiedigende werking). Leveringsovereenkomsten hebben thans veelal een lange looptijd en op basis van die looptijd zijn investeringsbeslissingen genomen en investeringsverplichtingen aangegaan door leveranciers. Indien de wijzigingen ook op deze overeenkomsten van toepassing zouden zijn, worden de betreffende leveranciers hierdoor onevenredig benadeeld. Er is geen termijn verbonden aan deze overgangsbepaling. Dit betekent dat contracten voor bepaalde tijd waar deze overgangsbepaling voor geldt kunnen worden uitgediend in overeenstemming met de bepalingen over opzegging zoals deze waren voor inwerkingtreding van deze wetswijziging.

De leden van de SP-fractie vroegen in hoeverre de afnemer keuzevrijheid heeft bij het aangaan van een leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd en of er een maximale periode is benomen waarvoor deze remmende prikkel mag gelden.

Bij het aangaan van een leveringsovereenkomst voor warmte heeft een afnemer een vrije keuze over welke warmtebron hij kiest voor zijn woning. Alternatieven voor warmtevoorziening via een warmtenet kan bijvoorbeeld zijn een all-electric oplossing met een warmtepomp. Een aansluiting op het gasnet zal niet in alle gevallen mogelijk zijn. Onderhavig wetsvoorstel voorziet in een overgangsregeling dat bestaande contracten voor bepaalde tijd blijven gelden voor de gehele contractduur, ook als die bijvoorbeeld 20 jaar is. De reden hiervoor is dat investeringsbeslissingen in bestaande situaties zijn genomen op basis van bijbehorende gesloten leveringsovereenkomsten en dat een vroegtijdige wijziging van deze contracten een onevenredig nadeel voor de leverancier zouden kunnen opleveren. Indien een overeenkomst van bepaalde duur afloopt, zal de nieuwe overeenkomst tussen de leverancier en afnemer vervolgens wel moeten voldoen aan onderhavig wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen naar de maximumtarieven voor afsluiten die gebaseerd zijn op de werkelijke kosten en hoe wordt voorkomen dat met name kleine warmtebedrijven te maken krijgen met de situatie dat de werkelijke kosten niet overeenkomen met het landelijk gemiddelde.

Het is de verwachting dat de werkelijke kosten voor het afsluiten van een aansluiting op een warmtenet niet sterk uiteen zullen lopen, ook niet voor kleine warmtebedrijven. Onderhavig wetsvoorstel maakt namelijk een uitsplitsing tussen de kosten voor de leverancier in verband met de inspanning van het (al dan niet tijdelijk) afsluiten van de aansluiting en het beëindigen van de leveringsovereenkomst. De kosten van tijdelijk of definitief afsluiten bestaan uit grotendeels dezelfde fysieke handelingen bij alle warmteleveranciers en zullen vergelijkbare kosten veroorzaken. De financiële gevolgen van het beëindigen van een leveringsovereenkomst door een afnemer kunnen echter wel uiteenlopen, afhankelijk van de specifieke situatie en business case van een bepaald warmteproject. Er bestaat dus voor wat betreft de maximumtarieven voor afsluiting geen noodzaak om onderscheid te maken naar regionale verschillen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen welke keuzevrijheid een afnemer heeft bij het aangaan van een overeenkomst van bepaalde tijd.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de SP-fractie over keuzevrijheid van de afnemer bij het aangaan van een leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd.

4.6 Ruimte voor variatie in leveringstarieven

De leden van de VVD-fractie vroegen aan welke nadere voorwaarden wordt gedacht indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om tarieven aan te bieden die afwijken van het wettelijk maximumtarief. Tevens vroegen zij of deze uitwerking bij de beide Kamers wordt voorgehangen en zo, ja op welke termijn het ontwerp tegemoet kan worden gezien.

De nadere voorwaarden die worden ingevuld in het Warmtebesluit en de Warmteregeling richten zich op transparantie ten behoeve van een goed inzicht in de gevolgen van de keuze voor een tarief dat afwijkt van het wettelijk maximumtarief en een goede vergelijkbaarheid van de aanbiedingen van de leverancier. In het bijzonder wordt de leverancier verplicht om de verbruiker er in heldere bewoordingen op te wijzen dat hij, bij aanvaarding van het aanbod, gedurende de looptijd van de te sluiten overeenkomst geen beroep kan doen op de bescherming van de maximumprijsbepaling in artikel 5 van de wet.

Het Warmtebesluit zal worden voorgehangen in beide Kamers. De regering verwacht dat de Kamers het ontwerp kort voor het eind van het jaar tegemoet kan zien. Voor de Warmteregeling is niet voorzien in een voorhangprocedure, dit omdat een voorhangprocedure gelet op de aard van de regels die in een ministeriële regeling worden opgenomen niet voor de hand ligt. Het gaat bij ministeriële regelingen namelijk om voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of sprake is van een voldoende transparante markt en een sterke positie van de afnemer om tariefdifferentiatie toe te passen. Het gaat immers om een markt met een monopolist en bovendien is de prijsontwikkeling moeilijk te voorspellen, aangezien deze onder meer afhankelijk is van de ontwikkeling van de gasprijs.

In de eerste plaats zijn leveranciers altijd verplicht om een verbruiker een aanbod te doen om warmte af te nemen tegen de het maximaal het wettelijk maximumtarief. De verbruiker heeft dus altijd de mogelijkheid om te kiezen voor de bescherming die de Warmtewet biedt. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan de aanbiedingen van de leverancier. Het gaat hierbij vooral om eisen ten aanzien van transparantie en een goede vergelijkbaarheid van de aanbiedingen. Deze zogenaamde transparantie-eisen worden ingevuld in het Warmtebesluit en de Warmteregeling.

4.7 Afleversets

De leden van de VVD-fractie zijn kritisch op het voornemen de markt niet de mogelijkheid te geven te innoveren op het gebied van afleversets. Deze leden vroegen of kosteneffectiviteit, innovatie en veiligheid niet hand-in-hand kan gaan en vroegen hoe de regering de mogelijke ontwikkeling van de markt op dit vlak ziet.

Verder vroegen deze leden of er onderzoek wordt gedaan naar de risico’s die zich kunnen voordoen als andere partijen dan de leverancier of de installateur de vrijheid krijgen afleversets te installeren of onderhouden. Daarbij vroegen deze leden in hoeverre de markt voor afleversets toch op korte termijn verder kan worden geopend door een beperktere vorm van regulering, normering dan wel een systeem van accreditatie. Verder vroegen deze leden het vrijgeven van de markt specifiek mee te nemen bij de evaluatie.

In de Warmtewet is de keuze gemaakt om de verantwoordelijkheid voor installatie en onderhoud van de afleverset exclusief bij de leverancier te leggen. Aan deze keuze liggen twee overwegingen ten grondslag. In de eerste plaats het belang van het waarborgen van de veiligheid en in de tweede plaats het effect van afleversets op de stabiliteit en optimalisatie van het warmtenet. Naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet is bezien of er voldoende aanleiding is om de markt op dit punt vrij te geven. Daarbij is geconstateerd dat er geen eenduidig beeld bestaat over risico’s en voordelen van het vrijgeven van de markt voor afleversets. De regering gaat er vanuit dat ook in een situatie waarbij de leverancier exclusief verantwoordelijk is voor de afleversets wel degelijk aandacht zal blijven voor innovatie en kosteffectiviteit. Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar de risico’s die zich kunnen voordoen bij het vrijgeven van de markt van afleversets. Mede gelet op het ook door de regering onderschreven belang van een vrije markt sluit de de regering het op termijn en onder voorwaarden vrijgeven van de markt niet uit. Bij een nieuwe evaluatie van de Warmtewet zal hieraan specifiek aandacht worden besteed.

De leden van de D66-fractie vroegen de regering of zij kan bevestigen dat niet alleen de hoge temperatuur, maar vooral ook de hoge druk voor gevaar zorgt, waardoor installatie van de afleverset zorgvuldig moet gebeuren.

Het gaat bij de afleverset inderdaad om risico’s als gevolg van een combinatie van hoge temperatuur en hoge druk.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen een toelichting op het besluit om levering van afleversets te beperken tot de warmteleverancier. Deze leden vroegen waarom de veiligheid niet gebaat is bij het vrijgeven van de markt voor afleversets en waarom de situatie bij afleversets afwijkt van bijvoorbeeld de installatie en het onderhoud van een cv-ketel.

Zoals aangegeven in de memorie van toelichting spelen afleversets een belangrijke rol bij het optimaal functioneren van het warmtenet als geheel. Een niet goed werkende of afgestelde afleverset kan nadelige gevolgen hebben voor het functioneren van het warmtenet in zijn geheel zonder dat dit direct nadelige gevolgen hoeft te hebben voor de individuele verbruiker achter de betreffende afleverset. Dit brengt met zich mee dat er voor een individuele verbruiker geen of hooguit een beperkte prikkel is om bij de aanschaf, het onderhoud en de regeling van de afleverset rekening te houden met de gevolgen voor de werking van het warmtenet. Deze situatie onderscheidt zich van de aanschaf en het onderhoud van een CV-ketel, waarvoor geldt dat een niet goed functionerende of afgestelde ketel geen gevolgen heeft voor de het optimaal functioneren van het gasdistributienet.

De leden van de SP-fractie vroegen of door de gecreëerde monopolie positie ten aanzien van afleversets nieuwe ontwikkelingen zullen uitblijven.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven is de regering zich bewust van de potentiële voordelen van een vrije markt. De keuze om de markt vooralsnog niet vrij te geven is de uitkomst van een afweging waarbij ook die voordelen zijn meegenomen. De regering gaat er daarbij vanuit dat ook in een situatie waarbij de leverancier exclusief verantwoordelijk is voor de afleversets wel degelijk aandacht zal blijven voor innovatie en nieuwe ontwikkelingen, omdat dit ook in het belang is van de leverancier.

De leden van de SP-fractie lazen in de memorie van toelichting dat de regering de keuze voor het niet vrijgeven van de markt mede heeft gemaakt vanwege de verschillende en tegenstrijdige reacties vanuit het veld. Deze leden vroegen zich in dat kader af of deze patstelling nu niet eerder een reden is om een gedegen onderzoek naar de beprijzing van afleversets te doen.

De regering heeft er voor gekozen om de keuze voor het niet vrijgeven van de markt van afleversets te combineren met de introductie van maximumprijsregulering op basis van de werkelijke kosten van verschillende soorten afleversets. Genoemde maximumprijs zal door ACM worden vastgesteld op basis van onafhankelijke gegevens. Het wetsvoorstel voorziet dus in onderzoek naar de kostprijs van afleversets.

4.8 Verantwoordelijkheid voor inpandige warmtenetten

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe voorkomen kan worden dat de warmteleverancier te lang moet wachten op een teruggave van de compensatiegelden van een gebouweigenaar.

De regering gaat er vanuit dat er naast de verplichting voor de gebouweigenaar om de door de leverancier aan de verbruiker betaalde storingscompensatie ingeval van een storing in het inpandig leidingstelsel te vergoeden geen nadere regels nodig zijn omtrent de termijn waarbinnen die vergoeding moet worden betaald.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het aanspreekpunt voor de compensatieregeling bij de warmteleverancier ligt en vroegen in dat kader of de regering zeker kan stellen dat, mochten er tussen een gebouweigenaar en een warmteleverancier andere afspraken worden gemaakt, de consument daar niet de dupe van is.

In het wetsvoorstel is bepaald dat de leverancier tegenover de verbruiker verantwoordelijk is voor de vergoeding van storingscompensatie. Dit staat los van welke afspraken de leverancier en de gebouweigenaar hier verder over maken.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de regering kan toelichten of in het geval van het ontbreken van een rechtstreekse leveringsovereenkomst tussen de externe warmteleverancier en de verbruikers op het inpandige warmtenet, de externe warmteleverancier alleen een verzoek om afsluiting hoeft af te handelen of storingscompensatie hoeft uit te keren waar het gaat om de centrale aansluiting van de gebouweigenaar en niet voor elke individuele afnemer.

In de beschreven situatie treedt de externe warmteleverancier op als leveranciers van de gebouweigenaar en treedt de gebouweigenaar op zijn beurt op als leverancier van de individuele verbruiker. In die situatie heeft de externe warmteleverancier geen verantwoordelijkheden tegenover de individuele verbruiker. De verantwoordelijkheid van de externe warmteleveranciers beperkt zich tot de aansluiting van het externe warmtenet op de inpandige installatie van de gebouweigenaar.

4.9 Veiligheid

De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering kan aangeven hoe het voorstel om de veiligheid van warmtenetten buiten de Warmtewet te waarborgen wordt opgepakt, en of de regering van plan is om gesprekken aan te gaan om bijvoorbeeld de bestaande ISSO richtlijnen verder uit te breiden.

In de toelichting op de Warmtewet is aangegeven hoe de verantwoordelijkheid voor de veiligheid is geregeld. Het zijn de marktpartijen die in eerste instantie hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Indien nodig zal de overheid deze acties aanvullen.

4.10 Warmtekostenverdeling

De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering een mogelijkheid ziet voor uitzonderingen ten aanzien van het doorberekenen van de kosten van warmtekostenverdelers voor hele kleine ruimtes of ruimtes die weinig tot geen energie gebruiken en of in dat geval voor de gebruiker inzichtelijke wordt welk deel van de kosten dit betreft.

De regering ziet geen reden om voor de genoemde situaties uitzonderingen te maken. In de eerste plaats brengen warmtekostenverdelers in kleine ruimtes of ruimtes die weinig energie gebruiken ook kosten met zich die ingeval van een uitzondering ongedekt blijven. In de tweede plaats is niet simpel en éénduidig vast te stellen wat een kleine ruimte is of welke ruimtes weinig energie gebruiken. Zo zal in de praktijk de ene verbruiker de slaapruimtes altijd verwarmen terwijl de andere verbruiker de verwarming in slaapruimtes altijd uit heeft staan.

4.11 Correctiefactoren

Gezien de in het wetsvoorstel geschetste situaties vroegen de leden van de VVD-fractie de regering de uitsluiting van een correctiefactor voor nieuwbouw te verbieden en terughoudendheid van een correctiefactor in bestaande bouw te stimuleren.

Gelet op de context van de vraag wordt er van uit gegaan dat de leden van de VVD-fractie juist vragen om een verbod op de toepassing van correctiefactoren bij nieuwbouw. Hierin is voorzien. Het wetsvoorstel introduceert uitsluitend de mogelijkheid tot toepassing van correctiefactoren bij bestaande gebouwen. In de memorie van toelichting zijn situaties beschreven waarbij de toepassing van correctiefactoren een stimulerende werking kan hebben op het toepassen van energiebesparende maatregelen, zoals isolatie. Om die reden ziet de regering geen reden om in zijn algemeenheid terughoudendheid bij de toepassing van die correctiefactoren te stimuleren.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom de mogelijkheid om correctiefactoren toe te passen alleen voor bestaande bouw in de wet wordt opgenomen en niet ook voor nieuwbouw. Daarnaast vroegen deze leden waarom de toepassing van correctiefactoren niet verplicht wordt gesteld.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven worden nieuwe gebouwen standaard zodanig geïsoleerd dat, gelet op de in de memorie van toelichting genoemde overwegingen, het gebruik van correctiefactoren overbodig is. Er is voor gekozen om de toepassing van correctiefactoren niet verplicht te stellen, omdat er niet voor iedere situatie in de bestaande bouw aanleiding is om correctiefactoren toe te passen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen nadere toelichting waarom correctiefactoren alleen voor bestaande bouw worden opgenomen. Daarnaast vroegen genoemde leden waarom de huidige isolatie voldoende is om correctiefactoren niet toe te staan en of hier onderzoek naar is gedaan. Deze leden vroegen bovendien of het niet algemeen verplicht toepassen van correctiefactoren niet tot ongelijke situaties leidt tussen bewoners van verschillende gebouwen.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven worden nieuwe gebouwen standaard zodanig geïsoleerd dat, gelet op de in de memorie van toelichting genoemde overwegingen, het gebruik van correctiefactoren overbodig is. De isolatie-eisen vloeien voort uit de bestaande bouweisen en het is dus niet nodig om hier nader onderzoek naar te doen. Het niet verplicht stellen van het toepassen van correctiefactoren bij de bestaande bouw kan inderdaad leiden tot ongelijke situaties. Desondanks ziet de regering geen reden om de toepassing van correctiefactoren verplicht te stellen, omdat niet in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat voor iedere situatie in de bestaande bouw aanleiding is om correctiefactoren toe te passen, en dit kan leiden tot ongewenste situaties.

4.12 Storingscompensatie

De leden van de VVD-fractie vroegen waarom is gekozen voor een 24 uur tijdvak waarin een storing in het warmtenet opgelost moet zijn en welke impact een storing van 24 uur heeft voor een huishouden.

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat niet iedere storing met een duur van maximaal 24 uur wordt vrijgesteld van de verplichting om compensatie te betalen. Dit is alleen het geval indien zich in het betreffende warmtenet in de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de storing niet eerder een storing heeft voorgedaan. Bij iedere volgende storing gedurende een periode van 12 maanden na de eerste storing is de compensatieregeling wel van toepassing.

De reden voor de beperking van de compensatieregeling bij storingen is dat een warmteleverancier reeds een inherente financiële prikkel ervaart om de warmtelevering zo snel mogelijk te hervatten. Een warmteleverancier mist namelijk direct inkomsten in geval van een storing omdat geen warmte geleverd wordt. Dit is anders bij elektriciteit en gas waar de netbeheerder, die verantwoordelijk is voor het onderhoud van het leidingnet, geen directe financiële prikkel ervaart indien er een storing optreedt in zijn net.

De aanvullende financiële prikkel die de compensatieregeling biedt wordt om deze reden door warmteleveranciers als onevenredig ervaren. Daarbij speelt tevens een rol dat een huishouden dat gedurende een periode van 24 uur geen warmte geleverd krijgt, wederom anders dan bij elektriciteit en gas, een langzaam afnemende binnentemperatuur ervaart. Om deze reden is de eerste storing vrijgesteld van de verplichting om compensatie te betalen. Wanneer zich in de 12 maanden na de storing in het zelfde net een nieuwe storing voordoet, is de compensatieregeling wel van toepassing. In dat geval is een extra financiële prikkel wel wenselijk.

4.13 Ruimte voor experimenten

De leden van de CDA-fractie vroegen of experimenten slechts kunnen worden toegekend aan een netbeheerder en leverancier na een toets van de ACM aan de in het wetsvoorstel en nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen voorwaarden.

In de wet is bepaald dat de Minister van Economische Zaken bij wijze van experiment ontheffing kan verlenen van het bepaalde bij of krachtens de Warmtewet. Daarbij zal de Minister het experiment toetsen aan de in de wet en de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Hierbij kan de Minister beroep doen op de deskundigheid van de ACM.

De leden van de D66-fractie vroegen de regering om aan te geven van welke artikelen van het voorliggende wetsvoorstel bij een experiment kan worden afgeweken. Daarnaast vroegen deze leden weten of het experimenteerartikel de ruimte biedt om ook van andere, gerelateerde regelgeving af te wijken. Tevens vroegen zij waarom alleen een leverancier het verzoek kan doen tot een experiment. Tot slot vroegen deze leden of er een maximum termijn aan de experimenten zal worden gesteld, en zo niet, waarom niet.

In het wetsvoorstel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over welke afwijkingen van het bepaalde bij of krachtens de wet zijn toegestaan. Dit betekent dat in de algemene maatregel van bestuur wordt bepaald van welke artikelen kan worden afgeweken. Het experimenteerartikel in het onderhavige wetsvoorstel biedt uitsluitend ruimte om af te wijken van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Daarbij wordt aangetekend dat mag worden verwacht dat verzoeken om gebruik te maken van de experimenteermogelijkheid onder de Warmtewet zullen worden gedaan in samenhang met verzoeken om gebruik te maken van de identiek aan de Warmtewet geformuleerde experimenteerbepalingen onder de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel Voortgang Energie Transitie (Kamerstuk 34 627, nr. 2). In het wetsvoorstel is niet vastgelegd wie een aanvraag voor een experiment mag doen, maar de verwachting is dat vooral leveranciers van deze mogelijkheid gebruik zullen maken. Er zal een maximum termijn aan de experimenten worden gesteld.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen waarom de mogelijkheid tot het aanvragen van een ontheffing niet aan netbeheerders wordt geboden.

In het wetsvoorstel is niet vastgelegd wie een aanvraag voor een experiment mag doen, maar de verwachting is dat vooral leveranciers van deze mogelijkheid gebruik zullen maken. Dit laat onverlet dat ook andere partijen, waaronder netbeheerders, een aanvraag kunnen doen.

4.14 Toegang tot de warmtenetten

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de regering het pleidooi van deze leden ziet voor heldere regulering en laagdrempelige toetreding tot het net voor duurzame warmtebronnen. Daarnaast vroegen deze leden of de regering het wetsvoorstel ziet als een tussenstap naar een algemene energiewet.

De ingroei van CO2-arme bronnen is noodzakelijk om te komen tot duurzame en betrouwbare warmtenetten. Het is dus wenselijk dat producenten van duurzame bronnen onder duidelijke condities toegang kunnen krijgen tot het net. In de herziening van de Warmtewet is de stap gezet naar een vorm van onderhandelde toegang voor producenten van warmte tot het warmtenet. Deze eerste stap naar zogeheten «open netten» geeft (toekomstige) producenten van warmte het recht om relevante informatie te verkrijgen van de netbeheerder over de situatie op het betreffende net, zodat zij hier op aan kunnen sluiten bij het uitwerken van een businesscase.

Door verdergaande integratie van energiesystemen zal de relevante wetgeving voor gas, stroom en warmte steeds meer op elkaar afgestemd moeten worden. Of dat het maken van een algemene energiewet rechtvaardigt is op dit moment niet te zeggen.

De leden van de VVD-fractie verzochten de regering toe te lichten hoe zij het verloop van kosten voor het net zien over de komende jaren. Daarbij vroegen deze leden of het denkbaar is dat de kosten voor gasnetten en warmtenetten bij elkaar opgeteld worden en dan worden verdeeld over het aantal aansluitingen.

Het gebruik van aardgas wordt uitgefaseerd en het zal zo zijn dat een deel van de gasnetten uit gebruik genomen zal worden. De leeftijd van het gasnet en de noodzaak tot renovatie van het betreffende gasnet zijn elementen die worden meegenomen bij de beslissing om lokaal de transitie in te zetten van aardgas naar bijvoorbeeld warmtelevering of all-electric. De staat en de leeftijd van het gasnet zijn echter niet de enige variabelen. Ook lokale ambities en bijvoorbeeld renovatieplannen van woningcorporaties kunnen de planning beïnvloeden. Het zal dan ook zo zijn dat er gasnetten zijn die uit gebruik worden genomen voordat ze economisch en regulatorisch zijn afgeschreven. Dit vraagstuk is in eerste instantie relevant voor de tarieven die gelden op de gasnetten. De ACM stelt in overleg met onder andere de netbeheerders de tarieven vast in het methodebesluit gas. Hieronder vallen ook afschrijvingskosten.

Verder zijn de netgerelateerde kosten een onderdeel van de totale kosten die een afnemer van gas of warmte betaalt. Andere delen van de totale kosten zijn bijvoorbeeld de productiekosten en andere leveringskosten. Het is uiteindelijk de totale rekening die voor afnemers het meest relevant is. De regering onderzoekt de totale kosten voor eindverbruikers voor verwarming door middel van aardgas, warmtelevering, all- electric en hernieuwbaar gas. Verschillen in netkosten zijn hier een onderdeel van. De uitkomsten hiervan zullen worden meegenomen in de uitwerking van het transitiepad.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe een leverancier met een enkele aansluiting altijd warmte kan garanderen.

Een warmteleverancier is op grond van artikel 2, eerste lid, van de Warmtewet verplicht om zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte. Op welke wijze de leverancier hierin voorziet is in de eerste plaats aan de leverancier. Wanneer een leverancier voorziet dat hij niet langer aan zijn wettelijke verplichtingen zal kunnen voldoen, is hij op grond van dit artikel verplicht dit onverwijld aan de Minister te melden. De Minister treedt in dat geval overleg met de leverancier of de producent die de melding heeft gedaan alsmede met de overige bij de levering van warmte betrokken personen om te bezien op welke wijze de warmtelevering aan de verbruikers van de betreffende warmteleverancier kan worden geborgd. Indien de warmteleverancier hier zelf niet langer toe in staat is kan, als uiterste middel, een andere warmteleverancier worden aangewezen om de warmtelevering over te nemen (artikel 12c van de Warmtewet) of opdracht geven tot de aanleg van een gastransportnet (artikel 12d van de Warmtewet). Van deze noodvoorzieningen is sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014 geen gebruik gemaakt.

De leden van de D66-fractie vroegen of de regering van mening is dat op termijn warmtenetten opengesteld zouden moeten worden voor meerdere producenten. Ook vroegen deze leden welke doelstelling en verwachtingen de regering heeft van de gekozen tussenvorm in de wetgeving tussen open en gesloten warmtenetten, en wanneer daaraan is voldaan.

In aanvulling op het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de wenselijkheid van laagdrempelige toegang tot warmtenetten kan worden opgemerkt dat warmtenetten lokaal afgebakende energienetwerken zijn en relatief klein van omvang. De afhankelijkheid van een enkele continue warmtebron is vaak groot. De toetreding van een nieuwe producent gaat dan ten koste van de productie van andere producenten, tenzij er tegelijkertijd een groei in levering is voorzien. Het ontbreken van investeringszekerheid – de zekerheid dat gedane investeringen terugverdiend kunnen worden – kan potentiele producenten (ook de duurzame) vervolgens weerhouden te investeren in nieuwe bronnen. Naast de duurzaamheid moeten ook de leveringszekerheid en betaalbaarheid gewaarborgd blijven. De afweging tussen deze publieke belangen kan voor verschillende warmtenetten tot een andere snelheid van ingroei van hernieuwbare bronnen leiden.

De leden van de D66-fractie vroegen de regering om verder te onderbouwen waarom de kosten van open netten niet opwegen tegen de baten van verdere marktwerking en of de regering hier een studie naar heeft gedaan.

Er is onder meer gekeken naar de marktordening van verschillende warmtenetten in het buitenland (Scandinavië, Polen, Duitsland, Baltische Staten). Ondanks dat er her en der liberaliseringspogingen zijn gedaan, is er voor zover bekend nergens een goed functionerende vrije leverancierskeus voor consumenten (concurrentie op de markt) tot stand gebracht. Voor zover er een keuze is, dan is die er tussen warmte-opties zoals een warmtenet, warmtepomp of biokachel (concurrentie tussen markten). Er zijn wel diverse voorbeelden waar er sprake is van concurrentie tussen warmteproducenten, meestal bij grotere stadswarmtesystemen met voldoende aanbod.

De leden van D66 vroegen de regering om aan te geven of zij van mening is dat bij de Warmtewet netwerk en leverantie op termijn van elkaar gescheiden zouden moeten worden en er een onafhankelijke netwerkbeheerder moet komen. En zo ja, op welke manier en welke termijn de regering dat dan zou willen invullen en onder welke voorwaarden. Verder vroegen de leden van de D66-fractie welke partij bij grotere warmtenetten de rol van onafhankelijke systeembeheerder op zich zou kunnen nemen, en aan welke regels en voorwaarden deze systeembeheerder zou moeten.

In de Energieagenda is aangegeven dat de regering in ieder geval bij grootschalige warmtenetten de volgende rollen aan publieke regels wil binden: onafhankelijk systeembeheer, netbeheer en eigenaar/financier. Dit vraagt om aanpassing van wet- en regelgeving. De uitwerking hiervan vindt plaats als onderdeel van de transitiepaden uit de Energieagenda. Hierbij moet rekening worden gehouden met de specifieke fysieke kenmerken van warmtenetten.

De leden van de D66-fractie merkten op dat hoofdinfrastructuur van grootschalige warmtenetten vaak stuit op een onrendabele top en vroegen de regering welke mogelijkheden zij ziet om dit op te lossen.

In de huidige fase van de transitie worden de kosten van warmtelevering afgezet tegen het verwarmen op aardgas omdat het verwarmen op aardgas momenteel en ook nog in de nabije toekomst dominant is en als referentie geldt. Over de gehele keten bezien is warmtelevering momenteel vaak duurder ten opzichte van het gebruik van aardgas. Een deel van de kosten zit inderdaad in de kosten voor de transportnetten. Financiering van deze transportnetten blijkt lastig vanwege de grote investeringen die er voor nodig zijn en de grotere onzekerheden die daarmee gepaard gaan. Op welke wijze kostenverschillen kunnen worden overbrugd, is onderdeel van de uitwerking van de transitiepaden.

De leden van SP-fractie vroegen de regering meerdere varianten van open netten uit te werken. Daarbij wensten deze leden een nadere duiding van «must-run» situaties met onvoldoende rendement. Ook vroegen de fractieleden van de SP waarom nettoegang van nieuwe producenten niet dwingend wordt voorgeschreven. Zij vroegen zich af of dit nu niet juist prikkelend is voor de ontwikkeling van nieuwe netten en daarnaast niet meer transparantie bevordert. Ook vroegen zij zich af of de door de regering voorgestelde vorm van «onderhandelende toegang» niet een gemankeerde vorm van ongewenste marktprotectie is.

In de memorie van toelichting zijn enkele varianten van open netten beschreven. Zo wordt het onderscheid gemaakt tussen concurrentie tussen meerdere warmteproducenten (aanbodzijde) en concurrentie tussen meerdere warmteleveranciers (vraagzijde). Daarnaast is relevant in hoeverre de voorwaarden van toegang tot het net gereguleerd zijn. Van een «must run» situatie wordt gesproken wanneer de levering van warmte niet onderbroken mag worden, bijvoorbeeld bij industriële processen. Met name bij WKK installaties kan dat tot onrendabele situaties leiden indien er onvoldoende vraag is naar de – gelijktijdig met de warmte – opgewekte elektriciteit. De voorgestelde vorm van onderhandelde toegang is een zinvolle stap in de transitie. Ondernemers met plannen voor de bouw van een installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of bedrijven met restwarmte krijgen op basis van de herziene Warmtewet het recht om relevante informatie te verkrijgen van de netbeheerder. Deze informatie is nodig om te bezien of een businesscase rendabel is en of bijvoorbeeld de geplande productie past in het betreffende net.

De SP fractie bracht het amendement bij de eerdere behandeling van een wijziging van de Warmtewet in 2013 van toenmalig SP-Tweede Kamerlid Jansen in herinnering (Kamerstuk 32 839, nr. 22) en vroegen waarom onafhankelijk netbeheer niet wordt geregeld op de wijze als in dat amendement werd voorgesteld. Via dat amendement zou mogelijk gemaakt worden dat netwerken waar meerdere leveranciers in voeden, binnen twee jaar tegen boekwaarde worden overgedragen aan een onafhankelijk netbeheerder.

Er is nog geen keuze gemaakt in de vormgeving van het netbeheer bij warmtenetten. Het voorstel zoals dat in het genoemde amendement is verwoord, wordt gebruikt als input bij de verdere uitwerking.

De leden van de SP-fractie vroegen om een reflectie op de voor- en nadelen van het instellen van één nationaal tarief, ongeacht welke (hoeveelheden) netten er bij de afnemer liggen.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over het verloop van de kosten van het. Het evidente voordeel van één nationaal tarief over verschillende energienetten heen zijn eenvoud en eenduidigheid. Het nadeel is dat de huidige tariefstelsels zodanig van elkaar verschillen dat met één enkel tarief geen recht wordt gedaan aan de bestaande complexiteit.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen hoe de motie Dik-Faber (Kamerstukken 31 510, nr. 58) inzake het niet inzetten van publieke middelen voor een leiding voor restwarmte uit kolencentrales wordt uitgevoerd. Daarbij vroegen deze leden hoe wordt voorkomen dat de levering van restwarmte vervuilender is aan de bron dan duurzame alternatieven.

Met een brief van 4 juli 2016 (Kamerstuk 31 510, nr. 61) is een reactie gegeven op genoemde motie. Kortheidshalve wordt ter beantwoording van deze vraag verwezen naar deze brief.

De leden van ChristenUnie-fractie vroegen een toelichting op de opmerking dat de regering de ontwikkeling van een onafhankelijke systeembeheerder in diverse regio’s onderschrijft. Is het de bedoeling om onafhankelijk systeembeheer in publieke handen de algemeen geldende norm te laten worden, en, zo ja, op welke termijn.

Voor grotere warmtesystemen acht de regering onafhankelijk netbeheer en systeembeheer wenselijk. Of deze al dan niet in publieke handen zou moeten zijn, wordt bekeken in het kader van de uitwerking van de Energieagenda.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom wordt gekozen voor onderhandelde toegang voor warmteproducenten en waarom er niet is gekozen voor gereguleerde toegang.

De regering kiest er nu niet voor de nettoegang van nieuwe producenten dwingend voor te schrijven aan alle neteigenaren. Regels voor gedwongen toegang kunnen het functioneren en de uitbreiding van warmtenetten mogelijk ondermijnen als gevolg van toenemende investeringsonzekerheid voor bestaande en toekomstige neteigenaren en warmteproducenten. De handhaving van deze regels zouden ook extra toezichthoudende taken met zich mee brengen. De verwachting is dat onderhandelde toegang in combinatie met een groei van het aantal afnemers van warmtenetten tot meer aangesloten bronnen zal leiden.

4.15 Rapportageverplichting duurzaamheid

De leden van de CDA-fractie vroegen of met de verplichte rapportage over de duurzaamheid van warmtelevering voor iedereen inzichtelijk wordt met hoeveel CO2-uitstoot de levering van warmte gepaard gaat in verhouding met gas en wie deze rapportages mag inzien en welke eisen er aan gesteld worden.

De rapportageverplichting duurzaamheid is verder uitgewerkt in het Warmtebesluit. De rapportage is onderdeel van het bestuursverslag. Het bestuursverslag is, op grond van de algemene regels over het publiceren van jaarverslagen, toegankelijk voor het publiek. Hiermee wordt de duurzaamheidsprestatie van de geleverde warmte per warmtenet inzichtelijk en wordt, met behulp van de eisen die in dit besluit en de onderliggende ministeriële regeling worden gesteld aan deze informatie, zeker gesteld dat het opstellen van de duurzaamheidsrapportages van de verschillende vergunninghouders op een eenduidige manier plaatsvindt. De verplichte rapportage bevat in ieder geval de CO2-uitstoot die gerelateerd is aan de warmtelevering. Een leverancier mag de CO2-reductie ten opzichte van de gasreferentie tevens rapporteren, maar moet dan voor de gasreferentie de aangegeven waarden hanteren.

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe ervoor gezorgd gaat worden dat de geleverde warmte stap voor stap duurzamer gaat worden.

De rapportageverplichting over duurzaamheid is een eerste stap voor verdere verduurzaming van de warmtelevering. Deze verplichting is een aanvulling op bestaande instrumenten, zoals de SDE+, waarmee de verduurzaming van warmtenetten wordt gestimuleerd.

De leden van de D66-fractie vroegen of in de algemene maatregel van bestuur bij de eisen met betrekking tot de informatie over duurzame warmteproductie ook een onderscheid wordt gemaakt tussen echt duurzaam, zoals geothermie en klimaat gestuurde WKO’s, en overig fossiel zoals afvalwarmte.

In de rapportage over duurzaamheid wordt aangesloten bij bestaande methoden voor de bepaling van CO2-uitstoot. Er is wel een aparte rapportage over de hoeveelheid hernieuwbare energie, waarin aangesloten wordt op de methode van het protocol monitoring hernieuwbare energie. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van hernieuwbare energie.

De leden van de D66-fractie vroegen of er specifieke duurzaamheidscriteria worden gesteld waaraan duurzame warmte moet voldoen.

In de Warmtewet worden geen specifieke duurzaamheidscriteria gesteld. In andere regelingen, zoals de SDE+, zijn wel criteria opgenomen. Daarmee verwacht de regering dat voldoende stimulans is voor verduurzaming van de warmtevoorziening. Met de duurzaamheidsrapportage komt er wel meer zicht op de bronnen voor de warmtelevering en of aanvullende eisen in de toekomst wenselijk zijn.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen waarom de leverancier niet verplicht wordt om direct aan de klant te rapporteren over de duurzaamheid.

De reden om de rapportageverplichting op te nemen in het bestuursverslag is dat dit een openbaar verslag is en er al verplichtingen zijn aan het bestuursverslag. In het kader van het beperken van de administratieve lasten is er voor gekozen geen extra rapportage aan alle klanten op te nemen.

De leden van de SP-fractie vroegen welke mogelijkheden de regering ziet om meer profijt ten bate van duurzaamheid te verkrijgen vanuit de rapportageverplichting duurzaamheid en op welke wijze ervoor wordt gewaakt dat dit niet een afrekenbare papieren werkelijkheid wordt.

Met de rapportageverplichting voor duurzaamheid wordt in de eerste plaats beoogd mogelijk te maken dat verbruikers inzicht krijgen in de duurzaamheid van de hen geleverde warmte. Door de wijze waarop over de duurzaamheid van geleverde warmte wordt gerapporteerd te uniformeren wordt tevens mogelijk gemaakt dat de warmtelevering van verschillende leveranciers en uit verschillende warmtebronnen met elkaar kan worden vergeleken. Dit inzicht vormt een eerste stap naar verdere verduurzaming. Op basis van het inzicht dat wordt verworven met behulp van de rapportage kan vervolgens worden bezien of en zo ja welke stappen gezet kunnen worden in de richting van verdere verduurzaming en kunnen de effecten hiervan worden gevolgd. De rapportageverplichting sluit aan op bestaande rapportages en op de naleving van deze verplichting wordt door ACM toegezien. Daarmee is volgens de regering een goede balans gevonden tussen administratieve last en effectieve rapportage.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom niet is gekozen voor het wettelijk stellen van duurzaamheidseisen aan warmtelevering, bijvoorbeeld op basis van de CO2-emissie, zodat niet-duurzame warmte kan worden uitgesloten op het warmtenet.

Zoals aangegeven in reactie op de gelijkluidende vragen van de leden van D66-fractie over het stellen van specifieke duurzaamheidscriteria worden in de Warmtewet geen specifieke duurzaamheidscriteria gesteld. In andere regelingen, zoals de SDE+ subsidie, zijn wel criteria opgenomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom niet is gekozen voor een verplichting richting de afnemer, naast de eis van transparantie in het bestuursverslag.

Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen van de leden van GroenLinks-fractie over het verplicht direct rapporteren aan de klanten is gekozen voor het opnemen van duurzaamheidsinformatie in het bestuursverslag omdat dit een openbaar verslag is en op deze wijze administratieve lasten worden beperkt.

4.16 Handhavingsplan

De leden van de CDA-fractie vroegen of het handhavingsplan van de ACM voorziet in een hoog beschermingsniveau voor gebruikers. Deze leden vroegen of een overzicht gegeven kan worden van de handhavingsactiviteiten van de ACM op grond van de Warmtewet sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet.

De ACM heeft sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014 één last onder dwangsom opgelegd. Er zijn op grond van de Warmtewet door de ACM nog geen boetes opgelegd. Het opleggen van sancties is voor de ACM ook geen doel op zich. Wel lopen er op dit moment verschillende handhavingsonderzoeken. De ACM heeft daarnaast met verschillende leveranciers contact gehad over aspecten die zich mogelijk niet goed verhouden tot de Warmtewet. Leveranciers hebben hierop verandering doorgevoerd in het gedrag. Dat ging over verschillende aspecten, waaronder de manier waarop facturen en jaarafrekeningen waren opgebouwd en de manier waarop overeenkomsten waren vormgegeven. Ook heeft de ACM verschillende leveranciers er op gewezen dat de compensatieregeling (en terugbetalingsregeling) die ze hanteren niet conform de Warmtewet is.

Op dit moment ligt er geen goedgekeurd handhavingsplan. Wel heeft de ACM haar prioriteringsbeleid voor handhavingsonderzoeken9 gepubliceerd. Een van de prioriteringscriteria is de mate waarin het gedrag voor de consument schadelijk is. Dit beleid wordt ook toegepast op de Warmtewet. Daarmee geeft de ACM duidelijk aan dat zij oog heeft voor het beschermingsniveau van de gebruikers.

De leden van de SP-fractie vroegen wat er precies wordt bedoeld met de zin dat «een verregaande transparantie over het handhavingsbeleid ervoor zorgt dat marktpartijen mogelijk beter in staat zijn om eventuele handhavingsrisico’s te calculeren» en waaraan de regering denkt bij de door haar bedoelde niet-riskante overtredingen.

Als het tot in detail duidelijk wordt op welke wijze ACM haar handhavende en controlerende activiteiten uitvoert dan kunnen marktpartijen daar vooraf rekening mee houden en op inspelen. Dit verminderd de effectiviteit van de handhaving aangezien deze gebaat is bij verassingselementen. Daarom is onzekerheid over het inzetten van handhavingsbevoegdheden juist een belangrijk onderdeel van het toezicht. Bij het noemen van «niet-riskante» overtredingen in de memorie van toelichting werd overigens niet gedoeld op specifieke overtredingen.

5. Europeesrechtelijke aspecten

De leden van de D66-fractie vroegen de regering nader te motiveren waarom grensoverschrijdende dienstverlening niet mogelijk zou zijn. Kan vanuit de grensgebieden, niet aan België en Duitsland geleverd worden, en andersom?

Levering van warmte vanuit de grensgebieden aan België en Duitsland is niet mogelijk omdat levering van warmte alleen kan worden gerealiseerd via daadwerkelijk in Nederland gelegen infrastructuur. Omgekeerd is dit voor in België en Duitsland gelegen infrastructuur ook het geval. Op dit moment is er overigens voor zover mij bekend geen interesse in grensoverschrijdende projecten.

Hoofdstuk II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdelen A en B

De leden van de VVD-fractie schetsen een beeld waarbij door de ontwikkelingen in de bouwsector nieuw te bouwen woonwijken gemakkelijk zonder een gasaansluiting kunnen worden aangelegd en de leden van deze fractie zien een aardgasaansluitingsloze wijk dan ook als de nieuwe standaard. De netbeheerder zou hierin een belangrijke rol krijgen en de netbeheerder en de gemeente zouden een gezamenlijke rol hebben om te zoeken naar een optimale aansluiting.

Genoemde leden vroegen hoe de regering dit ziet. Daarbij vroegen deze leden hoe een gemeente in een bestaande wijk kan kiezen voor een andere aansluiting dan gas en hoe worden bewoners en bedrijven betrokken worden bij de keuze om geen gas meer aan te leggen.

De regering onderschrijft het door de VVD-fractie geschetste beeld voor de toekomst. In de Energieagenda is aangegeven dat voor 2050 wordt toegewerkt naar een CO2-arme gebouwde omgeving. Dit besluit is vertaald naar de doelstelling om te komen tot aardgasvrije wijken. Zowel voor nieuwbouw als voor bestaande bouw zal gezocht moeten worden naar alternatieve warmtevoorziening als aardgas uit de wijk zal verdwijnen.

Met betrekking tot het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving kan iedere gemeente in overleg met de bewoners van een wijk komen tot het besluit om aardgas af te koppelen en hier een alternatieve warmtevoorziening voor in de plaats te brengen. In het kader van de green deal aardgasvrije wijken kijken gemeenten, netbeheerders en het rijk samen naar de mogelijkheden om tot aardgasvrije wijken te komen. De ervaringen uit deze green deal worden verwerkt in het transitiepad lage temperatuurwarmte. Het verder afbouwen van het gebruik van aardgas voor ruimteverwarming zal in het kader van dit transitiepad plaats vinden, waar een nieuwe regering over zal besluiten.

Artikel I, onderdeel E

De leden van de CDA-fractie vroegen of warmteklanten nu dubbel betalen voor hun aansluiting doordat er een apart tarief voor zal gelden en deze kosten ook in de maximale tarieven voor de warmtelevering binnen de gasreferentie verwerkt zouden zijn.

Er is geen sprake van dubbele betaling door warmteverbruikers voor de aansluiting op een warmtenet. De maximumprijs voor de levering van warmte houdt namelijk geen rekening met de kosten voor de aansluiting op het warmtenet. In onderhavig wetsvoorstel wordt nieuwe regulering van de eenmalige aansluitbijdrage geïntroduceerd op basis van de gemiddelde werkelijke kosten van een nieuwe aansluiting op een bestaand of nieuw warmtenet. Dit is een aparte en eenmalige kostenpost voor warmteverbruikers en wordt daarnaast op geen andere wijze bij warmteverbruikers in rekening gebracht.

Artikel I, onderdeel F

De leden van de CDA-fractie vroegen of de verhoging van de periode voor compensatie naar 24 uur een ondermijning is van het NMDA-uitgangspunt. Verder vroegen zij of het mogelijk is om als alternatief te overwegen om de kosten van onderhoud van de ketel uit de Warmteregeling te halen om een eerlijke vergelijking te borgen.

De verhoging van de termijn voor storingscompensatie betreft geen ondermijning van de gasreferentie. De gasreferentie voor de tariefregulering van warmtenetten gaat uit van het onderhoud van een cv-ketel van aangeslotenen op gas en het onderhoud van de afleverset bij verbruikers van warmte. Hierin maakt de gasreferentie dus geen onderscheid en dus bestaat er geen noodzaak om de kosten van onderhoud van de ketel uit de Warmteregeling te halen.

Warmtenetten zijn op bepaalde aspecten fundamenteel verschillend van gasnetten. Een netbeheerder van een gasnet is verzekerd van inkomsten via gereguleerde transporttarieven voor zijn aangeslotenen, terwijl een warmteleverancier inkomsten misloopt zolang een storing ervoor zorgt dat de warmtelevering bij de verbruikers wordt onderbroken. Hierdoor heeft een warmteleverancier een inherente prikkel om de warmtelevering zo spoedig mogelijk weer te hervatten. Door dit fundamentele verschil tussen gas- en warmtenetten is in het wetsvoorstel gekozen voor een licht afwijkende invulling van de compensatieregeling bij ernstige storingen in warmtenetten om ervoor te zorgen dat de warmteleveranciers niet onevenredig benadeeld worden ten opzichte van de netbeheerders van gasnetten.

Nota van wijziging

De leden van de CDA-fractie vroegen of het de verwachting is dat gemeenten gebieden gaan aanwijzen en of gemeenten hierbij worden ondersteund.

Ja, het is de bedoeling dat gemeenten gebieden aan gaan wijzen als een gebied waar geen gastransportnet wordt aangelegd of uitgebreid. Dit wordt mogelijk gemaakt in het voorstel tot wijziging van artikel 10 van de Gaswet dat is opgenomen in de nota van wijziging, onder de voorwaarden die in dat voorstel genoemd worden. Er wordt in het kader van het transitiepad lage temperatuurwarmte bekeken welke ondersteuning gemeenten hierbij nodig zouden hebben, en hoe deze ondersteuning georganiseerd kan worden.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het van toegevoegde waarde zou zijn als de aanwijzing van gasloze gebieden geschiedt vanuit een structurele samenwerking met netbeheerder en provincie.

In het transitiepad lage temperatuurwarmte wordt de optimale organisatie en samenwerking voor de warmtetransitie uitgewerkt. Daarbij wordt ook gekeken naar de wijze waarop de samenwerking tussen gemeenten, netbeheerder, provincies en eventueel ook andere betrokken partijen zo goed mogelijk georganiseerd kan worden.

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe in het amendement wordt geborgd dat gemeenten bij de aanwijzing van gebieden bewoners, bedrijven, netbeheerders van elektriciteit en gas en energie- en warmteleveranciers betrekken.

Een college van burgemeester en wethouders kan een gebied aanwijzen als een gebied waar geen gasnet wordt aangelegd of uitgebreid. Het aanwijzingsbesluit dat het college neemt, dient door het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht zorgvuldig te worden voorbereid. Dit betekent dat het college verplicht is om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te betrekken en de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Op deze wijze wordt geborgd dat de belangen van bewoners, bedrijven, netbeheerders van elektriciteit en gas en energie- en warmteleveranciers bij de besluitvorming worden betrokken. Indien een belanghebbende partij van mening is dat hun belang onvoldoende betrokken is bij het besluit kan deze partij bovendien bezwaar en beroep instellen tegen het besluit van het college.

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom de regering er niet voor kiest om een gasaansluiting alleen bij hoge uitzondering onder bepaalde voorwaarden toe te staan bij nieuwbouw en waarom zij wel van een gasnet uit blijft gaan en er niet voor heeft gekozen om een «duurzaam, tenzij»-regime te hanteren.

De regering heeft in de Energieagenda aangekondigd dat er in principe geen gasaansluitingen in nieuwbouwwijken komen. Deze maatregel vergt dat de kosten eerlijk verdeeld worden tussen bestaande en nieuwbouw en tussen verschillende gebieden. Deze eerlijke verdeling is onderdeel van de uitwerking van de Energieagenda. Tot dat moment is het een keuze van de gemeente of er nog gasaansluitingen in nieuwbouwwoningen komen. Deze kan hierover ook lokaal verantwoording afleggen. Een verbod zoals bedoeld door de leden van de CDA-fractie, waar alleen bij hoge uitzondering van wordt afgeweken, betekent dat nieuwbouwprojecten alleen door kunnen gaan als er een alternatieve voorziening voor lage temperatuur verwarming beschikbaar is. Dit is niet overal het geval.

De leden van de D66-fractie vroegen in welke situaties van nieuwbouw bij kleingebruikers het beter is dat nog steeds een gasnet met gasaansluitingen wordt aangelegd.

Er kunnen situaties zijn waarin de aanleg van infrastructuur voor de warmtevoorziening in nieuwbouw op een andere bron dan gas zo duur is dat deze er toe zou leiden dat een nieuwbouwproject niet doorgaat, of de kosten zo hoog worden dat het verbod om geen gas te gebruiken onevenredig zwaar drukt op de bewoners of eigenaren van deze woningen, terwijl buren die gas blijven verstoken financieel voordelig uit zijn. De lasten van het afstappen van aardgas moeten eerlijk verdeeld worden. De regering heeft aangekondigd hieraan te werken in de uitwerking van de Energieagenda.

De leden van de D66-fractie vroegen of de bepaling dat een gasaansluiting niet langer verplicht is bij nieuwbouw ook geldt voor grootschalige renovatie.

De gemeente kan als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel een gebied aanwijzen als een gebied waar geen gastransportnet wordt aangelegd of uitgebreid. Bij een grootschalige renovatie zal er veelal een gasnet aanwezig zijn waardoor het buiten de reikwijdte van de voorgestelde artikelen valt, tenzij er effectief sprake zou zijn van een uitbreiding van dat gasnet.

De leden van de D66-fractie vroegen de regering op welke manier zij uiteindelijk niet alleen nieuwbouw, maar ook bestaande bouw van het gasnet zou willen halen. De voorgenoemde leden wilden weten welke stappen de regering wil zetten om de omslag van gas naar duurzaam bij deze natuurlijke vervangingsmomenten te bewerkstelligen.

In het transitiepad lage temperatuurwarmte wordt momenteel uitgewerkt hoe de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving zo optimaal en kosten-efficiënt mogelijk kan verlopen. Daarbij zal aandacht worden besteed aan zowel bestaande bouw als nieuwbouw, en zal ook goed gekeken worden naar meekoppelkansen zoals de aansluiting op natuurlijke vervangingsmomenten.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd wie volgens de regering de kosten van het vervangen van de CV-ketels en huishoudelijke apparatuur zal dragen.

Het aardgasvrij maken van de bestaande bouw zal met diverse kosten gepaard gaan. Hoe deze kosten verdeeld kunnen worden, is onderdeel van de uitwerking van het transitiepad lage temperatuurwarmte.

De leden van de D66-fractie vroegen of een aanwijzing van een gebied als all electric kan worden geweigerd wanneer het aanwezige elektriciteitsnet de benodigde capaciteit daarvoor mist, of dat in een dergelijk geval de netbeheerder voor elektriciteit de aanwijzing krijgt om de capaciteit te verhogen.

De keuze voor een alternatieve warmtevoorziening zal op lokaal niveau gemaakt worden, waarbij de gemeente zelf de afweging moet maken wat de meest kostenefficiënte en maatschappelijk acceptabele oplossing is. In overleg met de netbeheerder zal gekeken moeten worden of daarbij netverzwaring nodig is. Om te voorkomen dat dit tot onbeperkte netverzwaring leidt die maatschappelijk niet optimaal is, is er overleg met de sector over een afwegingskader met de naam «verzwaren, tenzij».

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen over het «wel aardgas, tenzij»-beleid of een «geen gas, tenzij»-beleid beter zou zijn en of de nota van wijziging hierop aangepast kan worden.

De ambitie om het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving af te bouwen deelt de regering met GroenLinks. Tegelijkertijd moet er wel een redelijk alternatief zijn. Voor nieuwbouw is die er meestal al. Daarom wordt in onderhavige nota van wijziging de aansluitplicht gewijzigd. Er is daarbij niet gekozen voor een «nee, tenzij» benadering, zoals GroenLinks bepleit. Onderhavige nota van wijziging laat de keuze aan gemeenten om gebieden aan te wijzen waar geen nieuwe gasaansluitingen komen. Over die keuze kan lokaal verantwoording worden afgelegd. Het is bij de aanleg van warmtenetten overigens al praktijk dat gemeenten gebieden aanwijzen waar de gasaansluitplicht niet geldt. Die optie verruimen we nu naar andere alternatieven voor gas, zoals all electric.

De leden van de fractie van de SP vroegen waarom het recht van een gasaansluiting voor bijvoorbeeld een individuele nieuwbouwwoning prevaleert boven een kans om werkelijk door te pakken op een werkelijke transitie naar hernieuwbare energie.

Ik verwijs naar het antwoord op de gelijkluidende vragen van de leden van de D66-fractie over situaties van nieuwbouw van kleingebruikers waarin het beter is dat nog steeds een gasnet met gasaansluitingen wordt aangelegd.

De leden van de SP-fractie vroegen of de regering – nogmaals – kan uitleggen waaruit de winst van voorliggend wetsvoorstel bestaat ten opzichte van de experimenteerwet.

Ik verwijs naar het antwoord op de gelijkluidende vragen van de leden van SP-fractie over de meerwaarde van de voorgestelde nota van wijziging.

Het voorstel spreekt van een «alternatieve energie-infrastructuur waarmee kan worden voorzien in de verwachte warmtebehoeften in het aan te wijzen gebied». De leden van de SP-fractie vroegen of de regering met de keuze voor deze brede formulering niet de deur open zet voor al te gemakkelijke fossiele keuzes. Deze leden vroegen verder of er niet één op één moet worden ingezet op waarlijk hernieuwbare en integrale oplossingen zoals warmtepompen, geothermie, zon en wind.

De door de leden van de SP-fractie aangehaalde formulering is bewust gekozen om alle alternatieven voor aardgas mogelijk te maken, en gemeenten niet te beperken tot alleen de technieken die op dit moment bekend en beschikbaar zijn. De hoofddoelstelling om te komen tot een CO2-arme energievoorziening sluit fossiele keuzes uit.

De leden van de SP-fractie vroegen wie in opdracht van de gemeente een warmtenet aanleggen en of dat in het voorstel niet automatisch wordt overgelaten aan de markt.

Op dit moment kan iedere aanbieder een warmtenet aanleggen in opdracht van de gemeente.

Dat kan een private partij zijn (voorbeeld: Ennatuurlijk, Nuon) of een publieke partij (voorbeeld: Stadsverwarming Purmerend, HVC).

De leden van de SP-fractie vroegen hoe wordt voorkomen dat de zo nodige landsbrede energietransitie stokt, nadat de krenten uit de pap zijn gehaald en het laaghangende fruit is geplukt. Verder vroegen deze leden wie verantwoordelijk is voor de meer ingewikkelde gebieden.

Met de uitwerking van de transitiepaden wordt een concrete route uitgestippeld voor de energietransitie, waarbij niet alleen gekeken wordt naar laaghangend fruit, maar naar de complete opgave en hoe deze gerealiseerd kan worden. Hierin worden ook de bevoegdheden en verantwoordelijkheden beschreven.

De leden van de SP-fractie vroegen of we vanwege het vermijden van pijnlijke keuzes, wederom te maken krijgen met segregatie. Ditmaal de segregatie van duurzame wijken ten opzichte van wijken die niet los kunnen komen van fossiele brandstoffen.

Het transitiepad lage temperatuurwarmte kijkt naar de gebouwde omgeving als geheel, en onderzoekt oplossingen voor alle typen wijken.

De leden van de SP-fractie vroegen wat nu de concrete winst is die wordt behaald door deze papieren ingreep. Immers het amendement Bosman, links- of rechtsom aangenomen via de Warmtewet of de Wet voortgang energietransitie, vraagt nog altijd om een samenloopregeling. Daarbij vragen deze leden of er niet in het kader van de Omgevingswet was afgesproken om af te zien van overbodige dubbele en naar elkaar verwijzende wetgeving.

De concrete winst is tijdswinst. Welk voorstel het eerste wordt aangenomen is daarbij mede afhankelijk van de agenda van de Tweede Kamer. De wijziging vindt uiteindelijk alleen plaats in Gaswet. Er zal dus geen sprake zijn van dubbele wetgeving. In de nota van wijziging op het wetsvoorstel houdende wijziging van de Warmtewet is daarbij niet voorzien in een samenloopbepaling met wetsvoorstel Voortgang Energie Transitie. Dit omdat het amendement Bosman (Kamerstuk 34 627, nr. 7) nog niet door de Kamer is aangenomen. Dit amendement maakt om deze reden nog geen onderdeel uit van het wetsvoorstel Voortgang Energie Transitie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of het nu nog aansluiten van woonwijken op het gasnet gezien de aankomende warmtetransitie tot desinvesteringen leidt voor netbeheerders en woningeigenaren, en of het aan bewoners, netbeheerders en investeerders meer duidelijkheid geeft wanneer de aansluitplicht wordt geschrapt of wanneer wordt gekozen voor «nee, tenzij».

Door de energietransitie zullen woningen tot 2050 moeten overstappen op een andere warmtebron dan aardgas. Naast enige ruimte voor duurzaam gas, leidt dit tot verdere uitgebruikname van gasinfrastructuur. Hierom heeft de regering in de Energieagenda aangekondigd dat er in principe geen gasaansluitingen in nieuwbouw zullen komen. De effectuering van deze maatregel moet zorgvuldig genomen worden. Voor verdere beantwoording over de aansluitplicht verwijs ik naar de gelijkluidende vraag over «nee, tenzij» van de leden van de Groenlinks-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen wat de rol van de gemeenteraad is bij de keuzes.

De rol van de gemeente moet nog nader worden bepaald in het transitiepad lage temperatuurwarmte, en het overkoepelende governance-traject.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen op welke manier regionaal naar de juiste oplossingen wordt gezocht en op welke manier netbeheerders worden betrokken bij deze keuzes.

Ik verwijs naar het antwoord op de gelijkluidende vragen van de leden van de VVD-fractie over de rol van de gemeente bij de keuze voor een andere aansluiting.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of het voorliggende wetsvoorstel de juiste prikkel geeft om te kiezen voor het beste alternatief vanuit duurzaamheidsoogpunt en vanuit kostenoogpunt.

Het voorliggende wetsvoorstel is een belangrijke stap in het kader de energie transitie, maar er zullen nog vele maatregelen nodig zijn. De uitwerking van het transitiepad lage temperatuurwarmte zal verder ingaan op de prikkels om de juiste keuzes te maken bij de verduurzaming van de warmtevoorziening.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen op welke manier bij lokale keuzes wordt aangesloten bij de landelijke visie op de warmtetransitie.

Bij de uitwerking van de energietransitie is de samenhang tussen decentrale besluiten en landelijke doelstellingen nadrukkelijk een punt van aandacht. De besluitvorming over de verantwoordelijkheidsverdeling (de governance) moet nog plaatsvinden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen hoe de regering wil omgaan met gasaansluitingen in de bestaande bouw, bijvoorbeeld bij vernieuwbouw en herstructurering en of de gemeenten hierin een regierol krijgen.

Zoals aangekondigd in de Energieagenda zal de bestaande bouw de komende decennia overstappen van aardgas op een andere warmtevoorziening. Vernieuwing en herstructurering zijn voor de hand liggende momenten voor deze overstap. De governance van deze transitieopgave inclusief de rol van gemeenten wordt in meer detail voorbereid in de uitwerking van de Energieagenda.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Zie hieromtrent ook het eindrapport van Ecorys «Evaluatie Warmtewet en toekomstig marktontwerp warmte» (Kamerstuk 34 415, nr. 1, bijlage 686163, p. 131), p. 60 e.v.

X Noot
2

Zie hieromtrent de inbreng van IVBN, Vastgoed Belang, VGM NL en Forumvast naar aanleiding van de internetconsultatie van het wetsvoorstel (https://www.internetconsultatie.nl/herzieningwarmtewet/reactie/f3316b99-9a30-47c6-b0d6-6f371f2684f1).

X Noot
3

Zie hieromtrent de inbreng van Aedes naar aanleiding van de internetconsultatie van het wetsvoorstel (https://www.internetconsultatie.nl/herzieningwarmtewet/reactie/395fcf67-7694-4bf9-b81d-9a810f706e20).

X Noot
4

Rechtbank Oost-Brabant, 24 augustus 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4593, overwegingen 4.13–4.15.

X Noot
5

Deze concepten zijn te raadplegen op https://www.internetconsultatie.nl/wijziginglagereregelgevingwarmte.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl